CConstaterende datRaalte
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage IV - Catalogus Gebiedskenmerken

Informatievoorziening raad 19 maart 2026, gemeente RaalteBij agendapunt: Ontwerp Omgevingsvisie- en verordening provincie Overijssel26.421 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Catalogus Gebiedskenmerken Overijssel Januari 2026 1

Catalogus Gebiedskenmerken Overijssel Januari 2026



3

Inhoudsopgave

Het oude hoevenlandschap op de glooiende Oldenzaalse Stuwwal



Ruimtelijke kwaliteit in de Omgevingsvisie Inleiding Hoe gaan we ruimtelijke kwaliteit realiseren Leeswijzer

7 7 8 9

Ruimtelijke kwaliteitsambities

11

Werken met kwaliteitsambities Voorbeeld: uitbreiding bedrijventerrein

27 30

1. Natuurlijke laag 1.1 Stuwwal 1.2 Dekzandvlakte en dekzandrug 1.3 Brongebied 1.4 Beekdalen en natte laagte 1.5 Laagveengebied, laagveenrestant en kraggenlandschap 1.6 Hoogveengebied en hoogveenrestant 1.7 Rivierengebied 1.8 Zeekleigebied

35 37 40 42 44 46 48 50 52

2. Laag van het agrarisch cultuurlandschap 2.1 Essenlandschap 2.2 Oude hoevenlandschap 2.3 Maten- en flierenlandschap 2.4 Jonge heide- en broekontginningen 2.5 Ontginningsbos 2.6 Laagveenontginningen 2.7 Hoogveenontginningen 2.8 Veenkoloniaal landschap 2.9 Rivierenlandschap 2.10 Zeekleilandschap 2.11 Dorp of buurtschap

55 58 60 62 64 66 68 70 72 74 76 78

3.

Stedelijke laag 3.1 Kern op zandgrond 3.2 Kern aan de IJssel, Vecht of in de Delta 3.3 Kern op het laagveen 3.4 Historisch centrum 3.5 Dynamische stationsomgeving 3.6 Bedrijventerrein 3.7 Kernrandzone 3.8 Provinciale route 3.9 Kanaal of vaart

81 84 86 88 90 92 94 96 98 100

4.

Laag van de beleving 4.1 Overijsselse Delta 4.2 IJsselvallei met Hanzesteden 4.3 Reestdal 4.4 Grootschalige ontginningen 4.5 Vechtdal 4.6 Salland 4.7 Sallandse stuwwallen met Regge en kastelen 4.8 Twente met het Dinkeldal 4.9 Recreatieve route 4.10 Landgoed of buitenplaats 4.11 Baken door de tijd 4.12 Donkerte

103 106 108 110 112 114 116 118 120 122 124 126 128

Colofon

130

5

Ruimtelijke kwaliteit in de Omgevingsvisie

Inleiding Ruimtelijke kwaliteit is geen fysieke eigenschap der dingen, maar ontstaat in de beleving van mensen en is het resultaat van - bedoeld en onbedoeld - menselijk handelen en natuurlijke processen. Dit resultaat is zichtbaar en beleefbaar: Een weg is mooi uitgevoerd en vormt een nieuw landschap om van te genieten. Water- en natuurgebieden herbergen veel soorten planten en dieren en er valt van alles te beleven en te ontdekken; ze zijn geheimzinnig, ze hebben iets subliems. Bebouwing ligt op de goede plek, vormt een mooie rand om op uit te kijken en je kunt er prettig doorheen. Agrarisch gebruik heeft bijgedragen aan landschappelijke kwaliteit die nu karakteristiek is voor Overijssel en het behouden waard richting de toekomst. Ruimtelijke kwaliteit ontstaat wanneer er synergie gevonden wordt tussen de gebruikswaarde (praktisch en functioneel), belevingswaarde (fijne plek, herkenbaar) en toekomstwaarde (duurzaam, aanpasbaar en overdraagbaar aan de volgende generatie) van een plek. De grondlegger voor deze definitie is de Romein Vitruvius die in de eerste eeuw voor Christus ruimtelijke kwaliteit beschreef als de synergie tussen Utilitas, Firmitas en Venustas. Deze definitie heeft inmiddels zijn relevantie bewezen en gebruiken we als uitgangspunt.

De essentie van onze benadering van ruimtelijke kwaliteit is dan ook dat we ontwikkelingen stimuleren die tot de verbeelding spreken. Ontwikkelingen die leiden tot een omgeving die klopt, die iets toevoegen en een tijd mee kunnen; er is uitgehaald wat er in zit. Kortom, ruimtelijke kwaliteit definiëren we als: Datgene wat ruimte geschikt maakt en houdt voor wat voor mens, plant en dier belangrijk is. Het basispalet in onze provincie is mooi en veelkleurig. Alle gebieden hebben een bepaalde karakteristiek en kenmerken, die wij als provincie willen versterken en vernieuwen. In onze benadering van ruimtelijke kwaliteit spelen verschillende gebieden en hun kenmerkende eigenschappen daarom een belangrijke rol. Om het spectrum aan verschillende gebiedskenmerken inzichtelijk te maken hebben we ze gegroepeerd in vier lagen, elk met een eigen logica. • Natuurlijke laag: hier heerst de logica van de ondergrond en het watersysteem en hoe abiotische (bodemvorming, erosie, sedimentatie) en biotische processen (successie van plant- en diersoorten) daarop inspelen. • Laag van het agrarisch cultuurlandschap: hier gaat het om het ten nutte maken van het natuurlijke landschap ten behoeve van agrarische productie.

• Stedelijke laag: hier draait het om sociale en fysieke dynamiek en diversiteit van de steden, dorpen en landstadjes en het verbindende netwerk hiertussen van wegen, paden, spoorwegen en kanalen. • Laag van de beleving: hier gaat het o.a. om gebiedseigen kenmerken, bakens in de tijd, zoals landgoederen en donkerte.

Ruimtelijke kwaliteit in de Omgevingsvisie

Terug naar inhoudsopgave

7

Deze benadering van ruimtelijke kwaliteit is in overeenstemming met de gangbare definitie. Dit is een optelsom van eerder genoemde toekomstwaarden (de natuurlijke laag), gebruikswaarden (de laag van het agrarisch cultuurlandschap en de stedelijke laag) en belevingswaarden (de laag van de beleving). Hoe gaan we ruimtelijke kwaliteit realiseren? De ruimte en haar kenmerken zijn niet statisch. Er is van alles aan de hand. We staan voor grote uitdagingen, o.a. op het gebied van klimaat, energietransitie, perspectief voor de landbouw, ontwikkeling van natuur, verstedelijking en mobiliteit. Deze uitdagingen hebben grote ruimtelijke impact, die vragen om een visie. Waarbij we vooral de veerkracht van het natuurlijk systeem als uitgangspunt centraal willen stellen. Met de Omgevingsvisie zetten we in op het leggen van verbindingen tussen bestaande gebiedskwaliteiten en nieuwe ontwikkelingen, maar ook tussen snel en traag, tussen stad en land, tussen rood en groen, tussen opbrengsten en kosten etc. Onze ambitie is een kwaliteitsontwikkeling in gang te zetten, waarbij elk project, elke ontwikkeling bijdraagt aan de versterking van de ruimtelijke kwaliteit van onze leefomgeving. Ruimtelijke kwaliteit wordt daarmee een vanzelfsprekend resultaat van handelen. Als basis voor onze inhoudelijke sturing nemen we de gebiedskenmerken die er nu zijn.

Deze kenmerken willen we niet alleen maar beschermen, maar juist ook verbinden met nieuwe ontwikkelingen. Hierdoor worden ook kansen geboden voor nieuwe identiteiten.

Ruimtelijke kwaliteit realiseren we door naast bescherming vooral in te zetten op het verbinden van bestaande gebiedskwaliteiten en nieuwe ontwikkelingen waarbij bestaande kwaliteiten worden beschermd en versterkt en nieuwe ­kwaliteiten worden toegevoegd. Met deze benadering van ruimtelijke kwaliteit: • Bevorderen wij een weloverwogen locatiekeuze, vormgeving en inrichting van nieuwe initiatieven. • Beogen wij dat ontwikkelingen en projecten in een tijdsperspectief worden geplaatst en ook in de verdere toekomst nog een functie kunnen vervullen. • Willen wij de bestaande en hooggewaardeerde verscheidenheid in Overijssel versterken en zo de belevingswaarde vergroten.

