CConstaterende datRaalte
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 9 - N35 Rapport Wet natuurbescherming, Arcadis Nederland B.V. 2017

Raadsvergadering 24 november 2022, gemeente RaalteBij agendapunt: Cöordinatieprocedure N35; vaststelling bestemmingsplan Heino Raalte (bespreekstuk)22.525 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

ONDERZOEK WET NATUURBESCHERMING N35 Rijkswaterstaat

13 SEPTEMBER 2017

ONDERZOEK WET NATUURBESCHERMING N35

Contactpersoon SANDER JONKER

2

ONDERZOEK WET NATUURBESCHERMING N35

INHOUDSOPGAVE 1

2

3

4

5

INLEIDING

5

1.1

Aanleiding

5

1.2

Leeswijzer

6

JURIDISCH KADER

7

2.1

Algemeen

7

2.2

Gebiedsbescherming

7

2.2.1

Natura 2000

7

2.2.2

Natuurnetwerk Nederland

7

2.3

Soortenbescherming

8

2.3.1

Verbodsbepalingen

8

2.3.2

Gedragscodes, vrijstellingen en ontheffingen

9

PLANGEBIED EN INGREEP

11

3.1

Ligging plangebied

11

3.2

Voorgenomen ingreep

12

VOORKOMEN BESCHERMDE SOORTEN

14

4.1

Inleiding

14

4.2

Methode onderzoek

14

4.3

Resultaten

16

4.3.1

Vleermuizen

16

4.3.2

Overige zoogdieren

18

4.3.3

Vogels

21

4.3.4

Amfibieën

22

4.3.5

Reptielen

22

4.3.6

Vlinders, libellen en andere ongewervelden

22

4.3.7

Vissen

23

4.3.8

Planten

23

4.4

Overzicht per deeltraject

23

EFFECTBESCHRIJVING EN TOETSING

25 3

ONDERZOEK WET NATUURBESCHERMING N35

5.1

Effectbeschrijving per beschermde soortgroep

25

5.2

Toetsing

27

5.3

Mitigerende maatregelen en zorgplicht

27

5.3.1

Alle deeltrajecten

27

5.3.2

Deeltraject Heino noord

28

5.3.3

Deeltraject Heino-Raalte en Mariënheem west

29

5.4

Effectbeschrijving en toetsing Natuurnetwerk Nederland

29

5.4.1

Ligging NNN en effecten maatregelen

29

6

CONCLUSIES

30

7

BRONNEN

31

BIJLAGE A RELEVANTE ARTIKELEN WET NATUURBESCHERMING

32

BIJLAGE B BESCHERMDE SOORTEN ART. 3.5

35

BIJLAGE C BESCHERMDE SOORTEN ART. 3.10

37

BIJLAGE D RAPPORTAGES BTL-ADVIES: EEKHOORN EN JAARROND BESCHERMDE NESTEN

39

BIJLAGE E RAPPORTAGE ANTEA: VLEERMUIZEN

40

BIJLAGE F FOTO’S VELDBEZOEK

41

BIJLAGE G AANWEZIGE SOORTEN (PER MAATREGEL)

46

BIJLAGE H AANWEZIGE NNN-GEBIEDEN (PER MAATREGEL)

47

BIJLAGE I NATURA 2000-GEBIEDEN (OVERZICHT)

48

4

ONDERZOEK WET NATUURBESCHERMING N35

1

INLEIDING

1.1

Aanleiding

De Rijksweg N35 is een belangrijke verbindingsroute tussen de economische centra Zwolle – Kampen en Twente in de provincie Overijssel. De N35 is gecategoriseerd als regionale stroomweg tussen Zwolle en Twente. Deze is echter tussen Wijthmen en Nijverdal niet als zodanig ingericht maar heeft daar het karakter van gebiedsontsluitingsweg (zonder fysieke rijbaanscheiding, 1 x 2 rijbanen, 80 km/uur, gelijkvloerse kruisingen, vele oversteken en een beperkte obstakelvrije ruimte). Op de N35 zijn de nodige problemen waaronder veel ongevallen, mede door de hoge verkeersintensiteiten.

MIRT-onderzoek Op verzoek van de Tweede Kamer heeft de Minister in december 2011 toegezegd samen met de Regio een MIRT-onderzoek (Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport) uit te voeren om de problemen op de N35 tussen Wijthmen en Nijverdal in kaart te brengen.

Het MIRT-onderzoek had betrekking op de huidige N35 (als gebiedsontsluitingsweg) in relatie tot de autonome ontwikkelingen die naar verwachting plaats zullen vinden. Het MIRT-onderzoek gaat specifiek in op de knelpunten die bestaan ten aanzien van bereikbaarheid, verkeersveiligheid en leefbaarheid (inclusief barrièrewerking) in de huidige situatie, op de middellange termijn (2020) en op de lange termijn (2030).

Op basis van het MIRT-onderzoek is geconcludeerd dat er voor de verkeersveiligheid belangrijke knelpunten zijn. Voor deze knelpunten geldt dat met de verwachte groei van het verkeer de ernst hiervan verder zal toenemen. De knelpunten zijn: • • •

•

De kans op ernstige ongevallen in vergelijking met vergelijkbare rijkswegen is hoger dan het gemiddelde in Nederland en het gemiddelde in de regio. Er bevinden zich op het tracé vier locaties die op basis van de Eurorap methode een onvoldoende score (2 sterren) hebben gekregen voor het wegontwerp en niet voldoen aan de rijksdoelstelling van 3 sterren in 2020. Meer in brede zin voldoet het wegontwerp niet aan de meest actuele adviezen over een veilig wegontwerp voor een gebiedsontsluitingsweg in Duurzaam Veilig1. Meer specifiek wordt hiermee bedoeld: o de aanwezigheid van erfaansluitingen; o landbouwverkeer op de rijbaan; o bomen op korte afstand van de weg; en o een makkelijk overrijdbare rijrichtingscheiding Een aandachtspunt is de oversteekbaarheid. Op plaatsen waar een gelijkvloerse oversteek is zonder aanvullende voorzieningen (zoals een middenberm of verkeerslichten), is het erg moeilijk om tijdens de spits de weg over te steken. Dit kan leiden tot onveilige situaties bij oversteken of tot een keuze de weg niet meer over te steken of om te rijden (Barrièrewerking).

Bestuursovereenkomst In 2014 is een bestuursovereenkomst door Rijk en Regio ondertekend. Het doel van de bestuursovereenkomst is om de belangrijkste knelpunten op het gebied van verkeersveiligheid uit het MIRTonderzoek aan te pakken. Het Rijk financiert het project vanuit MeerVeilig 3 met 5 miljoen euro; de Provincie Overijssel heeft 10 miljoen euro beschikbaar gesteld.

Onderdeel van de bestuursovereenkomst is een prioriteitenlijst van de maatregelen. De maatregelen zijn gebaseerd op oplossingsrichtingen die per knelpunt zijn uitgewerkt. De oplossingsrichtingen zijn op meerdere criteria (waaronder kosten en effecten op verkeersveiligheid, doorstroming en leefbaarheid) beoordeeld. Onderzoek is nodig om na te gaan welke effecten op beschermde natuur kunnen treden en hoe dit zo veel mogelijk gemitigeerd of gecompenseerd kan worden. 5

ONDERZOEK WET NATUURBESCHERMING N35

1.2

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 is het juridisch kader voor onderliggende natuurtoets kort beschreven. Hoofdstuk 3 geeft een beschrijving van het plangebied en de voorgenomen ingreep. In hoofdstuk 4 zijn de methode van het uitgevoerde onderzoek en de resultaten hiervan opgenomen. Hoofdstuk 5 bevat de effectbeschrijving en toetsing van effecten aan het onderdeel soortenbescherming van de Wet natuurbescherming (Wnb) en het Natuurnetwerk Nederland. In hoofdstuk 6 is de conclusie opgenomen.

