Bijlage 5 Quickscan Wet natuurbescherming
Tekst van het document
Quickscan Wet natuurbescherming Zuthemerweg ong. te Laag Zuthem Oriënterend onderzoek ecologie in het kader van de Wet natuurbescherming
Colofon
Status:
Definitief
Project:
2023-0222
Datum:
10 maart 2023 (revisie 25 september 2024)
Samensteller:
ing. B.P.G. van Beurden
Collegiale toets:
ir. ing. D. Bogers
Opdrachtgever:
BV Landgoed Den Alerdinck II
Contactpersoon:
J. Jentink (Buro SRO Oost B.V.)
Disclaimer Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V. Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.
Inhoud 1 Inleiding
4
1.1
Planlocatie
5
1.2
Beoogde ruimtelijke ingreep
6
2 Methode
8
2.1
Uitvoering onderzoek
8
2.2
Soortenbescherming
8
2.3
Gebiedsbescherming
10
2.4
Houtopstanden
11
2.5
Houdbaarheid en toepassing
11
3 Beoordeling
12
3.1
Soortenbescherming
12
3.2
Gebiedsbescherming
17
3.3
Houtopstanden
19
4 Samenvatting
20
4.1
Soortenbescherming
20
4.2
Gebiedsbescherming
20
4.3
Houtopstanden
20
5 Conclusie
21
5.1
Conclusie
21
5.2
Uitvoerbaarheid
21
5.3
Vervolgstappen
21
5.4
Te treffen maatregelen
21
1 Inleiding Aan de Zuthemerweg ong. te Laag Zuthem is een weiland gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens om 5 woningen te realiseren. Het bestemmingsplan voorziet niet in de beoogde ruimtelijke ingreep en dient derhalve te worden gewijzigd van ‘Agrarisch met waarden – Natuur- en landschapswaarden’ naar ‘Wonen’. De beoogde ruimtelijke ingreep heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ruimtelijke ingreep geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Buro SRO Oost B.V. heeft Blom Ecologie verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde soorten, gebieden en houtopstanden. Vervolgens wordt getoetst of de beoogde ruimtelijke ingreep uitvoerbaar is in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal beleid. Onderzoeksdoelen • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art.
3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie en welke negatieve effecten kunnen optreden als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van provinciaal aangewezen beschermde gebieden? • Leidt de beoogde ruimtelijke ingreep tot kap van houtopstanden zoals bedoeld in de Wet natuurbescherming? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal aangewezen beschermde gebieden te worden genomen, en zo ja, welke?
Figuur 1.1
De planlocatie is gelegen aan de Zuthemerweg ong. te Laag Zuthem.
4
1.1
Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Zuthemerweg ong. te Laag Zuthem (figuur 1.2). De planlocatie betreft een weiland met een boom erop gesitueerd. Het perceel kent een goed onderhoudsbeeld, waarbij de planlocatie meermaals per jaar wordt gemaaid. Er is geen sprake van verharding en er is geen oppervlaktewater aanwezig op de planlocatie. Gelegen ten zuiden van de planlocatie is een bomenrij gesitueerd. Binnen de beoogde ruimtelijke ingreep wordt deze niet aangetast. In figuur 1.3 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.
Figuur 1.2 De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Zuthemerweg ong. te Laag Zuthem. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door bos en agrarisch gebied. Verder is bebouwing aanwezig in de omgeving, zoals vrijstaande woningen en agrarische opstallen. De planlocatie is op een afstand van circa 775 m ten zuidoosten van het centrum van Laag Zuthem gesitueerd. Op een afstand van circa 120 m ten zuiden is kanaal ‘Nieuwe Wetering’ gelegen. Ten oosten is ‘Park Den Alerdinck’ gelegen op een afstand van circa 545 m van de planlocatie. De planlocatie is op circa 290 m afstand gelegen van een spoorweg. De dichtstbijzijnde provinciale weg (N35) is op een afstand van circa 1,7 km ten noordoosten van de planlocatie gesitueerd.
5
Figuur 1.3 Fotografische indruk van de omgeving van de planlocatie.
1.2
Beoogde ruimtelijke ingreep De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de realisatie van 5 woningen (figuur 1.4). De functie van het perceel dient te wijzigen van ‘Agrarisch met waarden – Natuur- en Landschapswaarden’ naar ‘Wonen’. In de beoogde ruimtelijke ontwikkeling blijven alle aanwezige bomen behouden en worden dichte struwelen niet gerooid. Binnen het ontwerp van de ontwikkeling is er veel ruimte voor natuur, zoals het aanleggen van een kleine fruitboomgaard en een kruidenrijk grasland. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; • egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; • realisatie 5 woningen: algemene bouwwerkzaamheden; • revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.