Ruimtelijke kwaliteit in de Omgevingsvisie

Terug naar inhoudsopgave

8

Leeswijzer Eerst worden onze zeven kwaliteitsambities toegelicht. Deze kwaliteitsambities zijn algemeen geldend en zijn de basis voor alle nieuwe ontwikkelingen. Vervolgens worden de gebiedskenmerken geïntroduceerd, deze zijn ondergebracht in 4 kaartlagen. Elke laag heeft zijn eigen legenda-eenheden. Per legenda-eenheid worden ambitie en sturing aangereikt die belangrijk zijn bij nieuwe ontwikkelingen. De sturing kan zowel normerend, richtinggevend als inspirerend zijn. Je kijkt op de kaart welke legenda-eenheden van toepassing zijn voor jouw ontwikkeling. Tot slot wordt aangegeven welke koppelkansen meegenomen kunnen worden. Zo kunnen ontwikkelingen bijdragen aan de opgaven waar we met z'n allen voor staan.

Tijdens de Punterrace wordt een Rondje Kampereiland gevaren met motorloze, eiken punters (foto Tennekes)

Ruimtelijke kwaliteit in de Omgevingsvisie

Terug naar inhoudsopgave

9

Ruimtelijke kwaliteitsambities

We realiseren ruimtelijke kwaliteit door, naast bescherming, vooral in te zetten op het leggen van nieuwe verbindingen tussen bestaande gebiedskwaliteiten en nieuwe ontwikkelingen.Hierbij worden bestaande kwaliteiten beschermd en versterkt en nieuwe kwaliteiten toegevoegd. Sturen op gebiedskenmerken, zoals omschreven in voorliggende Catalogus Gebiedskenmerken, borgt de doorwerking van dit ruimtelijke kwaliteitsbeleid van de Omgevingsvisie op gebieds- en uitvoeringsniveau. Op het provinciale schaalniveau hebben wij zeven kwaliteitsambities geformuleerd die de koers bepalen van onze sturing op kwaliteit. Deze kwaliteitsambities hebben hun vertrekpunt in de lagen van de gebiedskenmerken en onze centrale beleidsambities. Deze zeven kwaliteitsambities zijn met elkaar verbonden door een aantal terugkerende thema’s: • Koesteren, conserveren, consolideren van bestaande kwaliteiten en het versterken van deze kwaliteiten door ze ontwikkelingsgericht in te zetten in ruimtelijke ontwikkelingen. • Samenhang en continuïteit herstellen, ontbrekende schakels toevoegen en versnipperde onderdelen samenvoegen. • Contrasten opvoeren, differentiatie en variatie vergroten. De strategie ‘versterking van de specifieke identiteit’, hoort bij dit principe. • Ruimtelijke expressie en uitstraling vergroten. • Beleefbaar, toegankelijk maken.

Mooie landschappen zijn prettig, maar je moet er wel kunnen komen. • Inspelen op actuele opgaven, er wordt zo veel mogelijk gekeken naar majeure opgaven die spelen in een gebied. De gebiedsontwikkeling draagt hieraan bij en er wordt gekeken naar slimme meekoppelkansen.

Ruimtelijke kwaliteitsambities

Terug naar inhoudsopgave

11

Kwaliteitsambitie 1

Bodem als basis met een robuust en beleefbaar watersysteem In Overijssel wonen, werken en recreëren we in harmonie met het natuurlijke systeem. Het bodem- en watersysteem is leidend voor (land)gebruik en nieuwe ontwikkelingen. Dit betekent dat ontwikkelingen rekening houden met de bodem, het reliëf en het watersysteem ter plekke en bijdragen aan het herstel en behoud daarvan. Tegelijkertijd stelt het natuurlijke systeem grenzen aan ruimtelijke ontwikkelingen. Niet alles kan overal. Het klimaat verandert, het weer wordt extremer met perioden van langdurige droogte of juist hevige regenval met wateroverlast, bodemdaling (met onder meer verzakkingen en funderingsschade tot gevolg), verdroging en hittestress tot gevolg. Als we de ruimte niet zorgvuldig gebruiken leidt dit o.a. tot uitputting en verontreiniging van het bodem- en watersysteem en gaat de kwaliteit van onze natuur achteruit. Herstel van de veerkracht en klimaatrobuustheid van het water- en bodemsysteem is daarom een urgente opgave. Tegelijkertijd is het zaak om verdere klimaatverandering tegen te gaan door onze CO2 uitstoot uit de (veen)bodems te beperken en koolstof vast te leggen. We zullen het watersysteem en ons grondgebruik moeten aanpassen, zodat het systeem zich kan herstellen en robuust genoeg wordt om klimaatverandering op te vangen.

Door grote regionale verschillen in ons bodem- en watersysteem hebben we een gevarieerd landschap. Dit betekent ook dat de opgaven en oplossingen in elk gebied anders zijn. Deze abiotische onderlegger is in het verleden bepalend geweest voor de natuurkwaliteit, het (grond)gebruik en de inrichting van onze provincie. En zal dat in de toekomst weer moeten worden om de ruimte toekomstbestendig te kunnen blijven gebruiken. In Overijssel onderscheiden we vier type gebieden, met eigen bodem- en waterkenmerken: • Zandgronden: ontwikkelingen dragen bij aan het vergroten van de watervoorraad in het voorjaar, zodat ook in droge tijden voldoende water beschikbaar is. Hierbij kun je denken aan een tragere waterafvoer, hogere grondwaterstand, verbeterde sponswerking van de bodem en het opvangen van extreme neerslag. • IJssel, Vecht en Delta: ontwikkelingen dragen bij aan een robuust watersysteem met hoge ecologische kwaliteit dat extremen kan opvangen en Ruimte voor water in het Reestdal

Ruimtelijke kwaliteitsambities

Terug naar inhoudsopgave

12

afvlakken en het hele jaar voldoende afvoer heeft. • Veengebieden: ontwikkelingen dragen bij aan het beperken van bodemdaling en uitstoot van broeikasgassen door het veen geleidelijk te vernatten, afhankelijk van bodemtype en lokale omstandigheden. Uitgangspunt is functie volgt peil. • Ook in het stedelijk gebied krijgt water meer ruimte. Niet alleen om water vast te houden en te bergen, maar ook om te recreëren en hittestress tegen te gaan. Denk daarbij aan het ‘ontstenen’ van het stedelijk gebied. Zo werken we aan een robuust bodem- en watersysteem dat klimaateffecten opvangt en zorgt voor voldoende (drink)water van goede kwaliteit. Door de bodem en het watersysteem meer en meer richtinggevend te laten zijn voor ontwikkelingen en (land)gebruik, versterken we het natuurlijke systeem en kunnen we anticiperen op zowel een teveel als een tekort aan water. Dit robuuste watersysteem biedt ook volop kansen voor recreatie, biodiversiteit en gezondheid. De beken, kanalen en weteringen vormen een samenhangend groenblauw netwerk waar mens, plant en dier gebruik van kunnen maken. Deze groenblauwe dooradering verbindt de afzonderlijke natuurgebieden en draagt zo bij aan de biodiversiteit. Wanneer bovendien routes worden toegevoegd, wordt het watersysteem zichtbaar en beleefbaar. Bewegen langs en op het water wordt aantrekkelijker en dit kan bijdragen aan de mentale en fysieke gezondheid.

Ruimtelijke kwaliteitsambities

Kwaliteitsambitie 1: Bodem als basis met een robuust en beleefbaar watersysteem

Terug naar inhoudsopgave

13

Kwaliteitsambitie 2

Natuur als ruggengraat Natuur ligt overal in de provincie ‘om de hoek’. Veel dorpen en steden liggen dicht tegen natuurgebieden aan. Ze kunnen er echter veel beter mee verbonden worden door de dorpen en steden als ‘poorten’ naar de natuur te ontwikkelen. Een goede stad-landverbinding vergroot de toegankelijkheid en daarmee wordt bewegen en ‘erop uitgaan’ gestimuleerd. Dat is goed voor zowel de mentale als fysieke gezondheid en de sociale kwaliteit. Andersom kan natuur ook meer onderdeel worden van het stedelijk gebied, waardoor natuurinclusieve steden en dorpen ontstaan. De aaneengesloten natuurcomplexen van het Vechtdal, de Regge en de Sallandse Heuvelrug vormen het ‘Wilde Hart’ van de provincie. De Wieden en Weerribben vormen samen de natuurlijke drager voor de natte identiteit in de kop van Overijssel. Ook elders kunnen natuurlijke landschappen ontstaan met een duidelijke identiteit. Hiermee wordt een robuust groenblauw netwerk gecreëerd met focus op gebieden waar meerdere biodiversiteitsopgaven samen komen of waar grote kansen zijn om andere opgaven mee te koppelen, denk aan opgaven voor waterkwaliteit en -kwantiteit, weidevogels, veenweidegebieden, recreatie of de bossenstrategie. Zo kan CO2 worden vastgelegd door de aanleg van nieuwe bossen en landschapselementen in heel Overijssel. Nieuwe bossen kunnen eventueel gecombineerd worden met windenergie (windbos).

