Bijlage 5 quick scan Wet natuurbescherming
Tekst van het document
2023 1
Quickscan Wet natuurbescherming Realisatie Uitbreidingswijk Mariënheem
++
COLOFON BUREAU FAUNAX B.V. Tijnjedyk 89 8936 AC Leeuwarden 0683772548 info@faunax.nl www.faunax.nl Lid van Netwerk Groene Bureaus
Quickscan Wet natuurbescherming Realisatie Uitbreidingswijk Mariënheem Leeuwarden, mei 2023 In opdracht van: Rho Adviseurs Uitvoering: Bureau FaunaX B.V. Veldwerk en rapportage: Dhr. R. Fokker Autorisatie: Dhr. E.P. de Boer Foto’s voorpagina: Impressie van het plangebied.
© Bureau FaunaX B.V.. Gebruik en overname van gegevens alleen toegestaan met volledige bronvermelding: Bureau FaunaX B.V. (2023). Quickscan Wet natuurbescherming/ Realisatie Uitbreidingswijk Mariënheem. Rapport 23101. Bureau FaunaX B.V., Leeuwarden. Disclaimer: In deze rapportage worden de resultaten van een onafhankelijk onderzoek behandeld. Bureau FaunaX B.V. heeft een adviserende rol en spreekt zich niet uit over de wenselijkheid van het plan waarop dit onderzoek betrekking heeft. Dit onderzoek is zo zorgvuldig en nauwkeurig mogelijk uitgevoerd. Het voorkomen van beschermde soorten is echter onvoorspelbaar. Aan dit rapport kunnen geen rechten worden ontleend. Wanneer deze rapportage, op wat voor manier dan ook, wordt aangepast en/of aangevuld door een partij anders dan Bureau FaunaX B.V., verliest deze rapportage zijn validiteit en geldigheid. Gegevens die afkomstig zijn uit de NDFF (Nationale Databank Flora en Fauna) mogen niet zonder toestemming van BIJ12 worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden. Op dit onderzoek zijn onze algemene voorwaarden van toepassing, zoals gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel te Leeuwarden.
INHOUDSOPGAVE 1.
2
INLEIDING ..................................................................................................................... 5 1.1
Aanleiding ..................................................................................................................... 5
1.2
Doel .............................................................................................................................. 6
1.3
Onderzoeksopzet ......................................................................................................... 6
1.4
Karakteristiek plangebied en planvoornemen ............................................................. 7
RESULTATEN QUICKSCAN ...........................................................................................9 2.1
Flora .............................................................................................................................. 9
2.2
Vogels ........................................................................................................................... 9 Jaarrond beschermde vogelnesten .............................................................................. 9
2.3
Zoogdieren .................................................................................................................. 15 Vleermuizen ................................................................................................................ 15 Overige zoogdieren ..................................................................................................... 16
2.4
Reptielen ..................................................................................................................... 16
2.5
Amfibieën .................................................................................................................... 17
2.6
Vissen .......................................................................................................................... 17
2.7
Ongewervelden ........................................................................................................... 17
2.8
Gebiedsbescherming................................................................................................... 18 Stikstofgevoeligheid .................................................................................................... 18
2.9 3
Houtopstanden ........................................................................................................... 18
SAMENVATTING EN CONCLUSIES ............................................................................. 19 3.1
Overzicht beschermde soorten .................................................................................. 19
3.2
Effectbespreking en aanbevelingen............................................................................ 19 Algemene broedvogels ................................................................................................ 19 Huismus ...................................................................................................................... 19 Boerenzwaluw ............................................................................................................. 19 Gierzwaluw..................................................................................................................20 Steenuil 20 Vleermuizen ................................................................................................................20 Zorgplicht ....................................................................................................................20 Stikstofgevoeligheid ....................................................................................................20
3.3 4
Overzicht vervolgstappen ........................................................................................... 21
LITERATUUR EN BRONNEN ....................................................................................... 22
BIJLAGE I WET- EN REGELGEVING ................................................................................. - 1 Wnb Soortbescherming......................................................................................................- 1 Wnb Gebiedsbescherming ................................................................................................ - 3 Wnb Houtopstanden ......................................................................................................... - 3 -
NatuurNetwerk Nederland / Ecologische HoofdStructuur ............................................. - 4 -
1. INLEIDING 1.1 Aanleiding Men is voornemens een nieuwe uitbreidingswijk naast het dorp Mariënheem te realiseren op het perceel Hellendoornseweg 37 en omliggende gronden. Ruimtelijke plannen zoals deze dienen te worden beoordeeld op uitvoerbaarheid, onder meer in relatie tot de natuurwetgeving. Zo dient te worden onderzocht of als gevolg van de uitvoering van het plan sprake is van effecten op wettelijk beschermde soorten flora en fauna en/of natuurgebieden (Natura 2000), alsook in het kader van houtopstanden. Om hierin inzicht te krijgen wordt in eerste instantie een ecologische Quickscan uitgevoerd. Bij dit onderzoek wordt een inschatting gemaakt van de (mogelijk) binnen de invloedssfeer van het project aanwezige beschermde natuurwaarden en de effecten van de voorgenomen plannen op deze waarden. Voor meer informatie over de Wet natuurbescherming (Wnb) en de handelswijze wordt verwezen naar Bijlage I.
Figuur 1.1. Het plangebied (rood omlijnd) te Mariënheem.
5
1.2 Doel Deze ecologische beoordeling geeft, voor zover mogelijk, antwoord op de volgende vragen: 1. 2. 3. 4. 5.
Komen binnen het plangebied (biotopen van) onder de Wet natuurbescherming beschermde soorten voor? Komen binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden beschermde natuurgebieden voor? Wat zijn de mogelijke effecten van de werkzaamheden op deze beschermde natuurwaarden en -gebieden, zowel tijdens de realisatie als na afloop hiervan? Voor welke soorten en hun leefgebied wordt de wet mogelijk overtreden en in hoeverre kunnen overtredingen vermeden, dan wel verzacht worden? Wat zijn de te ondernemen vervolgstappen met betrekking tot het voorkomen van schade aan beschermde soorten binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden?
Voor het beantwoorden van deze vragen zijn, naast de verzamelde gegevens tijdens het veldonderzoek, ook andere bronnen geraadpleegd. Zie hiervoor de bronnenlijst in hoofdstuk 4.
