CConstaterende datRaalte
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 aanpassing-omgevingsverordening-overijssel-instructieregels-windenergie

Raadsvergadering 30 mei 2024, gemeente RaalteBij agendapunt: Parapluplan Erfwindmolens (bespreekstuk)2.220 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Aanpassing Omgevingsverordening Overijssel instructieregels windenergie

Aanpassing artikel 1.1 (begripsbepalingen): De begripsbepaling voor ‘windturbine’ in artikel 1.1 wordt gewijzigd in: Windturbine

Een door wind aangedreven bouwwerk waarmee energie wordt opgewekt, niet zijnde een erfmolen.

Aan artikel 1.1 wordt de volgende begripsbepaling toegevoegd: Erfmolen

Kleine windturbines op het erf van een (agrarisch) bedrijf waarmee energie wordt opgewekt voor eigen gebruik. Programmeringsafspraken windenergie

Bestuurlijke afspraken tussen de provincie Overijssel en gemeenten over onder meer het ambitieniveau voor de verduurzaming van de energievoorziening, de benodigde hoeveelheid opgesteld vermogen aan windenergie, het aantal windturbines dat daarvoor minimaal gerealiseerd moet worden binnen de provincie en de verdeling daarvan over de verschillende regio’s en de bijbehorende programmeringsdocumenten, zoals voor een aangegeven periode zijn gemaakt.

Vervanging paragraaf 4.11.2 Windenergie door een nieuwe paragraaf 4.11.2 Windenergie met deze inhoud:

Paragraaf 4.11.2 Windenergie Artikel 4.107 (aanwijzing uitsluitingsgebieden windenergie, zoekgebieden windenergie en voorkeursgebieden windenergie) Lid 1

Als uitsluitingsgebied windturbines zijn aangewezen: Nationaal Landschap IJsseldelta en Nationaal Landschap NoordoostTwente, zoals aangewezen in artikel 4.53. Lid 2

Als zoekgebieden windenergie Noordoost Twente zijn aangewezen gebieden binnen een Nationaal Landschap die kansrijk worden geacht voor het realiseren van de opgave van duurzame energieopwekking met wind. Lid 3

Als voorkeursgebieden windenergie zijn aangewezen gebieden die kansrijk worden geacht voor grootschalige clustering van windturbines.

Artikel 4.108 (instructieregel uitsluitingsgebied windenergie) Lid 1

Omgevingsplannen voorzien niet in de mogelijkheid om windturbines op te richten in gebieden die zijn aangewezen als ‘uitsluitingsgebied windturbines’. Lid 2

In afwijking van het eerste lid kan binnen de zoekgebieden windenergie Noordoost-Twente ruimte geboden worden voor het realiseren van clusters van minimaal 4 windturbines, als: a. dit noodzakelijk is voor de opgave van duurzame energieopwekking met wind; en mits b. de landschappelijke inpassing conform de aanwezige gebiedskenmerken is verzekerd.

Artikel 4.108a (instructieregel voorkeursgebieden windenergie) Lid 1

Omgevingsplannen voorzien niet in nieuwe ontwikkelingen binnen voorkeursgebieden windenergie, die een optimale invulling van het gebied voor grootschalige clustering van windturbines in de weg staan.

Artikel 4.108b (instructieregel clustering windturbines) Lid 1

Omgevingsplannen voorzien op gronden buiten de voorkeursgebieden alleen in de mogelijkheid om nieuwe windturbines op te richten als deze windturbines deel uitmaken van een cluster van minimaal 4 windturbines. Lid 2

In afwijking van het eerst lid kan op gronden die deel uitmaken van een bedrijventerreinen of daar direct aan grenzen ruimte worden geboden voor het realiseren van 1 of meer windturbines.

