CConstaterende datRaalte
Koppel je AI →
Document · PDF

Motivering

Raadsvergadering 18 september 2025, gemeente RaalteBij agendapunt: Vaststellen TAM-omgevingsplan 5 't Broeck Broekland fase 5 (hamerstuk)21.727 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie zijn (op grond van artikel 5.89i Bkl) opgenomen in het omgevingsplan. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen.

4.2.2

Onderzoek

Verkennend- en aanvullend bodemonderzoek In opdracht van de Gemeente Raalte is in februari en maart 2023, door Hunneman Milieu- Advies Raalte BV, een verkennenden aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd dat is bijgevoegd als Bijlage 2 Verkennend en aanvullend bodemonderzoek. Het doel van het onderzoek is het vastleggen van de actuele bodemkwaliteit op de verschillende deellocaties en het beoordelen van eventuele risico’s bij het aantonen van verhoogde gehalten aan arseen. In de bovengrond zijn sterk verhoogde gehalten aan arseen aangetoond. De maximaal aangetoonde gehalten aan arseen overschrijden de interventiewaarde. Van de overige onderzochte parameters zijn geen tot marginaal verhoogde gehalten aan chroom, lood en/of PCB’s aangetoond. In het grondwater zijn licht verhoogde gehalten aan zware metalen aangetoond. De aangetoonde gehalten vormen geen aanleiding tot nader onderzoek. De in de vaste bodem aangetoonde gehalten aan arseen betreffen naar verwachting van nature verhoogde achtergrondwaarden. Binnen de gemeente Raalte komen in de bodem vaker verhoogde gehalten aan arseen voor. De verhoogde natuurlijke gehalten zijn ontstaan door arseen houdend kwelwater, waarbij het arseen is ingebouwd of geadsorbeerd aan ijzerhydroxide. Bodems met natuurlijk arseen zijn te herkennen aan het voorkomen van roestvlekken aan gronddeeltjes en ijzeroer.

Gezien de sterk verhoogd aangetoonde gehalten aan arseen tijdens het verkennend bodemonderzoek, kan de bovengrond niet zonder meer worden ontgraven en afgevoerd. Ontgraven, verwerking en/of hergebruik van de vrijkomende arseen houdende grond dient plaats te vinden in overleg met de Omgevingsdienst IJsselland, waarbij de toepassingsmogelijkheden van de arseen houdende grond, binnen het gebiedsspecifieke beleid, kunnen worden afgestemd. De aanwezigheid van arseen in de bovengrond kan gezondheidsrisico’s opleveren. Wanneer mensen zelf groenten telen, kunnen zij tijdens het tuinieren ongemerkt bodemdeeltjes inslikken en hierdoor arseen binnen krijgen. Verificatie-onderzoek arseen Later is door Econsultancy in juni 2023 een verificatie-onderzoek uitgevoerd dat is bijgevoegd als Bijlage 3 Verificatie-onderzoek arseen. Dit bodemonderzoek heeft tot doel nader zicht te krijgen op eventuele variaties, wat betreft voorkomen van arseen in de bodem en nader beoordelen van de bodemopbouw. Dit met het oog op de resultaten van het voorgaande verkennend bodemonderzoek en de partijkeuring (Hunneman). De resultaten worden, gezien het doel van het onderzoek, niet in detail beschreven maar uit het onderzoek van Hunneman is gebleken, ook zijnde de aanleiding van het huidige onderzoek, dat er sprake was relatief grote verschillen in arseengehalten tussen het verkennend onderzoek en de partijkeuring.

Gezien de resultaten van de partijkeuring op RE-02 (zijnde de huidige onderzoekslocatie) is de partij grond op basis van het arseengehalte als niet toepasbaar aangemerkt. Op basis van de resultaten kan geen eenduidig verband worden gelegd tussen de aanwezigheid van ijzer/oer en het gehalte aan arseen. Wel is duidelijk dat de gehalten in zuidelijke richting snel aflopen, ongeacht de aanwezigheid van ijzer/oer. Enkel de sterk oerhoudende grond op het noordelijk deel van de onderzochte locatie is als Niet Toepasbaar aan te merken. De overige vakken zijn nagenoeg alle AW of Wonen. Onderzoek moestuin In opdracht van de Gemeente Raalte is in november 2023, door Hunneman Milieu-Advies Raalte BV, een aanvullend

24

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan 5 't Broeck, Broekland fase 5

bodemonderzoek uitgevoerd op de locatie. Dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 4 Aanvullend bodemonderzoek moestuin Het bodemonderzoek is uitgevoerd naar aanleiding van de voorgenomen verplaatsing van de volkstuin. Het doel van het onderzoek is het vastleggen van de actuele bodemkwaliteit en het beoordelen van eventuele risico’s bij het aantonen van verhoogde gehalten aan arseen. Op basis van de onderzoeksresultaten kan worden gesteld dat binnen de onderzoekslocatie de aangetoonde gehalten beneden de arseenconcentraties voor een kleine moestuin blijven. Wanneer wordt uitgegaan van de functie moestuin kan, op basis van de aangetoonde gehalten aan arseen in boring 101, de blootstelling hoger zijn dan de achtergrondblootstelling en is mogelijk aanvullend (gewassen) onderzoek aan te bevelen. In het plan wordt niet uitgegaan van een specifieke functie moestuin waardoor aanvullend onderzoek niet nodig is. Heteindoordeel is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de functie wonen.

4.2.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat met de wijziging van het omgevingsplan middels voorliggend TAM-omgevingsplan, met betrekking tot bodem, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.3

Water

4.3.1

Beleidskader

4.3.1.1

Europees- en rijksbeleid

Uit de Omgevingswet en paragraaf 5.1.3 van het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (Bkl) volgt, dat de gemeenteraad bij de vaststelling van (een wijziging van) het omgevingsplan rekening dient te houden met waterbelangen. Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over delen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat belast is met het beheer van die watersystemen betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Onder de Omgevingswet is de oorspronkelijke watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven. Gemeenten kunnen zelf besluiten om omgevingswaarden vast te stellen. Indien hiervan sprake is, dient in een ruimtelijke procedure ook aan deze omgevingswaarde getoetst te worden. Ten slotte zijn de regels van art.

5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit de bruidsschat van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool. In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de bruidsschat zijn opgenomen voldoende.

4.3.1.2

Provinciaal beleid

In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlaktewater en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied.

