Bijlagen bij de motivering 8 Quickscan natuurwaarden
Tekst van het document
RAPPORTAGE quickscan natuurwaarden Pereland Broekland
Rapport quickscan natuurwaarden Pereland, Broekland Opdrachtgever
Gemeente Raalte Zwolsestraat 16 8101 AC Raalte
1
Rapportnummer
25294.001
Versienummer
D1
Status
Definitief
Datum
8 mei 2024
Opsteller1
De heer J.A.S. Moens, MSc
Kwaliteitscontrole
De heer G.J. Sieperda, MSc
Vrijgave
In onze rapportages wordt niet gewerkt met handtekeningen en/of parafen. Conform protocol en eisen uit het kwaliteitssysteem wordt het rapport aantoonbaar vrijgegeven.
KWALITEITSZORG Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. CERTIFICERING Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhand-boek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NENEN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Daarnaast staat veilig werken bij Econsultancy voorop en zijn we gecertificeerd voor VCA*. BETROUWBAARHEID Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.
Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt.
Al onze rapportages worden opgesteld conform de ‘Handreiking omgaan met AVG in bodemonderzoeken’ opgesteld door de VKB (29 juni 2022). Hiermee voldoet de rapportage aan de eisen die de wet en NEN normen ons stellen en wordt tevens voldaan aan de AVG. In het kader van de AVG dient, voorafgaand aan publicatie of bij uitlevering aan derden, bijlagen met kadastrale uittreksels en namen van opdrachtgevers, door de publicerende instantie, verwijderd dan wel zwart gelakt te worden. GELDIGHEID ONDERZOEK In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Omgevingswet, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen.
Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de rechthebbende.
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING .................................................................................................................................................. 1
2
GEBIEDSBESCHRIJVING .............................................................................................................................. 2 2.1 2.2
Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................................ 2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen .................................. 4
3
ONDERZOEKSMETHODIEK ......................................................................................................................... 5
4
AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN .............................................................. 6 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7
5
TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING ................................................................................................ 14 5.1 5.2 5.3
6
Vogels ............................................................................................................................................. 6 Vleermuizen ................................................................................................................................... 8 Overige zoogdieren ........................................................................................................................ 9 Reptielen, amfibieën en vissen .................................................................................................... 11 Ongewervelden ............................................................................................................................ 12 Planten ......................................................................................................................................... 12 Specifieke zorgplicht .................................................................................................................... 13
Broedvogels .................................................................................................................................. 14 Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën .................................................................. 15 Overige soort(groep)en ................................................................................................................ 16
TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING ............................................................................................... 17 6.1 6.2
Natura 2000 ................................................................................................................................. 17 Natuurnetwerk Nederland ........................................................................................................... 18
7
HOUTOPSTANDEN ................................................................................................................................... 19
8
SAMENVATTING EN CONCLUSIES ............................................................................................................ 20
Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3
Natuurwetgeving en doelen Natura 2000 Natuurwetgeving Natuurnetwerk Nederland Omgevingswet
25294.001
1
INLEIDING
Econsultancy heeft van Gemeente Raalte opdracht gekregen voor het uitvoeren van een quickscan natuurwaarden aan de Pereland te Broekland. De quickscan natuurwaarden is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen plannen voor het realiseren van nieuwbouwwoningen. De quickscan natuurwaarden heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de natuurbescherming onder de Omgevingswet een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Omgevingswet zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Econsultancy is lid van de branchevereniging Netwerk Groene Bureaus en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen. In dat kader verklaart Econsultancy ten behoeve van de onderzoekslocatie niet eerder betrokken te zijn geweest bij ecologische advisering of ecologisch onderzoek.
25294.001 versie D1
1 / 21
2
GEBIEDSBESCHRIJVING
2.1 Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving De onderzoekslocatie (± 7.495 m²) ligt aan de Pereland te Broekland. In figuur 2.1 is de onderzoekslocatie weergegeven.
Figuur 2.1 Topografische ligging van de onderzoekslocatie.
De onderzoekslocatie betreft een grasveldperceel, waarin een paarden wei met aantal bomen in staan. De paardenwei wordt omheind door een haag welke ook de oostelijke kant van het plangebied begrensd. Ten oosten van deze haag ligt een greppel welke ten tijden van het veldbezoek droog stond. Dit ondanks de vele regenval en hoge waterstand. De onderzoekslocatie wordt aan de zuidkant begrensd door de Pereland en aan de oostkant door de Horstweg. Langs de horstweg bevinden zich laanbomen. Ten westen bevindt zich al nieuwbouw die ten tijden van het schrijven van deze quickscan in aanbouw is. Ten noorden en de wijdere omgeving van de onderzoekslocatie bestaat uit de omgeving uit agrarisch landschap. In figuur 2.2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. Figuur 2.3 t/m figuur 2.8 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek.
25294.001 versie D1
2 / 21
Figuur 2.2 Luchtfoto van de onderzoekslocatie.
Figuur 2.3 Onderzoekslocatie gezien vanaf de Pereland.
Figuur 2.4 Paardenwei.
Figuur 2.5 Moestuin gelegen naast de paardenwei.
Figuur 2.6 Takkenhopen gelegen ten noorden van de onderzoekslocatie.
Figuur 2.7 Haag en greppel in oosten van de onderzoekslocatie.
Figuur 2.8 Oostelijke hoek onderzoekslocatie.
25294.001 versie D1
3 / 21
2.2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen De initiatiefnemer is voornemens nieuwbouwwoningen te realiseren op de onderzoekslocatie. Ten tijden van het schrijven van dit rapport zijn de voorgenomen inrichting van de onderzoekslocatie nog niet bekend.
25294.001 versie D1
4 / 21
3
ONDERZOEKSMETHODIEK
Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een bureauonderzoek en een veldbezoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. Het veldbezoek is afgelegd op 10 april 2024. Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van “expert judgement” nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Overijssel opgevraagd. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna zijn uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opgevraagd. De quickscan natuurwaarden is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek. Er zijn in het onderhavige onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.
25294.001 versie D1
5 / 21
4
AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN
Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat/verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- of voortplantingsplaatsen, foerageergebied en verbindingsroutes. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. In hoofdstuk 5 wordt beschreven welke juridische implicaties dit voor het project heeft.