6
Figuur 1.4 Visuele representatie van de beoogde situatie (bron: Buro SRO B.V. Arnhem).
7
2 Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. De reikwijdte bestaat uit de Wet natuurbescherming en de provinciale omgevingsverordening.
2.1
Uitvoering onderzoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Op basis van dit veldbezoek wordt een inschatting gemaakt omtrent de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 2 maart 2023 en is uitgevoerd door ing. B.P.G. van Beurden. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 8/8 bewolkt, 2 Celsius en windkracht 0-1 (Bft). Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). In NDFF wordt normaliter hierbij een straal van 2 km aangehouden rondom de planlocatie. Afhankelijk van het karakter en ligging van de planlocatie kan een afwijkende afstand aangehouden worden. Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.
2.2 Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.5) en Andere soorten (Wnb art. 3.10). Hierin worden rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij overtreding van een verbodsbepaling geldt een ontheffingsplicht. Vogelrichtlijn (Wnb art. 3.1) 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Habitatrichtlijn (Wnb art. 3.5) 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.
2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen.
8
5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of
bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Andere soorten (Wnb art. 3.10) 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Vogelrichtlijn Onder de Vogelrichtlijn zijn alle in gebruik zijnde nesten en broedgevallen van vogels beschermd. Het is van alle vogelsoorten verboden om nesten te beschadigen of te vernielen. Daarnaast gelden onder provinciale aanwijzingen categorieën waarin de nesten en rustplaatsen van specifieke vogelsoorten jaarrond bescherming genieten, dus ook in de periode dat deze niet in gebruik zijn. Rustplaatsen zijn conform de Richtsnoeren van de Europese Commissie gedefinieerd als zijnde essentiële zones voor het bestaan van een dier of groep van dieren wanneer ze niet-actief zijn.
Tabel 2.11 Vogelsoorten onder categorie 1 t/m 4: nesten en rustplaatsen jaarrond beschermd. Vogelsoorten onder categorie 5: nesten en rustplaatsen van vogels die over voldoende flexibiliteit beschikken om zich elders te vestigen. Echter, dusdanig kwetsbaar dat aangetoond moet worden dat er voldoende alternatieve leefomgeving in de omgeving aanwezig is om zich te kunnen vestigen. Vogelsoorten onder categorie 1 t/m 4 Boerenzwaluw Boomvalk Bosuil Buizerd Gierzwaluw Grote gele kwikstaart
Havik Huismus Huiszwaluw Kerkuil Oehoe Ooievaar
Raaf Ransuil Roek Slechtvalk Sperwer Steenuil
Torenvalk Wespendief Zeearend Zwarte specht Zwarte wouw
Middelste bonte specht Oeverzwaluw Ringmus Spreeuw Tapuit Tureluur Veldleeuwerik
Wulp Zomertortel Zwarte mees Zwarte roodstaart Zwarte specht
Vogelsoorten onder categorie 5 Blauwe reiger Bonte vliegenvanger Boomklever Boomkruiper Draaihals Gekraagde roodstaart Glanskop
Grauwe vliegenvanger Groene Specht Grote bonte specht Grutto IJsvogel Kleine bonte specht Kortsnavelboomkruiper
Provinciale vrijstelling Van de verboden als bedoeld in Andere soorten Wnb art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of vaste rustplaatsen voor bepaalde soorten. Voor alle soorten in Nederland geldt dat er sprake is van een algemene zorgplicht (Wnb art. 1.11). Hierin wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moeten worden. Het uitgangspunt van de algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen.
9
In de Omgevingsverordening van de Provincie Overijssel is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 2.2
Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Overijssel.
Vrijgestelde soorten Aardmuis
Gewone pad
Rosse woelmuis
Bastaardkikker
Haas
Tweekleurige bosspitsmuis
Bosmuis
Huisspitsmuis
Veldmuis
Bruine kikker
Kleine watersalamander
Vos
Dwergmuis
Konijn
Woelrat
Dwergspitsmuis
Meerkikker
Gewone bosspitsmuis
Ree
2.3 Gebiedsbescherming In Nederland zijn natuurgebieden aangewezen met een beschermde status. Deze natuurgebieden betreffen hoofdzakelijk Natura 2000-gebieden en provinciaal beschermde gebieden. Natura 2000-gebieden Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist. Met de Voortoets wordt bepaald of de plannen mogelijk negatieve effecten hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden dient een vergunning voorhanden te zijn. Provinciaal beleid Onderstaande teksten zijn gebaseerd op de meest recente versie van de Omgevingsverordening. Natuurnetwerk Nederland Binnen het Natuurnetwerk Nederland geldt het ‘nee, tenzij’-principe. Het uitgangspunt is dat een bestemmingsplan geen nieuwe activiteiten mogelijk maakt die de wezenlijke kenmerken en waarden, kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) aantasten. Uitzonderingen hierop betreffen ruimtelijke ontwikkelingen met een groot openbaar belang, situaties waarbij er sprake is van het ontstaan van een meerwaarde en situaties waarbij er sprake is van een beperkte uitbreiding van bestaande ruimtelijke ontwikkelingen.