4.3.1.3

Waterschap Drents Overijsselse Delta

Het plan is gelegen binnen het beheersgebied van het waterschap Drents Overijsselse Delta. Het beleid van het waterschap Drents Overijsselse Delta staat beschreven in de Waterschapsverordening Drents Overijsselse Delta. Een plan kan mogelijk gevolgen hebben met de waterhuishouding in en rond het plangebied. De regelgeving hiervoor is vastgelegd in de Waterschapsverordening, het Waterbeheerprogramma van het waterschap en eventueel de waterkwaliteitsdoelstellingen van de Kaderrichtlijn water (KRW). Ook gemeentelijk beleid met betrekking tot waterhuishouding en klimaatadaptatie is van belang Het regels voor het beschermen van de waterbelangen zijn opgenomen in paragaaf 5.1.3 van het Bkl. Artikel 5.37 Bkl stelt dat er rekening dient te worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van het watersysteem en dat, voor een duiding van die gevolgen, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van het watersysteem (het waterschap) worden betrokken. Daarnaast kan het omgevingsplan ook specifieke regels over

25

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan 5 't Broeck, Broekland fase 5

onderdelen van het watersysteem bevatten. Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Naast de waterschapsverordening zijn er doelen vervat in het waterbeheerprogramma 2022-2027. Het bevat de uitwerking van de ambities in de watervisie ‘Meer dan water’. Het waterbeheerprogramma bestaat uit drie delen: 1. Waterbeheerprogramma WDODelta 2022-2027; 2. Gebiedsuitwerkingen WBP 2022-2027; 3. KRW factsheets en een achtergronddocument. In het waterbeheerprogramma zijn doelen en maatregelen opgenomen over duurzaamheid, energie, innovatie, uitwisseling van kennis en de wijze waarop het waterschap haar taken uitvoert.

4.3.1.4

Gemeentelijk beleid

De gemeente Raalte heeft een ‘Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP)’ waarin de beleidskaders en activiteiten voor de inzameling, het transport en de verwerking van (stedelijk) afval-, hemel- en grondwater is verankerd. Het GRP gaat uit van de volgende principes wat betreft verwerken hemelwater: vasthouden, bergen, afvoeren Dit principe houdt in dat de eerste prioriteit ligt bij het water op locatie in de bodem te laten infiltreren. Als dit niet mogelijk is, dan dient het hemelwater lokaal te worden geborgen. Pas als dit niet mogelijk is, wordt gekeken naar oplossingen om het water (zo langzaam mogelijk) af te voeren. Het GRP gaat uit van de volgende principes wat betreft verwerken afvalwater: schoonhouden, scheiden, schoonmaken. De waterkwaliteit dient in de eerste instantie behouden te blijven. Daarnaast dienen de vuile en schone waterstromen gescheiden te blijven. Daarna kan het vuile water worden gezuiverd. Door het water goed te scheiden, kan de omvang van het te zuiveren water worden beperkt. Bij nieuwbouwplannen is het uitgangspunt dat hemelwater (zoveel mogelijk) infiltreert op het eigen terrein. Hitte, droogte, watertekort en wateroverlast zijn aspecten die van wezenlijke invloed zijn bij het ontwerpen en bij de realisatie van plannen voor zowel inbreidings-als uitbreidingslocaties.

Bestaande en nieuwe blauwe en groene elementen ondersteunen de klimaatadaptatie in het binnenstedelijk gebied en op bedrijven-en industrieterreinen. Afkoppelen van verhard oppervlak is niet een doel op zich. Doelmatigheid, haalbaarheid en betaalbaarheid van afkoppelmaatregelen worden meegewogen in ruimtelijke plannen. De samenhang met het beleid over klimaatadaptatie en overstromingsrisico wordt integraal beoordeeld.

4.3.2

Onderzoek

4.3.2.1

Digitale watertoets

Op grond van artikel 56 in combinatie met artikel 78 van de Waterschapswet stelt het waterschap verordeningen vast die het nodig oordeelt voor de behartiging van de opgedragen taken. De taken die aan waterschap worden opgedragen betreffen, volgens artikel 1 van de Waterschapswet, de zorg voor het watersysteem en zorg voor het zuiveren van afvalwater. Eventueel kunnen nog de zorg voor andere waterstaatsaangelegenheden worden opgedragen, bijvoorbeeld vaarwegbeheer. Naast de Waterschapswet, die de organisatie van de waterschappen regelt, geven de Omgevingswet en de daarop gebaseerde regelgeving allerlei bepalingen over de inhoud van het waterbeheer, bijvoorbeeld in de vorm van doelstellingen en concrete normen. In artikel 2.5 van de Omgevingswet is bepaald: “Het algemeen bestuur van het waterschap stelt één waterschapsverordening vast waarin regels over de fysieke leefomgeving worden opgenomen.” De waterschapsverordening Drents Overijsselse Delta stelt regels voor activiteiten in de fysieke leefomgeving. Het doel van het wateradvies is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).

In het kader van voorliggend plan is het wateradvies aangevraagd, het bijbehorende resultaat is bijgevoegd bij voorliggend toelichting als Bijlage 5 Het Wateradvies. Op basis van het wateradvies is de 'normale procedure' van toepassing, deze is aangevraagd bij het waterschap. Het waterschap heeft een uitgangspuntennotitie opgesteld die is bijgevoegd als Bijlage 6 Uitgangspunten waterbelang. In de volgende paragraaf volgt een uitwerking hiervan.

4.3.3

Waterparagraaf

Waterhuishoudkundige aspecten voor plan 't Broeck Fase 5, Broekland Fase 5 is de afronding van het uitbreidingsgebied 't Broeck te Broekland, voor dit uitbreidingsgebied is in 2009 een waterhuishoudkundig plan gemaakt en vastgesteld. Dit plan is bijgevoegd als Bijlage 7 Waterstructuurplan Broekland-Noord.

26

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan 5 't Broeck, Broekland fase 5

Figuur 4.1 Ligging plangebied Hoogteligging De huidige hoogte varieert van 2.80m+ NAP tot 3.25m+ NAP. Het terrein zal (deels) opgehoogd worden. Bij voorkeur wordt gewerkt met een gesloten grondbalans.

Figuur 4.2 Hoogteligging Wateropvang Het uitbreidingsgebied bevat een waterberging aan de westzijde, drie wadi's en een sloot langs de Horstweg voor opvang van hemelwater.

27

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan 5 't Broeck, Broekland fase 5

Figuur 4.3 Waterbergingsvoorzieningen Watergangen Aan de noordzijde van uitbreidingsgebied ligt watergang SW.55.76 (beheerd door waterschap Drents Overijsselse Delta). Het uitbreidingsgebied valt in peilgebied 602, winterpeil +1.60 nap, zomerpeil = +1.90 nap.

