Ruimtelijke onderbouwing DD 18-06-2021
Tekst van het document
26
Afbeelding 10 Maximale waterdiepte bij (kleine kans op) overstromingen. Bron: risicokaart.nl Indien er sprake zou zijn van een overstroming zal dit niet leiden tot gevaarlijke situaties in het plangebied. Het onderliggende initiatief betreft het realiseren van drie appartementen op de eerste verdieping. In het geval van een overstroming zal het water de verdieping met de appartementen niet bereiken (hoger dan 2 meter).
4.7 Bedrijven en milieuzonering Beleidskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet worden beoordeeld of bedrijven in de omgeving worden belemmerd door de ontwikkeling en of ter plaatse van gevoelige functies, zoals woningen, sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor de beoordeling is gebruik gemaakt van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering (VNG, editie 2009). Per milieucategorie geldt een minimaal gewenste afstand, de richtafstand. Deze richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds als uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is. De in de handreiking opgenomen afstanden zijn indicatief en kunnen per gebiedstype, waarin de ontwikkeling zal plaatsvinden, verschillen. Hierbij is het uitgangspunt dat deze afstanden gemotiveerd worden toegepast. Wanneer het plangebied en omgeving getypeerd kunnen worden als 'gemengd gebied' bedragen de hindercontouren minder groot. De VNG-publicatie omschrijft een gemengd gebied als: ‘Een gemengd gebied is een gebied met een matige
tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels horeca en kleine bedrijven.’
27
Relatie met initiatief Het plangebied kan aangemerkt worden als een gemengd gebied (school, kerk, woningen, horeca, agrarisch bedrijf). Tabel 1 geeft de omliggende functies en de minimale afstand tot het plan weer. Bedrijf
Adres
Afstand tot plan Milieu categorie Richt-afstand (gemengd gebied)
Melkveebedrijf Lierderholthuisweg, 30 27 meter
3.1
30 meter
Basisschool
Lierderholthuis 49
40 meter
2
10 meter
Kerk
Kerkslagen 1
70 meter
2
10 meter
Het bouwvlak van de melkveehouderij aan de Lierderholthuisweg 30 ligt binnen de verplichte 30 meter afstand tot het plangebied. In theorie is het mogelijk om agrarische bebouwing te realiseren op alle locaties binnen het aangegeven bouwvlak. In de praktijk is het voor de agrariër een onlogische plek om binnen het agrarische bouwvlak aan de zijde van het dorpshuis uit te breiden. Uitbreiding op deze locatie binnen het bouwvlak is bovendien niet mogelijk, gezien de naastgelegen woonbestemming (Lierderholthuisweg 32, 34 en 36). De ontwikkeling van het agrarische bedrijf wordt daarom niet verder beperkt door het toevoegen van de drie appartementen. Gezien bovengenoemde omstandigheden is het niet aannemelijk dat er een agrarisch bedrijfsgebouw toegevoegd gaat worden binnen 30 meter tot het plangebied. Hiermee concluderen we dat er voldaan kan worden aan de minimale afstand tot het agrarisch bedrijf.
voer opslag mestopslag 160 meter 180 meter 75 meter 70 meter 107 meter 60 meter 27 meter
--- Bouwvlak agrarisch bedrijf --- Plangebied Afbeelding 11 afstand tot het plangebied (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
4.8 Geur & fijnstof Beleidskader De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is het toetsingskader voor de omgevingsvergunning milieu voor het aspect geurhinder van dierenverblijven van veehouderijen. Met minimumafstanden en maximale waarden voor geurbelasting krijgen geurgevoelige objecten bescherming tegen geurhinder. Het gaat om de afstand van het emissiepunt van een
28
dierenverblijf tot de buitenzijde (gevel) van een geurgevoelig object (artikel 4 Rgv). Het emissiepunt van het dierenverblijf is (volgens artikel 1 Rgv): bij een overdekt dierenverblijf (een stal): dat punt waar de geur naar buiten gaat (met natuurlijke of mechanische ventilatie) bij een dierenverblijf deels overdekt en deels onoverdekt is (zoals een stal met een uitloop): dat punt van het overdekte deel waar de geur naar buiten gaat (met natuurlijke ventilatie). Dit punt ligt binnen de wettelijk genoemde afstanden voor de bebouwde kom, namelijk binnen 100 meter. Relatie met initiatief Gezien de sterke vermenging van functies rond de projectlocatie en de ligging op de grens van de bebouwde kom, is te motiveren dat er op deze locatie sprake is van een zodanige situatie, dat de Wgv-eis voor het buitengebied (50 meter) moet worden toegepast. Vervolgens gaat het erom of er sprake kan zijn van een goed woon en leefklimaat voor de onderwerpen geur en fijnstof. Aangezien er voor geur geen rekenmethode is vastgelegd voor melkveebedrijven zoeken we aansluiting bij het onderdeel fijnstof. De motivatie van het woon- een leefklimaat bestaat in dit geval uit een fijnstofberekening en een nadere argumentatie op dit onderwerp. Uit de uitgevoerde fijnstofberekening (conform ISL3-A) blijkt dat de grenswaarden die zijn vastgelegd in de Wet milieubeheer niet overschreden worden.
