CConstaterende datRaalte
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 Ruimtelijke onderbouwing Berkendijk 3

Informatievoorziening raad 15 september 2021, gemeente RaalteBij agendapunt: Afwijken bestemmingsplan Buitengebied Berkendijk 3 Heino31.266 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Ruimtelijke onderbouwing

Berkendijk 3, Heino

Juni 2021

Status: definitief

Omgevingsvergunning Berkendijk 3, Heino Ruimtelijke onderbouwing

Ruimtelijke onderbouwing Berkendijk 3, Heino

Plannaam:

Berkendijk 3, Heino

Plantype:

Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een omgevingsvergunning

Datum:

Juni 2021

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

1

Omgevingsvergunning Berkendijk 3, Heino Ruimtelijke onderbouwing

INHOUDSOPGAVE HOOFDSTUK 1 INLEIDING ................................................................................... 3 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5

AANLEIDING ............................................................................................................................................... 3 LIGGING PROJECTGEBIED ............................................................................................................................... 3 HUIDIG PLANOLOGISCH REGIME ...................................................................................................................... 4 EISEN AAN DE RUIMTELIJKE ONDERBOUWING..................................................................................................... 5 LEESWIJZER ................................................................................................................................................ 6

HOOFDSTUK 2 DE HUIDIGE EN GEWENSTE SITUATIE ................................................... 7 2.1 2.2 2.3

HUIDIGE SITUATIE PROJECTGEBIED EN OMGEVING............................................................................................... 7 DE GEWENSTE SITUATIE................................................................................................................................. 8 VERKEER EN PARKEREN ............................................................................................................................... 10

HOOFDSTUK 3 BELEIDSKADER ........................................................................... 12 3.1 3.2 3.3

RIJKSBELEID .............................................................................................................................................. 12 PROVINCIAAL BELEID .................................................................................................................................. 13 GEMEENTELIJK BELEID................................................................................................................................. 21

HOOFDSTUK 4 MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN ................................................... 26 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9

GELUID .................................................................................................................................................... 26 BODEM.................................................................................................................................................... 27 LUCHTKWALITEIT ....................................................................................................................................... 28 EXTERNE VEILIGHEID ................................................................................................................................... 29 MILIEUZONERING ...................................................................................................................................... 31 GEUR ...................................................................................................................................................... 33 ECOLOGIE................................................................................................................................................. 33 ARCHEOLOGIE & CULTUURHISTORIE .............................................................................................................. 35 BESLUIT MILIEUEFFECTRAPPORTAGE .............................................................................................................. 36

HOOFDSTUK 5 WATERASPECTEN ........................................................................ 38 5.1 5.2

VIGEREND BELEID....................................................................................................................................... 38 WATERPARAGRAAF .................................................................................................................................... 40

HOOFDSTUK 6 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID .................................................. 42 HOOFDSTUK 7 VOOROVERLEG ........................................................................... 43 7.1 7.2 7.3

RIJK ........................................................................................................................................................ 43 PROVINCIE OVERIJSSEL ............................................................................................................................... 43 WATERSCHAP DRENTS OVERIJSSELSE DELTA ................................................................................................... 43

BIJLAGEN BIJ DE RUIMTELIJKE ONDERBOUWING ......................................................... 44 BIJLAGE 1 BIJLAGE 2 BIJLAGE 3

BODEMONDERZOEK ........................................................................................................................... 44 ONDERZOEK ASBEST IN BODEM ............................................................................................................. 45 UITGANGSPUNTENNOTITIE WATERSCHAP ................................................................................................ 46