1.3 Onderzoeksopzet Soorten In opdracht van RHO Adviseurs heeft Bureau FaunaX B.V. het planvoornemen door middel van een ecologische Quickscan getoetst aan de natuurwetgeving. Deze Quickscan heeft bestaan uit een bureaustudie en een veldbezoek gebaseerd op ecologisch inzicht (expert judgement). Een ecologische Quickscan of beoordeling is meestal de eerste stap van ecologisch onderzoek en is bedoeld om een inschatting te maken van de mogelijke effecten op eventueel aanwezige beschermde flora en fauna en/of natuurgebieden binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden. Het veldonderzoek voor deze Quickscan is uitgevoerd op woensdag 3 mei 2023 en vond plaats onder zachte weersomstandigheden (13°C, windkracht 2, licht bewolkt). Dit onderzoek bestond uit een visuele inspectie van het plangebied, waarbij is gelet op de aanwezigheid van (of sporen van) beschermde soorten en op de eventuele aanwezigheid van geschikt leefgebied van deze soorten. Gebieden - Natura 2000 Behalve dat onderzocht wordt welke soorten binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden kunnen voorkomen, wordt ook gecontroleerd of er sprake kan zijn van negatieve effecten op instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Dit gebeurt middels een grove analyse op basis van de geplande werkzaamheden en de relevante afstand tot de meest nabij gelegen Natura 2000-gebieden.
Houtopstanden Onder de Wet natuurbescherming worden ook houtopstanden beschermd. Er wordt gecontroleerd in welke mate er sprake is van kap en of hier een meld- en/of herplantingsplicht aan de orde kan zijn. Overige gebiedsbescherming Naast de Wet natuurbescherming zijn er nog meer regelgevingen die ingaan op het beschermen van de natuur in Nederland. Dit zijn veelal provinciale stukken, al dan niet als uitvoeringsorgaan vanuit rijksbeleid. Het gaat hierbij om regelgeving omtrent het Natuurnetwerk Nederland, ganzenfoerageergebieden en weidevogelgebieden. Deze toetsing stipt kort aan of er sprake kan zijn van een conflict tussen de provinciale regelgevingen en het geplande initiatief. 6
1.4 Karakteristiek plangebied en planvoornemen Het plangebied bestaat uit twee hoofddelen; het perceel Hellendoornseweg 37 te Mariënheem (deelgebied A, weergegeven in figuur 1.3) en omliggende gronden met een ten tijde van dit schrijven agrarische bestemming (deelgebied B, weergegeven in figuur 1.3), op de rand van de bebouwde kom van Mariënheem. Deelgebied A betreft een agrarisch bedrijfsperceel met opstallen, bestaande uit een woning en drie stallingen. Aan de noordoostzijde wordt dit deelgebied begrenst door een houtopstand. Deelgebied B betreft grotendeels grasland, begrenst door sloten en deelgebied A. De omgeving van het plangebied wordt gekenmerkt door vergelijkbare agrarische percelen, doorspekt met sloten, bomenrijen en houtopstanden, evenals de bebouwde kom van Mariënheem. Het planvoornemen bestaat uit het (deels) slopen van de opstallen en het verwijderen van de aanwezige verharding en erfbeplanting binnen deelgebied A. In deelgebied B wordt een uitbreidingswijk gerealiseerd. Mogelijk wordt deelgebied A opgenomen als onderdeel van de uitbreidingswijk. De omliggende sloten en houtopstand worden binnen het planvoornemen niet aangetast. Mogelijk wordt slechts een niet-jaarrond waterhoudende ontwateringsgreppel tussen deelgebieden A en B gedempt.
Figuur 1.2. Een impressie van het plangebied.
7
Figuur 1.3 Het plangebied kan worden opgedeeld in deelgebied A (blauw omlijnd), met daarin drie stallingen en een woning en deelgebied B (geel omlijnd).
8
2 RESULTATEN QUICKSCAN 2.1 Flora Binnen beide deelgebieden werden soorten aangetroffen als paarse dovenetel, paardenbloem, pinksterbloem, ridderzuring, hondsdraf en grote brandnetel. Tijdens het veldbezoek zijn in het gehele plangebied geen beschermde plantensoorten aangetroffen, noch is het geschikte biotoop hiervoor aanwezig. De onder de Wnb beschermde plantensoorten stellen veelal kritische eisen aan hun standplaatsen. Aan deze eisen wordt binnen het plangebied niet voldaan. De omstandigheden zijn te voedselrijk.
Figuur 2.1. Een impressie van de vegetatie binnen en vlak buiten het plangebied, met paarse dovenetel, hondsdraf, ridderzuring en paardenbloem.
•
De aanwezigheid van beschermde plantensoorten kan uitgesloten worden op basis van habitateigenschappen.
2.2 Vogels Jaarrond beschermde vogelnesten Roofvogels en uilen Nesten van vogelsoorten die jaarrond beschermd zijn bevinden zich over het algemeen in volgroeide bomen en/of bossen, zoals ooievaarsnesten en horsten van roofvogels. Vaak worden oude kraaien- of eksternesten gebruikt door roofvogels en uilen. In de bomen binnen het plangebied, evenals in de bomen in het deel van de houtopstand vlak naast het plangebied, werden geen boomnesten aangetroffen. 9
Hoewel in andere delen van de houtopstand wel nesten aanwezig kunnen zijn van soorten als ransuil, boomvalk of buizerd, bevinden deze delen zich naar ons inzicht buiten de invloedsfeer van de voorgenomen werkzaamheden en kunnen negatieve effecten hierop als gevolg van het planvoornemen op voorhand worden uitgesloten. De aanwezigheid van jaarrond beschermde boomnesten binnen de invloedsfeer van het planvoornemen kan derhalve op voorhand worden uitgesloten. Gebouwbroeders Naast boomnesten is het plangebied onderzocht op de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten van soorten die over het algemeen in gebouwen tot broeden komen, zoals de huismus, gierzwaluw en kerkuil. Hierbij is vooral aandacht besteedt aan deelgebied A. In deelgebied B zijn geen kunstmatige bouwwerken aanwezig. Huismus In stalling 1 binnen deelgebied A, zoals weergegeven in figuur 1.3, werd tijdens het veldbezoek een drietal huismusnesten vastgesteld in de ruimte tussen de gegolfde dakplaten en de daaronder bevestigde betimmering. Ook werd territoriale zang van huismusmannen waargenomen op het dak van stalling 2 (figuur 2.2). Hoewel er geen nest-indicerend gedrag werd waargenomen rond de woning in deelgebied A, bieden ruimten onder gegolfde dakpannen op het dak hiervan wel geschikte nestgelegenheid voor deze soort.
