CConstaterende datRaalte
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 7 Quickscan natuurtoets

Raadsvergadering 11 juni 2026, gemeente RaalteBij agendapunt: Vaststellen TAM-Omgevingsplan 8 Knapenveldseweg tussen 14 en 16 (hamerstuk)8.993 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Quickscan flora en fauna Knapenveldsweg te Raalte Dhr. en mevr. Bos

Projectnummer: 4125.01 Versie: 1 Datum: 10-02-2025

Inhoud 1.

Algemeen .................................................................................................................................................. 1 1.1 Inleiding ....................................................................................................................................... 1

2.

Onderzoeksgebied en werkzaamheden ............................................................................................ 2 2.1 Inleiding ....................................................................................................................................... 2 2.2 Geplande werkzaamheden .....................................................................................................4

3.

Werkwijze .................................................................................................................................................. 5 3.1 Bureauonderzoek ...................................................................................................................... 5 3.2 Veldbezoek .................................................................................................................................. 5 3.3 Betrouwbaarheid....................................................................................................................... 5

4.

Wet- en regelgeving ...............................................................................................................................6 4.1 Omgevingswet ............................................................................................................................6 4.2 Gebiedsbescherming ................................................................................................................6 4.3 Soortbescherming .................................................................................................................... 8 4.4 Houtopstanden ..........................................................................................................................9 4.5 Invasieve exoten........................................................................................................................9

5.

Resultaten ............................................................................................................................................... 11 5.1 Gebiedsbescherming .............................................................................................................. 11 5.2 Soortbescherming ................................................................................................................... 13 5.3 Samenvatting ...........................................................................................................................23

6.

Conclusie ................................................................................................................................................ 24 6.1 Gebiedsbescherming ............................................................................................................. 24 6.2 Soortbescherming ...................................................................................................................25 6.3 Nader onderzoek .................................................................................................................... 26

7.

Literatuurlijst ......................................................................................................................................... 27 7.1 Referenties................................................................................................................................ 27 7.2 Gebruikte websites .................................................................................................................29 7.3 Overige geraadpleegde bronnen ........................................................................................29

Quickscan flora en fauna

1.

Algemeen

1.1

Inleiding

Buro Ontwerp & Omgeving

In opdracht van dhr. en mevr. Bos is door Buro Ontwerp & Omgeving een quickscan flora en fauna uitgevoerd aan de Knapenveldsweg te Raalte. Het onderzoeksgebied is gelegen binnen het kadastrale perceel RTE00-U-184. De initiatiefnemers zijn voornemens op het onderzoeksgebied een vrijstaande woning met bijgebouw en een (paarden)schuur te realiseren. Het doel van de quickscan flora en fauna is om een indicatie te krijgen van de aanwezigheid en (mogelijke) effecten van de ingreep op beschermde gebieden en dier- en plantensoorten. Uit deze quickscan moet blijken of er nadelige effecten zijn op gebieden met een speciale beschermingsstatus, namelijk op Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland. Vervolgens worden de mogelijke effecten onderzocht op onder de Omgevingswet (Ow) beschermde dier- en plantensoorten. Als nadelige effecten niet uit te sluiten zijn moet nader onderzoek plaatsvinden, dienen er mogelijk mitigerende maatregelen en compenserende maatregelen te worden getroffen en een omgevingsvergunning voor een flora- en faunaactiviteit te worden aangevraagd. Deze quickscan is gebaseerd op bureauonderzoek en een veldonderzoek. In het voorliggende rapport worden achtereenvolgens het onderzoeksgebied (hoofdstuk 2), de werkwijze (hoofdstuk 3), de relevante wet- en regelgeving (hoofdstuk 4), de resultaten (hoofdstuk 5) en de conclusie (hoofdstuk 6) beschreven.

1

Quickscan flora en fauna

2.

Onderzoeksgebied en werkzaamheden

2.1

Inleiding

Buro Ontwerp & Omgeving

Het onderzoeksgebied bevindt zich ten noorden van de bebouwde kom van Raalte en is gelegen aan de Knapenveldsweg. Op de locatie bevindt zich een deel van een weiland en een deel van een bosperceel met twee vijvers. Ook zijn er een hooiberg, een stal en een vervallen kippenhok aanwezig. In de directe omgeving van het onderzoeksgebied bevinden zich akkers, weilanden, houtopstanden en agrarische bedrijven. Op korte afstand ten zuiden van het onderzoeksgebied bevindt zich de bebouwde kom van Raalte. Op de navolgende afbeelding is de begrenzing van het onderzoeksgebied weergegeven (Figuur 1).

Figuur 1. Luchtfoto van het onderzoeksgebied aan de Knapenveldsweg te Raalte (rood kader).

2

Quickscan flora en fauna

Buro Ontwerp & Omgeving

Figuur 2. Kaart met de te behouden hooiberg en de te slopen opstallen. Gebouw 2 was ten tijde van de quickscan niet meer aanwezig.

Figuur 3. Schetsontwerp met de toekomstige situatie.

3

Quickscan flora en fauna

Buro Ontwerp & Omgeving

Figuur 4. Pad waarvan de bestrating wordt verwijderd (linksboven), het veld waarop de woning wordt gebouwd (rechtsboven), de te slopen stal (linksonder) en een van de twee vijvers in het onderzoeksgebied (rechtsonder).

2.2

Geplande werkzaamheden De ontwikkeling voorziet in de realisatie van een vrijstaande woning met een paardenschuur en hoogstamboomgaard op het veld dat aan het noorden van de houtopstand grenst. Van de bestaande bebouwing worden een stal en een vervallen kippenhok gesloopt (gebouw 3 en 4 in Figuur 2). Een bijgebouw met rieten dak blijft behouden (gebouw 1 in Figuur 2). Ter hoogte van de te slopen stal zullen nieuwe groenvoorzieningen worden aangeplant. Verder zal de huidige bestrating worden verwijderd en wordt er een nieuwe toegangsweg gerealiseerd naar de woning. Er zullen geen groenvoorzieningen worden verwijderd om de ontwikkeling mogelijk te maken. De vijvers blijven eveneens behouden.

4

Quickscan flora en fauna

3.

Werkwijze

3.1

Bureauonderzoek

Buro Ontwerp & Omgeving

Voorafgaand aan het veldbezoek is onderzoek gedaan naar de ligging van het gebied ten opzichte van beschermde natuurgebieden, de voorkomende habitats en de verspreidingsgegevens van beschermde soorten in en rondom het onderzoeksgebied. De bronnen die hiervoor zijn geraadpleegd zijn te vinden in de literatuurlijst (zie hoofdstuk 7).

3.2

Veldbezoek Het veldbezoek is uitgevoerd op 3 februari 2025 en vond plaats van 10:30 tot 11:30. Tijdens het veldbezoek was het zonnig, stond er een zwakke wind (Z2) en was het ca. -1 tot 2 graden Celsius. Er is gekeken naar het terrein en de geschiktheid hiervan voor beschermde flora en fauna. Ook is gekeken naar de aanwezigheid van beschermde soorten, met inbegrip van sporen als braakballen, uitwerpselen, nesten en andere mogelijke verblijfplaatsen. Tabel 1. Deskundigheid betrokken medewerker(s). Naam

Deskundigheid

J. Metselaar

Studie: Afgestudeerd in Diermanagement op Hogeschool Van Hall Larenstein (VHL) te Leeuwarden. Functie: Ecoloog bij Buro Ontwerp & Omgeving sinds januari 2020.

3.3

Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de huidige wet- en regelgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van het onderzoeksgebied voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van deze soorten. In artikel 16.5 van de Omgevingswet is bepaald dat onderzoeken bij de vaststelling van het besluit niet ouder zijn dan twee jaar. Indien kan worden aangetoond dat de gegevens uit de onderzoeken nog actueel zijn, dan mogen onderzoeken bij de vaststelling ouder zijn dan twee jaar. In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan flora en fauna geldig is voor een periode van maximaal drie jaar, tenzij de ecologische omstandigheden in deze periode wezenlijk zijn veranderd, of inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Wanneer de uitvoering van een plan meer dan drie jaar wordt uitgesteld, verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te onderzoeken.