Bij aantasting van het Natuurnetwerk Nederland geldt een compensatieplicht. Zone Ondernemen met Natuur en Water (Zone ONW) De Zone Ondernemen met Natuur en Water (ONW) bestaat uit Het Natuurnetwerk Nederland (NNN), (landbouw)gebieden rond het NNN met potentie voor ontwikkeling van groen ondernemerschap en natuur- en waterkwaliteit, en het watersysteem. Het ontwikkelperspectief binnen deze zone is gericht op het behouden en ontwikkelen van de natuur- en landschapskwaliteit en de versterking van het watersysteem, in samenhang met economische ontwikkeling. Naast de begrenzing van de NNN bevat de dataset tevens de Zone ONW gebieden buiten de NNN. Hier is het beleid gericht op ruimte te creëren voor economische ontwikkelingen zoals de landbouw, recreatie en natuurgebonden woon- en werklocaties (bijvoorbeeld nieuwe landgoederen). Voor de gronden die geen onderdeel van het NNN zijn geldt een ‘ja, mits-benadering’. Dit houdt in dat de ontwikkeling is toegestaan onder de voorwaarde dat er een bijdrage geleverd wordt aan de ruimtelijke kwaliteit (met een focus op natuur, water en landschap). Het beleid ten aanzien van de Zone ONW is opgenomen onder de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (art. 2.1.6 van de Omgevingsverordening (Actualisatie Omgevingsverordening 2022)).
10
2.4 Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft (Wnb art.
4.1): a) houtopstanden binnen de door gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.
2.5 Houdbaarheid en toepassing De beoogde ruimtelijke ingreep wordt getoetst aan de actuele wetgeving en provinciale verordening. Over het algemeen heeft een quickscan Wet natuurbescherming een houdbaarheid van 3 jaar, mits binnen deze periode de omstandigheden op de planlocatie, de wetgeving en de provinciale verordening niet wezenlijk veranderen.
11
3 Beoordeling 3.1
Soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt. Planten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen van beschermde planten niet bekend (NDFF 2013-2023). De planlocatie betreft een weiland met een boom erop gesitueerd. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante planten zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: Amerikaanse eik, fluitenkruid, gewone braam, gewone raket, paardenbloem, paarse dovenetel en vogelmuur. De planlocatie wordt aannemelijk bemest en meermaals per jaar gemaaid. Er is geen sprake van verharding. Ten westen en oosten van de planlocatie zijn braamstruwelen en bos gesitueerd, welke binnen de beoogde ruimtelijke ingreep behouden blijven. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie.
Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Hiermee kan worden uitgesloten dat er sprake is van het opzettelijk vernielen van beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: boommarter, bosmuis, bruine rat, bunzing, das, egel, haas, hermelijn, konijn, mol, otter, ree, rode eekhoorn, rosse woelmuis, steenmarter, veldmuis, vos, wezel en woelrat (NDFF 2013-2023). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: boommarter, bunzing, das, egel, hermelijn, otter, rode eekhoorn, steenmarter en wezel. De boommarter en rode eekhoorn leven in bosrijke gebieden, waarbij ze gebruik maken van boomholtes en oude vogelnesten als vaste rust- en voortplantingsplaats. De boommarter is op een afstand van circa 545 m en de rode eekhoorn is op een afstand van circa 410 m ten westen van de planlocatie waargenomen (NDFF 2013-2023). De planlocatie is gelegen naast een bos en er is een boom gesitueerd op de planlocatie.
