Definitief Provinciaal Programma Energiestrategie
Tekst van het document
Provinciaal Programma Energiestrategie 2023
Colofon Uitgave van provincie Overijssel Januari 2023 Foto’s: provincie Overijssel Opmaak: Nu reclame
2
Inhoudsopgave Hoofdstuk 1
Context, doel van het programma en rollen provincie
4
1.1
Inleiding
4
1.2
Context
5
1.3
Doel van het programma is realisering van ambitie in de RES
5
1.4. De provincie heeft verschillende rollen bij de energietransitie
7
1.5 We gaan onze afgesproken ambitie voor 2030 in het
9
huidige tempo en inzet niet halen Hoofdstuk 2
Hoofdstuk 3
Voorkeurslocaties en zoekgebieden
10
2.1
Aanwijzen van zoekgebieden heeft prioriteit
10
2.2
Afwegingskader voor windinitiatieven
12
Uitvoering van de ambitie
17
3.1 Om de realisatie van grote clusters te versnellen
17
zijn er verschillende scenario’s 3.2 Hoofdstuk 4
Kaders voor participatie
19
Mijlpalen en planning
23
4.1 Mijlpalen in het traject om de afgesproken ambitie te halen
23
4.2
23
Planning in relatie met afspraken in de RES
3
Hoofdstuk 1. Context, doel van het programma en rollen provincie 1.1 Inleiding Het Provinciaal Programma Energiestrategie (PPE) is een instrument van Gedeputeerde Staten om de provinciale ambities uit de Regionale Energiestrategie (RES) te realiseren. Vanuit de constatering dat we de afgesproken ambitie van beide RES-regio’s voor 2030 in het huidige tempo en inzet niet halen zet het programma vooral in op windenergie. Het programma is een uitwerking van de kaders die door Provinciale Staten zijn/worden vastgesteld in de Omgevingsvisie en -verordening. Het beschrijft het provinciaal belang als bevoegd gezag voor windprojecten 5-100 MW (volgens artikel 9f Elektriciteitswet 1998. Mogelijk wordt de ondergrens verhoogd naar 15 MW bij inwerkingtreding van de Energiewet), de provinciale ambitie als partner van de RES, de verschillende rollen en instrumenten en hoe wij die inzetten. Zo is het provinciale windbeleid herijkt in lijn met afspraken in RES 1.0. We hebben een coördinerende en afstemmende rol bij grensoverschrijdende regionale samenwerking. In paragraaf 2.2 staat een afwegingskader wanneer wij van onze bevoegdheden gebruik moeten maken. Tot slot geven we aan wanneer er mijlpalen zijn en hoe we die bereiken.
In dit programma hebben we het over verschillende energiegrootheden. Voor elektriciteit is een belangrijk verschil tussen Watt (W) en wattuur (Wh). Watt is het vermogen: dit is hoeveel energie een apparaat nodig heeft om te werken per tijdseenheid. Wattuur staat voor het verbruik of opwek: dit is hoeveel energie er is verbruikt of opgewekt gedurende een periode. Hoeveel een apparaat verbruikt, hangt af van hoe lang het aan staat. Een elektrische kachel met een vermogen van 1 kW die een uur aan staat, heeft 1 kWh verbruikt. Een windturbine van 5 MW produceert bij goede wind elk uur 5 MWh. Omdat het om grote hoeveelheden gaat maken we bij Watt en wattuur gebruik van de termen kilo, mega en tera. 1.000.000 kilowatt (KW) = 1.000 MW. En 1.000.000 MW = 1 terawatt (TW).
4
1.2 Context De kaders voor dit programma zijn vastgesteld in de RES en hebben wij vertaald naar het Fundament voor de Omgevingsvisie en Omgevingsverordening.
1.2.1 De RES 1.0 is door de gemeenteraden (m.u.v. de gemeente Rijssen-Holten), Provinciale Staten (30 juni 2021) en algemeen besturen van de waterschappen vastgesteld. Hiermee geven de partners in de RES aan wat zij gaan bijdragen aan de energietransitie. In de RES is afgesproken hoe de partners in regionaal verband samenwerken aan de realisatie van de volgende afspraken: • Het bod van beide RES-regio’s voor duurzame opwek van elektriciteit in 2030 van 3,3TWh met een (streven) verhouding van 60% opwek door windenergie en 40% door zonne-energie; • Zoekgebieden en/of uitsluitingsgebieden zijn bij de RES 2.0 (vaststelling 1 juli 2023) vastgelegd, zodat goed inzicht in de verdeling naar HS/MS-stations ontstaat; • Op lokaal en subregionaal niveau werken de partners de ruimtelijke potentie in de regio verder uit op basis van de ontwerpprincipes uit de concept-RES. Bij de RES 2.0 wordt de balans opgemaakt; • De maatschappelijke kosten van het netwerk beperken de partners door de ‘knoppen’ te hanteren voor meer wind, grotere clusters en redelijke afstanden tot aansluitpunten; • Voor de realisatie van windturbines en grootschalige zonneparken streven de partners naar een gebiedsgerichte en grensontkennende aanpak; • Doel is om minimaal 50% lokaal eigendom in de opwek door wind en grootschalig zon-op-veld te realiseren.
1.2.2 Omgevingsvisie In het coalitieakkoord is afgesproken dat de bestaande uitsluitingsgebieden voor windenergie worden herijkt. Bij de uitwerking van het klimaatakkoord is afgesproken dat de uitkomsten van de RES 1.0 worden opgenomen in het omgevingsbeleid. Ook is het - voor de voorbereiding van RES 2.0 en de tijdige realisatie van energieprojecten - nodig dat wij verduidelijken waar wij mogelijkheden voor windenergie zien. Dat kan als katalysator dienen voor de regionale RES 2.0 gesprekken. Dit biedt ook de door PS gewenste mogelijkheid tot kaderstelling, bijvoorbeeld voor het eventueel nemen van meer provinciale regie in de planvorming. De planning is dat PS de Nieuwe Omgevingsvisie in het voorjaar van 2024 vaststellen. Tot die tijd geeft PS al wel kaders mee voor het omgevingsbeleid. Dat is het Fundament van de Omgevingsvisie. Hierin zijn de afspraken uit de RES 1.0 opgenomen, zoals de kansen voor grootschalige clusters voor windenergie en de windladder. Het Fundament heeft de status van voorgenomen beleid.
1.3 Doel van het programma is realisering van ambitie in de RES Het programma geeft aan welke kaders we hanteren voor initiatiefnemers, voor gemeenten en hoe wij zelf als partner in de RES onze verantwoordelijkheid voor de uitvoering nemen. Vanuit de constatering dat we de afgesproken ambitie voor 2030 in het huidige tempo en inzet niet halen zet het programma vooral in op windenergie. Daarbij ligt de focus op twee elementen: • onze rol bij het aanwijzen van zoekgebieden. Zowel op de korte termijn (stappen naar RES 2.0) als de lange termijn (doorlopende ruimtelijke verantwoordelijkheid voor windenergie en bevoegd gezag voor initiatieven tussen de 5 en 100MW); • onze rol in (het versnellen van) de uitvoering om de RES-ambitie voor 2030 te halen. Het programma is samen met het afwegingsvierkant uit de RES, de kaders in de Omgevingsvisie en -verordening de basis voor vergunningverlening door provincie en gemeente en geeft aan hoe wij omgaan met verzoeken van initiatiefnemers tot ruimtelijke medewerking. We benoemen de vier hoeken van het afwegingsvierkant uit de RES en onze inzet hieronder.
