Tam-Omgevingsplan 12 Oude Twentseweg 30 en 30a Luttenberg - Motivering
Tekst van het document
Motivering “Tam-Omgevingsplan 12 Oude Twentseweg 30 en 30a Luttenberg”
Locis Adviseurs B.V. Groten Bos 3 7131 NW Lichtenvoorde info@locisadviseurs.nl 0315 820 100 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze opgave mag worden verveelvoudigd door middel van druk, fotokopie, microfilm, geluidsband, elektronisch of op welke andere wijze dan ook, en evenmin in een geautomatiseerd gegevensbestand worden opgeslagen, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Locis Adviseurs. Aan de inhoud van dit rapport kunnen geen rechten worden ontleend, Locis Adviseurs, verwerpt elke aansprakelijkheid voor aan ander gebruik van deze tekst dan voor de situatie waarvoor hij wordt uitgebracht. De informatie in deze tekst is onder voorbehoud en kan veranderd worden zonder voorafgaande kennisgeving.
1
Inhoudsopgave 1.
Inleiding ............................................................................................................................... 4 1.1
Aanleiding ............................................................................................................ 4 1.1.1 Ligging projectgebied ................................................................................... 4 1.1.2 Procedure .................................................................................................... 4 1.1.3 Leeswijzer .................................................................................................... 4
2.
Beschrijving project en zijn omgeving .................................................................................... 5 2.1
Huidige situatie .................................................................................................... 5
2.2 Ruimtelijke en functionele situatie .............................................................................. 5 2.3 Bouw- en gebruiksmogelijkheden omgevingsplan ........................................................ 6 2.3.1 Toekomstige situatie .................................................................................... 6 2.3.2 Ontwikkeling ................................................................................................ 6 2.3.3 Strijdigheden................................................................................................ 6 3.
Participatie ........................................................................................................................... 7 3.1
Hoe was de voorbereiding? ................................................................................... 7
3.2 Wat vindt de omgeving? ............................................................................................. 7 3.3 Vooroverleg ................................................................................................................ 7 4.
Beleid ................................................................................................................................... 8 4.1
Inleiding ............................................................................................................... 8
4.2 Rijksbeleid en Rijksregels ............................................................................................ 8 4.2.1. Nationale Omgevingsvisie (NOVI) ................................................................ 8 4.2.2 Instructieregels Rijk ...................................................................................... 9 4.3 Provinciaal beleid en provinciale regels ..................................................................... 10 4.3.1 Provinciale omgevingsvisie ......................................................................... 10 4.3.2 Provinciale omgevingsverordening ............................................................. 11 4.4 Gemeentelijk beleid .................................................................................................. 12 4.4.1 Omgevingsvisie Raalte ................................................................................ 12 4.4.2 Landschapsontwikkelingsplan..................................................................... 13 4.4.3 Groenbeleid ‘Groen, samen doen!’. ............................................................ 14 4.4.4 Omgevingsplan van rechtswege ‘Buitengebied Raalte’ ................................ 14 5.
Gevolgen voor de fysieke leefomgeving ............................................................................... 15 5.1
Vormvrije m.e.r beoordeling ............................................................................... 15
5.2 Ladder voor duurzame verstedelijking ....................................................................... 15 5.3 Duurzaamheid .......................................................................................................... 16 2
5.4 Gezondheid .............................................................................................................. 16 5.5 Verkeer en parkeren ................................................................................................. 17 5.6 Ecologie gebiedsbescherming .................................................................................... 17 5.6.1 Gebiedsbescherming Natura 2000 .............................................................. 17 5.6.2 Gebiedsbescherming Natuurnetwerk Nederland ......................................... 18 5.7 Soortenbescherming ................................................................................................. 19 5.8 Stikstofdepositie ....................................................................................................... 19 5.9 Luchtkwaliteit ........................................................................................................... 19 5.10 Geluid ..................................................................................................................... 21 5.11 Geur ....................................................................................................................... 22 5.12 Omgevingsveiligheid ...............................................................................................
22 5.13 Kabels en leidingen ................................................................................................. 23 5.14 Trilling .................................................................................................................... 24 5.15 Archeologie en cultuurhistorie................................................................................. 24 5.16 Bodem .................................................................................................................... 25 5.17 Water ..................................................................................................................... 27 6. Financiele haalbaarheid .......................................................................................................... 29 6.1. Economische uitvoerbaarheid .................................................................................. 29 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ............................................................................ 29 7. Evenwichtige toedeling van functies aan locaties..................................................................... 30 8. Juridische aspecten en planverantwoording ............................................................................ 31
3
1. INLEIDING 1.1 Aanleiding 1.1.1 Ligging projectgebied De locatie is gelegen in het buitengebied van Luttenberg. De locatie is kadastraal bekend onder gemeente Raalte, sectie O, nummers 1256, en heeft een totale oppervlakte van 15.050 m2. De kern van Luttenberg ligt op een afstand van circa 1 km in zuidoostelijke richting. De locatie wordt aan de zuid- zuidwestzijde begrenst door de Oude Twentseweg. Aan de overige zijden wordt de locatie begrenst door agrarische gronden met landschapswaarden. Hieronder een weergave van de locatie.
