Nota van zienswijzen TAM-omgevingsplan 8 Knapenveldsweg tussen 14 en 16 (niet geanonimiseerd)
Tekst van het document
Nota van Zienswijzen
TAM-omgevingsplan 8 Knapenveldsweg tussen 14 en 16
1
Inhoud 1 Inleiding 1.1 Zienswijze 1.2 Leeswijzer
3 3 3
2 Zienswijze 2.1 Ingediende zienswijzen 2.2 Behandeling zienswijze 1, M. Velner, Schubertstraat 2 Raalte 2.3 Behandeling zienswijze 2, E. Ogink, Bakenbeltsweg 1 Raalte
4 4 4 7
3 Wijzigingen 3.1 Wijzigingen naar aanleiding van zienswijzen 3.2 Ambtshalve wijzigingen
9 9 9
Bijlage 1 Bijlage 2
zienswijze 1 zienswijze 2
2
1 Inleiding 1.1 Zienswijze Het college van burgemeesters en wethouders van Raalte heeft het “Tam-Omgevingsplan 8 Knapenveldsweg tussen 14 en 16” als ontwerp vrijgegeven. Het ontwerp TAMOmgevingsplan heeft van 18 december 2025 tot en met 28 januari 2026 ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn vier zienswijzen ingediend, waarvan een pro forma. De pro forma zienswijze is naderhand niet inhoudelijk aangevuld en zal verder buiten beschouwing worden gelaten. Een andere zienswijze is ingetrokken. Daarmee worden dus twee zienswijzen in deze nota behandeld. Naar aanleiding van de zienswijzen en een ambtelijke aanpassing is het TAM-Omgevingsplan aangepast. 1.2 Leeswijzer Deze Nota van Zienswijzen bevat de samenvatting en beantwoording van de ingekomen zienswijzen. Naar aanleiding van deze zienswijzen is het TAM-Omgevingsplan aangepast. Tot slot zijn de ontvangen zienswijzen als bijlagen opgenomen.
3
2. Zienswijzen 2.1 Ingediende zienswijzen Het “Tam-Omgevingsplan 8 Knapenveldsweg tussen 14 en 16” heeft van 18 december 2025 tot en met 28 januari 2026 ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn vier zienswijzen ingediend, waarvan een pro forma. De pro forma zienswijze is naderhand niet inhoudelijk aangevuld en zal verder buiten beschouwing worden gelaten. Daarnaast is één zienswijze ingetrokken. Deze zienswijze wordt eveneens buiten beschouwing gelaten. De zienswijzen zijn ingediend binnen de termijn en voorzien van alle benodigde gegevens en daarmee ontvankelijk. Hieronder zijn de zienswijzen samengevat en voorzien van beantwoording. 2.2 Behandeling zienswijze 1: M. Velner, Schubertstraat 2 Raalte 1. Reclamant claimt direct omwonende van het plangebied te zijn. Beantwoording: Gelet op de afstand van circa 500 meter van de woning van reclamant tot het plangebied is er geen sprake van dat reclamant een direct omwonende is. In deze fase van de planprocedure is dat niet relevant omdat eenieder een zienswijze kan indienen. Reclamant heeft op diverse punten bezwaar. Onderstaand wordt per punt een inhoudelijke samenvatting gegeven en het punt vervolgens voorzien van beantwoording. 2. Relamant stelt dat er geen sprake is van een evenwichtige functietoedeling (artikel 4.2 Omgevingswet).
Het plan staat bewoning en bebouwing toe op gronden met de bestemmingen ‘Agrarisch met waarden – Landschapswaarden’ en ‘Natuur’, terwijl dit strijdig is met de geldende bestemming. Een inzichtelijke en toetsbare belangenafweging tussen algemeen belang (behoud van agrarische, landschappelijke en natuurwaarden) en het particuliere initiatief ontbreekt volgens reclamant. Reclamant stelt dat hiermee niet is voldaan aan artikel 4.2 Omgevingswet en artikel 3:46 Awb. Beantwoording: De zienswijze stelt ten onrechte dat er geen sprake is van een evenwichtige functietoedeling van functies aan locaties (ETFAL). Aan het ontwerp-TAMOmgevingsplan ligt een uitgebreide motivering ten grondslag, waarin een inzichtelijke en toetsbare belangenafweging is opgenomen. Daarbij zijn de relevante publieke belangen expliciet afgewogen tegen het particuliere initiatief. De landschappelijke waarden worden niet aangetast met de ontwikkeling. Het landschappelijk inpassingsplan voorziet in een zorgvuldige integratie van de nieuwe woning in het bestaande landschap. Hierbij wordt rekening gehouden met landschappelijke en ecologische waarden. De bestaande groen- en waterstructuren, zoals het bosperceel, de laanbomen, solitaire bomen en poelen, blijven allen behouden. Het behoud van een agrarische bestemming vormt op zichzelf geen algemeen belang.