Figuur 4.4 Bestaande watergang Vuilwater Het uitbreidingsgebied heeft een gescheiden rioolstelsel. Het huishoudelijk afvalwater wordt ingezameld via vuilwaterriolen. Rioolgemaal Broekland verpompt het afvalwater naar Rioolwaterzuiveringen Olst en Raalte. Uitgangspunten voor afvoer van vuilwater zijn: 1. Circa 40 woningen in fase 5. 2. Gemiddeld 2,1 inwoners per woning (landelijke norm 2024) = 84 inwoners totaal. 3. Vuilwaterafvoer per inwoner: 120 liter per dag.

28

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan 5 't Broeck, Broekland fase 5

4. 5.

Piekafvoer: 12 liter per uur per inwoner. Totaal afvoer: 10,1 m3 per dag / piekafvoer 1,01 m3 per uur

Hemelwater Het beleid is gericht op het vasthouden, zichtbaar inzamelen en afvoeren van hemelwater. In het uitbreidingsgebied 't Broeck is gekozen voor centrale opvang en infiltratie hemelwater. Hiervoor zijn al één bergingsvijver en 1 wadi aangelegd. Er worden nog 2 extra wadi's aangelegd. De 3 wadi's worden onderling met elkaar verbonden, en verbonden met de sloot langs de Horstweg. Deze sloot zal tevens water opvangen. Er worden geen eisen gesteld aan infiltreren op eigen perceel, dit i.v.m. minder doorlatende grondslag en hoge grondwaterstanden. Hemelwater wordt centraal gebourgen in wadi's en daar geïnfiltreerd. Het uitbreidingsgebied wordt getoetst aan klimaatbuien, er mag geen wateroverlast optreden. Overtollig hemelwater kan afstromen door middel van een knijpconstructie naar de bergingsvijver en watergang SW.55.76 volgens de afvoernorm 1,6l/s/ha. De berekening van de waterbergingseis is hieronder weergegeven.

Figuur 4.5 Bergingseis Grondwater en drooglegging Grondwater in uitbreidingsgebied 't Broeck wordt online gemonitord door peilbuizen PB1.032 en H1.01 aan de Horstweg. De RHG (Representatief Hoogste Grondwaterstand) is bepaald op 2.35m+ nap. Voor stedelijk gebied wordt een minimale ontwateringsdiepte van 70cm gehanteerd. Geadviseerd wordt om in fase 5 een minimale maaiveldhoogte van 3.10m+ nap te hanteren, en vloerpeilen hoger dan 3.40m+ nap. toe te passen. Na het bespreken van het al eerder uitgevoerde waterstructuurplan in combinatie met de bijgevoegde aangepaste waterbergingsberekening (bovenstaande figuur) gaat het waterschap akkoord met de bergingsberekening voor het plan 't Broeck fase 5, heeft het waterschap aangegeven.

29

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan 5 't Broeck, Broekland fase 5

4.3.4

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat met de wijziging van het omgevingsplan middels voorliggend TAM-omgevingsplan, met betrekking tot water, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.4

Archeologie

4.4.1

Algemeen

Naast veiligheid en gezondheid is 'een goede omgevingskwaliteit' opgenomen in de centrale doelstelling (artikel 1.3 Ow). Dit duidt op het belang van aspecten als cultureel erfgoed, architectonische kwaliteit van bouwwerken, stedenbouwkundige kwaliteit en kwaliteit van natuur en landschap. De essentie van het Europees beleid, conform het verdrag van Malta 1992, is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden zodat daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is, vooruitlopend op de Omgevingswet, opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart.

Middels deze kaarten kan worden afgeleid wat de archeologische en/of cultuurhistorische verwachting en het bijbehorende beleidsadvies is voor een specifieke locatie. Dit beleidsadvies schrijft per verwachting zowel drempelwaarden voor waarboven onderzoek benodigd wordt geacht, als welke onderzoeken dit betreft. De archeologische waarden en verwachtingen, alsook de cultuurhistorische waarden, zijn veelal doorvertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen, welke zijn opgenomen in het omgevingsplan. De dubbelbestemming is vaak gebaseerd op de gemeentelijke beleidskaart in combinatie met aanvullende informatie uit onderzoeken. Normaliter is de geldende dubbelbestemming bepalend ten opzichte van de beleidskaart.

4.4.2

Onderzoek

Het plangebied kent de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde laag'. Op de voor 'Waarde Archeologische verwachtingswaarde laag' aangewezen gronden mag niet worden gebouwd, tenzij het bouwprojecten betreft met een grondbeslag van niet meer dan 5 ha en niet dieper dan 0,5 m onder maaiveld, of activiteiten betreft waarvoor geen omgevingsvergunning vereist is, of bouwprojecten waarvoor een reguliere omgevingsvergunning is verleend en waarbij een rapport is overlegd waarin de archeologische waarde van het terrein in voldoende mate is vastgesteld. Het plan is niet groter dan 5 ha waardoor het plangebied niet archeologisch onderzocht hoeft te worden.

4.4.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat met de wijziging van het omgevingsplan middels voorliggend TAM-omgevingsplan, met betrekking tot archeologie, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.5

Cultuurhistorie

4.5.1

Algemeen

Naast veiligheid en gezondheid is 'een goede omgevingskwaliteit' opgenomen in de centrale doelstelling (artikel 1.3 Ow). Dit duidt op het belang van aspecten als cultureel erfgoed, architectonische kwaliteit van bouwwerken, stedenbouwkundige kwaliteit en kwaliteit van natuur en landschap. De gemeente moet voor cultureel erfgoed dat voor bescherming in aanmerking komt een toereikend beschermingsregime

30

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan 5 't Broeck, Broekland fase 5

opnemen in het omgevingsplan. In het Bkl staan hiervoor instructieregels. Deze gaan over: ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten verplaatsing van beschermde monumenten gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand aantasting van de omgeving van een beschermd monument aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen conserveren en in stand houden van archeologische monumenten

4.5.2

Onderzoek

Het plangebied kent geen monumentale status. De locatie is gesitueerd in de kern van het dorp Broekland. Dit gebied kent geen specifieke cultuurhistorische status. Wel zijn in de omgeving van het plangebied gemeentelijke monumenten gesitueerd, dit betreffen de pastorie en de Rooms-Katholieke kerk aan de Van Dongenstraat 8 en 10. De minimale afstand van de nieuwbouw tot de monumenten is 163 meter. In de toekomstige situatie is daarmee geen sprake van afbreuk aan de cultuurhistorische waarde. Met deze afstand treedt in de realisatiefase geen schade op aan de monumentale objecten. Verder is de IJssellinie aangemerkt als cultuurhistorisch waardevol. Echter, ligt het plangebied op een dusdanige afstand hiervan dat er geen afbreuk plaatsvindt van de cultuurhistorische waarden van de IJssellinie.