Figuur 1 Ligging locatie t.o.v. directe omgeving
1.1.2 Procedure Het uitsluiten van het bedrijfsmatig houden van vee kan enkel middels een buitenplanse procedure geschieden. Daarom wordt in dit geval ingestoken op een wijziging van het omgevingsplan. Binnen de gemeente Raalte wordt daarvoor gewerkt volgens de systematiek van TAM-IMRO. [invullen na vaststelling] Voorliggend plan heeft voor een periode van 6 weken ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn er wel/geen zienswijzen ingediend. 1.1.3 Leeswijzer De toelichting van voorliggend omgevingsplan is opgebouwd uit een zevental hoofdstukken. Na dit inleidende hoofdstuk volgt in hoofdstuk 2 een beschrijving van het plan. In hoofdstuk 3 wordt de participatie voorafgaand aan de omgevingsplanprocedure omschreven. Hoofdstuk 4 bevat de beleidstoets. Hierin komen zowel het rijks, provinciaal- als gemeentelijk beleid aan bod. In hoofdstuk 5 worden de mogelijke gevolgen voor de fysieke leefomgeving beschreven. Hoofstuk 6 bevat een toelichting op de financiële haalbaarheid. In hoofdstuk 7 wordt tot slot beargumenteerd waarom de ontwikkeling voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 4
2. BESCHRIJVING PROJECT EN ZIJN OMGEVING 2.1 Huidige situatie Op de locatie Oude Twentseweg 30 te Luttenberg, in het buitengebied van de gemeente Raalte, bestaat het voornemen om het bedrijfsmatig houden van vee uit te sluiten om enkel verder te gaan met de akkerbouwtak (fruitteelt). In 2024 heeft men beslist te stoppen met het houden van melkrundvee en zich aangemeld voor de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties (Lbv). Een voorwaarde om mee te doen aan deze regeling is dat het bedrijfsmatig houden van vee wordt uitgesloten. De planlocatie bestaat uit een tweetal woningen (één bedrijfswoning en één plattelandswoning) met de daarbij horende bijgebouwen en diverse bedrijfsmatige gebouwen. Achter de bedrijfsgebouwen zijn een aantal kuilvoerplaten gelegen. Tevens staat er een tunnelkas en is de locatie achter op het perceel voorzien van teelt ondersteunende voorzieningen. Aan de westzijde van het perceel is een paardenbak gelegen voor het hobbymatig houden van 3 stuks paarden. Aan de zuidzijde en voor de woningen bevinden zich een aantal hagen, die behouden blijven met dit plan. De locatie wordt via een inrit ontsloten op de Oude Twentseweg. Beide woningen hebben daarnaast iedere hun eigen inrit.
Figuur 2 weergave locatie
2.2 Ruimtelijke en functionele situatie Voorliggend plan is opgesteld naar aanleiding van een principebesluit, waarmee het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Raalte heeft ingestemd met het de functiewijziging waardoor het houden van vee wordt uitgesloten. 5
Vanaf 1 januari 2024 is het toenmalige bestemmingsplan ‘buitengebied Raalte’ (vastgesteld 8 juni 2012) opgegaan in het (tijdelijke deel van) Omgevingsplan van de gemeente Raalte. In dit voormalige bestemmingsplan kent het plangebied de bestemming ‘Agrarisch met waarden - Landschapswaarden’ met gebiedsaanduiding ‘reconstructiewetzone – verwevingsgebied’ (zie figuur 3).
Figuur 3 weergave bestaande planologische situatie
2.3 Bouw- en gebruiksmogelijkheden omgevingsplan 2.3.1 Toekomstige situatie In de toekomstige situatie wordt het bedrijfsmatig houden van vee op de locatie uitgesloten zodat er daarmee ook aan de voorwaarden van het Lbv wordt voldaan. Aan het erf vinden geen fysieke aanpassingen plaats, behalve het slopen van de bestaande ligboxenstal in de toekomst. 2.3.2 Ontwikkeling Met voorliggend plan wordt het bedrijfsmatig houden van vee uitgesloten. Deze ontwikkeling dient formeel te worden vastgelegd in het Omgevingsplan van de gemeente Raalte. 2.3.3 Strijdigheden In het voormalige bestemmingsplan ‘buitengebied Raalte’ (vastgesteld 8 juni 2012), is opgenomen dat ter plaatse van de bestemming ‘Agrarisch met waarden - landschapswaarden’ vee mag worden gehouden. Het uitsluiten van het houden van vee dient specifiek te worden geborgd in het omgevingsplan.
6
3. PARTICIPATIE 3.1 Hoe was de voorbereiding? De directe buren zijn middels een persoonlijk gesprek/telefoontje op de hoogte gebracht van de beoogde ontwikkeling. specifiek gaat het om de adressen: - Oude Twentseweg 32 - Oude Twentseweg 32a - Oude Twentseweg 30a - Oude Twentseweg 34a - Oude Twentseweg 33 - Oude Twentseweg 31 - Oude Twentseweg 28 - Oude Twentseweg 26 - Oude Twentseweg 8
3.2 Wat vindt de omgeving? Tijdens een rondgang langs de buren was de omgeving zeer positief over het plan. Geen van de buren had op- of aanmerkingen ten aanzien van het plan. Vanwege de kleinschaligheid van het plan wordt aangenomen dat de buren op deze wijze voldoende op de hoogte zijn gebracht van het plan en voldoende mogelijkheden hebben gehad voor inspraak. Gezien het gaat om een zeer kleinschalige ontwikkeling, wordt bredere participatie met andere belangengroepen niet noodzakelijk geacht.
3.3 Vooroverleg Gemeente Raalte De gemeente Raalte is in een vroeg stadium betrokken in de planvorming. Gedurende de planvorming heeft er meerdere keren afstemming met de gemeente plaatsgevonden. Waterschap Drents Overijsselse Delta Waterschap Drents Overijsselse Delta is op de hoogte gesteld van het plan middels het uitvoeren van de digitale watertoets. Hieruit volgt dat het initiatief geen waterbelangen raakt. Nadere afstemming met waterschap Drents Overijsselse Delta is daarom niet benodigd.
7
4. BELEID 4.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt het beleid beschreven dat betrekking heeft op het plangebied en de voorgenomen ontwikkeling. Het wordt benaderd vanuit het Rijks-, provinciaal-, regionaal- en gemeentelijk beleid. Het voorgenomen plan wordt getoetst aan dit beschreven beleid. Hierbij worden ook de instructieregels voor lagere overheden behandeld die zijn opgenomen in het Bkl en/of de provinciale omgevingsverordening.
4.2 Rijksbeleid en Rijksregels 4.2.1. Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld als structuurvisie. De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Met de NOVI geeft de landelijke overheid richting aan de grote opgaven, zoals het bouwen van nieuwe woningen, ruimte voor opwekking van duurzame energie, aanpassing aan een veranderend klimaat, ontwikkeling van een circulaire economie en omschakeling naar kringlooplandbouw. De NOVI schetst een duurzaam toekomstperspectief voor de leefomgeving in Nederland in 2050: Een klimaatbestendige delta, waarbij Nederland beschermd is tegen de negatieve gevolgen van klimaatverandering, waterveiligheid (ook voor de laaggelegen gebieden in het westen) gegarandeerd is en voldoende zoetwater beschikbaar is van goede kwaliteit; Duurzaam, concurrerend en circulair: een toekomstbestendige en volledig circulaire economie zonder vervuilende manieren van produceren en consumeren, met een uitstekend vestigingsklimaat en een hoge quality of life, met een zo goed mogelijke inpassing van duurzame energie in onze leefomgeving en slimme combinaties van functies zonder de risico's en milieunadelen te vergroten.