4.1 Vogels Broedvogels (nesten jaarrond beschermd) Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. Op de grens van de bebouwde kom en het agrarisch buitengebied kunnen dit zijn: boomvalk, buizerd, havik, huismus, gierzwaluw, boerenzwaluw, huiszwaluw, ooievaar, steenuil, kerkuil, ransuil, roek, sperwer en slechtvalk. Van deze soorten kunnen de ooievaar en slechtvalk op voorhand worden uitgesloten. De ooievaar broedt enkel in hoge bomen of masten en de slechtvalk broed uitsluitend op hoge stenige bebouwing, zoals kantoorgebouwen, torens en fabrieksschoorstenen. Beide zijn niet op de onderzoekslocatie aanwezig. Boomvalk, ransuil en sperwer De boomvalk en ransuil gebruiken veelal oude ekster- of kraaiennesten om zelf in te broeden. Of nesten van vergelijkbare grote voor de sperwer. Deze soorten hebben een voorkeur voor halfopen landschappen waar bossen zich afwisselen met op velden om te kunnen jagen. Het plangebied en directe omgeving hiervan vallen derhalve onder het geschikte leefgebied van deze soorten. Echter was er in de bomen die op de onderzoekslocatie en de laan bomen die zich naast de onderzoekslocatie bevinden geen nest waargenomen. Aanwezigheid van een nest van deze soorten kan derhalve worden uitgesloten.
Overtredingen van verbodsbepalingen op de omgevingswet ten aanzien van de boomvalk, ransuil en sperwer kunnen worden uitgesloten.
Buizerd en havik De buizerd en havik bouwen een eigen nest of knappen een oud roofvogelnest op. Nesten van deze soorten bevinden zich in naald- of loofbomen. Op de onderzoekslocatie bevinden zich maar een paar bomen waarvan de kleine bomen in de paardenwei en de boom in de zuidoostelijke hoek van het plangebied. De kleine bomen in de paardenwei zijn niet groot en hoog genoeg voor een nest van deze roofvogels, hiernaast waren er tijdens het veldbezoek geen nesten aanwezig in de aanwezige bomen. Ook in de laanbomen die zich naast het plangebied bevinden waren geen nesten aanwezig. Aanwezigheid van een nest van deze soorten kan derhalve worden uitgesloten. Overtredingen van verbodsbepalingen op de omgevingswet ten aanzien van de buizerd en havik kunnen worden uitgesloten.
25294.001 versie D1
6 / 21
Huismus en gierzwaluw De huismus en gierzwaluw broeden in los kolonieverband. Deze soorten zijn gebonden aan bebouwing. De huimus nestelt zich voornamelijk onder dakpannen, achter regenpijpen en andere openingen, spleten en ruimtes. De gierzwaluw is broed alleen binnen stenige bebouwing. Gezien het op de onderzoekslocatie ontbreekt aan bebouwing zijn er geen potentiële nest gelegenheden binnen de onderzoekslocatie. Derhalve kunnen overtredingen op verbodsbepalingen van de omgevingswet ten aanzien van de huismus en gierzwaluw worden uitgesloten. Roek De roek broedt in kolonieverband in bomen. Derhalve is aanwezigheid van nesten van deze soort relatief makkelijk waar te nemen. Gezien er geen nesten in de bomen op de onderzoekslocatie of in de laanbomen naast de onderzoekslocatie zijn waargenomen kan aanwezigheid de roek op de onderzoekslocatie worden uitgesloten. Huiszwaluw en boerenzwaluw De huiszwaluw en boerenzwaluw broeden in los kolonieverband. Beide soorten metselen een nest van klei waarin ze broeden aan bebouwing. Gezien zich er geen bebouwing op het plangebied bevind kan aanwezigheid van een nest van deze soorten worden uitgesloten. Overtreding van op verbodsbepalingen van de Omgevingswet ter aanzien van de huiszwaluw en boerenzwaluw kunnen worden uitgesloten. Steenuil De steenuil is sterk gebonden aan kleinschalig agrarisch landschap.
De steenuil broedt in gebouwen of schuren op boerenerven maar kan ook gebruik maken van holtes in knotwilgen of fruitbomen. De steenuil heeft een relatief klein territorium waar jaarrond gebruik van gemaakt wordt. De bebouwing in de directe omgeving van de onderzoekslocatie kan mogelijk broedgelegenheid bieden aan de steenuil. Het is daarom niet uit te sluiten dat de onderzoekslocatie onderdeel uitmaakt van het functioneel leefgebied van de steenuil. Hiernaast is er uit de NDFF een waarneming bekend van een meerjarig gebruikt steenuilnest. De exacte locatie is hier echter niet duidelijk aangegeven. Overtreding van verbodsbepalingen van de Omgevingswet als gevolg van het planvoornemen ten aanzien van de steenuil kan daarom niet worden uitgesloten (zie hoofdstuk 5). Kerkuil De kerkuil heeft een voorkeur voor cultuurlandschappen met landschapselementen die voor afwisseling zorgen. De soort broed hier in hoeken of nissen van schuren maar veelal in speciale nestkasten. Gezien er geen bebouwing of schuren op de onderzoekslocatie gelegen zijn kan aanwezigheid van een nest of roestplaats op de onderzoekslocatie worden uitgesloten. De onderzoekslocatie kan echter wel onderdeel vormen van het foerageergebied van deze soort. Soortgelijk of geschikter foerageergebied is echter ruimschoots in de omgeving van de onderzoekslocatie aanwezig.
De onderzoekslocatie betreft hierdoor geen essentieel leefgebied. Overtredingen op verbodsbepalingen van de Omgevingswet ter aanzien van de kerkuil kunnen worden uitgesloten.
25294.001 versie D1
7 / 21
De broedvogels waarvan het nest in uitzonderlijke gevallen eveneens jaarrond is beschermd, zijn voornamelijk holenbroeders, zoals spechten en mezen, of makers van grote nesten, zoals ekster en zwarte kraai. Het gaat hierbij om algemeen voorkomende soorten, die ook in de directe omgeving voldoende broedgelegenheid hebben. Er zijn derhalve geen bijzondere ecologische omstandigheden die rechtvaardigen dat de nesten van genoemde soorten op de onderzoekslocatie een jaarrond beschermde status zouden moeten hebben. Het werken buiten het broedseizoen is voldoende om overtreding op dit punt te voorkomen (zie hoofdstuk 5). Overige broedvogels De bomen en takkenhopen op en naast de onderzoekslocatie kunnen nestgelegenheid bieden aan broedvogelsoorten zoals houtduif en merel. De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn. Schadelijke handelingen die leiden tot een vergunningsplichtig geval zijn te voorkomen (zie hoofdstuk 5).