De fijnstofberekening is opgenomen in bijlage 3. Daarnaast motiveren de volgende argumenten eveneens dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de te realiseren appartementen: ▪
▪
▪ ▪
Bij een melkveebedrijf vormt mest de grootste bron van overlast. De dichtstbijzijnde stal met emissiepunt ligt op 60 meter (afbeelding 11). Dit betreft de deel met kalverhokken. Het bedrijfsgebouw met de minste emissie is het dichts bij woningen gesitueerd. De mestopslag van het agrarische bedrijf is op de achterkant van het bouwvlak gesitueerd (+/- 160 meter). Een andere bron van geuremissie is de voeropslag. De voeropslag van het agrarische bedrijf is ook aan de achterkant van het bedrijf gesitueerd. Zie afbeelding 11. De beoogde locatie, Kerkslagen 2, ligt binnen de bebouwde kom. Gezien de schaal van het dorp is er in het gehele dorp en specifiek de projectlocatie een sterke verwevenheid met het buitengebied. De positieve invloed (ruimte en rust) en de potentiële overlast van het buitengebied zijn daarmee op een groot deel van de kern van Lierderholthuis van toepassing. In de gehele woonkern is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De geursituatie voor de gewenste woningen kan niet verslechteren over de tijd. De woningen gelegen direct naast het bedrijf maken dat het agrarische bedrijf niet kan uitbreiden aan de zijde van de projectlocatie. In de bestaande situatie was er aan de Kerkslagen 2 sprake van een bedrijfswoning. In het voormalige bestemmingsplan ‘Lierderholthuis 2006’ had de kerkslagen 2 een horecabestemming.
Binnen deze bestemming was wonen ondergeschikt aan de bestemming toegestaan. Het emissiepunt van het melkveebedrijf lag destijds op dezelfde afstand. De situatie en afstanden veranderen met de ontwikkeling van dit plan niet.
Op het vlak van geur, wordt voldaan aan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De luchtafvoer van de keukenafzuiging is op afstand en hoogte (boven de nokhoogte) gesitueerd. Hiermee is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Op basis van de uitgevoerde berekening en de nadere motivatie op dit onderwerp, kan geconcludeerd worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de te realiseren appartementen.
29
4.9 Externe veiligheid Beleidskader Uitgangspunt bij het externe veiligheidsbeleid is een risicobenadering op basis van risicoberekeningen, met daarbij een wettelijke norm voor het plaatsgebonden risico (een basisbeschermingsniveau voor elk individu) en een afwegingsruimte voor het bevoegd gezag om te bepalen welke risico’s voor grotere groepen mensen aanvaard worden (de verantwoordingsplicht van het groepsrisico). De doelstelling van het externe veiligheidsbeleid luidt: ‘Het uitvoeren van een veiligheids- en risicobeleid om mens en milieu te beschermen tegen maatschappelijk onaanvaardbaar geachte gezondheids- en milieurisico’s. De overheid garandeert een zogenaamd ‘basisbeschermingsniveau’ voor externe veiligheid.’
Relatie met initiatief In het kader van het onderliggend plan is de risicokaart geraadpleegd. Hieruit blijkt dat zich in de directe omgeving van het plangebied geen risico’s voordoen die het initiatief beïnvloeden. Het initiatief is op het vlak van externe veiligheid uitvoerbaar.
4.10 Luchtkwaliteit Beleidskader Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: • •
Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen);
Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • • •
woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden.
30
Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen / klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de Wet milieubeheer geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als: - er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; - een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; - een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL; - een project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging.
Relatie met initiatief Het onderliggende initiatief draagt niet in betekende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. De aard en omvang van het project is dermate klein, dat het geen invloed heeft op een verslechtering van de luchtkwaliteit.
4.11 Verkeer en parkeren Beleidskader In het kader van ruimtelijke plannen dient te worden aangetoond dat het plan niet leidt tot ongewenste situaties ten aanzien van verkeer (bereikbaarheid) en parkeren. Om de parkeerbehoefte te bepalen wordt door de gemeente Raalte gebruik gemaakt van het parapluplan parkeren. Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen moet zijn verzekerd dat wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid voor motorvoertuigen. Naast voldoende parkeergelegenheid is de ontsluiting van de locatie van belang.