Een economie die veel maatschappelijke winst oplevert in termen van banen, innovatie en nieuwe bedrijvigheid en exportmogelijkheden; Kwaliteit van leven in stad en dorp: met een aantrekkelijke woon- en leefomgeving en een goede verbondenheid van stad en land. De ontwikkelingen zijn gericht op kwaliteit, met gecontroleerde en doordachte groei waar dat nodig is, waardoor diversiteit in wonen, een stedelijk netwerk, prettige woonmilieus, met rust en ruimte maar ook vitale en leefbare regio's ontstaan. Nabijheid en betrouwbare verbindingen: een uitstekende bereikbaarheid wordt met een goede en betrouwbare infrastructuur gegarandeerd, waarbij wordt ingespeeld op locatiekeuzes voor wonen en werken (nabijheid). De infrastructuur is onderdeel van een mobiliteitssysteem dat een meer divers patroon van mobiliteit veilig, robuust en duurzaam afhandelt. Luchthavens blijven belangrijk voor een sterk internationaal netwerk voor de lange afstanden. De uitdaging is om het vliegverkeer net als het goederenvervoer op een zo veilige, efficiënte en duurzame manier vorm te geven. Veilig en gezond, herkenbaar en natuurlijk: een veilig en gezond leven voor iedereen staat voorop. De leefomgeving nodigt uit om te bewegen, elkaar te ontmoeten en te ontspannen.
Daarbij horen een goede milieukwaliteit, robuuste natuur, klimaatbestendigheid en voor iedereen goede toegang tot wonen, werken en voorzieningen. Het realiseren van een fysieke leefomgeving die dit toekomstperspectief mogelijk maakt, is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van alle overheden. In de NOVI benoemt het Rijk 21 nationale belangen voor het omgevingsbeleid, inclusief de opgaven en de rol van het Rijk in het realiseren van deze opgaven. Deze opgaven komen samen in vier prioriteiten. Deze prioriteiten vormen complexe, omvangrijke en dringende opgaven die voortkomen uit of samenhangen met grote transities. Deze prioriteiten zijn: 8
1. 2. 3. 4.
Naar een ruimte voor klimaat adaptatie en energietransitie; Naar een duurzaam economisch groeipotentieel; Naar sterke en gezonde steden en regio's; Naar een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied;
Deze vier opgaven kunnen alleen in samenhang verder worden gebracht wanneer er aandacht is voor thema's die hier dwars doorheen lopen, zoals omgevingskwaliteit, gezondheid, cultuurhistorie, klimaatadaptatie, water, bodem, (nationale) veiligheid en milieukwaliteit. Beoordeling initiatief De NOVI gaat niet concreet in op relatief kleinschalige lokale ontwikkelingen zoals het uitsluiten van het bedrijfsmatig houden van vee in dit plan. In het NOVI zijn geen belemmeringen benoemd ten aanzien van de planontwikkeling. In algemene zin draagt het plan bij aan de kwaliteit van het leven in stad en land. Conclusie Het plan is in overeenstemming met de Nationale Omgevingsvisie. 4.2.2 Instructieregels Rijk De Omgevingswet werkt door in vier algemene maatregelen van bestuur (AMvB’s): 1. het Omgevingsbesluit (Ob); 2. het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl); 3. het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal); 4. het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). In deze AMvB's staan regels voor het praktisch uitvoeren van de wet. Voor de volgende onderwerpen gelden er op grond van het Bkl instructieregels voor het vaststellen van een (wijziging van het) omgevingsplan: De dienstenrichtlijn (art.
5.1a Bkl); Waarborgen van veiligheid (§ 5.1.2 Bkl); Beschermen van waterbelangen (§ 5.1.3 Bkl); Beschermen van de gezondheid en het milieu, waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid, slagschaduw, geur en bodemkwaliteit (§ 5.1.4 Bkl); Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed, waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking (§ 5.1.5 Bkl); Het behoud van ruimte voor toekomstige functies zoals autowegen, autosnelwegen, hoofdspoorwegen en buisleidingen van nationaal belang (§ 5.1.6 Bkl); Het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten, waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën (§ 5.1.7 Bkl); Het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (§ 5.1.8 Bkl). Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen (denk bijvoorbeeld aan een beperkingengebied). In heel bijzondere gevallen kunnen B&W de Minister vragen om een ontheffing van bepaalde instructieregels te verlenen.
Dit volgt uit afdeling 5.3 van het Bkl.
9
Beoordeling initiatief Dit initiatief is voor wat betreft de omgevingsaspecten in hoofdstuk 4 getoetst aan de Rijksinstructieregels, Die Rijksinstructieregels zijn daar waar nodig vertaald in het omgevingsplan. Voor het overige wordt voldaan aan de Rijksinstructieregels zonder dat het nodig is om daarvoor iets te regelen in het omgevingsplan. Uit hoofdstuk 4 komt naar voren dat toepassing van de Rijksinstructieregels niet leidt tot belemmeringen voor dit initiatief. Het initiatief past daarmee binnen de doelstellingen, het beleid en de regels van het Rijk voor de fysieke leefomgeving. Conclusie Het plan is in overeenstemming met de op grond van de Omgevingswet geldende regels voor de fysieke leefomgeving.
4.3 Provinciaal beleid en provinciale regels 4.3.1 Provinciale omgevingsvisie De omgevingsvisie is het beleidsinstrument voor provincies om richting te geven aan ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving. De visie benoemt de integrale ambitie, centrale opgaven en strategie op thema’s als ruimte, natuur, water, landschap, verkeer en cultureel erfgoed. Ook schetst de omgevingsvisie vanuit deze integrale benadering de koers voor het wonen, werken en recreëren in de provincie. In 2017 is de Omgevingsvisie en -verordening 2017 vastgesteld. De laatste (ontwerp) actualisatie is van 8 november 2023. Duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit zijn de leidende principes of 'rode draden' bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving van de provincie Overijssel. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet om de belangrijke thema's uit de Omgevingsvisie juridisch te borgen. Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel. Om de opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities van de provincie waar te maken bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie verschillende niveaus.