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

2

Omgevingsvergunning Berkendijk 3, Heino Ruimtelijke onderbouwing

HOOFDSTUK 1 1.1

INLEIDING

Aanleiding

Voorliggende ruimtelijke onderbouwing heeft betrekking op het woonperceel aan de Berkendijk 3 te Heino (hierna: projectgebied). Ter plaatse van het woonperceel is een schuur aanwezig die enige tijd geleden is gerenoveerd waarbij de goothoogte is verhoogd. De hogere goothoogte heeft te maken met de karakteristieke bouwstijl van de schuur die past bij de op het perceel aanwezige Sallandse Boerderij. De hogere goothoogte is niet in overeenstemming met het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Het is gewenst om dit te legaliseren. Verder bestaat het voornemen om in de aanwezige schuren binnen het projectgebied maximaal 5 plattelandskamers te realiseren. Ten behoeve van de beoogde plattelandskamers worden aan de zuidzijde van het projectgebied een aantal parkeerplaatsen gerealiseerd. Tot slot is initiatiefnemer voornemens om ten noorden van het woonperceel een paardrijbak te realiseren voor hobbymatig gebruik. De voorgenomen ontwikkeling is niet in overeenstemming met de geldende bestemmingsplannen “Buitengebied Raalte”, “Buitengebied Raalte, correctieve herziening” en “Buitengebied Raalte, 2 e correctieve herziening”. In voorliggend geval kan van het bestemmingsplan worden afgeweken en medewerking worden verleend middels een omgevingsvergunning conform artikel 2.12 eerste lid onder a, sub 30 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

Deze afwijking van het bestemmingsplan moet gemotiveerd worden met een ruimtelijke onderbouwing waarin wordt aangetoond dat de ontwikkeling in overeenstemming is met ‘een goede ruimtelijke ordening’. Voorliggende ruimtelijke onderbouwing voorziet hierin.

1.2

Ligging projectgebied

Het projectgebied ligt in het buitengebied van de gemeente Raalte, ten oosten van de kern Heino. In afbeelding 1.1 is de ligging van het projectgebied in de kern en de directe omgeving weergegeven. Het projectgebied is indicatief weergegeven met de rode omlijning.

Afbeelding 1.1

Ligging van het projectgebied (Bron: PDOK)

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

3

Omgevingsvergunning Berkendijk 3, Heino Ruimtelijke onderbouwing

1.3

Huidig planologisch regime

1.3.1

Algemeen

In voorliggend geval is voor wat betreft de verbeelding het bestemmingsplan “Buitengebied Raalte” het geldend planologisch regime. Ten aanzien van de bouw- en gebruiksregels is het bestemmingsplan “Buitengebied Raalte, Verzamelplan 2020” leidend. Het bestemmingsplan “Buitengebied Raalte” is vastgesteld door de gemeenteraad van Raalte op 8 juni 2012 en in werking getreden op 17 oktober 2012. Daarna is het bestemmingsplan op onderdelen aangepast middels de correctieve herzieningen. Op 10 september 2020 is het bestemmingsplan “Buitengebied Raalte, Verzamelplan 2020” vastgesteld. Tot slot is het “Paraplubestemmingsplan Parkeren” van toepassing op het projectgebied. Dit paraplubestemmingsplan bevat regels omtrent het parkeren. Afbeelding 1.2 bevat een uitsnede van de verbeelding behorende bij het bestemmingsplan “Buitengebied Raalte”. Hierin is het projectgebied met de rode contour aangegeven.

Afbeelding 1.2

1.3.2

Uitsnede geldend bestemmingsplan (Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)

Beschrijving bestemming

Op basis van het bestemmingsplan “Buitengebied Raalte” zijn de gronden binnen het projectgebied voorzien van de bestemmingen ‘Agrarisch’ en ‘Wonen’. Binnen de woonbestemming is tevens een bouwvlak en de functieaanduiding ‘specifieke vorm van wonen- voormalig bedrijfsbebouwing’ opgenomen. Tot slot geldt voor het gehele projectgebied de gebiedsaanduiding ‘geen reconstructiezone’. De regels behorend bij deze gebiedsaanduiding zijn niet relevant in het kader van voorgenomen ontwikkeling, daarom wordt hier niet nader op ingegaan.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