Deze boom beschikt niet over boomholtes of oude vogelnesten welke kunnen dienen als vaste rust- of voortplantingsplaats van de boommarter en rode eekhoorn. De planlocatie beschikt niet over groenstructuren zoals houtwallen, heggen of takkenhopen voor dekking en om te foerageren. De planlocatie wordt ook meermaals per jaar gemaaid waardoor verstoring plaatsvindt. Derhalve is er op de planlocatie geen sprake van geschikt leefgebied voor de boommarter en rode eekhoorn. Rondom de planlocatie is geschikter leefgebied aanwezig voor deze soorten. Derhalve zijn negatieve effecten ten aanzien van de boommarter en rode eekhoorn uitgesloten. De bunzing, hermelijn, steenmarter en wezel zijn marterachtigen welke leven in kleinschalige cultuurlandschappen met de aanwezigheid van voldoende dekking in de vorm van houtwallen, bosschages, heggen of struwelen. De voorgenoemde soorten maken gebruik van bestaande konijnenof muizenholen, takken- of steenhopen, braamstruwelen of houtwallen als vaste rust- en voortplantingsplaats. De bunzing en steenmarter kunnen hierbij ook gebruik maken van rommelschuren of zolders in bebouwing als rustplaats. De planlocatie betreft een weiland welke meermaals per jaar wordt gemaaid.
12
Er zijn gezien het onderhoudsbeeld geen structuren aanwezig welke kunnen fungeren als vaste rust- of voortplantingsplaats of voldoende dekking kunnen bieden als foerageergebied of migratieroute. Tevens is er op de planlocatie geen bebouwing aanwezig waar deze soorten een verblijfplaats kunnen vinden. Het bos in de directe omgeving van de planlocatie biedt voldoende en geschikter leefgebied voor de bunzing, hermelijn, steenmarter en wezel. Derhalve zijn negatieve effecten ten aanzien van de bunzing, hermelijn, steenmarter en wezel uitgesloten. De das leeft in kleinschalige akker- en weidelandschappen met de aanwezigheid van voldoende bosschages, houtwallen en heggen voor dekking en om te foerageren. Regenwormen zijn het stapelvoedsel van de das, welke in grote getalen aanwezig zijn in voedselrijke weilanden. Als vaste rusten voortplantingsplaats gebruikt de das burchten, welke vaak in bosranden of houtwallen zijn gesitueerd. In de omgeving van de burcht moet voldoende dekking en voedsel, en weinig verstoring aanwezig zijn. Binnen een straal van 2 km zijn 8 waarnemingen bekend van de das, waarvan de dichtstbijzijnde waarneming op een afstand van circa 185 m ten noorden van de planlocatie is waargenomen (NDFF 2013-2023). Deze waarnemingen betreffen voornamelijk sporen van de das. Ook zijn in de omgeving van de planlocatie er geen waarnemingen bekend van een dassenburcht.
De planlocatie betreft een weiland gelegen naast bos. De planlocatie wordt meermaals per jaar gemaaid. Hierdoor zijn er geen structuren op de planlocatie aanwezig welke voldoende dekking kunnen bieden voor de das naar omliggende bossen. Gezien de planlocatie is gelegen in agrarisch gebied en grenst aan een bos, is er voldoende alternatief leefgebied aanwezig. De planlocatie betreft derhalve geen essentieel leefgebied voor de das. Tevens zijn er geen burchten of sporen van de das aangetroffen op en langs de planlocatie. Negatieve effecten ten aanzien van de das zijn derhalve uitgesloten. De egel komt het liefst voor in tuinen, bosranden, struweel en loofbossen met voldoende ondergroei. De soort gebruikt bladerenhopen, mos of ander materiaal onder (braam)struiken of takkenbossen om in de rusten. De egel is op een afstand van 315 m ten zuidwesten van de planlocatie waargenomen (NDFF 2013-2023). De planlocatie betreft een weiland gelegen naast bos. Gezien het onderhoudsbeeld zijn structuren als takkenbossen of struiken niet aanwezig welke voor de egel kunnen fungeren als rustplaats. Ook is er geen sprake van voldoende ondergroei op de planlocatie. Het bos gelegen naast de planlocatie biedt voor de egel voldoende en geschikter leefgebied. De planlocatie betreft derhalve geen essentieel leefgebied en geen vaste rustplaats voor de egel.
Negatieve effecten ten aanzien van de egel zijn derhalve uitgesloten. De otter komt voor in de oeverzones van stromende wateren, zoals meren, plassen, rivieren, kanalen en moerassen. De otter verblijft langs oevers in dichte oevervegetaties, struwelen of bosschages. Langs de stromende wateren moet voldoende dekking, voedsel en rust aanwezig zijn. De otter is op een afstand van circa 300 m ten westen van de planlocatie waargenomen (NDFF 2013-2023). Op en rondom de planlocatie is geen sprake van oppervlaktewater. Met de afwezigheid van geschikt leefgebied zijn negatieve effecten ten aanzien van de otter uitgesloten. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name haas, konijn, mol en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Er is ten aanzien van grondgebonden zoogdieren geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming.
Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: bosvleermuis, gewone dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en tweekleurige vleermuis (NDFF 2013-2023). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd (Wnb art. 3.5). Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat.
13
Ongeacht de mogelijke aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen kunnen vleermuizen gebruikmaken van de planlocatie tijdens vliegbewegingen en foerageeractiviteiten. Hier dienen in het kader van de algemene zorgplicht mogelijk maatregelen genomen te worden (zie H5.4). Op de planlocatie is één boom gesitueerd. Deze boom is geïnspecteerd op de aanwezigheid van boomholten, loshangende bastdelen, scheuren, spleten of andere openingen welke kunnen dienen als verblijfplaats. De boom op de planlocatie beschikt niet over boomholtes of andere potentiële verblijfplaatsen van boom bewonende vleermuizen. De bomen naast de planlocatie beschikken wel over boomholtes, waardoor niet uit te sluiten is dat deze fungeren als verblijfplaatsen. Gezien in de beoogde ruimtelijke ingreep bomen niet worden aangetast, resulteert de ontwikkeling niet in het wegnemen van verblijfplaatsen van boom bewonende vleermuizen. Wel dienen maatregelen genomen te worden om verstoring op mogelijke verblijfplaatsen te voorkomen (zie H5.4). Op de planlocatie is geen sprake van bebouwing. De aanwezigheid van verblijfplaatsen van gebouw bewonende vleermuizen op de planlocatie is derhalve uitgesloten. Hoewel het uitgesloten is dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute.
Op de planlocatie zijn geen groen- of lijnvormige structuren aanwezig welke kunnen dienen als essentiële vliegroutes of essentieel foerageergebied. Daarnaast zijn in de omgeving voldoende alternatieven aanwezig welke kunnen fungeren als foerageergebied voor vleermuizen, zoals het ‘Park Den Alerdinck’ ten oosten van de planlocatie. De bomenlaan gelegen ten zuiden van de planlocatie dient mogelijk als vliegroute voor vleermuizen (NDFF 2013-2023). Gezien in de beoogde ruimtelijke ingreep deze bomenrij niet wordt weggenomen, is derhalve geen sprake van het wegnemen van essentiële vliegroutes. Wel dienen maatregelen getroffen te worden om verstoring van vleermuizen te voorkomen en de functionaliteit van de vliegroute te waarborgen (zie H5.4). Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kamsalamander, kleine watersalamander en poelkikker (NDFF 2013-2023). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: kamsalamander en poelkikker. Amfibieën leven zowel in een aquatische als terrestrische omgeving. Deze omgevingen betreffen voortplantingswater, foerageergebieden en overwinteringsstructuren. Deze habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen.
De kamsalamander is op een afstand van circa 960 m te oosten van de planlocatie waargenomen (NDFF 2013-2023). De poelkikker is op een afstand van circa 770 m ten zuidoosten van de planlocatie waargenomen (NDFF 2013-2023). De planlocatie betreft een weiland welke meermaals wordt gemaaid. Op en rondom de planlocatie zijn geen oppervlaktewateren aanwezig welke kunnen dienen als voortplantingshabitat van de kamsalamander of poelkikker. Gezien habitatonderdelen dicht bij elkaar moeten liggen voor amfibieën, betreft de planlocatie ook geen overwinterings- of landhabitat van de kamsalamander en poelkikker. Derhalve is de aanwezigheid van de kamsalamander en poelkikker op de planlocatie uitgesloten. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad voorkomen op de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen op basis van de vastgestelde provinciale verordeningen. Er is ten aanzien van amfibieën geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende inheemse reptielen: hazelworm en ringslang (NDFF 2013-2023). Voor alle inheemse reptielen geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen.
14
De hazelworm leeft in vochtige en dichte begroeide gebieden, zoals bossen, bosranden, heide, houtwallen, struwelen, spoor- en wegbermen, kalkgraslanden en steenhopen. De soort zoekt voornamelijk plaatsen op welke voldoende door de zon wordt beschenen en beschikken over een goed ontwikkelde kruidlaag. De hazelworm maakt gebruik van structuurelementen als holen en dood hout om onder te overwinteren. De hazelworm is eenmaal waargenomen op een afstand van circa 1,5 km ten zuidoosten van de planlocatie (NDFF 2013-2023). De planlocatie betreft een weiland gelegen naast een bosgebied. De planlocatie wordt meermaals per jaar gemaaid. Hierdoor is op de planlocatie geen sprake van een structuurrijke kruidlaag of andere structuurelementen die van belang zijn voor de hazelworm. Tussen de waarneming en de planlocatie is een park en bos gesitueerd (NDFF 2013-2023). Het park en bos biedt voldoende leefgebied met voldoende zonbeschenen stukken, structuurelementen en goed ontwikkelde kruidlaag voor hazelworm. Vergeleken met het park en bos beschikt de planlocatie over onvoldoende elementen voor de hazelworm. Derhalve is de aanwezigheid van de hazelworm op de planlocatie uitgesloten. De ringslang komt voor in waterrijke gebieden waarbij ze vooral worden waargenomen langs lijnvormige wateren zoals sloten, weteringen, beken en kanalen.