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) bevordert de biodiversiteit, maar ook de ruimtelijke continuïteit en de beleefbaarheid van natuur. Dit maakt natuur alleen maar sterker: het stimuleren van continuïteit en formaat sluit aan bij het uitgangspunt om natuurlijke processen (erosie, sedimentatie door wind en water) weer vrij spel te geven. Zo biedt integratie van de natuuropgave in een bredere gebiedsopgave de gelegenheid om natuur een duidelijk gezicht te geven. De kwaliteit van de randen van natuurge-

Ruimtelijke kwaliteitsambities

De Weerribben-Wieden is het grootste aaneengesloten laagveenmoeras van Noordwest Europa

Terug naar inhoudsopgave

14

bieden, de uitstraling van natuurgebieden en de robuustheid van natuurgebieden kunnen hierdoor worden vergroot. Het is van belang om rekening te houden met het veranderende klimaat en in te spelen op de migratie van plant- en diersoorten richting het noorden. Daarnaast zorgen we ervoor dat de condities op orde zijn voor een gunstige staat van instandhouding van alle soorten en habitats onder de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR). Voor heel Overijssel streven we naar een basiskwaliteit natuur en een groenblauwe dooradering met natuur, landschap en water. Onder basiskwaliteit natuur wordt verstaan: een set van condities die nodig is om algemene soorten algemeen te laten zijn, blijven of worden. De groenblauwe dooradering verbindt natuurgebieden onderling en het stedelijk met het landelijk gebied. Het gaat hier om groene en blauwe verbindende elementen, zoals houtwallen, watergangen, kruidenrijke graslanden, soortenrijke stroken in de akkerbouw, die bijdragen aan de biodiversiteit.

Kwaliteitsambitie 2: Natuur als ruggengraat

Ruimtelijke kwaliteitsambities

Terug naar inhoudsopgave

15

Kwaliteitsambitie 3

Voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuur­landschappen Het aanzien van bijna driekwart van het oppervlak van de provincie wordt bepaald door het agrarische cultuurlandschap. Voedselproductie is en blijft hier de hoofdfunctie en beeldbepalend voor dit deel van de Overijsselse landschappen. Het vormt voor veel inwoners hun woon- of werkomgeving en voor nog meer mensen de omgeving waarin ze hun vrije tijd - fietsend, wandelend of varend - doorbrengen. Het herkennen, koesteren en verder uitbouwen van de dragende structuren van het agrarische cultuurlandschap is onze leidraad. De verschillende onderdelen van het agrarische cultuurlandschap worden tot grotere ensembles verenigd en bijeengehouden door een aantal karakteristieke structuren: de wegenstructuur, de structuur van waterlopen, de bebouwingslinten en de nederzettingsvormen. Door het voortborduren op die dragende structuren worden de samenhang en het karakter versterkt. Het 'landbouw-landschap' is beeldbepalend in Overijssel en sterk in transitie. Grote delen van de jonge ontginningen zijn landbouwgebieden met generieke opgaven en kansen. Op andere plekken is ruimte voor landbouw met gebiedsspecifieke opgaven en kansen. Daarnaast is de verwachting dat er de komende decennia steeds meer boeren zullen stoppen. Hierdoor zullen veel agrarische erven herbestemd of herontwikkeld worden.

Ontwikkelingen dragen bij aan een zorgvuldige inpassing en bouwen voort op de bestaande structuren van het desbetreffende landschap. Herontdekken van de landschappelijke dragers en daarop voortbouwen kan ook het contrast tussen de verschillende landschappelijke ensem-

Ruimtelijke kwaliteitsambities

Het Twentse coulisselandschap met essen, oude hoeven, houtwallen en beekdalen (foto Regio Twente)

Terug naar inhoudsopgave

16

bles groter maken. De zandgebieden in Salland en Twente, elk met hun eigen structuur van essen, oude hoeven, beken, lanen en dorpen vormen een grote kwaliteit. Hier heersen beslotenheid en afwisseling. Het grootschalige open karakter van het veenweidelandschap in de Kop van Overijssel en het jonge ontginningslandschap ten noorden van de Vecht zijn van een uitgesproken kwaliteit: hier heersen horizon en verte. Het is de kunst om in beide verschillende karakters vormen van grondgebruik, bebouwingsvormen en infrastructuur zo te arrangeren dat deze karakters worden versterkt. Dit betekent ook dat de kenmerkende landschapsstructuren behouden en goed beheerd moeten worden om zo de contrasten van de Overijsselse cultuurlandschappen herkenbaar te houden.

Kwaliteitsambitie 3: Voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuur­landschappen

Ruimtelijke kwaliteitsambities

Terug naar inhoudsopgave

17

Kwaliteitsambitie 4

Elke stad, dorp en buurtschap zijn eigen kleur: een brede waaier aan woon-, werk- en mixmilieus Mensen koesteren verschillende wensen ten aanzien van hun woning en woonomgeving. Dit verschil in woonwensen neemt eerder toe dan af. Het aanbod van woonmilieus moet daarop reageren met een breed spectrum aan mogelijkheden. Wonen in het landschap, wonen in de stadsrand, wonen in de nieuwe stad, wonen in de oude stad. Het palet van steden en dorpen met een eigen karakteristieke opbouw, met eigen gebiedskenmerken en inbedding in het landschap is een bijzonder kenmerk van Overijssel. Het is goed de veelkleurigheid van het palet een impuls te geven. Hier gaat het om het herontdekken of zelfs opnieuw uitvinden van de eigen dragende kwaliteiten en (landschappelijke) structuren en daarop aansluiten met eigentijdse vormen van grondgebruik en inrichting. Daarbij ook inspelend op hittestress, vergroening en andere klimaatopgaven in de steden. We streven hierbij naar fraaie, groene en vitale dorpen en steden. Met eigen cultuurhistorische identiteit, klimaatbestendig en met natuur om de hoek. Aansluiten op het eigen karakter en de ligging vormen het vertrekpunt voor het ontwikkelen van een brede waaier aan woon-, werk- en mixmilieus. Steden en dorpen op de zandgronden, op het veen, aan de IJssel, Vecht of in de Delta vertellen hun eigen verhaal.

Daarnaast laat elke episode in de volkshuisvesting zijn eigen erfenis achter in de vorm van karakteristieke woon- en werkmilieus. Zo hadden we de naoorlogse flatwijken, de ‘bloemkoolwijken’ van de jaren ’70 en ’80, de VINEX-wijk en de buurten met particulier opdrachtgeverschap. Nu zien we dat ‘tiny houses’ op unieke woonplekken en hoogstedelijke compacte mixmileus populair zijn en daarnaast volop aandacht voor duurzaam bouwen. Tuindorp Het Lansink in Hengelo werd gebouwd voor de Stork-arbeiders (foto Christian van der Meij)

Ruimtelijke kwaliteitsambities

Terug naar inhoudsopgave

18

koloniën

Wij hebben dan ook de ambitie om het palet aan woon-, werk- en m ­ ixmilieus verder te verbreden. Deze ambitie realiseren we onder andere door de mogelijkheden voor herstructureren, transformeren en/of verdichten van bestaande bedrijventerreinen, wijken en erven ten volle te benutten. We kijken eerst naar de mogelijkheden binnen de steden en dorpen, voordat we gaan uitbreiden (inbreiden gaat voor uitbreiden). Als inbreiding niet mogelijk is, dan is uitbreiding in de groene omgeving onder voorwaarden mogelijk. Dit vraagt een visie van gemeenten op hun kernen en de ontwikkelingsmogelijkheden daarin. In de kernrandzones is een hoge dynamiek, maar ook een grote ruimtelijke druk. Daarom is het belangrijk dat hier een goede mix en balans van functies komt. Hierbij wordt tegelijkertijd verrommeling van de randen tegengaan en te grote verdichting voorkomen. De kernrandzones vervullen een cruciale rol doordat ze zowel poort van de stad/ dorp als toegang vanuit de stad/ dorp naar de groene omgeving zijn.

kanaaldorpen havenstadjes

lange linten

binnensteden

dorpen

buurtschappen esdorpen stations stadsranden

erven

bedrijven

landgoederen campus landstadjes

Kwaliteitsambitie 4: Elke stad, dorp en buurtschap zijn eigen kleur: een brede waaier aan woon-, werk- en mixmilieus