6

ONDERZOEK WET NATUURBESCHERMING N35

2

JURIDISCH KADER

2.1

Algemeen

De Wet natuurbescherming (Wnb) is op 1 januari 2017 in werking getreden. De wet is in de plaats gekomen van de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet is ingedeeld in hoofdstukken en kent een algemeen deel (hoofdstuk 1), delen over Natura 2000-gebieden (hoofdstuk 2), soorten (hoofdstuk 3), houtopstanden, hout en houtproducten (hoofdstuk 4), verder delen die gaan over vrijstellingen, beschikkingen en verplichtingen (hoofdstuk 5), financiële bepalingen (hoofdstuk 6), handhaving (hoofdstuk 7), overige bepalingen (hoofdstuk 8) en tot slot een beschrijving van het overgangsrecht (hoofdstuk 9) en een beschrijving van de wijziging van overige wetten (hoofdstuk 10). In navolgende paragrafen is een samenvattende beschrijving van de voor dit rapport relevante delen van de wet gegeven. Artikelen van de Wnb waarnaar wordt verwezen zijn opgenomen in 0. De Wnb kent een algemene zorgplicht. Deze houdt in dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen om schade aan soorten te voorkomen, ook voor soorten die niet beschermd zijn (art 1.11, lid 1). Dit houdt in ieder geval in dat handelen of nalaten van handelen dat schadelijk kan zijn zo veel mogelijk achterwege gelaten dient te worden (art 1.11, lid 2). Deze algemene zorgplicht geldt altijd en overal, met slechts als uitzondering handelingen die op grond van de Visserijwet worden uitgevoerd (art 1.11, lid 3).

2.2

Gebiedsbescherming

2.2.1

Natura 2000

In Nederland hebben veel natuurgebieden een beschermde status gekregen onder de Natuurbeschermingswet 1998. Deze wetgeving is sinds 1 januari 2017 opgegaan in de Wnb (hoofdstuk 2). Het plangebied maakt geen deel uit van het netwerk van Natura 2000-gebieden en heeft hier ook geen directe impact op (zie kaart in bijlage). Desondanks geldt dat voor Natura 2000-gebieden ook externe werking (effecten op beschermde natuurwaarden als gevolg van activiteiten buiten het beschermd natuurgebied) onderzocht moeten worden.

2.2.2

Natuurnetwerk Nederland

Om de natuur in Nederland tot een goed functionerend ecologisch netwerk te maken en te houden, wordt het Natuurnetwerk Nederland (de voormalige Ecologische Hoofdstructuur) begrensd en aangelegd, als netwerk van bestaande en nieuwe natuur (zie kaart in bijlage). Daarnaast is er de Zone voor Ondernemen met Natuur en Water (ZONW) waar ruimte is voor economische ontwikkeling, in combinatie met versterking van natuur, landschap en water. Het beleidskader voor het aanwijzen (begrenzen) en beschermen van het NNN is in de Omgevingsverordening van de provincie Overijssel (2017) opgenomen onder Titel 2.7. Het ruimtelijk beleid voor het NNN is gericht op behoud, herstel en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken van het NNN, waarbij tevens rekening wordt gehouden met de andere belangen die in het gebied aanwezig zijn. Het NNN-beschermingsregime is opgebouwd uit verschillende elementen. Dit zijn naast het ‘nee, tenzij’-regime, natuurcompensatie, de maatwerkinstrumenten NNN-saldobenadering en Herbegrenzen NNN.

‘Nee, tenzij’-regime en compensatiebeginsel Het ruimtelijke beleid voor het NNN is gericht op behoud en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden. Daarom geldt in het NNN het ‘nee, tenzij’-regime. Dat wil zeggen dat ontwikkelingen in het NNN die significante gevolgen hebben voor de kenmerken en waarden van het NNN alleen kunnen worden toegestaan als er sprake is van een groot openbaar belang en er geen alternatieve oplossingen zijn. Indien een voorgenomen ingreep de ‘nee, tenzij’-afweging met positief gevolg doorloopt kan de ingreep plaatsvinden, mits de eventuele nadelige gevolgen worden gemitigeerd en resterende schade wordt gecompenseerd. Indien een voorgenomen ingreep niet voldoet aan de voorwaarden uit het ‘nee, tenzij’regime dan kan de ingreep niet plaatsvinden.

7

ONDERZOEK WET NATUURBESCHERMING N35

In deze quickscan is ingegaan op de locaties waar het ruimtelijk beleid van het NNN relevant is voor de maatregelen op de N35 Wijthmen-Nijverdal.

2.3

Soortenbescherming

De wet maakt onderscheid in drie categorieën van beschermde soorten, namelijk: • • •

Soorten Vogelrichtlijn (Wnb paragraaf 3.1) Soorten Habitatrichtlijn (Wnb paragraaf 3.2) Andere soorten (Wnb paragraaf 3.3)

Soorten Vogelrichtlijn Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn zijn in Nederland beschermd. De soorten van artikel 1 van Vogelrichtlijn zijn alle vogelsoorten die op het Europese grondgebied van de lidstaten van de EU voorkomen. Het deel daarvan dat van nature in Nederland voorkomt, is dus beschermd (art. 3.1 lid 1). Soorten Habitatrichtlijn In deze categorie vallen alle in het wild levende dieren zoals genoemd in: • bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn; • bijlage II bij het Verdrag van Bern of; • bijlage I bij het Verdrag van Bonn; (art. 3.5 lid 1). en (in hun natuurlijke verspreidingsgebied) planten van soorten, genoemd in: • •

bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of; bijlage I bij het Verdrag van Bern; (art. 3.5, lid 5).

In 0 is een lijst opgenomen van de soorten die bij deze categorie horen. Het gaat hierbij dus om meer dan alleen de soorten van de Habitatrichtlijn (namelijk ook soorten van de conventies van Bern en Bonn). Omdat echter in de Wnb paragraaf 3.2 “soorten Habitatrichtlijn” als titel heeft, wordt dit ook hier zo gebruikt om deze groep van beschermde soorten aan te duiden. Andere soorten Naast de soorten waarvan de bescherming op Europees niveau verplicht is gesteld, is er ook een aantal soorten op nationaal niveau beschermd. Dit is dus een “nationale kop” op de Europese bescherming. Het gaat hierbij om soorten die zeer zeldzaam en/of bedreigd zijn, en waarvan het duurzaam voortbestaan niet is verzekerd als geen beschermingsmaatregelen worden getroffen. De soorten waar het om gaat zijn opgenomen op de bijlage bij de wet (art. 3.10, lid 1 onder a en c). Deze lijst is opgenomen als Bijlage .

2.3.1

Verbodsbepalingen

Ten aanzien van soorten van de Vogelrichtlijn verbiedt de wet het opzettelijk doden of vangen (art. 3.1 lid 1), het opzettelijk vernielen van nesten, rustplaatsen en eieren (art. 3.1 lid 2), het rapen of onder zich hebben van eieren (art. 3.1 lid 3) en het opzettelijk storen van vogels (art. 3.1lid 4). Het verbod tot opzettelijk storen geldt niet in het geval de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort (art. 3.1 lid 5). Ten aanzien van de soorten van de Habitatrichtlijn beschermde diersoorten verbiedt de wet het opzettelijk doden of vangen (art 3.5 lid 1), het opzettelijk verstoren (art 3.5 lid 2), het opzettelijk vernielen of rapen van eieren (art 3.5 lid 3) en het beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen (art 3.5 lid 4). Ten aanzien van de Europees beschermde plantensoorten verbiedt de wet het opzettelijk te plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen en vernielen (art 3.5 lid 5). Ten aanzien van de andere beschermde diersoorten geldt slechts een verbod tot het opzettelijk doden of vangen (art 3.10 lid 1 onder a) en het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen (art 3.10 lid 1 onder b).

Ten aanzien van de andere beschermde plantensoorten geldt een verbod tot opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen (art 3.10 lid 1 onder c).

8

ONDERZOEK WET NATUURBESCHERMING N35

2.3.2

Gedragscodes, vrijstellingen en ontheffingen

Gedragscode De in het voorgaande beschreven verbodsbepalingen zijn niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd volgens een door de minister van EZ vastgestelde gedragscode (art. 3.31 lid 1). Het moet dan gaan om handelingen die plaatsvinden in het kader van: a. een bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; b. een bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of de bosbouw; c. een bestendig gebruik; d. ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. Vrijstelling Provinciale staten en de minister van EZ kunnen vrijstelling verlenen van de verbodsbepalingen (art 3.3 lid 24; 3.8 lid 2-5, 3.10 lid 2). Voor zover het gaat om de hiervoor beschreven verbodsbepalingen, kan in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting een ontheffing worden verleend van de verbodsbepalingen van artikel 3.1, 3.5 en 3.10, dus ten aanzien van alle beschermde soorten. Een vrijstelling mag alleen worden verleend wanneer aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Deze zijn gelijk aan de voorwaarden waaronder een ontheffing verleend kan worden (zie hier onder). Voor welke soorten een vrijstelling geldt, verschilt per bevoegd gezag (ministerie van EZ en de afzonderlijke provincies).