4.5.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat met de wijziging van het omgevingsplan middels voorliggend TAM-omgevingsplan, met betrekking tot cultuurhistorie, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.6

Ecologie

4.6.1

Algemeen

De wetgever heeft besloten dat een deel van de natuurbeschermingsregels, die eerder grotendeels te vinden waren in de Wet natuurbescherming, over te laten gaan in het stelsel van de Omgevingswet. Het grootste gedeelte van de inhoudelijke regels voor de bescherming van de natuur hebben via het Aanvullingsbesluit natuur een plek gekregen in de algemene maatregelen van bestuur (AMvB's) behorende bij de Omgevingswet. Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, nationaal landschap en provinciaal beschermde gebieden, regels voor soortenbescherming van te beschermen plant- en diersoorten en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Gebiedsbescherming Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen en projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Bescherming van Natura 2000-gebieden, nationaal landschap en provinciaal beschermde gebieden kennen een interne alsook een externe werking.

Zowel ingrepen die binnen, als ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en negatieve effecten kunnen veroorzaken op de instandhoudingsdoelstellingen moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Conform Ow bijlage A is een Natura 2000-activiteit een: Activiteit, inhoudende het realiseren van een project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Stikstofdepositie Stikstofdepositie is geregeld in de Ow en Amvb's. De regels van artikel 5.5a van de Wet natuurbescherming (Wnb) blijven gelden tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum. Hier vindt, vooralsnog, dus geen verandering plaats ten opzichte van oorspronkelijke wet- en regelgeving. In de Omgevingswet zal uiteindelijk een omgevingswaarde ten aanzien van stikstof worden ingevoerd. Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn alle inheemse flora en fauna beschermt. De bescherming richt zich zowel op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als op bepaalde soorten van nationaal belang. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren.

Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub g van de Omgevingswet zijn in beginsel de provincies

31

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan 5 't Broeck, Broekland fase 5

hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover beleid voeren. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma van soortenbescherming. Soortenbescherming in de Omgevingswet is vooral gericht op het reguleren van flora- en fauna-activiteiten, dit zijn activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor dieren en planten in het wild. Er kan dan een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit benodigd zijn. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving worden onderzocht: of er soorten aanwezig zijn; welke soorten dat zijn; of deze negatief worden aangetast door de geplande werkzaamheden. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.

4.6.2

Onderzoek

Econsultancy heeft in opdracht van Gemeente Raalte een quickscan natuurwaarden uitgevoerd in het plangebied. De quickscan is toegevoegd als bijlage Bijlage 8 Quickscan natuurwaarden. De quickscan natuurwaarden is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen plannen voor het realiseren van nieuwbouwwoningen. Het onderzoek heeft tot doel om in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten, gebieden of houtopstanden aanwezig zijn die volgens de natuurbescherming onder de Omgevingswet een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in onderstaande tabel. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Omgevingswet voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel 4.1 Soortgroepen

32

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan 5 't Broeck, Broekland fase 5

Soortenbescherming Ten aanzien van de steenuil dient een nader onderzoek uitgevoerd te worden naar aanwezigheid van deze soort binnen het plangebied. Sweco heeft een aanvullend ecologisch onderzoek uitgevoerd naar de steenuil. Dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 9 Nader soortenonderzoek steenuil. Voor de steenuil moeten maatregelen getroffen worden om de beschermde functie van de onderzoekslocatie voor deze soort te behouden. De maatregelen dienen uitgewerkt te worden in een ecologisch activiteitenplan en ter goedkeuring voorgelegd te worden aan het bevoegd gezag via het aanvragen van een omgevingsvergunning. Voor algemene broedvogels is het nodig dat beplanting zoals de bomen en takkenhopen buiten het broedseizoen verwijderd dienen te worden. Als dit niet buiten deze periode kan dient er vooraf aan deze werkzaamheden een broedvogel inspectie door een kundig ecoloog gedaan te worden. Ten aanzien van de egel dient er, indien de hagen die de boomgaard omheinen verwijderd worden, een mitigatieplan voor deze soort opgesteld te worden en een omgevingsvergunning te worden aangevraagd. Ten aanzien van algemene zoogdieren en amfibieën dient er rekening gehouden te worden met de zorgplicht voor deze soorten.

Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Omgevingswet wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht. Gebiedsbescherming Met de bouw van de voorgenomen nieuwbouwwijk is het benodigd dat er een AERIUS-berekening wordt gedaan om te weten wat de gevolgen zijn van stikstofdepositie op omliggende natuurgebieden. Stikstof Ten behoeve van de realisatie van de woningen is een stikstofberekening uitgevoerd. De stikstofberekening is toegevoegd als Bijlage 10 Stikstofdepositieberekening.. De bijbehorende rekenbestanden zijn toegevoegd als Bijlage 11, Bijlage 12 en Bijlage 13. Zowel tijdens de aanlegwerkzaamheden als de verkeersbewegingen in de gebruiksfase van de woningen is er geen stikstofdepositie tot gevolg. Er is geen significant negatief effect op nabijgelegen Natura 2000-gebieden.

4.6.3

Conclusie

Ten behoeve van de borging van de soortenbescherming is een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Geconcludeerd wordt dat met de wijziging van het omgevingsplan middels voorliggend TAM-omgevingsplan, met betrekking tot ecologie en stikstof, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.7

Geluid

4.7.1

Algemeen

Op grond van de Omgevingswet is het noodzakelijk om bij een ruimtelijke procedure te onderzoeken welke geluidbelasting een plan ondervindt door activiteiten in de omgeving. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van (spoor)wegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron.

33

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan 5 't Broeck, Broekland fase 5

Geluidaandachtsgebied Een geluidaandachtsgebied is een gebied langs een weg, spoorweg of rond een industrieterrein met GPP waarbinnen de standaardwaarde mogelijk wordt overschreden. Binnen een geluidaandachtsgebied moet de waarde van het geluid op een geluidgevoelig gebouw wordt getoetst aan de geluidnormen. De reikwijdte van een geluidaandachtsgebied is afhankelijk van de geluidemissie van de bron. De geluidaandachtsgebieden zijn vastgelegd in het omgevingsplan. Voor zover dat nog niet is gebeurd geldt een overgangssituatie. Het geluidaandachtsgebied van een gemeenteweg, lokale spoorweg en waterschapsweg is tot een nader te bepalen tijdstip begrenst door vaste afstanden (art. 17.5 omgevingsregeling) als opgenomen in onderstaande tabel.