4.2 Vleermuizen Volgens verspreidingsgegevens en de verspreidingsatlas van de NDFF is de onderzoekslocatie gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, franjestaart, Brandt's vleermuis, baardvleermuis en watervleermuis. Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie Bij verblijfplaatsen van vleermuizen is onderscheid te maken tussen een zomerverblijf, kraamverblijf, paar/baltsverblijf (die ook als individueel winterverblijfplaats gebruikt kunnen worden) en massawinterverblijf. Deze functies worden mede bepaald door specifieke kenmerken van bebouwing op de onderzoekslocatie. Deze verblijfplaatsen kunnen door diverse vleermuissoorten worden gebruikt. Er bevindt zich geen bebouwing op de onderzoekslocatie derhalve kan aanwezigheid van gebouwbewonende vleermuizen worden uitgesloten. Overtreding van de Omgevingswet ten aanzien van gebouwbewonende vleermuizen is niet aan de orde. De aanwezige bomen op de onderzoekslocatie zijn onderzocht op holtes, spleten en/of loshangend schors, die kunnen dienen als potentiële vaste rust- of voortplantingsplaats voor boombewonende vleermuizen. Deze zijn niet aangetroffen en daarmee zijn verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen uit te sluiten.
Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie Het is door de onderlinge afstand tot de bebouwing in de omgeving niet aannemelijk dat er in de directe invloedssfeer van de onderzoekslocatie potentiële verblijfplaatsen aanwezig zijn die negatieve invloed kunnen ondervinden van de werkzaamheden.
25294.001 versie D1
8 / 21
Foerageerhabitat De onderzoekslocatie zal, gelet op het aanwezige habitat gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen zoals gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger om te foerageren. De plannen zullen echter geen aantasting van belangrijk foerageerhabitat vormen. Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen, in de directe omgeving is meer geschikt foerageerhabitat voor vleermuizen aanwezig. Het betreft de omliggende agrarische percelen. Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. Doordat dergelijke lijnvormige elementen ontbreken op de onderzoekslocatie, worden er geen potentiële vliegroutes verstoord. De laanbomen op de Horstweg vormen echter wel een potentiële vliegroute. Deze laanbomen worden echter niet verwijderd.
4.3 Overige zoogdieren Alle zoogdieren in Nederland zijn beschermd. Voor sommige algemeen voorkomende soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Op deze wijze is er onderscheid te maken in streng beschermde en minder streng beschermde soorten. Streng beschermde soorten Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en Broekhuizen et al. (2016) ligt de onderzoekslocatie binnen het verspreidingsgebied van de volgende streng beschermde grondgebonden zoogdieren: steenmarter, boommarter, eekhoorn, das, bunzing, wezel en hermelijn. Steenmarter en boommarter Op de onderzoekslocatie vormt is er geschikt habitat voor de steenmarter en boommarter. Deze soorten hebben hun verblijfplaatsen in hooizolders, loze ruimtes onder het dak, schuurtjes maar ook stenenstapels of takkenhopen. Het is van noodzaak dat er enige verbindende elementen zijn in het landschap. De onderzoekslocatie erg open al ligt er langs de Horstweg wel een haag die lichte dekking kan bieden. Echter vormt deze haag geen verbindingselement met andere geschikte habitats en zal derhalve geen essentieel leefgebied vormen. Ten tijden van het veldbezoek bevonden zich naast de onderzoekslocatie enkele takkenhopen. Er waren hier echter geen sporen bij aanwezig die duiden op het gebruik van de steen- en/of boommarter.
Aanwezigheid van een vast rust- en/of verblijfplaats van deze soorten kan derhalve worden uitgesloten. Eekhoorn Op de onderzoekslocatie bevind zich een enkele boom die geschikt habitat vormt voor de eekhoorn. Dit betreft de boom in het zuidoosten van het plangebied. Deze was door het ontbreken van een dicht bladerdek, goed te controleren tijdens het veldbezoek. Er waren hier geen nesten in aanwezig. In de andere bomen in de paardenwei waren geen nesten aanwezig. Hiernaast zijn deze bomen te klein voor aanwezigheid van de eekhoorn. Aanwezigheid van een vaste rust- of voorplantingsplaats van de eekhoorn op de onderzoekslocatie kan derhalve worden uitgesloten.
25294.001 versie D1
9 / 21
Das De das komt volgens de verspreidingsgegevens voor in de omgeving. De onderzoekslocatie is door het ontbreken van reliëf en/of schuilmogelijkheden ongeschikt als vaste rust- of voortplantingsplaats door dassen. Tijdens het veldbezoek zijn op de onderzoekslocatie, de randen hiervan en de directe omgeving eveneens geen loop- of eetsporen, latrines en/of wissels, of haren langs het prikkeldraad aangetroffen die duiden op de aanwezigheid en/of het gebruik van de onderzoekslocatie door de das. Dassen zullen eerder hun leefgebied hebben in het naastgelegen bos en de aansluitende weilanden. Verstoring ten aanzien van de das als gevolg van de voorgenomen ingreep is niet aan de orde. Bunzing, wezel en hermelijn De bunzing en wezel komen volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF voor in de omgeving van de onderzoekslocatie. Ondanks dat de hermelijn niet in de omgeving is waargenomen, is het mogelijk dat ook deze soort voorkomt in de omgeving. Langs de onderzoekslocatie bevinden zich hagen en greppels. Echter bieden deze hagen te weinig dekking voor de kleine marterachtigen. Het naast gelegen bosgebied is het enige geschikte leefgebied welke in verbinding staat met de hagen.
