Motivering TAM-Omgevingsplan Knapenveldsweg tussen 14 en 16
Tekst van het document
Berging hemelwater In onderstaande tabel is een overzicht van het verhard oppervlak voor de toekomstige inrichting van het projectgebied opgenomen. Deze zijn globaal bepaald op basis van het ontwerp van 29 november 2024, welke is bijgevoegd als Bijlage 1. Toekomstige situatie Bebouwing Verhardingen rond schuren en garage
Oppervlakte circa 360 m2 circa 200 m2
30
Terras woning Totaal verhard
circa 30 m2 circa 590 m2
In totaal is er dus sprake van een totaal verhard oppervlak van circa 590 m2. Hiervoor dient circa 47 m3 hemelwater geborgen te kunnen worden binnen het projectgebied. Om het hemelwater te bergen en te infiltreren is in het schetsontwerp een verlaging in het maaiveld voorzien. De greppels aan de oost- en westzijden kunnen hierbij fungeren als noodoverloop. In de voorgenomen voorzieningen kan een berging van circa 52,5 m3 hemelwater plaatsvinden. Er is dus ruim voldoende berging aanwezig. Tijdens de bui zal ook nog een deel van de neerslag infiltreren in de verlaging in het maaiveld, waardoor in praktijk nog meer capaciteit aanwezig is (dynamische berging). Het wateradvies Voor het doorlopen van het wateradvies gebruikt het waterschap de website www.hetwateradvies.nl. Het waterschap kijkt, op basis van de antwoorden die op de website worden ingevuld, of bij de ruimtelijke ontwikkeling voldoende rekening is gehouden met de waterhuishouding ter plaatse en geeft een wateradvies. Via de het wateradvies is beoordeeld of en welke waterbelangen voor het initiatief relevant zijn. Voor dit initiatief is op 8 november 2024 de digitale watertoets doorlopen. Deze is als Bijlage 6 bijgevoegd. Ten aanzien van wateradvies geldt er voor het initiatief een normale procedure. Er zal in de toekomstige situatie meer dan 500 m2 aan verharding aanwezig zijn. Om deze reden geldt de normale procedure.
In de toekomstige situatie zal al het hemelwater tevens gescheiden worden van het vuilwater. 6.5.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect water geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.
6.6
Mobiliteit en parkeren
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met de aspecten verkeer en parkeren. 6.6.1
(Wettelijk) kader
In de Omgevingswet is geen regelgeving opgenomen met betrekking tot mobiliteit en parkeren. De verkeersveiligheid is primair geborgd in de weg- en verkeerswetgeving, waaronder de Wegenverkeerswet. Daarnaast zijn richtlijnen opgenomen in het ASVV (Aanbevelingen voor Verkeersvoorzieningen Binnen de Bebouwde Kom). Binnen de Omgevingswet staat het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving centraal. Voor het aspect mobiliteit betekent dit dat bij ontwikkelingen aandacht moet worden besteed aan het waarborgen van verkeersveiligheid, het behouden of verbeteren van de bereikbaarheid en het voorzien in voldoende parkeergelegenheid en stallingsmogelijkheden. Deze aspecten dragen bij aan een veilige, toegankelijke en functionele leefomgeving. Wel kan een verandering van functies zorgen voor een verkeersaantrekkende werking. Bij het toelaten van een nieuwe functie moet daarom worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij dient in beeld te worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto's, fietsen en/of scooters. Er mag geen onaanvaardbaar effect zijn. De gemeente Raalte heeft haar parkeerbeleid verankert in het 'Paraplubestemmingsplan Parkeren', vastgesteld op 27 september 2018. De parkeernormen zijn vastgelegd in de beleidsnota 'Parkeernormen Raalte 2015'.
Nieuwe ontwikkelingen moeten aan dit parkeerbeleid voldoen. De activiteit dient dus aan
31
het gemeentelijk beleid getoetst te worden. 6.6.2
Onderzoek
Verkeer De realisatie van één vrijstaande woning in het projectgebied zorgt voor een verkeersaantrekkende werking. In de huidige situatie wordt het perceel gemiddeld drie keer per dag bezocht door de initiatiefnemers. Dit gebeurt grotendeels met de auto. Dit betekent dat het aantal verkeersbewegingen in de huidige situatie per dag 6,0 bedraagt. De ligging van het plangebied is buiten de bebouwde kom van de kern Raalte. Uitgangspunt voor de verkeersberekeningen is de ligging ‘buitengebied’. Het CBS typeert de gemeente Raalte als een 'weinig stedelijke gemeente'. De verkeersaantrekkende werking voor één nieuwbouwwoning op een dergelijke locatie is daarmee gemiddeld 8,2 verkeersbewegingen per etmaal. Deze verkeersbewegingen zijn per weekdag. Een werkdag is maatgevend. Om van een weekdag naar werkdag te komen, wordt een omrekenfactor van 1,11 gebruikt. In totaal is er dus sprake van [8,2 x 1,11 = ] 9,1. Per saldo houdt dit in dat de toename van het aantal verkeersbewegingen [9,1 - 6,0 = ] 3,1 bedraagt. De initiatiefnemers hoeven namelijk niet meer apart naar het perceel te gaan gezien zij nu op het perceel gaan wonen. De woning wordt ontsloten op de Knapenveldsweg. Deze weg heeft meer dan voldoende capaciteit om de zeer geringe toename van het aantal verkeersbewegingen (3,1) op te vangen.