Tabel 4.2 Breedte geluidsaandachtgebied Breedte van het geluidaandachtsgebied vanaf de rand van de weg of de buitenste spoorstaaf (art 17.5 overgangsrecht geluidaandachtsgebied) Geluidaandachtsgebied Breedte weg bestaande uit 1 of 2 rijstroken, snelheid 30 km/u of 100 meter minder weg bestaande uit 1 of 2 rijstroken, snelheid meer dan 30 km/u weg 200 meter bestaande uit 3 of meer rijstroken 350 meter lokale spoorweg bestaande uit 1 of 2 sporen 200 meter lokale spoorweg bestaande uit 3 of meer sporen 350 meter Bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw binnen de geluidzone van een provinciale weg waarvoor nog geen geluidproductieplafond (gpp) is vastgesteld, geldt de Wet geluidhinder (artikel 3.5, Aanvullingswet geluid). Toetswaarden geluidbelasting Per geluidbronsoort moet de geluidbelasting worden bepaald en worden getoetst aan de standaardwaarden (SW) en grenswaarden (GW) van het Bkl (standaardwaarden van het Bkl (art. 5.78t respectievelijk 5.78u). Hierbij gelden de opgenomen standaardwaarden. Tabel 4.3: Standaardwaarden geluidbelasting Geluidbronsoort Provinciale wegen Rijkswegen Gemeentewegen en Waterschapswegen Spoorwegen

Standaardwaarde 50 Lden 53 Lden 55 Lden

Indien de geluidbelasting op een plan voor een bepaalde geluidbronsoort hoger is dan de standaardwaarde moet een afweging worden gemaakt waarbij maatregelen en beleid wordt betrokken. Na dit aanvullend onderzoek is het mogelijk dat een bevoegd gezag afwijkt van de standaardwaarden en bij de besluitvorming een hogere omgevingswaarde vaststelt. Indien er voor meerdere bronsoorten de standaardwaarde wordt overschreden zal ook de cumulatieve geluidbelasting moeten worden bepaald en worden afgewogen. Hierbij gelden de in Tabel 3 opgenomen grenswaarden. Tabel 3: Grenswaarden geluidbelasting Geluidbronsoort Grenswaarde Provinciale wegen Rijkswegen 60 Lden Gemeentewegen en Waterschapswegen 70 Lden Spoorwegen 65 Lden Een omgevingswaarde normeert de (totale) omgevingskwaliteit op een willekeurige plaats in het land of in een bepaald gebied. Indien een hogere omgevingswaarde voor geluid wordt toegestaan, moet door middel van een gevelisolatieberekening worden aangetoond dat de geluidsbelasting binnen de woning de maximaal toelaatbare waarde van 33 dB niet overschrijdt. Bij een nieuwe woning maakt de gevelisolatieberekening onderdeel uit van de bouwaanvraag. Onder de Ow is het gezamenlijk geluid van de verschillende geluidbronnen tezamen op de gevel het uitgangspunt. Om het gezamenlijk geluid te bepalen van wegverkeerslawaai worden de wegen met Gpp's en zonder Gpp's bij elkaar opgeteld.

4.7.2

Onderzoek

Omdat er nieuwe woningen worden gerealiseerd is het noodzakelijk te onderzoek of er wordt voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Buro Tideman heeft een akoestisch onderzoek naar wegverkeer uitgevoerd welke is bijgevoegd als Bijlage 14 Akoestisch onderzoek wegverkeer. De geluidbelasting op het plan bedraagt maximaal 54 dB op de eerste en tweede verdieping van de meest noordoostelijke woning. De locatie en de geluidbelasting is op alle woningen weergegeven op een hoogte van 2/3 van de verdiepingshoogte van elke verdieping. De geluidbelasting op het plan is hoger dan de standaard-waarden van het Bkl (art. 3.20). Bij een geluidbelasting op de gevel tussen de standaardwaarde en de grenswaarde vindt een bestuurlijke afweging plaats. Het bevoegd

34

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan 5 't Broeck, Broekland fase 5

gezag kan geluid tot en met de grenswaarde toestaan als ze: 1. Geen maatregelen kan treffen om aan standaardwaarde te voldoen; 2. Overschrijding van de standaardwaarde zoveel mogelijk beperkt; 3. Afweegt of maatregelen financieel doelmatig zijn en er geen bezwaren zijn van stedenbouw, verkeerskunde, vervoerskunde, landschap, techniek 4. Afweegt of het gecumuleerd geluid aanvaardbaar is; 5. Afweegt of het gezamenlijk geluid aanvaardbaar is. Ad 1: Maatregelen in de vorm van afscherming in het tussengebied is niet mogelijk. Het plaatsen van een scherm op korte afstand van de weg is stedenbouwkundig niet wenselijk en heeft geen effect op de hogere verdiepingen; Ad 2: De overschrijding van de standaardwaarde bedraagt 1 dB. Ad 3: Het vervangen van een wegdek is een taak van de wegbeheerder. Gezien de kosten van stil asfalt en mogelijke civieltechnische problemen is deze oplossing voor het terugdringen van de geluidbelasting op de locatie niet haalbaar. Ad 4 en 5: Het gezamenlijk geluid is hier gelijk aan het cumulatief geluidniveau. Deze geluidbelasting is aanvaardbaar indien de standaard geluidwering van de gevel wordt verhoogd met 1 dB tot Ga;k= 21 dB. Er zijn twee mogelijkheden om dit plan toe te laten. 1. Om het gebouw toe te laten legt het bevoegd gezag de omgevingswaarde vast van 54 dB van het gezamenlijk geluid vast in het Omgevingsplan. 2.

In de oostgevel van alleen deze woning wordt op de eerste en tweede verdieping geen te openen delen gerealiseerd. Door de trapopgang aan deze zijde van de woning te plannen geeft dit geen beperking in het plan en kan op alle te openen delen worden voldaan aan de standaardwaarde van 53 dB. Het aspect geluid is geen beletsel voor het wijzigen van het omgevingsplan. De gemeente heeft aangegeven om het gebouw toe te laten door de omgevingswaarde van 54 dB vast te leggen van het gezamenlijk geluid in het Omgevingsplan.