5

Quickscan flora en fauna

4.

Wet- en regelgeving

4.1

Omgevingswet

Buro Ontwerp & Omgeving

Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. De Omgevingswet bundelt 26 wetten en diverse regels en voorschriften in één wet. Ook de Wet natuurbescherming (Wnb) is opgegaan in de Omgevingswet. In de Omgevingswet speelt bij milieubelastende activiteiten het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) een belangrijke rol. In het Bal staan rijksregels voor de fysieke leefomgeving, waaronder voor flora- en fauna-activiteiten. Daarnaast wordt hierin vermeld voor welke activiteiten een melding of omgevingsvergunning nodig is en wie toezicht houdt. Een belangrijk verschil met de Wnb is dat de bepalingen over de zorgplicht (artikel 1.11, Wnb) concreter zijn aangegeven in de specifieke zorgplicht (artikel 11.27, Bal). Aanvullend zijn regels opgenomen over ongewone voorvallen (artikel 11.34, Bal en artikel 11.35, Bal). Onder de Wnb bestonden geen vergelijkbare bepalingen. De Omgevingswet bevat ook instrumenten om natuurgebieden te beschermen. Zo kan de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) bijzondere nationale natuurgebieden en Natura 2000-gebieden aanwijzen en instandhoudingsdoelen voor deze gebieden vaststellen (artikel 2.44, Ow). Ook is in het aanwijzingsbesluit opgenomen dat gebieden bij omgevingsverordening kunnen worden aangewezen tot het Natuurnetwerk Nederland (NNN), bijzonder provinciaal natuurgebied of bijzonder provinciaal landschap.

Verder zijn instructieregels voor de omgevingsverordening opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De instructieregels verplichten provincies tot het aanwijzen van Natuurnetwerk Nederland-gebieden (NNN-gebieden), het vastleggen van de kenmerken en waarden van de NNN-gebieden en het stellen van regels voor de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de NNN-gebieden. Bij ruimtelijke ontwikkelingen geldt bovendien regelgeving voor het vellen van houtopstanden en voor activiteiten die de introductie of verspreiding van invasieve exoten tot gevolg kunnen hebben.

4.2

Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Natura 2000-gebieden zijn op basis van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn opgenomen in de Omgevingswet middels een aanwijzingsbesluit (artikel 2.44, Ow). Natura 2000-gebieden zijn gebieden waarin habitats en soorten worden beschermd die van communautair belang zijn. Per Natura 2000-gebied zijn specifieke instandhoudingsdoelen opgesteld. Activiteiten die significant nadelige effecten hebben op de kwaliteit van de habitats en/of de instandhoudingsdoelen van het gebied mogen niet plaatsvinden zonder een vergunning voor een Natura 2000-activiteit. Dit geldt niet alleen voor activiteiten binnen het Natura 2000gebied. Ook bij activiteiten aangrenzend of buiten het gebied kunnen significant nadelige gevolgen optreden.

6

Quickscan flora en fauna

Buro Ontwerp & Omgeving

Natuurnetwerk Nederland en Zone Ondernemen met Natuur en Water Natuurnetwerk Nederland (NNN) bestaat uit een netwerk van natuurgebieden en heeft als doel deze beter met elkaar en omringende agrarische gebieden te verbinden. In Overijssel maakt het NNN onderdeel uit van de Zone Ondernemen met Natuur en Water (ONW). Het perspectief voor de ONW is het ontstaan van een samenhangend netwerk van gebieden met natuurkwaliteit. Voor gebieden die behoren tot de ONW maar buiten het NNN vallen geld een ‘ja, mits benaderingen’. Ontwikkelingen hier zijn mogelijk onder de voorwaarde dat er bijgedragen wordt aan de ruimtelijke kwaliteit, waar moet worden ingezet op het realiseren van wateropgaven en het versterken van natuur en landschap. De NNN-gebieden zijn aangewezen in de provinciale omgevingsvisie en beschermd volgens de bijbehorende provinciale omgevingsverordening (Provincie Overijssel, 2017; Provincie Overijssel, 2024). § 4.7.2 Natuurnetwerk Nederland Artikel 4.58 (instructieregels beschermingsregime Natuurnetwerk Nederland) 1. In omgevingsplannen die betrekking hebben op een gebied dat is aangewezen als Natuurnetwerk Nederland (NNN) maken geen ontwikkelingen mogelijk die leiden tot: a. aantasting van de mogelijkheden om de natuurdoelen te realiseren die voor dit gebied zijn vastgesteld in Bijlage X ‘Wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN’, b.

vermindering van het areaal van Natuurnetwerk Nederland; en, c. aantasting van de samenhang tussen onderdelen van het Natuurnetwerk Nederland. 2. Omgevingsplannen die betrekking hebben op een gebied dat is aangewezen als Bestaand worden regels opgenomen die zijn gericht op bescherming, instandhouding, verbetering en duurzame ontwikkeling van de natuurdoelen zoals vastgesteld in Bijlage X 'Wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN'. 3. In omgevingsplannen die betrekking hebben op een gebied dat is aangewezen als Te realiseren natuur NNN worden - zolang de gronden nog niet zijn aangekocht of afgewaardeerd naar natuur - regels opgenomen die ook gericht zijn op bescherming, instandhouding, verbetering en duurzame ontwikkeling van de aanwezige natuurwaarden. 4. In afwijking van de instructieregels in het eerste en derde lid geldt binnen gebieden die zijn aangewezen als Te realiseren geen plicht om rechten en ontwikkelingsmogelijkheden te beperken voor zover: a. het gaat om rechten en ontwikkelingsmogelijkheden van bestaande functies zoals die zijn vastgelegd in een geldend omgevingsplan; en b. deze gronden nog niet zijn aangekocht voor het realiseren van het Natuurnetwerk Nederland of nog geen functiewijziging heeft plaatsgevonden naar natuur door de eigenaar zelf. Artikel 4.60 (afwijking voor grootschalige belangen) 1.

In afwijking van Artikel 4.58 kan een omgevingsplan voorzien in een relatief grootschalige nieuwe ontwikkeling binnen een gebied dat begrensd is als Natuurnetwerk Nederland als: a. er sprake is van dwingende redenen van groot openbaar belang b. er uit onderzoek blijkt dat er een alternatievenafweging heeft plaatsgevonden waaruit blijkt dat voor de realisering van de beoogde nieuwe ontwikkeling geen reële alternatieve zijn; c. significant negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied ten gevolge van de nieuwe ontwikkeling worden voorkomen en - als dat niet mogelijk is - zoveel mogelijk worden beperkt door mitigerende maatregelen te treffen; 7

Quickscan flora en fauna

Buro Ontwerp & Omgeving

d. de overblijvende schade of significant negatieve effecten op een toereikende maar tenminste gelijkwaardige en tijdige wijze worden gecompenseerd; en e. het areaal van het Natuurnetwerk Nederland per saldo ten minste gelijk blijft. 2. De compensatie die nodig is op grond van het eerste lid wordt gelijktijdig geregeld met het omgevingsplan dat de ontwikkeling mogelijk maakt. 3. Voor de onderbouwing van de afwijking bedoeld in het eerste lid wordt een compensatieplan vastgesteld. 4. Burgemeester en wethouders informeren Gedeputeerde Staten dat er een afwijking bedoeld in het eerste lid heeft plaatsgevonden als de herziening van het omgevingsplan voor de nieuwe ontwikkeling onherroepelijk is geworden.

