Bijlage 5. Vervolgonderzoek vleermuizen
Tekst van het document
1
Nader onderzoek vleermuizen voormalig tuincentrum van der Vechte Brinkstraat 15, Heino
Auteur: Gecontroleerd: Datum: Documentnaam:
H. Adema . Adema H 3-7-2020 voormalig tuincentrum van der Vechte te Heino
Nader onderzoek vleermuizen Brinkstraat 15, Heino
Plant4Tuin H. Adema 3-7-2020 1
INHOUD INHOUD
2
1.AANLEIDING EN DOEL
3
2. INVENTARISATIEOPZET EN GEBIEDSBESCHRIJVING
4
2.1 Onderzoeksmethodiek
4
2.2 Gebiedsbeschrijving
5
2.3 Gebiedsbescherming
5
2.4 Geplande werkzaamheden
6
3. ONDERZOEKSRESULTATEN
7
4. TOETSING WET NATUURBESCHERMING
9
5. CONCLUSIE
11
6. RELEVANTE CONTACTGEGEVENS
13
LITERATUUR
14
BIJLAGEN BIJLAGE 1: REFERENTIEFOTO’S
15
BIJLAGE 2: WAARNEMINGEN
17
[Trek de aandacht van uw lezer met een veelzeggend citaat uit het document of gebruik deze ruimte om een belangrijk punt te benadrukken. Sleep dit tekstvak als u het ergens anders op de pagina wilt plaatsen.]
2
1. AANLEIDING EN DOEL Valk Bouwontwikkeling B.V. heeft het voornemen met het project “voormalig Tuincentrum van der Vechte te Heino” het terrein opnieuw in te richten. Het voornemen is om het perceel woonrijp te maken waarbij bomenkap, graaf, beton, sloop en bouw-werkzaamheden zal plaatsvinden. Sinds 1 januari 2017 is de Wet Natuurbescherming van kracht. Middels deze wet wordt een groot aantal plant- en diersoorten beschermd. Als er plannen zijn om bepaalde handelingen uit te voeren of wijzigingen aan te brengen in het bestemmingsplan, zal er onderzocht moeten worden of deze plannen, of onderdelen hiervan, nadelige effecten kunnen hebben op aanwezige, of mogelijk aanwezige, beschermde flora en fauna. Middels een natuurtoets kan worden bepaald of dier- en plantsoorten negatieve gevolgen kunnen ondervinden van de werkzaamheden dan wel dat er gezocht moet worden naar mitigerende en/of compenserende maatregelen. Hiervoor zullen eventueel ontheffingen moeten worden aangevraagd bij de Provincie. In verband met de geplande project “voormalig Tuincentrum van der Vechte te Heino” is eerder een toetsing aan de Wet Natuurbescherming in het plangebied uitgevoerd. Hieruit is naar voren gekomen dat er zich binnen de invloedsfeer mogelijk geschikte vliegroutes en/of foerageergebieden van vleermuizen bevinden. Alle in Nederland voorkomende vleermuizen zijn strikt beschermd.
Om geen schade te doen aan deze strikt beschermde soorten is het van belang om hiervoor gerichte maatregelen te treffen. Hiervoor moet men op de hoogte zijn van welke soorten op welke manier gebruik maken van het gebied binnen het plangebied. Om uitsluitsel te krijgen over het al dan niet voorkomen van vleermuizen is door Plant4Tuin nader onderzoek uitgevoerd.
Figuur 1 gebiedsligging plangebied
3
2. INVENTARISATIEOPZET EN GEBIEDSBESCHRIJVING Voor de quickscan is de locatie op 19 juli 2019 door H. Adema namens Plant4Tuin bezocht om zo een verwachting uit te kunnen spreken van het voorkomen van, dan wel het gebruik maken door, beschermde dier- en plantsoorten in het gebied, zoals vermeld in de Wet Natuurbescherming. Delen van het onderzoeksgebied worden geschikt geacht als vliegroute en/of foerageergebied voor vleermuizen. Vliegroutes worden gevormd door lijnvormige structuren in het landschap zoals houtsingels, laanbomen e.d. Binnen het onderzoeksgebied bieden de laanbomen potentieel geschikte vliegroutes voor vleermuizen die lijnvormige lanen en struwelen gebruiken om zich te oriënteren. Daarnaast vormen ook de bomen verspreid op het terrein geschikte vliegroutes voor soorten die afhankelijk zijn van lijnvormige opgaande elementen ter oriëntatie. Geschikte foerageergebieden liggen langs de bovengenoemde vliegroutes. Vaak wordt langs de vliegroute korte of langere tijd gefoerageerd, afhankelijk van de insecten dichtheden ter plaatse. Naast vliegroutes en foerageergebieden zijn ook mogelijkheden voor verblijfplaatsen in het onderzoeksgebied aanwezig. Dit is vooral het geval in de woning nr. 15 en de forse laanbomen langs de Brinkstraat.