De lijst met vrijgestelde soorten van het ministerie is alleen van toepassing op handelingen waarvoor de minister van EZ het gevoegd gezag is. Voor handelingen waarvoor gedeputeerde staten het bevoegd gezag zijn, geldt de vrijstellingslijst van de betreffende provincie. De provincie Overijssel heeft in de Omgevingsverordening Wet natuurbescherming een algemene vrijstelling verleend voor onderstaande soorten: Zoogdieren Aardmuis Bosmuis Bunzing Dwergmuis Dwergspitsmuis Egel Gewone bosspitsmuis Haas Hermelijn Huisspitsmuis

Konijn Molmuis Ondergrondse woelmuis Ree Rosse woelmuis Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos Wezel Woelrat

Amfibieën Bastaardkikker Bruine kikker Gewone pad Kleine watersalamander Meerkikker

Ontheffing Voor soorten waarvoor (in de betreffende provincie) geen vrijstelling geldt, moet wanneer niet volgens een gedragscode wordt gewerkt een ontheffing worden aangevraagd wanneer er een handeling wordt uitgevoerd waardoor een verbodsbepalingen van artikel 3.1, 3.5 of 3.10 van de Wnb wordt overtreden (art 3.3 lid 1,3; 3.8 lid 1,3, 3.10 lid 2). Of deze ontheffing kan worden verleend, hangt af of voldaan wordt aan de voorwaarden. De voorwaarden waaraan moet worden voldaan, verschillen per categorie. De eerste eis die wordt gesteld, is dat er geen andere bevredigende oplossing mag zijn. Dat betekent -ook in combinatie met de in artikel 1.11 beschreven zorgplicht- dat wanneer een overtreding redelijkerwijs te voorkomen is, en ontheffing niet mogelijk is. De werkzaamheden moeten dan op zodanige wijze worden uitgevoerd dat er geen overtreding van de wet plaatsvindt. Te denken valt aan het kappen van bomen buiten het broedseizoen, of het afzetten van en het wegvangen van soorten in het werkgebied. Verder kan een ontheffing alleen worden verleend wanneer is aangetoond dat er geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de betreffende soort. Daarnaast gelden er per categorie verschillende aanvullende voorwaarden. Voor soorten van de Vogelrichtlijn kan alleen een ontheffing worden verleend in het geval van: (art 3.3 lid 4): 1.

in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; 2. in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; 9

ONDERZOEK WET NATUURBESCHERMING N35

3. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; 4. ter bescherming van flora of fauna; 5. voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, of 6. om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan. Voor soorten van de Habitatrichtlijn kan alleen een ontheffing worden verleend in het geval van: (art 3.8 lid 5): 1. in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; 2. ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; 3. in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; 4. voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of 5.

om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben. Voor de andere beschermde soorten, gelden de voorwaarden die gelden voor de overige Europees beschermde soorten aangevuld met: (art 3.10 lid 2): 1. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; 2. ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes of begraafplaatsen; 3. ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; 4. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; 5. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; 6.

in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; 7. in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of 8. in het algemeen belang.

10

ONDERZOEK WET NATUURBESCHERMING N35

3

PLANGEBIED EN INGREEP

3.1

Ligging plangebied

Het plangebied bestaat uit de N35 en de wegberm vanaf km 8.82 tot en met km 25.6. Het traject is opgesplitst in vier deeltrajecten (zie tabel hieronder). Op de locaties waar een parallelweg (4,5 m breed) of watergang (4 m breed) wordt aangelegd of een kruispunt wordt aangepast, valt een bredere strook (tot 20 m) naast de N35 ook binnen het plangebied. De N35 loopt grotendeels door landelijk gebied met overwegend grasland en maïsakkers, hier en daar onderbroken door beplante lijnen van lokale wegen en bebouwingslinten. Sommigen groenstructuren staan haaks op de weg. Daarnaast loopt de N35 langs enkele bosgebieden van landgoederen en bebouwing van de omliggende kernen. Ook kruist de N35 enkele watergangen. Het traject loopt tot het natuurgebied “Sallandse Heuvelrug”. Een groot deel van de N35 wordt omgeven door een eikenlaan en intensief beheerde wegbermen. Langs het grootste deel van de N35 lopen parallelwegen met begeleidende sloten. Over de gehele lengte van de N35 betreft het sloten die droogvallen. Hieronder wordt het plangebied per deeltraject omschreven. Zie Bijlage F voor een impressie van het plangebied.

Overzicht deeltrajecten: Naam deeltraject

Start km

Einde km

Omschrijving deelgebied Rondom het Overijssels kanaal is een passage met veel beplanting. Vervolgens wordt het landschap weer open met enkele singels haaks op de weg.

Heino noord

10.2

12.8

Nabij het landgoed de Gunne wordt het landschap meer besloten en gaat het over in het essenlandschap. Open wegbeeld, met brede wegbermen. De weg maakt hier een ruime boog en ligt deels opgehoogd. Hier ontbreekt de parallelweg en daarmee aanpalende woningen. De dorpsbebouwing is deels zichtbaar en deels verborgen achter een singel rondom de kruising met de Lemelerveldseweg.

Heino-Raalte

15.5

19.3

Dit deel van het traject is wisselend besloten en open landschap. Het open agrarisch karakter wordt afgewisseld met bosstructuren. Richting kruisingen is inleidende laanbeplanting aangebracht. Ook hier staan enkele bosstructuren en laanbeplanting haaks op de weg. De N35 kruist de Nieuwe Raalterwetering en ter hoogte van de Heinoseweg ligt een tussenwatertje. Langs de kern van Raalte staan statige bomenrijen langs de weg. De zone wordt gedomineerd door een wisselende mate van stedelijkheid – van nieuwbouwwijk en bedrijventerrein tot een paar landelijke woningen – en agrarisch landschap. Hier kruist de N35 een kanaal.

Mariënheem west

Mariënheem oost

19.3

24.0

21.5

Dit deel van het traject staan statige bomenrijen langs de weg. Het landschap heeft afwisselend een open agrarisch karakter en een gesloten karakter met bosstructuren. Hier kruist de N35 een kanaal

27.0

Ook in dit deel van het landschap wordt het open agrarische landschap afgewisseld met singels en bospercelen. Kruisingen en woningen worden ingeleid door bomenlanen. Ook kruist dit deel van het traject het spoor. Het spoor wordt geflankeerd door struwelen.

11

ONDERZOEK WET NATUURBESCHERMING N35

3.2

Voorgenomen ingreep

Over het gehele traject worden overrijdbare rijrichting gescheiden, obstakelvrije ruimte verbeterd, doorrijdbaarheid tussenbermen verwijderd en oversteekplaatsen van recreatieve routes verplaatst. Voor het verbeteren van de obstakelvrije ruimte wordt langs de weg in een zone van 4,5 meter breed alle bomen/struiken verwijderd. Op enkele specifieke locaties worden kruispunten veranderd, parallelwegen aangelegd en/of watergangen aangelegd. Daarnaast worden op enkele locaties faunapassages aangelegd, om de barrièrewerking van de weg voor verschillende soorten te verminderen. In de tabel hieronder worden de maatregelen per deeltraject weergegeven.

Deeltraject

Km start

Km eind

Omschrijving werkzaamheden

Heino noord

10.2

12.8

Obstakelvrije ruimte verbeteren.

10.85

11.3

Watergang aanleggen noord- en zuidzijde & aanpassen aansluiting en parallelweg

12.8

15.5

Obstakelvrije ruimte verbeteren.

15.5

19.3

Obstakelvrije ruimte verbeteren.

Heino-Raalte

15.85

16.1

Mariënheem west

Aanleg faunapassage

17.3

Watergang aanleggen noordzijde ter hoogte van de Nieuwe Raalterwetering

16.6

Aanleg faunapassage ter hoogte van de Nieuwe Raalterwetering

16.8

Aanpassen aansluiting en parallelweg & watergang noord- en zuidzijde aanleggen

17.0

17.3

Aanleg faunapassage

17.6

Aanleg faunapassage

19.3

21.5

Obstakelvrije ruimte verbeteren.

21.5

24.0

Obstakelvrije ruimte verbeteren.

21.8

24.0

Aanleggen parallelweg & gedeeltelijk watergang aanleggen noordzijde.

23.7

Wijzigen kruising en watergang noord- en zuidzijde aanleggen ter hoogte van de kruising met

23.3

12

ONDERZOEK WET NATUURBESCHERMING N35

het kanaal Marienheem oost

24.0

27.0

Obstakelvrije ruimte verbeteren.