Aan de hand van deze drie niveaus kan worden bepaald of er een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en of er behoefte aan is, waar het past in de Omgevingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden. De volgende niveaus komen aan de orde: 1. Generieke beleidskeuzes (Of). 2. Ontwikkelingsperspectieven (Waar). 3. Gebiedskenmerken (Hoe). Generieke beleidskeuzes Generieke beleidskeuzes vloeien voort uit keuzes van de EU, het Rijk of de provincie. Deze keuzes kunnen bepalen of ontwikkelingen mogelijk zijn of niet. Het uitvoeringsmodel vraagt bij nieuwe ontwikkelingen dus eerst te kijken naar het niveau van generieke beleidskeuzes. Een aantal beleidskeuzes geldt nagenoeg voor alle ontwikkelingen op alle locaties in Overijssel: Integraliteit Toekomstbestendigheid Concentratiebeleid (boven)regionale afstemming zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik
10
Bovenstaande beleidskeuzes geven invulling aan de Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking. Hiermee wordt een nadere invulling aan de Ladder voor duurzame verstedelijking gegeven. In paragraaf 4.3.2 wordt nader getoetst aan bovenstaande principes, aan de hand van de desbetreffende artikelen uit de provinciale omgevingsverordening. Gebiedsspecifieke beleidskeuzes Het plangebied is niet gelegen in een NNN-gebied en het dichtstbijzijnde natura 2000-gebied is ruim 4 kilometer verwijderd. Op de kaart van de omgevingsvisie is te zien dat het plangebied in de ‘Boringsvrije zone Salland Diep’ ligt. Daarmee zijn bodemenergiesystemen (zoals geothermie) op deze locatie uitgesloten. Ontwikkelingsperspectieven Aan het plangebied is het ontwikkelingsperspectief ‘Agrarisch ondernemen in het grootschalig landschap’ toegekend. Dit ontwikkelingsperspectief omvat gebieden waar verdere modernisering en schaalvergroting van de landbouw in combinatie met verduurzaming de ruimte krijgt. Het plan past daarmee in het geldende ontwikkelingsperspectief omdat vee wordt uitgesloten en er volledig wordt ingezet op landbouw. Gebiedskenmerken In de provinciale omgevingsvisie worden aan het plangebied een gebiedskenmerk toegekend. Ten aanzien van de locatie ligt het plangebied in het deelgebied ‘Dekzandvlakte en ruggen’.
Voor dit deelgebied gelden specifieke ontwikkelambities die van toepassing zijn bij nieuwe ontwikkelingen. Voorliggend plan betreft het uitsluiten van het bedrijfsmatig houden van vee. Aangezien het plan betrekking heeft op een functiewijziging en het slopen van een bestaande ligboxenstal, en er dus geen nieuwbouw zal plaatsvinden, is het nemen van aanvullende (landschappelijke) maatregelen ten aanzien van de gebiedskenmerken niet benodigd. 4.3.2 Provinciale omgevingsverordening De omgevingsverordening van de provincie Overijssel is in 2017 door de Provinciale Staten vastgesteld en is opnieuw in werking getreden na invoering van de Omgevingswet op 1 januari 2024. In de verordening staan alle provinciale regels voor de fysieke leefomgeving. De verordening is onderdeel van de beleidscyclus van de provincie en één van de instrumenten waarmee wordt gewerkt aan de in de omgevingsvisie geschetste ambities. De omgevingsverordening is er op gericht om door middel van instructieregels en rechtstreeks werkende regels een goede balans te bereiken tussen het beschermen en borgen van belangen en het mogelijk maken van ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving. De instructieregels gelden onder meer voor onderwerpen als natuur, landschap, erfgoed, milieu, klimaat, ruimtelijke inrichting of verkeer.
Beoordeling initiatief De provinciale omgevingsverordening bevat enkele artikelen (op basis van de generieke beleidskeuzes uit de omgevingsvisie) die relevant zijn voor de voorgenomen ontwikkeling. Hierna is de ontwikkeling per relevant artikel van de omgevingsverordening getoetst: art. 4.6 Toekomstbestendigheid Een initiatief mag de mogelijkheden van toekomstige generaties om in hun behoeften te voorzien niet in gevaar brengen, moet bijdragen aan het welzijn van mensen, economische welvaart en het beheer van natuurlijke voorraden. Daarnaast moeten dergelijke ontwikkelingen ook op lange termijn toegevoegde waarde hebben. Het initiatief voorziet in het uitsluiten van het bedrijfsmatig houden van vee. In de toekomst wordt daarbij een bestaande ligboxenstal gesloopt. Deze ontwikkeling draagt bij aan het welzijn van mensen doordat er
11
een veehouderij en de uitstoot van fijnstof/geur/stikstof op die locatie wordt verminderd. Door volledig in te zetten op akkerbouw/fruitteelt blijft er een economisch gezond en toekomstbestendig bedrijf behouden. Art. 4.8 Ruimtelijke kwaliteit Nieuwe ontwikkelingen moeten bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit conform de geldende gebiedskenmerken. Relatie met voorgenomen ontwikkeling Voorliggend plan betreft geen nieuwe ontwikkeling zoals bedoeld wordt in bovenstaand artikel. Het initiatief voorziet in het uitsluiten van het bedrijfsmatig houden van vee. In de toekomst wordt daarbij een bestaande ligboxenstal gesloopt, waarbij geen nieuwbouw (en dus geen nieuw ruimtebeslag op de groene omgeving) plaatsvindt. Doorwerking provinciale instructieregels In de omgevingsverordening van Overijssel (in werking getreden op 1 januari 2024) zijn ook verscheidene instructieregels opgenomen die een doorwerking kunnen hebben in een omgevingsplan. Onderstaand worden alleen de van toepassing zijnde provinciale instructieregels omschreven, die het bevoegd gezag verplichten om de bepalingen uit de instructieregels in de regels van het omgevingsplan veilig te stellen. Artikel 4.43 Verbod op nieuwe glastuinbouwbedrijven In artikel 4.43 is opgenomen dat omgevingsplannen geen mogelijkheden mogen bieden voor de nieuwvestiging van glastuinbouwbedrijven.