Derhalve vormen deze hagen geen verbindende functie met andere geschikte leefgebieden en is het uit te sluiten dat de onderzoekslocatie onderdeel uitmaakt van het functioneel leefgebied van kleine marterachtigen. De kleine marterachtigen zijn namelijk sterk gebonden aan landschapselementen zoals houtwallen en bosschages die dekking bieden gedurende het foerageren en migreren tussen de vaste rust- of voortplantingsplaatsen en de foerageergebieden. Gezien het ontbreken van voldoende schuilmogelijkheid en geschikte voortplantingslocaties zijn negatieve effecten voor kleine marterachtigen, als gevolg van de voorgenomen ingreep, uit te sluiten. Egel Het leefgebied van de egel bevindt zich in allerlei verschillende soorten habitat. Vereiste voor een verblijfplaats van deze soort is wel voldoende ondergroei en schuil mogelijkheid. De hagen en begroeide perceel randen bieden voldoende schuilgelegenheid voor de egel. Dit betreft de haag langs de Horstweg en de haag die om de paardenwei heen staat. Met de voorgenomen plannen wordt de haag om de paardenwei verwijderd. Tijdens het schrijven van deze quickscan is het nog niet duidelijk of de haag op de Horstweg ook wordt verwijdert. Overtredingen op verbodsbepalingen van de Omgevingswet ten aanzien van de egel kunnen derhalve niet worden uitgesloten (zie hoofdstuk 5).
Het voorkomen van overige grondgebonden zoogdieren waarvoor geen vrijstelling geldt, is tijdens het veldbezoek niet vastgesteld. Vanwege het ontbreken van geschikt habitat kan het voorkomen ervan redelijkerwijs worden uitgesloten. Licht beschermde soorten De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren. Het gaat daarbij om algemene soorten als konijn, veldmuis en rosse woelmuis. Door de voorgenomen werkzaamheden bestaat de kans dat holen van veldmuis en rosse woelmuis worden vergraven (zie hoofdstuk 5). Konijnen holen zijn op de onderzoekslocatie niet waargenomen.
25294.001 versie D1
10 / 21
4.4 Reptielen, amfibieën en vissen Reptielen Volgens gegevens van de NDFF zijn er in de afgelopen 5 jaar in de directe omgeving van de onderzoekslocatie de volgende streng beschermde reptielen waargenomen: adder, gladde slang, hazelworm, zandhagedis en levendbarende hagedis. Reptielen stellen specifieke eisen aan het habitat die betrekking hebben op verschillende factoren. De hazelworm wordt voornamelijk waargenomen op bos- en heideterreinen, maar maakt daarnaast gebruik van tal van verschillende habitattypes. De ringslang heeft een leefgebied nodig waar die de verschillende levenstadia kan doorlopen en is hier hoofdzakelijk gebonden aan water. Op de onderzoekslocatie is geen geschikt habitat voor reptielen aanwezig. Aanwezigheid van deze soorten kan worden uitgesloten. Amfibieën Volgens gegevens van de NDFF zijn binnen enkele kilometers rondom de onderzoekslocatie in de afgelopen 5 jaar de volgende soorten waargenomen: kamsalamander, poelkikker, gewone pad en bruine kikker. Op de onderzoekslocatie is geen oppervlakte water aanwezig welke een eis is voor het voorkomen van amfibieën soorten. Negatieve effecten op voortplantingswateren van amfibieën kunnen derhalve worden uitgesloten. De onderzoekslocatie vormt potentieel geschikt landhabitat voor algemene amfibieënsoorten als bruine kikker en gewone pad.
De sloot die ten noorden onderzoekslocatie bevindt kan onderkomen bieden aan beide soorten. Door de voorgenomen werkzaamheden kunnen negatieve gevolgen ontstaan voor algemene soorten (zie hoofdstuk 5). Kamsalamander De kamsalamander is komt voor in bosrijke landschappen met houtwallen of struweel. Deze gebieden worden gekenmerkt door hun kleinschaligheid. Hiernaast moet dit in de buurt liggen van voortplantingswateren zoals vennen en poelen. De poel gelegen ten westen van het plangebied is niet geschikt voor deze soort. Dit is niet gelegen in kleinschalig bosrijk landschap met houtwallen met struweel. In het bos ten oosten van het plangebied bevinden zich wel poeltjes. Echter vormt het plangebied geen geschikt habitat voor deze soort en ligt de Horstweg hiertussen die een obstakelwerking heeft voor deze soort. Gezien zich er geen dergelijk kleinschalig oppervlaktewater in de directe omgeving van de onderzoekslocatie bevindt kan aanwezigheid van deze soort op de onderzoekslocatie worden uitgesloten. Poelkikker De poelkikker is een warmteminnende soort met een voorkeur voor onbeschaduwde wateren. De oeverzone moet hier echter wel goed begroeid zijn. De soort komt voor in bos- en heidewateren, vennen, poelen en watergangen en hoogveengebieden en in de uiterwaarden.
De oever op de sloot ten noorden van de onderzoekslocatie is echter alleen begroeid met gras en voldoet derhalve niet aan de leefgebiedseisen van de poelkikker. Aanwezigheid van deze soort kan worden uitgesloten.
25294.001 versie D1
11 / 21
Vissen Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater op de onderzoekslocatie kan deze soortgroep buiten beschouwing worden gelaten.
4.5 Ongewervelden Libellen Er zijn slechts enkele libellensoorten die binnen de Omgevingswet een strenge bescherming genieten. Deze zijn voor wat betreft hun verspreiding gebonden aan specifieke habitateisen, die veelal alleen in natuurgebied zijn te vinden. In de omgeving van de onderzoekslocatie zijn volgens verspreidingsgegevens uit NDFF de volgende soorten waargenomen: beekrombout en gevlekte witsnuitlibel. Beschermde soorten zijn op de onderzoekslocatie uit te sluiten. Voor libellen geldt dat water nodig is voor de voortplanting. Gezien het ontbreken hiervan op de onderzoekslocatie kan gesteld worden dat deze soortgroep niet in staat is zich in de huidige situatie te vestigen. Vlinders Beschermde vlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat. Bij het habitat is het belangrijk dat aan de eisen van alle stadia van de vlindersoort wordt voldaan. Voor de beschermde soorten in Nederland geldt dat deze veelal gebonden zijn aan specifieke waardplanten. In de omgeving van de onderzoekslocatie zijn volgens verspreidingsgegevens uit de NDFF waarnemingen bekend van grote vos, grote weerschijnvlinder, kleine ijsvogelvlinder en teunisbloempijlstaart. De waardplanten van grote vos, grote weerschijnvlinder, kleine ijsvogelvlinder en teunisbloempijlstaart zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig. Aanwezigheid van deze soorten kan derhalve worden uitgesloten.
