CConstaterende datRaalte
Koppel je AI →
Document · PDF

Ontwerpbestemmingsplan Nieuw Heeten, partiële herziening nr. 2, Marissink

Raadsvergadering 20 mei 2021, gemeente RaalteBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Nieuw Heeten, partiële herziening nr. 2, Marissink (hamerstuk)30.050 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

26

Bestemmingsplan Nieuw Heeten, partiële herziening nr. 2, Marissink Ontwerp Om ervoor te zorgen dat de kern Nieuw Heeten qua woningbouw mogelijkheden niet ‘op slot’ gaat is het gewenst om de kern uit te breiden met nieuwe woningbouwkavels. De beoogde woningen worden gasloos uitgevoerd. Daarnaast voorziet het plan in het toevoegen van verschillende woningtypen waaronder ook levensloopbestendige woningen. 4.3.2

Woonvisie Gemeente Raalte 2016 tot en met 2020 en woningprogrammering

4.3.2.1 Algemeen In de ‘Woonvisie Gemeente Raalte 2016 tot en met 2020’ wordt het voorgaande woonbeleid geëvalueerd en is de woningmarktsituatie in kaart gebracht en doorvertaald naar een visie tot en met 2020. Het doel van de woonvisie en de uitvoeringsmaatregelen is om voldoende en kwalitatief goede huisvesting te realiseren voor alle doelgroepen in de gemeente Raalte. Ten opzichte van de vorige woonvisie verschuift in deze woonvisie duidelijk het accent van het (nieuw) 'bouwen' van woningen naar 'wonen' in brede zin. Uitgangspunt is dat nieuwe woningen voldoen aan de vraag van de toekomst: woningen moeten raak zijn. Dit betekent: levensloopbestendig, toekomstbestendig en duurzaam. Nieuwbouw dient aan te sluiten bij de behoefte: primair bepalend is de match tussen vraag aan aanbod in prijs, type en eigendomsvorm. Dit is ook van belang om te zorgen voor doorstroming op de woningmarkt. Dit betekent ook: aansluiten bij de lokale behoefte in de kernen (maatwerk per kern). Toekomstige match vraag en aanbod woningen De woonvisie stelt dat woningbouwprogrammering geen exacte wetenschap is. Nieuwe ontwikkelingen, behoeftewijzigingen en nieuwe demografische prognoses kunnen aanleiding zijn voor het bijstellen van het programma. Daarnaast is de economie erg bepalend voor de woningbouwbehoefte en op voorhand moeilijk te voorspellen.

Het algemene beeld is dat tot 2020 de belangrijkste opgave ligt in het toevoegen van vooral grondgebonden koopwoningen (met name goedkoop en middelduur) en voor een iets kleiner deel huurwoningen. Na 2020 verschuift het accent duidelijk naar de grondgebonden koopwoningen. 4.3.2.2 Kwalitatief woningbouwprogramma en woningmarktanalyse In de woonvisie is een gewenste woningbouwprogrammering voor de periode 2016 tot en met 2025 opgenomen (zie onderstaande tabel). Het woningbouwprogramma kan zich bewegen tussen de aangegeven bandbreedte.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

27

Bestemmingsplan Nieuw Heeten, partiële herziening nr. 2, Marissink Ontwerp Om op basis van actuele behoefte te kunnen programmeren wordt er 2 jaarlijks een woningmarktanalyse uitgevoerd. De meest recente woningmarktanalyse (oktober 2019) voorziet op basis van demografische ontwikkelingen, woonwensen en woonpatronen dat de behoefte aan grondgebonden koopwoningen neemt tot 2030 nog toe neemt, vooral in de prijsklassen tussen € 275.000 en € 400.000 en de prijsklasse onder € 275.000. Ook de behoefte aan levensloopbestendige woningen neemt toe (in alle prijsklassen. Dit kan ook een ‘grondgebonden appartement’ zijn, zoals een appartement op de begane grond of een wat kleinere gelijkvloerse of levensloopbestendige grondgebonden woning. De ontwikkeling van de behoefte aan geschikte woningen is vanwege de vergrijzing een zekere ontwikkeling, op zowel de korte als de langere termijn. In de huursector is er de komende jaren niet zo zeer behoefte aan (veel) meer woningen maar juist aan ándere woningen. Daar waar er grote grondgebonden huur woningen zijn is er een tekort aan kleine en levensloopbestendige woningen. 4.3.2.3 Woonafspraken provincie Overijssel In januari 2016 zijn er woonafspraken gemaakt met de provincie Overijssel. Afspraken in de vorm van regionale woningbouwprogrammering West- Overijssel (RWP) zijn over regionale woningbouwprogrammering zijn hier onderdeel van.

In april 2017 is het RWP geactualiseerd. De primosprognose is de basis van de regionale woningbouwprogrammering. De gemeente Raalte mag op basis van deze regionale programmeringsafspraken in de periode 2017 – 2027 785 woningen aan de woningvoorraad toevoegen. Op 1-1-2020 was de harde plancapaciteit van Raalte 391 woningen. Er is daarom nog sprake van een woningbehoefte waar nog niet in voorzien wordt. Conform de woonvisie en de omgevingsvisie krijgt elke kern ruimte om te bouwen voor de eigen vraag. In de kern Nieuw-Heeten zijn er op dit moment geen toekomstige woningbouwlocaties meer om te voorzien in de woningbehoefte ten behoeve van de autonome groei van de kern. Nieuwe plannen zijn nodig om in de behoefte te voorzien. 4.3.2.4 Toetsing van het initiatief aan de ‘Woonvisie Gemeente Raalte 2016 tot en met 2020’ Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de uitbreiding van de kern Nieuw-Heeten en is, zoals reeds aangegeven in paragraaf 4.3.1, in overeenstemming met de ‘Omgevingsvisie Horizon gemeente Raalte 2040’. Op basis van de woonafspraken kunnen er in de periode 2017-2026 785 woningen worden gebouwd. De ontwikkeling is kwantitatief passend binnen deze aantallen. Ook kwalitatief voldoet het plan, zowel aan de uitgangspunten van de woonvisie als aan de gewenste kwalitatieve invulling van de woningbouwprogrammering.