4.3

Soortbescherming Soorten met specifieke beschermingsregels Het Besluit activiteiten leefomgeving van de Omgevingswet kent drie beschermingsregimes voor soorten: • Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn (artikel 11.37 lid 1, Bal) • Beschermingsregime soorten uit bijlage IV van de Habitatrichtlijn, bijlage II van het verdrag van Bern en bijlage I van het verdrag van Bonn (artikel 11.46 lid 1, Bal) • Beschermingsregime andere soorten uit Bijlage IX van het Besluit activiteiten leefomgeving (artikel 11.54 lid 1, Bal), ook wel soorten van nationaal belang genoemd. In bovengenoemde wetsartikelen uit het Bal zijn schadelijke handelingen opgenomen en is vastgesteld voor welke handelingen een vrijstelling kan worden verleend. De verbodsbepalingen houden in dat Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere beschermde soorten niet opzettelijk mogen worden gedood of gevangen en dat hun vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren niet opzettelijk mogen worden beschadigd of vernield. Ook is het rapen en onder zich hebben van eieren van vogelsoorten die onder deze richtlijnen vallen verboden. Voor Vogel- en Habitatrichtlijnsoorten geldt bovendien dat ze niet opzettelijk mogen worden gestoord. Daarnaast is het verboden om beschermde planten opzettelijk te plukken, verzamelen, ontwortelen, vernielen of af te snijden in hun natuurlijke verspreidingsgebied.

Als de activiteiten leiden tot het overtreden van deze verbodsbepalingen moet worden nagegaan of een provinciale vrijstelling geldt of dat een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit moet worden verkregen. Rode lijsten Kwetsbare en met uitsterven bedreigde soorten die niet onder de hiervoor genoemde beschermingsregimes vallen zijn door de minister van LNV opgenomen in de rode lijsten. Rode lijst-soorten vallen niet noodzakelijkerwijs onder specifieke beschermingsregels, zoals een vergunningsplicht bij schadelijke handelingen. Hiervan is alleen sprake als de soort ook beschermd is conform de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn of Bijlage IX van het Bal. Desondanks zijn rode lijsten relevant bij ruimtelijke ontwikkelingen. Indien een activiteit nadelige effecten heeft op een rode lijst-soort wordt namelijk gesproken van een activiteit waarvoor de specifieke zorgplicht geldt.

8

Quickscan flora en fauna

Buro Ontwerp & Omgeving

Specifieke zorgplicht Een activiteit kan nadelig zijn voor de van nature in het wild levende dier- en plantensoorten. Iemand die weet of kan weten dat er bij het verrichten van een activiteit nadelige effecten optreden moet zich houden aan de specifieke zorgplicht (artikel 11.27, Bal). De specifieke zorgplicht geldt voor alle dier- en plantensoorten. De volgende stappen zijn noodzakelijk: • Controle op aanwezige soorten en leefgebieden in het onderzoeksgebied; • Nagaan of nadelige gevolgen voor dier- en plantensoorten kunnen worden uitgesloten; • Nagaan wat nadelige gevolgen zijn als uitsluiten daarvan niet mogelijk is; • Passende preventieve maatregelen nemen om nadelige effecten te voorkomen; en • Stoppen met de activiteit of herstelmaatregelen treffen.

4.4

Houtopstanden Als houtopstanden buiten de bebouwingscontour houtkap worden geveld kan er een meld- en herbeplantingsplicht gelden. Dergelijke houtopstanden worden in de Omgevingswet omschreven als een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend. Voor het vellen en herbeplanten zijn er een aantal uitzonderingen op de rijksregels opgenomen in artikel 11.111 van het Bal. Voor de kap van houtopstanden binnen de bebouwingscontour houtkap geldt gemeentelijke regelgeving, zoals verwoord in het omgevingsplan van de desbetreffende gemeente (artikel 5.165b, Bkl).

4.5

Invasieve exoten Algemeen In de Omgevingswet is regelgeving opgenomen voor activiteiten die de introductie of verspreiding van invasieve exoten tot gevolg kunnen hebben. Hierdoor is het onder zich of voorhanden hebben, vervoeren of ten vervoer aanbieden (van delen van invasieve exoten) expliciet aangemerkt als verhandelen. Invasieve exoten vormen een bedreiging voor de inheemse biodiversiteit en ecosystemen. Daarnaast kunnen invasieve exoten schadelijk zijn voor de economie, de openbare veiligheid en menselijke gezondheid. Bekende voorbeelden van invasieve exoten zijn de beverrat, Siberische grondeekhoorn, nijlgans, zonnebaars en Aziatische hoornaar. Het is onder meer verboden om deze soorten opzettelijk te houden, vrij te laten in het milieu, te kweken of vervoeren en het toestaan om zich voort te planten (artikel 11.108 lid 1, Bal en artikel 7 lid 1 van de Europese invasieve-exoten-basisverordening).

9

Quickscan flora en fauna

Buro Ontwerp & Omgeving

Nationaal handelsverbod Aziatische duizendknopen Per 1 januari 2022 geldt er tevens een nationaal handelsverbod voor Aziatische duizendknopen (artikel 11.109a, Bal). Het verbod heeft betrekking op drie soorten: de Japanse duizendknoop, Sachalinse duizendknoop en bastaardduizendknoop. Het handelsverbod op Aziatische duizendknopen geldt ook voor besmette grond. Gelet op deze ruime definitie van het woord ‘verhandelen’, maakt het hierbij niet uit of het gaat om de delen van de duizendknoop zelf, of om de delen van de duizendknoop in het transport van een partij grond. Dit betekent dat grondtransport met (levensvatbare delen van) Aziatische duizendknopen verboden is, tenzij een vrijstelling van toepassing is. Een vrijstelling geldt als er sprake is van niet-commerciële doeleinden, wanneer het transport plaatsvindt in het kader van uitroeiing, bestrijding of beheersing en op voorwaarde dat geen verdere verspreiding of introductie in het milieu plaatsvindt. Daarnaast geldt er een vrijstelling voor het verhandelen of in bezit hebben van dode delen of dode producten van Aziatische duizendknopen (NVWA, 2021).

10

Quickscan flora en fauna

5.

Resultaten

5.1

Gebiedsbescherming

Buro Ontwerp & Omgeving

5.1.1 Natura 2000 In Nederland zijn 162 Natura 2000-gebieden aangewezen. Dit zijn gebieden met een Europese beschermingsstatus. Veel van die gebieden zijn gevoelig voor stikstofdepositie. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied betreft het Boetelerveld, dat op circa 5,2 kilometer ten zuidoosten van het onderzoeksgebied ligt. Andere Natura 2000-gebieden op minder dan 10 km afstand zijn het Vecht- & Beneden-Reggegebied (ca. 8,6 km), de Rijntakken (ca. 9,0 km) en de Sallandse Heuvelrug (ca. 9,7 km). Op de navolgende kaart is de ligging van het onderzoeksgebied ten opzichte van de Natura 2000-gebieden weergegeven (Figuur 5).

Figuur 5. Ligging onderzoeksgebied (pijl) ten opzichte van de nabijgelegen Natura 2000-gebieden (groen gearceerde vlakken).

Gezien het type werkzaamheden en de ligging van het onderzoeksgebied ten opzichte van de Natura 2000-gebieden zijn er geen negatieve effecten als oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, optische verstoring en verstoring door trilling, geluid en mechanische effecten. De afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is namelijk meer dan 5,2 km. Door het gebruik van werktuigen en een toename van voertuigbewegingen kunnen er wel gevolgen zijn door stikstofdepositie vanuit de lucht. Omdat er vier Natura 2000gebieden op minder dan 10 km afstand van het onderzoeksgebied liggen vindt er mogelijk stikstofdepositie plaats op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van dit Natura 2000-gebied. Om de eventuele effecten van stikstofdepositie inzichtelijk te maken wordt aangeraden om een AERIUS-berekening (voortoets stikstof) uit te laten voeren voor zowel de realisatiefase als gebruiksfase. Negatieve effecten op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden kunnen worden uitgesloten als uit de AERIUS-berekening blijkt dat er geen toename van stikstofdepositie groter dan 0,00 mol N/ha/jr plaatsvindt. 11

Quickscan flora en fauna

Buro Ontwerp & Omgeving

5.1.2 Natuurnetwerk Nederland Het onderzoeksgebied ligt op ca. 100 meter afstand van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (Figuur 6). Gezien de ligging buiten dit gebied worden de kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen van het NNN bij de werkzaamheden niet aangetast.

Figuur 6. Ligging onderzoeksgebied (rood) t.o.v. het Natuurnetwerk Nederland (donkergroen).

