Notitie Reikwijdte en detailniveau MER Heetenseweg 9A
Tekst van het document
NOTITIE REIKWIJDTE EN DETAILNIVEAU MER uitbreiding varkenshouderij Heetenseweg 9A/9C
1
Inleiding
Deze notitie reikwijdte en detailniveau is opgesteld naar aanleiding de Startnotitie van 30 december 2020 voor het opstellen van een Combi-mer voor de inrichting, op het perceel Heetenseweg 9a, 8111 PX Heeten. Na bespreking van het principeverzoek over deze plannen met de gemeenteraad in oktober en november 2021 hebben wij in onze brief van 8 maart 2022 een reactie gegeven op uw principe verzoek. Op basis daarvan zijn de Startnotitie en de concept MER gepubliceerd en was het mogelijk voor iedereen om zienswijzen in te dienen. U heeft daarbij aangegeven in dit stadium de commissie voor de milieueffectrapportage niet te willen raadplegen. Naar aanleiding van zeven ingekomen zienswijzen, de inhoud van de concept MER en eventueel gewijzigde inzichten en wet- en regelgeving tussen maart 2021 wordt hierna de reikwijdte en het detailniveau aangegeven voor de definitieve milieueffectrapportage. In het algemeen wordt daarbij ook verwezen naar de zienswijzen en de daarin opgenomen aspecten en gevraagd om deze zo veel mogelijk gemotiveerd onderdeel te laten worden van de MER. Het proces van voorbereiding en het vervolg moeten ook helder in het MER beschreven worden.
2
Inhoud Milieueffectrapport
2.1.1 Maximale mogelijkheden Een plan-MER moet inzicht geven in de milieueffecten van de maximale ontwikkelruimte die het bestemmingsplan biedt. De voorgenomen wijziging/uitbreiding van het bouwblok maakt de bouw van twee nieuwe vleesvarkenstallen mogelijk. Tevens wordt de bestaande biggenstal vergroot. Het bedrijf zou nog enigszins in dierplaatsen kunnen groeien als de hokken volledig worden benut, op basis van de maximale capaciteit, die op basis van welzijnswetgeving is toegestaan. Deze maximale mogelijkheden moeten in beeld worden gebracht en ook beoordeeld worden.
2.2
Alternatieven
In het concept MER spreekt u van een ‘gewenste bedrijfsopzet’ en een ‘Meest milieuvriendelijk alternatief’ (MMA). Een van de voorwaarden voor medewerking aan uw plannen is dat het MMA, of een vergelijkbaar alternatief uitgangpunt is. U heeft aangegeven zelf ook het MMA als uitgangspunt te nemen. De uitvoering van het alternatief “Gewenste bedrijfsopzet’ lijkt niet haalbaar en is ook niet meer uw gewenste bedrijfsopzet. In het definitieve MER zien wij graag dat het alternatief “gewenste bedrijfsopzet” een andere benaming krijgt en dient ook helder beschreven te worden op welke punten dit alternatief niet uitvoerbaar lijkt of is. In artikel 7.7 Wet milieubeheer staat geschreven dat in het MER de ‘redelijkerwijs in beschouwing te nemen’ alternatieven moeten worden beschreven. Wanneer een alternatief moet worden aangemerkt als ‘redelijkerwijs in beschouwing te nemen’ is in de wet zelf niet nader gedefinieerd. Het is in deze wenselijk om met name alternatieven met een gunstig effect om de geuremissie nader uit te werken. Ook alternatieven die bijdragen aan de reductie van ammoniakdepositie zullen nadrukkelijk in beeld moeten worden gebracht. Het in zienswijzen genoemde alternatief waarbij het bedrijf verplaatst naar het bedrijventerrein, of een motivatie waarom dit geen redelijkerwijs in beschouwing te nemen alternatief is moet ook een plek krijgen in het MER.
Hierbij geven wij u aan dat wij in de gemeente Raalte niet beschikken over een bedrijventerrein waar een veehouderij bedrijf zoals u beoogt toegestaan is.
