Reactie op ingebrekestelling geanonimiseerd
Tekst van het document
AANGETEKEND […]
Onderwerp Reactie op uw brief van 6 oktober 2024
Uw kenmerk ZWO 24/3524 GEMWT Zaaknummer 6919-2024 Voor informatie Kristel Verouden-van Overdijk
Datum Bijlagen
22-10-2024 -
Geachte […], Op 6 oktober 2024 heeft u een brief gestuurd, met daarin onder andere een ingebrekestelling. U stelt ons namens uw cliënten in gebreke. Daarnaast haalt u een aantal andere aspecten aan. Met deze brief reageren wij op uw brief van 6 oktober 2024. Uw schrijven van 6 oktober 2024 In uw schrijven haalt u het volgende aan: 1. U stelt ons in gebreke ten aanzien van de verplichting een beslissing op uw bezwaar tegen het besluit van 12 december 2023 te nemen. U geeft daarbij aan dat de termijn om te beslissen op bezwaar is verstreken op 16 april 2024; 2. U stelt ons in gebreke ten aanzien van de verplichting een ontwerp-besluit ter inzage te leggen op het verzoek tot intrekking van de verleende vergunningen. U geeft daarbij aan dat de termijn om een ontwerp-besluit ter inzage te leggen is verstreken op 29 februari 2024, waarbij u rekening houdt met een periode van zes maanden na ontvangst van de aanvraag; 3. U stelt ons aansprakelijk voor de schade die uw cliënten lijden door onrechtmatig handelen en wilt in overleg over mogelijk andere oplossingen voor het probleem dat uw cliënten ervaren zoals uitkoop van ofwel vergunninghouder ofwel cliënten; 4. U stelt vergunninghouders aansprakelijk voor de schade die zij uw cliënten berokkenen door onrechtmatig handelen en stuurt hen een kopie van uw brief van 6 oktober 2024. 5.
Ook stuurt u een kopie van uw brief van 6 oktober 2024 naar de gemeenteraad van de gemeente Raalte met een begeleidend schrijven. Wij reageren hierop als volgt. Ad.1. Ten aanzien van het uitblijven van de bedoelde beslissing op bezwaar, heeft u ons eerder in gebreke willen stellen met uw brief van 2 april 2024. Wij hebben daarop gereageerd met een e-mailbericht van 12 april 2024. Vervolgens heeft u op 2 mei 2024 een beroep niet tijdig beslissen ingediend bij de rechtbank. Wij hebben ons daarbij op het standpunt gesteld dat uit niets blijkt dat de brief van 2 april 2024 moet worden opgevat als een ingebrekestelling. Daarnaast waren wij van mening dat, mocht de brief van 2 april wel als een ingebrekestelling worden aangemerkt, deze ingebrekestelling prematuur is. Wij hebben dat verwoord in ons verweer richting de rechtbank van 24 mei 2024. Op 25 juni 2024 is het beroep op zitting behandeld. U was daarbij aanwezig met uw cliënten. De rechtbank is met ons van mening dat geen sprake is van een ingebrekestelling in de zin van de Awb. Dat betekent dat het door u ingediende beroep niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk is verklaard. Daarbij heeft de rechter de mogelijkheid
uitgesproken dat een nieuw beroep niet tijdig beslissen zou kunnen worden ingediend. Om dat te voorkomen, heeft hij voorgesteld om een datum vast te stellen waarop het ontwerp-besluit ter inzage zou komen te liggen. U was daar voorstander van. Uiteindelijk is bepaald dat uiterlijk op 1 februari 2025 een ontwerp-besluit ter inzage zal worden gelegd. Dat blijkt ook uit het proces-verbaal van de zitting. Het ontwerp-besluit is niet hetzelfde als de beslissing op bezwaar, maar dient er wel aan voorafgegaan te worden. Dat u nu wederom een ingebrekestelling indient en bij het uitblijven van een beslissing op bezwaar een beroep niet tijdig beslissen zal indienen op grond van artikel 6:12 Awb, klopt niet met hetgeen bij de rechtbank is vastgelegd. Ad. 2. Het klopt dat op uw verzoek van 30 augustus 2023 een uitgebreide procedure diende te worden gevolgd. Wij hebben verzuimd dat te doen en in plaats daarvan de reguliere procedure toegepast. Daar heeft de commissie bezwaarschriften ons in haar advies op gewezen. Nu wij daarop gewezen zijn door de commissie, dienen wij daar in onze beslissing op bezwaar rekening mee te houden. Het kan niet zo zijn dat, nu we de onjuiste procedure hebben toegepast, de termijn voor de uitgebreide procedure alsnog van toepassing is vanaf het moment van aanvraag.
Dat u stelt dat de termijn voor het ter inzage leggen van een ontwerp-besluit is verstreken op 29 februari 2024 en de termijn voor het nemen van een definitief besluit op 23 mei 2024, is dan ook onjuist. We hebben het nu enkel over de termijn met betrekking tot de beslissing op bezwaar, zoals onder ad.1. besproken. Daarvan is bij de rechtbank vastgelegd dat uiterlijk 1 februari 2025 een ontwerp-besluit ter inzage zal worden gelegd. Dat ontwerp-besluit is uiteraard niet de beslissing op bezwaar. Naar aanleiding van het ontwerpbesluit zal er de mogelijkheid zijn om zienswijzen in te dienen, welke vervolgens al dan niet leiden tot een aangepast definitief besluit. En dat definitieve besluit is de beslissing op het bezwaarschrift.