Deze bepaling wordt voldoende geborgd in de regels van voorliggend plan. Artikel 4.44 Instructieregel geitenhouderijen In artikel 4.44 is opgenomen dat omgevingsverplannen de nieuwvestiging en uitbreiding van geitenhouderijen moeten uitsluiten. Deze bepaling wordt voldoende geborgd in de regels van voorliggend plan. Artikel 4.109 Verbod op installaties onconventioneel gas Artikel 4.109 regelt dat omgevingsplannen niet mogen voorzien in het oprichten en gebruiken van installaties voor proefboringen naar en winning van fossiele gassen die opgesloten zitten in de hardere bodemlagen in de diepe ondergrond. Deze bepaling wordt voldoende geborgd in de regels van voorliggend plan. Artikel 4.110 en 4.111 Verbod opslag radioactief afval in boven- en ondergrond Bovenstaande artikelen zien erop toe dat omgevingsplannen niet voorzien in een nieuwe ondergrondse (4.110) of bovengrondse (4.111) opslagmogelijkheid voor radioactief afval. Deze bepaling wordt voldoende geborgd in de regels van voorliggend plan. Conclusie Het initiatief is in overeenstemming met de provinciale omgevingsvisie- en verordening. In de regels van voorliggend omgevingsplan worden de relevante instructieregels vanuit de provinciale omgevingsverordening daarnaast voldoende geborgd.
4.4 Gemeentelijk beleid 4.4.1 Omgevingsvisie Raalte De omgevingsvisie van de gemeente Raalte ‘Horizon gemeente Raalte 2040’ is vastgesteld op 26 november 2020. De omgevingsvisie betreft een strategisch document, welke richting geeft aan de ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving. In de omgevingsvisie staan ook de ambities en ontwikkelrichtingen voor het buitengebied. De ambitie voor het buitengebied is een modern productie- en werklandschap met toekomstbestendige landbouw, dat vitaal is, reuring kent, maar waar ook gewoond wordt en waar aandacht 12
is voor de natuur- en landschapswaarden. Ook is er ruimte voor innovatie, technologie, klimaatdiensten, duurzame energieopwekking en nevenactiviteiten door agrariërs (zoals zorg educatie of toerisme). Het buitengebied is een mozaïek van functies en belangen. Deze kenmerkende diversiteit staat ook in de toekomst voorop. Wonen in het buitengebied komt de dynamiek en variatie ten goede, maar staat soms wel op gespannen voet met het agrarische karakter en productie. Bij het toevoegen van nieuwe woningen moeten daarom de identiteit en het gebruik van het agrarische landschap als vertrekpunt worden genomen. Beoordeling initiatief Voorliggend plan heeft betrekking op het uitsluiten van het bedrijfsmatig houden van vee. Hiervoor wordt op termijn een bestaande ligboxenstal gesloopt. Verder wijzigt de huidige functie niet en worden er geen nieuwe gebouwen opgericht. Conclusie Het plan is in overeenstemming met de Omgevingsvisie Raalte. 4.4.2 Landschapsontwikkelingsplan De gemeenten Deventer, Olst-Wijhe en Raalte hebben een Landschapsontwikkelingsplan (LOP) opgesteld met als doel een gezamenlijk kader te bieden (23 september 2008), op basis waarvan nieuwe ontwikkelingen in het buitengebied kunnen worden beoordeeld, teneinde de ruimtelijke kwaliteit te behouden en te versterken. Het LOP bevat vier belangrijke componenten: a. inventarisatie en analyse; b.
de LOP-visie 'Een plus voor het landschap'; c. thematische uitwerkingen; d. het uitvoeringsprogramma. De locatie ligt op basis van het LOP binnen de Zandgebieden, specifiek ‘Dekzandvlaktes’. Dekzandvlaktes Dit gebied vormt de oorspronkelijke overgang van het oude naar het jonge dekzandlandschap. Het is een oud dekzandlandschap dat onder sterke invloed stond van kwel uit de Sallandse heuvelrug. Het gebied is in de 20e eeuw ontgonnen wat heeft geresulteerd in een uitgesproken ontginningslandschap. Het ruimtelijk beeld van het gebied wordt voornamelijk bepaald door de karakteristieke lanen langs de wegen en de aanwezigheid van de landbouw. Er wordt ingezet op het versterken van het lanenstelsel. Doorgaande structuren zoals het Overijssels Kanaal en de (doorgaande) wegen passen zich aan deze karakteristiek aan: laanbeplanting past hierin. Op de hogere gronden zijn in het verleden essencomplexen en kampen (eenmansesssen) ontstaan. Ten oosten van Raalte en rondom Heeten komen deze escomplexen veelvuldig voor. Door het verdwijnen van randbeplanting rondom de essen zijn de complexen minder herkenbaar geworden. Een opmerkelijk gebied is de Luttenberg, dit is een uitloper van de stuwwal van de Sallandse heuvelrug met een uitgesproken reliëf. Het landschapsbeleid is gericht op het behouden en versterken van de karakteristieken.
Deze karakteristieken zijn: Open ruimtes omsloten door rechte wegen; Erven met rationele opzet gekoppeld aan wegen; Bebouwing gericht op weg; Weg- en erfbeplantingen zijn belangrijkste ruimtevormende elementen; Doorgaande structuren (weg/ kanaal) passen zich aan omgeving aan, variatie open/ gesloten; Erfbeplantingen langs lanen zijn rationeel en kennen heldere overgang van erf naar landschap (door
13
middel van bijvoorbeeld een haag); Blokvormige verkaveling.
Beoordeling initiatief Voorliggend plan heeft betrekking op het uitsluiten van het bedrijfsmatig houden van vee. Hierbij wordt een bestaande ligboxenstal in de toekomst gesloopt. Verder wijzigt de huidige functie niet en worden er geen nieuwe gebouwen opgericht. De karakteristieken van het landschap worden met deze ontwikkeling niet aangetast. Conclusie Het plan is in overeenstemming met het Landschapsontwikkelingsplan. 4.4.3 Groenbeleid ‘Groen, samen doen!’. In januari 2017 is het nieuwe groenbeleid ‘Groen, samen doen’ van de gemeente Raalte door de gemeenteraad vastgesteld. In dit document worden de hoofdlijnen weergegeven van het nieuwe groenbeleid en de manier waarop de gemeente hieraan wil werken. Het groenbeleid past binnen de integrale visie op de openbare ruimte en is sterk geënt op de participatiegedachte. Daarnaast biedt dit document inspiratie voor de bewoners en de vrijwilligers die zich inzetten voor het groen. Het groenbeleid dat in deze nota is vastgelegd moet bij de afweging van diverse belangen worden meegenomen. Beleid en activiteiten zijn breed van toepassing op het groen (publiek en privaat eigendom) in de gemeente Raalte. Aanpassingen op het kapbeleid worden gelijktijdig meegenomen. Bij het opstellen van het nieuwe Omgevingsplan is deze groennota een van de onderleggers. Het groenbeleid manifesteert zich rond diverse thema’s.