De aanwezigheid van meer jaarrond beschermde nesten van huismussen binnen deelgebied A kan niet op voorhand worden uitgesloten. De aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten van deze soort binnen deelgebied B kan wel op voorhand worden uitgesloten.
Figuur 2.2. In stalling 1 werd een drietal huismusnesten vastgesteld (links) en op het dak van stalling 2 werd territoriale zang waargenomen (rechts).
10
Figuur 2.3. Ruimten onder de gegolfde dakpannen op de woning binnen deelgebied A bieden geschikte nestgelegenheid voor huismussen.
Gierzwaluw Gierzwaluwen zijn van nature kliffenbroeders die op grote hoogte broeden en door de jaren steeds meer gebruik zijn gaan maken van bebouwing. Omdat het hiernaast een koloniebroeder is, heeft de soort een voorkeur voor locaties waar (relatief hoge) bebouwing dicht op elkaar staat. De stallingen bieden geen geschikte nestgelegenheid voor gierzwaluwen. De ruimtes tussen betimmering en de gegolfde dakplaten, waar wel jaarrond beschermde nesten van huismussen werden aangetroffen, voldoen niet aan de hoogte-eis van deze soort. De woning in deelgebied A voldoet echter wel aan deze eis, met name de nok. Onder de gevelpannen werden voor gierzwaluwen geschikte in- en uitvliegopeningen aangetroffen (figuur 2.4). Hiernaast zijn uit de bebouwde kom van Mariënheem waarnemingen van nest-bezoekende individuen bekend onder gegolfde dakpannen op woningen aan De Essenbree, op slechts enkele honderden meters afstand van het plangebied (bron: NDFF). Dit samen maakt dat de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten van gierzwaluw binnen deelgebied A naar ons inzicht niet op voorhand kan worden uitgesloten. De aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten van deze soort binnen deelgebied B kan wel op voorhand worden uitgesloten.
11
Figuur 2.4. Geschikte in- en uitvliegopeningen voor gierzwaluwen onder gevelpannen op de woning binnen deelgebied A.
Tijdens het veldbezoek werd in stalling 1 in deelgebied A tevens een bezet nest van boerenzwaluw vastgesteld (figuur 2.5). In de provincie Overijssel genieten de nesten van boerenzwaluw jaarronde bescherming. De aanwezigheid van meer nesten van deze soort binnen deelgebied A kan niet op voorhand worden uitgesloten. De aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten van deze soort binnen deelgebied B kan wel op voorhand worden uitgesloten.
12
Figuur 2.5. Een bezet nest van boerenzwaluw in stalling 1 binnen deelgebied A.
Op korte afstand van het plangebied (ca. 1 km), aan de Keizersveldweg, zijn in de afgelopen vijf jaar diverse waarnemingen gedaan van nest-indicerende steenuilen (bron: NDFF). Sinds mei 2021 is deze soort hier niet meer waargenomen. De kans bestaat dat een broedpaar dit gebied inmiddels heeft verlaten om zich elders te vestigen. Stalling 1 in deelgebied A biedt naar ons inzicht geschikte broedgelegenheid voor deze soort, in de vorm van de ruimte tussen de gegolfde dakplaten en de hieronder bevestigde betimmering. Ten tijde van het veldbezoek bleek deze ruimte groot genoeg voor het nest van een kauw, welke in- en uitvliegend werd waargenomen tijdens het veldbezoek. Op basis hiervan kan de aanwezigheid van een jaarrond beschermd nest van steenuil binnen deelgebied A naar ons inzicht niet op voorhand worden uitgesloten. Het leefgebied van steenuil is relatief klein. Indien in deelgebied A sprake is van een nestplaats, dan wel een vaste verblijfplaats kan niet op voorhand worden uitgesloten dat deelgebied B voor deze soort tevens essentieel is als leefgebied en dat de voorgenomen werkzaamheden gepaard gaan met negatieve effecten hierop.
13
Figuur 2.6. In- en uitvliegopeningen naar een nest van kauw, tevens geschikt voor steenuil.
De aanwezigheid van andere jaarrond beschermde nesten binnen de invloedsfeer van het planvoornemen kan op voorhand worden uitgesloten op basis van habitateigenschappen, bevindingen tijdens het veldbezoek en verspreidingsgegevens (NDFF). Zo werden ten tijde van het veldbezoek geen braakballen of andere sporen van kerkuilen aangetroffen. Hoewel de woning in deelgebied A tevens geschikte nestgelegenheid biedt voor een soort als spreeuw, is deze soort binnen de provincie Overijssel aangewezen als ‘categorie 5’ soort, wat inhoudt dat de nesten van deze soort slechts jaarronde bescherming genieten indien de omgeving hiervan geen geschikte alternatieve nestgelegenheid biedt. Gezien de ligging van het plangebied vlak buiten de bebouwde kom van Mariënheem, waar woningen met gegolfde dakpannen diverse geschikte nestlocaties bieden is hier naar ons inzicht geen sprake van en zijn eventuele nesten van spreeuwen niet jaarrond beschermd. Deze nesten zijn slechts beschermd wanneer er sprake is van een broedgeval. • • • •
In deelgebied A werden tijdens het veldbezoek jaarrond beschermde nesten van huismussen en boerenzwaluwen aangetroffen. De aanwezigheid van meer nesten van deze soorten kan niet op voorhand worden uitgesloten. De aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten van gierzwaluw en steenuil in deelgebied A kan tevens niet op voorhand worden uitgesloten. Negatieve effecten op leefgebied van steenuil in deelgebied B als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden kunnen niet op voorhand worden uitgesloten. Negatieve effecten op andere jaarrond beschermde nesten binnen en vlak buiten het plangebied als gevolg van het planvoornemen kunnen wel op voorhand worden uitgesloten.