24.55

25.7

Aanpassen aansluiting en parallelweg & watergang noordzijde aanleggen

13

ONDERZOEK WET NATUURBESCHERMING N35

4

VOORKOMEN BESCHERMDE SOORTEN

4.1

Inleiding

Om de aanwezigheid van beschermde soorten in het kader van de Wnb aan te tonen zijn vier onderzoeken uitgevoerd. 1. Eerst is een bureauonderzoek uitgevoerd. Tijdens dit bureauonderzoek wordt een beeld gevormd op welke locaties de kans op beschermde soorten groot is. Hierbij is gebruik gemaakt van vrij beschikbare informatie, zoals verspreidingsgegevens van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) van de afgelopen vijf jaar, zoogdiervereniging, RAVON en FLORON. 2. Vervolgens is een algemeen oriënterend veldonderzoek uitgevoerd over de gehele lengte van het traject. Daarbij is gelet op de habitatgeschiktheid voor beschermde soorten. De uitkomst van dit onderdeel is een habitatgeschiktheidsbeoordeling. 3. Naast bovenstaande bureau- en veldonderzoek is in het kader van dit project reeds een inventarisatie van vleermuizen, eekhoorn en jaarrond beschermde vogels uitgevoerd. In deze onderzoeken is de exacte aan- en afwezigheid van deze soorten op het traject aangegeven. Deze informatie is meegenomen in het bureauonderzoek en vormt integraal onderdeel van deze quick scan. 4. Een verdiepend onderzoek naar het leefgebied van de das in verband met de reconstructie van de N35. In het onderzoek is aangegeven welke mogelijke nadelige effecten de werkzaamheden hebben op de Das en welke maatregelen genomen kunnen worden om deze effecten te mitigeren en/of te compenseren.

Ook is beschreven in hoeverre de al bestaande faunavoorzieningen, indien nodig, verbeterd kunnen worden. Hieronder wordt eerst de methode van de onderzoeken nader beschreven, waarna de resultaten worden besproken.

4.2

Methode onderzoek

Bureaustudie Voorafgaand aan het veldonderzoek is een bronnenstudie uitgevoerd, waarbij de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) is geraadpleegd. Binnen een straal van circa 200 meter van het plangebied is bekeken welke meldingen van de relevante soorten in de afgelopen 5 jaar zijn gedaan. Ook zijn de verspreidingsgegevens van kennisorganisatie gebruikt zoals RAVON, de Zoogdiervereniging, FLORON en de Vlinderstichting. De hieruit voortkomende informatie is gebruikt bij de uitvoering van het oriënterend veldbezoek. Daarnaast zijn de inventariserende onderzoeken die in het kader van de herinrichting van de N35 zijn uitgevoerd opgenomen in dit rapport. Het gaat hierbij om de volgende rapporten: • • • • •

Quickscan faunamaatregelen Rijksweg N35, Ecogroen, 16 september 2016 Inventarisatie jaarrond beschermde vogelnesten, BTL-advies, concept 11 augustus 2017 Inventarisatie eekhoorn, BTL-advies, concept 11 augustus 2017 Inventarisatie vleermuizen, Antea, concept 31 oktober 2017 Dassenonderzoek N35 Wijthmen – Nijverdalm, Das&Boom, november 2018

Oriënterend veldbezoek Voor het oriënterend veldbezoek is het gehele traject bekeken en een ruim onderzoeksgebied genomen. Het veldbezoek is uitgevoerd door F. Volbeda, ecoloog van Arcadis, op 30 augustus 2017. Het was 20 °C en regenachtig. Het onderzoek bestond uit het uitvoeren van een habitatgeschiktheidsbeoordeling. Dit is een veldonderzoek waarbij op basis van de fysieke kenmerken van het plangebied een indicatie wordt gegeven van het mogelijk voorkomen van beschermde plant- en diersoorten. Tijdens het veldbezoek is globaal geïnventariseerd of en welke soorten (mogelijk) in en om het gebied aanwezig zijn. Hierbij is aandacht besteed aan alle relevante soortgroepen en beoordeeld of mogelijke

14

ONDERZOEK WET NATUURBESCHERMING N35

standplaatsen, verblijfplaatsen, voortplantingsplaatsen of leefgebieden binnen of in de directe omgeving van het plangebied (kunnen) worden aangetast bij de voorgenomen ontwikkelingen. In de basis zijn de volgende uitgangspunten voor de afbakening van het te onderzoeken gebied gehanteerd: • • •

Daar waar parallelwegen worden aangelegd is uitgegaan van een parallelweg van 4,5 m breed, een berm van 2m breed en een eventuele watergang van 4 m breed. Het ontwerp heeft een speling van 4,5 m breed. Daarom is een onderzoeksgebied van ongeveer 20 m van de weg aangehouden. Particuliere tuinen zijn gedurende het onderzoek niet meegenomen. Voor een aan te passen kruispunt is een straal van circa 50 m aangehouden.

Inventarisatie vleermuizen Soortspecifiek onderzoek naar vleermuizen is uitgevoerd door Antea (2017). Deeltrajecten waar op basis van aanwezigheid van bomen en de aard van de ingreep, zoals aanleg van een nieuwe parallelweg of kruispunt, impact kan worden zijn nader onderzocht op de aanwezigheid van vleermuizen. Het onderzoek naar vleermuizen langs de N35 Wijthmen - Nijverdal is te verdelen in het inventariseren van zomer- en kraamverblijfplaatsen, paarverblijfplaatsen en zwermplaatsen, vliegroutes en foerageergebied. Inventarisatie eekhoorn Soortspecifiek onderzoek naar eekhoorn is uitgevoerd door BTL-advies (2017). Hiervoor is het totale wegtraject van 26 kilometer in zijn geheel onderzocht op aanwezigheid van verblijfplaatsen van eekhoorn. Daarbij zijn alle bomen bekeken binnen de obstakelvrije zone van 4,5 meter (circa 400 stuks, bron RWS). Er is een onderzoeksgebied van circa 10 meter vanaf de weg aangehouden, bij aan te passen kruispunten en nieuwe parallelwegen is een groter onderzoeksgebied gehanteerd. Hierdoor worden bomen niet gemist en daarnaast wordt ook inzicht verkregen in mogelijk aanwezige verblijfplaatsen binnen de invloedszone van de voorgenomen werkzaamheden. Verblijfplaatsen van eekhoorn in bomen in de directe omgeving kunnen hier namelijk ook hinder van ondervinden.

Ten behoeve van dit onderzoek is geïnventariseerd op aanwezigheid van verblijfplaatsen, (vraat)sporen en exemplaren van eekhoorn. De verblijfplaatsen kunnen bestaan uit nesten gemaakt van takken, maar ook uit holten in bomen. Inventarisatie vogels Soortspecifiek onderzoek naar de jaarrond beschermde nesten is uitgevoerd door BTL-advies (2017). Hiervoor is het totale wegtraject van 26 kilometer in zijn geheel onderzocht op aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten. Daarbij zijn alle bomen bekeken binnen de obstakelvrije zone van 4,5 meter (circa 400 stuks, bron RWS). Er is een onderzoeksgebied van circa 10 meter vanaf de weg aangehouden, bij aan te passen kruispunten en nieuwe parallelwegen is een groter onderzoeksgebied gehanteerd. Hierdoor worden bomen niet gemist en daarnaast wordt ook inzicht verkregen in mogelijk aanwezige verblijfplaatsen binnen de invloedszone van de voorgenomen werkzaamheden. Ten behoeve van dit onderzoek is geïnventariseerd op aanwezigheid van nesten. De verblijfplaatsen kunnen bestaan uit nesten gemaakt van takken, maar ook uit holten in bomen. De bomen binnen het onderzoeksgebied zijn geïnventariseerd op aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten. Provincie Overijssel heeft aangegeven de bestaande lijst met soorten (ten tijde van de Flora- en faunawet) hiervoor aan te houden. Deze is dan ook gehanteerd voor dit onderzoek.