De in het plangebied aanwezige bomen zijn minder geschikt om als verblijfplaats te dienen voor vleermuizen, wegens het ontbreken van holtes.
2.1 Onderzoeksmethodiek Voor het aanvullende vleermuisonderzoek wordt als basis het vleermuisprotocol gehanteerd dat in het voorjaar van 2009 is opgesteld door het Netwerk Groene Bureaus en herzien in april 2017. Gezien de locatie en de te verwachten gebouw- én boombewonende bewonende soorten, wordt het aantal van 6 bezoeken voorgesteld. Tijdens deze bezoeken wordt onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van vleermuizen in relatie tot de aanwezige laanbeplanting en omliggende gebouwen en struweel. De twee najaarsronden (augustus-september) zijn specifiek gericht op het in kaart brengen van baltsende dieren en paarplaatsen. Tijdens 3 voorjaarsbezoeken (april,mei,juli) wordt specifiek onderzoek verricht naar de aanwezige verblijfplaatsen, foerageeractiviteiten en vliegroutes. In tegenstelling tot de gewone grootoorvleermuis baltsen de meeste vleermuizen in de nazomer. Het onderzoek wordt uitgevoerd met behulp van batdetector en opnameapparatuur ten behoeve van geluidsanalyse en zichtwaarnemingen. Met behulp van deze batdetector is het mogelijk om de ultrasone geluiden die vleermuizen produceren, om te zetten in voor mens en hoorbare geluiden. Aan de hand van het ritme en frequentie van het geproduceerde geluid is het mogelijk om, soms in combinatie met zichtwaarnemingen, vleermuizen op naam te brengen.
De inventarisatieronden worden in de avondschemering gestart en duren tot enkele uren per bezoek. Indien er vermoedens zijn van de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuissoorten die zwermgedrag vertonen, worden naar inzicht bezoeken in het tweede deel van de nacht tot de ochtendschemering uitgevoerd. De najaarsronden worden ’s nachts uitgevoerd, waarbij minimaal 1 uur na zonsondergang wordt gestart. Alle veldbezoeken zijn uitgevoerd onder voor vleermuizen geschikte omstandigheden (zie tabel1). Dit betekent boven de 10°C, droog en weinig wind. 5
4
Tabel 1. Omstandigheden veldbezoeken vleermuisonderzoek project “voormalig Tuincentrum van der Vechte te Heino”. Datum
Zonsondergang
Start
Einde
Temperatuur
Wind
Bewolking
2-8-2019
06:02-21:30
20.00
24.00
13,3°C
2,2 m/s (7.2km/h)
onbewolkt
22-8-2019
6:35-20:50
5.30
7.30
15°C
0,7 m/s (0km/h)
zwak licht bewolkt
24-8-2019
6:38-20:46
20.30
23.00
16°C
1,7 m/s (3.6km/h)
zwak licht bewolkt
10-2-2020
08:06-17:44
21.00
22.30
7°C
3.4 m/s (10.8km/h)
licht bewolkt
12-5-2020
5:50-21:25
19.30
1.00
13°C
2.4 m/s
onbewolkt
23-6-2020
5:19-22:07
20.15
23.30
15°C
2,4 m/s (7.2km/h)
onbewolkt
Quickscan
19-7-2019 2-8-2019
22-8-2019
Realisatie / uitvoering mitigrerende /compensering
22-8-2019
22-8-2019
Vleermuisonderzoek (2x) balts-,paarverblijven Vleermuisonderzoek (1x) met winterverblijf
10-2-2020 12-5-2020
23-6-2020
2-8-2019
Vleermuisonderzoek (3x) kraam-zomerverblijven
2.2 Gebiedsbeschrijving Figuur 1 geeft de situering van het plangebied weer. Het plangebied is gelegen in de zuidwestelijke deel van Heino Gemeente Raalte. Hierbij gaat het om het perceel gelegen aan de zuidzijde van het algemene begraafplaats aan de Rozendaelseweg en aan de noordzijde van de Stationsweg binnen een denkbeeldige driehoek met de Brinkweg. Direct buiten het plangebied bevindt zich aan weerszijde van de Brinkweg laanbomen, bermen en watergangen. Het omliggende landschap bestaat uit weilanden met woonhuizen en/of boerderijen, akkers en licht bebost gebied.
