CConstaterende datRaalte
Koppel je AI →
Document · PDF

bp Park Alerdick - toelichting

Raadsvergadering 28 november 2024, gemeente RaalteBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Buitengebied Raalte, partiële herziening nr. 41, Park Den Alerdinck (hamerstuk)11.399 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Het beleid is gericht op behoud in situ. Indien dit niet mogelijk is, dan geldt altijd een onderzoeksplicht en overleg met de regionaal archeoloog. Analyse De voorziene plannen die onderliggend bestemmingsplan mogelijk maakt heeft geen directe invloed op het aspect archeologie omdat het plan niet voorziet in bodemingrepen. Ter bescherming van bestaande waarden zijn de drie bestaande archeologische dubbelbestemmingen wel overgenomen uit het bestemmingsplan Buitengebied. Daardoor zijn eventuele bodemingrepen in de toekomst aan regels gebonden.

5.2.2 Cultuurhistorie en monumenten In de toelichting van ruimtelijke plannen moet naast een toets aan archeologie ook een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en/of monumenten rekening is gehouden. 26

Analyse Er bevinden zich in het plangebied karakteristieke en monumentale gebouwen en elementen. Daarnaast is er sprake van landschappelijke waarden. Al deze cultuurhistorisch waardevolle elementen zijn middels een monumentale status, aanduiding of dubbelbestemming in de het bestemmingsplan geborgd. Voor het verruimen van de gebruiksmogelijkheden van de groepsaccommodatie, kantoren en horeca geldt dat deze in een bestaand pand plaatsvindt en geen invloed heeft op cultuurhistorische waarden. Ten aanzien van de afwijkingsmogelijkheid ten behoeve van het organiseren van evenementen is als voorwaarde in de regels van het bestemmingsplan opgenomen dat ten gevolge van het betreffende evenement de natuur- en landschapswaarden niet onevenredig mogen worden aangetast en dat het evenement past bij het karakter van het landgoed. Daarmee is geborgd dat een afweging wordt gemaakt ten aanzien van landschappelijke en cultuurhistorische waarden. Conclusie De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor onderliggend bestemmingsplan.

5.3 Flora en fauna Beleidskader In ruimtelijke plannen moet worden aangetoond hoe de ontwikkelingen die hierin mogelijk worden gemaakt zich verhouden met de wet- en regelgeving op het gebied van gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is de bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden geregeld in de Wet natuurbescherming. Op het gebied van gebiedsbescherming regelt de wet de bescherming van zes verschillende soorten natuurgebieden: het natuurnetwerk Nederland, bijzondere provinciale natuurgebieden, bijzondere provinciale landschappen, nationale parken, bijzondere nationale natuurgebieden en Natura 2000-gebieden. Bij activiteiten of ontwikkelingen die kunnen leiden tot negatieve effecten op instandhoudingsdoelen voor een van deze gebieden moet een vergunning worden aangevraagd. Analyse Ten behoeve van de wijziging van een bestemmingsplan dient te worden onderzocht of binnen en in de nabijheid van het plangebied beschermde plant- en diersoorten en/of natuurgebieden aanwezig zijn en of deze worden aangetast ten gevolge van het voorziene plan. Het plan voorziet gedeeltelijk in gewijzigd gebruik van bestaande bouwwerken. Negatieve effecten van de voorgenomen activiteiten op beschermde flora- en faunasoorten en beschermd (natuur)gebied zijn gezien dit feit op voorhand uit te sluiten, wanneer conform de zorgplicht gehandeld wordt.

Daarnaast is de evenemetenregeling binnen de bestemming maatschappelijk aangepast en gelijkgetrokken aan de binnenplanse regeling die van toepassing is rondom de havezate. Conclusie De voorgenomen activiteiten leiden niet tot wettelijke consequenties in het kader van soort- of gebiedsbescherming. Het plan is op basis van het aspect ecologie uitvoerbaar. 27

5.4 Bodem Beleidskader Bij de ontwikkeling van een ruimtelijk plan en/of bestemmingsplan dient rekening te worden gehouden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of voor de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan. Voor een bestemming zoals wonen, gelden andere normen dan voor bijvoorbeeld de bestemming bedrijven. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Dit is het zogenaamde stand still-beginsel. Analyse Daarnaast is de evenemetenregeling binnen de bestemming maatschappelijk aangepast en gelijkgetrokken aan de binnenplanse regeling die van toepassing is rondom de havezate. Conclusie Het plan is op basis van het aspect bodem uitvoerbaar.