In de onderbouwing is verder gemotiveerd dat natuurwaarden niet worden aangetast. Het stuk grond met de bestemming ‘Natuur’ behoudt deze functie ook, en er worden geen nieuwe functies of bebouwing toegestaan ter plaatse van deze gronden. Om de ecologische waarden en biodiversiteit verder te versterken, worden diverse groenstructuren en elementen toegevoegd. Langs de noordelijke perceelsgrens, de erfgrens en langs de laan komen nieuwe inheemse bomen met verschillende bloeiperiodes, die nest- en foerageergelegenheid bieden aan vogels en insecten. 4
Inheemse hagen en heesters, zorgen voor schuilplaatsen voor vogels, egels en insecten. Daarnaast wordt bloem- en kruidenrijk grasland aangelegd als overgang tussen tuin en paardenweide, wat insecten aantrekt die op hun beurt voedsel vormen voor vogels en vleermuizen. Verder wordt een takkenril aangelegd waarin snoeiafval wordt verzameld, wat schuilen broedgelegenheid biedt aan insecten, vogels en kleine zoogdieren. Stapelstenen in en rond de poelen creëren een geschikte habitat voor amfibieën zoals de kleine watersalamander, waarbij een goede oevervegetatie en beschutting tegen predatoren essentieel zijn. Daarmee is voldaan aan artikel 4.2 Omgevingswet en is sprake van een evenwichtige functietoedeling. 3. Reclamant stelt dat geen akoestisch onderzoek is uitgevoerd en dat een beoordeling van de cumulatieve geluidbelasting ontbreekt, terwijl het initiatief ook paardenstallen en bijbehorende bouwwerken omvat. Volgens reclamant is hierdoor niet aangetoond dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat als bedoeld in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Beantwoording: De stelling van reclamant wordt niet gevolgd. Een woning is op grond van artikel 3.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving een geluidgevoelig gebouw en geen geluidhinderveroorzakende functie.
Het hobbymatig houden van paarden bij een woonfunctie is geen aangewezen milieubelastende activiteit en valt niet onder de activiteiten die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken als bedoeld in artikel 5.78b Bkl. De wet schrijft in dit geval geen akoestisch onderzoek of beoordeling van cumulatieve geluidbelasting voor. Tot slot bedraagt de afstand tussen de ontwikkeling en de woning van de reclamant circa 500 meter. Gelet op deze afstand kan redelijkerwijs worden uitgesloten dat sprake zal zijn van geluidhinder afkomstig van de ontwikkeling. Op basis van aard, omvang en situering van het gebruik is gemotiveerd vastgesteld dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 4. Reclamant stelt dat het plan geen bindende regels bevat ten aanzien van het maximale aantal paarden, de gebruiksintensiteit en de gebruikstijden. Volgens reclamant zijn de begrippen “bijbehorend” en “hobbymatig” onvoldoende concreet om overlast te voorkomen en een adequate handhaving mogelijk te maken. Beantwoording: In het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied’ zijn geen specifieke gebruiksbeperkingen of een kwalificatie als “hobbymatig” opgenomen voor het houden van paarden. Het ontwerp-TAM-omgevingsplan sluit hier bewust bij aan en zet het bestaande planologische regime op dit punt voort.
Daarnaast geldt dat het hobbymatig houden van paarden juridisch geen zelfstandig begrensd begrip is in de Omgevingswet. Voor niet‑fokpaarden is het houden van paarden geen aangewezen milieubelastende activiteit op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving. Hiervoor bestaan geen landelijke standaardnormen voor aantallen, gebruiksintensiteit of gebruikstijden. De begrenzing van het gebruik volgt in dit geval uit: • de ondergeschiktheid aan de woonfunctie (“bijbehorend gebruik”); • de aard en omvang van de toegelaten bebouwing. 5
Gelet hierop bestaat geen noodzaak om aanvullende, kwantitatieve gebruiksregels in het plan op te nemen. Het plan is op dit punt voldoende duidelijk en handhaafbaar. 5. Reclamant stelt dat binnen de bestemming ‘Natuur’ een niet‑natuurgebonden bouwwerk wordt toegestaan, zonder dat is onderbouwd dat alternatieven ontbreken of dat natuurwaarden niet onevenredig worden geschaad. Beantwoording: Het is juist dat een zeer beperkt deel van de gronden met de bestemming ‘Natuur’ wordt gewijzigd naar de functie ‘Wonen’ (circa 20 m2). Deze wijziging is uitsluitend bedoeld om het reeds bestaande, niet‑natuurgebonden bouwwerk planologisch correct te borgen binnen het TAM-Omgevingsplan. Daarnaast wordt er circa 220 m2 aan bosperceel extra aangebracht welke ook de functie ‘Natuur’ zullen krijgen. Aangezien het een bestaand bouwwerk betreft waarvoor geen uitbreidingen of aanpassingen zijn voorzien, is gemotiveerd vastgesteld dat geen sprake is van (onevenredige) aantasting van natuurwaarden. 6. Reclamant stelt dat de genoemde positieve participatieresultaten niet concreet zijn uitgewerkt, niet zijn vastgelegd en niet juridisch‑planologisch zijn geborgd. Volgens reclamant kan participatie geen vervanging vormen voor een deugdelijke ruimtelijke onderbouwing. Beantwoording: De stelling van de reclamant wordt niet gevolgd.