5
1.3.1 CO2 doelstelling 2030
De Overijsselse RES-regio’s hebben hun bijdrage bepaald en deze telt op tot 3,3 TWh. Uit de recente RES-monitor blijkt dat van de ambitie voor wind 0,2 TWh gerealiseerd is. Op basis van de huidige pijplijn is de prognose dat 0,3 TWh gerealiseerd wordt. Voor de gewenste zon/ windverhouding met 60% wind is 2,0TWh wind nodig in de RES 2.0. Om op 1 januari 2025 omgevingsvergunningen te kunnen verlenen moet in korte tijd nog veel gebeuren om de 2,0 TWh te kunnen realiseren. Door de mogelijke stijgende elektriciteitsvraag kan de landelijke doelstelling van 35 TWh herijkt worden met mogelijke consequenties voor de RES-ambities en/ of de provinciale doelstelling. Waarschijnlijk komt hier eind 2022 meer duidelijkheid over. Zolang we de doelstelling in kader van de RES niet bereikt hebben passen wij het afwegingskader wind (paragraaf 2.2) toe.
1.3.2 Leefomgeving, ruimtelijke kwaliteit en gebiedsfonds We willen dat de inpassing in het landschap zorgvuldig gebeurt en dat de impact op natuur, gezondheid en het landschap zo klein mogelijk blijft. De locatiekeuze voor grootschalige opwek en opslag van energie, als onderdeel van het omgevingsbeleid (in het Fundament voor de nieuwe Omgevingsvisie) baseren we op een aantal leidende principes. Relevant in kader van energie en wind zijn daarbij: zuinig zijn met ruimte (meervoudig ruimtegebruik) en voortbouwen op sterke netwerken (koppelen vraag en aanbod). De volgende ruimtelijke principes staan in de vastgestelde RES1.0 en zijn uitgangpunt bij het aanwijzen van zoekgebieden: • Koppeling van energievraag en aanbod • Ruimtelijke meekoppelkansen • Energieopwekking langs hoofdinfrastructuur • Ontzien van waardevolle gebieden, zoals opgenomen in de catalogus gebiedskenmerken Overijssel • Clustering in de daarvoor geschikte landschappen, zoals opgenomen in de windladder We werken deze principes uit door: • Voor windenergie de kwaliteitsimpuls groene omgeving (KGO) uit te werken. Bij de plaatsing van windturbines kan het nodig zijn om de ruimtelijke kwaliteit te herstellen of verbeteren.
Door de KGO specifiek voor windenergie uit te werken ontstaat duidelijkheid voor initiatiefnemer en omgeving over de ruimtelijke investeringen die moeten worden gedaan bij het plaatsen van windturbines. Hierdoor is ook helder wat we vragen aan investering in het gebied. Hiermee kunnen we een betere koppeling leggen tussen diverse opgaven in het gebied (energieopwekking, landschapsversterking/bosaanplant en extensivering van landbouw); • Tegelijkertijd wegen we bij medewerking aan initiatieven de volgende punten mee: • Beperken van nachtelijke obstakelverlichting op windturbines; • De balans in de provincie. Ondanks het belang van clustering is het ongewenst dat een te grote druk op één enkele kern ontstaat als deze bijvoorbeeld helemaal ingesloten raakt tussen windturbineparken; • Ruimtelijke en sociale kwaliteit.
1.3.3 Maatschappelijke betrokkenheid De gemeenten zijn het eerste aanspreekpunt voor lokale initiatieven en projecten. Tegelijk onderkennen we dat energietransitie vraagt om samenwerking op subregionaal niveau. Waar kansen zijn voor koppeling met andere transities, meervoudig ruimtegebruik en energielandschappen ligt een gebiedsgerichte ontwikkeling voor de hand. Vanuit het perspectief van participatie door inwoners is een dergelijke gebiedsgerichte en grensontkennende werkwijze van groot belang. In de realisatie is de schaal van de RES-regio niet altijd passend bij de aard van de opgave. Zo is het toewerken naar 60% wind en 40% zon effectiever op een subregionale schaal. Per ontwikkeling/initiatief maken we afspraken over de rolverdeling tussen gemeente en provincie.
6
1.3.4 Energiesysteem Bij elk initiatief kijken we naar de maatschappelijke kosten en dus een efficiënte aansluiting op het net en realiseren van de opwek bij het gebruik. Bij de plannen en projecten sturen we op een verhouding van 60% wind en 40% zon op subregionaal niveau. Daar zijn meerdere redenen voor: • De maatschappelijke investeringen in het netwerk (kabels en stations) en de SDE++ laten zien dat er jaarlijks vele tientallen miljoenen extra nodig zijn om de grote hoeveelheid zon in de mix te kunnen realiseren; • De (autonome) ontwikkeling rondom zon-op-dak is groot en claimt hiermee een aanzienlijk aandeel in het onderdeel zon in de mix; • Zonnevelden nemen méér ruimte in dan windturbines om dezelfde hoeveelheid energie op te leveren en zonnevelden hebben hogere maatschappelijke kosten; • Volgens de ruimtelijke ontwerpprincipes, gaat meervoudig ruimtegebruik voor enkelvoudig ruimtegebruik. Zowel bij zonnevelden als bij windturbines zijn er mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik. Bij windenergie is meervoudig ruimtegebruik altijd aan de orde; • De maatschappelijke acceptatie van windturbines is een belangrijk issue. Deze lijkt vanwege de impact op de omgeving lager te liggen dan voor zon-op-land. Het draagvlak voor zon-op-dak is het grootst. • In deze afweging is een balans gevonden met 60% wind en 40% zon.
1.4. De provincie heeft verschillende rollen bij de energietransitie Bij de realisering van de energietransitie heeft de provincie verschillende rollen. De rol die we aannemen bepaalt de wijze van samenwerken en welke instrumenten we inzetten. We sluiten hierbij aan bij de sturingsfilosofie uit het Fundament Omgevingsvisie. De belangrijkste rollen zijn de regulerende, de samenwerkende en de faciliterende rol. Welke rollen dat zijn hangt af van de opgave(n) en onze verantwoordelijkheid. Per rol maken we duidelijk wat onze partners van ons mogen verwachten en wat wij van hen verwachten. Afhankelijk van de rol passen daar ook verschillende sturingsstijlen en instrumenten bij. Het kan dus voorkomen dat verschillende sturingsstijlen worden gebruikt voor dezelfde opgave
1.4.1 Voor windinitiatieven tussen de 5-100 MW is de provincie bevoegd gezag Provinciale Staten zijn bevoegd om een inpassingsplan vast te stellen voor windparken met een opgesteld vermogen tussen de 5 en 100 MW, maar een initiatiefnemer kan zich ook tot de gemeente wenden met het verzoek om het windpark planologisch mogelijk te maken. Weigert de gemeente daaraan medewerking te geven, dan is de provincie op grond van de Elektriciteitswet 7
verplicht een inpassingsplan (PIP) vast te stellen als het windpark past binnen het provinciaal omgevingsbeleid. Past het initiatief niet binnen de provinciale kaders, dan hoeft de provincie daarvoor geen inpassingsplan te maken. Het is vervolgens aan de initiatiefnemer om zelf een andere locatie te zoeken die wel voldoet aan de provinciale kaders. Op Gedeputeerde Staten rust een verplichting (artikel 1 van het Uitvoeringsbesluit Rijkscoördinatieregeling energie-infrastructuurprojecten) om de voorbereiding en bekendmaking van de uitvoeringsbesluiten die voor de realisering van het windpark nodig zijn, te coördineren. Dat zijn omgevingsvergunningen voor bouwen (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a van de Wabo ) en milieu (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e van de Wabo) en vergunningen (artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb ) en ontheffingen (artikel 3.3 en 3.8 van de Wnb ) op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb). De Elektriciteitswet voorziet voor windparken van provinciaal belang niet in gelijktijdige coördinatie van het inpassingsplan én de uitvoeringsbesluiten. De tijdswinst die met gelijktijdige kennisgeving, terinzagelegging en bekendmaking van het (ontwerp-) inpassingsplan en de (ontwerp-)-uitvoeringsbesluiten kan worden geboekt, zou daarmee verloren kunnen gaan.