Langs deze wateren moeten ruig begroeide vegetatie aanwezig zijn met afwisselend open plekken. De ringslang is eenmaal waargenomen op een afstand van circa 1,8 km ten zuidoosten van de planlocatie (NDFF 2013-2023). De planlocatie betreft een weiland gelegen naast een bos. Op en rondom de planlocatie is geen sprake van oppervlaktewater. Gezien de planlocatie meermaals per jaar wordt gemaaid, is er geen sprake van ruige vegetatie. De aanwezigheid van de ringslang is op de planlocatie derhalve uitgesloten. Er is ten aanzien van reptielen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de kwabaal (NDFF 2013-2023). De kwabaal leeft in stromende wateren waar voornamelijk de larven gebruik maken van ondiepe overstromingsvlakten of oeverzones om in op te groeien. De adulten maken vooral gebruik van diepe delen in meren om in te paaien. Op de planlocatie en binnen de invloedssfeer van de beoogde ruimtelijke ingreep bevindt zich geen oppervlaktewater. De aanwezigheid van de kwabaal is op de planlocatie derhalve uitgesloten. Er is ten aanzien van vissen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de grote weerschijnvlinder (NDFF 20132023).
De teunisbloempijlstaart is niet waargenomen binnen een straal van 2 km in de afgelopen 10 jaar. Echter is de soort de laatste jaren flink in opmars en reikt zijn verspreidingsgebied inmiddels ten zuidoosten van de lijn Rotterdam – Zwolle. Het betreft een zwervende soort waardoor deze lastig waar te nemen is en waarnemingen in de NDFF aannemelijk ontbreken. Derhalve wordt deze soort ook meegenomen in de beoordeling. De grote weerschijnvlinder komt voor in oudere, vochtige loofbossen, wilgenbroekbossen of groepen samenhangende bossen in beekdalen. Hierbij komt de soort vooral voor op open plaatsen bij bospaden, bosranden of langs beken. De grote weerschijnvlinder gebruik boswilg en soms grauwe wilg als waardplant. De teunisbloempijlstaart komt voor in vochtige bossen, bosranden of open plekken naast bos. De soort zet zijn eieren af op de teunisbloem, basterdwederik, kattenstaart of wilgenroosje. De planlocatie betreft een weiland welke meermaals per jaar wordt gemaaid. Gezien het onderhoudsbeeld zijn op de planlocatie geen waardplanten van de grote weerschijnvlinder en teunisbloempijlstaart aanwezig. De waardplanten van de teunisbloempijlstaart groeien voornamelijk in natte gebieden of gebieden in de pioniersfase.
Gezien de planlocatie is gelegen op een droge zandgrond en er sprake is van begroeiing met snelgroeiende grassen, kan de planlocatie niet fungeren als een geschikte standplaats voor de waardplanten van de teunisbloempijlstaat. Negatieve effecten ten aanzien van de grote weerschijnvlinder en teunisbloempijlstaart zijn derhalve uitgesloten.
15
Op de planlocatie is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Er is ten aanzien van insecten en andere ongewervelden geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: groene specht, huismus, koolmees en merel. Gedurende het veldbezoek zijn nesten en/of sporen niet aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermde nestlocatie en/of leefgebied. Binnen een straal van 100 meter van de planlocatie is vastgestelde aanwezigheid van nestlocaties van jaarrond beschermde vogels niet bekend (NDFF 2013-2023). Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Huismussen zijn sterk geassocieerd met mensen. De nestplaats is in de regel gebonden aan bebouwing. Voor zijn voedsel is de huismus sterk afhankelijk van wat de mens hem al dan niet bewust biedt. Deze voedselbron moet continu aanwezig zijn. De huismus heeft een sterke binding met mensen en komt tot broeden in of tegen gebouwen in dorpen en steden, in en bij boerderijen, maneges, kinderboerderijen en andere vormen van bebouwing in het landelijk gebied.