2.3
Natuur / landschap
Door de bedrijfsontwikkeling vindt extra ruimtebeslag plaats. Naast de basisinspanning wordt een extra investering gevraagd ten behoeve van de ruimtelijke kwaliteit. Daarbij moet rekening worden gehouden met de voor het gebied kenmerkende landschapsstructuren en landschapskwaliteiten. Indien er afgeweken moet worden van de bouwhoogtes, voor bijvoorbeeld de emissiepunten van de luchtwassers, is het nodig de landschappelijke gevolgen in beeld te brengen. Ook moeten eventuele alternatieven worden onderzocht en beschreven Gemotiveerd moet worden in hoeverre de toekomstige situatie een meerwaarde heeft voor de omgeving. Ook dienen de effecten van de landschappelijke inrichting, een eventueel aan te leggen aarden wal en de hoogte daarvan en het materiaal en kleurgebruik en architectuur van de nieuw te bouwen schuren hierbij te worden betrokken.
2.4
Energie
Er worden reeds energiebesparende maatregelen toegepast. De initiatiefnemer zal de te nemen maatregelen moeten toelichten, waarbij deze getoetst moeten worden aan welke maatregelen redelijke wijze toegepast moeten worden op basis van BBT. In de plannen wordt gesproken over ‘per saldo energieneutraal’ zijn van het bedrijf. Dit dient u nader te beschrijven. Hierbij zal u ook het aangegeven (gelijkblijvende) gasgebruik moeten betrekken. Daarnaast is inzicht te geven of de te plaatsen zonnepanelen ook aangesloten kunnen worden op het elektriciteitsnetwerk (indicatie van Enexis) om zo de haalbaarheid van de levering van groene stroom zoals beschreven te onderbouwen.
2.5
Water
Het waterverbruik is in hoofdzaak bestemd als drinkwater voor de dieren, het schoonmaken van de stallen/voertuigen en het wassen van de lucht in de luchtwassers. Ten aanzien van dit verbruik kunnen geen besparende maatregelen worden getroffen. Er moet worden aangeven in hoeverre hiervoor grondwater gebruikt wordt en welke effecten dit kan hebben. Ook moet worden onderzocht of het mogelijk is hemelwater te gebruiken, voor bijvoorbeeld het schoonmaken van stallen en voertuigen. Ook moet helder beschreven worden of de bouw op grondwaterstand nog van invloed op Natura 2000 gebieden of andere omliggende natuurterreinen. U dient dit inzichtelijk in beeld te brengen .
2.6
Volksgezondheid
In de milieueffectrapportage wordt ingegaan op het aspect hygiëne en volksgezondheid. De mogelijk nadelige gevolgen van de intensieve veehouderij op de volksgezondheid staan de laatste jaren volop in de belangstelling. In het kader van de startnotitie is de GGD om een advies gevraagd. Voor de conclusies verwijzen wij u kortheidshalve naar dit advies. Dit advies is als bijlage bijgevoegd. Hierbij merken wij op dat op dit moment er geen kinderdagverblijf activiteiten meer zijn op het perceel Heetenseweg 9. Naar aanleiding van de zienswijzen moet de situatie op basis van de “Notitie handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0” van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht van 25 november 2016 inzichtelijk worden beschreven of de advieswaarde voor endotoxinen van de Gezondheidsraad van 30 EU/m3 wordt overschreden of welke maatregelen worden genomen om de verspreiding van endotoxine in de omgeving te beperken. Hierbij dient u de situatie en afstand van het emissiepunt ten opzichte van de dichtstbijzijnde woningen zowel ten zuiden en ten noorden van het bedrijf op te nemen. Ook dient op inzichtelijke wijze in beeld te worden gebracht welke maatregelen mogelijk kunnen zijn om te voldoen aan de door de GGD genoemde advieswaarden wat betreft de voor- en achtergrond belasting ten aanzien van geur en de haalbaarheid hiervan.