Ad. 3. U stelt ons aansprakelijk voor de schade die uw cliënten lijden door onrechtmatig handelen en verwijst daarbij onder andere naar de uitspraak van de rechtbank van Den Haag van 14 september 2022. De tussenconclusie uit die uitspraak is dat de Staat ten aanzien van onder andere uw cliënten in strijd met artikel 8 EVRM en daarmee onrechtmatig heeft gehandeld. Dit onrechtmatig handelen kan aan de Staat worden toegerekend. Ten eerste merken wij op dat de Staat hoger beroep heeft aangetekend tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag. Het oordeel van de rechtbank staat dus nog niet in rechte vast. Daarnaast is ook het volgende van belang: De schending van artikel 8 EVRM bestaat er naar het oordeel van de rechtbank uit dat de bescherming die de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) tegen geurhinder biedt, tekortschiet. De Wgv is een wet in formele zin. De gemeente Raalte kan die wet niet wijzigen, dan wel terzijde stellen bij een besluit op een verzoek om gedeeltelijke intrekking van voorschriften van vergunningen. Daarnaast is de Wgv met de uitspraak van de rechtbank niet buiten werking gesteld of onverbindend verklaard. De gemeente Raalte is dan ook gebonden aan deze wet en dient hiernaar te handelen, ondanks het oordeel van de rechtbank in de uitspraak van 14 september 2022.
Tot wij een beslissing hebben genomen op uw verzoek van 30 augustus 2023, moeten wij dan ook uitgaan van de formele rechtskracht van de verleende omgevingsvergunningen. Dat heeft de rechtbank Den Haag ook uitdrukkelijk in haar vonnis opgenomen onder rechtsoverweging 4.24.:
Voorts kunnen de in dit vonnis opgenomen oordelen geen gevolgen hebben voor de geldigheid van de betreffende vergunningen van de veehouders. De vergunninghoudende veehouders zijn immers geen partij in dit geding, en belangrijker nog, beslissingen over de rechtsgeldigheid van vergunningen zijn niet aan de civiele rechter, maar aan de bestuursrechter.
Vooralsnog is ons standpunt dat er geen sprake is van onrechtmatig handelen van de gemeente Raalte jegens uw cliënten. U vraagt om binnen twee weken te laten weten of het college bereid is in overleg te gaan over andere mogelijke oplossingen voor de (door u gestelde) schending van het grondrecht van ongestoord woongenot van uw cliënten, zoals uitkoop van ofwel de vergunninghouder ofwel uw cliënten. Indien het college hiertoe niet bereid is, vraagt u om voor 1 november 2024 aan te geven hoe en op welke termijn het college van plan is de onrechtmatige toestand (strijd met artikel 8 EVRM) op te heffen en of het college bereid is om in overleg te treden over een reële compensatie voor de schade. Momenteel bezien wij of er een grond is om de voorschriften van de omgevingsvergunningen waaraan u refereert te wijzigen. Gezien de eerdere uiteenzetting is er voor het college geen andere rol weggelegd aangaande het wegnemen van de (nog niet onherroepelijk vastgestelde) strijd met artikel 8 van het EVRM en daaropvolgend de nog niet vastgestelde schade. Uitkoop met gemeenschapsgeld is geen optie, nu de omgevingsvergunningen conform wettelijke bepalingen tot stand zijn gekomen. Ad. 4. Wij hebben kennisgenomen van uw opmerking dat u een kopie van de brief aan vergunninghouders zult sturen, met daarbij de begeleidende brief zoals aan ons getoond. Ad. 5.
De ontvangst van uw brief gericht aan de gemeenteraad is door de griffie bevestigd. De griffie heeft laten weten dat de brief is geplaatst op de lijst met ingekomen stukken die wekelijks voor de raadsleden ter inzage wordt gelegd. Via de griffie is de brief die aan de raad is gericht doorgezet naar het college ter beantwoording. Een afschrift van deze brief zal na verzending worden gedeeld met de raad. Met deze brief reageren wij dan ook op beide brieven. Bejegening In uw brief van 6 oktober 2024 aan de raad van de gemeente Raalte maakt u een tweetal opmerkingen, waarvan wij er een willen uit lichten. U schrijft: “De bejegening die mijn cliënten in een zaak over ernstige stankoverlast ondervinden van het college is uitermate unfair en grievend.” De situatie rondom de Raarhoeksweg-Krieghuisweg is uitermate complex. De hoeveelheid aan juridische procedures draagt daar zonder meer aan bij. Deze procedures worden door ons volgens de wettelijke kaders en zonder aanziens des persoon behandeld. Wij vertrouwen erop de door u aangedragen aspecten voldoende te hebben beantwoord.
Met vriendelijke groet burgemeester en wethouders van de gemeente Raalte,
de secretaris Monique van Esterik
de burgemeester Rob Zuidema