Overige soorten Overige beschermde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft, vermiljoenkever en platte schijfhoren, zijn op de onderzoekslocatie uit te sluiten. Er is geen geschikt habitat voor dergelijke beschermde soorten op de onderzoekslocatie aanwezig en er zijn geen waarnemingen bekend in de directe omgeving van de onderzoekslocatie.
4.6 Planten De onderzoekslocatie bestaat uit kruidenrijk grasland, waarvan de randen een vegetatie met verschillende ruigtesoorten bevatten. Tijdens het veldbezoek zijn de volgende plantensoorten waargenomen: paardenbloem en brandnetel. De planten op de onderzoekslocatie geven aan dat de bodem voedselrijk, zuur en vochtig is. In dergelijke vegetaties zijn geen beschermde soorten te verwachten. De meeste beschermde plantensoorten en de daarbij horende specifieke groeiomstandigheden zijn zeldzaam te noemen en zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig.
25294.001 versie D1
12 / 21
4.7 Specifieke zorgplicht Onder de specifieke zorgplicht vallen de in Nederland in het wild levende vogelsoorten, genoemd in bijlage I van de Vogelrichtlijn, en niet in de bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 2.4, tweede lid, van de Vogelrichtlijn. Verder vallen hieronder de soorten uit bijlagen II, IV en V van de Habitatrichtlijn en dier- en plantensoorten genoemd in de Rode Lijsten. De Rode lijst is een overzicht van levende soorten die uit Nederland zijn verdwenen of dreigen te verdwijnen. Dit wordt bepaald op basis van zeldzaamheid en/of negatieve trend. De lijsten worden periodiek vastgesteld door de Minister van Economische Zaken. De dier- en plantensoorten zijn onderverdeeld in categorieën. Naast vogels zijn er ook lijsten voor bijen, dagvlinders, haften, kokerjuffers, sprinkhanen, krekels, korstmossen, landen zoetwaterweekdieren, libellen, mossen, paddenstoelen, platwormen, sprinkhanen en krekels, steenvliegen, vissen en zoogdieren. Volgens de actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) zijn er Rode Lijst soorten in de afgelopen 3 jaar waargenomen in de omgeving van de onderzoekslocaties, dit betreft onder andere soorten zoals konijn en haas. Voor deze soorten zijn er geen holen op de onderzoekslocatie waargenomen.
Wel kan de onderzoekslocatie onderdeel vormen van het leefgebied van deze soorten. Het gaat hier echter niet om essentieel leefgebied aangezien dit soort habitat in de wijde omgeving voorkomt. Voorkomen van andere Rode lijst soorten zal sporadisch zijn en het zal hier gaan om niet essentieel leefgebied. Door te voldoen aan de algemene zorgplicht kan worden vastgesteld dat nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten voor dier- en plantensoorten die zijn opgenomen in de Rode Lijst.
25294.001 versie D1
13 / 21
5
TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING
Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er schadelijke handelingen optreden die leiden tot een vergunningsplichtig geval. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Omgevingswet en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Omgevingswet op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen.
5.1 Broedvogels Jaarrond beschermde broedvogels Steenuil De steenuil en zijn leefgebied is beschermd volgens artikel 11.37, eerste lid, Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). De soort staat tevens vermeld in de EU-vogelrichtlijn. De nesten van steenuilen zijn het hele jaar beschermd en vallen onder categorie 1 van vogelnesten: ‘nesten die behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- of voortplantingsplaats’. De steenuil heeft twee relevante typen verblijfplaatsen. Dit zijn: • de plek die als nest gebruikt wordt (voortplantingsplaats) en die ook in de rest van het jaar gebruikt wordt als verblijfplaats • de plekken die regelmatig door de steenuil worden gebruikt buiten het broedseizoen, maar die ook in het broedseizoen door het mannetje worden gebruikt als het vrouwtje op het nest aan het broeden is. Steenuilen gebruiken hun nestplek ook buiten de voortplantingsperiode. Ze hebben daarnaast ook andere plekken op het erf die ze regelmatig gebruiken. Dit ook om parasietinfecties tegen te gaan. Het mannetje gebruikt een verblijfplek in de directe omgeving van het nest als het vrouwtje aan het broeden is. Overdag verblijven de uilen tijdens rustperioden vaak op vaste roestplekken. Dit doen ze in de dekking van beplanting of gebouwen of in de nestholte.
Al deze plekken worden niet gerekend tot de vaste rustplaatsen, maar zijn wel onderdelen van de functionele leefomgeving die hoort bij het nest (BIJ12, 2017). Op de onderzoekslocatie is geen sprake van een voortplantings- of roestplaats. Echter zou de nieuwbouw op de onderzoekslocatie potentieel territorium welke onderdeel vormt van de nestlocatie verloren kunnen gaan en is er sprake van een negatieve invloed op het functioneel leefgebied. Derhalve is het noodzakelijk dat een nader onderzoek naar de aanwezigheid van de steenuil op de onderzoekslocatie wordt uitgevoerd. Aanwezigheid hiervan kan worden aangetoond middels 3 veldbezoeken in het broedseizoen van de steenuil (februari tot en met april).
25294.001 versie D1
14 / 21
Algemene broedvogels Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien het groen buiten het broedseizoen wordt verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 11.37 (Bal) (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Omgevingswet wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Indien het groen toch binnen het broedseizoen gekapt dient te worden, zal voorafgaand hieraan door een ter zake kundig ecoloog geïnspecteerd moeten worden of er broedgevallen binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden aanwezig zijn. De ecoloog zal naar aanleiding van de inspectie kunnen adviseren of het mogelijk is om het groen te kappen zonder daarbij broedvogels te verstoren. Met betrekking tot het verwijderen van de aanwezige beplanting buiten het broedseizoen wordt geadviseerd om ook het snoeiafval buiten het broedseizoen te verwijderen. Een grote stapel snoeiafval vormt namelijk een ideale broedlocatie voor kleine vogelsoorten als de winterkoning.