Om dit te voorkomen kan voor provinciale windparken alsnog een coördinatiebesluit (als bedoeld in artikel 3:33, eerste lid, aanhef en onder b van de Wro) worden genomen. Gedeputeerde Staten kunnen besluiten af te zien van de coördinatieplicht en het bevoegd gezag op verzoek overdragen aan de desbetreffende gemeente (artikel 9f, zesde lid van de Elektriciteitswet ).
Wanneer de Omgevingswet in werking treedt wordt de PIP door PS gewijzigd in een projectbesluit door GS. Wanneer de Energiewet in werking treedt ligt.de bevoegdheid van de provincie vanaf 15 MW in plaats van de huidige 5MW.
1.4.2 Bevoegd gezag voor de Wet Natuurbescherming De provincie is bevoegd gezag voor het verlenen van toestemming en een gebiedsvergunning. Windparken kunnen gevolgen hebben voor beschermde diersoorten. Ze kunnen sterfte van vogels en vleermuizen door aanvaring veroorzaken of verstoring door habitatverlies en barrièrewerking. Voordat een initiatiefnemer een windpark aanlegt en exploiteert moet onderzocht worden in welke mate er negatieve effecten op de (gunstige) staat van instandhouding van bepaalde kwetsbare vogel- en vleermuissoorten kunnen optreden. En hoe voorkomen kan worden dat deze effecten optreden en dieren gedood worden. Dit kan door heldere, effectieve en goed gemonitorde mitigerende maatregelen te treffen waarmee aantoonbaar geen negatief effect optreedt op de staat van instandhouding van de beschermde soorten en aantal slachtoffers wordt geminimaliseerd. Als de locatie van een windturbine of een windpark binnen of nabij een Natura 2000-gebied ligt, moet tevens worden beoordeeld of een gebiedsbescherming vergunning nodig is. Hiervoor is het uitvoeren van een natuurtoets verplicht.
1.4.3 Kaders vanuit onze ruimtelijke verantwoordelijkheid De energietransitie heeft invloed op de ruimtelijke kwaliteit, hiervoor dragen we een regionale verantwoordelijkheid. Dit is een provinciaal belang. Wij zorgen voor ruimtelijke samenhang op provinciale en regionale schaal. Tegelijkertijd zorgen we voor het behoud aan diversiteit van landschappen. Door het stellen van kaders geven wij duidelijkheid aan gemeenten en initiatiefnemers. Binnen de provinciale kaders zijn de gemeenten bevoegd om lokaal ruimtelijk beleid op te stellen.
8
1.4.4 Ondersteunen gemeenten in de uitvoering Wij ondersteunen gemeenten, lokale energiecoöperaties en andere partners bij de uitvoering van de energietransitie met kennis, geld en organisatiekracht. Financiering voor bijvoorbeeld lokale initiatieven is beschikbaar via provinciale subsidies en via het Energiefonds Overijssel (EFO). We helpen partners bij het organiseren van de uitvoering, voor bovenlokale meervoudige opgaven zoals de ontwikkeling van decentrale energiesystemen.
1.4.5 Het Energiesysteem vraagt regie; wij nemen daarin de coördinerende rol (programma MIEK) Om de ontwikkeling van de energie infrastructuur goed af te stemmen op de behoefte vanuit diverse maatschappelijke opgaven (RES, Cluster Energie Strategie, Nationaal Programma Infrastructuur, woonopgave, etc.) hebben de provincies besloten, mede op verzoek van de netbeheerders, een regierol op zich te nemen. In samenwerking met netbeheerders en gemeenten stemmen we af hoe op de korte, middellange en lange termijn het Overijsselse energiesysteem ontwikkeld moet worden om aan onze huidige en toekomstige behoeften aan energie te voldoen. Hoe wij onze rol hierin nemen en welke afwegingen hierin gemaakt worden werken we nader uit in het programma MIEK. Aanwijzen van zoekgebieden heeft op dit moment de hoogste urgentie. De netbeheerders kunnen hierop hun strategisch beleid aanpassen. Wanneer gemeenten geen zoekgebieden aanwijzen zijn wij genoodzaakt bij de netbeheerders aan te geven waar wij projecten verwachten op basis van onze gesprekken met de markt. 1.4.6 Partner in de RES en medeverantwoordelijk voor het halen van de ambitie De gemeenteraden en Provinciale Staten hebben de RES vastgesteld. Daarmee is de RES ook een provinciale ambitie en zijn we medeverantwoordelijk.
Vanuit dit vertrekpunt kijken we niet alleen naar die aspecten waarvoor de provincie aan de lat staat (zie 1.3.1-1.3.5), maar kijken we in de volle breedte naar wat wij kunnen doen om bij te dragen aan het halen van de gezamenlijke ambities.
1.5 We gaan onze afgesproken ambitie voor 2030 in het huidige tempo en inzet niet halen Bij een ambitie van 60% wind (2 TWh) moet er nog circa 550 MW aan windenergie ontwikkeld en gerealiseerd worden. Meest urgent is op dit moment het aanwijzen van zoekgebieden voor wind omdat er onvoldoende zoekgebieden zijn aangewezen. Veel factoren beïnvloeden hoeveel zonne- en windenergie uiteindelijk gerealiseerd kan worden. Denk aan beperkingen in de ruimte, de mate waarin een locatie en de keuze voor zonne-en windenergie maatschappelijk geaccepteerd wordt en de beschikbaarheid van netcapaciteit. In de praktijk zullen niet alle projecten slagen. Daarom is het belangrijk dat de RES een zekere overprogrammering heeft. Het is van belang meer en/of grotere zoekgebieden aan te wijzen dan voor het behalen van de afgesproken 3,3 TWh ruimtelijk gezien strikt nodig is. Dit is ook zo afgesproken in het Klimaatakkoord. Op die manier valt er nog wat te kiezen en kunnen onvermijdelijke tegenvallers opgevangen worden. Constaterende dat 1) de omgevingsvergunningen voor projecten voor 1 januari 2025 moeten zijn afgegeven, en 2) de gemiddelde duur van realisatie van een project voor windenergie 8 jaar duurt, is het van belang zicht te houden op de voortgang van de realisatie.
Gelet op de urgentie en de uitkomst van de RES-monitor, waaruit blijkt dat het aanwijzen van zoekgebieden voor wind achter blijft, is dit aanleiding om meer te sturen op de realisatie van de ambitie. We vinden het belangrijk om de rol van de gemeenten daarbij zoveel mogelijk intact te houden. Het bestaande proces met het ontwikkelen van initiatieven van onderop blijven we stimuleren door bestuurlijk overleg, het leveren van procesondersteuners en waar nodig het nemen van de regie. In de volgende twee hoofdstukken (2 & 3) beschrijven we hoe we dat doen.