Deze toename van het aantal verkeersbewegingen zal niet leiden tot een onacceptabele verkeerstoename op de Knapenveldsweg en wegen in de omgeving. Parkeren Het aantal benodigde parkeerplaatsen wordt bepaald door de aard en omvang van de activiteit waarin het initiatief voorziet. Voor wat betreft het aantal te realiseren parkeerplaatsen voor de woning is uitgegaan van de 'Parkeernormen gemeente Raalte 2015'. Voor een vrijstaande woning in het buitengebied van Raalte geldt een parkeernorm van 2,4 parkeerplaatsen per woning. Op het drukste moment moeten 3 parkeerplaatsen op eigen terrein beschikbaar zijn voor bewoners en bezoekers van de woning. In de 'Parkeernormen gemeente Raalte 2015' is per parkeervoorziening bij woningen een theoretisch aantal en een berekeningsaantal gegeven. De berekeningsaantallen zijn de aantallen waarmee gerekend dient te worden. Een enkele oprit zonder garage telt bijvoorbeeld theoretisch voor 1 parkeerplaats, maar telt als 0,8 parkeerplaats als berekeningsaantal. De nieuwe woning betreft een vrijstaande woning met een zeer groot perceel. De bewoners hebben dan ook meer dan voldoende ruimte om de parkeerbehoefte op eigen terrein op te vangen, wat ook op de tekening in het inrichtingsplan duidelijk zichtbaar is.
Indien rekening gehouden dient te worden met de berekeningsaantallen is het alleen mogelijk te voldoen aan de parkeernorm van 2,5 parkeerplaats door een zeer grote, niet reële oprit met garage te creëren. Dit is niet gewenst binnen het projectgebied. Het is vanzelfsprekend dat bij grote ontwikkelingen een deel van het parkeren op eigen terrein verloren gaat aan andere functies en hierbij extra openbare parkeerplaatsen benodigd zijn. Onderhavig plan betreft echter een kleine ontwikkeling waarbij dit niet van toepassing is. Zoals eerder benoemd is er op de percelen meer dan voldoende ruimte om de parkeerbehoefte op eigen terrein op te vangen. Het is dan ook niet nodig dat auto's aan de openbare weg worden geparkeerd. Om deze reden wordt geconcludeerd dat het parkeren geen belemmering vormt voor de ontwikkeling.
32
6.6.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect mobiliteit en parkeren geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.
6.7
Omgevingsveiligheid
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de omgevingsveiligheid gewaarborgd wordt. Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. 6.7.1
(Wettelijk) kader
De hoofdlijnen van het (Wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. Het werken met aandachtsgebieden voor omgevingsveiligheidsrisico's is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. In het deelplan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties.
Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. In een deelplan dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het deelplan kwetsbare gebouwen zijn toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl).
33
6.7.2
Onderzoek
Het voorgenomen initiatief voorziet per saldo niet in de realisatie van een extra woning. De woning wordt wel op een nieuwe locatie gebouwd, waardoor er alsnog een toetsing moet plaatsvinden aan het aspect omgevingsveiligheid. Deze woning wordt aangemerkt als 'kwetsbaar object'. Hiermee voorziet de ontwikkeling in een nieuw kwetsbaar object. De navolgende afbeelding bevat een fragment van de Risicokaart Nederland. De globale ligging van het projectgebied is hierop aangeduid met een groen vierkant.
Uitsnede kaart omgevingsveiligheid, bron: Atlas leefomgeving
Het projectgebied is niet gelegen binnen een PR 10-6 risicocontour. Tevens is het projectgebied niet gelegen in een brand-, explosie- of gifwolkaandachtsgebied. Er is daarom geen (beperkte) verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk. 6.7.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect omgevingsveiligheid geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.
6.8
Natuur
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur en de gevolgen voor de omliggende natuur door stikstofdepositie. 6.8.1
(Wettelijk) kader
Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten en diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden (buiten bebouwingscontour en erven). Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). 6.8.2
Onderzoek
Door Buro Ontwerp & Omgeving is in februari 2025 een quickscan natuurtoets uitgevoerd. dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 7. De conclusies van het onderzoek worden hieronder kort behandeld.
34
Gebiedsbescherming In Nederland zijn 162 Natura 2000-gebieden aangewezen. Dit zijn gebieden met een Europese beschermingsstatus. Veel van die gebieden zijn gevoelig voor stikstofdepositie. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied betreft het Boetelerveld, dat op circa 5,2 kilometer ten zuidoosten van het onderzoeksgebied ligt. Andere Natura 2000-gebieden op minder dan 10 km afstand zijn het Vecht- & Beneden-Reggegebied (ca. 8,6 km), de Rijntakken (ca. 9,0 km) en de Sallandse Heuvelrug (ca. 9,7 km). Gezien het type werkzaamheden en de ligging van het onderzoeksgebied ten opzichte van de Natura 2000-gebieden zijn er geen negatieve effecten als oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, optische verstoring en verstoring door trilling, geluid en mechanische effecten. De afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is namelijk meer dan 5,2 km. Door het gebruik van werktuigen en een toename van voertuigbewegingen kunnen er wel gevolgen zijn door stikstofdepositie vanuit de lucht. Omdat er vier Natura 2000-gebieden op minder dan 10 km afstand van het onderzoeksgebied liggen vindt er mogelijk stikstofdepositie plaats op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van dit Natura 2000-gebied.