Het betreft immers een mix van grondgebonden koopwoningen, levensloopbestendige woningen en kleinere huurwoningen. Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de ‘Woonvisie 2016 – 2020’ en de woonafspraken met de provincie Overijssel. 4.3.3

Groenbeleid ‘Groen, samen doen!’

4.3.3.1 Algemeen In januari 2017 is het nieuwe groenbeleid ‘Groen, samen doen’ van de gemeente Raalte door de gemeenteraad vastgesteld. In dit document worden de hoofdlijnen weergegeven van het nieuwe groenbeleid en de manier waarop de gemeente hieraan wil werken. Het groenbeleid past binnen de integrale visie op de openbare ruimte en is sterk geënt op de participatiegedachte. Daarnaast biedt dit document inspiratie voor de bewoners en de vrijwilligers die zich inzetten voor het groen. Het groenbeleid dat in deze nota is vastgelegd moet bij de afweging van diverse belangen worden meegenomen. Beleid en activiteiten zijn breed van toepassing op het groen (publiek en privaat eigendom) in de gemeente Raalte. Aanpassingen op het kapbeleid worden gelijktijdig meegenomen. Bij het opstellen van het nieuwe Omgevingsplan is deze groennota een van de onderleggers. Het groenbeleid manifesteert zich rond 7 thema’s. De thema’s ‘handhaven en versterken van groenstructuren’ en ‘bomen- en kapbeleid’ zijn van belang. Hieronder wordt op deze thema’s ingegaan.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

28

Bestemmingsplan Nieuw Heeten, partiële herziening nr. 2, Marissink Ontwerp 4.3.3.2 Maatwerk voor kleinschalige aanpassingen groen- en bomenhoofdstructuur Ervaringen met de groen- en bomenhoofdstructuur leert de gemeente Raalte dat het beleid in incidentele gevallen als (te) knellend wordt ervaren. Met een integrale blik op het gebruik en de inrichting van de openbare ruimte, waarvan het groen deel uitmaakt, wil de gemeente maatwerk gaan leveren bij verzoeken om kleinschalige aanpassingen van de groen- en bomenhoofdstructuur. Meer flexibiliteit om voor nieuwe ontwikkelingen en opvattingen ruimte te creëren. Dit onder de voorwaarde dat compensatie plaatsvindt. Daarnaast kiest de gemeente Raalte bewust voor het beschermen van waardevolle houtopstanden waarbij een onderscheid wordt gemaakt naar deelgebieden, binnen de bebouwde kom (grens bebouwde kom Boswet) en het buitengebied. Daarnaast wordt een onderscheid gemaakt naar eigendom; gemeentelijk en derden. 4.3.3.3 Toetsing van het initiatief aan het groenbeleid ‘Groen, samen doen!’ In voorliggend geval blijven (waardevolle) houtopstanden binnen en in de directe nabijheid van het plangebied behouden. Het woongebied wordt groen ingericht met ruimte voor water. Hierdoor krijgt het woongebied een groen karakter en wordt de overgang van bebouwde kom naar het buitengebied verzacht.

Gesteld wordt dat het initiatief in overeenstemming is met het gemeentelijke groenbeleid. 4.3.4

Dorpsvisie Nieuw Heeten

4.3.4.1 Algemeen De dorpsvisie is voort gekomen uit de ‘Structuurvisie Raalte 2025+’. De structuurvisie gaat nadrukkelijk uit van ‘de kracht van de kernen’. In de praktijk betekent dit dat alle kernen de ruimte krijgen om te groeien in verhouding tot de eigen omvang. Voor Nieuw Heeten wordt in de structuurvisie aangegeven dat in de komende jaren een relatief groot tekort aan woningbouwlocaties lijkt te gaan ontstaan. De structuurvisie geeft aan dat de ontwikkelingsmogelijkheden voor onder andere wonen in Nieuw Heeten nader moet worden uitgewerkt in een dorpsvisie. De dorpsvisie is op 26 juni 2014 vastgesteld en vormt de ruimtelijke actualisering van het Dorpsontwikkelingsplan uit 2009. 4.3.4.2 Visie Als onderdeel van de dorpsvisie is er een visiekaart opgesteld. Hieronder is een uitsnede van de visiekaart opgenomen. Het plangebied is aangewezen met de rode contour.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

29

Bestemmingsplan Nieuw Heeten, partiële herziening nr. 2, Marissink Ontwerp

Afbeelding 4.8

Dorpsvisiekaart Nieuw Heeten (Bron: gemeente Raalte)

Ruimte voor wonen De woningbehoefte in Nieuw Heeten wordt voor de periode tot 2025 geschat op 40 à 45 woningen. Voor de bouw van deze woningen zijn binnen het dorp verschillende locaties beschikbaar. Deze locaties kunnen tezamen ruimte bieden aan bijna het dubbele aantal, als ze volledig voor woningbouw worden benut. De keuzes op het gebied van wonen gaan daarom niet of nauwelijks over aantallen. En dat biedt kansen. Kansen om in te spelen op de vragen vanuit de markt en kansen om te bouwen met typisch Nieuw Heetense kwaliteiten. Met deze constatering in het achterhoofd is daarom eerst bekeken hoe en met welke woningtypen de verschillende locaties het beste kunnen worden ontwikkeld. Aan de oostrand van het dorp ligt de grootste woningbouwlocatie. Deze bestaat uit twee delen: de locatie ‘boerderij Marissink’ en de locatie ‘Marissink’. Ter plaatse van locatie ‘boerderij Marissink’ zijn enkele jaren geleden twee vrijstaande woningen gerealiseerd. Voorwaarde is wel dat de uitstraling van een karakteristieke boerderij behouden blijft. Daarnaast kan gedacht worden aan het realiseren van één of twee vrijstaande woningen. Alleen al het noordwestelijke deel van de locatie Marissink biedt ruimte voor de bouw van ruim twintig woningen, als wordt uitgegaan van typisch Nieuw Heetense tweekappers en enkele vrijstaande woningen.