Indien onverhoopt een dergelijke soort hierin tot broeden komt, mag het snoeiafval niet eerder worden verwijderd dan wanneer de jongen definitief zijn uitgevlogen. In navolging van bovenstaande geldt vervolgens, net als voor de overige vogelsoorten als merel, heggenmus, winterkoning, roodborst, zwartkop, putter, groenling, houtduif en kauw, dat indien de huidige nesten buiten het broedseizoen worden verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden. In de Omgevingswet wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen.
5.2 Grondgebonden zoogdieren Egel De egel valt onder het beschermingsregime andere beschermde dier- en plantensoorten. Behorend tot artikel 11.54, Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Gezien zich er geschikt habitat voor de egel op de onderzoekslocatie bevindt in de haag langs de Horstweg en de haag langs de paardenwei kan aanwezigheid van deze soort niet worden uitgesloten. Overtreding op de verbodsbepalingen van de Omgevingswet is niet uit te sluiten indien de hagen verwijderd worden. Hier is echter geen nader onderzoek voor nodig. Voor de egel dient in de provincie Overijssel direct een Omgevingsvergunning te worden aangevraagd. Hiervoor dient een mitigatieplan voor de egel te worden opgesteld.
25294.001 versie D1
15 / 21
5.3 Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën Voor de te verwachten soorten geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van het bouwrijp maken van de onderzoekslocatie kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Dit houdt een overtreding van artikel 11.54 (Bal) in. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen vergunning hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Het doden of verwonden kan plaatsvinden wanneer rust- of voortplantingslocaties worden aangetast. De graafwerkzaamheden dienen daarom buiten de gevoelige periode van voortplanting of winterrust uitgevoerd te worden. De geschikte periode voor het uitvoeren van de werkzaamheden betreft de periode september tot en met november. Dieren die gedurende de werkzaamheden worden aangetroffen dienen de gelegenheid te krijgen om veilig weg te komen.
5.4 Overige soort(groep)en Overtredingen van de Omgevingswet ten aanzien van beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep in dit geval niet aan de orde.
25294.001 versie D1
16 / 21
6
TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING
In algemene zin kan er door een plan sprake zijn van negatieve gevolgen, op vanuit de Omgevingswet aangewezen beschermde gebieden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke gebieden er mogelijk sprake is van negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ingrepen op de onderzoekslocatie. Verder wordt beschreven of een vervolgtraject noodzakelijk is en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen.
6.1 Natura 2000 De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Rijntakken, bevindt zich op circa 5,5 kilometer afstand ten westen van de onderzoekslocatie (zie figuur 6.1).
Figuur 6.1 Ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van Natura 2000.
De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect. Externe effecten als gevolg van licht, trilling en geluid als door de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zijn, gezien de afstand tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden niet te verwachten. Externe effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie zijn vanwege de afstand op voorhand niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek in het kader van de vergunningplicht ‘Natura 2000-activiteit’ ten aanzien van stikstof wordt noodzakelijk geacht. Dit kan in eerste instantie worden onderzocht middels een modelberekening (AERIUS-calculator).
25294.001 versie D1
17 / 21
6.2 Natuurnetwerk Nederland De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk. De onderzoekslocatie ligt niet in de nabijheid van een gebied, behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Het meest nabijgelegen gebied bevindt zich circa 3 kilometer afstand ten zuiden van de onderzoekslocatie. In figuur 6.2 is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven.
Figuur 6.2
Ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland.
De onderzoekslocatie is gelegen op 3 kilometer afstand van een onderdeel van het Overijsselse Natuurnetwerk. Het Natuurnetwerk betreft in Overijssel een louter planologische bescherming van de aangewezen gebieden zelf. Aangezien het planvoornemen niet leidt tot een wijziging van de bestemming van het aangrenzende onderdeel van het Natuurnetwerk zijn aanvullende maatregelen of aanvullend advies ten aanzien van het ONN of zone ONW niet aan de orde.
25294.001 versie D1
18 / 21
7
HOUTOPSTANDEN
In art. 11.112 zijn de oogmerken opgenomen voor de activiteiten die houtopstanden, hout en houtproducten. De oogmerken met betrekking tot vellen en herplanten van houtopstanden hebben betrekking op de natuurbescherming, de instandhouding van het bosareaal in Nederland en het beschermen van landschappelijke waarden. De Omgevingswet beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij het bevoegd gezag. In dit hoofdstuk wordt beschreven of er bij de voorgenomen kap sprake is van meldingsplicht en herplantplicht. Verder wordt beschreven of er vervolgmaatregelen getroffen dienen te worden ten behoeve van de voorgenomen houtkap. De bomen op de onderzoekslocatie vallen niet onder de definitie houtopstanden als bedoeld in paragraaf in artikel 11.111 (Bal). De houtopstand op de onderzoekslocatie is gelegen binnen de bij besluit van gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom. Voor deze houtopstand geldt daarom geen meldingsplicht en herplantplicht.
25294.001 versie D1
19 / 21
8
SAMENVATTING EN CONCLUSIES
Econsultancy heeft in opdracht van Gemeente Raalte een quickscan natuurwaarden uitgevoerd aan de Pereland te Broekland. De quickscan natuurwaarden is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen plannen voor het realiseren van nieuwbouwwoningen. Het onderzoek heeft tot doel om in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten, gebieden of houtopstanden aanwezig zijn die volgens de natuurbescherming onder de Omgevingswet een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. De initiatiefnemer is voornemens nieuwbouwwoningen te realiseren op de onderzoekslocatie. De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel 8.1. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Omgevingswet voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel 8.1
Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen.