Beoordeling initiatief In voorliggend geval blijven alle (waardevolle) houtopstanden binnen en in de directe nabijheid van het plangebied behouden. Conclusie Het plan is in overeenstemming met het met het gemeentelijke groenbeleid. 4.4.4 Omgevingsplan van rechtswege ‘Buitengebied Raalte’ De locatie is opgenomen in het (voormalige) bestemmingsplan ‘buitengebied Raalte’ (vastgesteld 8 juni 2012), welke per 1 januari van rechtswege onderdeel uitmaakt van het Omgevingsplan van de gemeente Raalte. De locatie heeft hierin de bestemming ‘Agrarisch met waarden – landschapswaarden’. Beoordeling initiatief Voorliggend plan heeft betrekking op het uitsluiten van het bedrijfsmatig houden van vee. Verder wijzigt de huidige agrarische functie niet. Tevens blijven de huidige woningen (één bedrijfswoning en één plattelandswoning) bestaan. In de regels en op de verbeelding is opgenomen dat het niet meer mogelijk is op deze locatie bedrijfsmatig vee te houden.
14
5. GEVOLGEN VOOR DE FYSIEKE LEEFOMGEVING 5.1 Vormvrije m.e.r beoordeling De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een toets om na te gaan of sprake is van een plan of project met grote milieugevolgen. Bij wijzigingen van het omgevingsplan en besluiten die mogelijk gevolgen kunnen hebben voor het milieu moet worden beoordeeld of ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling in het kader van de fysieke leefomgeving een milieueffectrapportage of een m.e.r.-beoordeling moet worden opgesteld. Een milieueffectrapportage is in dit verband bedoeld om milieubelangen bij verschillende ruimtelijke procedures een volwaardige plaats bij de besluitvorming te geven. Wettelijk kader De m.e.r. beoordeling gebeurt op basis van paragraaf 16.4.2 van de Omgevingswet en afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit (Ob). Onder de Omgevingswet geldt de plan-m.e.r.-plicht voor een plan: dat een kader vormt voor een te nemen project-m.e.r.-plichtig of project-m.e.r.beoordelingsplichtig besluit of waarvoor een passende beoordeling vanwege Natura 2000-gebieden nodig is. In bijlage V van het Ob zijn de projecten genoemd met mogelijk aanzienlijke milieueffecten. Deze lijst is niet limitatief, zodat ook voor andere dan de hierin genoemde projecten moet worden bezien of sprake is van mogelijk aanzienlijke milieueffecten.
Daarnaast is er de figuur van de plan-m.e.r-beoordeling voor kleine gebieden op lokaal niveau of voor kleine wijzigingen. Deze beoordeling is alleen verplicht als het plan leidt tot mogelijk aanzienlijke milieueffecten en significant negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden optreden. Een plan-m.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op plannen of programma’s die een kader vormen voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Ob zijn genoemd. Toetsing De beoogde ontwikkeling is niet opgenomen in bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Er is geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject, zoals beschreven onder categorie J11 in bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Conclusie De ontwikkeling leidt niet tot aanzienlijke milieueffecten en er is geen passende beoordeling nodig, zodat geen sprake is van plan-m.e.r.-(beoordelings)plicht.
5.2 Ladder voor duurzame verstedelijking De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig gebruik van de ruimte en het tegengaan van leegstand. Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zorgvuldig ruimtegebruik en de totstandkoming van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de Ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling ‘buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied’ mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien.
15
Beoordeling initiatief In artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving staat de instructieregel dat de Ladder wordt toegepast bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. Artikel 5.129g Bkl legt geen grens vast wat voldoende substantieel is. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn wel lijnen uitgezet. Er is een overzichtsuitspraak over de Ladder (ABRvS201501297/1/R4). De Afdeling geeft hierin geen harde ondergrenzen, maar stelt wel 'in beginsel' grenzen. In beginsel is een plan met meer dan 11 woningen een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Voor wonen is dus de lijn dat er vanaf 12 woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Bij dit initiatief is geen sprake van het realiseren van woningen in het buitengebied, zodat daarom geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Conclusie Het plan leidt niet tot strijdigheid met de Ladder voor duurzame verstedelijking.
5.3 Duurzaamheid Duurzaamheid krijgt een steeds prominentere rol in onze samenleving. De Omgevingswet biedt mogelijkheden om een transitie naar een duurzamere samenleving te bevorderen waarbij duurzame ontwikkeling wordt gedefinieerd als: ”een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen" (bijlage 1 van de Ow). Toetsing aan het aspect duurzaamheid is sterk afhankelijk van het gemeentelijk beleid op dit thema. Het gemeentelijk beleid ten aanzien van duurzaamheid is nog in ontwikkeling, zodat is getoetst aan algemene uitgangspunten. Toetsing De ontwikkeling betreft het uitsluiten van het bedrijfsmatig houden van vee waarbij een bestaande ligboxenstal in de toekomst wordt gesloopt. De akkerbouwtak met fruitteelt zal blijven bestaan. Hiermee wordt het gebruik van het agrarische erf toekomstbestendig voortgezet. De ontwikkeling raakt daarmee het aspect duurzaamheid niet. Conclusie Het aspect duurzaamheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
5.4 Gezondheid Volgens artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. Dit belangrijke maatschappelijke doel is o.a. door vertaald naar een aantal instructieregels in het Bkl die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking op de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten worden in voorgaande paragrafen gemotiveerd, echter ligt het voor de hand om ter introductie kort te schetsen op welke wijze het gezondheidsaspect bij de motivering van de wijziging van het omgevingsplan is meegenomen. Toetsing De toetsing aan de wettelijke milieunormen en de beoordeling van de aanvaardbaarheid van de ontwikkeling zijn in de overige paragrafen per relevant omgevingsaspect aan bod gekomen. Ook bij het voldoen aan wettelijke milieunormen kan echter gezondheidsschade optreden. Belangrijk begrip daarbij is 16
het voorzorgsbeginsel dat voortvloeit uit de artikelen 2 en 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). De overheid kan op basis hiervan maatregelen treffen als er gegronde redenen zijn om te vrezen dat activiteiten negatieve gevolgen kunnen hebben, zonder dat er (voldoende) wetenschappelijke gegevens beschikbaar zijn. Bij voorliggend initiatief worden geen significante gezondheidseffecten verwacht. Er spelen in deze omgeving geen specifieke gezondheidsrisico’s ten aanzien van elektromagnetische straling, laagfrequent geluid of blootstelling aan toxische stoffen. Op deze locatie verdwijnt een veehouderij en brengt de ontwikkeling geen gezondheidsrisico’s met zich mee. Wel zijn vanwege de ligging van de locatie in het buitengebied zoönosen en andere met veehouderijen samenhangende gezondheidsrisico’s een aandachtspunt. Conclusie Het aspect gezondheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