Ook biedt de locatie kansen voor starterswoningen, bijvoorbeeld in de vorm van een enkel (geleed) rijtje. Aandachtspunten zijn het behouden van het zicht op het landschap vanaf de Scholtensstraat en het inpassen - en daarmee herkenbaar houden van de enk. Op het zuidoostelijke deel van deze locatie liggen kansen voor het ontwikkelen van een beperkt aantal woon-werk-percelen. Daarbij moet gedacht worden aan een woning met een afzonderlijk bedrijfsgebouw, bijvoorbeeld in de vorm van een schuur. Uitgangspunten voor prioritering & fasering De volgende uitgangspunten zijn leidend bij nieuwe woningbouwontwikkelingen in Nieuw Heeten: •

•

Inbreiden gaat voor uitbreiden. Allereerst omdat het belangrijk is te voorkomen dat in het dorp ‘rotte kiezen’ ontstaan, doordat vrijkomende locaties niet kunnen worden ingevuld. Maar ook omdat zuinig met de beschikbare ruimte moet worden omgegaan. Er moeten de komende jaren betaalbare woningen worden gebouwd die geschikt zijn voor jongeren en ouderen. Met name voor deze groepen is het aanbod in Nieuw Heeten momenteel erg beperkt, wat leidt tot het wegtrekken van deze groepen. Locaties die kansen bieden voor dergelijke woningen worden met prioriteit ontwikkeld.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

30

Bestemmingsplan Nieuw Heeten, partiële herziening nr. 2, Marissink Ontwerp •

•

•

Hoewel duidelijk is dat de vraag naar specifieke woningen voor jongeren en ouderen de komende jaren toe zal nemen is onmogelijk te becijferen hoe groot deze vraag exact zal zijn. Locaties die stapsgewijs kunnen worden ontwikkeld, en daarmee mogelijkheden bieden voor vraaggestuurd bouwen, hebben dan ook de voorkeur. Langs de route tussen het dorpshart en het toekomstige MFA is het gewenst dat op cruciale plekken enkele woningen worden gebouwd, met het oog op de sociale veiligheid. Het gaat daarbij zeker niet om grote aantallen. Uitgangspunt zou moeten zijn dat vanaf de route altijd een woning zichtbaar is. Tegelijkertijd moet ook altijd het achterliggende landschap beleefbaar blijven en moet de laanstructuur langs de Zwarteweg worden versterkt. Er moeten in Nieuw Heeten altijd bouwkavels beschikbaar zijn. Dit maakt het mogelijk een continue bouwstroom te realiseren, wat kan voorkomen dat mensen wegtrekken uit het dorp omdat er geen geschikte woningen worden gebouwd

4.3.4.3 Toetsing van het initiatief aan de ‘Dorpsvisie Nieuw Heeten’ In de kern Nieuw Heeten zijn reeds alle potentiële ontwikkellocaties ontwikkeld of in ontwikkeling. Hiermee is er geen ruimte (meer) voor inbreiding. Om ervoor te zorgen dat de kern Nieuw Heeten niet ‘op slot’ zal raken is het gewenst om de kern uit te breiden met nieuwe woningbouwkavels. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet hierin. Er worden 23 nieuwe grondgebonden woningbouwkavel mogelijk gemaakt. Het gaat hierbij om een gevarieerd woningbouwprogramma bestaande uit vrijstaande woningen, tweekappers en rijwoningen. Binnen het plangebied is volop ruimte voor het realiseren van starters- en seniorenwoningen. Tot slot voorziet het voorliggende bestemmingsplan in een uit te werken woonbestemming op basis waarvan, bij voldoende behoefte, nog eens 13 grondgebonden woningen mogelijk kunnen worden gemaakt. Hiervoor dient een separate procedure te worden doorlopen (uitwerkingsplan). Met de inrichting van het plangebied wordt rekening gehouden met de binnen het plangebied aanwezige enk. Ook blijft het zicht op het landschap vanaf de Scholtensstraat behouden. Geconcludeerd wordt dat de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling in overeenstemming is met de ‘Dorpsvisie Nieuw Heeten’ 4.3.5

Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid

Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de uitgangspunten uit het gemeentelijk beleid zoals hiervoor is toegelicht.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

31

Bestemmingsplan Nieuw Heeten, partiële herziening nr. 2, Marissink Ontwerp

HOOFDSTUK 5

MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting van het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's geluid, bodemkwaliteit, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie en Besluit milieueffectrapportage.

5.1

Geluid

5.1.1

Wettelijk kader

De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan/bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. 5.1.2

Beoordeling

5.1.2.1 Railverkeerslawaai In de nabije omgeving van het plangebied is geen spoorweg aanwezig. Het aspect railverkeerslawaai kan daarom buiten beschouwing worden gelaten en vorm geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 5.1.2.2 Industrielawaai Ter plaatse van het plangebied of in de nabijheid van het plangebied zijn geen gezoneerde industrieterreinen aanwezig. Het aspect industrielawaai wordt daarom buiten beschouwing gelaten. In paragraaf 5.5 wordt ingegaan op eventuele individuele bedrijvigheid in het plangebied en daarbuiten. 5.1.2.3 Wegverkeerslawaai In artikel 74 van de Wgh is aangegeven dat wegen aan weerszijden van de weg een wettelijke geluidszone hebben waarvan de grootte is opgenomen in onderstaande tabel. Wettelijke geluidszones van wegen: Aantal rijstroken 1 of 2 rijstroken 3 of 4 rijstroken 5 of meer rijstroken

Stedelijk gebied 200 m 350 m 350 m

Buitenstedelijk gebied 250 m 400 m 600 m

De hiervoor genoemde zones gelden niet voor: • •

wegen die zijn aangeduid als woonerf (art 74.2); wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt (art 74.2).