Relatie met initiatief Bereikbaarheid Het plangebied ligt aan de kerkslagen 2, binnen de bebouwde kom. Het plangebied ligt op het snijpunt van zowel de kerkslagen en de Liederholthuisweg. Via de Lierderholthuisweg wordt de locatie goed ontsloten zowel in de richting van Zwolle als Heino en Wijhe. Een toevoeging van 3 appartementen legt niet een zodanige extra druk op het wegennet dat overbelasting dreigt. De bereikbaarheid verandert met de uitvoer van dit plan niet.
Parkeergelegenheid In de kern Lierderholthuis is er in de huidige situatie geen sprake van parkeerproblemen. Er zijn dan ook verschillende mogelijkheden om de auto te parkeren, in figuur 12 zijn de parkeerplekken rondom het plangebied gevisualiseerd. Het betreft 56 parkeerplekken. Vrijwel alle omwonenden parkeren de auto op eigen terrein, er staan gemiddeld 10 auto’s geparkeerd op openbaar terrein. Rondom het plangebied zijn er drie voorzieningen waarvoor openbare parkeerplaatsen nodig zijn. Dit zijn de kerk, de school en het dorpshuis (MFA + toekomstige horecavoorziening). De bezoekers van de kerk zijn 1x in de week, op zondagochtend, aanwezig. Rondom de kerk zijn er voldoende overloopbestemmingen om de auto te parkeren. De school is op doordeweekse dagen geopend. Bij opening en sluitingstijden van de school worden er kortstondig auto’s geparkeerd rondom de school. Tot slot zijn er de bezoekers van de MFA en de toekomstige horecavoorziening. Er komen voornamelijk bezoekers uit de nabije omgeving naar dit dorpshuis, deze bezoekers komen veelal ter voet of met de fiets. Bezoekers van het dorpshuis kunnen de auto parkeren tussen de tennisbaan en het dorpshuis.
31
Daarnaast laat de afbeelding 12 zien dat er voldoende overloopmogelijkheden in de nabije omgeving zijn. Om dit te toetsen is op donderdagavond 23 maart, om 19.30 uur een parkeertelling uitgevoerd. Hieruit bleek een bezetting 10 plaatsen. Daarmee is aangetoond dat er voldoende overloopmogelijkheden in het plangebied zijn (bijlage 7).
Afbeelding 12 indicatie overloopmogelijkheden parkeren in de kern Lierderholthuis Het plan bestaat uit het realiseren van een horecavoorziening en 3 appartementen. Het BVO voor de horeca verandert niet ten opzichte van de bestaande situatie. De parkeerdruk in normale omstandigheden biedt geen probleem. Er zijn voldoende parkeergelegenheden, zowel tussen de tennisbaan en het dorpshuis als aan de Kerkslagen. Die parkeerplaatsen aan de Kerkslagen hebben een dubbelfunctie voor de basisschool overdag en de horeca in de namiddag en avond, activiteiten die vaak op verschillende momenten plaatsvinden. Bovendien heeft het dorpshuis heeft voornamelijk een lokale functie en veel mensen komen te voet of met de fiets. Het aantal woningen neemt met 2 toe (3 appartementen minus de voormalige bedrijfswoning). De nieuwe appartementen komen overeen met de functie ‘huur, etage, midden/goedkoop’. De norm die hierbij hoort betreft 1,4 auto parkeerplek per appartement. Dit is op basis van de parkeerbehoefte van de huurder plus daarbij het aandeel bezoek. Op basis hiervan zijn er 2 x 1.4 = 2,8 parkeerplaatsen nodig. Aan de voorzijde van het te realiseren gebouw wordt 1 extra parkeerplaats gerealiseerd. Dit zijn nu fietsparkeerplaatsen.
De fietsparkeerplaats rechts van de entree van het terras wordt uitgebreid en er worden nieuwe fietsparkeerplaatsen gecreëerd rechts van het terras, het hoogte van de hooiberg (zie afbeelding 13). Hiermee ontstaat meer ruimte voor het fietsparkeren. Doordat er voldoende overloopmogelijkheden aanwezig zijn rondom het plangebied wordt de parkeerdruk op de directe omgeving van het plangebied weggenomen. Het onderliggende plan is op basis van het aspect parkeren uitvoerbaar.