5
2.3 Gebiedsbescherming De natuurgebieden (waaronder de Natura2000 gebieden) waarin de natuur (plant en dier) voorrang heeft en wordt beschermd via hoofdstuk 2 van de Wet Natuurbescherming. Hiermee wordt voorkomen dat natuurgebieden geïsoleerd komen te liggen, dieren en planten uitsterven en dat de natuurgebieden zo hun waarde verliezen. De Natuurnetwerk Nederland kan worden gezien als de ruggengraat van de Nederlandse natuur. Het NNN is planologisch beschermd. Natura2000 Het plangebied is niet gelegen in een Natura 2000-gebied. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden zijn de Rijntakken (7km),Vecht en beneden reggegebied (10 km) en de Boetelerveld (5km). Gezien deze afstanden is er redelijkerwijs geen effect van het voornemen op de genoemde natuurgebieden te verwachten en wordt er in het kader van de onderhavige onderzoeken verder geen aandacht aan besteed. Nederlands Natuur Netwerk en Groene Ontwikkelingszone Het Nederlands Natuur Netwerk (NNN) betreft een stelsel van onderling verbonden natuurgebieden, dat in verbinding staat met andere natuurnetwerken. Het plangebied is niet gelegen in het Natuurnetwerk Nederland. Op de kaart in figuur 2, is de begrenzing weergegeven van beide kaders in relatie tot het plangebied en omliggende landschap. Afweging De planlocatie is niet gelegen binnen de begrenzingen van de GNN en GO waardoor geen sprake is van een ruimteclaim.
Ook kan redelijkerwijs worden gesteld dat de voorgenomen werkzaamheden geen indirecte storende invloed hebben op deze zones. Hierdoor is geen nadere afweging noodzakelijk.
Figuur 2 plangebied en omliggende landschap
6
2.4 Geplande werkzaamheden -het slopen van bestaande opstallen; -het rooien van bomen, houtstruweel en hagen; -re-used landschapselementen o.a. bestaande bomen -circulair hergebruik van bestaande verhardingen en elementen; -het opnemen en vervangen van infrastructuur; -het uitvoeren van grondwerk voor cunetten en rioolsleuven; -het aanleggen van kabels en leidingen incl. IT- en DWA-riool;
3. ONDERZOEKSRESULTATEN Middels de zes bezoeken is een voldoende indruk van de voorkomende soorten en gebiedsfuncties verkregen. In de bijlage wordt een overzicht gegeven van de waargenomen vleermuizen. Daarna wordt per functie (verblijfplaats, foerageergebied, vliegroute) verder ingegaan op de resultaten.
Verblijfplaatsen Waarnemingen van de vleermuizen zijn aangetroffen tijdens de bezoeken vanaf 2 augustus 2019 tot en met 23 juni 2020. Tijdens alle bezoeken werd geconstateerd dat de verblijf van de vleermuizen gerelateerd zijn aan een woonhuis in de directe nabijheid van het plangebied. Gezien het waargenomen aantal (minder dan 10 dieren) gaat het hierbij naar alle waarschijnlijkheid om het foeragerend vlieggedrag. Tijdens de veldbezoeken, uitgevoerd door H. Adema (Plant4Tuin) zijn in het onderzoeksgebied geen paarverblijfplaatsen van Gewone dwergvleermuizen aangetroffen. De paarverblijfplaatsen worden gebruikt door solitaire mannetjes die, door middel van baltsroepen, vrouwtjes proberen te lokken. Naast een enkelmannetje kan de verblijfplaats dus ook gebruikt worden door een of meerdere vrouwtjes. Het horen van baltsroepen is een aanduiding dat een paarverblijfplaats in de nabijheid aanwezig is, de exacte locatie is echter zeer moeilijk vast te stellen. In figuur 3 zijn de verblijfplaatsen geprojecteerd op het dichtstbijzijnde gebouw van waar het geluid is waargenomen. Andere typen verblijfplaatsen of verblijfplaatsen van andere soorten vleermuizen zijn niet tijdens het onderzoek vastgesteld.