In het kader van voorgenomen ontwikkeling is er een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Het volledige onderzoek is opgenomen in bijlage 2 van deze toelichting. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste uitkomsten. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

32

Bestemmingsplan Nieuw Heeten, partiële herziening nr. 2, Marissink Ontwerp Het projectgebied ligt binnen de wettelijke geluidszone van de Holterweg - Raalterweg (80 km/uur), Oude Holterweg (60 km/uur) en Helhuizenweg (60 km/uur). Daarnaast ligt het plangebied nabij het 30 km/uur deel van de Oude Holterweg en de Scholtenstraat. Deze wegen zijn in het kader van een goede ruimtelijke ordening in voorliggend onderzoek meegenomen. De geluidsbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai van de Holterweg – Raalterweg, Oude Holterweg, Helhuizerweg, Scholtenstraat en Oude Holterweg (30 km/uur deel) bedraagt hoogstens: • • • • •

46 dB voor de Holterweg – Raalterweg; 48 dB voor de Oude Holterweg; 32 dB voor de Helhuizerweg; 46 dB voor de Scholtenstraat; 43 dB voor de Oude Holterweg (30 km/uur deel).

De voorkeurswaarde van 48 dB wordt hiermee voor geen enkele weg overschreden. Er is daarmee ter plaatse van de te realiseren woningen sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor wat betreft het aspect wegverkeerslawaai. 5.1.3

Conclusie

Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan.

5.2

Bodemkwaliteit

5.2.1

Algemeen

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5725/NEN 5740. Kruse Groep heeft ter plaatse van het plangebied een verkennend vooronderzoek conform NEN 5725 uitgevoerd. Hierna zijn de resultaten van het uitgevoerde onderzoek opgenomen. Voor het volledige onderzoeksrapport wordt verwezen naar bijlage 3 bij deze toelichting. 5.2.2

Situatie plangebied

Momenteel is het plangebied in gebruik als weiland. De Scholtensstraat is ten westen van de locatie gelegen. Ten zuiden van de locatie bevindt zich de Oude Holterweg. De aanleiding van het vooronderzoek is de geplande woningbouwlocatie Marissink. Uit de historische topografische kaarten blijkt dat de locatie grotendeels altijd in gebruik is geweest als agrarische grond. Tot 2013 bevond zich binnen het besluitvormingsgebied een deel van een agrarisch erf (voormalig adres Scholtensstraat 21). Sinds de sloop hiervan is dit deel van het terrein ook in gebruik als weiland. Er zijn binnen het plangebied in het verleden meerdere bodemonderzoeken uitgevoerd. Hieruit blijkt dat de bovengrond en de ondergrond ter plaatse van het weiland en het voormalige erf niet verontreinigd zijn. In het grondwater zijn licht verhoogde gehalten aan metalen aangetoond (arseen, barium en zink). Ter plaatse van een voormalige olietank is de ondergrond licht verontreinigd met minerale olie. Aan de oostzijde van het erf was in de bovengrond asbest aangetoond in een gehalte boven de interventiewaarde. Aan de oostzijde van het erf is een puinpad aanwezig. Uit het nader asbestonderzoek is gebleken dat het gewogen asbestgehalte in dit puinpad lager is dan de interventiewaarde. Ter plaatse van het voormalige erf is de bebouwing gesloopt en zijn de verhardingen verwijderd.

Voorafgaande aan de sloop zijn de asbesthoudende daken van de schuren gesaneerd. Tevens zijn 2 grondverontreinigingen gesaneerd, namelijk de verontreiniging met minerale olie in de ondergrond ter plaatse van een voormalige olietank en de verontreiniging met asbest in de bovengrond aan de oostzijde van het erf. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

33

Bestemmingsplan Nieuw Heeten, partiële herziening nr. 2, Marissink Ontwerp Aan de zuidzijde van het perceel is de inrit naar het weiland verhard met puin. Aangezien de herkomst van het puin niet bekend is, wordt het puin als verdacht beschouwd voor de aanwezigheid van asbest. Ter plaatse van de inrit en halverwege de sloot op het zuidelijke deel van de locatie is de sloot mogelijk gedempt met puin. Indien de sloot ter plaatse gedempt is met puin, dient dit als verdacht voor de aanwezigheid van asbest beschouwd te worden. De met puin verharde inrit aan de zuidzijde van het perceel wordt als verdacht beschouwd voor de aanwezigheid van asbest. Ter plaatse van de dammetjes is de sloot mogelijk gedempt met puin. Indien ter plaatse van de dammetjes puin is toegepast, wordt dit als verdacht beschouwd voor de aanwezigheid van asbest. Voor de beide locaties wordt de hypothese “verdacht” gebruikt. Er is geen informatie beschikbaar, waaruit blijkt dat de bodem op het overige deel van het plangebied mogelijk verontreinigd is. Het plangebied, met uitzondering van de 2 verdachte deellocaties, kan als onverdacht beschouwd worden. Ter plaatse van de twee verdachte deellocaties is een asbestonderzoek uitgevoerd. Uit het asbestonderzoek blijkt dat de puinhoudende grond ter plaatse van de twee verdachte deellocaties niet asbesthoudend is.