5.1.3 Houtopstanden De groenvoorzieningen in het onderzoeksgebied vallen onder de definitie houtopstanden, zoals bedoeld in artikel 1.1 van de Omgevingswet. De rijksregels over het vellen van houtopstanden zijn daarom van toepassing. Bij het vellen van bomen en/of struiken dient een kapmelding te worden gedaan bij provincie Overijssel. Er worden echter geen bomen geveld om de ontwikkeling mogelijk te maken.

12

Quickscan flora en fauna

5.2

Buro Ontwerp & Omgeving

Soortbescherming

5.2.1 Vleermuizen Op basis van openbare verspreidingsgegevens kunnen de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, tweekleurige vleermuis en watervleermuis in de ruime omgeving van het onderzoeksgebied voorkomen. Alle vleermuissoorten zijn op Europees niveau beschermd conform de Habitatrichtlijn (artikel 11.46 lid 1, Bal). Verblijfplaatsen Vleermuizen kunnen globaal opgedeeld worden in boombewonende soorten zoals de rosse vleermuis en gebouwbewonende soorten zoals de gewone dwergvleermuis. Ook zijn er soorten die zowel gebouw- als boombewonend zijn. Gebouwbewonende vleermuizen maken doorgaans gebruik van spouwruimtes, spleten en vergelijkbare ruimtes in gebouwen. De bebouwing werd daarom geïnspecteerd op potentiële verblijfplaatsen. Het vervallen kippenhok (gebouw 4 in Figuur 2) is vrij laag en vrijwel volledig overwoekerd met klimop. Dit gebouw is daarom niet toegankelijk voor vleermuizen. De stal (gebouw 3 in Figuur 2) is semi-open en heeft twee lage gedeeltes en een hoger gedeelte. Dit gebouw is thans in gebruik als paardenstal. De wanden van deze stal bestaan uit enkellaagse betimmering. Het hogere gebouwgedeelte heeft een enkellaags metalen plafond. De lagere gebouwgedeeltes hebben een houten plaat als plafond met daaroverheen een metalen plaat. Hiertussen bevinden zich spleten, welke echter niet toegankelijk zijn voor vleermuizen.

De spleten zijn namelijk zeer smal en de openingen worden geblokkeerd door zowel spinnenrag als ophoping van ander vuil. Ten slotte heeft het bijgebouw (gebouw 1 in Figuur 2) openingen aan de zijkanten van het gebouw, tussen de wanden en het rieten dak. Deze zijn toegankelijk voor vleermuizen. Het bijgebouw blijft echter behouden. Gezien het voorgaande kunnen negatieve effecten op verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen worden uitgesloten. Boombewonende vleermuizen verblijven in boomholtes, holle oksels, spechtenholen, holle takken en achter loshangend schors van (oude) bomen. In verschillende delen van de houtopstand werden zomereiken aangetroffen met scheuren in takken. Deze scheuren bieden voldoende gelegenheid voor boombewonende vleermuizen om in te verblijven. De bomen in het onderzoeksgebied blijven echter onaangetast, waardoor er geen negatieve effecten zijn op de verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen. Vliegroutes Vleermuizen volgen vaak lijnvormige elementen om heen en weer te bewegen tussen de verblijfplaatsen en foerageergebieden. Het behoud van lijnvormige landschapselementen is daarom van groot belang voor de instandhouding van vleermuispopulaties. De voorgenomen werkzaamheden zullen echter niet resulteren in het verlies van een vliegroute. Negatieve effecten op de vliegroutes van vleermuizen kunnen daarom worden uitgesloten.

13

Quickscan flora en fauna

Buro Ontwerp & Omgeving

Essentiële foerageergebieden De in Nederland voorkomende vleermuizen leven allemaal van insecten. Ze foerageren daarom op allerlei plekken waar veel vliegende insecten aanwezig zijn. Enkele voorbeelden van dit soort gebieden zijn wind beschutte plaatsen langs lijnvormige elementen (bijv. sloten, beken, bosranden en houtwallen), maar ook in bosgebieden, open plekken in bossen of langs oevers met rietkragen. Bij het verdwijnen van essentiële foerageergebieden gaan de verblijfplaatsen ook verloren. De voorgenomen werkzaamheden zullen echter niet resulteren in het verlies van een essentieel foerageergebied. Er worden geen groenvoorzieningen verwijderd om de ontwikkeling mogelijk te maken en ook de vijvers blijven behouden. Negatieve effecten op essentiële foerageergebieden van vleermuizen kunnen daarom worden uitgesloten. Verlichting Maak in de actieve periode van vleermuizen ’s avonds en ’s nachts geen of zo min mogelijk gebruik van bouwverlichting. Uitstraling naar bomen en water moet worden voorkomen. Indien verlichting in de permanente situatie noodzakelijk is wordt aangeraden om gebruik te maken van vleermuisvriendelijke, amberkleurige verlichting. Zodoende kan eventuele verstoring tot een minimum worden beperkt. Er mag geen gebruik worden gemaakt van blauw en ultraviolet licht.

Waar verlichting noodzakelijk is, dienen de lichtstralen gebundeld te zijn en op de grond te worden gericht. 5.2.2 Grondgebonden zoogdieren Algemene soorten Verschillende algemene grondgebonden zoogdieren kunnen voorkomen in en rondom het onderzoeksgebied. Het is niet uit te sluiten dat deze zoogdieren (nog) in het onderzoeksgebied aanwezig zijn tijdens de werkzaamheden. De meeste grondgebonden zoogdieren zijn in provincie Overijssel vrijgesteld. Wel dient voor deze soorten de specifieke zorgplicht te worden nageleefd, waarbij passende preventieve maatregelen moeten worden genomen om nadelige effecten te beperken. Wanneer er toch nadelige effecten optreden moeten de activiteiten worden gestaakt, of dienen er passende herstelmaatregelen te worden getroffen indien dit niet mogelijk is (artikel 11.27, Bal). Strikt beschermde soorten Op basis van verspreidingsgegevens kunnen de boommarter, steenmarter, bunzing, hermelijn, wezel, otter, das, wolf, egel en eekhoorn in de ruime omgeving van het onderzoeksgebied voorkomen. Van deze soorten wordt de wolf en otter op Europees niveau beschermd conform de Habitatrichtlijn (artikel 11.46 lid 1, Bal) en zijn de overige soorten van nationaal belang (artikel 11.54 lid 1, Bal).

Gezien het onderzoeksgebied geen deel uitmaakt van een bos- of moerasgebied en er geen beken of rivieren aanwezig zijn kunnen negatieve effecten op de wolf en otter op voorhand worden uitgesloten. Er werden dan ook geen sporen van deze soorten aangetroffen.

14

Quickscan flora en fauna

Buro Ontwerp & Omgeving

De bunzing, hermelijn en wezel zijn kleine marterachtigen die in allerlei landschappen kunnen voorkomen, zoals kleinschalige cultuurlandschappen, natte hooilanden, duingebieden, bossen, houtwallen en plekken langs beken en rivieren. Alle kleine marters zoeken graag dekking in houtstapels, takkenrillen, steenhopen of heggen. Daarnaast wordt de bunzing vaak aangetroffen in oude holen van konijnen, vossen en dassen, maar bijvoorbeeld ook andere beschutte ruimtes zoals onder boomwortels of takkenrillen. ’s Winters trekt de bunzing vaker naar bewoonde gebieden en kan de soort ook in schuren verblijven. De hermelijn verblijft vaak in tunnels onder mossen, openingen tussen boomwortels, openingen onder omgevallen bomen en holen van konijnen, muizen en ratten. De wezel verblijft vooral in openingen tussen boomwortels en holen van muizen, ratten en mollen. Zowel de functionele leefomgeving als de rust- en voortplantingsplaatsen van deze soorten zijn beschermd (BIJ12, 2024). In het onderzoeksgebied zijn takkenhopen en dicht struweel aanwezig die voldoende dekking bieden om te kunnen dienen als rust- of voortplantingsplaats voor de kleine marters. Dergelijke elementen blijven echter behouden. Negatieve effecten op de rust- of voortplantingsplaatsen van de bunzing, hermelijn en wezel kunnen daarom worden uitgesloten.