5.5 Geluid Beleidskader Geluidsoverlast kan worden veroorzaakt door industrielawaai, railverkeerslawaai, wegverkeerslawaai en luchtverkeerslawaai. De Wet geluidhinder en de Luchtvaartwet kennen grenswaarden voor geluid. Bepaalde geluidgevoelige objecten mogen alleen worden toegelaten als zij geen ontoelaatbare geluidsbelasting ondervinden. Daartoe moeten op grond van artikel 3.3.1 Besluit ruimtelijke ordening zones in het bestemmingsplan worden opgenomen rond geluidbronnen. Het bestemmingsplan moet de ligging en de afmetingen van woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen gelegen binnen de zone van een weg, spoorweg of industrieterrein als bedoeld in de Wet geluidhinder aangeven. Als een bepaalde bestemming en/of een bepaalde geluidsbron niet in de Wet geluidhinder of Luchtvaartwet is geregeld, moet in het kader van de goede ruimtelijke ordening toch een akoestische afweging gemaakt worden. Analyse Onderliggend plan voorziet in het voortzetten van bestaand gebruik van gebouwen en in het verruimen van de mogelijkheid om evenementen te organiseren op de buitenplaats. Dit laatste onder voorwaarden. Er worden geen geluidgevoelige functies mogelijk gemaakt. Wel kunnen evenementen die op basis van dit bestemmingsplan mogelijk gemaakt kunnen worden tot geluidsproductie leiden.

Ten behoeve van het organiseren van dergelijke evenementen dient voldaan te worden aan de wettelijke akoestische criteria die gelden voor evenementen. Bij de aanvraag van de vergunning voor het betreffende evenement wordt daar op getoetst. Conclusie Het plan is op basis van het aspect akoestiek uitvoerbaar.

5.6 Water Beleidskader 28

Sinds 1 november 2003 is voor alle ruimtelijke plannen de watertoets verplicht. Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van Rijk, Provincies en gemeenten. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. Analyse In het kader van onderliggend plan heeft een digitale watertoets plaatsgevonden. Op basis van deze digitale toets concludeert het waterschap dat met het plan geen waterschapsbelang wordt geraakt. Het waterschap gaat akkoord met het plan. Als bijlage 1 is de digitale watertoets opgenomen. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor onderliggend plan.

5.7 Bedrijven en milieuzonering Kader In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet worden beoordeeld of bedrijven in de omgeving worden belemmerd door de ontwikkeling en of ter plaatse van gevoelige functies, zoals woningen, sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor de beoordeling is gebruik gemaakt van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering (VNG, editie 2009). Per milieucategorie geldt een minimaal gewenste afstand, de richtafstand. Deze richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds als uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is. De in de handreiking opgenomen afstanden zijn indicatief en kunnen per gebiedstype, waarin de ontwikkeling zal plaatsvinden, verschillen. Hierbij is het uitgangspunt dat deze afstanden gemotiveerd worden toegepast. Wanneer het plangebied en omgeving getypeerd kunnen worden als 'gemengd gebied' bedragen de hindercontouren minder. De VNG-publicatie omschrijft een gemengd gebied als: ‘Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels horeca en kleine bedrijven.’ Analyse Onderliggend plan maakt geen nieuwe milieugevoelige functie mogelijk.

Tevens zijn in de directe omgeving van het plangebied geen bedrijven of instellingen aanwezig die enige impact hebben op het plangebied. Conclusie Op basis van voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect bedrijven en milieuzonering geen beperkende invloed op onderliggend initiatief heeft.

5.8 Externe veiligheid Kader Uitgangspunt bij het externe veiligheidsbeleid is een risicobenadering op basis van risicoberekeningen, met daarbij een wettelijke norm voor het plaatsgebonden risico (een basisbeschermingsniveau voor elk individu) en een afwegingsruimte voor het bevoegd gezag om te bepalen welke risico’s voor grotere

29

groepen mensen aanvaard worden (de verantwoordingsplicht van het groepsrisico). De doelstelling van het externe veiligheidsbeleid luidt: ‘Het uitvoeren van een veiligheids- en risicobeleid om mens en milieu te beschermen tegen maatschappelijk onaanvaardbaar geachte gezondheids- en milieurisico’s. De overheid garandeert een zogenaamd ‘basisbeschermingsniveau’ voor externe veiligheid.’ Analyse In het kader van onderliggend plan is de risicokaart geraadpleegd. Hieruit blijkt dat zich in de directe omgeving van het plangebied geen risico’s voordoen die het initiatief onmogelijk maken. Conclusie Het aspect externe veiligheid is niet van invloed op onderliggend initiatief.