Participatie is in dit geval uitgevoerd conform de uitgangspunten van de Omgevingswet en heeft als doel gehad omwonenden vroegtijdig te betrekken bij het initiatief. De resultaten van dit participatieproces zijn betrokken bij de planvorming, maar vormen geen zelfstandige juridische onderbouwing van het plan. Een verslag van de participatie is onderdeel van de toelichting van het TAM-Omgevingsplan, waarbij de toelichting een ‘deugdelijke ruimtelijke onderbouwing’ betreft. Eén huishouden heeft in een eerder stadium aangegeven er de voorkeur aan te geven dat er gebouwd zal worden achter het bosperceel, zodat zij vrij uitzicht behouden. De initiatiefnemers hebben hieraan gehoor gegeven en zullen de woning, bijgebouwen en paardenstallen achter het bos plaatsen. Dit is geborgd in het TAMOmgevingsplan, waarbij alle nieuwe functies zich uitsluitend achter het bosperceel mogen bevinden. Verdere borging van de participatie in de regels van het TAMOmgevingsplan is niet noodzakelijk. Conclusie: Gelet op het voorgaande geeft de ingediende zienswijze geen aanleiding tot aanpassing van het TAM‑Omgevingsplan.
6
2.3 Behandeling zienswijze 2: E. Ogink, Bakenbeltsweg 1 Raalte Reclamant is eigenaar van agrarische percelen welke direct aan de gronden van de initiatiefnemer grenzen. Door het toestaan van een gevoelige woonfunctie binnen 50 meter stelt reclamant dat hij rechtstreeks wordt beperkt in zijn agrarische bedrijfsvoering. Er is gekozen de punten uit de zienswijze te clusteren op de onderwerpen ‘onevenredige aantasting agrarische bedrijfsvoering’, ‘evenredigheid, rechtszekerheid en nadeelcompensatie’ en ‘erfafscheiding’. 1. Onevenredige aantasting agrarische bedrijfsvoering. a. Reclamant stelt dat de memo spuitzonering een onjuist en onvolledig beeld geeft van het feitelijke gebruik van de omliggende agrarische percelen welke niet in zijn bezit zijn, omdat niet alleen mais maar ook aardappelen worden geteeld, waarvoor frequente bespuiting noodzakelijk is. b. Reclamant stelt dat de afstand tussen zijn perceel en de beoogde woonbestemming onjuist is weergegeven en in werkelijkheid circa 25 meter bedraagt in plaats van 43 meter. c. Reclamant stelt dat door het toestaan van woningbouw wordt vooruitgelopen op landelijk onderzoek naar spuitzonering en drift, waarvan de resultaten pas medio 2026 worden verwacht. d.
Reclamant stelt dat door de geplande woningbouw het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen op zijn perceel onder druk komt te staan, dat toekomstige teeltwijzigingen worden belemmerd en dat dit zal leiden tot waardevermindering van de agrarische gronden. Beantwoording: a. Indiener is geen eigenaar van de gronden ten westen van het plangebied. Het klopt evenwel dat er de afgelopen jaren ook sporadisch aardappelen zijn geteelt. Dit zal worden aangepast in de memo spuitzonering. De conclusies uit de memo spuitzonering veranderen door deze aanpassing niet. b. Het is correct dat de 43 meter welke is benoemd in de memo spuitzonering onjuist is. Dit dient inderdaad circa 25 meter te zijn. De memo spuitzonering wordt op dit punt aangepast. De conclusies uit de memo spuitzonering veranderen door deze aanpassing niet. c. De gemeente kan geen rekening houden met onderzoek dat er nog niet is. De beschikbare informatie en relevante rechtspraak is wat voor ons relevant is. d. Indien reclamant van mening is dat door de geplande woningbouw sprake zou zijn van waardevermindering van zijn gronden, is reclamant vrij een verzoek tot nadeelcompensatie in te dienen op grond van artikel 15.1 van de Omgevingswet. Dit verzoek wordt los van de vaststelling van het TAM-Omgevingsplan behandeld. 2. Evenredigheid, rechtszekerheid en nadeelcompensatie.