Vliegroutes Vaste vliegroutes zijn vastgesteld aan de Stationsweg en de Bendijksweg ter hoogte van de gelegen laanbomen. De laanbomen worden intensief gebruikt door de Gewone dwergvleermuizen, die na het invallen van de duisternis hoofdzakelijk het onderzoeksgebied invliegen vanuit oostelijke richting. Het gaat hierbij naar schatting om 5-10 dieren. De aantallen op de vliegroute nemen af in noordelijke richting (plangebied), omdat sommige dieren soms langere tijd foerageren op of in de directe omgeving van de vliegroute. Toch is diverse malen vastgesteld dat de Brinkweg werd bevlogen. In de lengte van de Brinkweg werd geen vaste vliegroute vastgesteld. Vaste vliegroutes in andere delen van het onderzoeksgebied en van andere soorten zijn niet aanwezig.
7
Foerageergebieden Foerageergebieden liggen voornamelijk in de min of meer besloten terreindelen van het onderzoeksgebied. De belangrijkste foerageergebieden, waar tijdens alle bezoeken en gedurende langere tijd intensief werd gejaagd, liggen op de beschutte delen in nabijheid van gebouwen langs de Brinkweg, Stationsweg en de Bendijksweg. Dit zijn de delen met de hoogste insectendichtheden. In het plangebied ter hoogte van Brinkstraat 15 waren tijdens alle bezoeken geen vleermuizen actief. Rondom de gebouwen van huisnummer 110 respectievelijk 20 - 22 werd de dwergvleermuis waargenomen en zochten veelal de beschutting van de bomen op en foerageerden daarbij in de buurt van de boomkruinen.
Figuur3 verblijfsgebieden, locatieaanduiding en mitigatie gewone dwergvleermuis
8
4. TOETSING WET NATUURBESCHERMING Algemeen De Wet natuurbescherming beschermt Nederlandse natuurgebieden en planten- en diersoorten. De wet geldt sinds 1 januari 2017 en vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De Wet natuurbescherming kent een apart beschermings regime voor soorten van de Vogelrichtlijn, een apart beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn en een apart beschermings regime voor andere soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Alle vogels, totaal ruim 700 soorten, zijn beschermd. Daarnaast worden ongeveer 230 overige Europese en nationale soorten beschermd. Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen via een ontheffing of vrijstelling moet aan drie criteria zijn voldaan: • Ten eerste mag alleen van de verbodsbepaling afgeweken worden als er geen andere bevredigende oplossing voor de handeling mogelijk is. • Ten tweede moet tegenover de afwijking van het verbod een in de wet genoemd belang staan. De wet geeft voor de verschillende beschermingsregimes aan wat die belangen zijn zoals volksgezondheid of openbare veiligheid. • Tenslotte mag de ingreep geen afbreuk doen aan de staat van instandhouding van de soort.
Als aan deze drie vereisten voldaan is, kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen zijn bovendien vrijstellingen mogelijk, bijvoorbeeld in de vorm van een provinciale verordening of een gedragscode. De verbodsbepalingen voor vogels en Habitatrichtlijnsoorten in de Wet natuurbescherming sluiten vrijwel één op één aan bij de bepalingen uit de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De verbodsbepalingen zijn gericht op de bescherming van individuen van soorten. De drie criteria op grond waarvan van de verbodsbepalingen afgeweken kan worden, zijn eveneens uit deze twee richtlijnen overgenomen. Dat betekent dat de verbodsbepalingen niet overtreden mogen worden, tenzij men een ontheffing kan krijgen (het zogenoemde ‘nee, tenzij-principe’). Bij het besluit of een afwijking van het verbod kan worden toegestaan, wordt evenwel niet naar de gevolgen van deze afwijking voor het individuele dier of plant gekeken, maar naar de gevolgen voor de instandhouding van de betrokken soort.
9
Het aantal exemplaren van een beschermde inheemse soort dat in een bepaald geval verstoord wordt, is voor de vraag óf het verbod op verstoring overtreden wordt niet relevant, ook niet indien er geen afbreuk wordt gedaan aan de staat van instandhouding van de soort. Anderzijds hoeft niet iedere handeling die tot gevolg heeft dat een beschermde diersoort zich moet aanpassen aan de veranderende omgeving te worden opgevat als een (opzettelijke) verstoring). Ook voor de andere soorten, die niet op grond van de Vogel- of Habitatrichtlijn maar vanuit nationaal oogpunt beschermd worden, geldt dat de verbods-bepalingen zien op het individu, maar of ontheffing verleend kan worden, wordt afgewogen tegen het effect van de ingreep op het populatieniveau van de soort.