Om de eventuele effecten van stikstofdepositie inzichtelijk te maken wordt aangeraden om een AERIUS-berekening (voortoets stikstof) uit te laten voeren voor zowel de realisatiefase als gebruiksfase (zie kopje Stikstof). Het onderzoeksgebied ligt op circa 100 meter afstand van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Gezien de ligging buiten dit gebied worden de kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen van het NNN bij de werkzaamheden niet aangetast. Soortenbescherming Van één strikt beschermde soort is de aanwezigheid in het onderzoeksgebied niet uit te sluiten. Hieronder wordt ingegaan op de bescherming en de mogelijke effecten die kunnen plaatsvinden als gevolg van de werkzaamheden. Boerenzwaluw In de te slopen stal werden vogelnesten aangetroffen die kunnen worden gebruikt als voor de boerenzwaluw. De boerenzwaluw is beschermd op grond van de Vogelrichtlijn. De werkzaamheden kunnen leiden tot overtreding van het Bal als er sprake is van een rust- of nestplaats van de soort. De aanwezigheid van de boerenzwaluw moet daarom nader worden onderzocht. Nader onderzoek Door Buro Ontwerp & Omgeving is nader ecologisch onderzoek uitgevoerd naar de boerenzwaluw. Dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 8. Er zijn geen rust- of nestplaatsen van de boerenzwaluw aangetroffen tijdens het nader onderzoek in het projectgebied.
Met betrekking tot soortbescherming kan worden geconcludeerd dat er geen omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit nodig is om de ontwikkeling mogelijk te maken. Stikstof Door Buro Ontwerp & Omgeving is in maart 2025 een voortoets stikstof uitgevoerd. Dit onderzoek is bijgevoegd Bijlage 9. Uit de rekenresultaten blijkt dat op verschillende stikstofgevoelige leefgebieden en habitattypen van Natura 2000-gebieden geen stikstofdepositie groter 0,00 mol N/ha/jr plaatsvindt in de realisatiefase. Op gebieden met een hersteldoel zijn tevens geen rekenresultaten groter dan 0,00 mol N/ha/jr gehaald. Uit de rekenresultaten blijkt dat op verschillende stikstofgevoelige leefgebieden en habitattypen van Natura 2000-gebieden geen stikstofdepositie groter 0,00 mol N/ha/jr plaatsvindt in de gebruiksfase. Op
35
gebieden met een hersteldoel zijn tevens geen rekenresultaten groter dan 0,00 mol N/ha/jr gehaald. Vanuit het aspect stikstof zijn dus geen belemmeringen voor de uitvoering van het initiatief. 6.8.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect natuur geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.
6.9
Cultureel erfgoed
Gemeenten moeten in hun omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met binnen of buiten de locatie van de activiteit aanwezige archeologische of cultuurhistorische waarde. Gezien de aspecten archeologie en cultuurhistorie vaak met elkaar verweven zijn, worden deze hier gezamenlijk besproken. 6.9.1
(Wettelijk) kader
Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met bepaalde uitgangspunten. Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze gaan over: Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; Verplaatsing van beschermde monumenten; Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; Aantasting van de omgeving van een beschermd monument; Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten. 6.9.2
Onderzoek
Archeologie Archeologische bescherming zorgt ervoor dat archeologische waarden van gronden worden behouden en beschermd. In de regels horende bij het 'Omgevingsplan gemeente Raalte' wordt de bescherming en het gebruik verder geregeld. Het projectgebied ligt volgens het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Raalte' (als onderdeel van het 'Omgevingsplan gemeente Raalte') niet in een zone met een dubbelbestemming voor archeologie. Er gelden dus geen verwachtingswaarde op deze locatie. Onderzoek naar archeologie kan dan ook achterwege blijven. Cultuurhistorie De bestaande opstallen en gronden hebben geen specifieke cultuurhistorische waarde. Het voorgenomen initiatief heeft eveneens geen negatief effect op eventuele cultuurhistorisch waardevolle elementen in de omgeving. Om deze reden is verdere toetsing aan het aspect cultuurhistorie niet noodzakelijk. 6.9.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect cultureel erfgoed geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.