Op plekken waar menselijke bebouwing wordt afgewisseld met groenvoorzieningen zijn meer huismussen dan op plekken waar geen groen aanwezig is (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2022). De gierzwaluw heeft als oorspronkelijk rotsbewoner de rotsen ingeruild voor bebouwing. De soort broedt daardoor hoofdzakelijk in stedelijk gebied in donkere holtes van ventilatieschachten, spleten in muren en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). Op de planlocatie en in de directe omgeving hiervan is bebouwing niet aanwezig. Derhalve is er geen sprake het wegnemen of verstoren van nestlocaties van de huismus of gierzwaluw. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van groenstructuren. Derhalve resulteert de ontwikkeling tevens niet in het wegnemen van essentieel leefgebied. Van aantasting van nestlocaties en functioneel leefgebied van de huismus is derhalve geen sprake. Op de planlocatie zijn geen sporen aangetroffen van uilen met jaarrond beschermde nesten, zoals kerkuil en steenuil. In de directe omgeving van de planlocatie zijn tevens geen gebouwen of nestkasten aanwezig waar deze soorten kunnen rusten of broeden. Er zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie. De aanwezigheid van in bomen broedende soorten als buizerd, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden.
De planlocatie betreft geen essentieel leefgebied gezien in de directe omgeving voldoende alternatief leefgebied aanwezig is voor uilen en andere roofvogelsoorten, zoals buizerd, ransuil of torenvalk. Er is wat betreft vogels met jaarrond beschermde nesten geen sprake van het vangen of doden van individuen, het wegnemen van rust- of nestplaatsen, of het wegnemen van structuren die essentieel zijn in het functioneren van rust- of nestplaatsen. Vogels - Algemene broedvogels en cat. 5 De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. Het grasland en de omliggende struiken en bomen vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.
16
3.2 Gebiedsbescherming Natura 2000 De planlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa 4 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ (figuur 3.1).
Figuur 3.1 De planlocatie ligt op een afstand van circa 4 km tot het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ (bron: nationaal Georegister PDOK). De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de realisatie van 5 woningen. Ondanks dat deze buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. Ten opzichte van de huidige situatie leidt de beoogde ruimtelijke ingreep in de gebruiksfase tot een toename in het aantal verkeersbewegingen. De nieuwbouw zal zonder gasaansluiting in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot hebben. Gedurende de bouwfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en bijbehorende verkeersbewegingen. Per 2 november 2022 geldt dat de algemene bouwvrijstelling onbruikbaar is en dat activiteiten van de bouwsector onderdeel moeten zijn van de beoordeling.
Gezien er sprake is van een redelijk grote afstand (4 km) tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied en er sprake is van een ontwikkeling van relatief beperkte omvang wordt op voorhand uitgesloten dat er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden binnen Natura 2000-gebieden. Een berekening middels de AERIUSCalculator kan derhalve achterwege blijven. Provinciaal aangewezen gebieden
17
De planlocatie maakt deel uit van Zone Ondernemen Natuur en Water (figuur 3.2) en het Natuurnetwerk Nederland (figuur 3.3). De planlocatie ligt aan de grens van het Natuurnetwerk Nederland. Het deel Natuurnetwerk Nederland betreft een bomenlaan. Deze bomenlaan wordt doorkruist door een toegangsweg naar het naastgelegen agrarische perceel. Deze blijft gehandhaafd in de nieuwe situatie, net als de bomenlaan zelf. Er is derhalve geen sprake van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden of van het areaal van het Natuurnetwerk Nederland. Derhalve kunnen negatieve effecten worden uitgesloten. Het ontwikkelingsperspectief van de Zone Ondernemen met Natuur en Water is gericht op het behouden en ontwikkelen van de natuur- en landschapskwaliteiten en de versterking van het watersysteem, in samenhang met de economische ontwikkeling. De ruimtelijke ontwikkeling moet dus onder andere gericht zijn op het realiseren van wateropgaven en versterking van natuur en landschap. In de beoogde ruimtelijke ontwikkeling is rekening gehouden met de versterking van de natuur en landschapskwaliteiten, gezien er naast de realisatie van 5 woningen ook een bloemrijk grasland en fruitbomen worden gerealiseerd. De hoeveelheid verharding die wordt aangebracht is beperkt, waardoor er naar verwachting geen effecten ontstaan op de plaatselijke waterhuishouding.
Om verder te kunnen bijdragen aan de natuur- en landschapskwaliteiten van de Zone Ondernemen Natuur en Water kan het bloemrijk grasland extensief worden beheerd (o.a. gefaseerd maaien) en nestkasten worden opgehangen in de fruitbomen, bijvoorbeeld een nestkast van een steenuil. Tevens wordt aangeraden om zo min mogelijk verharding te realiseren. Dit om de waterhuishouding zo min mogelijk aan te tasten. Op deze manier kan de ontwikkeling gepaard gaan met het bijdragen aan de natuur- en landschapskwaliteiten binnen de Zone Ondernemen met Natuur en Water, en is de ontwikkeling dus niet strijdig met het vigerende beleid.