Zorgplicht voor dieren en planten Of dier- en plantensoorten nu wettelijk beschermd zijn of niet, iedereen moet voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De wet erkent daarmee de intrinsieke waarde van in het wild levende soorten. De Memorie van Toelichting zegt het zo: “De zorgplicht houdt in dat een ieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld; de zorgplicht kan wel door toepassing van bestuursdwang worden gehandhaafd”. Deze formulering van de zorgplicht brengt met zich mee dat wanneer u een bepaalde handeling wilt verrichten die gevolgen voor natuurwaarden zou kunnen hebben, u zich daaraan voorafgaand op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen daarvoor van uw handelen. Bij de uitvoering van die handeling moet u negatieve gevolgen zoveel mogelijk voorkomen dan wel beperken of ongedaan maken.
Vrijstelling regelgeving Onder de Wet natuurbescherming is niet altijd een ontheffing nodig bij handelingen met gevolgen voor beschermde plant- en diersoorten. In (veel) gevallen kunt u gebruik maken van een vrijstelling. Een vrijstelling is een uitzondering op een wettelijk verbod, die wordt vastgesteld voor een van te voren bepaalde categorie van gevallen. Er zijn verschillende vrijstellingen van de verboden voor beschermde soorten mogelijk. Een bekende en reeds in de praktijk toegepaste vorm van vrijstelling is die van de gedragscode. In de Wet natuurbescherming zijn voor beschermde soorten ook andere vormen van vrijstelling geïntroduceerd, zoals door middel van een Programmatische Aanpak of via een provinciale verordening. Overigens is ook een vrijstelling in de vorm van een ministeriële regeling mogelijk (artikel 3.11). Vleermuizen Alle vleermuizen genieten een strikte bescherming in het kader van de Natuurbeschermingswet en hebben daarmee ook een hoge beschermingsstatus. Het zijn met name de vaste verblijfplaatsen die zijn beschermd. Maar ook de belangrijke vliegroutes en foerageer- gebieden die noodzakelijk zijn voor het voortbestaan van de populaties worden door de Natuurbeschermingswet beschermd. Uit de quickscan blijkt dat er beschermde soorten voorkomen in het gebied.
De aanwezige bebouwing binnen het plangebied biedt potentiële verblijfsmogelijkheden voor vleermuizen. 10
Foerageergebied en vliegroutes Zoals aangegeven kan redelijkerwijs worden gesteld dat er foeragerende en ‘op route’ zijnde vleermuizen gebruik maken van de laanbomen als geleidingsmogelijkheden. Doordat de aanwezige beplanting rondom de gebouwen gespaard blijven, is de verwachting dat er geen negatief effect is op foeragerende dieren. Verblijfplaatsen van boombewonende soorten zijn niet op de planlocaties aanwezig. Ook worden door de geplande werkzaamheden geen negatieve effecten op eventueel aanwezige vliegroutes of foerageerfunctionaliteit verwacht. Voor het uitvoeren van de geplande werkzaamheden is een nader vleermuisonderzoek en maatregelen niet noodzakelijk. Consequenties tijdens de kap en opruimingsactiviteiten en de zorgplicht Het verdient aanbeveling om sloopmateriaal en eventuele zandhopen slechts korte tijd op te slaan. Hierdoor wordt voorkomen dat er nieuwe situaties ontstaan voor dieren en planten om zich vestigen waardoor nieuwe afwegingen noodzakelijk kunnen zijn. Voor alle dier- en plantsoorten, wel of niet beschermd, geldt de algehele zorgplicht.
5. Conclusie Valk Bouwontwikkeling B.V. heeft het voornemen met het project “voormalig Tuincentrum van der Vechte te Heino” het terein woonrijp in te richten. Op de planlocaties is een natuuronderzoek uitgevoerd in de vorm van een quickscan en een aanvullend vleermuisonderzoek. Aan de hand van de hierdoor verkregen gegevens, aangevuld met literatuuronderzoek, is een goed beeld ontstaan van de waarde van de planlocatie voor beschermde flora en fauna. Met betrekking tot de aanwezigheid van beschermde soorten kan op basis van het uitgevoerde vleermuizenonderzoek het volgende geconcludeerd worden: • Er zijn geen paarverblijven van vleermuizen in het onderzoeksgebied aangetroffen; • De laanbeplanting aan de zuidzijde van de Brinkweg ter hoogte van de Stationsweg en de Bendijksweg fungeren als belangrijke vliegroute voor Gewone dwergvleermuizen; • Er is 1 foerageergebied aan te wijzen in het onderzoeksgebied. Deze is gelegen rondom gebouw ter hoogte van huisnummer 110. Het foerageergebied wordt gebruikt door de Gewone dwergvleermuis.