4

Omgevingsvergunning Berkendijk 3, Heino Ruimtelijke onderbouwing Bestemming ‘Agrarisch’ Gronden met de bestemming ‘Agrarisch’ zijn hoofdzakelijk bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf. In de bouwregels is bepaald dat paardenbakken zijn toegestaan binnen het bouwvlak. Ter plaatse van het projectgebied is binnen de bestemming ‘Agrarisch’ geen bouwvlak opgenomen. Bestemming ‘Wonen’ De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn hoofdzakelijk bestemd voor het wonen (daaronder begrepen kleinschalige beroepen- en bedrijven-aan-huis). Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen – voormalig bedrijfsbebouwing’ is voormalige bedrijfsbebouwing toegestaan. In de bouwregels is bepaald dat ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen – voormalig bedrijfsbebouwing’ onder andere de maximale inhoud en bouw- en goothoogte de bestaande inhoud en bouw- en goothoogte mag bedragen. Daarnaast is bepaald dat voor reeds bestaande bijgebouwen boven de 150 m2 geldt dat uitbreiding van bestaande bebouwing in geen geval is toegestaan. 1.3.3

Strijdigheid

De voorgenomen ontwikkeling gaat uit van het legaliseren van een afwijkende goothoogte van een bestaande schuur. Daarnaast is het voornemen om plattelandskamers te realiseren in bestaande bebouwing, het realiseren van een paardrijbak ten noorden van de woonbestemming en het realiseren van parkeerplaatsen ten zuiden van de woonbestemming (beiden binnen de ter plaatse geldende agrarische bestemming). In het bestemmingsplan “Buitengebied Raalte, Verzamelplan 2020” zijn ten behoeve van de beoogde paardrijbak en plattelandskamers de volgende binnenplanse afwijkingen opgenomen: •

•

Op basis van artikel 3.4.7 kan onder voorwaarden afgeweken worden van de bouwregels binnen de bestemming ‘Agrarisch’ om paardenbakken buiten het bouwvlak toe te staan behorende bij de bestemming ‘Wonen’. Op basis van artikel 31.5 onder p kan onder voorwaarden worden afgeweken van de gebruiksregels binnen de bestemming ‘Wonen’, ten behoeve van het realiseren van plattelandskamers.

Voor wat betreft het ophogen van de goothoogte en het realiseren van de beoogde parkeerplaatsen buiten de woonbestemming wordt buitenplans afgeweken van het bestemmingsplan.

1.4

Eisen aan de ruimtelijke onderbouwing

Een op artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 3o Wabo gebaseerde zelfstandige instructie voor de inhoud en inrichting van een ruimtelijke onderbouwing ontbreekt in het Besluit omgevingsrecht (Bor). Artikel 5.20 van het Bor verklaart voor de inhoud van een ruimtelijke onderbouwing de artikelen 3.1.2, 3.1.6 en 3.3.1, eerste lid, van het Bro van overeenkomstige toepassing. Voorliggende ruimtelijke onderbouwing belicht alle relevante aspecten vanuit de ruimtelijke ordening en toont aan dat voorliggend project in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. In een goede ruimtelijke onderbouwing zijn neergelegd: 1. 2. 3. 4.

5.

een verantwoording van de gemaakte keuzen; een beschrijving van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding; Hiervoor wordt verwezen naar hoofdstuk 5; de uitkomsten van het in artikel 3.1.1 bedoelde overleg; Hiervoor wordt verwezen naar hoofdstuk 7; de uitkomsten van het met toepassing van artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht verrichte onderzoek; verwezen wordt naar de gehele ruimtelijke onderbouwing waaruit blijkt dat met alle relevante feiten en af te wegen belangen rekening is gehouden; een beschrijving van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding zijn betrokken; het ontwerpbesluit zal voor een ieder ter inzage worden gelegd. Er wordt gelegenheid geboden om zienswijzen in te dienen; BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

5

Omgevingsvergunning Berkendijk 3, Heino Ruimtelijke onderbouwing 6.

de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan; Verwezen wordt naar hoofdstuk 6.

Voor zover bij het project geen milieueffectrapport als bedoeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer wordt opgesteld, waarin de hierna volgende onderdelen zijn beschreven, worden in de ruimtelijke onderbouwing ten minste neergelegd: 7. 8.