32
Afbeelding 13 locatie van de toe te voegen 3 parkeerplaatsen en verplaatsen huidige fietsparkeerplaatsen
4.12 MER-beoordeling Beleidskader Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. De wijziging van het Besluit m.e.r. volgt uit de implementatie van artikel 1, vierde lid, onder a en b, van Richtlijn 2014/52/EU van de Europese Unie. De artikelen 7.16 tot en met 7.20a van de Wet milieubeheer (Wm) zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing, waarbij het niet uitmaakt of het een activiteit betreft boven of onder de D-drempel. In het gewijzigde Besluit m.e.r. is de procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling beschreven. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, dienen de volgende stappen genomen te worden. 1. De initiatiefnemer stelt een aanmeldingsnotitie op. 2. Het bevoegd gezag neemt binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit. 3. De initiatiefnemer voegt het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag (Artikel 7.28 Wet milieubeheer). Vormvrije m.e.r-beoordeling Het besluit tot het verlenen van een omgevingsvergunning heeft betrekking op activiteiten die voorkomen op de Dlijst (D11.2: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen) uit het Besluit m.e.r.
Voor deze activiteit zijn drempelwaarden opgenomen voor de omvang van het stedelijke ontwikkelingsproject. Deze drempelwaarden betreffen stedelijke ontwikkelingsprojecten met een omvang van: -
een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied dat 2.000 of meer woningen omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer.
33
De oppervlakte van de voorgenomen activiteit blijft onder de drempelwaarden van 100 hectare en het bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m². De voorgenomen activiteit voorziet niet in het bouwen van meer dan 2.000 woningen. De kenmerken van het project worden in hoofdstuk 2 beschreven. Aangezien de ontwikkeling zich beperkt tot het realiseren van 3 nieuwe woningen, zijn de effecten van het plan op de omgeving beperkt. Gezien de schaal en aard van de ontwikkeling kan gesteld worden dat ook de effecten van het verkeer en de emissies verwaarloosbaar zijn. Er treden daarmee geen effecten op kwetsbare gebieden op. Van cumulatie met andere projecten is geen sprake. Het gaat om op een opzichzelfstaande ontwikkeling. In aanvulling op het voorgaande zijn in het kader van de voorgenomen ontwikkeling de belangrijkste milieuaspecten in beeld gebracht in dit hoofdstuk. Tezamen met de overige hoofdstukken vormen deze paragrafen de zogenaamde aanmeldingsnotitie in het kader van het Besluit milieueffectrapportage.
Conclusie De voorgenomen activiteit blijft onder de genoemde drempelwaarden voor stedelijke ontwikkelingsprojecten die voorkomen op de D-lijst van het Besluit m.e.r. Er zijn geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu en daarom hoeft geen milieueffectrapport te worden opgesteld.
4.13 Conclusie Het initiatief is getoetst aan de relevante ruimtelijke en milieukundige aspecten, daaruit blijkt dat het plan uitvoerbaar is.
34
5 Maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid 5.1 Algemeen Conform artikel 3.1.6 van het Bro dient bij de voorbereiding van een ruimtelijke procedure onderzoek te worden ingesteld naar de uitvoerbaarheid van het plan. Bij de uitvoering van een plan kan in zijn algemeenheid onderscheid worden gemaakt tussen de maatschappelijke uitvoerbaarheid en de economische uitvoerbaarheid. Bij maatschappelijke uitvoerbaarheid gaat het er om hoe de verwezenlijking door de maatschappij (overheid en burgers samen) wordt gedragen. Bij het tweede gaat het om de kosten en andere economische aspecten die met de verwezenlijking van het plan samenhangen. Tevens is in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) geregeld dat in het kader van een ruimtelijk plan voor bepaalde bouwplannen de grondexploitatieregeling van toepassing is.
5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich voornamelijk woningen. Belanghebbenden in de directe omgeving van het plangebied zijn door initiatiefnemer op de hoogte gesteld van onderliggend initiatief. Het gehele dorp heeft haar bijdrage kunnen leveren aan het plan, door middel van een enquête en diverse informatieavonden. Op basis van inbreng van direct omwonenden en de inwoners van Lierderholthuis, zijn details van het plan aangepast.
5.3 Economische uitvoerbaarheid Per 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening in werking getreden. Afdeling 6.4 van de Wet ruimtelijke ordening verplicht de gemeente tot het verhalen van kosten bij grondexploitatie via een exploitatieplan, tenzij kostenverhaal anderszins is verzekerd. De kosten voortvloeiende uit de ontwikkeling komen voor rekening van initiatiefnemer. Met initiatiefnemer is een anterieure overeenkomst gesloten waarin tevens het risico op planschade is meegenomen. Hiermee is het kostenverhaal voor de gemeente volledig verzekerd. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven.
35
Bijlagen Bijlage 1 Quick Scan flora en fauna Bijlage 2 watertoets Bijlage 3 Bodemonderzoek Bijlage 4 fijnstofberekening Bijlage 5 berekening stikstofdepositie Bijlage 6 Akoestisch onderzoek dorpskamer Lierderholthuis
36