Gevolgen van de ingreep Het woonrijp maken van het voormalig Tuincentrum van der Vechte te Heino heeft geen gevolgen voor vleermuizen. Doorsnijding van de vaste vliegroute ter hoogte van de Stationsweg en de Bendijksweg heeft voor de Gewone dwergvleermuis geen gevolgen; Kwaliteitsvermindering van het foerageergebied ter hoogte huisnummer 110 zal enigszins aanwezig zijn, het handhaven van de bomen rondom de woningen zullen het kwaliteitsverlies van het foerageergebied van de Gewone dwergvleermuis beperken;
11
Consequenties Wet Natuurbescherming Om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen, dient in de voorbereiding op de planvorming rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van de hierboven genoemde soort en functionaliteit van hun leefgebieden. Indien negatieve effecten op bovengenoemde soorten kunnen worden voorkomen door voldoende mitigerende maatregelen te treffen, is het niet noodzakelijk om een ontheffing aan te vragen. Mitigerende maatregelen zijn gericht op het voorkomen van de negatieve gevolgen van een activiteit. Dit moet gebeuren binnen het plangebied en voor de soorten die daar voorkomen. Van belang is dat wordt voorkomen dat de functionaliteit van de voortplantings- en/of vaste rust-en verblijfplaatsen wordt aangetast. Wanneer door middel van mitigatie negatieve effecten niet voorkomen kunnen worden, maar het maatschappelijk belang van de ruimtelijke inrichting 20 keer groot is dat effecten gerechtvaardigd kunnen worden, is compensatie een manier om de 'gunstige staat van instandhouding' van beschermde soorten te waarborgen of niet te verslechteren. Het gaat dan om het verlies van vaste rust- en verblijfplaatsen en het bijbehorende functionele leefgebied. Het aanvragen van een ontheffing is dan noodzakelijk.
Mitigatie en compensatie De mitigerende en compenserende maatregelen zijn specifiek voor dit project uitgewerkt. Maatregelen voor mitigatie en compensatie zijn: ● De laanbeplanting van de Brinkweg welke als vliegroute fungeert voor de Gewone dwergvleermuizen dient, zal zijn functie behouden. Op de locatie van de Brinkweg 15 en 17 zal ter mitigatie 1 grote en 3 kleine vleermuiskraamkast worden opgehangen en 1 overwinteringskast. (Uitgevoerd op 2 augustus 2019) ● Verlichting dient tot een minimum beperkt te worden, in verband met de lichtgevoeligheid van veel soorten vleermuizen. Op plaatsen waar verlichting noodzakelijk is, kan worden gekozen voor lantaarns die uitsluitend het wegdek verlichten en geen licht naar de omgeving verstrooien zodat 'lichtvervuiling' wordt tegengegaan;
Eindconclusie Het nader onderzoek naar vleermuizen heeft uitgewezen dat 1 soort vleermuis op verschillende manieren gebruik maakt van de omgeving van het plangebied. De woonrijp maken van het voormalig Tuincentrum van der Vechte te Heino levert geen knelpunten op met betrekking tot de functionaliteit van het leefgebied van de aanwezige vleermuizen. Middels het treffen van een aantal maatregelen is het echter mogelijk om eventuele schadelijke effecten te voorkomen of te compenseren. De mitigerende maatregelen specifiek afgestemd op het uiteindelijke trace zijn inmiddels uitgevoerd.
12
Status en gebruik Op de plaats van uitvoering dient altijd een exemplaar van de quickscan en aanvullend vleermuisonderzoek aanwezig te zijn, waarvan de inhoud onder betrokken werknemers bekend is en wordt besproken in een standwerkoverleg. Er dient aantoonbaar te worden gewerkt conform het werkprotocol. In de praktijk betekent dit dat een logboek moet worden bijgehouden waarin de toegepaste mitigerende maatregelen worden beschreven (datum, verrichte handelingen en dergelijke). Dit kan worden bijgehouden in het dagboek van de uitvoerder en in het logboek achterin de Quick Scan. Bevindingen van de dienstdoende deskundige worden daaraan toegevoegd in de vorm van bondige notities en bezoekverslagen en aanvullende waarnemingen.