9.

1.5

een beschrijving van de wijze waarop met de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden; Verwezen wordt naar paragraaf 4.7. voor zover nodig een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met overige waarden van de in het besluit begrepen gronden en de verhouding tot het aangrenzende gebied; In hoofdstuk 4 is aandacht besteed aan diverse relevante aspecten; een beschrijving van de wijze waarop krachtens hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer vastgestelde milieukwaliteitseisen bij het besluit zijn betrokken; het betreffende hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer heeft betrekking op luchtkwaliteitseisen. De milieu- en omgevingsaspecten zijn beschreven in hoofdstuk 4.

Leeswijzer

Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving van de huidige en gewenste situatie van het projectgebied gegeven. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het beleidskader. Hierin wordt het beleid van het Rijk, de provincie Overijssel en de gemeente Raalte beschreven. In hoofdstuk 4 passeren de relevante milieuaspecten de revue en in hoofdstuk 5 wordt in gegaan op het aspect water. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de economische uitvoerbaarheid van het project en tot slot wordt in hoofdstuk 7 ingegaan op het vooroverleg.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

6

Omgevingsvergunning Berkendijk 3, Heino Ruimtelijke onderbouwing

HOOFDSTUK 2 2.1

DE HUIDIGE EN GEWENSTE SITUATIE

Huidige situatie projectgebied en omgeving

Het projectgebied bevindt zich aan de Berkendijk 3 in het buitengebied van de gemeente Raalte, ten oosten van de kern Heino. De directe omgeving kenmerkt zich door verspreid liggende woonpercelen, agrarische bedrijfspercelen en agrarische cultuurgronden. De belangrijkste ruimtelijke structuurdrager in de omgeving van het projectgebied betreft de Rondweg Heino. Het projectgebied wordt aan de noord- en westzijde omgeven door agrarische cultuurgronden. Aan de zuidzijde is een woonperceel aanwezig (Berkendijk 3A). Daarnaast is ten westen van het projectgebied een bosstrook aanwezig met daarachter de Rondweg Heino. Binnen het projectgebied is een voormalig agrarisch bedrijfsperceel aanwezig. Het perceel is al geruime tijd in gebruik als woonperceel. Tussen de bebouwing zijn de gronden overwegend verhard (erfverharding). Verder zijn de gronden aan de randen van het projectgebied hoofdzakelijk onverhard (tuin of agrarische cultuurgronden). Aan het zuidzijde is een in- en uitrit aanwezig die langs het ten zuiden gelegen woonperceel loopt en aansluit op de Berkendijk. In afbeelding 2.1 is door middel van een luchtfoto de huidige situatie van het projectgebied (rode contour) weergegeven.

Afbeelding 2.1

Luchtfoto ligging projectgebied in de directe omgeving (Bron: PDOK)

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

7

Omgevingsvergunning Berkendijk 3, Heino Ruimtelijke onderbouwing

2.2

De gewenste situatie

2.2.1

Het voornemen

De wens is om de goothoogte van de gerenoveerde schuur te legaliseren. De goothoogte bedraagt nu circa 3,3 en 3,8 meter, daar waar 3 meter is toegestaan. Verder bestaat het voornemen om in de aanwezige schuren binnen het projectgebied maximaal 5 plattelandskamers te realiseren. Ten behoeve van de beoogde plattelandskamers worden aan de zuidzijde van het projectgebied een aantal parkeerplaatsen gerealiseerd (zie ook afbeelding 2.2). Tot slot is initiatiefnemer voornemens om ten noorden van het woonperceel een paardrijbak te realiseren voor hobbymatig gebruik. De paardijkbak heeft een oppervlakte van circa 335 m 2. Rondom de paardrijbak komt een houten hekwerk van maximaal circa 1,15 meter hoog. Tot slot komt er één lichtmast die op de paardrijbak schijnt (circa 5,4 m hoog). In het kader van voorgenomen ontwikkeling is een erfinrichtingsplan opgesteld. In afbeelding 2.2 is het erfinrichtingsplan weergegeven. Deze wordt aansluitend toegelicht.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