Overige (broed)vogelsoorten Naast de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten is het plangebied ook beoordeeld op waarden voor broedvogels waarvan de nesten niet jaarrond beschermd zijn. De nesten van deze soorten zijn uitsluitend beschermd tijdens het broedproces. Dit broedproces vindt over het algemeen plaats in de broedperiode, welke grofweg loopt van 15 maart tot 15 juli. Voor deze soorten biedt het plangebied wel mogelijkheden. Naast de hiervoor genoemde soorten kauw en spreeuw kunnen andere soorten tot broeden komen binnen en vlak buiten het plangebied. Zo kunnen soorten als houtduif en Turkse tortel tot broeden komen in bomen binnen en vlak buiten het plangebied en bieden de sloten rond het plangebied geschikte nestgelegenheid voor watergebonden soorten als wilde eend en meerkoet.
14
•
Binnen en vlak buiten het plangebied komen andere vogelsoorten tot broeden, waaronder kauw, waarvan de nesten geen jaarronde bescherming genieten, maar wel beschermd zijn tijdens het broedproces (grofweg 15 maart - 15 juli).
2.3 Zoogdieren Vleermuizen Verblijfplaatsen Vleermuizen verblijven in Nederland over het algemeen in bomen, in gebouwen of in andere kunstmatige bouwwerken. In bomen verblijven vleermuizen vaak in oude spechtengaten of gaten die binnenin een boom zijn doorgerot als het gevolg van bijvoorbeeld het afbreken van takken. De bomen binnen en vlak buiten het plangebied zijn gecontroleerd op de aanwezigheid van voor vleermuizen geschikte boomholtes. Ten tijde van het veldbezoek werden enkele boomholtes aangetroffen. Deze werden echter allen als ongeschikt als verblijfplaats voor vleermuizen bestempeld. De holtes liepen in de meeste gevallen niet ver genoeg door in de betreffende bomen. In het geval van een grotere holte in een berk zuidelijk in deelgebied A lijkt deze ogenschijnlijk naar beneden door te lopen in de betreffende boom, waardoor deze tevens niet geschikt is bevonden als verblijfplaats voor vleermuizen. De aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen in boomholtes binnen en vlak buiten het plangebied kan op basis hiervan op voorhand worden uitgesloten. Zoals besproken in hoofdstuk 2.2 werd geschikte nestgelegenheid aangetroffen voor huismussen en gierzwaluwen tussen gegolfde dakplaten en betimmering daaronder in stallingen 1 en 2, evenals onder de gegolfde dakpannen en gevelpannen op de woning in deelgebied A.
Deze ruimtes zijn tevens geschikt bevonden als verblijfplaatsen voor vleermuizen. De aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen in deelgebied B kan wel op voorhand worden uitgesloten. Foerageergebieden en vliegroutes Ook foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen zijn beschermd, indien deze van essentieel belang zijn voor de instandhouding van een populatie vleermuizen in de omgeving. Als vliegroutes worden doorgaans lijnvormige landschapselementen gebruikt, zoals bomenlanen, houtwallen, watergangen en gebouwenrijen. De bomenrij langs de Hellendoornseweg, evenals de houtopstand ten noordoosten van deelgebied A, zijn mogelijk onderdeel van één of enkele vliegroutes van vleermuizen uit de omgeving hiervan. De omgeving van het plangebied biedt echter diverse alternatieve vliegroutes, zoals vergelijkbare bomenrijen, houtopstanden en huizenrijen. Het kan derhalve op voorhand worden uitgesloten dat de bomenrijen en houtopstand langs het plangebied dienen als essentiële vliegroute van vleermuizen. Negatieve effecten op essentiële vliegroutes van vleermuizen als gevolg van het planvoornemen kunnen op voorhand worden uitgesloten. De houtopstand ten noordoosten van deelgebied A is waarschijnlijk een (onderdeel van een groter) foerageergebied van vleermuizen uit de omgeving hiervan.
Enkele tientallen meters ten oosten van de houtopstand bevindt zich echter een tweede, grotere houtopstand. De houtopstand vlak naast het plangebied is derhalve niet essentieel als foerageergebied voor vleermuizen. Negatieve effecten op essentieel foerageergebied van vleermuizen als gevolg van het planvoornemen kunnen op voorhand worden uitgesloten.
15
• • • •
De aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen in stalling 1, stalling 2 en de woning in deelgebied A kan niet op voorhand worden uitgesloten. De aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen in deelgebied B kan wel op voorhand worden uitgesloten. Negatieve effecten op essentiële vliegroutes van vleermuizen als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden kunnen op voorhand worden uitgesloten. Negatieve effecten op een essentieel foerageergebied als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden kunnen op voorhand worden uitgesloten.
Overige zoogdieren Het plangebied is tevens gecontroleerd op de aanwezigheid van (geschikt habitat van) overige beschermde soorten zoogdieren. De aanwezigheid van- en/of negatieve effecten op (leefgebied van) overige beschermde zoogdiersoorten binnen het plangebied kan op voorhand worden uitgesloten op basis van verspreidingsgegevens (bron: NDFF) en habitateigenschappen. Hoewel de houtopstand ten noordoosten van het plangebied eventueel een dassenburcht, een verblijfplaats van een kleine marterachtige, zoals wezel en bunzing en/of een verblijfplaats dan wel een leefgebied van egel kan herbergen, wordt deze binnen het planvoornemen niet aangetast. Hoewel er een klein deel van het foerageergebied van deze soorten verloren kan gaan als gevolg van het planvoornemen (in de vorm van het agrarische landschap in deelgebied B, maar deels ook in deelgebied A) biedt de omgeving van het plangebied naar ons inzicht dusdanig veel geschikt alternatief foerageergebied in de vorm van vergelijkbaar agrarisch landschap, doorspekt met houtopstanden, bomenrijen en bosschages dat er naar ons inzicht geen sprake is van significant negatieve effecten op deze soorten. Daarnaast werden binnen en vlak buiten het plangebied geen nesten van eekhoorns, geschikte holtes voor boommarter of sporen (uitwerpselen of prooiresten) van steenmarters aangetroffen.