Kader 1: Wie is een deskundige? Het Ministerie van Economische Zaken verstaat onder een deskundige een persoon die voor de situatie en soorten ten aanzien waarvan hij of zij gevraagd is te adviseren en/of te begeleiden, aantoonbare ervaring en kennis heeft op het gebied van soortspecifieke ecologie. De ervaring en kennis dient te zijn opgedaan doordat de deskundige: - op HBO-, dan wel universitair niveau een opleiding heeft genoten met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie; en/of - op MBO niveau een opleiding heeft afgerond met als zwaartepunt de Flora- en faunawet, soortenherkenning en zorgvuldig handelen ten opzichte van die soorten; en/of - als ecoloog werkzaam is voor een ecologisch adviesbureau, zoals bijvoorbeeld een bureau welke is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus; en/of - zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenbescherming en is aangesloten bij en werkzaam voor de daarvoor in Nederland bestaande organisaties (zoals bijvoorbeeld Zoogdiervereniging, RAVON, Stichting Das en Boom, Vogelbescherming Nederland, Vlinderstichting, Natuurhistorisch Genootschap, KNNV, NJN, IVN, EIS Nederland, FLORON, SOVON, STONE, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, De Landschappen en Stichting Beheer Natuur en Landelijk gebied); en/of - zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenmonitoring en/of – bescherming.
6 Relevante contactgegevens Onderstaand zijn de contactgegevens van betrokken partijen/personen vermeld. Eerste aanspreekpunt voor zaken die betrekking hebben op deze quickscan is Plant4Tuin. Plant4Tuin Dhr. H. Adema Projectadviseur Groene Ruimte Vrakkinkweg 1 7141 JB Groenlo info@plant4tuin.nl +31 653165554 Hans Valk Aannemersbedrijf Valk B.V. Dalvoordeweg 22 7688 PV Daarle T. 0546 - 697 888 +31 654764158 hvalk@valkdaarle.nl
13
LITERATUUR www.floron.nl www.gelderland.nl www.natuurloket.nl www.minlnv.nl www.natuurloket.nl www.ravon.nl www.rijksoverheid.nl www.telmee.nl www.vleermuisnet.nl www.vogelbescherming.nl www.waarneming.nl www.zoogdieratlas.nl Dienst Regelingen, 2009. Aangepaste beoordeling ontheffing ruimtelijk ingrepen Flora- en faunawet. Dienst Regelingen, 2009. Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijk ingrepen. Koninklijke Vermande, 1999-2007. Planten en dieren, Flora- en faunawet, band 1, 2, 3 en 4, SDU Uitgeverij, Den Haag. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 2004. 501 Algemene Maatregel van Bestuur in verband met wijziging van artikel 75 van de Flora- en faunawet en enkele andere wijzigingen, Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden. H. Limpens et al. 1997; Atlas van de Nederlandse Vleermuizen – Onderzoek naar verspreiding en ecologie; KNNV-uitgeverij. Drs. E.J. Weeda et al. 2003; Nederlandse Ecologische Flora – Wilde planten en hun relaties. KNNV-uitgeverij. Sierdsema H. 1995. Broedvogels en beheer. Het gebruik van broedvogelgegevens in het beheer van bos- en natuurterreinen. SBB-rapport 1995-1, SOVON onderzoeksrapport 1995/04. SBB/SOVON, Driebergen/Beek-Ubbergen. B. te Linde en L-J van den Berg. 2003; Atlas van de flora van Oost-Gelderland. Stichting de Maandag.
14
Bijlage 1: Referentiebeelden Brinkweg 15 (Mitigatie 2 aug. 2019)
15
16
BIJLAGE 2 WAARNEMINGEN Bevindingen vleermuisinventarisatie langs de Brinkweg te Heino. 1e Ronde vliegrouteonderzoek 2 augustus 2019 Eerst s'middags kraamkasten en winterkasten gemonteerd om vervolgens op een droge onbewolkte avond met een temperatuur van 13°C te gaan inventariseren. Het was bijna windstil (ca. 2 Bft.) We starten om 20.00 uur met inventariseren en nemen meerdere foeragerende gewone dwergvleermuizen (Pipistrellus pipistrellus) waar. In onderstaande tabel zijn de waarnemingen weergegeven. Tijdstip Soort Aantal Locatie Gedrag 20.39 uur Gewone dwergvleermuis 2 Nr. 22 Foeragerend 20.51 uur Gewone dwergvleermuis 1 Nr. 20 Foeragerend 21.14 uur Gewone dwergvleermuis 1 Nr. 110 Foeragerend 21.30 uur Gewone dwergvleermuis Meerdere Nr. 20 Laan Foeragerend 21.55 uur Gewone dwergvleermuis 1 Bendijksweg nr. 24 Op doortocht