2.7
Sociale kwaliteit
Initiatiefnemer met bouwplannen moet zelf draagvlak organiseren. In kader van deze procedure zal de ondernemer zijn plannen moeten toelichten aan de omwonenden. De gemeente Raalte moet de mogelijkheid
2
worden geboden om bij dit overleg als toehoorder aanwezig te zijn. Van dit overleg moet een verslag worden gemaakt en dit verslag moet als bijlage bij deze MER worden gevoegd. Het in het concept MER opgenomen verslag is een beperkt aantal omwonenden bezocht. Ook is niet aangegeven hoe de communicatie in de toekomst is geborgd. Wij verzoeken u de benaderde omwonenden te vragen de weergave van gesprekken te bevestigen en gemotiveerd te kijken of de kring van betrokken omwonenden en eigenaren nog verder uitgebreid moet worden. Hierbij verwijzen wij u naar de ingediende zienswijzen.
2.8
Emissie algemeen
Gemotiveerd moet worden in hoeverre de toekomstige situatie een meerwaarde oplevert voor de leefomgeving. Daarbij dienen naast de hierna genoemde geur, ammoniak, fijnstof en geluid ook emissies of mogelijke emissies van andere stoffen of aspecten die hinder of schade kunnen opleveren voor de omgeving betrokken te worden. Hierbij denken we onder andere aan de emissie van lachgas en methaan die mogelijk bij de bedrijfsprocessen vrij kunnen komen.
2.8.1 Geur De geurbelasting afkomstig van de inrichting (voorgrondbelasting) en de geurbelasting in de omgeving (cumulatieve geurhinder) moet in beeld worden gebracht en te worden vergeleken. Naast de beoordeling geurhinder, afkomstig uit dierenverblijven, en de beoordeling van de achtergrondbelasting moet ook inzage gegeven worden in de totale geurhinder van het bedrijf. De cumulatieve geurhinder, afkomstig van de dierenverblijven, de mestopslag en mestbehandeling of mestbewerking, moet inzichtelijk worden gemaakt. Ook op basis van deze gecumuleerde geurhinder mag in de nieuwe situatie geen sprake zijn van een verslechtering van de situatie. Hierbij moet ook de geur van de voerbereiding/ voerkeuken worden betrokken Om medewerking te verlenen aan de plannen is het gewenst, dat gemotiveerd kan worden, dat de geurbelasting in de nieuwe situatie lager zal zijn dan de huidige geurbelasting. In de nieuwe situatie is de geuruitstoot van de inrichting substantieel hoger dan in de huidige situatie. Mede door bepaalde maatregelen zoals een hogere uittreed snelheid en de hoogte van het emissiepunt is de belasting op de in het concept MER aangegeven beoordelingspunten lager. Er moet daarom duidelijk worden aangeven op welke wijze er geventileerd wordt (constante luchtsnelheid of variabele luchtsnelheid) en welke gevolgen dat heeft voor de geurbelasting.
Ook moet inzichtelijk worden gemaakt of er ook nadelige effecten te verwachten zijn voor de omgeving en welke dat dan zijn. In het concept MER is dit naar onze mening nog niet voldoende inzichtelijk beschreven en zitten er nog fouten in de V-stacks berekening. Ook constateren wij dat u rekent met een ventilatie van 60 m3. Volgens de eisen van het klimaatplatform dient dit 80 m3 te zijn. Dit dient inzichtelijke te worden gemaakt en bij een afwijking van deze eis, dient dit zeer zorgvuldig gemotiveerd te worden. Met betrekking tot de voerbereiding moet ingegaan worden op mogelijke effecten van de samenstelling van het voer op de geuruitstoot. Dit zelfde geldt voor het mixen, pompen, opslaan en bewerken van mest en de tijdstippen waarop dit plaatsvindt. Daarbij dient de bedrijfssituatie ten aanzien hiervan ook helder beschreven te worden, waarbij duidelijk is of het gaat om mest- bewerking of mest verwerking. In het concept MER wordt dit nog beide door elkaar heen gebruikt. Ook alternatieven die mogelijk geurhinder vanuit deze bronnen (zoals het pompen, mixen en opslaan van mest) kunnen beperken dient u daarbij mee te nemen. In enkele zienswijzen wordt aangegeven dat ook op Landgoed Schoonheten geurhinder wordt ervaren.