Ruimtelijke kwaliteitsambities

Terug naar inhoudsopgave

19

Kwaliteitsambitie 5

Het contrast tussen dynamische en luwe gebieden versterken Het contrast tussen rust en drukte is een grote kwaliteit van Overijssel. We hebben gebieden waar het ‘s nachts nog echt donker is, maar ook gebieden waar het licht nooit uit gaat. Dit contrast willen we versterken door hoog dynamische ontwikkelingen te concentreren rondom bestaande hoofdinfrastructuur, stedelijk gebied en bedrijventerreinen en daarnaast de luwe en donkere gebieden beschermen. Deze kwaliteit wordt namelijk steeds zeldzamer. De infrastructurele hoofdstructuur is de motor voor de ontwikkeling en dynamiek (bundeling van stedelijke functies), maar respecteert tegelijkertijd de relatieve ‘luwte’ (extensieve vormen van grondgebruik). Dit draagt naast onze bereikbaarheidsambitie ook bij aan onze ambities voor veiligheid en gezondheid, omdat we zo de overlast van het verkeer (geluid, stof) zo veel mogelijk concentreren rond een beperkt aantal routes. Het is belangrijk om de steeds grotere vraag naar nieuwe vormen van energieopwekking ook te koppelen aan de dynamische gebieden. Denk aan het koppelen van windenergie aan bundels van infrastructuur. We bouwen voort op de sterke netwerken die er zijn en optimaliseren mobiliteit binnen het Dagelijks Stedelijk Systeem (DSS). Binnen het DSS streven we naar een samenhangende en duurzame ontwikkeling van wonen, werken, voorzieningen, cultuur en mobiliteit.

Verstedelijking en andere ontwikkelingen moeten passen bij het DSS en dragen bij aan opgaven, zoals de CO2-reductie, biodiversiteit en klimaatadaptatie. Daarbij sturen we ook steeds meer op het combineren van gebiedsopgaven, waardoor de beschikbare ruimte zo effectief mogelijk wordt gebruikt. Bij het transformeren van bedrijventerreinen worden de ‘confectiepakken’ van het verleden vervangen door maatwerk. We zetten in op duur-

Ruimtelijke kwaliteitsambities

De Hanzedagen in Kampen (foto Tennekes)

Terug naar inhoudsopgave

20

zaamheid, circulariteit, mengen en stapelen van functies en ruimte geven aan de energieopgave. Regio’s zijn onderling goed met elkaar verbonden en aangesloten op het (inter)nationale netwerk. Dit geldt ook voor het spoorwegennet. We zetten in op dynamische stationsomgevingen en het verbeteren van het netwerk voor fietsers en voetgangers. Met de ambitie dat steeds meer mensen de auto laten staan en het aantrekkelijker wordt om met fiets en openbaar vervoer op pad te gaan. Dit is niet alleen goed voor het klimaat, maar zorgt ook voor meer beweging en draagt zo bij aan de fysieke en mentale gezondheid. De donkere gebieden zijn grofweg onze natuurgebieden en grote landbouwgebieden. Hier is het 's nachts nog echt donker en kun je de sterrenhemel nog zien. Hier wonen relatief weinig mensen en zij genieten van de luwte en donkerte. Deze gebieden worden gekoesterd en we proberen het rustige en onthaaste karakter te behouden.

Kwaliteitsambitie 5: Het contrast tussen dynamische en luwe gebieden versterken

Ruimtelijke kwaliteitsambities

Terug naar inhoudsopgave

21

Kwaliteitsambitie 6

Aantrekkelijke routes voor een toegankelijk en beleefbaar Overijssel Het landschap in Overijssel heeft veel supporters. Verschillende groepen mensen met verschillende aanspraken en behoeften maken gebruik van de mogelijkheden die het landschap biedt voor grote en kleine ommetjes, voor grote en kleine tochten en ontdekkingsreizen. Een netwerk van routes voor wandelen, fietsen, paardrijden en varen verhoogt de belevingskwaliteit aanzienlijk, omdat het de binnensteden, dorpscentra, landgoederen, de recreatievoorzieningen, de toeristische attracties en de natuurgebieden verbindt. Een verbindend netwerk, niet alleen als ontsluiting, zodat je er kan komen, maar ook als ruimtelijke structuur, zodat je het landschap kan ervaren. Daarnaast stimuleren aantrekkelijke routes en een toegankelijk landschap het naar buiten gaan wat onder meer goed is voor de mentale en fysieke gezondheid. De kernrandzones vervullen een cruciale rol in de verbinding tussen stad en land. Zij zijn zowel de poort van de stad en het dorp als de toegang vanuit de stad en het dorp naar de groene omgeving. Aantrekkelijke routes voor een toegankelijk en beleefbaar Overijssel zijn er op twee schaalniveaus. De langzame routes van fietspaden, wandelpaden en vaarroutes, zoals hierboven benoemd, maar ook de dynamische, snelle routes van de grotere wegen en spoorwegen.

Provinciale wegen hebben naast verbindende functie ook een belangrijke rol als ruimtelijke drager. Weg en omgeving moeten altijd in samenhang worden benaderd en behandeld als integrale gebiedsopgave. Vanaf de weg worden omgevingskwaliteiten zichtbaar gemaakt, zodat het landschap kan worden beleefd vanuit de auto. Het groen langs de wegen draagt bij aan het leefgebied van plant en dier en het versterkt landschappelijke

Ruimtelijke kwaliteitsambities

Aantrekkelijke routes maken Overijssel beleefbaar en toegankelijk (foto Regio Twente)

Terug naar inhoudsopgave

22

structuren. Verschillende routes vertellen de verhalen van Overijssel. Zo onderscheiden we o.a. de veenroute, Twenteroute en IJsselroute. Daarnaast draagt de weg bij aan de oriëntatie van de weggebruiker door vensters, zichtlijnen op landmarks, dorpssilhouetten, dorpspassages, rivierfronten, bruggen en stedelijke entrees.

Kwaliteitsambitie 6: Aantrekkelijke routes voor een toegankelijk en beleefbaar Overijssel

Ruimtelijke kwaliteitsambities

Terug naar inhoudsopgave

23

Kwaliteitsambitie 7

Sterke merken van Overijssel Gedeelde verhalen en waardering van gebieden met een sterke ‘sense of place’ zorgen ervoor dat mensen er identiteit en betekenis aan toekennen. Door gedeelde verhalen, tradities en gemeenschappen geven mensen betekenis aan een gebied en voelen zij zich ermee verbonden. Overijssel heeft een aantal ‘sterke merken’ in huis, die veelal gelinkt zijn aan het agrarische cultuurlandschap. De waterrijke Kop van Overijssel, de Hanzesteden, het Wilde Hart van Vecht, Regge en Sallandse Heuvelrug, het landgoederenlandschap ten noorden van Deventer, het rivierenlandschap van de IJssel, de Twentse steden en het Nationaal Landschap Noordoost Twente met Dinkeldal zijn ijzersterke identiteiten met een sterk potentieel. De verschillende identiteiten van deze gebieden zijn aanknopingspunten voor gebiedsgerichte ontwikkeling. Cultuurhistorische en landschappelijke waarden kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan de identiteit. We willen de potentiële kwaliteiten zoveel mogelijk verzilveren. Daarbij kun je denken aan inrichtingskwaliteit, een eigen gezicht geven, het stimuleren van ondernemerschap, streekproducten en vergroting, verdieping en verbreding van de recreatieve mogelijkheden. Niet alleen vanuit economisch oogpunt, maar ook om een aantrekkelijke leefomgeving te creëren en om de vitaliteit en de dynamiek in genoemde gebieden op gang te houden.

Het behouden en versterken van de bestaande identiteit én het toevoegen van nieuwe identiteit vereist immers investeringen en het stimuleren van nieuwe ontwikkelingen, herstructurering en transformatie. Je kunt op verschillende schaalniveaus kijken naar onze sterke merken. Zo kun je uitgaan van vier windstreken: het ‘open’ landschappelijk patroon van de laagveengebieden en kleicomplexen in

Ruimtelijke kwaliteitsambities

De uitgestrekte landgoederen zijn onderdeel van het aantrekkelijke Twentse coulisselandschap

Terug naar inhoudsopgave

24

Noordwest-Overijssel, de lange lijnen in het Sallandse occupatiepatroon, de intimiteit van het Twentse boerenland en de stoere maat van de grote ontginningen van het Vechtdal. Maar kijk je preciezer, dan zie je binnen deze eenheden ook weer verschillen. Vanwege de verschillen in het bodem- en watersysteem zijn gebieden op een andere manier in cultuur gebracht, waardoor het landschap, de nederzettingen en daarmee de ordende en dragende structuren ook steeds anders zijn. Binnen de windstreken is er vaak op korte afstand sprake van grote variatie. Denk aan het lieflijke landschap van Reestdal naast de grootschalige rationele ontginningen rond Nieuwleusen en Dedemsvaart. De landschappelijke identiteiten (landschapsensembles) bieden een goed aangrijpingspunt voor gebiedsgerichte plan- en strategievorming. Naast cultuurhistorische, aardkundige en archeologische waarden kunnen ook gemeenschappen en de tradities een belangrijke bijdrage leveren aan de identiteit en een belangrijke inspiratiebron zijn voor ontwikkelingen. De sterke merken zijn geen blauwdruk, maar geven aanleidingen om ontwikkelingen op een gebiedseigen manier in te vullen.