Artikel 4.108c (programmeringsafspraken windenergie) Lid 1

Omgevingsplannen voorzien niet in het oprichten van windturbines voor zover dit ertoe leidt dat er in Overijssel jaarlijks in totaal meer dan 2 TWh aan windenergie geproduceerd wordt. Lid 2

Omgevingsplannen staan alleen toe dat nieuwe windturbines worden opgericht als dit past binnen de geldende programmeringsafspraken windenergie, zoals deze zijn gemaakt en vastgelegd in bestuurlijke afspraken tussen provincie en gemeenten. Lid 3

Wanneer de realisatie van een nieuwe windturbine niet past binnen geldende programmeringsafspraken windenergie, kan de windturbine alleen worden opgericht als daarvoor vooraf instemming is verkregen van Gedeputeerde Staten. Lid 4 Lid 4

Als er voor de gemeente geen programmeringsafspraken windenergie gelden, zijn Gedeputeerde Staten bevoegd om vast te stellen wat het maximum is van het opgesteld vermogen om windenergie op te wekken en het daarvoor benodigde aantal windturbines dat daarvoor binnen een gemeente opgericht mag worden. Artikel 4.108d (instructieregel erfmolens) Lid 1

Omgevingsplannen voorzien uitsluitend in de mogelijkheid om erfmolens op te richten binnen de bouwpercelen van (agrarische) bedrijven. Lid 2

Erfmolens als bedoeld in het eerste lid hebben een tiphoogte van maximaal 25 meter. Lid 3

In afwijking van het bepaalde in het tweede lid kan een hogere tiphoogte worden toegestaan, mits onderbouwd is dat een erfmolen met die tiphoogte niet leidt tot aantasting van de ruimtelijke kwaliteit

zoals die op basis van de uitspraken die de Catalogus Gebiedskenmerken voor dat gebied, moeten worden behouden en versterkt.

Toelichting Paragraaf 4.11.2 Windenergie Provinciaal belang In de Omgevingsvisie is de provinciale ambitie vastgelegd van een betrouwbare, duurzame en betaalbare energievoorziening met beperking van uitstoot van broeikasgassen. Daarbij zet de provincie in op een transitie waarin aan de ene kant bespaard wordt op energie door het terugdringen van het energieverbruik en het efficiënter gebruik van energie. Aan de andere kant zal er in de opwekking van energie een omslag gemaakt moeten worden van afhankelijkheid van fossiele brandstoffen naar het steeds verder vergroten van het aandeel hernieuwbare energie in de energievoorziening (energie uit bronnen als de zon, wind, biomassa en ondergrond). Overijssel wil bijdragen aan een klimaatneutraal Nederland in 2050. In West-Overijssel is in de Regionale Energie Strategie (RES) de ambitie geformuleerd om 1,794 TWh aan duurzame energie op te wekken in 2030. Het RES-gebied Twente heeft als ambitie om 1,5 TWh duurzame elektriciteit duurzaam op te wekken in 2030. Om die ambitie te kunnen realiseren (3,3 TWh duurzame energie in 2030, waarvan 2 TWh duurzame energie door wind op land) zal er ruimte gemaakt moeten worden voor wind- en zonne-energie, naast de inzet op energiebesparing en het verbeteren van systeemefficiëntie.

Bij het vergroten van het aandeel hernieuwbare energie geldt voor windenergie dat de provincie in ieder geval de bestuurlijke afspraken met het Rijk over het realiseren van windenergie op land wil nakomen.

Artikelsgewijze toelichting Artikel 4.108 (instructieregel uitsluitingsgebied windenergie) Niet overal binnen Overijssel is de oprichting van windturbines gewenst, gelet op de impact die dat kan hebben op landschappelijke en natuurlijke waarden. Voor gebieden die aangewezen zijn als uitsluitingsgebied windenergie geldt een verbod op voorhand om windturbines op te richten. Op dit moment zijn alleen de Nationale Landschappen IJsseldelta en Noordoost-Twente aangewezen als uitsluitingsgebied windenergie. Gelet op de opgave om de energievoorziening te verduurzamen, wordt de mogelijkheid geboden om in afwijking van het verbod op het oprichten van windturbines ook binnen de Nationale Landschappen in