Voor het volledige onderzoeksrapport wordt verwezen naar bijlage 4 bij deze toelichting. 5.2.5

Conclusie

Op basis van de uitgevoerde bodemonderzoeken wordt geconcludeerd dat de bodem geschikt is voor het toekomstige gebruik (wonen met tuin).

5.3

Luchtkwaliteit

5.3.1

Beoordelingskader

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Advieswaarden WHO/GGD De WHO hanteert advieswaarden voor fijnstof (PM10) van 20 microgram per kuub, en 10 microgram per kuub voor PM2,5; lager dan de wettelijke grenswaarden. Pas als aan deze waarden wordt voldaan kan vanuit het perspectief van gezondheid worden gesproken over acceptabele concentraties en een goed woon- en leefklimaat. Ook de landelijke GGD kent een beoordelingsmethode via de gezondheidseffectscreening (GES), welke ook gebruikt kan worden als criterium voor een goede ruimtelijke ordening, waarmee kan worden vooruitgelopen op de Omgevingsweg, waarin gezondheid en milieu meer aan elkaar worden gekoppeld.

5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

34

Bestemmingsplan Nieuw Heeten, partiële herziening nr. 2, Marissink Ontwerp In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • • •

woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van ‘gevoelige bestemmingen’ binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. 5.3.2

Situatie plangebied

In onderstaande tabel is de luchtkwaliteit in de nabijheid van het plangebied weergegeven. Deze gegevens zijn afkomstig van de NSL-monitoringstool (monitoringsronde NSL 2018, jaartal 2020). waarde in 2020 grenswaarde WHO advieswaarde 2

NO2 µg/m jaargemiddeld

13,0 – 13,8

40

40

2

15,8 – 15,9

40

20

25

10

PM10 µg/m jaargemiddeld

PM2,5 µg/m2 jaargemiddeld 9,3

Uit voorgaande tabel blijkt dat in het plangebied voor de stoffen NO2 (stikstofdioxide) en fijn stof (PM10 en PM2,5) ruim wordt voldaan aan de Wettelijke grenswaarden uit bijlage 2 van de Wet milieubeheer en dat eveneens aan de advieswaarden van de WHO (wereldgezondheidsorganisatie) wordt voldaan. Daarnaast wordt geconcludeerd dat de bestemming in de voorgenomen ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het 'Besluit gevoelige bestemmingen'. Voldoende duidelijk is dat het woon- en leefklimaat voor het aspect luchtkwaliteit aanvaardbaar is voor realisatie van voorgenomen ontwikkeling. 5.3.3

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de realisatie van dit plan.

5.4

Externe veiligheid

5.4.1

Algemeen

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

35

Bestemmingsplan Nieuw Heeten, partiële herziening nr. 2, Marissink Ontwerp transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • • • • •

het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico’s Zware Ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.

Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen'(Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • • •

het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).

Het vervoer van gevaarlijke stoffen pet buisleiding is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 5.4.2

Situatie in en bij het plangebied

Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied (blauwe cirkel) en de directe omgeving weergegeven.

Afbeelding 5.1

Uitsnede Risicokaart (Bron: Nederland.risicokaart.nl)

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

36

Bestemmingsplan Nieuw Heeten, partiële herziening nr. 2, Marissink Ontwerp Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied: • • • •

zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.

Inrichtingen LPG-tankstation Nabij het plangebied, ter plaatse van het tankstation aan de overzijde van de provinciale weg is een LPG vulpunt, reservoir en afleverinstallatie aanwezig. De afstand tot grens invloedsgebied verantwoording groepsrisico is ten hoogste 150 meter. De afstand van de plaatsgebonden risicocontour bedraagt ten hoogste 35 meter. Het plangebied ligt op circa 200 meter, een nadere verantwoording van de groepsrisico wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Sallandshoeve Op een afstand van ruim 420 meter van het plangebied is vakantiepark Sallandshoeve aanwezig. Binnen het vakantiepark is een opslag voor chloorbleekloog (1100 kg) en zoutzuur (75 kg). Het groepsrisicoaandachtsgebied beperkt zich tot de inrichtingsgrens en vormt hiermee geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Gasleidingen Ten oosten van het plangebied liggen buisleidingen van de Nederlandse Gasunie. Het gaat hierbij om buisleidingen A-523 en A-529. Deze buisleidingen hebben een diameter van respectievelijk 48,03 en 47,99 inch en een maximale werkdruk van 66,2 bar. Hiervoor gelden groepsrisico-aandachtsgebieden van 540 meter. Het plangebied is gelegen op circa 200 meter van de buisleidingen. In het kader van externe veiligheid is een CAROLA-berekening uitgevoerd.

De CAROLA-berekening ten behoeve van de in het bestemmingsplan besloten ontwikkeling toont aan dat het Groepsrisico kleiner is dan 0,1 van de oriëntatiewaarde (GR < 0,1). Met andere woorden: de uitvoering van het plan is op basis het CAROLAonderzoek in het kader van het groepsrisico aanvaardbaar. Hiermee is voldaan aan de verantwoordingsplicht ten aanzien van het groepsrisico. De CAROLA-berekening is toegevoegd als bijlage 5 bij deze toelichting. 5.4.3

Conclusie

Een en ander brengt met zich mee dat het plan in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.