Kwaliteitsambitie 7: Sterke merken van Overijssel

Ruimtelijke kwaliteitsambities

Terug naar inhoudsopgave

25

Werken met gebiedskenmerken

Inleiding We realiseren ruimtelijke kwaliteit door naast bescherming vooral in te zetten op het verbinden van bestaande kwaliteiten en nieuwe ontwikkelingen. Hierbij zijn de gebiedskenmerken ons uitgangspunt. Dit zijn de ruimtelijke kenmerken van een gebied of een gebiedstype, die bepalend zijn voor de karakteristiek en kwaliteit ervan. Dat kan bijvoorbeeld het open karakter van een landschap zijn, het patroon van houtwallen, een bepaalde bebouwingsstructuur of een hoge grondwaterstand. Terwijl een afzonderlijke houtwal geen provinciaal belang vertegenwoordigt, wordt dat anders als die in een netwerk van houtwallen bepalend is voor de karakteristiek van een landschapstype. Het is dan van belang dat in alle gemeenten waar dat landschapstype voorkomt, die houtwallenstructuur wordt gerespecteerd en waar mogelijk wordt versterkt en hersteld. Daarmee wordt de herkenbaarheid en zichtbaarheid van dit gebiedstype in Overijssel vergroot en het contrast met andere landschapstypen in stand gehouden. Vanwege het rijke palet aan landschapstypen in de provincie is het in stand houden van de variatie en het contrast tussen landschapstypen van provinciaal belang. Vandaar dat hier op provinciaal niveau sturing en instrumenten voor worden ingezet. In het Overijssel van de toekomst staan vier waarden centraal: duurzaamheid, gezondheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit.

Hiermee dragen we bij aan de brede welvaart van onze inwoners. Deze Rode Draden zijn belangrijk voor een mooi, sociaal, duurzaam en gezond Overijssel. Dit komt terug in onze Omgevingsvisie en werkt door in onze beleidskeuzes en ons Omgevingsplan, inclusief de Catalogus Gebiedskenmerken. De gebiedskenmerken zijn ondergebracht in 4 lagen: 1. Natuurlijke laag (in en op de bodem) 2. Laag van het agrarische cultuurlandschap (grootschalig gebruik en inrichting van de bodem) 3. Stedelijke laag (bebouwing en infrastructuur) 4. Laag van de beleving (o.a. identiteit, recreatie en landgoederen) Deze lagen zijn zo onderscheiden omdat de ingrepen in de fysieke leefomgeving in elke laag volgens eigen principes en processen verlopen. Uiteraard staan ze niet los van elkaar, maar zijn ze altijd met elkaar verbonden. Immers, plekken die eerst natuurlijk waren, zijn nu bebouwd en in een enkel geval andersom. Vaak liggen ze over elkaar heen en hebben we op één plek te maken met kenmerken van verschillende lagen. Op andere plekken is dat niet zo en domineert een bepaalde laag.

Werken met gebiedskenmerken

Terug naar inhoudsopgave

27

4. Laag van de beleving

Per laag onderscheiden we in deze Catalogus Gebiedskenmerken verschillende gebiedstypen en per gebiedstype beschrijven we: • Kenmerken: hoe is het type opgebouwd, hoe ziet het eruit? • Ontwikkelingen: hoe heeft het zich ontwikkeld, wat speelt er? • Ambities: wat is de visie op de toekomst van het gebiedstype? • Sturing: door welk handelen kan die visie worden bewerkstelligd?

3. Stedelijke laag

2. Laag van het agrarisch cultuurlandschap

De gebiedskenmerken zijn sturend voor de vraag hoe een ontwikkeling invulling krijgt. De gebiedskenmerken zijn soms normstellend, maar meestal richtinggevend of inspirerend. 1. Natuurlijke laag

Werken met gebiedskenmerken Als er in een bepaald gebied een verandering aan de orde is (bijvoorbeeld de aanleg van een weg, woningbouw, schaalvergroting van de landbouw of inrichting als natuur), dan worden eerst de of-vraag en de waar-vraag (de redeneerlijn) beantwoord. Als die positief zijn beantwoord, dan komen we bij de Catalogus Gebiedskenmerken om antwoord te kunnen geven op de hoe-vraag. De gebiedskenmerken sturen dan de manier waarop de ontwikkeling moet plaatsvinden: welke kenmerken en kwaliteiten behouden, versterkt en ontwikkeld moeten worden. De ‘hoe’ vraag wordt hiermee beantwoordt.

Kenmerken ‘Wat is er?’ Ontwikkelingen ‘Wat speelt er?’ Ambitie ‘Waar willen we naar toe?’ Sturing ‘Hoe kun je het bereiken?’

Werken met gebiedskenmerken

Terug naar inhoudsopgave

28

Voor het betreffende gebied worden eerst de relevante kenmerken uit de vier lagen in beeld gebracht. Vervolgens wordt aan de hand van de kenmerken onderzocht hoe de ontwikkeling kan bijdragen aan het behouden en versterken van de gebiedskenmerken. Uit dit onderzoek zal blijken dat soms één kenmerk uit een laag en soms een combinatie van kenmerken uit verschillende lagen samen mogelijkheden bieden om op voort te bouwen en om nieuwe kwaliteiten te ontwikkelen. De gebiedskenmerken bieden zo in de eerste plaats een werkwijze en een inspiratiebron aan om tot een versterking van de gebiedskwaliteiten te komen. Maar, de stapeling van lagen leidt niet automatisch tot een goed plan die de ruimtelijke kwaliteit ter plekke versterkt. De vier lagen moeten nog gewogen, geordend en samengebracht worden, daarvoor moeten keuzes worden gemaakt. Dat kan alleen in een goed ontwerp, aangestuurd door een bezield opdrachtgever en betrokken actoren. Hardheid van de sturing In de kolom Sturing is de ‘hardheid’ van de diverse provinciale belangen verwoord: • Normerend: leiden ertoe dat een passende regeling in het Omgevingsplan wordt opgenomen.

Met deze formulering schrijft de provincie niet voor hoe de regeling in het Omgevingsplan er precies uit moet zien, maar beschrijft ze het effect ten aanzien van de kwaliteitsambities en opgaven van provinciaal belang dat met de door de gemeente vast te stellen regeling moet worden bereikt. • Richtinggevend: geven een manier aan waarop de kwaliteitsambities van provinciaal belang gerealiseerd kunnen worden. Gemeenten kunnen hier echter gemotiveerd van afwijken, mits aannemelijk is gemaakt dat met het alternatief de kwaliteitsambities even goed of zelfs beter worden gerealiseerd. • Inspiratie: ontwikkelingsrichtingen waarmee onze kwaliteitsambities gerealiseerd kunnen worden. Initiatiefnemers, waaronder gemeenten, kunnen zich hierdoor bij hun plannen laten inspireren, maar zijn vrij eigen keuzes te maken. Kaartbeelden bij de vier lagen Per laag is een kaartbeeld opgenomen, waarop de huidige situatie van de gebiedstypen is weergegeven. De kaartbeelden beperken zich tot de hoofdlijn, zoals relevant op het provinciale schaalniveau. De schaal die wij hanteren vraagt maatwerk op lokale schaal. Dat betekent dat de inventarisatie en analyse van de concrete situatie uitwijst hoe de gebiedskenmerken zich ter plekke manifesteren. Bovendien kunnen we sommige elementen we niet op kaartbeelden zichtbaar maken.

In zulke gevallen is het wel belangrijk deze kenmerken te inventariseren en om de ambities en sturing van deze Catalogus te benutten.