8

Omgevingsvergunning Berkendijk 3, Heino Ruimtelijke onderbouwing

Afbeelding 2.2

Erfinrichtingsplan (Bron: BJZ.nu)

De gerenoveerde schuur is de meest zuidelijk gelegen schuur die met nummer 2 is aangeduid in afbeelding 2.2. Binnen deze schuur en de andere met nummer 2 aangeduide schuren, is het voornemen om gezamenlijk maximaal 5 plattelandskamers te realiseren. De beoogde paardrijbak is aangeduid met nummer 4. Ten aanzien van de gerenoveerde schuur wordt opgemerkt dat de goothoogte is verhoogt in verband met de karakteristieke bouwstijl van de schuur. Deze past (beter) bij de binnen het projectgebied aanwezige Sallandse Boerderij (de woning). De gerenoveerde schuur draagt hiermee bij aan een ruimtelijke kwaliteitsverbetering ter plaatse en wordt daarom aanvaardbaar geacht.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

9

Omgevingsvergunning Berkendijk 3, Heino Ruimtelijke onderbouwing 2.2.2

Landschappelijke inpassing

Het perceel aan de Berkendijk 3 voldoet aan de karakteristieke kenmerken van het kampenlandschap. De perceelgrenzen worden overwegend geflankeerd door singels. Hiermee is het perceel voldoende landschappelijk ingepast conform de ter plaatse aanwezige landschapskarakteristieken. De singels dienen dan ook behouden te blijven, evenals de overige bestaande groenstructuren op het perceel. De omliggende groenstructuren zijn van grote omvang en kwaliteit. Het is landschappelijk gezien niet wenselijk de open plekken op het perceel aan te planten met groenstructuren. Initiatiefnemer is wel voornemens om een waterpartij aan de westzijde van het perceel aan te leggen (aangeduid met nummer 1). Deze waterpartij zal aan de westzijde aan flauw talud krijgen. De oever moet een flauw talud krijgen van 1:2 tot 1:5 waardoor zich spontaan oevervegetatie kan ontwikkelen. Om het proces te versnellen kan gekozen worden de oevers in te zaaien. Om te voorkomen dat de natuurvriendelijk aangelegde oever overwoekerd wordt door ongewenste soorten, kan inzaai van een ter plaatse thuishorend zaadmengsel plaatsvinden. Een bloemrijk kruidenmengsel met bijvoorbeeld zeggensoorten kan een aantrekkelijk alternatief bieden voor de inplant van riet. Ook een combinatie van inplant van riet en/of zeggen en het inzaaien van natuurzaden is mogelijk.

Het ruigtefloramengsel RN-17 is geschikt voor matig voegselrijke vochtige grondsoorten, zoals oevers of laaggelegen vochtige gronden. Een dergelijke waterpartij draagt bij aan de biodiversiteit ter plaatse. Voor het overige is het perceel voldoende landschappelijk ingepast in het kenmerkende kampenlandschap. Het is daarom niet noodzakelijk/gewenst om extra beplanting aan te leggen/planten.

2.3

Verkeer en parkeren

2.3.1

Algemeen

Bij nieuwe ruimtelijk ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte en de verkeersgeneratie die ontstaat door de nieuwe ontwikkeling. Voor het berekenen van de parkeerbehoefte wordt aangesloten bij de uitgangspunten uit de nota ‘Parkeernormen Raalte 2015’. Deze parkeernormen zijn geënt op de landelijke parkeerkencijfers van het CROW. Voor de verkeersgeneratie wordt aangesloten bij de CROW-publicatie 'Toekomstbestendig parkeren, publicatie 381 (december 2018)'. Deze kencijfers zijn gebaseerd op literatuuronderzoek en praktijkervaringen van gemeenten. De kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeergeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen. Bij het gebruik van kencijfers moet rekening worden gehouden met onder meer de bereikbaarheidskenmerken van de locatie. Ook de stedelijkheidsgraad is van invloed op het aanbod en de kwaliteit van alternatieve vervoerswijzen en dus op de hoogte van het parkeerkencijfer. Onder stedelijkheidsgraad wordt verstaan het aantal adressen per vierkante kilometer. In de vermelde publicatie van het CROW worden parkeerkencijfers weergegeven onderverdeeld naar functies, de stedelijke zone en de stedelijkheidsgraad. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in het toevoegen van 5 plattelandskamers.