5.5

Milieuzonering

5.5.1

Algemeen

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: •

het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

37

Bestemmingsplan Nieuw Heeten, partiële herziening nr. 2, Marissink Ontwerp •

het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/bestemmingsplan mogelijk is. 5.5.2

Gebiedstypen

Volgens de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” dient eerst te worden beoordeeld of in de omgeving sprake is van een ‘rustige woonwijk’ of een ‘gemengd gebied’. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. In de VNG-uitgave wordt het buitengebied veelal gerekend tot het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Een ‘gemengd gebied’ is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Het plangebied ligt tegen het woongebied. Er is geen sprake van functiemenging. Daarom wordt in dit geval uitgegaan van het omgevingstype “rustige woonwijk”. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

5.5.3

Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

Situatie plangebied

5.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Zoals reeds hiervoor genoemd, wordt bij het realiseren van nieuwe functies gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe functies gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen en rol: 1. 2.

past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

38

Bestemmingsplan Nieuw Heeten, partiële herziening nr. 2, Marissink Ontwerp 5.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De functie ‘wonen’ betreft geen milieubelastende activiteit voor de omgeving. Daarom is geen sprake van enige vorm van aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. 5.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. In de omgeving van het plangebied zijn overwegend woonpercelen aanwezig, deze hebben geen invloed op het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied. Daarnaast ligt ten noordwesten van het plangebied een perceel met een maatschappelijke bestemming. De gronden ter plaatse van dit perceel zijn hoofdzakelijk bestemd voor maatschappelijke voorzieningen. Dit betreffen functies die worden geschaard onder milieucategorieën 1 en 2 en deze zijn over het algemeen, gezien de geringe milieubelasting, toelaatbaar naast woonbebouwing.

Bij de hoogste categorie (categorie 2) bedraagt de grootste richtafstand, uitgaande van het gebiedstype ‘rustige woonwijk’, 30 meter voor het aspect geluid. De afstand tussen de maatschappelijke bestemming en het plangebied bedraagt circa 50 meter. Hiermee wordt voldaan aan de richtafstand van 30 meter. Verder is ten zuidwesten aan de provinciale weg een benzineservicestation met LPG (< 1.000 m3/jr) aanwezig (milieucategorie 3.1). Hiervoor geldt een grootse richtafstand van 50 meter voor het aspect gevaar. Het plangebied ligt op ruim 200 meter afstand van het benzineservicestation. Hiermee wordt voldaan aan de richtafstand van 50 meter. Tot slot zijn er rondom het plangebied een aantal veehouderijen aanwezig. Opgemerkt wordt dat voor veehouderijen, op basis van de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’, de grootste richtafstand veelal voor het aspect geur geldt. Bij veehouderijen zijn echter niet de richtafstanden, maar de wettelijk aan te houden afstanden of de berekenende geuremissiecontouren voor vergunningsplichtige veebedrijven bepalend. In deze paragraaf zullen de richtafstanden bij veehouderijen voor wat betreft het aspect geur buiten beschouwing blijven, maar worden wel de overige milieuaspecten behandeld. In paragraaf 5.6 wordt nader ingegaan op het aspect geur.

Voor veehouderijen geldt een hoogste milieucategorie van 4.1 met een grootste richtafstand van 50 meter voor geluid (geur buiten beschouwing latend). Binnen een straal van 50 meter rondom het plangebied zijn geen agrarische bedrijfspercelen aanwezig. Zoals aangegeven wordt in paragraaf 4.1 nader ingegaan op het aspect geur. Gezien het vorenstaande is ter plaatse van de nieuwe woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te verwachten. Omgekeerd worden omliggende bedrijven niet belemmerd in hun bedrijfsvoering. 5.5.4

Conclusie

Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

5.6

Geur

5.6.1

Algemeen

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader vergunningverlening, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

39

Bestemmingsplan Nieuw Heeten, partiële herziening nr. 2, Marissink Ontwerp de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: • •

ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat de geurbelasting, binnen een concentratiegebied, op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odour units per kubieke meter lucht. Activiteitenbesluit Vanaf 1 januari 2013 is het Activiteitbesluit ook van toepassing op agrarische activiteiten. Het Besluit landbouw milieubeheer is tegelijkertijd komen te vervallen. Agrarische bedrijven hebben geen vergunning meer nodig als al hun activiteiten onder de reikwijdte van het Activiteitenbesluit vallen. Dit zijn type B-bedrijven, zoals veehouderijen, kinderboerderijen (en andere bedrijven die kleinschalig dieren houden), glastuinbouwbedrijven, bedrijven met teelt in gebouwen, bedrijven met open teelt, agrarische loonwerkers en losse opslagen (bijvoorbeeld mest). Voor geurhinder is in het Activiteitenbesluit een soortgelijk beoordelingskader opgenomen als in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Zo gelden binnen en buiten de bebouwde kom dezelfde normen als in de Wgv. Ook de geurbelasting wordt bepaald volgens het bepaalde in de Wgv. Hetzelfde geldt voor het meten van de afstanden. 5.6.2

Situatie plangebied

In het kader van de in het voorliggende bestemmingsplan besloten ontwikkeling is er een quickscan en een nader onderzoek naar geurhinder uitgevoerd. De onderzoeken zijn opgenomen in bijlage 6 en 7 van deze toelichting. Quickscan agrarisch geur Op basis van dit onderzoek wordt geconcludeerd dat de realisatie van de geurgevoelige objecten van het woningbouwplan aan de Scholtensstraat geen inbreuk maakt op de vergunde en planologische geurrechten van omliggende veehouderijen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden onderzocht of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de geurgevoelige objecten (woningen). Er zijn meerdere veehouderijen met OU-dieren gelegen binnen een straal van twee kilometer van het plangebied. Hiertoe dient aanvullend de achtergrondgeurbelasting vanwege de omliggende veehouderijen te worden berekend. Agrarisch geur; Achtergrondbelasting In dit onderzoek is het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied beoordeeld. Hierbij is gekeken naar de achtergrondgeurbelasting als gevolg van de cumulatieve geurhinder van alle omliggende veehouderijen. Uit de berekening blijkt dat de achtergrondgeurbelasting ter plaatse van het plangebied tussen de 0 en 3 OUE/m3 bedraagt. Hiermee is het woon- en leefklimaat als gevolg van de achtergrondgeurbelasting te kwalificeren als ‘zeer goed’. 5.6.3