5.5 Verkeer en parkeren Bij het initiatief dient rekening gehouden te worden met de verkeersgeneratie en het parkeren. Er moet onderbouwd worden of het aantal verkeerstromen niet onaanvaardbaar gaat toenemen en er moet gekeken worden naar voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein. Toetsing Verkeer Het totaal aantal verkeersbewegingen ten aanzien van verkeer van en naar het plangebied, zal als gevolg van de ontwikkeling niet toenemen. Sterker nog, de verkeersbewegingen die samenhingen met de veehouderijtak vallen volledig weg. Parkeren Het aantal benodigde parkeerplaatsen wijzigt door deze ontwikkeling niet. Daarnaast is er voldoende ruimte op eigen erf aanwezig om in de parkeerbehoefte te kunnen voorzien. Conclusie Mobiliteit en parkeren vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
5.6 Ecologie gebiedsbescherming In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur en de gevolgen voor de omliggende natuur door stikstofdepositie. Wettelijk kader In het Bkl zijn diverse regels opgenomen ter bescherming van de natuur. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). 5.6.1 Gebiedsbescherming Natura 2000 Bij ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving moet worden bepaald of een project of plan (mogelijke) significant negatieve effecten veroorzaakt op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Voor plannen dient middels een voortoets, eventueel gevolgd door een passende beoordeling, getoetst te worden of het plan mogelijk significant negatieve effecten kan hebben op gevoelige habitattypen die gelegen zijn binnen omliggende Natura 2000-gebieden. 17
Toetsing De planlocatie is gelegen op een afstand van ruim 4,2 km van het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied Vecht- en Beneden - Reggegebied). De planlocatie doet mee met de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties (Lbv). Op de locatie worden andere activiteiten uitgevoerd namelijk de akkerbouw/fruitteelt. Vanuit de Lbv regeling mag de stikstofuitstoot (stikstofemissie) maximaal 15% zijn van wat de veehouderijlocatie mocht uitstoten. Bij de provincie Overijssel is een vergunningsaanvraag in het kader van Natura 2000-activiteiten ingediend waarin is aangetoond dat de uitstoot van beoogde nieuwe activiteiten minder is dan 15%. Gezien de recente uitspraak van 18 december 2024 is intern salderen weer vergunningplichtig geworden. Voor de nieuwe activiteiten is al reeds een vergunning in het kader van Natura 2000-activiteiten aangevraagd. De ammoniakemissie en -depositie nemen zelfs aanzienlijk af ten opzichte van de referentiesituatie, dit komt ten goede aan de omliggende beschermende Natura 2000-gebieden. Daardoor zijn er geen nadelige effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de omliggende beschermde Natura 2000-gebieden.
Figuur 4 ligging planlocatie t.o.v. Natura 2000-gebieden (bron: aerius.nl)
Conclusie Het aspect gebiedsbescherming Natura 2000 vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan. 5.6.2 Gebiedsbescherming Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. De bescherming van het NNN kent geen externe werking. 18
Toetsing De locatie behoort niet tot Natuurnetwerk Nederland. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het NNN. Er is buiten deze zones namelijk geen sprake van externe werking, zoals voor Natura 2000-gebieden wel het geval is. Conclusie Het aspect provinciale gebiedsbescherming (NNN) vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
5.7 Soortenbescherming Onder de Ow zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich zowel op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuurnet werk Nederland. Dit kan vorm krijgen in wet- en regelgeving, maar ook in fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Ow zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hiervoor actief beleid voeren. Gedacht kan worden aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of er soorten aanwezig zijn en welke soorten dat zijn. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. Toetsing De ontwikkeling betreft uitsluitend het uitsluiten van het bedrijfsmatig houden van vee en heeft daarmee geen effect op het aspect flora en fauna. Conclusie Het aspect soortenbescherming vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan, mits geen beschermde grondgebonden zoogdieren worden gedood.
5.8 Stikstofdepositie Een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, kan vanwege het uitsluiten van vee op de locatie en de afstand tot Natura 20000-gebieden uitgesloten worden.
5.9 Luchtkwaliteit Bij het aspect luchtkwaliteit moet worden beoordeeld of een initiatief bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit en of ter plaatse van een initiatief de luchtkwaliteit aanvaardbaar is. Wettelijk kader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden bijvoorbeeld zogeheten omgevingswaarden voor o.a. de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; Het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; 19
Het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.
De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het initiatief binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een initiatief binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden; 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging.
Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool. Buiten de zogenaamde aandachtsgebieden luchtkwaliteit (zoals de gemeente Raalte) blijft toetsing aan het onderwerp luchtkwaliteit in het omgevingsplan beperkt tot de aanleg van auto(snel)wegen en langere tunnelbuistrajecten. Echter, in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient de lokale luchtkwaliteit onderzocht te worden, zodat onacceptabele gezondheidsrisico's kunnen worden uitgesloten. Hiervoor dient het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) uit het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) van de rijksoverheid geraadpleegd te worden (https://www.cimlk.nl/kaart.). Het CIMLK geeft meer inzicht in de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) op lokaal niveau tussen 2022 en 2030. Toetsing De gemeente Raalte ligt buiten de aandachtsgebieden voor luchtkwaliteit, zodat het aspect luchtkwaliteit in beginsel slechts marginaal hoeft te worden getoetst. Er is immers geen sprake van de aanleg van auto(snel)wegen of tunnelbuistrajecten. Duidelijk is op dat op en rondom de planlocatie geen sprake is van feitelijke of dreigende overschrijding van grenswaarden.