speciaal daarvoor aangewezen zoekgebieden, toch windturbines toe te staan. Voor het Nationaal Landschap Noordoost-Twente heeft eerder een herijking van de status uitsluitingsgebied windenergie plaatsgevonden, waarbij zoekgebieden windenergie zijn aangewezen. Voor het Nationaal Landschap IJsseldelta moet deze herijking nog worden uitgevoerd. De Nationale Landschapen blijven dus gelden als uitsluitingsgebied windenergie, maar in de Omgevingsverordening is geregeld dat het generieke verbod op windenergie niet geldt voor de zoekgebieden windenergie die daarbinnen zijn aangewezen. Op verzoek van de gemeenten in het Nationaal Landschap Twente geldt voor de zoekgebieden binnen uitsluitingsgebieden windenergie een clustereis van minimaal 3 windturbines. Met deze afwijkende clustereis houden we rekening met de beperkte mogelijkheden voor de opstelling van windturbines binnen de zoekgebieden. Dit artikel (instructieregel uitsluitingsgebied windenergie) biedt binnen het Nationaal Landschap Noordoost-Twente de mogelijkheid om van het absolute verbod op het plaatsen van windturbines af te wijken. Deze mogelijkheid wordt alleen geboden voor de gebieden aan de randen van het Nationaal Landschap die aangewezen zijn als ‘zoekgebieden windenergie Noordoost-Twente’.

Voorwaarde is dat aangetoond is dat de plaatsing van windturbines noodzakelijk is om de opgave voor duurzame energieopwekking met wind te realiseren. Ook moet verzekerd zijn dat de windturbines goed in het landschap kunnen worden ingepast. Ruimtelijke randvoorwaarden Dat het Natuurnetwerk Nederland niet langer wordt aangemerkt als uitsluitingsgebieden windenergie betekent niet dat de plaatsing van windturbines overal zondermeer is toegestaan. Na het schrappen van het generieke verbod op het plaatsen van windturbines, blijven de andere provinciale beleidskaders van toepassing. Dit betekent dat locaties die vallen binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), beoordeeld moeten worden op de voorwaarden die de regeling voor het NNN voor nieuwe ontwikkelingen stelt. Verder zal bij de plaatsing van windturbines recht gedaan moeten worden aan normerende en richtinggevende uitspraken die in de Catalogus Gebiedskenmerken over het landschap worden gedaan. Op de plaatsing van windturbines is altijd de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving van toepassing. Gebiedskenmerken Buiten uitsluitingsgebieden windenergie is de oprichting van windturbines in principe toegestaan op grond van het provinciale beleid. Of medewerking kan worden verleend aan een initiatief wordt beoordeeld met behulp van het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie

(OF, WAAR, HOE). Een belangrijk punt daarin is de vraag hoe de plaatsing van een windturbine zich verhoudt tot de gebiedskenmerken die van toepassing zijn in de specifieke lokale situatie. Er zal sprake moeten zijn van een goede landschappelijke inpassing op basis van de aanwezige gebiedskenmerken. Deze eis vloeit voort uit het bepaalde in afdeling 4.2 en 4.3 van deze verordening (sturen op ruimtelijke kwaliteit, duurzaamheid en sociale kwaliteit). In artikel 4.9 en volgende is geregeld hoe onderbouwd moet worden dat een initiatief bijdraagt aan het versterken van ruimtelijke kwaliteit. Ecologisch onderzoek Afhankelijk van de situering ten opzichte van natuurgebieden, zal ecologisch onderzoek nodig zijn om aan te tonen dat de oprichting van de windturbines niet zal leiden tot significante effecten op beschermde natuurwaarden. Beperkingengebieden windenergie luchthavenbesluit Twente Airport Op de kaart windenergie staan beperkingengebieden aangegeven. De beperkingen voor het oprichten van windturbines in deze gebieden worden niet geregeld in paragraaf 4.11.2 Windturbines, maar komen voort uit de hoogtebeperkingen die worden opgelegd in artikel 7.16 van het Luchthavenbesluit Twente Airport voor de vliegveiligheid. Artikel 4.108a (instructieregel voorkeursgebieden windenergie) Wij streven naar grootschalige clustering van windturbines in landschappen die daarvoor geschikt zijn.

Daarmee kan een forse bijdrage geleverd worden aan de verduurzaming van de energievoorziening en voorkomen we versnippering van het landschap op andere plekken in de provincie. Om te zorgen dat deze voorkeursgebieden geschikt blijven voor grootschalige clusters van windturbines, regelen wij aan de ene kant vrijwaring van ontwikkelingen die dat in de weg staan. Aan de andere kant zorgen we met de eis van een optimale invulling voor windenergie, dat het gebied zo goed mogelijk benut wordt voor de windopgave. Dit betekent dat windprojecten die kleiner zijn dan de ruimtelijke potentie zo vormgegeven worden dat toekomstige projecten in het gebied mogelijk blijven.