Conclusie

Het aspect geur vormt geen belemmering voor dit plan.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

40

Bestemmingsplan Nieuw Heeten, partiële herziening nr. 2, Marissink Ontwerp

5.7

Ecologie

Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland. Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. 5.7.1

Gebiedsbescherming

5.7.1.1 Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. Het plangebied is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied de 'Sallandse Heuvelrug' is gelegen op circa 850 meter afstand van het plangebied. Van directe negatieve effecten (bijv. geluid/verlichting) op Natura 2000-gebieden is gelet op de onderlinge afstand geen sprake. Naast directe negatieve effecten dient tevens de mogelijke toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden onderzocht te worden. In het kader van voorgenomen ontwikkeling zijn twee AERIUS-berekeningen uitgevoerd ten aanzien van de stikstofdepositie als gevolg van het voornemen. Deze bestaan uit een berekening voor de aanlegfase en een berekening voor de gebruiksfase. De volledige rapportage is opgenomen in bijlage 8 van deze toelichting. Hierna wordt het rekenresultaat besproken. Uit de berekeningen wordt geconcludeerd dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j.

Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatieve effecten heeft op de instandhoudingsdoelstelling van Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000gebieden, niet vergunningsplichtig. 5.7.1.2 Natuurnetwerk Nederland) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’ - principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het plangebied ligt niet in het NNN. De dichtstbijzijnde gronden aangemerkt als NNN zijn gelegen op minimaal 620 meter afstand van het plangebied. Gelet op de afstand tot het gebied en de aard en omvang van de ontwikkeling binnen het plangebied worden geen negatieve effecten verwacht. Een verdere toetsing aan het NNN is niet aan de orde. 5.7.2

Soortenbescherming

5.7.2.1 Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. In het voorliggend geval is door Natuurbank Overijssel een Quickscan Natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. Hieronder wordt ingegaan op de conclusies en aanbevelingen uit dit onderzoek. Het volledige onderzoek is opgenomen in bijlage 9 van deze toelichting.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

41

Bestemmingsplan Nieuw Heeten, partiële herziening nr. 2, Marissink Ontwerp 5.7.2.2 Situatie plangebied De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot een geschikt functioneel leefgebied voor verschillende algemeneen weinig kritische beschermde diersoorten. Beschermde diersoorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar vermoedelijk bezet de veldmuis er een vaste verblijf- en/of voortplantingsplaats, bezetten amfibieën er een (winter)verblijf- en voortplantingsplaats en nestelen er vogels. Vleermuizen bezetten geen vaste verblijfplaats in het plangebied. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het beschadigen/vernielen van vogelnesten, dienen bij voorkeur uitgevoerd te worden buiten de voortplantingsperiode van vogels. Indien deze werkzaamheden uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om er zeker van te zijn dat geen bezette vogelnesten beschadigd worden.

Voor de beschermde grondgebonden zoogdier- en amfibieënsoorten, die vaste verblijf- en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden’ en het ‘beschadigen en vernielen van vaste verblijf- en/of voortplantingsplaats’. Deze vrijstelling is van toepassing omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling. Wel dient rekening gehouden te worden met amfibieën in winterrust en amfibieëneieren/-larven in de poel. 5.7.3

Conclusie

Er worden geen negatieve effecten op het NNN en Natura 2000-gebieden verwacht. Daarnaast worden geen negatieve effecten op beschermde soorten in het plangebied verwacht en wordt nader onderzoek niet noodzakelijk geacht.

5.8

Archeologie & Cultuurhistorie

5.8.1

Archeologie

5.8.1.1 Algemeen Op grond van de Erfgoedwet dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor kan archeologisch onderzoek noodzakelijk zijn. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.8.1.2 Situatie plangebied De gemeente Raalte heeft haar archeologisch beleid doorvertaald in het bestemmingsplan “Nieuw Heeten”. Op basis dit bestemmingsplan is het plangebied voorzien van de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologische verwachtingswaarde laag’ en ‘Waarde – Archeologische verwachtingswaarde hoog’. Binnen de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologische verwachtingswaarde laag’ geldt een vrijstelling voor ontwikkelingen met een oppervlakte kleiner dan 5 hectare en waarbij de bodem niet dieper dan 0,5 meter onder maaiveld wordt geroerd.

Binnen de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologische verwachtingswaarde hoog’ geldt een vrijstelling voor ontwikkelingen met een oppervlakte kleiner dan 100 m 2 en waarbij de bodem niet dieper dan 0,5 meter onder maaiveld wordt geroerd.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

42

Bestemmingsplan Nieuw Heeten, partiële herziening nr. 2, Marissink Ontwerp Gelet op het feit dat de bodemingrepen in het gebied meer dan 100 m2 zal bedragen is voor het gehele plangebied een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Laagland Archeologie heeft in voorliggend geval een bureau- en inventariserend veldonderzoek en een proefsleuven onderzoek uitgevoerd. Hierna zijn de resultaten uit het onderzoek opgenomen. Voor de volledige onderzoeken wordt verwezen naar bijlage 10 en 11 bij deze toelichting. Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek – verkennende fase Op de dekzandrug in het noordelijk deel is een grotendeels intact bodemprofiel aangetroffen onder een plaggendek van circa 50-70 centimeter dik. De aanwezigheid van een B- en een BC-horizont in een viertal boringen toont aan dat de dekzandrug gedurende lange tijd voldoende ontwaterd is geweest om bodemvorming mogelijk te maken. Het verwachtingsmodel uit het bureauonderzoek kan daarom gehandhaafd blijven: op de noordelijke dekzandrug geldt een hoge trefkans voor resten uit de periode Laat-Neolithicum, IJzertijd, Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd. Het onderzoek heeft daarnaast aangetoond dat op enig moment stromend water aanwezig was in de laagte ten zuiden van de dekzandrug. Het is niet bekend wanneer hier water gestroomd heeft.