Binnen het planvoornemen wordt hiernaast slechts een niet-jaarrond waterhoudende greppel gedempt, waardoor ook negatieve effecten op (leefgebied van) watergebonden soorten, zoals waterspitsmuis en otter op voorhand kunnen worden uitgesloten. Hoewel het plangebied wel geschikt leefgebied biedt voor haas, is deze soort binnen de provincie Overijssel vrijgesteld voor ruimtelijke ingrepen. Voor deze soort en andere soorten die binnen het plangebied voor (kunnen) komen, maar binnen de provincie Overijssel zijn vrijgesteld voor ruimtelijke ingrepen dient men zich wel te houden aan de zorgplicht (Bijlage I). Dit kan in het geval van zoogdieren tot uiting worden gebracht door zo te werken, dat soorten als haas de kans krijgen te vluchten, bijvoorbeeld door de grondwerkzaamheden van west (bebouwde kom Mariënheem) naar oost uit te voeren. • •
Negatieve effecten op overige beschermde zoogdiersoorten als gevolg van het planvoornemen kunnen op voorhand worden uitgesloten. In het plangebied komen andere licht beschermde soorten voor. Voor deze soorten geldt een provinciale vrijstelling in het geval van ruimtelijke ontwikkelingen, maar geldt wel de zorgplicht (zie Bijlage I).
2.4 Reptielen Het plangebied is tevens gecontroleerd op waarden voor beschermde reptielen. De aanwezigheid van alle in Nederland voorkomende beschermde reptielen binnen de invloedsfeer van de voorgenomen werkzaamheden kan echter op voorhand worden uitgesloten op basis van verspreidingsgegevens (bron: NDFF) en habitateigenschappen. Hoewel uit de ruime omgeving van het plangebied recente (<5 jaar) waarnemingen bekend zijn van de soorten hazelworm, levendbarende hagedis, ringslang en zandhagedis, zijn deze vrijwel allemaal afkomstig uit de Natura2000-gebieden Sallandse Heuvelrug en het Boetelerveld en de omgeving daarvan, evenals en de omgeving van Luttenberg (bron: NDFF). 16
•
De aanwezigheid van reptielen binnen het plangebied kan op voorhand worden uitgesloten.
2.5 Amfibieën Het plangebied is gecontroleerd op waarden voor beschermde amfibieën. Uit de omgeving van het plangebied zijn recente (<5 jaar) waarnemingen bekend van heikikker, kamsalamander en poelkikker. Deze waarnemingen zijn afkomstig uit het Natura2000-gebied Boetelerveld en enkele wateren ten noorden van Raalte (bron: NDFF). Binnen het planvoornemen wordt slechts een niet-jaarrond waterhoudende greppel gedempt. Negatieve effecten op voortplantingswater van beschermde amfibieën als gevolg van het planvoornemen kunnen derhalve op voorhand worden uitgesloten. Negatieve effecten op landhabitat van deze soorten als gevolg van het planvoornemen kunnen naar ons inzicht tevens op voorhand worden uitgesloten door de afwezigheid van waarnemingen hiervan op kortere afstand van het plangebied. Binnen het plangebied komen wel andere, lichter beschermde amfibieën voor. Hoewel deze soorten zijn vrijgesteld voor ruimtelijke ingrepen, dient men zich wel te houden aan de zorgplicht (zie bijlage I). In het geval van amfibieën kan dit tot uiting worden gebracht door zo te werken, dat dieren de kans krijgen om te vluchten, bijvoorbeeld door de nietwaterhoudende greppel van noord naar zuid te dempen. • •
De aanwezigheid van (leefgebied van) beschermde amfibieënsoorten binnen het plangebied kan op voorhand worden uitgesloten. Voor andere, licht beschermde, vrijgestelde soorten geldt de zorgplicht (zie Bijlage I).
2.6 Vissen Het plangebied is gecontroleerd op waarden voor de in Nederland voorkomende groep beschermde zoetwatervissen. De enige soort die redelijkerwijs binnen het plangebied voor kan komen is grote modderkruiper. Binnen het planvoornemen worden echter geen jaarrond waterhoudende watergangen aangetast. Negatieve effecten op (leefgebied van) beschermde zoetwatervissen, zoals grote modderkruiper als gevolg van het planvoornemen kunnen derhalve op voorhand worden uitgesloten. •
Negatieve effecten op (leefgebied van) beschermde zoetwatervissen als gevolg van het planvoornemen kunnen op voorhand worden uitgesloten.
2.7 Ongewervelden De meeste onder de Wnb beschermde soorten ongewervelden, zoals dagvlinders, libellen, mollusken of (water)kevers hebben zeer specifieke habitateisen die in specifieke biotopen worden aangetroffen. Van dergelijke habitateigenschappen is binnen het plangebied geen sprake. Zo is er geen geschikt habitat voor waardplanten van beschermde vlinders en worden er geen geschikte waterlichamen aangetast waarin beschermde libellen zich voort kunnen planten. •
Negatieve effecten op leefgebied van beschermde ongewervelden als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden kunnen op voorhand worden uitgesloten.
17
2.8 Gebiedsbescherming Tijdens de bureaustudie zijn geen vormen van gebiedsbescherming naar voren gekomen die betrekking hebben op het plangebied. Het plangebied is niet aangewezen als weidevogelgebied of ganzenfoerageergebied en is geen onderdeel van het NatuurNetwerk Nederland (NNN, voormalige EHS) of Natura2000 (bron: Geoportaal Provincie Overijssel). Negatieve effecten hierop als gevolg van het planvoornemen (anders dan als gevolg van de uitstoot van stikstof) kunnen op voorhand worden uitgesloten. •
Negatieve effecten op beschermde gebieden (anders dan effecten als gevolg van stikstofuitstoot) kunnen naar ons inzicht op voorhand worden uitgesloten.
Stikstofgevoeligheid Het plangebied bevindt zich op circa 1,8 km van het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied Boetelerveld, waarin zich stikstofgevoelige habitattypen bevinden (bron: AERIUS calculator). Binnen het planvoornemen worden onder andere opstallen in deelgebied A gesloopt en een uitbreidingswijk gerealiseerd. Hierbij komt waarschijnlijk extra stikstof vrij, bijvoorbeeld als gevolg van de inzet van mobiele werktuigen. Mogelijk is voor de voortgang van het project een AERIUS-berekening benodigd. De provincie Overijssel is bevoegd gezag in deze. •
Mogelijk is een AERIUS-berekening benodigd voor de voortgang van het project. De provincie Overijssel is bevoegd gezag in dezen.