Om de huidige en nieuwe geursituatie inzichtelijk te maken willen wij dat in het MER inzicht wordt gegeven in de geurbelasting op enkele punten binnen het landgoed Schoonheten.
3
2.8.2 Ammoniak U dient de meest recente versie van Aerius te gebruiken voor de berekeningen. Bij besluitvorming moeten wij ons baseren op een berekening die is uitgevoerd met de meest recente versie. Wij sluiten daarom niet uit dat er gedurende de looptijd van de procedure die uw plannen nogmaals een update van Aerius plaatsvind waardoor u de berekening dient te vernieuwen. De emissies van de aan- en afvoerbewegingen, mestbehandeling, verwarming en voerbereiding moeten in de Aerius berekeningen worden meegenomen. Ook mogelijke alternatieven die de ammoniakuitstoot voor deze aspecten kunnen verminderen dienen te worden beschreven. Indien door de uitvoering van de plannen een daling van de ammoniakemissie en depositie plaatsvindt, gaan wij er vanuit dat deze ruimte niet op een andere manier weer wordt ingezet. Deze emissie en depositie reductie komt daarmee ten goede aan de natuur. U dient dit helder te beschrijven in het MER. Het 'stikstofdossier' is onderhevig aan diverse juridische procedures. Mogelijk zijn zaken die nu bij de Rechtbank/Raad van State liggen, dan wel toekomstige zaken van invloed op de afhandeling van uw procedure. Mogelijk moet u naar aanleiding van uitspraken van de Rechtbank/Raad van State aanvullende informatie aanleveren. Dan wel moeten beoogde situaties aangepast worden.
Onder andere de emissiefactoren uit de Rav (Regeling ammoniak en veehouderij) zijn ter discussie gesteld. In de voorlopige voorziening (Rechtbank Gelderland, zaaknr. 21.228, d.d. 16-2-2021 en uitspraken van 11 mei 2022 van de rechtbank Overijssel zie o.a.: ECLI:NL:RBOVE:2022:1227 )wordt door verzoekers gesteld dat bij staltypen o.a. BWL 2009.12.V4 ten onrechte is uitgegaan van de in de Rav opgenomen emissiefactoren. Breng de gevolgen in beeld indien er rekening gehouden moet worden met een eventueel lager reductiepercentage van ammoniak. Bijvoorbeeld geen 85% reductie, maar een reductie van 45% (gelijk aan het reductiepercentage van de geuremissie) Daarnaast dient u te beschrijven tot welk reductie% van de wasser nog wordt voldaan, zodat geen sprake is toename is van ammoniakdepositie op de Natura2000 gebieden. Door de uitspraak ‘Logste Baan’ is intern salderen nu vergunningsvrij. Hoe de provincie hier grip op wil houden is nog niet uitgekristalliseerd. Het kan dus goed zijn dat geen vergunning nodig is en er ook geen wijziging van de Nb-wet vergunning hoeft te worden aangevraagd, maar kunnen we dit niet op voorhand uitsluiten In dat geval vragen wij wel een positieve weigering of andere bevestiging van de provincie Overijssel waaruit blijkt dat u inderdaad intern saldeert en geen nieuwe Wnb vergunning, of verklaring van geen bedenkingen nodig heeft.