Soorten waarvan de nesten alleen bij zwaarwegende omstandigheden een jaarrond beschermde status hebben, zijn niet standaard meegenomen in het onderzoek. Wanneer tijdens de inventarisatie in het veld is ingeschat dat een voorgenomen activiteit een mogelijke zwaarwegende omstandigheid tot gevolg heeft, zijn de relevante soorten wel onderzocht. De aanpak van de inventarisatie is gebaseerd op de ‘soortenstandaard buizerd’ (bron RVO). Deze methode is ook voor andere roofvogelsoorten goed toepasbaar. Tijdens een eerste veldronde is het onderzoeksgebied geïnventariseerd op aanwezigheid van (potentiële) jaarrond te beschermen nesten. Indien uit deze inventarisatie nesten of locaties naar voren zijn gekomen waarvan niet duidelijk is of deze in gebruik zijn en/of voor welke soort het een broedlocatie betreft, dan zijn vervolgbezoeken uitgevoerd. Voor het aantonen van de aan- of afwezigheid van broedgevallen zijn twee tot vier gerichte veldbezoeken overdag uitgevoerd in de periode april tot en met juli, met een tussenperiode van minimaal 10 dagen. Naast de nesten zelf is ook gelet op indicatoren die kunnen wijzen op een broedlocatie. 15

ONDERZOEK WET NATUURBESCHERMING N35

Het gaat om de volgende aandachtspunten: • • • • • •

baltsende vogels alarmroepen vaste zitplaatsen (o.a. solitaire bomen) schijtsporen en braakballen plukplaatsen (verlaten) kraaiennesten (mogelijke nestplaats boomvalk, ransuil)

Inventarisatie das Soortspecifiek onderzoek naar das is uitgevoerd door Das&Boom (2018). Hiertoe is het onderzoeksgebied op 17 mei, 31 mei en 12 juli 2018 onderzocht op aanwezigheid van dassenholen, graafsporen van dassen, snuitputjes, mestputjes, wissels, pootafdrukken en dassenharen. Zo zijn mogelijke verblijfplaatsen en essentieel leefgebied in kaart gebracht. Daarnaast zijn faunavoorzieningen in het onderzoeksgebied onderzocht op hun functionaliteit en is gebruik gemaakt van eerder verkregen inventarisatiegegevens in diverse databases.

4.3

Resultaten

In de volgende tekst worden de resultaten van alle onderzoeken gecombineerd zodat per soort(groep) een beeld ontstaat van aanwezigheid langs het tracé van de N35. De resultaten zijn afkomstig van de bureaustudie en het oriënterend veldbezoek, tenzij BTL-advies, Antea of Das&Boom als bron is aangegeven.

4.3.1

Vleermuizen

Uit de bureaustudie is gebleken dat langs het tracé waarnemingen zijn van rosse vleermuis, watervleermuis, franjestaart, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis bekend zijn (NDFF). In de tabel hieronder zijn enkele eigenschappen per vleermuissoort opgesomd (vleermuisnet.nl).

Tabel 1 Eigenschappen per vleermuissoorten (vleermuisnet.nl)

Vleermuissoort

Eigenschappen •

Rosse vleermuis

• • •

Laatvlieger

• •

• • Gewone dwergvleermuis

Ruige dwergvleermuis

• •

• • •

Jaagt meestal in open terrein boven water en moerassige gebieden en jaagt ook wel bij straatverlichting Boombewonende soort en verblijft voornamelijk in boomholten Algemeen voorkomende vleermuissoorten Verblijfplaatsen zijn vooral te vinden in gebouwen en in mindere mate in gaten of spleten in oudere bomen. Foerageren zowel in het stedelijk gebied als daarbuiten. Vaste vliegroutes van deze soorten kunnen overal aangetroffen worden waar lijnvormige landschapselementen de vaste verblijfplaatsen met de foerageergebieden verbinden Algemeen voorkomende vleermuissoorten Verblijfplaatsen zijn vooral te vinden in gebouwen en in mindere mate in gaten of spleten in oudere bomen. Foerageren zowel in het stedelijk gebied als daarbuiten. Vaste vliegroutes van deze soorten kunnen overal aangetroffen worden waar lijnvormige landschapselementen de vaste verblijfplaatsen met de foerageergebieden verbinden Zowel in bosgebieden als in het stedelijk gebied Vaste verblijfplaatsen zijn veelal holten en spleten in oude bomen maar ook in gebouwen achter betimmeringen en daklijsten of onder dakbedekking en op zolders. Jaagt zowel in open als gesloten landschappen 16

ONDERZOEK WET NATUURBESCHERMING N35

Watervleermuis

•

Bosranden en lanen vormen vaste vliegroutes en foerageergebieden

• •

Voornamelijk aangetroffen in half open tot gesloten, waterrijk en bosrijk landschap Jaagt boven langgerekte waterpartijen en in mindere maten boven grote open watervlakten of kleine besloten plassen Verblijven hoofdzakelijk in holten in bomen, vaak beuk of eik, zoals die vaak in lanen, landgoederen, buitenplaatsen en bossen te vinden zijn Winterverblijfplaatsen zijn vorstvrije en vochtige plaatsen met een constante temperatuur. Zoals kalksteengroeven, bunkers, forten, vestingwerken, kerktorens, steenovens, ijskelders en (kasteel)kelders, duikers, overkluizingen en oude, buitenwerking zijnde riolering

• •

•

Franjestaart

• •

Foerageren bosrijke gebieden met waterpartijen of waterrijke gedeelten in een besloten omgeving zoals in en tussen de boomkronen en tussen de takken van grote struiken. Soms ook boven open water en boven begroeide oevers, boven en langs kleinschalige weilanden of akkers jagen en in open veestallen. Verblijfplaatsen zijn vooral in bomen en recent ook in gebouwen (spleetvormige ruimten en zolders van kerken en boerderijen). Winterverblijfplaats zijn vooral ondergrondse ruimten zoals groeven, forten, ijskelders en bunkers. Daarbij kruipen ze meestal diep weg in scheuren en kieren

Tabel 2 Waarnemingen van vleermuizen per deeltraject samengevat. Bron: Antea, conceptrapportage 31-10-2017.

Deeltraject

Verblijfplaats Baltsverblijven rosse vleermuis in beuken op km 12.2 (landgoed De Gunne)

Deeltraject Heino Noord Paarverblijf gewone dwergvleermuis in bebouwing Zwolseweg 77

Deeltraject Heino-Raalte

Zomerverblijf (2) gewone dwergvleermuis in bebouwing Zwolsestraat 18

Vliegroute/jachtgebied

Opmerkingen

Parallelweg: gewone dwergvleermuis (jacht/vliegroute, 49 ex.)

Jagende en baltsende laatvlieger, gewone dwergvleermuis en franjestaart

Parallelwegen e.a.: gewone dwergvleermuis en laatvlieger jagend (geen vaste vliegroute)

Incidenteel rosse vleermuis Baltsende gewone dwergvleermuis (zonder binding aan bebouwing)

Gewone dwergvleermuis en Baltsende gewone laatvlieger jagend (geen dwergvleermuis (zonder vaste vliegroute) binding aan bebouwing)

Deeltraject Mariënheem West

Geen

Gewone dwergvleermuis en laatvlieger jagend (geen Baltsende gewone vaste vliegroute), incidenteel dwergvleermuis (zonder ruige dwergvleermuis en binding aan bebouwing) rosse vleermuis

Deeltraject Mariënheem Oost

Geen

Gewone dwergvleermuis jagend (geen vaste vliegroute)

Baltsende gewone dwergvleermuis (zonder binding aan bebouwing)

In de deelgebieden Heino-Noord en Heino-Raalte zijn verblijfplaatsen en/of essentiële vliegroutes aangetroffen binnen het onderzoeksgebied voor N35 (Antea, 2017).

17

ONDERZOEK WET NATUURBESCHERMING N35

4.3.2

Overige zoogdieren

De weilanden en (maïs)akkers vormen met name langs de randen een geschikt leefgebied voor algemeen voorkomende zoogdieren. Voor algemeen voorkomende muizen en spitsmuizen zoals veldmuis, aardmuis en bosspitsmuis zijn met name de ruige randen een geschikt biotoop. Daarnaast zijn ook waarnemingen van algemeen voorkomende soorten als egel, konijn, ree, hermelijn, bunzing, haas en vos bekend. De bermen langs de weg bieden geschikt leefgebied voor muizen, maar verblijfplaatsen van konijnen, egels en vossen worden hier niet verwacht door het drukke verkeer op de N35. De groenstructuren nabij de weg, zoals de houtsingels, bieden wel migratieroutes voor algemeen voorkomende zoogdieren. Vooral de strook tussen de groenstructuren en weilanden/akkers bieden geschikte migratieroutes naar grotere groenstructuren in het achterland. Hier is weinig verstoring, de groenstructuren bieden voldoende dekking en de weilanden/akkers bieden geschikt foerageergebied voor algemeen voorkomende zoogdieren.