2.9 Houtopstanden Als er een (deel van een) houtareaal wordt gekapt van meer dan 10 are (1000 m2) of een (deel van een) bomenrij van minimaal 20 bomen buiten de bebouwde kom kan er sprake zijn van een meld- en/of herplantingsplicht. Binnen het planvoornemen wordt slechts erfbeplanting verwijderd, in de vorm van enkele bomen. Er is derhalve geen sprake van bovenstaande omstandigheden. •
Er is geen sprake van een meld- en/of herplantingsplicht
18
3 SAMENVATTING EN CONCLUSIES 3.1 Overzicht beschermde soorten In onderstaand overzicht worden de aangetroffen en potentieel aanwezige beschermde soorten en hun beschermingsstatus binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden samengevat. In de Wet natuurbescherming zijn vooral vaste verblijfsplaatsen (voortplantingslocaties zoals nesten, holen, kraamkolonies etc.) van belang, maar ook de functionele leefomgeving die vaste verblijfplaatsen in stand houdt. In dit overzicht zijn alleen die soorten opgenomen, waarvoor het plangebied onderdeel vormt van hun leefgebied en/of levenscyclus en waarop eventueel in de toekomst geplande werkzaamheden van negatieve invloed kunnen zijn. Tabel 3.1 Overzicht van aangetroffen en potentieel voorkomende beschermde flora en fauna in en rond het plangebied. Soortgroep Vogels Vogels Vogels Vogels Vogels Zoogdieren Overige soortgroepen Gebiedsbescherming
Soort Algemene Broedvogels (deelgebied A & B) Huismus (deelgebied A) Boerenzwaluw (deelgebied A) Gierzwaluw (deelgebied A) Steenuil (deelgebied A & B) Vleermuizen (verblijfplaatsen) (deelgebied A) Overige soorten (deelgebied A & B) Stikstofgevoeligheid (deelgebied A & B)
Aanwezigheid
Art. 3.1
Art. 3.5
Art. 3.10
Vrijgesteld
Advies
Ja
X
Werken buiten broedseizoen of onder begeleiding van een ecoloog.
Ja
X
Nader onderzoek.
Ja
X
Nader onderzoek.
Mogelijk
X
Nader onderzoek.
Mogelijk
X
Nader onderzoek.
Mogelijk
X
Ja
Nader onderzoek. X
Zorgplicht. Informeren bij de provincie Overijssel.
3.2 Effectbespreking en aanbevelingen Algemene broedvogels Binnen en vlak buiten het plangebied komen enkele vogelsoorten tot broeden waarvan de nesten geen jaarronde bescherming genieten, waaronder kauw. We adviseren om de voorgenomen werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Voor het broedseizoen wordt over het algemeen de periode van 15 maart-15 juli aangehouden. Afhankelijk van de soort en klimatologische omstandigheden kunnen soorten echter eerder of later in het jaar tot broeden komen. Zo kan ekster al vanaf half februari tot broeden komen. Wat voor deze soorten van belang is, is of er sprake is van een broedgeval. Zo ja, dan is deze altijd beschermd.
Huismus In stalling 1 werd een drietal huismusnesten aangetroffen. De aanwezigheid van meer nesten in deze stalling, maar ook in stalling 2 en in de woning in deelgebied A kan niet op voorhand worden uitgesloten. Gezien de aard van de werkzaamheden adviseren we om nader onderzoek uit te voeren om de aanwezigheid van meer nesten binnen deelgebied A vast te stellen, dan wel uit te sluiten. Dit onderzoek kan het beste worden uitgevoerd aan de hand van een tweetal bezoeken in de periode 1 april tot 15 mei, waanneer de trefkans het hoogst is.
Boerenzwaluw In stalling 1 werd een bezet nest van boerenzwaluw aangetroffen. De aanwezigheid van meer nesten van deze soort in deelgebied A kan niet op voorhand worden uitgesloten. 19
Gezien de aard van de werkzaamheden adviseren we om nader onderzoek uit te voeren om de aanwezigheid van meer nesten in dit deelgebied vast te stellen, dan wel uit te sluiten. Dit nader onderzoek kan het beste worden uitgevoerd aan de hand van een tweetal bezoeken in de periode 1 juli tot 31 juli, wanneer de trefkans het hoogst is.
Gierzwaluw De aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten van gierzwaluwen in de woning in deelgebied A kan niet op voorhand worden uitgesloten. Gezien de aard van de werkzaamheden adviseren we om nader onderzoek uit te voeren om de aanwezigheid hiervan vast te stellen, dan wel uit te sluiten. Dit nader onderzoek kan het beste worden uitgevoerd aan de hand van een drietal gerichte avondbezoeken in de periode 1 juni tot 15 juli, wanneer de trefkans het hoogst is.
Steenuil De aanwezigheid van een jaarrond beschermd nest, dan wel verblijfplaats van steenuil in de opstallen binnen deelgebied A kan niet op voorhand worden uitgesloten. Negatieve effecten op het leefgebied van steenuil als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden in deelgebied B kunnen tevens niet op voorhand worden uitgesloten. We adviseren nader onderzoek uit te voeren om een eventuele verblijfplaats vast te stellen, dan wel uit te sluiten. Dit nader onderzoek kan het beste worden uitgevoerd aan de hand van een drietal gerichte avond- of ochtendbezoeken (vlak na avondschemer of vlak voor ochtendschemer) in de periode 1 februari tot 30 april, wanneer de trefkans voor deze soort het hoogst is.
Vleermuizen De aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen in de woning in deelgebied A kan niet op voorhand worden uitgesloten. We adviseren nader onderzoek uit te voeren om de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen vast te stellen, dan wel uit te sluiten. Dergelijk onderzoek kan voor vleermuizen het beste worden uitgevoerd aan de hand van een aantal gerichte avond- en ochtendbezoeken, verdeeld over verschillende perioden van het jaar. De hoeveelheid bezoeken en de perioden waarin deze worden uitgevoerd moet worden vastgesteld aan de hand van het meest recente vleermuisprotocol (ten tijde van dit schrijven het Vleermuisprotocol 2021).