Figuur 3.2 De planlocatie ligt in de Zone Ondernemen met Natuur en Water (bron: www. www.overijssel.tercera-ro.nl).
18
Figuur 3.3 De planlocatie grenst aan het Natuurnetwerk Nederland (bron: www.overijssel.tercera-ro.nl).
3.3 Houtopstanden In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien. Een meldingsplicht in het kader van Wnb is niet noodzakelijk.
19
4 Samenvatting 4.1
Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli). Tabel 4.1
Overzicht van de Soortenbescherming.
Soortgroep
Bescherming Wnb
Soortspecifiek onderzoek
Planten
Nee
Grondgebonden zoogdieren
Nee
Vleermuizen
Nee
Amfibieën
Nee
Reptielen
Nee
Vissen
Nee
Insecten en andere ongewervelden
Nee
Vogels (cat. 1 t/m 4)
Nee
Vogels (Algemeen en cat. 5)
Nee
Mogelijke functie planlocatie
4.2 Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied. De planlocatie is wel gelegen in de Zone Ondernemen met Natuur en Water en het Natuurnetwerk Nederland. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. Ten aanzien van de Zone Ondernemen met Natuur en Water geldt dat, gezien de realisatie van de woningen gepaard gaat met de realisatie van een bloemrijk grasland en een kleinschalige fruitboomgaard, de ontwikkeling in zijn totaliteit een bijdrage levert aan de natuur- en landschapswaarden. De waterhuishouding wordt niet significant aangetast omdat er een beperkte hoeveelheid verharding wordt aangebracht. Ten aanzien van het Natuurnetwerk vinden er geen aantasting van wezenlijke kenmerken en van areaal plaats. Derhalve kunnen negatieve effecten hierop worden uitgesloten. Tabel 4.2
Overzicht van beschermde gebieden in het kader van gebiedsbescherming.
Gebiedsbescherming
Afstand
Mogelijke effecten
Nader onderzoek
Natura 2000 Natuurnetwerk Nederland Zone Ondernemen met Natuur en Water
4 km 0m
Geen Geen
N.v.t. N.v.t.
0m
Geen
N.v.t.
4.3 Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen kapwerkzaamheden voorzien.
20
5 Conclusie 5.1
Conclusie De realisatie van 5 woningen aan de Zuthemerweg ong. te Laag Zuthem is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).
5.2 Uitvoerbaarheid De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren, verblijfplaatsen van vleermuizen en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen.
5.3 Vervolgstappen De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden (soortbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden). Derhalve is het uitvoeren van aanvullend onderzoek niet noodzakelijk.
5.4 Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden bij voorkeur niet verlichten en in de periode apriloktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiode). Mocht verlichting tijdens de werkzaamheden noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). In de nieuwe situatie dient bij voorkeur tevens automatische verlichting gebruikt te worden en dient deze verlichting niet gericht te zijn op het bos om de planlocatie.
Deze maatregelen dient opgevolgd te worden ten aanzien van mogelijke vleermuisverblijfplaatsen en vliegroutes. • De werkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.
21
Bronvermelding Geraadpleegde documenten (BIJ12, 2017) Kennisdocument Das (Meles meles) Kennisdocument Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) Kennisdocument Gierzwaluw (Apus apus) Kennisdocument Huismus (Passer domesticus) Kennisdocument Kamsalamander (Triturus cristatus) Kennisdocument Poelkikker (Pelophylax lessonae) Kennisdocument Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.nationaalgeoregister.nl www.ndff.nl www.overijssel.tercera-ro.nl www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.vlinderstichting.nl www.zoogdiervereniging.nl
Bijlage 1
Fotografische impressie
22
Bijlage 1
Fotografische impressie
Figuur 1
De planlocatie is gelegen aan de Zuthemerweg ong. te Laag Zuthem en bestaat uit een weiland met een boom erop gesitueerd. De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de realisatie van 5 woningen.
Figuur 2
Een bomenlaan met voetpad grenzend ten zuiden van de planlocatie. In de beoogde ruimtelijke ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien.
23
Figuur 3
Ten noorden van de planlocatie is een agrarisch perceel gesitueerd met begrazing van schapen.
Figuur 4
De planlocatie is gelegen naast een bosgebied. Deze groenstructuren blijven binnen de beoogde ruimtelijke ingreep behouden.
24
Koeweistraat 2 4181 CD Waardenburg 0418 820 288
blomecologie.nl 25