Werken met gebiedskenmerken

Terug naar inhoudsopgave

29

Voorbeeld: uitbreiding bedrijventerrein Voordat de verschillende lagen, gebiedstypen met hun gebiedskenmerken, hun kwaliteitsambities en sturing aan de orde komen, volgt eerst een voorbeeld waarmee we de werkwijze toelichten. Het voorbeeld gaat over een mogelijke uitbreiding van een bedrijven­terrein. In dit voorbeeld gaan we ervan uit dat de globale locatie en de grootte van de uitbreiding een gegeven is. Er is zorgvuldig omgegaan met de ruimte, wat onder andere betekent dat er al is gekeken naar mogelijkheden om de hoogte of de diepte in te bouwen (niet meer parkeren op maaiveld) en er is een goede verdeling van de milieucategorieën gemaakt. Hier laten we zien hoe er – werkend met de gebiedskenmerken in deze cata­logus – randvoorwaarden en bouwstenen voor de verdere uitwerking van het ontwerp kunnen worden gegenereerd. De werkwijze bestaat uit 3 stappen: • Stap 1: Identificeren van de relevante gebiedstypen uit de vier lagen en de bij­behorende kwaliteitsambities en randvoorwaarden. • Stap 2: Zet de ambities en randvoorwaarden om in bouwstenen voor het ontwerp. • Stap 3: Verwerk de bouwstenen tot een samenhangend ontwerp voor de gewenste ontwikkeling. In het voorbeeld wordt aan de hand van de gebiedstypen in de vier lagen op de plek waar het bedrijventerrein gedacht is, de randvoorwaarden en uitgangspunten geïnventariseerd (stap 1).

Vervolgens wordt er voor elk van de lagen een bouwsteen voor het totale ontwerp ontwikkeld (stap 2). Stap 3 behandelen we in dit voorbeeld niet omdat iedere ontwerper, in samenspraak met opdrachtgever en betrokkenen, een ontwerp maakt. De ruimtelijke kwaliteit is daarmee de resultante van enerzijds de sturing die voortkomt uit kwaliteitsambities en randvoorwaarden en anderzijds de kwaliteit van het ontwerpend zoekproces. Deze creatieve ruimte heeft een ontwerpproces in onze ogen altijd nodig. Dit voorbeeld laat zien dat het goed mogelijk is – door trouw te blijven aan de kenmerken, de ambities en de sturingsprincipes van de gebiedskenmerken vanuit het hogere schaalniveau – het begrip ruimtelijke kwaliteit concreet te maken.

Werken met gebiedskenmerken

Terug naar inhoudsopgave

30

Stap 1 Kenmerken en ambities Natuurlijke laag

Laag van het agrarische cultuurlandschap

Stedelijke laag

De locatie ligt op de overgang van de stuwwal naar ­dekzandvlakte met beekloop. Randvoorwaardelijk (norm) zijn onder meer: • Instandhouding van het reliëf. • Instandhouding van het watersysteem, de waterkwaliteit en voldoende ruimte voor water en natuurlijke dynamiek. Ambities (richtinggevend) zijn onder meer: • Beleefbaar maken van de overgang van hoog naar laag en van nat naar droog. De afwisseling van beekdal en dekzandrug is uitgangspunt. • Bij de beeklopen extra ruimte maken voor de dynamiek van het stromende water, versterking van de samenhang in het beeksysteem en deze beleefbaar maken.

De locatie ligt op de overgang van het essenlandschap naar de jonge heide- en broekontginningen. Randvoorwaardelijk (norm) zijn onder meer: • Instandhouding van de karakteristieke openheid, de huidige bodemkwaliteit en het reliëf van de essen. • Instandhouding van de openheid. Ambities (richtinggevend) zijn onder meer: • In het essenlandschap is op de flanken ruimte voor ruimtelijke ontwikkeling met respect voor en bijdragend aan versterking van het landschappelijk raamwerk. • In de heideontginningen draagt de ontwikkeling bij aan versterking van de dragende lineaire structuren, de ruimtemaat en een robuust watersysteem.

De locatie ligt aan de rand van een dorp op het zand, aan een provinciale route en in de nabijheid van andere bedrijvigheid. Ambities (richtinggevend) zijn onder meer: • Ontwikkelingen dragen bij aan het DNA en karakter van de kern. Daarnaast aan het vasthouden, infiltreren en tijdelijk bergen van water en langzaam verkeersroutes verbinden de ontwikkeling met de omgeving. • Inzetten op een goede stad-landverbinding en de ontwikkeling slim combineren met andere opgaven die hier spelen. • Ontwikkelingen gaan zuinig en zorgvuldig om met de ruimte en spelen in en maken gebruik van de lokale kwaliteiten, waaronder erfgoed. • Maak een voorkant richting de provinciale route.

Werken met gebiedskenmerken

Terug naar inhoudsopgave

31

Stap 2 Bouwstenen voor het ontwerp Laag van de beleving

De locatie ligt in Twente, nabij recreatieve routes en een landgoed. Randvoorwaardelijk (norm) zijn onder meer: • Behoud, herstel en aanleg van landschappelijke recreatieve routes tussen dorp en land gericht op de continuïteit van routes. Ambities (richtinggevend) zijn onder meer: • Voortbouwen aan het Twentse coulisselandschap met de stuwwallen, beekdalen, bossen, houtwallen, boerenerven en landgoederen. • Behoud en herstel van het monumentale ­karakter van de landgoederen en ontwikkelen tot landgoederenzone door een samenhangende lanen-, wegen- en padenstructuur. • Barrières tussen dorp en land slechten, bijvoorbeeld door ommetjes vanuit het dorp mogelijk te maken.

Werken met gebiedskenmerken

Natuurlijke laag

Laag van het agrarisch cultuurlandschap

Van Paridon en de Groot

Van Paridon en de Groot

Landschapsarchitecten

Landschapsarchitecten

Ambitie: Bodem als basis met een robuust en beleefbaar watersysteem Op de grens van de locatie ligt een beekloopje, deze kan meer betekenis krijgen door de loop als een route voor mens, plant en dier te ontwikkelen, door bijvoorbeeld: • De loop te verbreden tot een waterrijke zone met moerasbossen. • Dit biedt kansen om water vast te houden, natuur te ontwikkelen en filtert tevens het zicht op het bedrijventerrein. • Wanneer het schouwpad erlangs wordt opengesteld, ontstaat een doorgaande wandelroute langs het bedrijventerrein, door de dorpsrand en naar de landgoederen in de omgeving.

Ambitie: Voortbouwen aan de kenmerkende structuren van het essenlandschap De locatie maakt deel uit van groot essencomplex, waaraan het dorp is ontstaan: de ontwikkeling van het bedrijventerrein moet dit kenmerk versterken, door bijvoorbeeld: • De es open te houden. • Vrijkomende erven te benutten voor de ontwikkeling van werkerven op de flank van de es. • Hoogteverschillen weer beleefbaar te maken door beplantingen, reliëf en routes.

Terug naar inhoudsopgave

32

Stedelijke laag

Laag van de beleving

Van Paridon en de Groot

Van Paridon en de Groot

Landschapsarchitecten

Landschapsarchitecten

Ambitie: Elk dorp zijn eigen kleur: een brede waaier aan woon-, werk- en mixmilieus Veel bedrijventerreinen zijn eenvormig en liggen als een ‘no go area’ ­tussen dorp en landschap. Met de ontwikkeling van een nieuw werklandschap aan de rand van het dorp kan de binding tussen dorp, bedrijvigheid en landschap versterkt worden, bijvoorbeeld door: • Voort te bouwen aan de karakteristieke bebouwings­structuren en het DNA van het dorp. • Inzetten op vasthouden, infiltreren en tijdelijk bergen van water in de waterrijke moeraszone. • Het netwerk van informele paden en routes respecteren en continueren. • Mixen van functies ontwikkelen: werken met wonen of voorzieningen.

Ambitie: Aantrekkelijke routes voor een toegankelijk en beleefbaar Overijssel De locatie ligt op de overgang naar de voormalige ­heidegronden waar landgoederen zijn aangelegd. Deze kenmerken kunnen benut worden bij de ont­­ wikkeling van een bedrijventerrein door: • Het versterken van de doorgaande laanstruc­ turen. Zo kan het bedrijventerrein ruimtelijk stevig worden ingebed in het Twentse coulisselandschap en de kwaliteit, toegankelijkheid en uitstraling van de landgoederen vergroten. • Op schaalniveau van het terrein zelf kunnen nieuwe lange lanen het ruimtelijk raamwerk gaan vormen voor de bedrijvigheid. • De lanen sluiten aan op de bestaande recreatieve routes en zorgen zo voor een aantrekkelijk en toegankelijk bedrijventerrein.