9
Hoofdstuk 2. Voorkeurslocaties en zoekgebieden Gelet op de ruimtelijke inpassingsprincipes ligt het voor de hand dat windinitiatieven in meerdere grote clusters ontwikkeld worden. Dit betekent in gemeentegrensoverschrijdende zoekgebieden en daarvoor is subregionale samenwerking nodig. Gegeven deze situatie én de rol die we hebben is het van belang om de regie te nemen in het aanwijzen van de zoekgebieden.
2.1 Aanwijzen van zoekgebieden heeft prioriteit In RES-verband is afgesproken dat in de RES2.0 de zoekgebieden vastliggen. Dat betekent dat deze op 1 januari 2023 voor 95% bekend moeten zijn. Daarnaast moet de informatie over de zoekgebieden uiterlijk oktober 2022 aangeleverd worden aan de netbeheerders voor de analyses voor de investeringsplannen van de netbeheerders. Om hieraan te voldoen zetten we de volgende stappen in de periode tot vaststelling van RES 2.0.
Om het gesprek in de RES 2.0 en het vaststellen van zoekgebieden te kunnen faciliteren hebben we in ons ruimtelijk beleid ook een aantal stappen gezet. In de Omgevingsverordening (vastgesteld op 16 november 2022) is aangeven waar we plek zien voor windenergie en waar niet. De uitwerking hiervan is de windladder. Zowel de RES 1.0 als de windladder is door PS vastgesteld. Daarnaast staan een aantal voorkeursgebieden voor windenergie in het Fundament voor de Nieuwe Omgevingsvisie. Dit zijn plekken waar wij ruimte zien voor grotere (30+) en kleinere (10+) windclusters, gebaseerd op de verschillende nationale en provinciale ruimtelijke inpassingsprincipes. Dit kan 1 groot ruimtelijk cluster zijn, maar kan ook bestaan uit een aantal kleinere deelprojecten. Zie bijvoorbeeld het gebied ten noorden van Zwolle (ZSDZ). De voorkeursgebieden voor wind in het Fundament voor de nieuwe Omgevingsvisie zijn de basis voor het vervolggesprek in de RES over het aanwijzen van de zoekgebieden. De kaart met voorkeursgebieden maakt deel uit van het Fundament en loopt daarbij een apart besluitvormingstraject.
10
De uitspraak van de Raad van State (30 juni 2021 windpark Delfzijl Zuid) en de zorgen rondom gezondheid in relatie tot afstandsnormen werken momenteel vertragend in het aanwijzen van zoekgebieden. We zien geen belemmeringen om toch zoekgebieden aan te wijzen. Vaak wordt bij het aanwijzen van zoekgebieden gebruik gemaakt van bepaalde vuistregels voor afstanden tot kwetsbare objecten. Dat kan nog steeds. De toepassing van precieze normen is pas aan de orde bij de vergunningverleningen en het bepalen van de precieze locatie. De verwachting is dat er in de fase richting de RES 2.0 weinig vergunningaanvragen zullen komen voor windparken in Overijssel. In dezelfde periode kunnen echter wel zoekgebieden aangewezen worden met inachtneming van het gegeven dat het aantal turbines dat uiteindelijk geplaatst kan worden mede afhankelijk kan zijn van de nieuwe vast te stellen milieu/afstandsnormen.
2.1.1 We starten een Omgevingseffectrapportage waarmee we de milieueffecten van de voorkeursgebieden en mogelijk nieuwe zoekgebieden in beeld brengen. Dit helpt bij het concreet invullen van de zoekgebieden waar de windturbines kunnen komen. Daarnaast helpt het ook bij de onderbouwing van afwegingen om initiatieven die zich buiten de zoekgebieden aandienen eventueel toch te faciliteren. Op basis van voorgaand proces is in de eerst helft van 2023 duidelijk wat de zoekgebieden van gemeenten zijn en kunnen de gemeenten (mede) op basis van onze voorkeurslocaties zoals opgenomen in het Fundament voor de Nieuwe Omgevingsvisie de laatste zoekgebieden aanwijzen. Deze worden dan volgens afspraak opgenomen in de RES 2.0. Met het aanwijzen van zoekgebieden houden gemeenten zoveel mogelijk de regie. De situatie kan ontstaan dat sommige gemeenten – ondanks ruimtelijke geschiktheid en noodzaak in relatie tot de ambitie – geen zoekgebieden aanwijzen. Volgens de wet kunnen initiatiefnemers zich in die gevallen melden bij de provincie als bevoegd gezag voor windinitiatieven tussen de 5 en 100 MW. Daarbij hanteren we de vastgestelde ruimtelijke kaders om kansrijke initiatieven af te wegen en de gemeente zo nodig een aanwijzing te geven tot ruimtelijke inpassing, dan wel zelf middels een provinciaal inpassingsplan ruimte te maken.
11
2.2.1 We respecteren het RES-proces Het hanteren van dit afwegingskader dient zorgvuldig te gebeuren om recht te doen aan de RES-processen en het vaststellen van de zoekgebieden daarin. We hanteren daarom de volgende uitgangspunten; • We geven de gemeenten de gelegenheid tot 1 juli 2023 om zoekgebieden dan wel windbeleid vast te stellen. Dit betekent dat we geen gebruik maken van het afwegingskader tot 1 juli 2023, tenzij op verzoek van een gemeente. • We passen het afwegingskader toe totdat er voldoende projecten zijn om de ambitie van de RES te realiseren. Richtlijn bij de beoordeling wat voldoende is, is de RES-monitor in combinatie met een expert-judgement over de haalbaarheid, vooruitzichten van individuele projecten en de mate waarin deze optellen tot het totaal van de RES-ambitie. Uitgangspunt is dat de (gewogen) pijplijn van de RES monitor boven de 100% moet zitten. • Ongeacht de bevoegdheidsverdeling tussen gemeente en provincie ondersteunen wij gemeenten (desgevraagd) in de realisatie van projecten.
2.2.2 Samenwerken wanneer de gemeente de procedure trekt De overdracht van bevoegdheden aan de gemeente – zoals ook opgenomen in het afwegingskader - is mogelijk wanneer gezien de omvang, aard en ligging van het windpark niet te verwachten valt dat de toepassing van de provinciale coördinatieregeling de besluitvorming zal versnellen. Daarvoor moet aan de volgende criteria zijn voldaan: 1. Er is sprake van een project tot maximaal 10 turbines (of 50MW). Elk initiatief vanaf 10 turbines/50MW achten wij per definitie van provinciaal belang en als gevolg daarvan zullen wij het bevoegd gezag bij ons houden. 2. De gemeente vult de vergunningsvoorschriften voor geluid, turbineverlichting en slagschaduw in afstemming met buurgemeenten in. 3. Er is/wordt onderzoek gedaan naar mogelijke (ruimtelijke) interferentie tussen het te realiseren windpark en de in de toekomst te realiseren windparken in de omgeving. De uitkomsten van dit onderzoek gebruikt de gemeente in de ruimtelijke onderbouwing. 4. De gemeente blijft initiatiefnemers en omwonenden ook in de ontwikkel- en realisatiefase actief begeleiden in een grensontkennende samenwerking in en rond het plangebied, waarbij in elk geval de vergoedingenstructuren voor omwonenden grensontkennend worden vastgesteld. 5. De provinciale kaders van participatie en lokaal eigendom, zoals beschreven in hoofdstuk 3.