Eekhoorn Eekhoorns komen voor in loofbos, naaldbos of gemengd bos maar ook in tuinen, parken en houtwallen in de buurt van bos. Mits er voldoende voedsel beschikbaar is, komen ze ook in bebouwd gebied. Hun voorkeur gaat uit naar ouder bos (naaldbomen ouder dan 20 jaar en loofbomen ouder dan 40-80 jaar) omdat daar meer voedsel en nestgelegenheid is. Eekhoorns bouwen nesten in bomen en is bolvormig, zo groot als een voetbal en heeft een doorsnede van 30 tot 50 cm. Het wordt op minstens 5 meter boven de grond gebouwd. Soms gebruiken ze ook boomholten, oude kraaien- of eksternesten of grote nestkasten als nestplaats. Naast één hoofdnest zijn ook 5-6 kleinere 'reservenesten' in gebruik. Soms bouwen eekhoorns nesten hoog in de boomkroon (Zoogdiervereniging).

Onderstaand zijn de waarnemingen en bijzonderheden van eekhoorn per deeltraject beschreven (resultaten van onderzoek BTL-advies, 2017). Deze komen zowel voort uit de bureaustudie als de veldinventarisatie. Daarbij wordt indien relevant de relatie gelegd met de algemene maatregel (obstakelvrije zone) en de locatie specifieke maatregelen. Op deeltrajecten Heino-Raalte en Mariënheem west zijn geen waarnemingen van eekhoorn bekend, ook is tijdens het veldbezoek geen geschikt habitat waargenomen. Voor foto’s en kaartmateriaal wordt verwezen naar de bijlages van dit rapport. Deeltraject Heino noord Ter hoogte van Landgoed De Gunne is op 11 augustus 2016 op de Zuthemerweg een eekhoorn waargenomen (bron: NDFF), die de weg overstak. De waarnemingslocatie bevindt zich op circa 200 meter van de N35. Tijdens het veldbezoek is in het bos ten zuiden van de voorgenomen nieuwe particuliere weg (toegangsweg landgoed De Gunne) vanaf de Moerweg op 28 juli 2017 een vermoedelijk eekhoornnest waargenomen. Het bevond zich hoog in een beuk en was niet goed zichtbaar. Op basis van de zichtbare kenmerken van het nest (bolvormig en dode bladeren) en de waarneming van eekhoorn in de omgeving gaat het waarschijnlijk om een eekhoornnest.

Uit gegevens van de NDFF blijkt dat op 29 en 16 maart 2017 twee dode exemplaren (verkeersslachtoffers) ter hoogte van de kruising met de Raalterdwarsweg (km 15.4) zijn waargenomen. In de bomen binnen de projectscope zijn ter hoogte van de bovengenoemde kruising (Raalterdwarsweg) tijdens de veldbezoeken geen verblijfplaatsen van eekhoorn aangetroffen. In de bosrand ten noorden van de Lemelerveldseweg en ten westen van de N35 is een nest van vermoedelijk eekhoorn waargenomen hoog in een boom. In het bosgebied ten zuiden van de Lemelerveldseweg zijn nog eens twee eekhoornnesten waargenomen. Deze nesten bevinden zich buiten de projectscope. Eekhoorns zijn niet aangetroffen. Deeltraject Mariënheem oost Op 1 juni 2016 is ter hoogte van de kruising met de Nijverdalseweg een eekhoorn waargenomen (bron: NDFF). Tijdens de veldinventarisatie zijn geen verblijfplaatsen waargenomen. Mogelijk betrof de waarneming uit 2016 een doortrekkend dier. Ter hoogte van de spoorwegovergang, de Keizersveldweg en langs de spoorlijn is wel geschikt habitat aanwezig (bosje, houtwal).

Boommarter 18

ONDERZOEK WET NATUURBESCHERMING N35

De boommarter leeft bij voorkeur in bossen. Boommarters kiezen hun rustplaatsen vaak in boomholten, konijnen-, vossen of dassenholen, tussen boomwortels of onder takkenbossen. Nesten zitten vaak in oude spechten- of eekhoornholen, regelmatig in inrottigsholten en soms in gebouwen die in of aan de rand van het bos staan (Zoogdiervereniging).

Langs de N35 zijn enkele waarnemingen van boommarter en steenmarter (NDFF) bekend. Tijdens het oriënterende veldbezoek zijn op de locaties waar de N35 bospercelen doorkruist, de bomen gecontroleerd op sporen van boommarter. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen van boommarter waargenomen in de bomen binnen de obstakelvrije zone. Daarnaast leidt de drukke N35 tot veel verstoring, waardoor het geen geschikt habitat biedt voor boommarter. De bospercelen verder weg van de N35 bieden wel geschikt leefgebied, waardoor tijdens migratie boommarters wel proberen de N35 over te steken.

Steenmarter De steenmarter geeft de voorkeur aan steenachtige biotopen en schuilplaatsen, zoals steengroeven, rotsige hellingen en gebouwen. De steenmarter komt voor in parklandschap, maar ook in volkomen bosloze gebieden. Hij is vooral te vinden in de nabijheid van dorpen en boerderijen en tegenwoordig zelfs in grote steden (de steenmarter is een ‘cultuurvolger’). Daarbij is de aanwezigheid van elementen zoals groenstroken, heggen, bosjes, greppels en bermen van belang, omdat de steenmarter daar zijn voedsel zoekt (Zoogdiervereniging).

Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen van steenmarter waargenomen. Het agrarische landschap met groenstructuren en boerderijen biedt echter wel geschikt leefgebied voor steenmarter. De soort zal incidenteel in de bermen foerageren en zich verplaatsen. Het vormt echter geen essentieel leefgebied.

Otter Otters verblijven in een dagrustplaats die zich bevindt op oevers in dichte oevervegetaties (o.a. riet), struwelen en bosschages, maar ook in kunstmatige holten. De otters maken hierbij gebruik van boomstronken en wortelstelsels, oude holen van bijvoorbeeld muskusratten of konijnen, constructies van takken en modder gemaakt door bevers, nissen onder bruggen of betonpijpen (Zoogdiervereniging).

Rondom Zwolle zijn enkele waarnemingen van otter bekend (NDFF). Ook is er één waarneming van otter in het Overijssels kanaal bekend. De N35 kruist het Overijssels kanaal en enkele andere watergangen. De oevervegetatie van de kanalen nabij de N35 bieden geen geschikt habitat voor otter (zie Figuur 5). Door het ontbreken van dichte oevervegetaties (o.a. riet), struwelen en bosschages, en door de hoge mate van verstoring door de N35 is essentieel leefgebied van otter in het plangebied uitgesloten. Wel kan otter tijdens migratie de N35 proberen over te steken.

19

ONDERZOEK WET NATUURBESCHERMING N35

Das De das geeft de voorkeur aan kleinschalig akker- en weidelandschap afgewisseld met bosjes, heggen en houtwallen. Het leefgebied van dassen moet voldoen aan voldoende dekking, weinig verstoring, een groot voedselaanbod en een bodem waarin ze goed kunnen graven, met een grondwaterstand van tenminste 1,5m onder het maaiveld. Dassen leven in uitgebreide zelf gegraven holenstelsels. Deze burchten liggen in bosranden, houtwallen, brede heggen, in hoogliggend terrein of op hellingen en altijd in de buurt van gras- en akkerland en water. Verder hebben dassen in hun voedselgebieden vluchtpijpen. Dit zijn eenvoudige holen in taluds, greppels en dergelijke waarin ze zich bij gevaar kunnen verbergen. Het territorium van dassen varieert doorgaans tussen 30 en 50 ha, afhankelijk van het aanbod aan voedsel. Dassen kunnen dan ook grote afstanden afleggen op zoek naar voedsel, tot wel 4 km vanaf de burcht. Belangrijke delen van het leefgebied van das zijn gebieden waar het hele jaar eten te vinden is zoals bemeste graslanden met gras korter dan 5 centimeter. In zulke graslanden kan das op gemakkelijke wijze veel wormen vinden. Ook in oude en structuurrijke eikenbossen en bosjes kan hij het hele jaar voldoende en een gevarieerd aanbod aan voedsel vinden.

Er zijn ook onderdelen, zoals (maïs)akkers, hoogstamboomgaarden en ruigten, die in een bepaald deel van het jaar geschikt zijn om voedsel in te zoeken (Zoogdiervereniging).