Soortgroep
Broedvogels
Vleermuizen
Geschikt habitat
Ingreep verstorend
Nader on- Omgevingsver- Bijzonderheden / opmerkingen* derzoek gunning
algemeen
ja
mogelijk
nee
nee
het verwijderen van nestgelegenheden buiten het broedseizoen uitvoeren
jaarrond beschermd
ja
mogelijk
ja
mogelijk
nader onderzoek steenuil
verblijfplaatsen
nee
nee
nee
nee
-
foerageergebied
ja
nee
nee
nee
voldoende alternatief in de omgeving beschikbaar
vliegroutes
nee
nee
nee
nee
-
ja
mogelijk
nee
ja
Omgevingsvergunning aanvragen ten aanzien van de egel indien de hagen verwijderd worden
Grondgebonden zoogdieren
aandacht voor zorgplicht ten aanzien van algemene soorten Amfibieën
minimaal
mogelijk
nee
nee
aandacht voor zorgplicht ten aanzien van algemene soorten
Reptielen
nee
nee
nee
nee
-
Vissen
nee
nee
nee
nee
-
Libellen en vlinders
nee
nee
nee
nee
-
25294.001 versie D1
20 / 21
Soortgroep
Geschikt habitat
Ingreep verstorend
Nader on- Omgevingsver- Bijzonderheden / opmerkingen* derzoek gunning
Overige ongewervelden
nee
nee
nee
nee
-
Vaatplanten
nee
nee
nee
nee
-
Gebiedsbescherming
Gebied aanwezig
Ingreep verstorend
Nader on- Vergunningderzoek plicht
Natura 2000
5,5 km
nee
nee
nee
-
Natuurnetwerk Nederland
3 km
nee
nee
nee
-
Houtopstanden
n.v.t
-
* Wijzigingen in het planvoornemen kunnen van invloed zijn op de uitkomst van het onderzoek.
Conclusie Soortenbescherming Ten aanzien van de steenuil dient er een nader onderzoek uitgevoerd te worden naar aanwezigheid van deze soort binnen het plangebied. Voor algemene broedvogels is het nodig dat beplanting zoals de bomen en takkenhopen buiten het broedseizoen verwijderd dienen te worden. Als dit niet buiten deze periode kan dient er vooraf aan deze werkzaamheden een broedvogel inspectie door een kundig ecoloog gedaan te worden. Ten aanzien van de egel dient er indien de hagen verwijderd worden een mitigatie plan voor deze soort opgesteld te worden en een omgevingsvergunning te worden aangevraagd. Ten aanzien van algemene zoogdieren en amfibieën dient er rekening gehouden te worden met de zorgplicht voor deze soorten. Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Omgevingswet wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht. Gebiedsbescherming Met de bouw van de voorgenomen nieuwbouwwijk is het benodigd dat er een AERIUS-berekening wordt gedaan om te weten wat de gevolgen zijn van stikstof depositie op omliggende natuurgebieden.
Econsultancy 8 mei 2024.
25294.001 versie D1
21 / 21
GERAADPLEEGDE BRONNEN (BIJ12 (2023a). Kennisdocument gierzwaluw. Opgehaald van https://www.bij12.nl/onderwerp/natuurinformatie/kennisdocumenten-soorten-natuurbescherming/ BIJ12 (2023b). Kennisdocument huismus. Opgehaald van https://www.bij12.nl/onderwerp/natuurinformatie/kennisdocumenten-soorten-natuurbescherming/ BIJ12 (2017a). Kennisdocument gewone dwergvleermuis. Opgehaald van https://www.bij12.nl/onderwerp/natuurinformatie/kennisdocumenten-soorten-natuurbescherming/ BIJ12 (2017b). Kennisdocument steenuil. Opgehaald van https://www.bij12.nl/onderwerp/natuurinformatie/kennisdocumenten-soorten-natuurbescherming/ Broekhuizen, S., Spoelstra, K., Thissen, J., Canters, K. & Buys, J. (2016). Atlas van de Nederlandse zoogdieren - Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Limpens H. & Regelink J. (2017). Vleermuizen en planologie. Zoogdiervereniging, Nijmegen. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (z.d.). Natura 2000 gebieden. Geraadpleegd op 1 mei 2024 van https://www.natura2000.nl/gebieden. Nationale Database Flora en Fauna (z.d.). Uitvoerportaal; zoekgebied *, periode 2018-2023. NDFF. Geraadpleegd op 1 mei 2024 van https://ndff-ecogrid.nl. Ravon (z.d.). Soorten. Geraadpleegd op 1 mei 2024 van https://www.ravon.nl/Soorten/Soortinformatie Sovon (z.d.). Soortenoverzicht.
Geraadpleegd op 1 mei 2024 van https://stats.sovon.nl/stats/soorten. Verspreidingsatlas (z.d.). NDFF Verspreidingsatlas. Geraadpleegd op 1 mei 2024 van https://www.verspreidingsatlas.nl/. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus (2021). Vleermuisprotocol 2021. Opgehaald van https://netwerkgroenebureaus.nl/vleermuisprotocol. Vlinderstichting (z.d.) Vlinders. Geraadpleegd op 1 mei 2024 van https://www.vlinderstichting.nl/vlinders Vogelbescherming (z.d.). Vogelgids. Geraadpleegd op 1 mei 2024 van https://www.vogelbescherming.nl/ Zoogdiervereniging (z.d.) Zoogdiersoorten. Geraadpleegd op 1 mei 2024 van https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten
Provinciale bronnen Overijssel www.overijssel.nl (NNB en beschermde gebieden in Overijssel) www.overijssel.nl/thema's/natuur/groenloket
BIJLAGE 1 NATUURWETGEVING EN DOELEN NATURA 2000 Natuurwetgeving Natura 2000 Deze bijlage geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie wordt getoetst. Deze bijlage is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende, en per 1-1-2024 geldende, wetgeving. Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten op Natura 2000. Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 162 Natura 2000-gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn.
Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen. Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000). Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied (artikel 2.7, lid 2 Wnb. en per 1-1-2024 artikel 5.1, lid 1, sub e Ow). Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door het bevoegd gezag. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen).
Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag.
Doelen Natura 2000 Voor ieder Natura 2000-gebied geldt dat deze een specifiek internationaal belang heeft voor bepaalde soorten en/of habitattypen. Op grond van de staat van instandhouding en het relatief belang van soorten en habitattypen zijn de belangrijkste verbeteropgaven en doelen op landelijk niveau vastgesteld. Deze landelijke doelen vormen de kaders voor de formulering van instandhoudingdoelen op gebiedsniveau. Algemene doelen zijn behoud en indien van toepassing herstel van: • •
• •
De bijdrage van het Natura 2000-gebied aan de ecologische samenhang van Natura 2000 zowel binnen Nederland als binnen de Europese Unie; De bijdrage van het Natura 2000-gebied aan de biologische diversiteit en aan de gunstige staat van instandhouding van natuurlijke habitats en soorten binnen de Europese Unie, die zijn opgenomen in bijlage I of bijlage II van de Habitatrichtlijn. Dit behelst de benodigde bijdrage van het gebied aan het streven naar een op landelijk niveau gunstige staat van instandhouding voor de habitattypen en de soorten waarvoor het gebied is aangewezen; De natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied, inclusief de samenhang van de structuur en functies van de habitattypen en van de soorten waarvoor het gebied is aangewezen; De op het gebied van toepassing zijnde ecologische vereisten van de habitattypen en soorten waarvoor het gebied is aangewezen.