5.9 Luchtkwaliteit Beleidskader Met betrekking tot de luchtkwaliteit moet rekening worden gehouden met het gestelde in de Wet milieubeheer (Wm), hoofdstuk 5, titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen en de bijbehorende bijlagen. In deze wet en de daarop gebaseerde regelingen - Besluit NIBM (luchtkwaliteitseisen) en Regeling NIBM (luchtkwaliteitseisen) - is getalsmatig vastgelegd dat bepaalde projecten 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor stikstof (NO2), fijnstof (PM10) en zeer fijn stof (PM2,5) In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de Wet milieubeheer geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als: -

er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL; een project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging.

Analyse Het plan betreft het voorzetten van bestaand gebruik en verruimingsmogelijkheden voor het organiseren van evenementen. Het betreft hier een plan categorie 3A.2 overeenkomstig bijlage 3a van de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (milieukwaliteitseisen). Per ontsluitingsweg worden minder dan 1500 woningen en/of minder dan 100.000 m2 bvo kantoor gerealiseerd. Volgens bijlage 3B van de Regeling draagt het plan hierdoor ‘niet in betekenende mate’ bij. Er hoeft daarom niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof PM10/PM2,5. Conclusie Het plan draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Het project is op basis van het aspect luchtkwaliteit uitvoerbaar.

5.10 Verkeer en parkeren Beleidskader 30

In het kader van ruimtelijke plannen dient te worden aangetoond dat het plan niet leidt tot ongewenste situaties ten aanzien van verkeer (bereikbaarheid) en parkeren. Om de parkeerbehoefte te bepalen wordt door de gemeente Raalte gebruik gemaakt van het parapluplan parkeren. Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen moet zijn verzekerd dat wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid voor motorvoertuigen. Analyse Huidige situatie Binnen het bouwperceel van de huidige maatschappelijke bestemming, zijn momenteel 22 parkeerplaatsen (P1) aan de voorzijde en 32 parkeerplaatsen (P2) voor de Schaapskooi aanwezig. Per saldo zijn er 54 parkeerplaatsen aanwezig. Op onderstaande afbeelding is dat weergegeven.

Overzicht parkeermogelijkheden. Nieuwe situatie De parkeernorm voor kantoorfuncties in het buitengebied ligt op basis van de vastgestelde parkeernormennota uit 2015 in het buitengebied op 2,6 parkeerplaatsen per 100 m2/BVO. Met een oppervlakte van 800 m2 kantoor is zodoende sprake van maximaal 22 parkeerplaatsen. De CROW-norm voor parkeren die het meest aansluit bij de voorziene groepsaccommodatie (maatschappelijke/recreatief) betreft de functie ‘Hotel’ (2-3 persoons kamer). Daarbij wordt gesteld dat per 10 kamers 4,4 tot 4,6 parkeerplaatsen beschikbaar moeten zijn. Dit betekent dat er voor onderliggend plan van 2 x 28 kamers, 26 parkeerplaatsen beschikbaar moeten zijn. Volledigheidshalve is de totale parkeerbalans op het landgoed in onderstaande tabel weergegeven, waaruit blijkt dat er voldaan wordt aan de parkeernorm.

31

Binnen het plangebied bestaat de mogelijkheid om evenementen te realiseren. Ten behoeve van deze evenementen dient in het kader van een goede ruimtelijke oplossing in voldoende parkeerplaatsen te worden voorzien. Hiervoor zijn in aansluiting op het plangebied in de vorm van weilanden voldoende mogelijkheden. De ervaring leert dat parkeren hier goed kan worden opgelost. Conclusie De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor onderliggend plan.