GS kan, wanneer zij afziet van toepassen van de provinciale coördinatieregeling, later besluiten deze alsnog van toepassing te verklaren wanneer vergunningverlening (veel) langer duurt dan mag worden verwacht. Dit met het oog op het tijdig kunnen halen van de RES-doelstellingen. Uiteraard zal een dergelijk besluit pas genomen worden nadat hierover bestuurlijk overleg is geweest en goed is gekeken naar de oorzaken van de vertraging. Tegelijkertijd ondersteunen we gemeenten ook met kennis en kunde. We onderzoeken hoe we de ondersteuning nog beter kunnen doen, zodat het voor gemeenten makkelijker is om de bevoegdheid voor het voeren van de ruimtelijke procedure van ons over te nemen. Ondanks onze ondersteuning kan het zich voordoen dat we de ruimtelijke procedure mogelijk toch op ons nemen. Bij de overdracht van onze bevoegdheid maken we duidelijke afspraken met de gemeente om de voortgang van het initiatief te borgen. Deze afspraken kunnen per project/ initiatief anders zijn. Dat we onze bevoegdheid overdragen aan gemeenten betekent niet dat we aan de zijlijn staan. We blijven bevoegd gezag vanuit de Wet natuurbeheer én we beoordelen of het initiatief past in ons ruimtelijk beleid. Daarnaast onderzoeken we samen met de gemeente en netbeheerder of het initiatief aan te sluiten is op het elektriciteitsnet.
Dit betekent dat we zowel ambtelijk als bestuurlijk nauw aangesloten zijn en blijven bij windprojecten.
15
2.1.2. Traktaat van Meppen Bij het aanwijzen van zoekgebieden speelt de vraag naar de geldigheid van tet Traktaat van Meppen. Dit traktaat uit 1824 legt de grens vast tussen het voormalige Koninkrijk Hannover en Nederland. In artikel 5 van het Traktaat is afgesproken dat zowel Nederland als Duitsland (Nedersaksen als rechtsopvolger van het Koninkrijk van Hannover) geen bouwwerken, met uitzondering van “staatsgebouwen of verdedigingsinrigtingen”, toestaan binnen een afstand van 377 meter van de grens tenzij de bevoegde gezagen anders overeenkomen. De noodzaak voor artikel 5 van het Traktaat van Meppen dat de afstand van 377 meter regelt, is weggevallen. De grens wordt immers niet meer betwist, gemeenschappelijke weiden zijn niet meer in gebruik, smokkelen van goederen ter plaatse van de grens komt met de interne markt van de Europese Unie niet meer voor en Europese, Duitse en Nederlandse wetgeving (bijvoorbeeld verdrag van Espoo, milieuwetgeving, Ruimtelijke ordening) beschermen de rechten van burgers in de directe nabijheid van de grens. In de praktijk wordt in zowel Overijssel als Landkreis Grafschaft Bentheim de regel gehanteerd dat voor hinder (milieu en RO) van een initiatief of ontwikkeling dezelfde criteria gelden voor getroffenen aan de andere kant van de grens gebaseerd op de wet- en regelgeving van het land waar de ontwikkeling plaatsvindt.
Daarmee wordt voldoende bescherming geboden aan de belangen van de bewoners van het grensgebied en is het traktaat geen belemmering in het aanwijzen van zoekgebieden of faciliteren van projecten.
2.2 Afwegingskader voor windinitiatieven Als één overheid zijn we samen verantwoordelijk voor het behalen van de klimaatdoelen. Iedere overheid heeft hierin een eigen rol en bevoegdheid. Gemeenten zijn de eerste bestuurslaag voor inwoners. Daarom heeft het bij niet gemeentegrensoverschrijdende projecten de voorkeur dat de gemeente het bevoegd gezag op zich neemt voor windparken en alle procedures coördineert. Zo kan de gemeente ook de regie houden over ontwikkelingen op lokaal niveau. Wanneer we onze bevoegdheid overdragen aan gemeenten betekent dat niet dat we aan de zijlijn staan.
12
We blijven bevoegd gezag vanuit de Wet natuurbescherming én we beoordelen of het initiatief past in ons ruimtelijk beleid. We geven kaders voor participatie mee. We onderzoeken samen met de gemeente en netbeheerder of het initiatief is aan te sluiten op het elektriciteitsnet. Wij ondersteunen desgevraagd de uitvoering van het project. In sommige situaties kan het kan toch gewenst of noodzakelijk zijn dat wij optreden als bevoegd gezag en de procedure trekken. Het afwegingskader geeft aan hoe wij initiatieven beoordelen en helpt ons om te bepalen wie optreedt als bevoegd gezag. Dit afwegingskader is uitgangspunt voor alle windinitiatieven – binnen en buiten de zoekgebieden - en de provinciale rol daarin. We controleren of de treden zijn doorlopen en of het initiatief bijdraagt aan het realiseren van de RES-ambities binnen het ruimtelijk vastgestelde kader. Voor elk initiatief geldt dat het moet voldoen aan een aantal uitgangspunten. Zo moeten er planologisch en qua netwerk geen harde belemmeringen zijn. Ook bekijken we of een initiatiefnemer zich wil inzetten voor participatie volgens onze kaders. De eerste stap in het kader is te vinden in de volgende figuur: Waar PIP staat is na de inwerkingtreding van de Omgevingswet Projectbesluit.
Indien blijkt dat een initiatief voldoet aan deze basale voorwaarden zijn er twee mogelijke routes afhankelijk van of een initiatief binnen of buiten een zoekgebied ligt. De eerste route is voor een initiatief binnen een in de RES vastgesteld zoekgebied. Voor dergelijke locaties is het uitgangspunt dat een initiatief positief wordt ontvangen. Met het aanwijzen van een zoekgebied is immers geconcludeerd dat wind in de basis wenselijk is. Dit schema wordt daarbij doorlopen waarbij de primaire vraag is: wie treedt op als bevoegd gezag? Dit schema laat onverlet dat ook binnen zoekgebieden uit onderzoek bij uitwerking van het initiatief belemmeringen kunnen blijken waardoor het initiatief niet haalbaar is. Uitgangspunt is echter een positieve grondhouding. 13
De situatie is anders bij initiatieven buiten de zoekgebieden. We kijken eerst of het plan in de toekomst onderdeel kan worden van de RES. Mocht dat het geval zijn dan geldt het vorige schema. Mocht dat niet het geval zijn, maar achten wij dit plan wel nodig om te voldoen aan de RES-doelstelling en voldoet het aan de criteria uit de RES dan gaan we in overleg met de gemeente over wie er optreedt als bevoegd gezag en het plan in behandeling neemt. In die gevallen dat we geen medewerking aan een plan verlenen is het goed te benoemen dat dit in de toekomst kan wijzingen, door nieuwe ambities of ontwikkelingen in de markt die een initiatief toch mogelijk maken binnen de kaders.