Werken met gebiedskenmerken

Aanleidingen en referenties voor een goed ontwerp

Terug naar inhoudsopgave

33

Hoofdstuk 1

Natuurlijke laag

Inleiding De natuurlijke laag is ontstaan doordat abiotische en biotische processen inwerken op de ondergrond van bodem en geologie. Abiotische processen zijn bijvoorbeeld ijs-, wind- en waterstromen, maar ook erosie en sedimentatie. Biotische processen zijn het gevolg van de vestiging van plant- en diersoorten. Overijssel bestaat voornamelijk uit een dekzandcomplex dat afloopt van oost naar west. Een paar noord-zuid georiënteerde stuwwallen doorsnijden het dekzand. Het is van oudsher een nat en bij tijd en wijle heel nat landschap waar het water maar moeilijk uit weg kon. Hier heeft zich hoogveen ontwikkeld. In het westen zijn langs de voormalige Zuiderzee kleicomplexen en laagveengebieden ontstaan. Zo is de zoetwaterdelta van de IJssel, de Vecht en het Zwarte Water met de laagveenmoerassen (nationaal en internationaal gezien) het meest bijzondere deel in deze laag en vraagt nadrukkelijk aandacht. De aardkundige kaart in de Cultuurhistorische Waardenkaart van Overijssel biedt een meer gedetailleerd beeld van de bodem van Overijssel. Vanouds bestaat er in de natuurlijke laag een sterke samenhang tussen het natuur- en het watersysteem. In essentie maakt het watersysteem één grote beweging van de brongebieden (op de flanken van de stuwwallen), naar de beken en weteringen (in de zandgebieden) en via de Vecht en het Zwarte Water tenslotte naar de IJssel en de Randmeren.

Dit proces heeft in Overijssel geleid tot een rijk en gevarieerd spectrum aan natuurlijke landschappen. Vervolgens heeft dit natuurlijke landschap plek en betekenis gekregen in het menselijk occupatieproces. Het natuurlijk landschap vormt daarmee de basis voor de inrichting van onze provincie. Lange tijd is de natuurlijke laag sturend geweest voor een groot deel van de ruimtelijke ontwikkelingen. Mensen vestigden zich bijvoorbeeld op de hoge en droge plekken, wegen werden aangelegd bij goed doorwaadbare plekken in de rivier. Pas de laatste eeuw is door technische mogelijkheden de koppeling tussen ruimtelijke ordening en de natuurlijke ondergrond steeds losser geworden en zijn door menselijke ingrepen de kwaliteiten van de natuurlijke laag aangetast. Dit leidt nu tot problemen, zoals verkeerde locatiekeuzen leiden tot wateroverlast, door versnippering van de natuurcomplexen gaat de biodiversiteit achteruit. Ook is de afgelopen eeuw de (chemische) bodemkwaliteit verslechterd, zowel door lokale bedrijfsmatige activiteiten als door diffuse belasting, waardoor de ondergrond nu niet overal geschikt is voor de gewenste functie. De ambitie is om de ruimtelijke ontwikkelingen beter af te stemmen op de natuurlijke laag, waarbij bodem en water leidend zijn. Dit kan er voor zorgen dat de natuurlijke kwaliteiten van de provincie weer beeldbepalend worden.

En dit niet alleen in de natuurcomplexen in de provincie, maar ook in het agrarisch landschap, in de

Natuurlijke laag

Terug naar inhoudsopgave

35

Landgoed Junne is een bijzonder en verrassend landgoed met een rijke historie en een grote diversiteit aan landschappen

stedelijke gebieden en in de dorpen, bijvoorbeeld in nieuwe waterrijke woonmilieus en nieuwe natuur in stad en dorp. Ontwikkelingen Echt natuurlijk landschap is geheel verdwenen. De natuurlijke laag is grotendeels ontgonnen en als landbouwgrond in cultuur gebracht. De steeds diepere drooglegging en snelle afwatering en de bemesting hebben de natuurlijke kwaliteiten onder druk gezet. Bovendien heeft de verstedelijking het areaal natuurlijk landschap verder teruggedrongen. Al met al is de omvang, diversiteit en kwaliteit van natuurlijke milieus sterk achteruit gegaan. De natuurlijke laag heeft een andere plek en betekenis gekregen in het occupatieproces. Bedreigende ontwikkelingen: • Verdroging • Bodemdaling

Natuurlijke laag

• Vermesting en verrijking met nutriënten • Nivellering van karakteristieke verschillen en het verlies van aardkundige waarden • Versnippering en opdeling in kleine eenheden • Uitsterven en verdwijnen van flora en fauna Ambitie Bij locatiekeuzen en inrichtingsopgaven voortbouwen op de natuurlijke laag is een duurzame strategie: het betekent de veerkracht van het bodem- en watersysteem in tact laten of versterken en daarmee anticiperen op klimaatverandering, het betekent het behoud van de aardkundige waarden, behouden en versterken van de rijkdom aan plant- en diersoorten (biodiversiteit). Bodem als basis met een robuust en beleefbaar watersysteem • Continuïteit van beeklopen en weteringen herstellen.

• Op basis van gezamenlijke gebiedskennis zoveel mogelijk streven naar een ‘natuurlijk’ waterpeil. • Beken en rivieren krijgen zoveel mogelijk hun dynamiek terug en zoeken hun eigen weg. • Functies en inrichting afstemmen op de condities van de natuurlijke laag en het watersysteem door bijvoorbeeld te bouwen op de hooggelegen en droge gebieden of in de natte delen van het landschap aangepast te bouwen. • Weer tevoorschijn halen van de natuurlijke laag en het watersysteem; waar mogelijk zijn biotische gegevenheden (bodem, water) een inspiratiebron voor inrichtingsplannen. • Aanpak verdroging door water zoveel mogelijk vast te houden en te infiltreren in de bodem • Het bereiken c.q. behouden van een goede waterkwaliteit. Natuur als ruggengraat • Arealen van en samenhang tussen de gebieden vergroten; continuïteit en uitwisseling tussen gebieden bevorderen. • Variatie in natuurlandschappen behouden en vergroten. • Samenhang tussen de componenten (hoogdroog; laag/ nat) versterken. • Kwetsbare onderdelen vrijwaren van gebruiksdruk en slijtage. • Ruimte geven aan abiotische en natuurlijke processen. Beplanting en inrichting hierop afstemmen.

Terug naar inhoudsopgave

36

Natuurlijke laag

1.1 Stuwwal 1.2 Dekzandvlakte en - rug 1.3 Brongebied 1.4 Beekdal en natte laagte 1.5 Laagveengebied en laagveenrestant 1.6 Hoogveengebied en hoogveenrestant 1.7 Rivierengebied Rivierdal Komgrond Oeverwal/ rivierduin

1.8 Zeekleigebied Getijdenvlakte Getijdenrug Getijdengeul

Natuurlijke laag

Terug naar inhoudsopgave

37

1.1 Natuurlijke laag • Stuwwal direct naast elkaar kunnen liggen. Zo bestaan de Twentse stuwwallen voor een groot deel uit tertiaire (zee)klei en keileem. Hierdoor zijn ze overwegend nat en komen er talrijke brongebieden voor. De Steenwijker Kamp is geologisch gezien geen stuwwal, maar een eindmorene. De ruimtelijke kenmerken zijn vergelijkbaar en daarom rekenen we deze Kamp tot de stuwwallen. De verschillende stuwwallen hebben zich in de loop van de tijd allemaal anders ontwikkeld. In de occupatiegeschiedenis zijn sommige stuwwallen betrekkelijk ongemoeid gelaten. Op andere kwamen grote en kleinere escomplexen tot ontwikkeling. De hoge delen werden vaak als heidevelden voor begrazing in gebruik genomen, later zijn grote delen ervan bebost.

De bloeiende heide op de Sallandse Heuvelrug (foto Luc Bruinsma)

Kenmerken De stuwwallen zijn aardlagen die tijdens de voorlaatste ijstijd zijn opgestuwd. Door de vaak grote hoogteverschillen zijn de ruggen op een aantal plekken al van verre zichtbaar. Vanaf de top bieden ze spectaculaire zichten over de provincie. De stuwwallen hebben als regionale inzijggebieden

Natuurlijke laag

een belangrijke functie in het watersysteem. Het zijn de ‘ingangen’ van regionale en lokale stelsels van grondwaterstromen.