5.11 Mer-beoordeling Beleidskader Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. De wijziging van het Besluit m.e.r. volgt uit de implementatie van artikel 1, vierde lid, onder a en b, van Richtlijn 2014/52/EU van de Europese Unie. De artikelen 7.16 tot en met 7.20a van de Wet milieubeheer (Wm) zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing, waarbij het niet uitmaakt of het een activiteit betreft boven of onder de D-drempel. In het gewijzigde Besluit m.e.r. is de procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling beschreven. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, dienen de volgende stappen genomen te worden. 1. De initiatiefnemer stelt een aanmeldingsnotitie op. 2. Het bevoegd gezag neemt binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit. 3. De initiatiefnemer voegt het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag (Artikel 7.28 Wet milieubeheer).

Analyse Het besluit tot het verlenen van een omgevingsvergunning heeft betrekking op activiteiten die voorkomen op de D-lijst uit het Besluit m.e.r. (D.10). Het betreft: de aanleg, wijziging of uitbreiding van:

32

a. b. c. d. e.

skihellingen, skiliften, kabelspoorwegen en bijbehorende voorzieningen; jachthavens. vakantiedorpen en hotelcomplexen buiten stedelijke zones met bijbehorende voorzieningen, permanente kampeer- en caravanterreinen, of themaparken.

Onderliggend plan kan hier redelijkerwijs onder geschaard worden. Voor deze activiteit zijn drempelwaarden opgenomen voor de omvang van het project. Deze drempelwaarden betreffen recreatieve ontwikkelingsprojecten met: -

een oppervlakte van > 25 hectare, >250.000 bezoekers

De oppervlakte van de voorgenomen activiteit blijft onder de drempelwaarden van 25 hectare en een bezoekersaantal van 250.000. Om die reden dient een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaats te vinden. De kenmerken van het project worden in toelichting hoofdstuk 3 beschreven. Aangezien de ontwikkeling zich beperkt tot de wijziging van het gebruik van een bestaand pand en een wijziging van de omvang van evenementen, zijn de effecten van het plan op de omgeving beperkt. De effecten hebben met name te maken met verkeer en de emissie die daardoor veroorzaakt wordt. Gezien de schaal en aard van de ontwikkeling kan gesteld worden dat ook de effecten van het verkeer en de emissies verwaarloosbaar zijn. Er treden daarmee geen effecten op kwetsbare gebieden op. Van cumulatie met andere projecten is geen sprake. Het gaat om op een opzichzelfstaande ontwikkeling. In aanvulling op het voorgaande zijn in het kader van de voorgenomen ontwikkeling de belangrijkste milieuaspecten in beeld gebracht in dit hoofdstuk. Als bijlage 2 is dit vertaald in een aanmeldnotitie. Conclusie Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De huidige onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent voorliggend bestemmingsplan en een eventueel op te stellen m.e.r.

Het opstellen van een milieueffectrapportage zal geen verder inzicht verschaffen op de relevante milieuaspecten. Volstaan wordt met een vormvrije m.e.r.-beoordeling.

33

6. Maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid 6.1 Algemeen Conform artikel 3.1.6 van het Bro dient bij de voorbereiding van een ruimtelijke procedure onderzoek te worden ingesteld naar de uitvoerbaarheid van het plan. Bij de uitvoering van een plan kan in zijn algemeenheid onderscheid worden gemaakt tussen de maatschappelijke uitvoerbaarheid en de economische uitvoerbaarheid. Bij maatschappelijke uitvoerbaarheid gaat het er om hoe de verwezenlijking door de maatschappij (overheid en burgers samen) wordt gedragen. Bij het tweede gaat het om de kosten en andere economische aspecten die met de verwezenlijking van het plan samenhangen. Tevens is in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) geregeld dat in het kader van een ruimtelijk plan voor bepaalde bouwplannen de grondexploitatieregeling van toepassing is.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich voornamelijk woningen. Belanghebbenden in de directe omgeving van het plangebied zijn door initiatiefnemer op de hoogte gesteld van onderliggend initiatief.

6.3 Economische uitvoerbaarheid Per 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening in werking getreden. Afdeling 6.4 van de Wet ruimtelijke ordening verplicht de gemeente tot het verhalen van kosten bij grondexploitatie via een exploitatieplan, tenzij kostenverhaal anderszins is verzekerd. De kosten voortvloeiende uit de ontwikkeling komen voor rekening van initiatiefnemer. Met initiatiefnemer is een anterieure overeenkomst gesloten waarin tevens het risico op planschade is meegenomen. Hiermee is het kostenverhaal voor de gemeente volledig verzekerd. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven.

34

7. Vooroverleg 7.1 Het Rijk In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat deze binnenplanse afwijking geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk.