Zorgplicht Er kunnen soorten voorkomen in het plangebied waarvoor een vrijstelling geldt voor ruimtelijke ingrepen. De zorgplicht van de Wnb (art. 1.11) schrijft echter voor dat men verplicht is om alles wat redelijkerwijze mogelijk is, te doen of juist te laten om schade aan wilde planten en dieren zo veel mogelijk te voorkomen. Dit kan bijvoorbeeld tot uiting worden gebracht door altijd zo te werken, dat dieren kunnen ontsnappen en/of deze te verplaatsen naar een geschikt biotoop in de directe omgeving. In het geval van dit plangebied kan men bijvoorbeeld denken aan het dempen van de greppel van noord naar zuid en het uitvoeren van de graafwerkzaamheden van west naar oost. De algemene zorgplicht geldt voor elke soort en elk individu in Nederland. Voor de voorwaarden waaraan de vrijstellingen moeten voldoen in het kader van de soorten waarvoor een vrijstelling geldt, wordt verwezen naar Bijlage I.
Stikstofgevoeligheid Mogelijk is voor de uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden in zowel deelgebied A als B een AERIUS-berekening benodigd. We adviseren hierover te informeren bij het bevoegd gezag, de provincie Overijssel.
20
3.3 Overzicht vervolgstappen Het planvoornemen kan zonder bezwaren doorgang vinden binnen de kaders van de vigerende natuurwetgeving, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: • • • • • • • •
Broedvogels (deelgebied A & B): werken buiten het broedseizoen (grofweg 15 maart15 juli). Huismus (deelgebied A): nader onderzoek. Boerenzwaluw (deelgebied A): nader onderzoek. Gierzwaluw (deelgebied A): nader onderzoek. Steenuil (deelgebied A & B): nader onderzoek. Vleermuizen (deelgebied A): nader onderzoek. Zorgplicht (deelgebied A & B): Naleven van de zorgplicht. Stikstofgevoeligheid (deelgebied A & B): Informeren bij provincie Overijssel.
21
4 LITERATUUR EN BRONNEN Literatuur Veldman, J., Troost, C. & Klink, A. (2021). Brochure Soortbescherming in Overijssel. Provincie Overijssel, Zwolle. Scholten-Huizendveld, H.T. & Noltes, A. (2022). Soortenbescherming in Overijssel. Provincie Overijssel, Zwolle. Bronnen internet AERIUS calculator https://calculator.aerius.nl/wnb/ NDFF https://ndff-ecogrid.nl/uitvoerportaal/ Kaartportaal Overijssel https://geo.overijssel.nl/viewer/app/master/v1?name=Atlas%20van%20Overijssel Kaartenkijkdoos Provincie Fryslân https://www.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=14fdb7eae5844c479140f89c88abdd d3 Ravon http://www.ravon.nl/Soorten/Soortinformatie Sovon https://www.sovon.nl/nl Verspreidingsatlas planten FLORON http://www.verspreidingsatlas.nl/planten Waarneming.nl https://waarneming.nl Zoogdiervereniging www.zoogdiervereniging.nl
22
BIJLAGE I WET- EN REGELGEVING De wettelijke bescherming van natuurwaarden valt in grote lijnen uiteen in drie delen: soortbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden.
Wnb Soortbescherming De Wet natuurbescherming draagt onder andere zorg voor de bescherming van in het wild voorkomende dier- en plantensoorten. De wet bevat een aantal verbodsbepalingen die ervoor moeten zorgen dat de gunstige staat van instandhouding van alle in het wild levende dier- en plantensoorten zal blijven gewaarborgd. De Wet natuurbescherming verdeelt beschermde soorten in twee groepen, de Europees beschermde soorten en de nationaal beschermde soorten. De eerste groep bestaat uit strikt beschermde soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn (art. 3.1 en 3.5). De Vogel- en Habitatrichtlijn zijn richtlijnen van de Europese Unie waarin wordt aangegeven welke diersoorten en welke typen natuurgebieden door de lidstaten dienen te worden beschermd. In de tweede categorie staan de overige (nationaal) beschermde soorten (art. 3.10). Binnen de Wet natuurbescherming vullen Europese en nationale wetgeving elkaar aan. De Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) genieten een iets zwaardere bescherming dan de nationaal beschermde soorten (art. 3.10). Zo geldt voor de nationale soorten geen verbod op het verstoren, iets wat wel het geval is bij de Habitatrichtlijnsoorten. Ook zijn de belangen waaronder ontheffing aangevraagd mag worden, voor de nationaal beschermde soorten uitgebreider dan voor de habitatrichtlijnsoorten.
Vogels en verstoring Voor alle inheemse vogelsoorten geldt dat het verboden is om in het wild levende vogels te doden of te vangen, opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen, te beschadigen, te rapen of nesten van vogels weg te nemen. Ook is het verboden om vogels opzettelijk te storen. Dit is echter niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Dit kan dus ook tijdens het broedseizoen het geval zijn, als kan worden aangetoond of beargumenteerd dat de verstoring geen negatieve effecten heeft op (de kansen van) het broedsucces. Of dit van toepassing is hangt af van meerdere factoren, zoals de biologie van een soort, de fase van de broedtijd waarin het broedpaar zich op dat moment bevindt (zoals balts, nestbouw, eieren of jongen) en de mate van verstoring. Een ter zake kundige ecoloog kan in voorkomende gevallen bepalen wat wel of niet geldt als wezenlijke verstoring. In aanvulling op bovenstaande wordt er door de provincies een lijst met vogelsoorten gehanteerd, waarvan de nesten jaarrond bescherming genieten. Binnen deze categorie wordt onderscheid gemaakt in soorten met jaarrond beschermde nesten (categorie 1 tot en met 4) en vogels met mogelijk jaarrond beschermde nesten (categorie 5).
Vrijgestelde soorten provincie Overijssel Hoewel de Wet natuurbescherming een nationale wet is, kunnen de provincies (als de bevoegde gezagen) soorten aanwijzen die vrijgesteld kunnen worden van de beschermde status, als het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen. Tabel 2.1 geeft een overzicht van de via de Verordening Wet natuurbescherming door de provincie Overijssel vrijgestelde soorten (zoogdieren en amfibieën). De verordening van de Provinciale Staten van Overijssel is te vinden op https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2017-1927.html.
-1-
Tabel 1. Vrijgestelde soorten Verordening Wet natuurbescherming provincie Overijssel.