Mogelijk was dit in het Mesolithicum en in dat geval kan ook voor deze periode een hoge verwachting worden aangehouden. Voor de overige archeologische perioden blijft een middelhoge verwachting op de noordelijke dekzandrug van kracht. Voor het resterende deel van het plangebied geldt een lage verwachting, behalve voor de periode Late Middeleeuwen – Nieuwe Tijd (resten behorende bij het erf Oud Bijvank). Gezien echter de zeer drassige condities in de laagte worden hier geen structuren verwacht anders dan greppels en dergelijke. Eventuele gebouwen zullen voornamelijk op de dekzandrug of aan de voet ervan geconstrueerd zijn. De boringen in de laagte op de locatie nabij het voormalige historische erf Oude Bijvank heeft een verstoord bodemprofiel opgeleverd. De aard van de verstoring kon niet worden vastgesteld. Mogelijk is deze verstoring ontstaan gedurende sloop- en bouwwerkzaamheden en het ligt voor de hand dat dit een recente verstoring uit 2018 betreft, maar zeker is dit niet. De verstoring sluit bovendien geen oudere, diepe sporen uit (paalkuilen, greppels en afvalkuilen en dergelijke) die mogelijk tot in de C-horizont reiken en waarvan nog sporen kunnen worden verwacht. Op de zuidelijke dekzandrug is weliswaar een plaggendek aangetroffen, maar er zijn geen aanwijzingen voor een podzolbodem gezien.

De aanwezigheid van klei en grind in de bodem vormt een aanwijzing dat dit deel van het plangebied nat en ongeschikt voor bewoning is geweest. Eventuele bewoning moet waarschijnlijk op het hogere deel van de dekzandrug verder zuidelijk (buiten het plangebied) verwacht worden. Op basis van de onderzoeksresultaten is een nader archeologisch onderzoek uitgevoerd. Hierna wordt ingegaan op het nader archeologisch onderzoek. Inventariserend veldonderzoek – proefsleuven Samengevat is tijdens het onderzoek in het onderliggende dekzand overwegend een redelijk intact bodemprofiel aangetroffen in de vorm van een haarpodzol waarvan de E- en B-horizonten nog aanwezig waren. Qua archeologische sporen zijn er slechts twee sporen aangetroffen die behoorden tot dezelfde greppel. De datering van de greppel is onduidelijk, omdat er geen vondsten zijn aangetroffen in de greppel en deze niet op historisch kaartmateriaal zichtbaar is. De enige aanwijzing is een zichtbare afdruk van een getande graafmachinebak op de greppel. Deze afdruk is vermoedelijk ontstaan bij de demping van de greppel, wat wijst op een recente datering van de demping van de greppel. Er is één fragment handgevormd aardewerk aangetroffen dat kan worden gedateerd in de IJzertijd of Vroeg-Romeinse tijd.

Op basis van het beperkte aantal sporen en de enkele vondst is er onvoldoende reden om van een archeologische vindplaats uit te gaan. De greppel is waarschijnlijk een verkavelingsgreppel uit de Nieuwe Tijd en op basis van de enige aangetroffen scherf kan geen specifieke vindplaats en een bijbehorend complextype worden bepaald. Een waardering op basis van KNA-criteria is daarom niet mogelijk. Gezien de afwezigheid van een archeologische vindplaats en de verwachting dat er in het overige deel van het plangebied ook geen vindplaats aanwezig is wordt geadviseerd om geen verder onderzoek te laten uitvoeren. Geadviseerd wordt om het plangebied vrij te geven ten aanzien van het omgevingsaspect ‘archeologische waarden’ en bij de vergunningverlening geen verdere voorwaarden te stellen. De regio archeoloog van Het Oversticht heeft het advies ‘overgenomen’ en het plangebied op archeologische gronden vrijgegeven.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

43

Bestemmingsplan Nieuw Heeten, partiële herziening nr. 2, Marissink Ontwerp Mochten bij graafwerkzaamheden onverhoopt toch archeologische resten worden aangetroffen, dan geldt conform de Erfgoedwet (art. 5.10) een meldingsplicht. 5.8.2

Cultuurhistorie

5.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is in artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 5.8.2.2 Situatie plangebied Er bevinden zich in het plangebied zelf geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten. In het plangebied of in de directe nabijheid van het plangebied is geen sprake van bijzondere cultuurhistorische waarden. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor dit plan. 5.8.3

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat er geen nader archeologisch onderzoek benodigd is en er geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.

5.9

Besluit milieueffectrapportage

5.9.1

Algemeen

De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: •

•

•

Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).

In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van ‘kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r.. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

44

Bestemmingsplan Nieuw Heeten, partiële herziening nr. 2, Marissink Ontwerp geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd. 5.9.2

Situatie plangebied

5.9.2.1 Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is op circa 850 meter van het plangebied gelegen. Zoals in paragraaf 5.7.1.1 en bijlage 8 (stikstofberekening) van deze toelichting is beschreven is er voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatieve effecten heeft op de instandhoudingsdoelstelling van Natura 2000-gebieden. Het voornemen is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig. 5.9.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r. De voorgenomen ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt door het partieel herzien van het geldend bestemmingsplan. Dit betekent dat voorliggende ontwikkeling m.e.r.-(beoordelings)plichtig is, indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden. In dit geval is sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en is daarom niet direct m.e.r.-plichtig. Op basis van onderdeel D kan de in dit plan besloten ontwikkeling worden aangemerkt als: ‘De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’.

De ontwikkeling in dit bestemmingsplan is m.e.r.-beoordelingsplichtig indien de volgende drempelwaarden worden overschreden: 1. 2. 3.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Raalte&id=ae5f68d6-d5bc-4f30-bfe3-b45b2be97567