4.7.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat met de wijziging van het omgevingsplan middels voorliggend TAM-omgevingsplan, met betrekking tot geluid, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.8

Trillingen

4.8.1

Algemeen

Onder de Omgevingswet zijn de regels met betrekking tot trillingen door bedrijven (activiteiten) gedecentraliseerd. Dat betekent dat gemeenten zelf regels mogen stellen over trillingen als gevolg van activiteiten. Hiervoor gelden de instructieregels over trillingen door activiteiten op trillinggevoelige gebouwen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het onderdeel Trillingen is ook geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat.

4.8.2

Onderzoek

Tot op heden zijn door de gemeente in het omgevingsplan (nog) geen specifieke regels opgenomen in het kader van trillingen, hier kan dus niet aan worden getoetst. Het planvoornemen voorziet in de realisatie van trillinggevoelige ruimten. Er zijn geen spoorwegenof trillingveroorzakende activiteiten in de nabije omgeving. Tevens worden geen trillingveroorzakende activiteiten mogelijk gemaakt.

35

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan 5 't Broeck, Broekland fase 5

4.8.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat met de wijziging van het omgevingsplan middels voorliggend TAM-omgevingsplan, met betrekking tot trillingen, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.9

Luchtkwaliteit

4.9.1

Algemeen

Als een gemeente activiteiten toelaat die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) dan moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering komt het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook te vervallen. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats.

Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze 'standaardgevallen NIBM' vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool.

Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51 lid 2 Bkl. Gemeenten die onder agglomeraties vallen staan in artikel 2.38 Omgevingsregeling. In enkele situaties moet de luchtkwaliteit altijd worden beoordeeld: bij een omgevingsvergunning voor een 'milieubelastende activiteit' bij de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter, of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter toeneemt; bij de aanleg van een autoweg of een autosnelweg.

4.9.2

Onderzoek

In het werkgebied van het plan liggen geen luchtkwaliteitsaandachtsgebieden. De drempelwaarde voor NIBM-projecten in de categorie woningbouw ligt bij circa 2.000 woningen. Onderhavig initiatief voorziet in de realisatie van 40 woningen, geconstateerd wordt dat het project daarmee NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Op basis van onderstaande figuren is ter plaatse van het plangebied sprake van een NO2 concentratie van 8 - 10 µg /m3 en een PM10 concentratie van 15 - 16 µg PM10/m3.

36

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan 5 't Broeck, Broekland fase 5

Figuur 4.6 Uitsnede luchtkwaliteitskaart stikstofdioxide (NO2)

Figuur 4.7 Uitsnede luchtkwaliteitskaart fijnstof (PM10)

4.9.3

Conclusie

Het plan draagt niet bij aan in niet in betekende mate (NIBM) en voldoet daarom. Geconcludeerd wordt dat met de wijziging van het omgevingsplan middels voorliggend TAM-omgevingsplan, met betrekking tot luchtkwaliteit, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.10

Geur

4.10.1

Algemeen

Er zijn diverse sectoren waarbij geurhinder een rol kan spelen, zoals onder meer bij veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen en (andere) milieubelastende activiteiten. De gemeente moet bij de vaststelling van (een wijziging van) het omgevingsplan rekening houden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Rekening houden met geur werkt twee kanten op: bij het mogelijk maken van activiteiten met gebruiksruimte in de buurt van geurgevoelige gebouwen; bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande activiteiten met gebruiksruimte (geurveroorzakende bedrijven);

37

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan 5 't Broeck, Broekland fase 5

Aanvaardbare geurhinder De geur van een activiteit (met gebruiksruimte) op een geurgevoelig gebouw moet aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl). Dit betekent dat de gemeente moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels in het omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. Gemeenten bepalen zelf welke mate van geurhinder zij aanvaardbaar vinden. De gemeente legt in het omgevingsplan vast wat de plaats is waar waarden voor geur gelden. Ook kennen sommige activiteiten afstandsregels. Dit zijn minimumafstanden tussen een geurgevoelig gebouw en een geurveroorzakende activiteit. Geurhinder door activiteiten Activiteiten die op enige wijze geurhinder veroorzaken moeten voldoen aan de regels die in het (tijdelijk) omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit die voorheen onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, gelden de regels uit de Bruidsschat. Op termijn worden de regels uit de bruidsschat geïntegreerd in het (permanente) omgevingsplan van de gemeente. Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal). De beoordelingsregels zijn opgenomen in afdeling 8.5 'Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit' van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).

Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur.

4.10.2

Onderzoek

Rondom de planlocatie zijn een aantal intensieve veehouderijbedrijven gelegen. In casu dient onderzocht te worden of woningbouw op het voornoemde perceel mogelijk is en of er alsdan sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Ook dient onderzocht te worden of de ontwikkeling belemmerend kan werken op omliggende bedrijven (omgekeerde werking). Er dienen kortgezegd twee vragen beantwoord te worden: Is ter plaatse een goed woon- en leefklimaat te garanderen? Wordt niemand onevenredig in zijn belangen geschaad? (belangen omliggende bedrijven) Door Craeft Advies is een geuronderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 15 Geuronderzoek. Voor de beoordeling wordt aangesloten bij de “Handreiking bij Wet geurhinder en veehouderij – Aanvulling: Bijlagen 6 en 7” d.d. 1 mei 2007. Hoewel deze handreiking gebaseerd is op de Wet geurhinder en veehouderij en deze met de inwerkingtreding van de Omgevingswet niet langer vigerend is, sluiten de percentrages nog wel aan de op standaard grenswaarden uit het Besluit kwaliteit leefomgeving en zijn daarmee toepasbaar. Hierin is een relatie tussen de voor- en achtergrondbelasting en de geurhinder weergegeven voor een concentratiegebied en een niet-concentratiegebied. Zoals aangegeven is de gemeente Raalte gelegen in een concentratiegebied conform de Meststoffenwet.

De milieukwaliteit in het plangebied valt op basis van de beoordeelde bedrijven in voorgrondbelasting in de categorie ‘zeer goed’. De omgevingsdienst verwacht dat de achtergrondbelasting maximaal 6,5 ouE / m3 ligt. Hoewel daar geen aanleiding voor bestaat, geldt in dat geval nog steeds een milieukwaliteit ‘goed’. Op basis van de analyse van de milieuvergunningen, de bijbehorende berekeningen op basis van afstandscriteria en V-Stacks-berekeningen is te concluderen dat er wordt voldaan aan de grenswaarden voor de geurbelasting uit het Besluit kwaliteit leefomgeving, welke ter plaatse (ligging binnen de bebouwingscontour en in een concentratiegebied) is gesteld op 3,0 ouE/m3. De omliggende bedrijven ondervinden geen verandering in de beoordelingssystematiek door de beoogde functie. Ook een beoordeling op de rand c.q. hoekpunt van het bouwvlak leidt niet tot een andere conclusie. De bedrijven worden dienovereenkomstig niet onevenredig geschaad in hun bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden.