36
6.10 Duurzaamheid Duurzaamheid krijgt een steeds prominentere rol in onze samenleving. De Omgevingswet biedt mogelijkheden om een transitie naar een duurzamere samenleving te bevorderen. In deze onderbouwing is het begrip duurzaamheid uitgesplitst in drie categorieën; 'energietransitie', 'circulariteit' en 'klimaatadaptatie en water'. 6.10.1 (Wettelijk) kader Duurzaamheid is een belangrijk uitgangspunt van de Omgevingswet en komt tot uiting in verschillende aspecten van de wet. Zo introduceert de Omgevingswet het begrip 'duurzame ontwikkeling' als een overkoepelend doel. Duurzame ontwikkeling wordt gedefinieerd als een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie, zonder de behoeften van toekomstige generaties in gevaar te brengen. Dit betekent dat bij besluitvorming rekening moet worden gehouden met langetermijneffecten. Het (wettelijk) kader voor duurzaamheid onder de Omgevingswet wordt verder ingevuld door onderliggende regelgeving, zoals het Bkl en het Bbl. Energietransitie Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) stelt eisen aan de energiezuinigheid van nieuw te bouwen bouwwerken. Er gelden BENG-eisen voor de thermische isolatie, de luchtdichtheid en de technische bouwsystemen. De berekening dat aan de eisen wordt voldaan is onderdeel van een aanvraag omgevingsvergunning.
Daarnaast moet gebruik worden gemaakt van een alternatief voor aardgas voor verwarming. Circulariteit Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) stelt eisen aan de milieuprestatie van een woonfunctie, een kantoorgebouw en nevengebruiksfuncties daarvan (artikel 4.159 Bbl). De milieuprestatie wordt bepaald volgens de Bepalingsmethode Milieuprestatie gebouwen en GWW-werken. Klimaatadaptatie en water Voor het kader voor klimaatadaptatie en water wordt verwezen naar het beleid van rijk, provincie, gemeente en waterschap op het gebied van klimaatadaptatie en water (zie Hoofdstuk 5). 6.10.2 Onderzoek energietransitie De woning zal gasloos worden uitgevoerd en met een (lucht)warmtepomp worden uitgerust. Deze warmtepomp zal zorgen voor het verwarmingssysteem. Daarnaast is er de mogelijkheid om zonnepanelen te realiseren op de woning of bijgebouwen. Hiermee is de woning klaar voor de energietransitie. 6.10.3 Onderzoek circulariteit De exacte wijze van bouwen en het materiaalgebruik is onderdeel van een aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen. 6.10.4 Conclusie Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect duurzaamheid geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.
37
6.11 Ladder voor duurzame verstedelijking De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig gebruik van de ruimte en het tegengaan van leegstand. Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zorgvuldig ruimtegebruik en de totstandkoming van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling 'buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied' mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien. 6.11.1 (Wettelijk) kader In het Bkl (artikel 5.129g) is bepaald dat bij een wijziging van het omgevingsplan/bopa voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling de toepassing van de ladder is vereist. Wat onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bkl opgenomen.
Een stedelijke ontwikkeling wordt gedefinieerd als 'de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.' Of een ontwikkeling of uitbreiding voldoende substantieel is volgt uit jurisprudentie (zie bijvoorbeeld uitspraak ABRvS201501297/1/R4). Daaruit blijkt onder meer dat een woningbouwontwikkeling die voorziet in de realisatie van meer dan 11 woningen binnen de bebouwde kom moet worden aangemerkt als woningbouwlocatie. Ook een kantoor, detailhandelsvoorziening of bedrijf met een oppervlakte van meer dan 500 m2 brutovloeroppervlak kan worden beschouwd als een stedelijke ontwikkeling. 6.11.2 Onderzoek Voorliggend plan ziet in de realisatie van één vrijstaande woning in het buitengebied van Raalte. De bestaande woning van de initiatiefnemers wordt echter gesloopt in het kader van het verbeteren van knooppunt Raalte. Ten opzichte van de vigerende planologische situatie neemt het aantal woningen in het projectgebied dus niet toe. De ontwikkeling wordt dus niet aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Om die reden is de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing. Daarnaast is de ontwikkeling goed passend binnen de omgeving.
De omgeving kenmerkt zich hoofdzakelijk door de aanwezigheid van landbouw en kleinschalige woonerfen. Daarnaast past het initiatief binnen de gestelde kaders van het regionaal en gemeentelijk woonbeleid. 6.11.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect ladder voor duurzame verstedelijking geen belemmeringen bestaan ten aanzien van het voorgenomen initiatief in het projectgebied.
6.12 Milieubelastende activiteiten Een goede omgevingskwaliteit en de integratie van milieu en ruimte betekent het integreren van (vaak technische) milieunormen in het omgevingsplan/vergunning. In deze paragraaf is duidelijk gemaakt: Of de ontwikkeling een nieuwe milieubelastende activiteit (mba's) mogelijk maakt, en zo ja; Op welke manier een keuze is gemaakt in de na te streven omgevingskwaliteit binnen het gemeentelijk grondgebied vanuit het thema milieubelastende activiteiten; Op welke manier aan het reguleren van de omgevingskwaliteit vanuit het thema milieubelastende activiteiten in een omgevingsplan vorm zou kunnen worden gegeven dan wel via een omgevingsvergunning kan worden geregeld.