Uit de bureaustudie (NDFF) is gebleken dat in het gebied dassen voorkomen (zie Figuur 1). Door de afwisseling van groenstructuren, maisakkers en open terrein vormt het plangebied geschikt leefgebied voor das.

Figuur 1. Waarnemingen van dassen (rode stippen) nabij de N35 (gele lijn) (Bron; NDFF)

Met name de beplante lijnen, de weilanden en de maisakkers vormen geschikt leefgebied voor das (zie Figuur 6). Tijdens het oriënterend veldbezoek zijn geen dassenburchten of vluchtpijpen nabij de weg waargenomen. De groengebieden op grotere afstand van de weg bieden wel geschikt habitat voor dassenburchten. De groenstructuren nabij de weg, zoals de houtsingels, bieden wel geschikte oriëntatiepunten en migratieroutes voor das. Vooral de strook tussen de groenstructuren en maisakkers en weilanden bieden geschikte wissels. Hier is weinig verstoring, de groenstructuren bieden voldoende dekking en de weilanden en maisakkers bieden geschikt foerageergebied. Tijdens het oriënterend veldbezoek zijn nabij locaties met mogelijke wissels geen sporen (krab- en/of vraatsporen) van das waargenomen. Echter het optimale seizoen om sporen van das waar te nemen is september tot en met mei (Kennisdocument Das, 2017), terwijl het 20

ONDERZOEK WET NATUURBESCHERMING N35

oriënterend veldonderzoek in augustus uitgevoerd. Doordat het gebied zeer geschikt is voor das, kan niet worden uitgesloten er wissels en foerageergebied nabij de N35 aanwezig zijn. In opdracht van RWS heeft Das&Boom een verdiepend onderzoek (2018) gedaan naar het leefgebied van de das in verband met de reconstructie van de N35. Heino noord: op vier locaties is in de nabijheid van dit deeltraject dassenactiviteit bekend. Heino-Raalte: op vier locaties is in de nabijheid van dit deeltraject dassenactiviteit bekend. Marienheem west: op één locatie is in de nabijheid van dit deeltraject (mogelijke) dassenactiviteit bekend. Marienheem oost: in de nabijheid van dit deeltraject is geen dassenactiviteit bekend. De wegbermen zelf bieden geen geschikt foerageergebied voor das, door de hoge mate van verstoring van het verkeer. Doordat geregeld aangereden dassen worden aangetroffen proberen dassen wel de N35 over te steken. Dit blijkt ook uit de verzamelde gegevens van Das&Boom (2018).

4.3.3

Vogels

Overal kunnen in het seizoen broedende vogels aangetroffen worden, in de stad en op het platteland, in gebouwen en op akkers en in weilanden. In de gegevens van het NDFF wordt dan ook een enorme rijkdom aan vogelsoorten genoemd. De meeste waarnemingen betreffen geen nestlocaties. Het gaat voornamelijk om overvliegende exemplaren of verkeersslachtoffers (kerkuil). Hoewel NDFF wel een indicatie geeft van de mogelijke aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten (o.a. buizerd, sperwer, kerkuil) en in dit geval een roekenkolonie. Algemene broedvogels De bomen, bosgebieden en struwelen langs de N35 bieden geschikte nestgelegenheden voor algemeen voorkomende broedvogels zoals merel en koolmees. De watergangen kunnen geschikte nestgelegenheden bieden voor watervogels zoals wilde eend, ganzen en meerkoet. In het voorjaar zijn de akkers en weilanden geschikt als broedbiotoop voor algemene weidevogels, zoals kievit, scholekster maar ook enkele exemplaren van de rode lijst soorten als de grutto en veldleeuwerik zijn bekend in de omgeving (NDFF). Doordat de sloten langs de N35 snel droogvallen, bieden deze geen geschikt leefgebied voor watervogels zoals wilde eend en meerkoet. De grotere watergangen zoals het Overijssels kanaal en Raalterwetering bieden wel geschikt habitat voor deze algemeen voorkomende watervogels.

Jaarrond beschermde nesten Hieronder wordt per deeltraject de resultaten van het soort specifieke veldonderzoek aangegeven (resultaten van onderzoek BTL-advies 2017). Heino noord Ten zuiden van het Overijssels kanaal bevinden zich in de acacia’s tussen de N35 en de parallelweg enkele spechtenholten. Ten tijde van het veldbezoek zijn in de buurt van de holten een grote bonte specht en enkele spreeuwen waargenomen, die deze als nestplaats gebruiken. De meeste bomen bevinden zich buiten de zone van 4,5 meter. Mogelijk dat een enkele boom met holten wel binnen of direct aangrenzend aan de zone staat. Ter hoogte van km 11.3 is boven het bosperceel aan de noordzijde van de N35 een zwevende buizerd waargenomen (d.d. 8 mei 2017). Tijdens het vervolgbezoek op 14 juni 2017 is de locatie nader bezocht. Door de hoge dichtheid aan bomen en (doorn)struiken was de locatie ondoordringbaar en niet volledig te inspecteren. Deze locatie bevindt zich buiten de obstakelvrijezone van 4,5 meter maar mogelijk wel binnen de invloed zone van de specifieke maatregelen, namelijk het realiseren van een nieuw kruispunt. Ter hoogte van Landgoed De Gunne (km 12.1) is een overvliegende buizerd waargenomen, welke vermoedelijk zijn/haar horst heeft op het landgoed zelf. Op de grens van het landgoed met de weg bevindt zich een verlaten nestholte in een beuk. Vermoedelijk gaat het om een nest van kauw.

Ten zuiden van de N35 bevinden zich enkele beuken met spechtenholten, welke vermoedelijk voor een deel als nestplaats voor 21

ONDERZOEK WET NATUURBESCHERMING N35

spreeuw fungeren. Mogelijk dat een enkele boom zich binnen of aangrenzend aan de obstakelvrije zone bevindt. Heino – Raalte Ter hoogte van km 16.3 is in het bos aan de oostzijde een potentieel roofvogel nest in een grove den aangetroffen. Tijdens de veldbezoeken op 10 mei, 14 juni en 28 juli jl. zijn geen vogels in de buurt van het nest waargenomen. Hierdoor kan de aanwezigheid van een jaarrond beschermd nest worden uitgesloten. In de bosstrook ter hoogte van de manege ’t Reelaer groeien meerdere beuken met holten. In één van de holten is een broedende spreeuw waargenomen. De dieren waren druk bezig met de aanvoer van voedsel voor de jongen. Daarnaast zijn enkele grotere holten aangetroffen met oud nestmateriaal, vermoedelijk van kauw. De bomen met holten bevinden zich buiten de obstakelvrije zone, maar mogelijk wel binnen de scope van de voorgenomen aanleg van een nieuwe parallelweg. In het bosgebied (eigendom gemeente Raalte) in het noordwesten (tegenover het benzinestation) bevinden zich twee nesten welke vermoedelijk door zwarte kraai zijn gebouwd. Tijdens de veldbezoeken op 15 mei, 14 juni en 28 juli zijn geen vogels op of in de buurt van de nesten waargenomen. Ook deze nesten bevinden zich binnen de scope van de voorgenomen aanleg van de parallelweg.

Mariënheem west Ter hoogte van km 20.9 bevindt zich aan de noordzijde van de weg op het landbouwperceel een torenvalkkast op een paal. Op 14 juni is nestmateriaal waargenomen in de kast. Het is niet duidelijk of dit van torenvalk of een kraaiachtige is. Mogelijk dient de paal verplaatst te worden i.v.m. de aanleg van de beoogde parallelweg. Op het particuliere terrein ten noorden van de afslag naar de Schoonhetenseweg is een nestkast van steenuil waargenomen ter hoogte van km 22.9. Het is onduidelijk of deze gebruikt wordt: sporen (veren, braakballen, ontlasting) zijn niet waargenomen en uit de NDFF komen de afgelopen 10 jaar geen waarnemingen van steenuil in de omgeving van het gebied naar voren. De nestkast bevindt zich in het bosje, op relatief grote afstand van de weg (circa 150 m). Mariënheem oost In de boom aan de noordzijde van de weg ter hoogte van km 24.4, is op 5 mei een nest van zwarte kraai waargenomen. Op 15 juni zijn hier drie zwarte kraaien waargenomen. Daarnaast zijn in de eiken nabij km 24.9 twee lege nesten van vermoedelijk zwarte kraai aangetroffen. Op zowel 5 mei, 15 juni als 28 juli waren deze nesten niet bezet. Ook is hier een verlaten nest van houtduif waargenomen.