14
2.2.3 Samenwerken als wij de procedure trekken Als wij de procedure trekken dan werken we zo nauw mogelijk samen met de gemeente. We zijn 1 overheid. Daarbij vinden wij het van belang dat zowel inwoners als initiatiefnemers goed weten waar ze aan toe zijn, de juiste en correcte informatie krijgen en dat we laten zien dat we als 1 overheid werken aan één van de grootste maatschappelijke opgaven van onze tijd: het behalen van de klimaatdoelen. Hierbij laten we zien dat we een betrouwbare overheid zijn die staat voor deze doelen. Het kan noodzakelijk zijn dat wij toch de procedure gaan trekken, ondanks alle inzet die hiervoor genoemd is. Het afwegingskader geeft hier richting aan. Om te bepalen of een gemeente zelf niet de procedure wil trekken zullen wij deze vraag niet alleen ambtelijk maar ook bestuurlijk voorleggen. Indien de gemeente de procedure niet wil trekken dan volgt een besluit voor een provinciaal inpassingsplan (PIP). Het voornemen hiertoe is een besluit van Gedeputeerde Staten. Het vaststellen van het PIP is de bevoegdheid van Provinciale Staten. Met het in werking treden van de Omgevingswet wordt dit een projectbesluit dat valt onder de bevoegdheid van Gedeputeerde Staten.
Het opstellen van een PIP/projectbesluit kan nodig zijn omdat de gemeente ons dit om goede redenen verzoekt of omdat de gemeente na uitvoerig overleg, ook met de regio, toch het bevoegd gezag niet op zich wil nemen, al dan niet op basis van een politiek besluit. We lopen dan gezamenlijk de stappen van het afwegingskader door. Het wordt dan ook bestuurlijk besproken in de RES-regio. Het besluit dat een gemeente neemt kan namelijk gevolgen hebben binnen de betreffende regio. Dat is bijvoorbeeld het geval als bij weigering van medewerking aan een windinitiatief de doelen van de RES niet gehaald kunnen worden. In die gevallen dat wij als provincie optreden als bevoegd gezag, bijvoorbeeld omdat de gemeente geen zoekgebieden heeft, is het provinciaal beleid leidend. Wel houden we daarbij waar mogelijk rekening met gemeentelijke wensen en gemeentelijke kaders, bijvoorbeeld ten aanzien van participatie.
16
Hoofstuk 3. Uitvoering van de ambitie Hoewel de prioriteit ligt bij het aanwijzen van zoekgebieden is dat slechts de eerste stap. Door de spanning tussen de lange ontwikkeltermijn van windclusters en de doelstellingen voor 2030 zijn wij genoodzaakt ook de realisatie te versnellen. Dit kunnen wij op verschillende manieren doen. We continueren en waar nodig intensiveren de ondersteuning in de uitvoering. Dit doen we via het programma NEO. Dat kan van licht (advies, handreikingen en visualisaties van projecten) tot aan zwaar (projectleiders om het proces te trekken). Ook werken we in de werkplaatsen (samenwerking NEO-RES) samen met gemeenten aan de uitvoering en kunnen lokale energieinitiatieven (LEI’s) terecht bij het Energiefonds Overijssel (EFO) voor ontwikkelfinanciering voor windprojecten. Aanvullend hierop kunnen we grensoverschrijdende/ grootschalige projecten coördineren en kunnen we overwegen om instrumenten uit het grondbeleid (Nota Grondbeleid) in te zetten om gronden te verwerven die nodig zijn voor de aanleg van windparken. Om de doelstelling voor 2030 te realiseren, rekening houdende met de uitgangspunten uit de RES, is het tot slot noodzakelijk dat op korte termijn een aantal grote clusters tot ontwikkeling komen.
3.1 Om de realisatie van grote clusters te versnellen zijn er verschillende scenario’s Gegeven de ruimtelijke wens vanuit de RES om te clusteren en de doorvertaling hiervan in ons omgevingsbeleid zijn verschillende voorkeursgebieden in beeld (Fundament) waar ruimte is voor grote clusters. Wij hebben een verantwoordelijkheid om dit ruimtelijk verantwoord in te passen en tegelijkertijd te zorgen dat meerdere van deze gebieden ook daadwerkelijk en optimaal benut worden. Alleen dan kunnen we versnippering van het landschap voorkomen en kan het doel voor 2030 behaald worden. Om te zorgen dat gebieden ruimtelijk gezien optimaal worden benut hebben we in het Fundament voor de nieuwe Omgevingsvisie ook opgenomen dat we binnen de voorkeursgebieden voor grootschalige clustering streven we naar een optimale invulling van het gebied. Dit houdt in dat projecten die kleiner zijn dan de ruimtelijke potentie zo vormgegeven worden dat toekomstige projecten niet belemmerd worden. Voor het halen van de RES-ambitie in 2030 zorgen we niet alleen voor ruimte voor grote clusters, maar ook dat deze gebieden op de korte termijn in ontwikkeling komen. Omdat elk gebied en situatie uniek is verschild het per gebied op welke manier ontwikkelingen plaats gaan vinden. In deze paragraaf schetsen we op hoofdlijnen de ontwikkelmogelijkheden.
17
Gegeven het feit dat het hier gaat om grote (grensoverschrijdende) clusters zien wij hier een belangrijke rol voor onszelf weggelegd. Per gebied kan de aanpak wel verschillen. Zo werken gemeenten in het ZSDZ-gebied nauw samen en zijn er al meer ontwikkelingen dan in een aantal van de andere voorkeursgebieden. De hiervoor beschreven gereedschapskist voorziet in divers instrumentarium. In de Windwijzer staan de verschillende rollen/instrumenten nader beschreven. Om te zorgen voor de ontwikkeling van een aantal grote clusters zetten we de volgende stappen. Hierin sluiten we aan op de stappen voor het aanwijzen van de zoekgebieden. Maart 2023
Uiterlijke opname zoekgebieden in RES 2.0
April - mei 2023
In afstemming met gemeente opstellen aanpak voor aantal grote clusters
Juli 2023
Vaststelling RES (PS), vaststelling aanpak en keuze clusters (GS)
Om te bepalen voor welke en hoeveel grote clusters we de regie nemen op de ontwikkeling kijken we naar: • De zoekgebieden die gemeenten hebben opgenomen voor grote clusters • De bestaande initiatieven in deze gebieden • Het aantal initiateven dat buiten deze gebieden in ontwikkeling is We verwachten dat we onze inzet gaan intensiveren op minimaal drie clusters om zo een voldoende gevulde pijplijn te krijgen. Naast de realisering van deze grote clusters is er voldoende ruimte voor initiatieven van onderop, die door het RES-proces ontstaan. Wij verwachten dat beide processen naast elkaar kunnen ontstaan.
3.2 Kaders voor participatie Er zijn twee vormen van participatie die van belang zijn bij de ontwikkeling van wind- en zonprojecten. Dit zijn proces- en projectparticipatie. Procesparticipatie is het betrekken van inwoners bij het proces om te komen tot beleidskeuzes. Projectparticipatie is het betrekken van inwoners bij concrete projecten.
3.2.1 Procesparticipatie De procesparticipatie heeft voor een belangrijk deel al plaatsgevonden in het proces naar RES 1.0. Dit blijft een doorlopend proces, ook richting RES 2.0 en verder. Zo is het vaststellen van lokaal beleid en het vaststellen van zoekgebieden onderdeel van procesparticipatie. Deze vorm van participatie is primair aan de gemeenten, omdat zij het bod hebben gedaan en zoekgebieden (tijdig) moeten vaststellen. Wij maken op bovenregionaal niveau een integrale afweging op basis van ons omgevingsbeleid om te komen tot voorkeursgebieden. In tegenstelling tot gemeenten speelt directe procesparticipatie dus minder een rol bij de totstandkoming van de voorkeursgebieden. Wel heeft procesparticipatie plaatsgevonden bij de totstandkoming van ons omgevingsbeleid in de vorm van het Fundament en maken we gebruik van de resultaten van de gemeentelijke participatieprocessen. Tevens vindt participatie hierbij indirect plaats via het democratisch proces.