38
6.12.1 (Wettelijk) kader Het begrip 'milieubelastende activiteit' (mba) is als volgt gedefinieerd in de bijlage bij artikel 1 van de Omgevingswet: “activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewater lichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit”. Het gaat dus in feite om alle activiteiten die enig negatief effect op het milieu kunnen hebben (met uitzondering van 'directe lozingen' en wateronttrekkingsactiviteiten). Het is een breed begrip; er vallen namelijk ook niet-bedrijfsmatige niet-plaatsgebonden activiteiten en tijdelijke activiteiten onder het mba-begrip.
activiteiten,
ook
In dit gedeelte worden regels over mba's bedoeld die op gemeentelijk niveau kunnen worden geregeld. Zie bijvoorbeeld afdeling 2.3 van de Bruidsschat, die met de inwerkingtreding van de Omgevingswet van rechtswege in het tijdelijke deel van elk gemeentelijk omgevingsplan wordt opgenomen. Deze afdeling 2.3 is getiteld 'Milieubelastende activiteiten' en bevat gemeentelijke regels over mba's. Het Bkl bevat in hoofdstuk 5 onder andere instructieregels voor het omgevingsplan over milieu. De Bkl-regels spreken daarbij van 'activiteiten'. Uit de NvT van het Bkl blijkt dat daarmee 'milieubelastende activiteiten' worden bedoeld. 6.12.2 Onderzoek intern Het initiatief voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het initiatief richt zich voornamelijk op de functie Wonen binnen een omgeving waar de functies wonen en agrarisch (op kleine schaal) de boventoon voeren. Bij deze functies worden kleinschalige bedrijfsfuncties toegestaan door het toestaan van bedrijven/beroepen aan huis. Dit is tevens passend binnen de functie wonen en agrarisch en een omgeving waar deze functies de boventoon voeren. Deze activiteiten zullen bovendien niet tot nauwelijks milieubelastend zijn. 6.12.3 Onderzoek extern Omliggende bedrijven kunnen zorgen voor (milieu)hinder. In het kader van milieubelastende activiteiten wordt wonen aangemerkt als milieugevoelige functie.
In de directe omgeving van het projectgebied bevinden zich geen bedrijven of maatschappelijke functies die eventueel hinder kunnen veroorzaken. De overige functies in de wijdere omgeving van het projectgebied liggen op een dusdanige afstand dat nader onderzoek hiernaar niet noodzakelijk is. Voor eventuele geurhinder afkomstig van agrarische bedrijven in de omgeving wordt verwezen naar paragraaf 6.3. 6.12.4 Conclusie Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect milieubelastende activiteiten geen belemmeringen bestaan ten aanzien van het voorgenomen initiatief in het projectgebied.
6.13 M.e.r.-beoordeling De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een toets om na te gaan of sprake is van een plan met grote milieugevolgen. Bij wijzigingen van het omgevingsplan en besluiten die mogelijk gevolgen kunnen hebben voor het milieu moet worden beoordeeld of ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling in het kader van de fysieke leefomgeving een milieueffectrapportage moet worden opgesteld. Een milieueffectrapportage is bedoeld om milieubelangen bij verschillende ruimtelijke procedures een volwaardige plaats bij de besluitvorming te geven.
39
6.13.1 (Wettelijk) kader De wetgeving over de milieueffectrapportage is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (hierna: Ob). Onder de Omgevingswet geldt de plan-m.e.r.-plicht voor een plan: Dat een kader vormt voor een te nemen project-m.e.r.-plichtig of project-m.e.r.-beoordelingsplichtig besluit of; Waarvoor een passende beoordeling vanwege Natura 2000-gebieden nodig is. In bijlage V van het Ob zijn de projecten genoemd met mogelijk aanzienlijke milieueffecten. Deze lijst is niet limitatief, zodat ook voor andere dan de hierin genoemde projecten moet worden bezien of sprake is van mogelijk aanzienlijke milieueffecten. Daarnaast is er de figuur van de plan-m.e.r-beoordeling voor kleine gebieden op lokaal niveau of voor kleine wijzigingen. Deze beoordeling is alleen verplicht als het plan leidt tot mogelijk aanzienlijke milieueffecten en significant negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden optreden. Een plan-m.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op plannen of programma's die een kader vormen voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Ob zijn genoemd. 6.13.2 Onderzoek De beoogde ontwikkeling is te categoriseren als een 'Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen', zoals opgenomen onder Nr.
J11 in Bijlage V bij het Ob. De ontwikkeling betreft echter een zeer kleinschalige ontwikkeling. Het betreft de realisatie van één vrijstaande woning in het buitengebied. Gelet op de zeer kleinschalige ontwikkeling worden geen significante milieueffecten verwacht. Daarnaast zijn alle milieu- en omgevingsaspecten beschreven in Hoofdstuk 6. Hieruit blijkt dat geen van de overige milieu- en omgevingsaspecten een belemmering vormt voor de ontwikkeling. Tevens zijn er geen cumulatie-effecten met andere plannen in de omgeving van het initiatief. Er worden, voor zover bekend, geen nieuwe plannen in de directe omgeving van het initiatief opgestart. 6.13.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect m.e.r.-beoordeling geen belemmeringen bestaan ten aanzien van het voorgenomen initiatief in het projectgebied.
6.14 Gezondheid De Omgevingswet bevordert integrale besluitvorming en samenhang door alle relevante aspecten waaronder gezondheid - in een zo vroeg mogelijk stadium te betrekken. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat om: Het beschermen van gezondheid (is er sprake van bijzondere omstandigheden waardoor het verlenen van de vergunning leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid?); Het bevorderen van de gezondheid, zoals bevorderen sport en ontspanning (positieve gezondheid). 6.14.1 (Wettelijk) kader Volgens artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen.