4.3.4

Amfibieën

In het plangebied zijn waarnemingen van algemeen voorkomende amfibieën, zoals bruine kikker, gewone pad en bastaardkikker bekend (NDFF). De sloten langs de N35 bieden geen geschikt habitat voor deze soorten, aangezien de sloten snel droogvallen. De watergangen welke de N35 kruist, zoals het Overijssels kanaal en de Nieuwe Raalter wetering, en het tussenwatertje ter hoogte van de Heinoseweg bieden wel geschikt leefgebied voor algemeen voorkomende amfibieën.

4.3.5

Reptielen

Tijdens het veldbezoek zijn buiten het plangebied levende levendbarende hagedis, zandhagedis en hazelworm niet waargenomen, ook is geen geschikt habitat waargenomen. De drukke N35 met de intensief beheerde grasbermen en de bomenrijen biedt geen geschikt habitat. De aanwezigheid van deze soorten op maatregellocaties kan redelijkerwijs worden uitgesloten.

4.3.6

Vlinders, libellen en andere ongewervelden

Nabij het plangebied zijn waarnemingen van aardbeivlinder bekend (NDFF). Aardbeivlinder is tijdens het veldbezoek niet waargenomen. Ook is geschikt habitat, zoals droge graslanden, heiden, lage pioniersvegetaties, kapvlakten en schrale zomen langs bosranden met lage vegetatie en hoge dichtheid van de waardplanten (tormentil), niet waargenomen. Andere beschermde ongewervelden worden niet in het plangebied verwacht doordat het plangebied wordt gekenmerkt door een voedselrijke vegetatie. Beschermde soorten stellen kritischere eisen aan hun habitat, die ontbreken in het plangebied. De aanwezigheid van beschermde ongewervelden kan worden uitgesloten. 22

ONDERZOEK WET NATUURBESCHERMING N35

4.3.7

Vissen

Er zijn in het plangebied en omgeving geen waarnemingen bekend van beschermde vissen (NDFF). Alleen het verspreidingsgebied van grote modderkuiper valt binnen het plangebied (RAVON). Echter door het ontbreken van ondiepe wateren met een dikke modderlaag en een uitbundige waterplantengroei wordt deze soort niet in het plangebied verwacht. De droogvallende bermsloten bieden geen geschikt leefgebied voor vissen. De aanwezigheid van beschermde vissen kan worden uitgesloten.

4.3.8

Planten

Er zijn in het plangebied en omgeving geen waarnemingen bekend van beschermde plantensoorten (NDFF). De stikstofrijke en intensief beheerde bermen bieden ook geen geschikt leefgebied voor beschermde planten. De aanwezigheid van beschermde planten kan worden uitgesloten.

4.4

Overzicht per deeltraject

In onderstaande tabel zijn de aangetroffen en/of verwachte soorten opgenomen per deeltraject. Tabel 3 Waarnemingen van beschermde soorten per deeltraject. .

Deeltraject Deeltraject Heino noord

Deeltraject Heino-Raalte

Deeltraject Mariënheem west

Deeltraject Mariënheem oost

Aangetroffen soorten Vleermuizen: Baltsverblijven rosse vleermuis in beuken op km 12.2 (landgoed De Gunne) en paarverblijf gewone dwergvleermuis in bebouwing Zwolseweg 77; Vliegroute gewone dwergvleermuis langs parallelweg Eekhoorn: nest in bos ten zuiden van nieuwe toegangsweg landgoed De Gunne Andere zoogdieren: muizen hebben mogelijk verblijfplaatsen in bermen, andere soorten kunnen incidenteel voorkomen (op doortrek of foeragerend, geen verblijfplaats), boommarter kan incidenteel bij bosranden voorkomen (geen nesten in plangebied), das is bekend in de omgeving Algemene broedvogels: in bomen en struiken en langs watergangen kunnen algemene vogels tot broeden komen Algemene amfibieën: in groenstructuren nabij watertjes en sloten Vleermuizen: Jachtgebied gewone dwergvleermuis en laatvlieger langs parallelwegen e.a.

(geen vaste vliegroute) Andere zoogdieren: muizen hebben mogelijk verblijfplaatsen in bermen, andere soorten kunnen incidenteel voorkomen (op doortrek of foeragerend, geen verblijfplaats), boommarter kan incidenteel bij bosranden voorkomen (geen nesten in plangebied), das is bekend in de omgeving Algemene broedvogels: in bomen en struiken en langs watergangen kunnen algemene vogels tot broeden komen Algemene amfibieën: in groenstructuren nabij watertjes en sloten Vleermuizen: Gewone dwergvleermuis en laatvlieger jagend (geen vaste vliegroute) Andere zoogdieren: muizen hebben mogelijk verblijfplaatsen in bermen, andere soorten kunnen incidenteel voorkomen (op doortrek of foeragerend, geen verblijfplaats), das is bekend in de omgeving Algemene broedvogels: in bomen en struiken en langs watergangen kunnen algemene vogels tot broeden komen Algemene amfibieën: in groenstructuren nabij watertjes en sloten Vleermuizen: Gewone dwergvleermuis jagend (geen vaste vliegroute) Andere zoogdieren: muizen hebben mogelijk verblijfplaatsen in bermen, andere soorten kunnen incidenteel voorkomen (op doortrek of foeragerend, geen verblijfplaats) Algemene broedvogels: in bomen en struiken en langs watergangen kunnen algemene vogels tot broeden komen Algemene amfibieën: in groenstructuren nabij watertjes en sloten 23

ONDERZOEK WET NATUURBESCHERMING N35

24

ONDERZOEK WET NATUURBESCHERMING N35

5

EFFECTBESCHRIJVING EN TOETSING

5.1

Effectbeschrijving per beschermde soortgroep

Hieronder wordt de verschillende effecten van de werkzaamheden per soortgroep beschreven. Vleermuizen Heino noord Op geen van de locaties met essentiële vliegroutes (parallelweg) is sprake van kap van bomen. Alleen enkele losstaande bomen worden gekapt, dit heeft geen invloed op vliegroutes of jachtgebieden van vleermuizen. De beuken alwaar een aantal exemplaren van rosse vleermuis hun baltsverblijven hebben ter plaatse van landgoed De Gunne worden niet gekapt. Effecten op verblijfplaatsen als gevolg van de aanpassingen zijn daarmee niet aan de orde. Heino-Raalte Op dit deeltraject foerageren vleermuizen langs de N35, maar is geen sprake essentiële vliegroutes. Dat een aantal bomen langs de N35 zal worden gekapt heeft geen effect op het functioneren van het gebied voor vleermuizen. Mariënheem west Op dit deeltraject foerageren vleermuizen langs de N35, maar is geen sprake essentiële vliegroutes. Dat een aantal bomen langs de N35 zal worden gekapt heeft geen effect op het functioneren van het gebied voor vleermuizen. Mariënheem oost Op dit deeltraject foerageren vleermuizen langs de N35, maar is geen sprake essentiële vliegroutes. Dat een aantal bomen langs de N35 zal worden gekapt heeft geen effect op het functioneren van het gebied voor vleermuizen.

Overige zoogdieren Eekhoorn Heino noord Uitgaande van het enkel verharden van de aanwezige onverharde toegangsweg van de landgoed de Gunne is geen sprake van een permanent effect op het eekhoornnest in het naastgelegen bos als gevolg van het ontwerp. Er worden geen bomen gekapt ten behoeve van de verharding. Mogelijk is er wel sprake van tijdelijke verstoring door geluid. Omdat het nest zich hoog in de boom bevindt, de nestboom onderdeel vormt van het achterliggende bos en er reeds een toegangsweg aanwezig is, zal dit effect naar verwachting beperkt zijn en niet ten koste gaan van het nest. Bij het kappen van de bomen aan de bosrand, die verwijderd moeten worden ten behoeve van de obstakelvrijezone, bestaat de kans dat ook de boom met het eekhoornnest gekapt wordt. Dit heeft geen effect van betekenis op het totale functionele leefgebied van de eekhoorn. Er blijft na de kap van enkele bomen voldoende geschikt leefgebied over op het landgoed (BTL-advies, 2017). Mariënheem oost Uit het onderzoek zijn op deze trajecten geen verblijfplaatsen van eekhoorn naar voren gekomen in de bomen binnen de projectscope. In het verleden zijn wel exemplaren van eekhoorn op locaties in de omgeving waargenomen. Op delen van de trajecten is geschikt leefgebied voor de soort aanwezig.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Raalte&id=77b492d4-ace7-4501-8020-b3f74c2577aa