19
Tabel: Hoofdlijnen ontwikkelmogelijkheden
Tabel:Hoofdlijnen Hoofdlijnen ontwikkelmogelijkheden Tabel: ontwikkelmogelijkheden Scenario Scenario 1: 1: Faciliterende Faciliterende overheid overheid Faciliterende Faciliterende overheid overheid
Als Als overheid overheid beoordeel beoordeel je je hier hier pas pas een een initiatief initiatief zodra zodra er er een een aanvraag aanvraag wordt wordt ingediend. ingediend. Beleidsmatig worden er nauwelijks tot geen (aanvullende) kaders gesteld, Beleidsmatig worden er nauwelijks tot geen (aanvullende) kaders gesteld, anders anders dan dan bestaand bestaand beleid beleid en en de de uitgangspunten uitgangspunten uit uit de de RES. RES. De De provincie provincie en en de de gemeenten gemeenten maken maken onderling afspraken over wie verantwoordelijk is voor de te voeren procedures, onderling afspraken over wie verantwoordelijk is voor de te voeren procedures, participatie, participatie, communicatie, communicatie, randvoorwaarden randvoorwaarden voor voor sociale sociale participatie, participatie, verrekening verrekening van van de de kosten kosten in in een een anterieure overeenkomst. anterieure overeenkomst.
Scenario Scenario 2: 2: Stimulerende Stimulerende overheid overheid In In dit dit scenario scenario neem neem je je als als overheid overheid een een meer meer intensieve intensieve regierol regierol waarin waarin je je stuurt stuurt op op de de manier waarop een gebiedsproces en ontwikkeling plaatsvindt. Dat kan op verschillende manier waarop een gebiedsproces en ontwikkeling plaatsvindt. Dat kan op verschillende manieren manieren Uitnodigingskader Uitnodigingskader of of (maatschappelijke) (maatschappelijke) tender tender
a. a. Sturing Sturing door door kaders kaders en en randvoorwaarden randvoorwaarden t.a.v. t.a.v. het het gebiedsproces. gebiedsproces. Bijvoorbeeld Bijvoorbeeld als als het het gaat gaat over over inhoudelijke inhoudelijke en en financiële financiële participatie. participatie. Zo Zo kun kun je je bijvoorbeeld bijvoorbeeld eisen eisen dat dat het het gebiedsproces gebiedsproces uitmondt uitmondt in in een een omgevingsovereenkomst omgevingsovereenkomst waarin waarin de de resultaten resultaten van van het het gebiedsproces gebiedsproces staan staan weergegeven weergegeven zodat zodat je je dit dit kunt kunt meewegen meewegen bij bij de de besluitvorming. besluitvorming. Hoewel Hoewel je je meer meer kaders kaders stelt stelt blijft blijft de de initiatiefnemer initiatiefnemer wel wel aan aan zet. zet. b. b. Alternatief Alternatief waar waar je je als als overheid overheid meer meer aan aan zet zet bent bent is is een een tender. tender. De De provincie provincie organiseert organiseert een aanvraagprocedure (tender) voor de vergunning van een windpark. een aanvraagprocedure (tender) voor de vergunning van een windpark. Dit Dit kan kan door door voor voor bepaalde bepaalde locaties locaties aanbestedingen aanbestedingen uit uit te te schrijven, schrijven, waarbij waarbij partijen partijen in in concurrentie concurrentie met met elkaar projectplannen indienen.
Hierdoor houden we aan de voorkant elkaar projectplannen indienen. Hierdoor houden we aan de voorkant relatief relatief veel veel regie regie en en laten laten dit dit gedurende gedurende het het proces proces richting richting uitvoering uitvoering meer meer en en meer meer los. los. De variant maatschappelijke tender waarbij je als overheid bepaalt De variant maatschappelijke tender waarbij je als overheid bepaalt dat dat er er sprake sprake is is van van één één zoekgebied zoekgebied en en daarmee daarmee ook ook één één project project valt valt ook ook in in deze deze categorie. categorie. In In deze deze variant variant stel je een uitnodigingskader op, en stel je als voorwaarde dat er per zoekgebied stel je een uitnodigingskader op, en stel je als voorwaarde dat er per zoekgebied slechts slechts één één project project ingediend ingediend kan kan worden. worden. Daarmee Daarmee voorkom voorkom je je meerdere meerdere initiatieven initiatieven in in een een bepaald zoekgebied en dwing je partijen om tot samenwerking en gezamenlijk tot bepaald zoekgebied en dwing je partijen om tot samenwerking en gezamenlijk tot het het beste beste projectvoorstel projectvoorstel te te komen. komen.
Scenario Scenario 3: 3: Ontwikkelende Ontwikkelende overheid overheid Actief Actief grondbeleid grondbeleid of of energiebedrijf energiebedrijf
In In dit dit scenario scenario treedt treedt de de overheid overheid zelf zelf op op als als (mede) (mede) ontwikkelaar ontwikkelaar van van energieprojecten. energieprojecten. Dit kan door een actief grondbeleid te voeren op locaties en zelf te Dit kan door een actief grondbeleid te voeren op locaties en zelf te investeren investeren in in projecten projecten of of door door een een publiek-private publiek-private samenwerking samenwerking aan aan te te gaan, gaan, bijvoorbeeld bijvoorbeeld door door een een energiebedrijf op te richten, al dan niet in samenwerking met lokale energie-initiatieven. energiebedrijf op te richten, al dan niet in samenwerking met lokale energie-initiatieven. De De eigen eigen gronden gronden kunnen kunnen al al in in eigen eigen bezit bezit zijn zijn of of verworven verworven worden. worden. Ook Ook kun kun je je ervoor ervoor kiezen kiezen om voor een deel de regie te hebben door de grond te kopen, te ontwikkelen om voor een deel de regie te hebben door de grond te kopen, te ontwikkelen en en weer weer te te verkopen verkopen of of in in erfpacht erfpacht uit uit te te geven. geven.
In In dat dat geval geval ben ben je je als als provincie provincie of of gemeente gemeente niet niet de de exploitant van de windturbines of het zonnepark, maar heb je wel de mogelijkheid exploitant van de windturbines of het zonnepark, maar heb je wel de mogelijkheid om om in in de de overeenkomst overeenkomst vast vast te te leggen leggen dat dat de de exploitant exploitant een een bepaald bepaald percentage percentage lokaal lokaal eigendom eigendom moet toestaan. Ook kun je dan in de verkoopovereenkomst of het erfpachtcontract moet toestaan. Ook kun je dan in de verkoopovereenkomst of het erfpachtcontract nog nog andere andere voorwaarden voorwaarden opnemen, opnemen, bijvoorbeeld bijvoorbeeld over over de de inrichting inrichting van van de de openbare openbare ruimte. ruimte. Het voordeel van dit scenario is dat we maximaal regie hebben over alle Het voordeel van dit scenario is dat we maximaal regie hebben over alle randvoorwaarden randvoorwaarden van van het het project project en en ook ook het het maximale maximale rendement rendement kunnen kunnen behalen, behalen, dat dat ten ten goede goede komt komt van van de gebiedsontwikkeling. Nadeel zijn de eventuele financiële risico’s en het verlies de gebiedsontwikkeling. Nadeel zijn de eventuele financiële risico’s en het verlies van van de de onafhankelijke onafhankelijke positie. positie.