Bodem: podzolgronden Hydrologie: lokale inzijging Natuurlijk bostype: op de hoogste delen wintereiken-beukenbos, in de lagere delen berken-zomereikenbos en elzen-eikenbos Cultuurlandschap: essenlandschap, oude hoevenlandschap, jonge heide- en broekontginningen, ontginningsbos Kansen voor

Lagen met diverse bodemsamenstelling zijn scheef gedrukt, waardoor er voedselrijke en armere, waterdoorlatende en ondoorlatende lagen

Terug naar inhoudsopgave

38

Ontwikkelingen • De infiltratie naar de ondergrond is afgenomen door oppervlakkige afwatering, waterwinning en het op grote schaal bebossen met naaldhout. Hierdoor is de verdroging een steeds groter probleem geworden op de stuwwallen. • Op de stuwwallen is het microreliëf grotendeels verdwenen, waardoor de stuwwal gevoelig is voor afspoeling en het lastig is om water vast te houden en te laten infiltreren in de bodem. Ambitie Het eigen karakter van de afzonderlijke stuwwallen behouden en versterken, het reliëf is daarbij beeldbepalend. Overgangen naar andere landschappen accentueren en zichten op en vanaf de stuwwal versterken. Er wordt een robuust watersysteem gerealiseerd, waarin het winteroverschot wordt vastgehouden, zodat droogte in de zomer opgevangen kan worden. Dit betekent onder andere: • Oppervlakkige afwatering tegengaan of vertragen. • Vergroten van de grondwatervoorraad door water langer vast te houden en te infiltreren in de bodem. • De ontwateringsbasis rond stuwwallen en in afstromende beken verhogen. • Naaldbossen vitaliseren door het toevoegen van loofbomen of heide en nieuwe gemengde bossen aanplanten. Sturing Norm • Stuwwallen krijgen een beschermende regeling,

Natuurlijke laag

Naaldbos vitaliseren door loofbomen aan te planten tussen de naaldbomen

gericht op instandhouding van de hoofdlijnen van het huidige reliëf. Richting • Ontwikkelingen dragen bij aan het beter zichtbaar en beleefbaar maken van de hoogteverschillen en van de overgang tussen de stuwwal en de omgeving. • Ontwikkelingen dragen bij aan de versterking en zichtbaarheid van de ‘natte voet’ van de stuwwal (kwelzone, brongebied), waardoor beter gebruik

gemaakt kan worden van deze potentiële natuurlijke kwaliteiten. • Ontwikkelingen op de flank van de stuwwal dragen bij aan het infiltreren en vasthouden van water. • Ontwikkelingen brengen microreliëf terug op de flanken van de stuwwal. Inspiratie • Bij bosaanplant wordt gekozen voor loofhout of een mix van loof- en naaldhout.

Terug naar inhoudsopgave

39

1.2 Natuurlijke laag • Dekzandvlakte en dekzandrug van de landbouw. Hierdoor is het natuurlijke watersysteem verloren gegaan en wordt verdroging een steeds groter probleem. • De aanvoer van water is op dit moment al lastig op de zandgronden en dit wordt op termijn steeds lastiger. • De vraag naar drinkwater neemt toe, maar de winningen staan onder druk vanwege waterschaarste en natuurwaarden. Ambitie Natuurlijke verschillen tussen hoog/droog en laag/ nat meer sturend en beter beleefbaar maken, bijvoorbeeld door een meer natuurlijk watersysteem en gebiedseigen beplanting. De afwisseling tussen beekdalen en dekzandruggen (de (strekkings) richting van het landschap) beter benutten en de inrichting en het grondgebruik daarop aanpassen.

Stuifzand bij Beerzerveld (foto Arnold Lassche)

Kenmerken De dekzandgronden beslaan een groot gedeelte van de provincie. Na de ijstijden bleef er in grote delen een reliëfrijk, door de wind gevormd, zandlandschap achter. Dit landschap wordt gekenmerkt door relatief grote verschillen tussen hoge, droge en lage, natte gebieden. Soms vlak bij elkaar, soms verder van elkaar verwijderd. Delen hiervan hebben zich ontwikkeld tot stuifzand, doordat heidevelden te intensief werden gebruikt en niet konden herstellen. De blootgelegde grond

Natuurlijke laag

raakte door wind in beweging en er ontstonden stuifzanden. Deze gebieden zijn nu grotendeels bebost. De dekzandgebieden zijn door de eeuwen heen voor het overgrote deel in cultuur gebracht als essenlandschap, oude hoevenlandschap en jonge heide- en broekontginningen.

Bodem: podzolgronden Hydrologie: lokale inzijging Natuurlijk bostype: op de hoogste delen wintereiken-beukenbos, in de lagere delen berken-zomereikenbos en elzen-eikenbos Cultuurlandschap: essenlandschap, oude hoevenlandschap, jonge heide- en broekontginningen, ontginningsbos Kansen voor

Ontwikkelingen • Het kenmerkende reliëf is op veel plaatsen vervlakt, bijvoorbeeld door egalisaties ten behoeve

Terug naar inhoudsopgave

40

Daarnaast willen we de verdroging aanpakken door snelle afwatering tegen te gaan en het realiseren van een robuust bodem- en watersysteem, waarbij het winteroverschot wordt vastgehouden zodat droogte in de zomer beter opgevangen kan worden. Dit betekent onder andere: • Oppervlakkige afwatering tegengaan of vertragen. • Vergroten van de grondwatervoorraad door water langer vast te houden en te infiltreren in de bodem. • Naaldbossen vitaliseren door het toevoegen van loofbomen of heide en nieuwe gemengde bossen aanplanten. Sturing Norm • Dekzandvlakten en -ruggen krijgen een beschermende regeling gericht op instandhouding van de hoofdlijnen van het huidige reliëf. Richting • Ontwikkelingen dragen bij aan het beter zichtbaar en beleefbaar maken van de hoogteverschillen en het watersysteem. Dit geldt ook voor (her)inrichting. • Bij ontwikkelingen is de (strekkings)richting van het landschap, de afwisseling van beekdalen en ruggen, het uitgangspunt. • Ontwikkelingen dragen bij aan een robuust bodem- en watersysteem door water vast te houden en te laten infiltreren in de bodem. Inspiratie • Bij bosaanplant wordt gekozen voor loofhout of een mix van loof- en naaldhout.

Natuurlijke laag

Het watersysteem zichtbaar en beleefbaar maken op de dekzandvlaktes

Terug naar inhoudsopgave

41

1.3 Natuurlijke laag • Brongebied bronnen met een uniek stroomhoogveentje. Alleen al in Noordoost Twente komen zo’n 200 bronnen voor. Veel bronnen zijn in de loop van de tijd door ontwatering en afname van de kweldruk verdwenen of minder sterk geworden. Ook zijn veel bronnen door ophoging of egalisatie ‘begraven’ en nu als landbouwgrond in gebruik. Een ander deel van de brongebieden heeft in diverse gedaantes overleefd. Ontwikkelingen • De brongebieden zijn als gras- en weiland in gebruik genomen, waardoor de potenties van natuurontwikkeling en klimaatadaptatie niet volledig worden benut.

De brongebieden hebben ieder hun eigen karakter. Soms zijn het kleine natte plekken in een broekbos, soms iets grotere open ruimtes in glooiend landschap met kleinschalige waterpartijen. (foto: Luc Jehee)

Kenmerken Brongebieden zijn gebieden waar grondwater dat afkomstig is van hogere delen als schoon kwelwater aan de oppervlakte komt. De brongebieden zijn vaak moeilijk herkenbaar. Door het constante

Natuurlijke laag

Bodem:diverse samenstellingen Hydrologie: kwel Natuurlijk bostype: bronbossen Cultuurlandschap: essenlandschap, oude hoevenlandschap, jonge heide- en broekontginningen, ontginningsbos Kansen voor

opborrelen van water in een vrijwel constante temperatuur ontwikkelt zich hier zeer waardevolle flora en fauna. Uniek voor Nederland is het Dal van de Mosbeek dat ontstaat uit een serie van

Terug naar inhoudsopgave

42

Ambitie De bronnen als kleine beginpunten van het watersysteem weer laten stromen en zichtbaar maken. Het gebied er omheen koesteren. De (potentieel) bijzondere natuurwaarden beschermen en versterken en de eeuwenoude betekenis van deze plekken op ingetogen wijze weer beleefbaar maken. Oppervlakkige afwatering tegengaan of vertragen. Sturing Norm • Brongebieden krijgen een beschermende regeling gericht op instandhouding van de kwel, het watersysteem, de waterkwaliteit en de natuurkwaliteit. Richting • Ontwikkelingen in de nabijheid van de bron dragen bij aan de versterking van de natuurlijke kwaliteiten en een toename van de kweldruk. • Het op bescheiden schaal beter zichtbaar en beleefbaar maken van de bronnen en het watersysteem.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Raalte&id=1da028da-ffa6-4e9c-9339-3d7e06717430