2e Ronde vliegrouteonderzoek 22 augustus 2019 Vroeg in de ochtend (5.30 u. ) gestart voor een inventarisatie op 22 augustus. Het was zwak licht bewolkt en al vroeg warm (13°C), het was nagenoeg windstil (0.7 Bft.). Waarnemingen vielen tegen en aansluitend winterkast gemonteerd ter plaatse van Brinkweg 17. Tijdstip Soort Aantal Locatie Gedrag
06.44 uur Gewone dwergvleermuis 2 Nr. 110 Foeragerend Brinkweg
07.05 uur Gewone dwergvleermuis 1 Nr. 22 Foeragerend Stationsweg
3e Ronde vliegrouteonderzoek 24 augustus 2018
Gedurende de avond van 24 augustus was het halfbewolkt, droog en lag de temperatuur rond de 15°C met een windkracht van ca. 2-3 Bft. Omstreeks 20.30 uur is gestart met de inventarisatie. Gedurende de avond zijn meerdere foeragerende gewone dwergvleermuizen (Pipistrellus pipistrellus) waargenomen. In onderstaande tabel zijn de waarnemingen weergegeven. Tijdstip Soort Aantal Locatie Gedrag 20.59 uur Gewone dwergvleermuis 1 Nr. 22 Foeragerend 21.07 uur Gewone dwergvleermuis 2 Nr. 36 Foeragerend 21.12 uur Gewone dwergvleermuis 1 Nr. 110 Foeragerend 21.15 uur Gewone dwergvleermuis 1 Nr. 17 Foeragerend 21.22 uur Gewone dwergvleermuis Meerdere Nr. 15 Foeragerend
17
21.27 uur Gewone dwergvleermuis Meerdere Nr. 108 Foeragerend 21.28 uur Gewone dwergvleermuis 1 Bendijksweg nr. 24 Op doortocht 21.38 uur Gewone dwergvleermuis 1 Ter hoogte van nr. 22 Baltsend 21.42 uur Gewone dwergvleermuis 1 Ter hoogte van de Bendijksweg nr. 11 Op doortocht 21.47 uur Gewone dwergvleermuis 1 Bendijksweg nr. 24 Op doortocht 21.53 uur Gewone dwergvleermuis 1 Boerenpad Foeragerend
4e Ronde vliegrouteonderzoek 10 februari 2020 Het had in de voorgaande nacht licht gevroren en op moment van inventarisatie was het slechts 7°C en licht bewolkt met een windkracht van ca. 3.4 Bft. Vanaf 21.00 uur gestart maar zoals verwacht was het te koud voor het waarnemen van vleermuizen.
5e Ronde vliegrouteonderzoek 12 mei 2020 Een onbewolkte zwoele en droge zomeravond met een temperatuur rond de 13°C met een windkracht van ca. 2-3 Bft. Omstreeks 19.30 uur gestart met inventariseren. Met enkele waarnemingen van de gewone dwergvleermuizen (Pipistrellus pipistrellus) zijn we om 12.00u gestopt met de inventarisatie. Tijdstip Soort Aantal Locatie Gedrag 19.39 uur Gewone dwergvleermuis 1 Nr. 110 Foeragerend 21.07 uur Gewone dwergvleermuis 1 Nr. 20 Foeragerend vanuit oost-zijde
6e Ronde vliegrouteonderzoek 23 juni 2020 Een onbewolkte avond, droog en met een temperatuur rond de 15°C aangenaam, met een windkracht van ca. 2-3 Bft. Omstreeks 20.15 uur gestart met de inventarisatie. Gedurende de avond enkele foeragerende gewone dwergvleermuizen (Pipistrellus pipistrellus) waargenomen. Tijdstip Soort Aantal Locatie Gedrag
20.33 uur Gewone dwergvleermuis 1 Nr. 22 Foeragerend Stationsweg
20.49 uur Gewone dwergvleermuis 1 Nr. 36 Foeragerend Bendijksweg 21.15 uur Gewone dwergvleermuis 2 Nr. 20 Foeragerend vanuit oost-zijde
De meeste dieren zijn waargenomen rondom de Bendijksweg / Stationsweg. Gezien de aanwezigheid van meerdere dieren bleek het exacte aantal moeilijk vast te stellen. De foeragerende dieren rondom de woningen bleken na verloop van tijd weggetrokken. Er zijn slechts drie waarnemingen van op doortocht zijnde gewone dwergvleermuizen gedaan. Twee waarnemingen zijn gedaan ter hoogte van de kruising van de Bendijksweg met de Stationsweg. Er zijn geen uitvliegers waargenomen.
Conclusie De Brinkweg wordt sporadisch gebruikt als vliegroute voor vleermuizen. Het betreft hier zeer lage aantallen, waardoor geen sprake lijkt van een vaste vliegroute. De bomenrijen langs de Stationsweg en de Bendijksweg lijken in dat opzicht veelbelovender.
18