Artikel 4.108b (instructieregel clustering windturbines) We voeren voor windturbines een clustereis in met het oog op de ruimtelijke kwaliteit. Met de clustereis gaan we versnippering van het

landschap tegen en maken we opstellingen met meerdere windturbines mogelijk die een rustig beeld opleveren. De clustereis betekent niet dat alleen nog initiatieven van 4 windturbines en meer mogelijk zijn. Door op een goede manier aan te sluiten op andere/bestaande initiatieven, kan aan de clustereis worden voldaan. Het gaat immers om de ruimtelijke samenhang en de onderbouwing daarvan. Dat geldt ook als aangesloten wordt op de opstelling van windturbines aan de andere kant van de Duitse grens, mits er ruimtelijk sprake is van één cluster. Om duidelijk te maken hoe de clustereis kan worden ingevuld, gaan we de handreiking wind aanvullen met voorbeelden. Bij de ruimtelijke criteria die daarbij kunnen worden toegepast spelen landschapstypen, overige bebouwing en infrastructuur een rol. Artikel 4.108c (programmeringsafspraken windenergie) We gaan programmeringsafspraken maken met gemeenten waarin we vastleggen hoeveel windturbines er per gemeente gerealiseerd gaan worden om te voldoen aan de afspraken die gemaakt zijn in het kader van de Regionale Energiestrategie. Daarmee zorgen we voor een evenwichtige spreiding van de opgave voor windenergie over de provincie. Doel daarvan is de openheid en kwaliteit van het landschap te waarborgen.

Hoe we de programmeringsafspraken gaan maken en welke inhoud de afspraken krijgen, werken we verder uit in het Provinciaal Programma Energiestrategie. Artikel 4.108d (instructieregel erfmolens) In de instructieregels voor windenergie maken we een onderscheid tussen windturbines en erfmolens. Daardoor komen erfmolens niet te vallen onder de clustereis die wel voor windturbines wordt gesteld. Door hun veel grotere hoogte hebben windturbines een veel grotere impact op het landschap dan de kleine erfmolens. De clustereis voor grote windturbines moet ervoor zorgen dat met een lijnopstelling een rustig beeld in het landschap kan worden gecreëerd en deze windturbines niet als confetti over het landschap verspreid raken. De veel kleinere erfmolens zijn in principe goed in te passen in het landschap op bouwpercelen van (agrarische) bedrijven omdat daar als regel al een zekere bouwmassa aanwezig is van vergelijkbare hoogte. Voor de definitie van erfmolens is een belangrijk element dat deze kleine windturbines worden toegestaan voor de energieopwekking voor eigen gebruik. De aanleiding om erfmolens toe te staan op erven is dat er daarmee een directe relatie is met de functie waarvoor de

energie wordt opgewekt. Dit wil niet zeggen dat wordt uitgesloten dat er ook energie teruggeleverd kan worden aan het energienet op het moment dat de energie niet zelf gebruikt wordt. We gaan er vanuit dat de hoogte van de erfmolen afgestemd wordt op het vermogen dat nodig is voor eigen gebruik. Voor een goede landschappelijke inpassing is het gewenst om erfmolens alleen toe te staan op de bouwpercelen van (agrarische) bedrijven en niet bij burgerwoningen in het buitengebied. Op de bouwpercelen van (agrarische) bedrijven is als regel sprake van een bouwmassa van een behoorlijke omvang, hogere bebouwing en vaak hoog opgaande beplanting, waardoor een erfmolen minder gauw een storend element in de ruimte is. Ook biedt het bouwperceel van een (agrarisch) bedrijf meer ruimte om een erfmolen in te passen dan het erf van een burgerwoning. Een erfmolen met een maximale tiphoogte van 25 meter is in principe in elk landschap inpasbaar op bouwpercelen van (agrarische) bedrijven. Een hogere erfmolen kan ook landschappelijk inpasbaar zijn, maar dat vergt een individuele toets aan de hand van de gebiedskenmerken. Daarom is hiervoor een afwijkingsmogelijkheid opgenomen in dit artikel met de voorwaarde dat onderbouwd moet worden dat een hogere erfmolen op die locatie past in het landschap gelet op de uitspraken die daarover worden gedaan in de Catalogus Gebiedskenmerken.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Raalte&id=70da6644-cb48-4eb4-bb12-4b9626e63111