Ook los van de Wnb-vergunning moeten wij om af te kunnen wijken van de regels van het bestemmingsplan zeer helder inzichtelijk hebben dat uw plannen geen significant negatieve effecten hebben op Natura 2000 gebieden. Uit het MER moet dit derhalve op de juiste manier blijken en dient te worden aangegeven hoe dit geborgd en gemonitord wordt. Naast de ammoniakdepositie op Natura 2000 gebieden dient u ook de effecten van ammoniak op de nabij gelegen ‘verzuringsgevoelige gebieden’ in het kader van de Wet ammoniak en veehouderij en eventueel andere NNN gebieden in het MER te beschrijven, dit gaat bijvoorbeeld over de gebieden die liggen binnen het Landgoed Schoonheten.
2.8.3 Fijnstof De gevolgen voor de fijnstofemissies moeten inzichtelijk worden gemaakt voor zowel PM10 als PM 2,5. Naast de emissies uit dierenverblijven moeten ook de emissies van wegtransport, voerbereiding, verwarming en mestbehandeling inzichtelijk worden gemaakt. De cumulatieve aspecten moet daarbij worden meegenomen (inrichtingen in de omgeving en invloed wegverkeer).
2.8.4 Geluid De representatieve bedrijfssituatie moet uitgangspunt zijn voor het in beeld brengen van de akoestische situatie. Daarnaast vragen we met name aandacht voor het in beeld brengen van de transportbewegingen en het vergelijk 4
tussen de huidige en nieuwe situatie en het verpompen, opslaan en het bewerken van mest. Ook eventuele andere bronnen van geluid die mogelijke hinder opleveren dient u in het MER te beschrijven inclusief mogelijke beperkende maatregelen die u hiervoor neemt.
2.9
Ontgronding
Op basis van de huidige regelgeving zou, als een ontgronding noodzakelijk is voor de bouw van een nieuwe stal, er minimaal een vormvrije mer-beoordeling gedaan moeten worden ten aanzien van dat aspect.
2.10
Onderbouwing ruimtelijke aspecten
Zoals ook in onze brief van 8 maart 2022 is aangegeven is een goede ruimtelijke onderbouwing van uw aanvraag noodzakelijk. Hierbij moet ingegaan worden op de ruimtelijke impact van uw plannen, de landschappelijke inpassing en de effecten op de leefomgeving. Hierbij is het van belang om ook in te gaan op de ruimtelijke uitgangspunten die een uitbreiding van dit bedrijf op specifiek deze locatie aanvaardbaar maken en hoe dit past binnen de regels van de Omgevingsverordening Overijssel. In de MER zal ook op de ruimtelijke aspecten in gegaan moeten worden waarbij vooral het bereiken van een balans tussen de forse ruimtelijke ingreep, de landschappelijk effecten en natuurlijke effecten moeten worden beschreven in relatie tot de eventuele meerwaarde van de uitbreiding van de omgeving op andere aspecten en de verzachtende maatregelen die hierbij nog ingezet kunnen worden.
2.11
Duurzaamheid en innovatieve projecten
Als er speciale projecten, in kader van duurzaamheid of innovatieve projecten om emissies te verminderen, worden toegepast dan is het gewenst deze projecten in de MER toe te lichten. In dit kader wijzen wij u er op dat u in het kader van innovatie/experiment u zich mogelijk kan inzetten als proefbedrijf dat zich richt op het meten van ammoniak op stalniveau. Dit ten behoeve van de ontwikkeling van deze systemen, waardoor op termijn er ook meer op basis van maximale emissie vergund, gemonitord en gehandhaafd kan worden, wat meer zekerheid geeft ten aanzien van de werking van technische maatregelen op bedrijfsniveau.
2.12
Brandveiligheid
Beschrijven welke maatregelen worden genomen, (zowel preventief als, repressief?) hoe deze worden geborgd en hoe deze zich verhouden tot brandveiligheidseisen die mogelijk in 2023 in werking treden.
2.13
Controle en monitoring installaties
Ten aanzien van de evaluatie en monitoring dient in het MER te worden beschreven op welke wijze verschillende installaties en maatregelen gemonitord worden en hoe controle hierop plaats kan vinden.
5