De boommarter is bij voorkeur een bosbewoner die in verschillende bostypen voorkomt. Boommarters verblijven in holen van andere diersoorten en passen die naar eigen behoefte aan. Vaak zijn dit holtes die zijn uitgehakt door spechten of burchten van vossen en dassen. Ook verblijven ze in openingen onder boomwortels en ruimtes onder takkenhopen (Zoogdiervereniging, 2025a). Dergelijke boomholtes en burchten werden niet aangetroffen in het onderzoeksgebied. Verder worden er geen groenvoorzieningen verwijderd om de ontwikkeling mogelijk te maken. Negatieve effecten op de rust- of voortplantingsplaatsen van de boommarter kunnen daarom worden uitgesloten. Steenmarters kunnen binnen het leefgebied meerdere schuilplaatsen hebben, zoals takkenhopen, boomholtes, dichte struwelen, kruipruimtes of zolders. Ook ruimtes onder dakbedekkingen en spouwmuren worden gebruikt door steenmarters. Openingen van 5 à 6 cm zijn al van voldoende grootte om een schuilplaats te bereiken (Zoogdiervereniging, 2025b). De stal en het vervallen kippenhok werden onderzocht op sporen van de soort. Deze werden echter niet aangetroffen. Verder worden er geen groenvoorzieningen verwijderd om de ontwikkeling mogelijk te maken. Negatieve effecten op de rust- of voortplantingsplaatsen van de steenmarter kunnen daarom worden uitgesloten.

De das is een nachtactieve soort die voornamelijk voorkomt in kleinschalige landbouwlandschappen. Belangrijke onderdelen binnen een dassenterritorium zijn structuurrijke eikenbossen of bosjes en bemeste graslanden. In bepaalde delen van het jaar kunnen hoogstamboomgaarden, ruigte en akkers ook belangrijk zijn. Burchten kunnen bijvoorbeeld worden aangetroffen in houtwallen, langs bosranden, singels en heggen. De burchtingangen maken deel uit van een uitgebreid holenstelsel van lange gangen en kamers die onderling verbonden zijn. Andere sporen waaraan de das kan worden herkend zijn bijvoorbeeld graafsporen, wissels, haar aan prikkeldraad en mestputjes (BIJ12, 2017 b). Binnen de begrenzing van het onderzoeksgebied werden geen burchtingangen aangetroffen. Ook andere sporen werden niet aangetroffen, waardoor negatieve effecten op de das kunnen worden uitgesloten.

15

Quickscan flora en fauna

Buro Ontwerp & Omgeving

De egel is een nachtactieve soort die voorkomt in bijna alle landschapstypen. Ze hebben echter een voorkeur voor tuinen, bosranden, struweel en loofbossen met voldoende ondergroei. De zomer- en winternesten bevinden zich in een nest van bladeren, takken en ander plantaardig materiaal. ’s Zomers slapen ze ook in dicht struikgewas of in konijnenholen (Veldman & Troost, 2019). In het onderzoeksgebied zijn takkenhopen en dicht struweel aanwezig die voldoende dekking bieden om te kunnen dienen als rust- of voortplantingsplaats voor de egel. Dergelijke elementen blijven echter behouden. Negatieve effecten op de rust- of voortplantingsplaatsen van de egel kunnen daarom worden uitgesloten. Eekhoorns bouwen bolvormige nesten in bomen. Deze hebben een doorsnede van 30 tot 50 cm en zijn vooral ‘s winters goed waarneembaar. Soms gebruiken ze ook boomholtes, oude kraaien- of eksternesten of grote nestkasten als nestplaats. Nesten van eekhoorns kunnen op die van de ekster lijken, maar zijn te onderscheiden aan de aanwezigheid van blaadjes (Zoogdiervereniging, 2025b). De bomen in het onderzoeksgebied blijven behouden. In de bomen werd desondanks gezocht naar potentiële nesten van de soort. In een van de zomereiken werd een kraaiennest aangetroffen, maar hier werd een zwarte kraai bij waargenomen die territoriaal gedrag vertoonde.

Verder zijn er geen eekhoornnestkasten of boomnesten van de eekhoorn aanwezig. Hierdoor kunnen negatieve effecten op de rust- of voortplantingsplaatsen van de eekhoorn worden uitgesloten. 5.2.3 Vogels Algemene soorten Verschillende vogelsoorten waarvan het nest niet jaarrond beschermd is kunnen voorkomen in en rondom het onderzoeksgebied. Hiervan werden de zwarte kraai, pimpelmees, koolmees en winterkoning tijdens de quickscan waargenomen in het onderzoeksgebied. Conform de Vogelrichtlijn (artikel 11.37 lid 1, Bal) is het verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van in het wild levende vogelsoorten te vernielen of te beschadigen, of nesten van deze vogels weg te nemen. Tevens zijn alle vogelsoorten tijdens het broedseizoen beschermd. De Omgevingswet kent geen standaardperiode voor het broedseizoen. Voor de meeste vogels kan worden aangenomen dat het broedseizoen van 15 maart tot en met 15 juli loopt (indicatief broedseizoen), maar bij enkele soorten begint het broedseizoen eerder of loopt het langer door. Dichter bij het indicatieve broedseizoen is de kans op de aanwezigheid van in gebruik zijnde nesten groter. Op het moment dat sprake is van een nest dat in gebruik is, zijn werkzaamheden die kunnen leiden tot beschadiging of vernieling hiervan verboden. Hierop is geen uitzondering en er is ook geen omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit mogelijk.

Er wordt daarom geadviseerd om werkzaamheden waarbij nesten verstoord kunnen worden, (ruim) buiten het indicatieve broedseizoen uit te voeren. Strikt beschermde soorten Van sommige vogelsoorten zijn de vaste rust- en nestplaatsen jaarrond beschermd (beschermingscategorie 1 t/m 4). In het buitengebied van Raalte kunnen dit de ooievaar, wespendief, buizerd, havik, sperwer, boomvalk, torenvalk, kerkuil, bosuil, ransuil, steenuil, zwarte specht, boerenzwaluw, huiszwaluw, roek en huismus zijn.

16

Quickscan flora en fauna

Buro Ontwerp & Omgeving

De ooievaar komt voor in cultuurlandschappen en broedt op schoorstenen, kerktorens, telefoonpalen, in bomen, hoogspanningsmasten of speciaal voor de soort gemaakte ooievaarspalen. De nesten zijn groot en daardoor goed herkenbaar (Vogelbescherming Nederland, 2025f). Een ooievaarspaal werd waargenomen op het terrein van Knapenveldweg 9, gelegen op ca. 260 meter ten zuidoosten van het onderzoeksgebied. Delen van het onderzoeksgebied kunnen worden gebruikt als foerageergebied. Geschikt foerageergebied is echter ruimschoots in de omgeving aanwezig, waardoor er geen negatieve effecten zullen plaatsvinden op de hier nestelende ooievaars. De buizerd is een roofvogel die voorkomt in gevarieerde landschappen waar weilanden worden afgewisseld met houtwallen, bosranden en andere houtopstanden. De soort komt ook voor nabij en in stedelijke omgevingen, zoals bijvoorbeeld in grote parken, indien er voldoende rust wordt verkregen (BIJ12, 2017a). Tijdens het veldbezoek werden geen horsten van deze soort aangetroffen, waardoor negatieve effecten op de jaarrond beschermde nestplaatsen van de buizerd kunnen worden uitgesloten. De sperwer broedt voornamelijk in jonge dichte naaldbossen en halfopen landschappen, maar kan ook in laanbomen, geïsoleerde bosjes en parken broeden (Vogelbescherming Nederland, 2025i). De bomen in het onderzoeksgebied blijven behouden.