Zo blijkt uit het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit dat langs het dichtstbijzijnde meetpunt uit het CIMLK (langs de N348) sprake is van een jaargemiddelde concentratie stikstofdioxide (NO2) van 11,36 microgram/m3 (monitoringsronde 2023), terwijl voor deze parameter een omgevingswaarde van 40 micogram/m3 geldt. Voor fijn stof (PM10) is hier sprake van een jaargemiddelde concentratie van 16,64 micogram/m3, terwijl ook voor deze parameter een omgevingswaarde van 40 micogram/m3 geldt. De ontwikkeling zorgt niet voor een toename van het verkeer en draagt daardoor niet in betekende mate bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Integendeel juist, door het verdwijnen van de bedrijfsmatige activiteiten omtrent de veehouderij zal de luchtkwaliteit op en rondom de locatie juist verbeteren. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
20
5.10 Geluid Een planlocatie kan bij een geluidsbron zijn gelegen, zoals een drukke weg, spoorweg, industrie of een windturbine. Bekeken moet worden of het plan geen hinder voor de omgeving vormt, en of de omgeving geen hinder vormt voor het plan. Daarbij kan onderscheid worden gemaakt tussen geluid van activiteiten en geluid van wegen, spoorwegen en industrieterreinen (aandachtsgebieden). Wettelijk kader Geluid van activiteiten In paragraaf 5.1.4.2 van het Bkl staan instructieregels over het geluid van activiteiten (bijv. windturbines) op de gevels van geluidgevoelige gebouwen. Op grond van deze instructieregels moet er in het omgevingsplan worden zorggedragen voor een aanvaardbare geluidsbelasting. Er is in ieder geval sprake van een aanvaardbare geluidsbelasting indien de standaard- en grenswaarden van artikel 5.65 van het Bkl worden opgenomen in het omgevingsplan. Tot het moment waarop de gemeente Raalte een permanent omgevingsplan heeft, gelden in de gemeente Raalte de regels van paragraaf 22.3.4 van het tijdelijk omgevingsplan gemeente Raalte. Geluid van wegen, spoorwegen en industrieterreinen In paragraaf 5.1.4.2a Bkl staan instructieregels over het geluid van wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen.
Een geluidgevoelig gebouw (artikel 3.21 Bkl) is een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een: woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; onderwijsfuncties en nevengebruiksfuncties daarvan; gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. In paragraaf 5.1.4.2a.4 Bkl staan instructieregels voor het toestaan van geluidgevoelige gebouwen in geluidaandachtsgebieden. Een geluidaandachtsgebied is het gebied langs een weg, spoorweg of rond een industrieterrein waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde (artikel 3.20 Bkl). In het omgevingsplan gemeente Raalte zijn nog geen geluidaandachtsgebieden opgenomen waardoor het overgangsrecht geluidaandachtsgebied voor gemeentewegen, lokale spoorwegen en waterschapswegen van toepassing is (artikel 17.5 Omgevingsregeling), met bijbehorende afstanden: voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/u of minder geldt: 100 m; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een onbekende maximumsnelheid of een maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt, en een spoorweg, bestaande uit een of twee sporen: 200 m; en voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken, en een spoorweg, bestaande uit drie of meer sporen: 350 m.
Op grond van artikel 5.78s Bkl moet de geluidsbelasting van een weg op een geluidgevoelig gebouw in een geluidsaandachtgebied aanvaardbaar zijn. De geluidsbelasting is aanvaardbaar als wordt voldaan aan de standaardwaarden zoals deze zijn opgenomen in artikel 5.78t Bkl. Toetsing initiatief Het initiatief betreft het uitsluiten van het bedrijfsmatig houden van vee op de locatie. Er worden hiermee geen nieuwe geluidgevoelige gebouwen (zoals woningen) opgericht. Een verdere toetsing aan het aspect geluid is daardoor niet nodig.
21
Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
5.11 Geur De kwaliteit van de fysieke leefomgeving kan worden beïnvloed door de geuruitstoot die samenhangt met activiteiten die in of om het plangebied zijn toegestaan. In het omgevingsplan moet daarom rekening worden gehouden met de geurbelasting die door activiteiten, ter hoogte van geurgevoelige gebouwen optreedt. Wettelijk kader In hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn instructieregels opgenomen (paragraaf 5.1.4.6 Bkl), op grond waarvan in het omgevingsplan regels moeten worden opgenomen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat het geurhinderniveau binnen het plangebied aanvaardbaar is. In deze instructieregel zijn voor dat doel aanwijzingen opgenomen waaraan de regels voor waterzuiveringsinstallaties en het houden van landbouwhuisdieren moeten voldoen. Voor het overige is het aan de gemeente gelaten of en welke aanvullende regels nodig zijn om de geurbelasting door overige activiteiten in het plangebied aanvaardbaar te laten zijn.
Tot het moment waarop deze regels zijn opgenomen in het permanente omgevingsplan van de gemeente Raalte, gelden de regels zoals opgenomen in paragraaf 22.3.6 van het tijdelijke omgevingsplan gemeente Raalte, welke gelden voor de volgende activiteiten: geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf; geur door het houden van fokteven van nertsen; geur door andere agrarische activiteiten, zoals het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval; geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken. Toetsing Ter plaatse van de locatie verdwijnt de mogelijkheid tot het bedrijfsmatig houden van vee. Daarmee zijn er in de toekomst ook geen mogelijkheden meer voor het starten van een agrarisch bedrijf met vee en bijkomende geuremissie mogelijk. Woningen in de omgeving van de locatie kunnen daarmee geen geurhinder ondervinden van de voorgenomen ontwikkeling. Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
5.12 Omgevingsveiligheid In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de omgevingsveiligheid gewaarborgd wordt. Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico (de aandachtsgebieden). Wettelijk kader De hoofdlijnen van het (wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en het groepsrisico (de aandachtsgebieden). Het betreft de volgende activiteiten: 22
• • • •
Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.
Het werken met aandachtsgebieden voor omgevingsveiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar (Kaarten | Atlas Leefomgeving). In het plan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt in ieder geval aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor een aanvullende onderbouwing en eventueel extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. In een plan dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het plan kwetsbare gebouwen zijn toegestaan. In een voorschriftengebied gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).
Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: • Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl); • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl); • Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl); • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Toetsing Op de planlocatie worden geen kwetsbare objecten of nieuwe risicobronnen mogelijk gemaakt. Het initiatief betreft enkel het uitsluiten van het bedrijfsmatig houden van vee. Hiermee dient er niet verder aan dit aspect te worden getoetst. Conclusie Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.