Reclamant stelt dat de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig worden afgewenteld op zijn agrarisch bedrijf, in strijd met artikel 3:4, tweede lid, Awb. Reclamant stelt dat de woningbouw leidt tot een feitelijke beperking van een bestaande agrarische functie zonder expliciete planologische borging of compensatie. Reclamant stelt dat zijn agrarische gronden in waarde zullen verminderen en dat in dat geval aanspraak bestaat op nadeelcompensatie. Beantwoording: Wij willen benadrukken dat de zone waarbinnen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen niet zijn toegestaan geen overlap hebben met de gronden van reclamant. Planologisch beschouwd wordt indiener van de zienswijze daarmee niet benadeeld in zijn bedrijfsvoering. Indien reclamant van mening is dat door de geplande woningbouw sprake zou zijn van waardevermindering van zijn gronden, is reclamant vrij een verzoek 7
tot nadeelcompensatie in te dienen op grond van artikel 15.1 van de Omgevingswet. Dit verzoek wordt los van de vaststelling van het TAM-Omgevingsplan behandeld. 3. Erfafscheiding. Reclamant stelt dat de ingetekende struweelhaag op of te dicht bij de kadastrale erfgrens is gesitueerd en in strijd is met artikel 5:42 Burgerlijk Wetboek, dat een minimale afstand van 50 cm tot de erfgrens voorschrijft. Beantwoording: Reclamant beroept zich op artikel 5:42 Burgerlijk Wetboek inzake de afstand van beplanting tot de erfgrens. Dit artikel betreft privaatrechtelijke regels en ziet toe op de feitelijke aanleg en instandhouding van beplanting tussen naburige percelen. De naleving van deze bepaling is geen toetsingskader bij de vaststelling van een TAMOmgevingsplan. Eventuele privaatrechtelijke verplichtingen kunnen, indien aan de orde, bij de uitvoering worden betrokken en staan niet aan de planologische besluitvorming in de weg. Desalniettemin hebben de initiatiefnemers aangegeven de struweelhaag op 50 cm of meer van de erfgrens te plaatsen. Conclusie: Gelet op het voorgaande geeft de ingediende zienswijze aanleiding tot aanpassing van het TAM‑Omgevingsplan. De memo spuitzonering zal worden aangepast waarbij het foutieve meetgegeven wordt gecorrigeerd.
Daarnaast wordt de memo spuitzonering aangevuld met het feit dat er sporadisch aardappelen zijn verbouwd op het agrarisch perceel ten westen van het projectgebied. Ook zal het landschappelijk inpassingsplan (dat zowel verankerd is in de toelichting als in de regels) worden aangepast door de struweelhaag op 50 centimeter van de erfgrens te situeren. Daar waar in de memo sprake is van een afbeelding van het landschappelijk inpassingsplan zal deze ook worden aangepast.
8
3. Wijzigingen 3.1 Wijzigingen naar aanleiding van zienswijzen Bijlage 10, ‘Memo spuitzonering’ d.d. 26-11-2025 wordt aangepast. De zin “Aan de oostzijde is de afstand tussen de toekomstige woonfunctie en het agrarische perceel circa 43 meter” wordt aangepast naar “Aan de oostzijde is de afstand tussen de toekomstige woonfunctie en het agrarische perceel circa 25 meter”. In dezelfde memo wordt ook opgenomen dat op het agrarisch perceel ten westen van het projectgebied sporadisch sprake was van aardappelteelt. Het nieuwe bestand wordt als bijlage 10 bij de toelichting bijgevoegd Tot slot is het inrichtingsplan aangepast waarbij is omschreven dat de struweelhaag op de erfgrens tussen het ten oosten gelegen agrarisch perceel en het projectgebied op minstens 50 cm van de erfgrens wordt gesitueerd. 3.2 Ambtshalve wijzigingen De regels en verbeelding worden in lijn gebracht met het landschappelijk inrichtingsplan door de maximaal toegestane vierkante meters bijgebouwen te maximeren op 250.
9
Bijlage 1. Zienwijze 1
10
Bijlage 2. Zienwijze 2
11
12
13