In de bomen werd desondanks gezocht naar potentiële nesten van de soort. In een van de zomereiken werd een kraaiennest aangetroffen, maar hier werd een zwarte kraai bij waargenomen die territoriaal gedrag vertoonde. Hierdoor kunnen negatieve effecten op de rust- of nestplaatsen van de sperwer worden uitgesloten. Het leefgebied van de havik bestaat uit een combinatie van open land voor de jacht en bos met geschikte nestbomen. De havik broedt in loof-, naald- en moerasbossen en soms in parken. Het nest is groot en bevindt zich meestal hoog in een naald- of loofboom (Vogelbescherming Nederland, 2025d). In de bomen in het onderzoeksgebied werden geen potentiële nesten van de havik aangetroffen. Negatieve effecten op de jaarrond beschermde nestplaatsen van de havik kunnen daarom worden uitgesloten. De torenvalk komt voor in open en halfopen boerenland met voldoende aanbod aan woelmuizen. Ze broeden hier in speciale nestkasten of in nissen van gebouwen (Vogelbescherming Nederland, 2025j). In het onderzoeksgebied werden geen potentieel geschikte nestlocaties aangetroffen. Negatieve effecten op de torenvalk kunnen daarom worden uitgesloten. De boomvalk jaagt in open en halfopen landschap zoals parklandschappen, heiden of boerenland. Ze broeden in verschillende typen bos, maar geven de voorkeur aan halfopen bos of bosranden.

De soort broedt in oude kraaien- of eksternesten (Vogelbescherming Nederland, 2025b). De bomen in het onderzoeksgebied blijven behouden. In de bomen werd desondanks gezocht naar potentiële nesten van de soort. In een van de zomereiken werd een kraaiennest aangetroffen, maar hier werd een zwarte kraai bij waargenomen die territoriaal gedrag vertoonde. Hierdoor kunnen negatieve effecten op de rust- of nestplaatsen van de boomvalk worden uitgesloten.

17

Quickscan flora en fauna

Buro Ontwerp & Omgeving

De kerkuil leeft doorgaans in cultuurlandschappen waar ook kruidenrijke akkerranden, houtwallen, heggen en bosjes worden aangetroffen. De soort broedt in Nederland in ongeveer 90% van de gevallen in nestkasten die in boerenschuren, torens, kerken of kastelen zijn geplaatst en heel incidenteel in boomholten (BIJ12, 2017c). De bebouwing werd onderzocht op de aanwezigheid van braakballen, prooiresten, krijtsporen of andere sporen die duiden op de aanwezigheid van de soort. Dergelijke sporen werden niet aangetroffen, waardoor negatieve effecten op de jaarrond beschermde nestlocaties van de kerkuil kunnen worden uitgesloten. De bosuil komt voor in loof- en gemengde bossen, houtwallen, boerenerven en grote stadsparken met oude bomen. De soort nestelt in boomholtes, nestkasten en ruimtes in oude schuren (Vogelbescherming Nederland, 2025c). In het onderzoeksgebied werden geen boomholtes aangetroffen die kunnen voldoen als nestlocatie voor de bosuil. Ook zijn er geen indicaties dat de bebouwing geschikt is als rust- of nestplaats. Er werden geen braakballen, prooiresten of krijtsporen aangetroffen. Negatieve effecten op de bosuil kunnen daarom worden uitgesloten. De ransuil leeft in kleinschalige landbouwlandschappen, bosranden, parken en open bosgebieden. De soort broedt meestal in oude nesten van kraaien, eksters en soms in oude nesten van reigers, roofvogels of eekhoorns.

Bij voorkeur bevinden deze zich in naaldbomen, maar ook in boomopslag, houtwallen en vrijstaande bomen (Vogelbescherming Nederland, 2025g). De bomen in het onderzoeksgebied blijven behouden. In de bomen werd desondanks gezocht naar potentiële nesten van de soort. In een van de zomereiken werd een kraaiennest aangetroffen, maar hier werd een zwarte kraai bij waargenomen die territoriaal gedrag vertoonde. Hierdoor kunnen negatieve effecten op de rust- of nestplaatsen van de ransuil worden uitgesloten. De steenuil is een soort die voorkomt in kleinschalige cultuurlandschappen. Steenuilen broeden meestal in boomholten, nestkasten of nauwe ruimtes in gebouwen, bijvoorbeeld tussen de dakbedekking en het beschot. De steenuil is een zeer honkvaste soort die jaarrond gebruik maakt van het nest (BIJ12, 2017e). De bebouwing werd onderzocht op de aanwezigheid van braakballen, prooiresten, krijtsporen of andere sporen die duiden op de aanwezigheid van de soort. Dergelijke sporen werden echter niet aangetroffen. Ook werden er geen boomholten aangetroffen. Negatieve effecten op de rust- of nestplaatsen van de steenuil kunnen daarom worden uitgesloten. De roek is een koloniebroeder die van oorsprong voorkomt in vochtige gras- en bouwlanden met verspreid staande houtopstanden (BIJ12, 2017d). Tegenwoordig worden meer dan de helft van de nesten binnen de bebouwde kom aangetroffen.

De nesten worden dicht bij elkaar gebouwd in hoogopgaande bomen en zijn daardoor goed herkenbaar (Vogelbescherming Nederland, 2025h). Dergelijke kolonies zijn echter niet in het onderzoeksgebied aangetroffen. Negatieve effecten op jaarrond beschermde nesten van de roek kunnen worden uitgesloten. De huiszwaluw is een koloniebroeder die zijn komvormige nest van zand of klei tegen gevels of onder bruggen metselt (Vogelbescherming Nederland, 2025 e). Dergelijke nesten werden niet aangetroffen in het onderzoeksgebied. Negatieve effecten op de rust- en nestplaatsen van de huiszwaluw kunnen daarom worden uitgesloten.

18

Quickscan flora en fauna

Buro Ontwerp & Omgeving

De boerenzwaluw is een soort die voorkomt in open en halfopen boerenland waar ze nestelen in boerenschuren met openingen waar ze in en uit kunnen vliegen (Vogelbescherming Nederland, 2025a). Er werden twee vogelnesten aangetroffen in de stal, die mogelijk door de boerenzwaluw kunnen worden gebruikt. Negatieve effecten op de rust- of nestplaatsen van de boerenzwaluw kunnen daarom niet worden uitgesloten.

Figuur 7. Een van de twee vogelnesten in de te slopen stal (gele pijl).

De huismus is een standvogel die gebonden is aan bebouwing en komt voornamelijk voor in dorpen en steden. Nesten worden gebouwd onder dakpannen, in kieren en gaten van gebouwen en in speciaal voor de soort ontworpen mussenkasten (BIJ12, 2023). De huismus werd tijdens het veldbezoek niet waargenomen en het ontbreekt binnen het onderzoeksgebied aan nestgelegenheid. Negatieve effecten op de rust- of nestplaatsen van de huismus kunnen daarom worden uitgesloten. Naast strikt beschermde soorten, vallen er ook soorten onder de Vogelrichtlijn, waarvan het nest alleen jaarrond beschermd is als er zwaarwegende ecologische redenen zijn. Deze soorten zijn opgenomen op de lijst van beschermde vogelsoorten uit beschermingscategorie 5 van het bevoegd gezag (rijk of provincie). Dit zijn voornamelijk holenbroeders, maar ook soorten die op of tegen gebouwen aan nestelen. Hiervan werd de boomkruiper tijdens de quickscan waargenomen. Deze soorten zijn jaarrond strikt beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. Op de boomkruiper worden echter geen negatieve effecten verwacht, aangezien de initiatiefnemers aangeven dat er geen groenvoorzieningen worden verwijderd om de ontwikkeling mogelijk te maken. De staat van instandhouding komt niet in gevaar.