BIJLAGE 2 NATUURWETGEVING Natuurnetwerk Nederland Natuurwetgeving Natuurnetwerk Nederland Deze bijlage geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie is getoetst. Deze bijlage is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende, en per 1 januari 2024 geldende, wetgeving. Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit: • Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; • Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; • Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; • Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; • Alle Natura 2000-gebieden. In de Omgevingswet staan de bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen in de omgevingsverordening (artikel 2.44, lid 4 en 5 Ow en artikel 7.6, lid 1 Bkl).
Initiatiefnemers van ingrepen binnen (of in de directe nabijheid van) het Natuurnetwerk Nederland dienen de effecten van de ingreep op kernkwaliteiten en omgevingscondities te onderzoeken. De omgevingscondities zullen ten opzichte van de oorspronkelijke situatie mogelijk veranderen. Dit zal middels nader onderzoek/toetsing inzichtelijk gemaakt moeten worden. Ingrepen die de natuur significant aantasten, mogen niet worden toegestaan in het bestemmingsplan (“nee”), tenzij ze een groot openbaar belang dienen én er geen alternatieven zijn buiten de natuur. Als het toegestaan is, is natuurcompensatie verplicht (op een andere plek moet dan nieuwe natuur komen).
BIJLAGE 3 OMGEVINGSWET Omgevingswet AFDELING 2.6 BIJZONDERE TAKEN EN BEVOEGDHEDEN § 2.6.3 Bijzondere bevoegdheden natuur en landschap Artikel 2.44 (aanwijzing natuurgebieden en landschappen) 1. Onze Minister voor Natuur en Stikstof wijst ter uitvoering van de vogelrichtlijn of de habitatrichtlijn Natura 2000-gebieden aan en stelt daarbij instandhoudingsdoelstellingen voor die gebieden vast. 2. Onze Minister voor Natuur en Stikstof kan ter uitvoering van de vogelrichtlijn of de habitatrichtlijn bijzondere nationale natuurgebieden aanwijzen en instandhoudingsdoelstellingen voor die gebieden vaststellen. 3. Onze Minister voor Natuur en Stikstof kan nationale parken aanwijzen. 4. Bij omgevingsverordening worden de gebieden aangewezen die behoren tot het natuurnetwerk Nederland. 5. Bij omgevingsverordening kunnen gebieden, met uitzondering van Natura 2000- gebieden of gebieden als bedoeld in het vierde lid, worden aangewezen als bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen. AFDELING 5.1 DE OMGEVINGSVERGUNNING § 5.1.1 Verbodsbepalingen Artikel 5.1 (omgevingsvergunningplichtige activiteiten wet) 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten: a. een afwijkomgevingsplanactiviteit, b. een rijksmonumentenactiviteit, c. een ontgrondingsactiviteit, d. een stortingsactiviteit op zee, e. een Natura 2000-activiteit, f.
een jachtgeweeractiviteit, g. een valkeniersactiviteit, tenzij het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval. 2. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten: a. een bouwactiviteit, b. een milieubelastende activiteit, c. een lozingsactiviteit op: 1°. een oppervlaktewaterlichaam, 2°. een zuiveringtechnisch werk, d. een wateronttrekkingsactiviteit, e. een mijnbouwlocatieactiviteit, f. een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot: 1°. een weg, 2°. een waterstaatswerk, 3°. een luchthaven,
h.
4°. een hoofdspoorweg, lokale spoorweg of bijzondere spoorweg, 5°. een installatie in een waterstaatswerk, een flora- en fauna-activiteit, voor zover het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.
§ 5.1.2 Reikwijdte aanvraag omgevingsvergunning en aanwijzing bevoegd gezag Artikel 5.7 (aanvraag los of gelijktijdig) 1. Een aanvraag om een omgevingsvergunning kan naar keuze van de aanvrager op een of meer activiteiten betrekking hebben. 2. Met het oog op een doelmatig waterbeheer wordt een omgevingsvergunning voor wateractiviteiten, in bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, los aangevraagd van de omgevingsvergunning voor andere activiteiten als bedoeld in de artikelen 5.1 en 5.4. 3. Een omgevingsvergunning voor een activiteit waarbij de locatie van ondergeschikt belang is, wordt, in bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, los aangevraagd van de omgevingsvergunning voor andere activiteiten. 4. Een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit en een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit, met uitzondering van een als wateractiviteit aan te merken beperkingengebiedactiviteit, worden gelijktijdig aangevraagd als: a. die activiteiten betrekking hebben op dezelfde ippc-installatie, of b. op die activiteiten de Seveso-richtlijn van toepassing is. 5. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op aanvragen om wijziging van de voorschriften van een omgevingsvergunning.
Besluit kwaliteit leefomgeving AFDELING 7.3 INSTRUCTIEREGELS MET HET OOG OP NATUURBESCHERMING § 7.3.1 Natuurnetwerk Nederland Artikel 7.6 (aanwijzing en begrenzing natuurnetwerk Nederland) 1. Bij omgevingsverordening worden de gebieden die het natuurnetwerk Nederland, bedoeld in artikel 2.44, vierde lid, van de wet, vormen, aangewezen en wordt de geometrische begrenzing daarvan vastgelegd. 2. De militaire terreinen OT De Haar, OT De Vlasakkers, OT Havelte West, OT Leusderheide, OT Marnewaard en OT Oirschotse Heide, genoemd in bijlage XIV, onder A, waarvan de geometrische begrenzing bij ministeriële regeling is vastgelegd, maken geen deel uit van het natuurnetwerk Nederland. Artikel 7.8 (beschermingsregime) 1. Bij omgevingsverordening worden in het belang van de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het natuurnetwerk Nederland regels gesteld over: a. regels in omgevingsplannen als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de wet; en b. projectbesluiten als bedoeld in artikel 2.23, eerste lid, aanhef en onder a, onder 4°, van de wet.