40
6.14.2 Onderzoek intern Gelet op de aard en schaal van het initiatief zullen er geen aspecten worden geraakt die rondom het thema gezondheid belangrijk zijn. Gelet op de overige omgevingsaspecten is er sprake van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. 6.14.3 Onderzoek extern Het projectgebied ligt tussen agrarische gronden in. De direct aan het projectgebied grenzende percelen worden, op basis van gegevens van Boer & Bunder, aangewend voor het telen van landbouwgewassen. Voor de teelt van deze landbouwgewassen kunnen gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Om deze reden heeft Buro Ontwerp & Omgeving in april 2026 een memo spuitzonering opgesteld. Deze memo is bijgevoegd als Bijlage 10. Hieronder worden de conclusies uit deze memo kort behandeld. Uit locatie specifiek onderzoek blijkt dat deze gronden in de praktijk duurzaam worden gebruikt voor snijmaïs en grasland, teelten met een zeer beperkt gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en met toepassing van neerwaartse en driftarme spuittechnieken. Hierdoor is de kans op drift gering. Daarnaast worden rondom de nieuwe woning meerdere fysieke driftreducerende maatregelen getroffen: een wintergroene haag aan de oostzijde (op minimaal 50 cm van de erfgrens), een meerlagig bosplantsoen aan de westzijde en gesloten stal- en opslaggebouwen tussen de agrarische percelen en de woonomgeving.
Deze maatregelen vormen gezamenlijk een robuuste fysieke afscherming die driftdeeltjes onderschept en luchtstromen vertraagt, waardoor blootstelling aan spuitnevel in de woonomgeving verwaarloosbaar is. Om te waarborgen dat in de directe omgeving van de woning geen gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast, is aanvullend een beschermingszone van 20 meter rondom het woonperceel opgenomen waarin het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen verboden is. Daarmee wordt een extra planologisch geborgde zekerheid gecreëerd. Gezien al deze omstandigheden is er geen sprake van een belemmering voor een goed woon- en leefklimaat (en daarmee een evenwichtige toedeling van functies aan locaties) en vormt het wonen op de beoogde locaties, tussen de betreffende agrarische percelen in, geen gezondheidskundig probleem. Het aspect spuitzonering vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 6.14.4 Conclusie Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect gezondheid geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.
41
Hoofdstuk 7
Beperkingengebieden
Een beperkingengebied is een breed verzamelbegrip en wordt in de Omgevingswet gedefinieerd als een gebied dat bij of krachtens de wet (door Rijk of provincie) is aangewezen, waar vanwege de aanwezigheid van een werk of object, regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat werk of object. Kortgezegd zijn dit de gebieden rondom (spoor)wegen en waterstaatswerken waar beperkingen gelden. Dit betekent dat er beperkingen gelden voor activiteiten van derden, zowel ter plaatse van de weg of het waterstaatswerk alsook in de daaraan grenzende (beschermings)zones. Onderhavig plan raakt geen beperkingsgebieden. Nadere toetsing aan dit aspect is dan ook niet noodzakelijk.
42
Hoofdstuk 8 8.1
Economische uitvoerbaarheid
Financieel economische haalbaarheid
De gemeente hoeft geen belangrijke voorinversteringen te doen om het plan haalbaar te maken. De overige kosten komen op rekening van de initiatiefnemer. Hiermee is het plan volledig financieel economisch haalbaar.
8.2
Kostenverhaal
De kosten voor de realisatie van het plan alsmede de kosten voor planologische procedure komen geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Voor de gemeente zijn aan dit plan geen kosten verbonden. De economische uitvoerbaarheid is hiermee niet in het geding.
8.3
Nadeelcompensatie
In geval voor realisatie van het onderhavige initiatief een schadeveroorzakend besluit nodig is als bedoeld in artikel 15.1, eerst lid van de Omgevingswet, kan dit tot voor vergoeding in aanmerking komende nadeelcompensatie leiden.
43
Hoofdstuk 9 9.1
Juridische uitvoerbaarheid
Algemeen
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op de bestaande situatie, het relevante beleid en de relevante milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het opstellen van dit TAM-IMRO Omgevingsplan, bestaande uit een plankaart (verbeelding) en regels. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de opzet van dit TAM-IMRO omgevingsplan. Met het TAM-omgevingsplan 8 Knapenveldsweg tussen 14 en 16 wordt de herstructurering van het plangebied mogelijk gemaakt. Deze wijziging op het tijdelijk deel van het 'Omgevingsplan gemeente Raalte' is technisch opgesteld conform het InformatieModel Ruimtelijke Ordening (IMRO) op basis van de voormalige Wet ruimtelijke ordening (Wro), maar inhoudelijk uitgewerkt op basis van de vereisten volgens de Omgevingswet. Omgevingsplan Op 1 januari 2024 is het 'Omgevingsplan gemeente Raalte' van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen en wijzigingsplannen, en uit de Bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen. In deze Bruidsschat zitten onder meer regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan.