19

Quickscan flora en fauna

Buro Ontwerp & Omgeving

5.2.4 Reptielen en amfibieën Algemene soorten Op basis van de openbare verspreidingsgegevens zijn verschillende algemene amfibieën te verwachten in de omgeving van het onderzoeksgebied. De meeste algemene amfibieën zijn in provincie Overijssel vrijgesteld. Wel dient voor deze soorten de specifieke zorgplicht te worden nageleefd, waarbij passende preventieve maatregelen moeten worden genomen om nadelige effecten te beperken. Wanneer er toch nadelige effecten optreden moeten de activiteiten worden gestaakt, of dienen er passende herstelmaatregelen te worden getroffen indien dit niet mogelijk is (artikel 11.27, Bal). Strikt beschermde soorten Uit de openbare beschikbare verspreidingsgegevens blijkt dat de ringslang, hazelworm, kamsalamander en poelkikker in de ruime omgeving van het onderzoeksgebied kunnen voorkomen. Van deze soorten worden de kamsalamander en poelkikker op Europees niveau beschermd conform de Habitatrichtlijn (artikel 11.46 lid 1, Bal) en zijn de ringslang en hazelworm soorten van nationaal belang (artikel 11.54 lid 1, Bal). De ringslang is gebonden aan waterrijke habitats en is de enige slangensoort in Nederland die eieren legt. Voor de incubatie van de eieren is het noodzakelijk dat deze worden afgezet op plekken waar warmte wordt opgewekt.

Voortplantingsplaatsen zijn daarom bijvoorbeeld ingerotte boomstobben, broeihopen van afgestorven riet en in door de mens aangelegde compost- en mesthopen (van den Bos, 2015). In het onderzoeksgebied werden geen geschikte voortplantingsplaatsen aangetroffen. Ook blijven de twee vijvers en alle groenvoorzieningen behouden. Negatieve effecten op de ringslang kunnen daardoor worden uitgesloten. De kamsalamander komt voor in relatief diepe, stilstaande wateren met een goed ontwikkelde watervegetatie. In deze wateren zijn gewoonlijk geen vis en watervogels (ganzen en eenden) aanwezig. Vaak zijn deze gelegen in kleinschalige landschappen met elementen als struweel en houtwallen. In het rivierengebied komt de soort ook voor in strangen, kleiputten en kolken (Arntzen & Smit, 2009). De twee vijvers binnen de houtopstand in het onderzoeksgebied zijn mogelijk geschikt als leefgebied of voortplantingsplaats voor de kamsalamander. De vijver en alle groenvoorzieningen blijven echter behouden. Negatieve effecten op de soort zijn daarom uitgesloten. De poelkikker heeft een voorkeur voor zwak zure, schone, stilstaande wateren in heide- en hoogveengebieden. Daarnaast komt de soort ook voor in de uiterwaarden, in veedrinkpoelen en in sloten van rivierkleipolders en halfnatuurlijke graslanden.

In minder zure en voedselrijke wateren komt de soort alleen voor als er sprake is van een goede waterkwaliteit en een rijke begroeiing van oever- en waterplanten (Mulder & Creemers, 2009). De twee vijvers binnen de houtopstand in het onderzoeksgebied zijn mogelijk geschikt als leefgebied of voortplantingsplaats voor de poelkikker. De vijver en alle groenvoorzieningen blijven echter behouden. Negatieve effecten op de soort zijn daarom uitgesloten.

20

Quickscan flora en fauna

Buro Ontwerp & Omgeving

De hazelworm komt voor op structuurrijke plekken langs bosranden, houtwallen, heideterreinen, open plekken in bossen en langs spoor- en wegbermen. Rustplaatsen bevinden zich onder dood hout, in gaten of holen in de grond, holtes onder stenen of in composthopen. De overwintering vindt in droge holtes onder de grond plaats (Creemers, 2009). In het onderzoeksgebied zijn takkenhopen en dicht struweel aanwezig die voldoende dekking bieden om te kunnen dienen als rust- of voortplantingsplaats voor de hazelworm. Dergelijke elementen blijven echter behouden. Negatieve effecten op de rust- of voortplantingsplaatsen van de hazelworm kunnen daarom worden uitgesloten. 5.2.5 Vlinders Uit de openbare beschikbare verspreidingsgegevens blijkt dat de teunisbloempijlstaart, grote vos, kleine ijsvogelvlinder en aardbeivlinder in de ruime omgeving van het onderzoeksgebied kunnen voorkomen. Van deze soorten wordt de teunisbloempijlstaart op Europees niveau beschermd conform de Habitatrichtlijn (artikel 11.46 lid 1, Bal) en zijn de overige soorten van nationaal belang (artikel 11.54 lid 1, Bal). Negatieve effecten op de aardbeivlinder kunnen echter op voorhand worden uitgesloten. Deze soort komt namelijk alleen voor in gebieden met kalkgraslanden, duinen, heide en blauwgraslanden. Het onderzoeksgebied voldoet niet aan de biotoopeisen van de soort.

De grote vos is een zeldzame, zwerflustige vlinder die zich sinds 2019 weer verspreid door Nederland heeft voortgeplant. De belangrijkste waardplanten voor deze soort zijn breedbladige wilgensoorten, iepen en zoete kers. Ook functioneren de ratelpopulier en peer als waardplant voor de grote vos. De rupsen leven namelijk vaak op struiken en bomen die zich bevinden langs brede bospaden, bosranden, in boomgaarden of op kapvlaktes. De rupsen van de grote vos leven in groepen van tientallen tot enkele honderden rupsen bij elkaar en kunnen zich hoog in struiken en bomen bevinden. De soort overwintert als vlinder in oude, houten schuren, in holle bomen en tussen houtstapels (Bos, 2006). Het onderzoeksgebied voorziet niet in geschikte waardplanten voor de soort. De stal is semi-open, maar werd desondanks onderzocht op de aanwezigheid van overwinterende exemplaren. De soort werd niet aangetroffen. Negatieve effecten op de rust- en voortplantingsplaatsen van de grote vos kunnen daarom worden uitgesloten. De kleine ijsvogelvlinder komt voornamelijk voor langs bosranden en in structuurrijke, vochtige loofbossen. De soort gebruikt de wilde kamperfoelie als waardplant (Geerling & Oosterveen, 2007). De waardplant van de soort werd niet aangetroffen. Ook worden er geen groenvoorzieningen verwijderd om de ontwikkeling mogelijk te maken.

Negatieve effecten op de rust- of voortplantingsplaatsen van de kleine ijsvogelvlinder kunnen daarom worden uitgesloten De teunisbloempijlstaart gebruikt het (harig) wilgenroosje, de basterdwederik, teunisbloem en grote kattenstaart om de eitjes op af te zetten. De soort komt daarom voor in vochtige bossen, bosranden en warme open plekken (van Deijk, 2018). Er worden echter geen groenvoorzieningen verwijderd om de ontwikkeling mogelijk te maken. Negatieve effecten op de rust- of voortplantingsplaatsen van de teunisbloempijlstaart kunnen daarom worden uitgesloten

21

Quickscan flora en fauna

Buro Ontwerp & Omgeving

5.2.6 Overige beschermde diersoorten Er zijn geen waarnemingen bekend van beschermde vissen, kreeftachtigen, kevers of weekdieren in de ruime omgeving van het onderzoeksgebied. Negatieve effecten op deze soortgroepen kunnen daarom worden uitgesloten. De strikt beschermde gevlekte witsnuitlibel, sierlijke witsnuitlibel en beekrombout komen echter wel voor in de ruime omgeving van het onderzoeksgebied. Deze soorten zijn van nationaal belang (artikel 11.54 lid 1, Bal). Negatieve effecten op deze soorten kunnen op voorhand worden uitgesloten. De beekrombout komt alleen voor in/langs stromend water. De gevlekte witsnuitlibel en sierlijke witsnuitlibel komen alleen voor in laagveenmoerassen, vegetatierijke vennen en duinplassen, dan wel gebufferde, rijk begroeide vennen en plassen. De vijvers in het onderzoeksgebied voldoen daarmee niet aan de biotoopeisen van deze soorten. De vijvers blijven tevens behouden. 5.2.7 Vaatplanten en mossen Op basis van openbare verspreidingsgegevens blijkt dat er geen waarnemingen zijn van strikt beschermde vaatplanten en mossen in de ruime omgeving van het onderzoeksgebied Negatieve effecten kunnen daarom worden uitgesloten.