18
3.2.2 Projectparticipatie Over projectparticipatie zijn in beide RES-regio’s afspraken gemaakt. Deze afspraken, zoals vastgelegd in de Startnota en in RES 1.0, vormen het uitgangspunt voor ons beleid. In RES 1.0 is afgesproken dat we dit gebiedsgericht en grens ontkennend organiseren. Dat hebben we zo afgesproken omdat gemeentelijke, regionale, of provinciale grenzen niet zichtbaar zijn, maar windturbines en zonnevelden wel. Inwoners aan beide kanten van een grens kunnen zicht hebben op de hernieuwbare energieprojecten. Als inwoners aan de ene kant van de grens niet mee kunnen praten en/of mee kunnen doen, terwijl ze wel een ingreep ervaren op hun directe leefomgeving, kan dat leiden tot verminderde maatschappelijke acceptatie. Projectparticipatie gaat daarbij over twee zaken: lokaal eigendom en participatie. In de RES 1.0 van beide regio’s is afgesproken dat elke gemeente lokaal eigendom en kaders rondom participatie borgt in het lokale beleid. Echter, in sommige gevallen zullen we als provincie optreden als het bevoegd gezag. Ook als provincie is het daarom van belang om de belangrijkste kaders rondom lokaal eigendom en participatie in ons beleid op te nemen. Daar komt bij dat als de Omgevingswet in werking treedt, wij verantwoordelijk zijn voor de invulling van participatie (bij optreden als bevoegd gezag). Belangrijk is dat wij aansluiten bij de kaders uit de beide RESsen.
Voor de duidelijkheid benoemen wij hieronder echter de belangrijkste punten voor de provincie in haar handelen en beoordeling van projecten. De wettelijke minimale eisen voor projectparticipatie (conform Artikel 5.3 Omgevingsbesluit) zijn: • Wie worden betrokken? • Waarover worden zij betrokken? • Wanneer worden zij betrokken? • Wat is de rol van het bevoegd gezag en de initiatiefnemer bij het betrekken van deze partijen? • Waar is aanvullende informatie beschikbaar? In dit programma geven wij geen precies antwoord op deze vragen. Dit antwoord verschilt namelijk per project en is ook afhankelijk van onze rol. Aanvullend op de afspraken in de RES willen we bij projectparticipatie in ieder geval het volgende terugzien bij windprojecten: • Optimale participatie van de omgeving. De initiatiefnemer stelt hiertoe een participatieplan op en heeft een inspanningsverplichting.
Daarbij dient in ieder geval antwoord te worden gegeven aan de wettelijke vereisten zoals hierboven; • Als onderdeel van projectparticipatie willen wij (bij voorkeur) dat er een omgevingsadviesraad (OAR) of soortgelijk orgaan wordt ingesteld waarin alle belanghebbende partijen deelnemen zodat een representatief beeld van belangen wordt meegenomen en meegewogen in het participatieproces Waar gewenst kunnen we als provincie bijdragen aan een onafhankelijk procesbegeleider om het participatieproces middels een OAR te faciliteren. Waar nodig werken we nadere kaders voor toepassing van de OAR uit. Voor meer informatie over de OAR verwijzen we naar de provinciale Windwijzer. • De resultaten van het participatieproces worden weergegeven in een verslag. Een goede manier om dit te doen is een omgevingsovereenkomst. Dit helpt om inzicht te krijgen in de punten waarover wel/niet overeenstemming bereikt is met de omgeving en wat de argumenten hiertoe zijn. De mate van participatie en de resultaten hiervan wegen we mee in de vergunningverlening.
20
• Deze aanvullende kaders zijn geldig op het moment dat wij optreden als bevoegd gezag. Als wij het bevoegd gezag overdragen aan de gemeente kunnen wij deze kaders mede-overdragen.
3.2.3 Lokaal eigendom Lokaal eigendom betekent dat inwoners en/of bedrijven uit de lokale gemeenschap mede-eigenaar zijn van een energieproject. Daarbij gaat het om collectief eigendom, vaak in de vorm van een coöperatie. Ook deelname van de gemeente is lokaal eigendom, mits de opbrengsten terugvloeien naar de samenleving. Met lokaal eigendom zorgen we dat de lokale inwoners en/ of bedrijven zowel kunnen meebeslissen als meeprofiteren. Hierbij is onze doelstelling – in aansluiting op de beide RES-regio’s in Overijssel – minimaal 50% lokaal eigendom voor wind- en zon op land. Om dit te bereiken is het van belang dat inwoners en/of ondernemers vanaf de ontwikkelfase zeggenschap hebben in het project. De keerzijde is dat 50% lokaal eigendom ook vraagt om ondernemerschap, investeren en daarmee risico lopen. Wij kunnen hierbij ondersteunen. Dat doen we door het beschikbaar stellen van visualisaties voor gesprekken met omwonenden, door het leveren van projectleiders bij grensoverschrijdende projecten en door in voorkomende gevallen op te treden als bevoegd gezag en zo te sturen op lokaal eigendom. Daarnaast bieden we via het Energiefonds Overijssel financiële ondersteuning, voor de ontwikkelfase waarin coöperaties vaak nog niet de middelen hebben om te investeren.
Wij onderzoeken of dit voldoende is of dat aanvullende financiering mogelijk nodig is, bijvoorbeeld voor het eigen vermogen of de realisatie. Mocht het uiteindelijk niet mogelijk blijken om 50% lokaal eigendom te realiseren dan is er ruimte om hier vanwege lokale project gerelateerde redenen van af te wijken. Dat moet nader gemotiveerd worden, alsook welke mogelijkheden openblijven voor lokale partijen om later alsnog tegen redelijke voorwaarden in te stappen. De eis van 50% lokaal eigendom staat los van financiële compensatie van de omgeving zoals doorgaans gebeurt door een omgevingsfonds en/of een omwonendenregeling.
21
22
Hoofdstuk 4. Mijlpalen en planning Om de ambities voor 2030 te halen hebben wij 3 mijlpalen beschreven. Deze mijlpalen kunnen we halen door bijgaande planning. Door de voortgang jaarlijks te monitoren kunnen we bezien of we de planning halen of zo nodig moeten bijsturen.
4.1 Mijlpalen in het traject om de afgesproken ambitie te halen Eerste mijlpaal Analyse van de monitoring in relatie met kaart grootschalige opwek met een doorkijk naar slagingskansen van projecten Tweede mijlpaal
De RES 2.0 dient op 1 juli 2023 te worden vastgesteld.
Derde mijlpaal 1 januari 2025 (‘alle omgevingsvergunningen verleend’) maakt het mogelijk om terug te rekenen wanneer welke resultaten behaald moeten zijn. Dit betekent dat in de loop van 2023 alle omgevingsvergunningen aangevraagd moeten zijn. Dit alles overdenkende moet al voor de vaststelling van de RES2.0, dus per 1 juli 2023 duidelijk worden welke projecten kansrijk zijn en is het wenselijk om nu al aan overprogrammering te denken.
4.2 Planning in relatie met afspraken in de RES
23
2023-019
24