Op grond van artikel 2.4 en 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege (laten) wijzigen. Toepassing TAM-IMRO De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) ondersteunt bij de uitvoering van de Omgevingswet. Het bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de – onder de Wro gebruikte – IMRO-standaard en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl. Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2025. Als het ontwerp van een TAM-omgevingsplan uiterlijk 31 december 2025 ter inzage is gelegd, mag het ook na 1 januari 2025 worden afgemaakt met TAM-IMRO. Werkingsgebied De regels in dit TAM-omgevingsplan zijn van toepassing op het werkingsgebied, waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0177.TAM20240008-GV01, zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl. In paragraaf 1.2 van deze motivering is een globale begrenzing van het werkingsgebied c.q. plangebied opgenomen.
44
9.2
Procedure
Het ontwerp omgevingsplan 'TAM-omgevingsplan 8 Knapenveldsweg tussen 14 en 16' is op 17 december 2025 gepubliceerd in het gemeenteblad van de gemeente Raalte. Daarnaast is het ontwerp digitaal raadpleegbaar geweest via www.ruimtelijkeplannen.nl en het Omgevingsloket. In de periode 18 december 2025 tot en met 28 januari 2026 heeft het ontwerp omgevingsplan 'TAM-omgevingsplan 8 Knapenveldsweg tussen 14 en 16' voor een ieder ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn kon een ieder naar keuze schriftelijk of mondeling een zienswijze op het ontwerp omgevingsplan kenbaar maken aan de gemeenteraad van de gemeente Raalte. In deze periode zijn twee zienswijzen ontvangen, welke beide ontvankelijk zijn. De zienswijzen is beantwoord door de gemeente en de nota hiervan is als bijlage bij dit plan opgenomen (Bijlage 11). Voor elke reactie afzonderlijk is aangegeven in hoeverre de zienswijze gegrond of ongegrond is verklaard en, indien gegrond, welke aanpassing dit voor het bestemmingsplan tot gevolg heeft. Deze eventuele wijzigingen zijn vervolgens doorgevoerd in onderhavig plan en/of de bijlagen daarvan.
9.3
Toedelen van functies aan locaties
9.3.1
Inleidende regels
Hoofdstuk 1 bevat bepalingen die gelden voor het gehele plangebied en bestaat uit: Artikel 1 Begripsbepalingen In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen, voor een eenduidige interpretatie van deze begrippen. Artikel 2 Toepassingsbereik In dit artikel is opgenomen dat het TAM-omgevingsplan gelezen moet worden als hoofdstuk in het 'Omgevingsplan gemeente Raalte' en de artikelen als paragrafen van dat hoofdstuk. Dit om onduidelijkheden met het omgevingsplan van rechtswege te voorkomen. Het artikel geeft aan voor welk werkingsgebied de regels van toepassing zijn. Tevens wordt aangegeven dat specifieke artikelen uit de Omgevingswet en het omgevingsplan van rechtswege niet van toepassing zijn, indien strijdigheid bestaat met de regels uit het TAM- omgevingsplan. Artikel 3 Aanvraagvereisten In dit artikel is vastgelegd dat bij het aanvragen van een omgevingsvergunning de aanvraagvereisten uit de bruidsschat van toepassing zijn, zoals opgenomen in het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Artikel 4 Meet- en rekenbepalingen Dit artikel regelt de meet- en rekenbepalingen. De wijze van meten bepaalt hoe bouwregels, zoals afmetingen en oppervlaktes, geïnterpreteerd moeten worden. Hiermee wordt eenduidigheid geboden bij het toepassen van de regels.
Artikel 5 Algemeen gebruiks- en bouwverbod Dit verbod zorgt ervoor dat gronden en bouwwerken alleen worden gebruikt en bebouwd als dat uitdrukkelijk is toegestaan in het omgevingsplan, met uitzondering van bestaande bouwwerken.
45
9.3.2
Gebiedsaanwijzingen
In Hoofdstuk 2 is opgenomen welke gebiedstypen binnen het plangebied zijn toegestaan. Per gebiedstype is aangegeven welk gebruik waar is toegestaan. In dit TAM-omgevingsplan is het gebiedstype 'Gebiedstype natuur' opgenomen volgend worden de regels die zijn opgenomen voor deze gebiedstype opgenomen. Gebiedstype natuur (Artikel 6) Het gebiedstype 'Gebiedstype natuur' is toegekend aan bestaand natuurgebied. Ook bestaande bossen zijn voorzien van dit gebiedstype. Om deze reden is hier ook houtoogst toegestaan zonder omgevingsvergunning voor werken. Binnen deze gebruiksactiviteit is het oprichten van gebouwen ten behoeve van de gebruiksactiviteit niet toegestaan. De inhoud van dit artikel is overgenomen uit het vigerende bestemmingsplan, gezien hier weinig veranderingen plaatsvinden met onderhavig initiatief. 9.3.3
Gebruiksactiviteiten
In Hoofdstuk 3 is opgenomen welke gebruiksactiviteiten binnen het plangebied zijn toegestaan. Per toegestane gebruiksactiviteit is aangegeven welk gebruik waar is toegestaan. In dit TAM-omgevingsplan zijn de gebruiksactiviteiten 'Agrarisch met waarden - Agrarische activiteiten - toegestaan' en 'Wonen woonactiviteiten - toegestaan' opgenomen. Navolgend worden de regels die is opgenomen voor deze gebruiksactiviteit nader toegelicht. Agrarisch met waarden - Agrarische activiteiten - toegestaan (Artikel 8) Voor de gronden met de aanduiding ‘Agrarisch met waarden - Agrarische activiteiten - toegestaan’ is in de regels vastgelegd dat agrarisch gebruik is toegestaan waarbij geen gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast. Door deze beperking expliciet in de bestemmingsregels op te nemen, wordt het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen binnen deze zone juridisch bindend uitgesloten. In de begripsbepalingen is vastgelegd wat onder een gewasbeschermingsmiddel wordt verstaan, zodat geen onduidelijkheid bestaat over de reikwijdte van dit verbod. Deze definitie sluit aan bij artikel 2, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 en omvat daarmee alle middelen die als gewasbeschermingsmiddel in de Europese regelgeving zijn aangewezen. Hiermee is helder welke middelen niet mogen worden gebruikt en voorkomt het begrip interpretatieverschillen.