Zoogdieren Aardmuis Bosmuis Dwergmuis Dwergspitsmuis Gewone bosspitsmuis Haas Huisspitsmuis Konijn Ondergrondse woelmuis Ree Rosse woelmuis Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos Woelrat
Amfibieën Bastaardkikker Bruine kikker Gewone pad Kleine watersalamander Meerkikker
Voorwaarden vrijstellingen Zoals gezegd zijn de vrijstellingen onder het bevoegd gezag van de provincie Overijssel, en zijn hiermee geen onderdeel van de Wet natuurbescherming zelf. De provincie heeft de soorten zoals die genoemd zijn in bovenstaande tabel niet zonder meer vrijgesteld, hier zijn voorwaarden aan verbonden. Ten eerste is het van belang dat er geen andere bevredigende oplossing voorhanden is. Ten tweede gelden de vrijstellingen niet in alle situaties. Deze zijn alleen van toepassing als de geplande werkzaamheden onder één van de volgende noemers vallen: a. in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; b. in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; c. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; d. in het kader van bestendig beheer en onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied. Ten derde is een aantal specifieke voorwaarden opgesteld (Bijlage I van de Verordening). Hierbij geldt dat indien sprake is van vangen of doden, alleen gebruik mag worden gemaakt van de in de verordening genoemde middelen en methoden.
Dit is vooral van toepassing bij de vrijgestelde zoogdieren. Indien deze in winterslaap zijn en ze worden gevangen, dan moet alles er aan gedaan worden om ervoor te zorgen dat de overlevingskansen niet worden verminderd als gevolg van het vangen en verplaatsen. Voor amfibieën is het belangrijk te vernemen dat indien deze in winterslaap zijn, het niet is toegestaan ze te vangen (en verplaatsen). Indien bovengenoemde soorten voorkomen binnen een plangebied, is een ontheffing voor deze soort dus niet nodig.
-2-
Zorgplicht art 1.11 Wnb Echter, dit is niet nodig omdat nog steeds een inspanning wordt geleverd om deze soorten zo min mogelijk schade te doen, zoals is omschreven in artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming, meer algemeen bekend als de zorgplicht. Hoewel overtredingen niet strafbaar zijn gesteld, kan het uitvoeren van de zorgplicht wel worden gehandhaafd door toepassing van een bestuursdwang. Dat betekent dat de uitvoerende gedwongen kan worden herstelacties uit te voeren.
Wnb Gebiedsbescherming Gebiedsbescherming houdt in dat gebieden met belangrijke natuurwaarden wettelijk zijn beschermd. Het gaat hierbij om het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen de Ecologische Hoofdstructuur of EHS) en Natura 2000-gebieden. Natura 2000-gebieden Projecten of activiteiten die niet noodzakelijk zijn voor, of verband houden met, het beheer van de natuurwaarden van Natura 2000-gebieden (Vogel- en/of Habitatrichtlijngebieden) en mogelijk negatieve effecten hebben op deze waarden, dienen vanuit de Wet natuurbescherming getoetst te worden. Deze toetsing vindt enkel plaats in het geval de uitvoering van een project plaatsvindt binnen de invloedssfeer van een N2000-gebied en verwacht wordt dat deze uitvoering (mogelijk) negatieve effecten heeft op soorten of habitattypen waarvoor het N2000-gebied is aangewezen.
Wnb Houtopstanden De Boswet is in 2015 gewijzigd en per 1 januari 2017 opgenomen in de nieuwe Wet Natuurbescherming. Die wet zal op den duur weer (beleidsneutraal) in de Omgevingswet opgenomen worden. De, voor gemeenten, belangrijkste wijziging van de wet is de beperking in het stellen van regels ten aanzien van houtopstanden buiten de begrenzing zoals aangegeven op de kaart Begrenzing Bebouwde kom Boswet. Dit heeft effect op o.a. gemeentelijk kapbeleid. De provincie heeft, als bevoegd gezag, een provinciale verordening opgesteld voor de uitvoering van de Wet Natuurbescherming. Dat is in overleg met de Overijsselse gemeenten gedaan. De APV, afd. 3 Het bewaren van houtopstanden, oftewel de kapverordening, vormt de basis voor het nader uitgewerkte kapbeleid. Tevens zijn in de APV regels opgenomen ten aanzien van de Bomenlijst. De bescherming van arealen bos en houtopstanden valt dus onder de Wnb, mochten deze groter zijn dan 10 are (1000 m2) of bestaan uit een bomenrij van minimaal 20 bomen buiten de bebouwde kom. De gemeente hanteert soms voor ‘buiten de bebouwde kom’ een andere begrenzing dan voor de Weg- en verkeerswet. Bij twijfel kan hierover bij de gemeente informatie worden aangevraagd.
Als de houtopstand groter dan 10 are is of bestaat uit een bomenrij van minimaal 20 bomen buiten de bebouwde kom, dan is er een meld- en herplantingsplicht van hetzelfde areaal bos binnen drie jaar na het kappen hiervan. Niet alle boomsoorten vallen onder deze wetgeving. Populieren, wilgen, essen of elzen die zijn bedoeld voor de productie als biomassa zijn uitgezonderd, indien tenminste een keer per tien jaar wordt geoogst, de beplanting na 1 januari 2013 is aangelegd en aan een aantal beplantingseisen is voldaan. Ook kerstbomen die niet ouder zijn dan twintig jaar, kweekgoed, fruitbomen en windschermen om boomgaarden zijn uitgezonderd.
-3-
NatuurNetwerk Nederland / Ecologische HoofdStructuur Strikt genomen valt de EHS/NNN niet onder de Wet natuurbescherming aangezien dit bepaald wordt door de provincies en niet door het Rijk. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen de Ecologische Hoofdstructuur of EHS) maakt onderdeel uit van het rijksbeleid voor het creëren en vormgeven van een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen natuurgebieden in Nederland. De provincies krijgen echter zelf de gelegenheid om dit naar eigen inzicht zo goed mogelijk aan te wijzen, inrichten en beheren. Indien een ruimtelijke ingreep binnen de begrenzing van het NNN plaatsvindt moet een 'nee, tenzij' procedure worden doorlopen en zal bij doorgang van de ingreep in de regel compensatie en mitigatie noodzakelijk zijn.
-4-