Tijdens de quickscan werden alleen algemene plantensoorten waargenomen in en rondom het onderzoeksgebied, namelijk de appel, broodboom, gewone braam, grove den, haagbeuk, hortensia, hulst, klimop, mannetjesvaren, riet, Pontische rododendron, wilde liguster, zomereik. De rijksregels voor een flora- en fauna-activiteit zijn niet van toepassing op deze soorten en er hoeft voor deze soorten geen omgevingsvergunning te worden aangevraagd. 5.2.8 Rode lijst-soorten Tijdens de quickscan werden geen Rode lijst-soorten vastgesteld. Op soorten uit deze categorie zijn daarom geen aanvullende maatregelen nodig, aangezien de groenvoorzieningen en vijver niet worden aangetast. Verder staat de in 5.2.3. genoemde boerenzwaluw op de Rode lijst en kan deze soort als broedvogel aanwezig zijn in de te slopen stal. Omdat de boerenzwaluw in Overijssel strikt beschermd is dient deze soort nader te worden onderzocht in het kader van de vergunningsplicht voor flora-en-fauna-activiteiten. Er zijn geen aanvullende stappen nodig op basis van de Rode lijst-status van deze soort. 5.2.9 Invasieve exoten Planten en dieren op de Unielijst Er zijn tijdens de quickscan geen waarnemingen van invasieve exoten gedaan. Omtrent invasieve exoten hoeft geen melding te worden gedaan bij het bevoegd gezag. Aziatische duizendknopen Er zijn tijdens de quickscan geen waarnemingen van Aziatische duizendknopen gedaan.

Er hoeven daarom geen aanvullende stappen te worden ondernomen omtrent de Aziatische duizendknopen.

22

Quickscan flora en fauna

5.3

Buro Ontwerp & Omgeving

Samenvatting Tabel 2 geeft een overzicht van soorten die (mogelijk) aanwezig zijn, de effecten waar ze last van kunnen hebben en eventuele vervolgstappen die genomen moeten worden. Tabel 2. Soortenoverzicht. Soortgroep

Soort(en)

Aanwezigheid

Mogelijk effect

Opmerkingen

Vleermuizen

Verblijfplaatsen

Nee

Nee

-

Nee

Nee

-

Foerageergebieden

Nee

Nee

-

Vliegroutes

Nee

Nee

-

Grondgebonden

Strikt beschermde

Nee

Nee

-

zoogdiersoorten

soorten Algemene soorten

Mogelijk

Nee*

-

Boerenzwaluw

Mogelijk

Verstoren,

Nader

beschadigen of

nodig

gebouwbewonende soorten Verblijfplaatsen boombewonende soorten

Vogels

onderzoek

vernielen van rustof nestplaatsen Algemene soorten

Verstoren

Werken buiten het

nestplaatsen

vogelbroedseizoen

Nee

Nee

-

Algemene soorten

Mogelijk

Nee*

-

Strikt beschermde

Nee

Nee

-

Nee

Nee

-

Nee

Nee

-

Reptielen en

Strikt beschermde

amfibieën

soorten

Vlinders

Mogelijk

soorten Overige

Strikt beschermde

diersoorten

soorten

Vaatplanten en

Strikt beschermde

mossen

soorten

Rode lijst-

-

Nee

Nee

-

Exotische

Soorten van de

Nee

Nee

-

soorten

Unielijst Nee

Nee

-

soorten

Aziatische duizendknopen

*Er dient rekening te worden gehouden met de specifieke zorgplicht.

23

Quickscan flora en fauna

6.

Conclusie

6.1

Gebiedsbescherming

Buro Ontwerp & Omgeving

Er is onderzoek gedaan naar de mogelijke effecten op beschermde gebieden. Natura 2000 Het onderzoeksgebied ligt buiten de Natura 2000-gebieden. Aangezien het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied op ca. 5,2 km afstand ligt zijn negatieve effecten als oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, optische verstoring en verstoring door trilling, geluid en mechanische effecten uitgesloten. Door het gebruik van werktuigen en voertuigbewegingen kunnen er wel gevolgen zijn door stikstofdepositie vanuit de lucht. Om de eventuele effecten van stikstofdepositie inzichtelijk te maken wordt aangeraden om een AERIUS-berekening (voortoets stikstof) uit te laten voeren voor zowel de realisatiefase als gebruiksfase. Negatieve effecten op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden kunnen worden uitgesloten als uit de AERIUS-berekening blijkt dat er geen toename van stikstofdepositie groter dan 0,00 mol N/ha/jr plaatsvindt. Natuurnetwerk Nederland Het onderzoeksgebied ligt op ca. 100 meter afstand van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Gezien de ligging buiten dit gebied worden de kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen van het NNN bij de werkzaamheden niet aangetast. Houtopstanden De groenvoorzieningen in het onderzoeksgebied vallen onder de definitie houtopstanden, zoals bedoeld in artikel 1.1 van de Omgevingswet.

De rijksregels over het vellen van houtopstanden zijn daarom van toepassing. Bij het vellen van bomen en/of struiken dient een kapmelding te worden gedaan bij provincie Overijssel. Er worden echter geen bomen geveld om de ontwikkeling mogelijk te maken.

24

Quickscan flora en fauna

6.2

Buro Ontwerp & Omgeving

Soortbescherming Er is onderzoek gedaan naar de mogelijke effecten op beschermde soorten.

6.2.1 Jaarrond beschermde soorten Van één strikt beschermde soort is de aanwezigheid in het onderzoeksgebied niet uit te sluiten. Hieronder wordt ingegaan op de bescherming en de mogelijke effecten die kunnen plaatsvinden als gevolg van de werkzaamheden. Boerenzwaluw In de te slopen stal werden vogelnesten aangetroffen die kunnen worden gebruikt als voor de boerenzwaluw. De boerenzwaluw is beschermd op grond van de Vogelrichtlijn. Het is daarom verboden om de soort opzettelijk te doden of vangen (artikel 11.37 lid 1a, Bal), de nestlocaties, rustplaatsen en eieren opzettelijk te beschadigen of vernielen (artikel 11.37 lid 1b, Bal) en de soort opzettelijk te storen (artikel 11.37 lid 1d, Bal). De werkzaamheden kunnen leiden tot overtreding van het Bal als er sprake is van een rust- of nestplaats van de soort. De aanwezigheid van de boerenzwaluw moet daarom nader worden onderzocht. 6.2.2 Algemene diersoorten Het kan zijn dat er tijdens de werkzaamheden algemene broedvogels en andere diersoorten in en rond het onderzoeksgebied voorkomen. Bij het uitvoeren van de werkzaamheden moet de specifieke zorgplicht in acht worden genomen (artikel 11.27, Bal). Handelingen die nadelige effecten hebben moeten zoveel mogelijk worden voorkomen. Indien dit niet mogelijk is moeten passende preventieve maatregelen worden genomen om nadelige effecten te beperken of ongedaan te maken.

Bovendien moet zowel tijdens als na het verrichten van de activiteit worden nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben. Het verrichten van de activiteit wordt gestaakt als de nadelige gevolgen toch niet worden voorkomen. Passende herstelmaatregelen moeten worden getroffen als het staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is. Tevens dienen de werkzaamheden (ruim) buiten het indicatieve vogelbroedseizoen plaats te vinden, omwille de aanwezigheid van algemene broedvogelsoorten (15 maart - 15 juli). 6.2.3 Verlichting Maak in de actieve periode van vleermuizen ’s avonds en ’s nachts geen of zo min mogelijk gebruik van bouwverlichting. Uitstraling naar bomen en water moet worden voorkomen. Indien verlichting in de permanente situatie noodzakelijk is wordt aangeraden om gebruik te maken van vleermuisvriendelijke, amberkleurige verlichting. Zodoende kan eventuele verstoring tot een minimum worden beperkt. Er mag geen gebruik worden gemaakt van blauw en ultraviolet licht. Waar verlichting noodzakelijk is, dienen de lichtstralen gebundeld te zijn en op de grond te worden gericht.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Raalte&id=0aebac8c-f6b7-4c69-ab3d-4fe55991d067