De regeling is juridisch uitvoerbaar doordat het verbod rechtstreeks uit de planregels volgt en geen aanvullende vergunning- of toestemmingsprocedures vereist. Bovendien is de norm eenvoudig te controleren en handhaafbaar. Het agrarisch gebruik blijft functioneel mogelijk, maar wordt zodanig begrensd dat de nabijgelegen woonfunctie wordt beschermd tegen mogelijke risico’s vanuit middelengebruik. Hiermee is sprake van een zorgvuldig afgewogen en juridisch goed uitvoerbare regeling. Wonen - woonactiviteiten - toegestaan (Artikel 9) Alle reguliere woningen en bijbehorende bijgebouwen en tuinen zijn in het buitengebied van de gemeente Raalte voorzien van een reguliere woonbestemming. Zodoende dat ook voor de gronden waarop de woning en bijbehorende bouwwerken worden gerealiseerd de gebruiksactiviteit 'Wonen woonactiviteiten - toegestaan' krijgen, conform de nieuwe systematiek. De inhoud van dit artikel is grotendeels overgenomen uit het vigerende bestemmingsplan. Tevens dient het landschappelijke inpassingsplan binnen 12 maanden na het tijdstip van verlening van de omgevingsvergunning voor bouwen uitgevoerd en in stand te worden gehouden.
46
9.3.4
Ondergeschikte gebruiksactiviteiten
In Hoofdstuk 4 is opgenomen welke ondergeschikte gebruiksactiviteiten binnen het plangebied zijn toegestaan. Per toegestane ondergeschikte gebruiksactiviteit is aangegeven welk gebruik waar is toegestaan. In dit TAM-omgevingsplan zijn de ondergeschikte gebruiksactiviteiten 'Bed & breakfast aan huis - toegestaan', 'Kleinschalige beroepen en bedrijven aan huis - toegestaan', 'Nevenfuncties aan huis toegestaan', 'Nevenfunctie plattelandskamers - vergunningplicht' en 'Nevenfunctie niet-agrarische bedrijven - vergunningplicht' toegestaan. Gezien dit standaard ondergeschikte gebruiksactiviteiten zijn in het buitengebied van de gemeente Raalte zijn, worden deze hier niet nader toegelicht. 9.3.5
Bouwactiviteiten
In Hoofdstuk 5 is opgenomen welke bouwactiviteiten binnen het plangebied zijn toegestaan. Per bouwwerk (hoofdgebouw, bijbehorend bouwwerk, erf-of perceelafscheiding en andere bouwwerken) is aangegeven onder welke voorwaarden en op welke locaties deze bouwactiviteiten zijn toegestaan. Voor het hoofdgebouw (de woning) geldt dat deze maximaal 750 m3 mag bedragen. Daarnaast is voor maximaal 250 m2 aan bijgebouwen en overkappingen toegestaan. De overige maten van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn in de regels beschreven. Voor de overige bouwwerken gelden de standaard regels die gelden in het buitengebied van de gemeente Raalte. Deze worden dan ook niet nader toegelicht. 9.3.6
Aanlegactiviteiten
In Hoofdstuk 6 zijn de aanlegactiviteiten geregeld. Voor het gebiedstype 'Gebiedstype natuur' gelden aanlegactiviteiten (vergunningsplicht voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden). Gezien dit standaard aanlegactiviteiten zijn in het buitengebied van de gemeente Raalte zijn, worden deze hier niet nader toegelicht. 9.3.7
Algemene regels
In Hoofdstuk 7 zijn de algemene regels van dit plan geregeld. Binnen dit plan zijn hier de parkeerregels opgenomen conform de beleidsregels 'Parkeernormen Raalte 2015' en wijzigingen of de rechtsopvolgers daarvan. 9.3.8
Overgangsrecht
In Hoofdstuk 8 staan de overgangsregels. In Artikel 24 is het overgangsrecht beschreven voor zowel het gebruik als bouwwerken. Hierin wordt aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met het omgevingsplan.
47