4.10.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat met de wijziging van het omgevingsplan middels voorliggend TAM-omgevingsplan, met betrekking tot geur, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.11

Activiteiten en milieuzonering

De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) gaf al in 2017 aan dat de uitgave 'Bedrijven en milieuzonering 2009' (ook bekend als het 'paarse boekje' en in de jaren voor 2009 het 'groene boekje') niet meer geschikt was voor toepassing onder de Omgevingswet. De Omgevingswet bevat immers meer mogelijkheden om een lokale afweging op maat te maken, per locatie en per activiteit. Daarbij wordt getoetst aan milieuwaarden in het omgevingsplan. Hiervoor publiceerde de VNG in 2019 een regel-systematiek onder de naam 'Milieuzonering nieuwe stijl', voor toepassing onder de Crisis- en herstelwet. Deze nieuwe systematiek omvat geen koppeling meer van activiteiten aan milieucategorieën per SBI-code en de daarbij behorende richtafstanden. De regels voor milieuzonering onder de Omgevingswet zijn veranderd, er is geen sprake van een beleidsneutrale overgang. Het beleid ten aanzien van 'geur' en 'geluid' is onder het regime van de Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 en paragraaf

38

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan 5 't Broeck, Broekland fase 5

5.1.4.6 Besluit kwaliteit leefomgeving. Op grond van de 'staalkaart' kan er aan individuele bedrijven een milieucontour worden toegekend in het omgevingsplan en wordt er alsdan niet meer gewerkt met vaste richtafstanden. In de huidige transitiefase is dit nog niet uitwerkt in het omgevingsplan van de gemeente. De VNG heeft voor milieuzonering onder het regime van de Omgevingswet een brochure opgesteld, te weten het servicedocument 'Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet', welke bruikbaar is in de vertaling van het voorheen geldende bestemmingsplanregime. Daarbij hoort tevens een tabel met een nieuwe indeling van afstanden, deze is onderstaand opgenomen als onderstaande tabel. Tabel 4.4 Relatie tussen milieucategorie, richtafstanden en omgevingstype. Afstand in meters Geur 10 FM 30 1 50 2 100 3 200 3 300 IT

Geluid FM 1 2 3 4 IT

De letters 'FM' staan voor functiemenging. De letters 'IT' staan voor industrieterrein. Uit de tabel volgt dat niet simpelweg gesteld kan worden dat de huidige milieucategorieën cijfermatig hetzelfde blijven als de toekomstige afstandscategorieën. Ook onder het Omgevingswetregime kunnen afstanden naar beneden worden bijgesteld, mits onderzoek is gedaan naar de aspecten geur en geluid.

4.11.1

Onderzoek

Type omgeving Rondom het plangebied wordt voornamelijk gewoond. Op grotere afstand is sprake van een maatschappelijke bestemming, dit betreft een woonzorgcentrum. Geconstateerd wordt dat sprake is van een rustige woonwijk. Milieuhinder gevoelige functie of milieubelastende activiteit De functie 'Wonen' betreft geen milieubelastende activiteit. Daarom is geen sprake van enige vorm van aantasting van het woon- en leefklimaat van nabijgelegen milieuhindergevoelige functies. De te realiseren woningen betreffen 'milieuhindergevoelige functies'. In dat kader wordt ten behoeve van voorgenomen ontwikkeling getoetst of deze 'milieuhindergevoelige functie' een belemmering vormt voor de bedrijfsvoering van omliggende milieubelastende activiteiten en of ter plaatse van de beoogde woningen sprake is van een 'goed woon- en leefklimaat'. Omliggende functies met milieuzonering Circa 27 meter ten oosten van de woningen, gemeten vanaf de voorgevels van de woningen, is aan de Horstweg een manege gelegen. Op grond van de VNG-brochure kent deze functie een maximale richtafstand van 50 meter voor het aspect geur. Voor het aspect geluid geldt een richtafstand van 30 meter. Het omgevingsplan van rechtswege geeft aan dat er sprake is van een sportbestemming met een functie “manege”.

De begripsomschrijving van een manege is volgens het omgevingsplan: Een onderneming die gericht is op het lesgeven in paardrijden en daarvoor paarden en/of pony's houdt, in combinatie met één of meer van de volgende hiermee samenhangende activiteiten of voorzieningen: het in pension houden van paarden en/of pony's, horeca (kantine, foyer, slaapaccommodatie en dergelijke), verenigingsaccom-modatie en het houden van wedstrijden of andere evenementen. De locatie beschikt niet over een milieuvergunning of een milieumelding. Het feitelijk gebruik is beperkt. Als er al activiteiten zijn dan is het alleen rijden in de paardenbak. Grote activiteiten / evenementachtige activiteiten vinden plaats in het bos zelf of elders in Broekland. Er staat op ongeveer 50 meter afstand van het plangebied een klein gebouwtje met een overkapping. De rijbakken zijn voorzien van lichtmasten. Bepalend voor een manege zijn geur, geluid en stof. De geur zou dan in principe van de mestopslag moeten komen en dan zou een afstand van 50 meter aan moeten worden gehouden. Er is er geen mestopslag aanwezig. Volgens de nieuwe handreiking activiteiten en milieuzonering wordt aangegeven dat de gemeente dan een geurnorm kan opnemen in het omgevingsplan. Tot de grens van het woongebied zou dan een geurnorm gelden van 0,5 ouE/m3. In voorgaande paragraaf 4.10 is het aspect geur behandeld.

Ten behoeve van het plan is een geuronderzoek uitgevoerd. Op basis van de analyse van de milieuvergunningen, de bijbehorende berekeningen op basis van afstandscriteria en V-Stacks-berekeningen is te concluderen dat er wordt voldaan aan de grenswaarden voor de geurbelasting uit het Besluit kwaliteit leefomgeving, welke ter plaatse (ligging binnen de bebouwingscontour en in een concentratiegebied) is gesteld op 3,0 ouE/m3. Wat betreft geluid kan worden gesteld dat er op het terrein geen apparatuur aanwezig is of machines regelmatig worden gebruikt. Daarnaast gelden de geluidvoorschriften die zijn genoemd in de bruidsschat artikel 22.63.