7.2 Provincie Overijssel Het plan is ambtelijk doorgesproken met de provincie Overijssel. De provincie heeft aangegeven geen bezwaar te hebben tegen dit plan.

7.3 Waterschap Drents Overijsselse Delta In het kader van onderliggend plan is een digitale watertoets uitgevoerd. Voor de resultaten daarvan wordt verwezen naar paragraaf 5.6 van deze ruimtelijke onderbouwing.

7.4 Inspraak Gezien de relatief beperkte planologische wijziging wordt geen voorontwerpwijzigingsplan ter inzage gelegd. Met zes omwonenden aan de Zuthemerweg heeft overleg plaatsgevonden. De reacties van omwonenden op het plan zijn positief. In de beleving van de omgeving ontstaat er een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Er wordt in het plan waar mogelijk rekening gehouden met opmerkingen ten aanzien van parkeren.

7.5 Zienswijzen Deze paragraaf zal worden aangevuld na de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan.

35

8. Toelichting op de regels 8.1 Inleiding In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op de bestaande situatie, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het opstellen van het bestemmingsplan: de verbeelding (plankaart) en de regels. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de opzet van dit bestemmingsplan. Daarnaast worden de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels verantwoord. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom bepaalde bestemmingen zijn aangewezen en waarom bepaalde bebouwing acceptabel is. Het bestemmingsplan bestaat uit een toelichting, regels en een verbeelding. De regels en de verbeelding vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan en dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. De toelichting vormt de verantwoording voor de gemaakte keuzen voor de inrichting van het plangebied en de toekenning van de bestemmingen. Dit bestemmingsplan is opgesteld aan de hand van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen SVBP2012, zoals vastgelegd in de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012. De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende hoofdstukken: -

Hoofdstuk 1 Inleidende regels; Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels; Hoofdstuk 3 Algemene regels; Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels.

8.2 Opzet regels In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De Standaard voor vergelijkbare bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012) is verplicht. De Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 maakt het mogelijk bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. Vergelijkbare bestemmingsplannen leiden tot een betere dienstverlening en tot een effectievere en efficiëntere overheid. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken.

8.2.1 Inleidende regels Hoofdstuk 1 bevat regels die gelden voor het gehele plangebied en bestaat uit: artikel 1 Begrippen: In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen, voor een eenduidige interpretatie van deze begrippen.

8.2.2 Bestemmingsregels Hoofdstuk 2 bevat de juridische vertaling van de verschillende bestemmingen die voorkomen in het plangebied. Voor ieder gebied op de verbeelding is de bestemming aangegeven. Deze bestemmingen zijn in de regels onderverdeeld in onder meer:

36

-

bestemmingsomschrijving bouw- en gebruiksregels afwijken van bouw en gebruiksregels

In paragraaf 7.3 worden de verschillende bestemmingen toegelicht.

8.2.3 Algemene regels Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels bestaan uit de Anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, algemene aanduidingsregels, algemene afwijkingsregels en overige regels.

8.2.4 Overgangs- en slotregels In hoofdstuk 4 staan de overgangs- en slotregels. Hierin wordt de officiële benaming van dit bestemmingsplan weergegeven.

8.3 Nadere toelichting op de regels Artikel 3. Maatschappelijk De voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden zijn bestemd voor maatschappelijke voorzieningen, gezondheidszorg, onderwijs, openbare dienstverlening en verenigingsleven. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - verblijfsrecreatie' is tevens recreatieverblijven in de vorm van recreatiewoningen en groepsaccommodaties toegestaan en ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - kantoor' tevens kantoren. In ondergeschikte vorm zijn evenementen en horeca toegestaan. ten aanzien van de evenementen geldt dat voorwaarden zijn verbonden aan het aantal, de duur en de omvang van de evenementen. Onder voorwaarden, op basis van een afwijkingsmogelijkheid, kan hier van worden afgeweken. Artikel 4. Waarde – Archeologie 2 De voor 'Waarde - Archeologie - 2' aangewezen gronden zijn - behalve voor de aldaar voorkomende maatschappelijke bestemming - mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden in een archeologische verwachtingszone met een middelhoge archeologische verwachting.

37

Bijlage 1. Digitale watertoets

38

Bijlage 2. M.e.r. aanmeldnotitie

39

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Raalte&id=5fc330b6-735a-4a97-821e-d7c8d5990638