39

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan 5 't Broeck, Broekland fase 5

Omdat de milieuactiviteiten van de manege niet zijn geregeld in een melding / milieutoestemming en op dit moment het er op lijkt dat aan de afstanden (30 / 50 meter) van de eventuele milieuhinderlijke activiteit zou het opnemen van de geurnorm in het omgevingsplan een optie kunnen zijn. Echter aangezien er geen mest opgeslagen wordt is het opnemen van een geurnorm niet noodzakelijk. Het moment dat de manege wil gaan uitbreiden in activiteiten dan wordt dat als een “nieuwe” milieubelastende activiteit gezien en geldt vervolgens voor de manege de geurnorm. Gelet op de ruimte die op de manegekavel ligt, kan een afstand van 50 meter gehaald worden (mestopslag). En eventuele stofhinder kan bestreden worden met een maatwerkvoorschrift (nathouden rijbak bij droog weer en harde wind). Circa 18 meter ten noordoosten van het plangebied is een aannemersbedrijf gelegen. Op grond van de VNG-brochure kent deze functie een maximale richtafstand van 50 meter voor het aspect geluid. Echter, de woningen zijn geprojecteerd op circa 60 meter afstand van de bedrijfsbestemming. Derhalve wordt alsnog voldaan aan de richtafstand van 50 meter voor geluid. Gezien het bovenstaande is ter plaatse van de beoogde ontwikkeling een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te verwachten. Omgekeerd worden omliggende bedrijven niet belemmerd in hun bedrijfsvoering en uitbreidingsmogelijkheden.

4.11.2

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat met de wijziging van het omgevingsplan middels voorliggend TAM-omgevingsplan, met betrekking tot activiteiten en milieuzonering, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.12

Omgevingsveiligheid

4.12.1

Algemeen

Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving. De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico (PR) en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor). Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal. Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal. Onder de Omgevingswet is het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico's een manier van omgaan met het groepsrisico (GR) (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid (REV) en zijn digitaal raadpleegbaar.

De data uit het REV wordt ontsloten via de Atlas leefomgeving. In het deelplan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Kwetsbare gebouwen zijn alle gebouwen met een woonfunctie (niet verspreid liggende bebouwing). Gebouwen en locaties zijn ook kwetsbaar als er veel personen een groot deel van de dag aanwezig zijn, bijvoorbeeld gebouwen met een kantoorfunctie. Daarnaast bestaan er ook zeer kwetsbare gebouwen. Een gebouw is 'zeer kwetsbaar' als het een gebouw is voor mensen die zichzelf niet op tijd in veiligheid kunnen brengen, zoals een kinderopvang, basisschool, school/verblijf voor personen met een lichamelijke of geestelijke beperking, een woonfunctie voor 24-uurszorg en gevangenissen. Onder de Omgevingswet werken gemeenten in het kader van externe veiligheid met aandachtsgebieden. Gemeenten moeten in hun omgevingsplan regels opnemen omtrent externe veiligheid. Dat geldt onder meer als zij in de buurt van een risicobron nieuwe (kwetsbare) gebouwen toestaan of als de gemeente nieuwe risicobronnen op haar grondgebied wil toestaan.

4.12.2

Onderzoek

Aan de hand van de Atlas voor de leefomgeving is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. In onderstaande figuur is een uitsnede van de kaart met betrekking tot het plangebied (blauwe druppel) en de omgeving weergegeven.

40

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan 5 't Broeck, Broekland fase 5

Figuur 4.8: Risicokaart Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied: niet is gelegen binnen een plaatsgebonden risicocontour; niet is gelegen binnen een aandachtsgebied; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van activiteiten met gevaarlijke stoffen.

4.12.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat met de wijziging van het omgevingsplan middels voorliggend TAM-omgevingsplan, met betrekking tot omgevingsveiligheid, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.13

Verkeer en parkeren

4.13.1

Algemeen

In de Omgevingswet is geen regelgeving opgenomen met betrekking tot mobiliteit en parkeren. De verkeersveiligheid is primair geborgd in de weg- en verkeerswetgeving, waaronder de Wegenverkeerswet. Daarnaast zijn richtlijnen opgenomen in het ASVV (Aanbevelingen voor Verkeersvoorzieningen Binnen de Bebouwde Kom). Wel is een veilige en gezonde fysieke leefomgeving één van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet (artikel 1.3 Ow). Om in het omgevingsplan tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 2.4 en 4.2 Ow) te komen is van belang dat verkeer- en parkeerhinder worden voorkomen vanwege de impact op de fysieke leefomgeving. De verwerking van verkeersstromen heeft daarbij invloed op verkeersveiligheid, zo is voor een veilige indeling van een weg een bepaald ruimtebeslag noodzakelijk. Daarnaast moet een ontwikkeling, afhankelijk van de parkeerbehoefte die ontstaat, voorzien in voldoende parkeerplaatsen om te voorkomen dat de parkeerdruk toeneemt en parkeeroverlast ontstaat.

4.13.2

Onderzoek

Parkeerbehoefte In onderstaande tabel wordt de parkeerbehoefte in de beoogde situatie weergegeven. Voor het plangebied wordt het volgende uitgangspunt gehanteerd, op basis van de nota 'Parkeernomen Raalte 2015': Stedelijke zone: dorpen en buitengebied Rest bebouwde kom. In onderstaande afbeelding is een berekening van de benodigde parkeerplaatsen weergegeven waarbij rekening is gehouden met de aanwezigheidspercentages.

41

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan 5 't Broeck, Broekland fase 5

Figuur 4.9 Berekening benodigde parkeerplaatsen Uit de berekening blijkt dat er in totaal 71 parkeerplaatsen benodigd zijn om te voldoen aan de parkeernorm. In totaal worden er 73 parkeerplaatsen gerealiseerd waarbij een deel in de openbare ruimte in parkeerkoffers wordt opgelost en een deel op eigen terrein van de woningen. Hierdoor ontstaat een overschot van 2 parkeerplaatsen. Dit is tevens te zien in Bijlage 1 Ontwerp. Geconcludeerd wordt dat het plan voorziet in de oplossing van de parkeerbehoefte binnen het plangebied. Verkeersgeneratie Het planvoornemen gaat gepaard met een verandering van het aantal verkeersbewegingen. Ten opzichte van de bestaande situatie worden er 40 woningen toegevoegd. Beoordeeld dient te worden of de verkeerswegenstructuur berekend is op de toename die met het planvoornemen ontstaat. In onderstaande tabel zijn de berekeningen op basis van de CROW-publicatie 'Parkeerkencijfers 2024' weergegeven, waarbij de huidige situatie is afgezet tegen de beoogde situatie. Hierbij zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: Verstedelijkingsgraad: weinig stedelijk (gemeente Raalte) Stedelijke zone: rest bebouwde kom

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Raalte&id=525dd5e0-be10-43dc-80b4-c44c5535e10b