De beoogde paardrijbak is voor eigen hobbymatig gebruik er zorgt op zichzelf niet voor een toename van de parkeerbehoefte of verkeersgeneratie.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

10

Omgevingsvergunning Berkendijk 3, Heino Ruimtelijke onderbouwing 2.3.2

Parkeerbehoefte

In de ‘Parkeernormen Raalte 2015’ zijn plattelandskamers niet specifiek benoemd. Gelet op de aard en omvang van de plattelandskamers wordt uitgegaan dat er maximaal één parkeerplaats nodig is per plattelandskamer. Hiermee is sprake van een totale parkeerbehoefte van vijf parkeerplaatsen. Gezien de omvang van het projectgebied is er ruim voldoende ruimte om de benodigde extra parkeerplaatsen te realiseren, naast de bestaande parkeerbehoefte ten behoeve van de woning (= 2,4 parkeerplaatsen). Geconcludeerd wordt dat er (ruim) voldoende ruimte is om het parkeren op eigen terrein te realiseren. 2.3.3

Verkeersgeneratie

Ook in de CROW-publicatie 'Toekomstbestendig parkeren, publicatie 381 (december 2018)' zijn plattelandskamers niet specifiek benoemd. De maximale (worst-case) verkeersgeneratie wordt daarom berekend op basis van het aantal plattelandskamers. De volgens uitgangspunten worden gehanteerd: • • • •

Maximale bezetting van vijf plattelandskamers; Aankomst en vertrek (10 verkeersbewegingen); Boodschappen (heen en terug - 10 verkeersbewegingen); Uitjes ochtend, middag en avond (heen en terug 30 verkeersbewegingen).

Het vorenstaande betekend een maximale verkeersgeneratie van (10+10+30=) 50 verkeersbewegingen. Benadrukt wordt dat het hier gaat om een uiterste worst-case situatie. In werkelijkheid kan er redelijkerwijs vanuit worden gegaan dat, gemiddeld gezien, de verkeersgeneratie lager ligt. De huidige in- en uitrit en omliggende infrastructuur zijn in voldoende mate ingericht om de voorgenoemde verkeersbewegingen eenvoudig en veilig af te kunnen wikkelen. 2.3.4

Conclusie

Op basis van het vorenstaande wordt geconcludeerd dat de aspecten verkeer en parkeren geen belemmering vormen voor de voorgenomen ontwikkeling.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

11

Omgevingsvergunning Berkendijk 3, Heino Ruimtelijke onderbouwing

HOOFDSTUK 3

BELEIDSKADER

Dit hoofdstuk beschrijft, voor zover van belang, het rijks-, provinciaal- en gemeentelijk beleid. Naast de belangrijkste algemene uitgangspunten worden de specifiek voor dit projectgebied geldende uitgangspunten weergegeven.

3.1

Rijksbeleid

3.1.1

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)

3.1.1.1 Algemeen De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is op 13 maart 2012 vastgesteld. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geeft een totaalbeeld van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en vervangt de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de MobiliteitsAanpak en de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving. Tevens vervangt het een aantal ruimtelijke doelen en uitspraken in onder andere de Agenda Landschap en de Agenda Vitaal Platteland. Daarmee wordt de SVIR het kader voor thematische of gebiedsgerichte uitwerkingen van rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. 3.1.1.2 Opgaven van nationaal belang In de SVIR heeft het Rijk drie rijksdoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028): • • •

Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijkeconomische structuur van Nederland; Het verbeteren, instandhouden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat; Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

Voor de drie rijksdoelen worden de 13 onderwerpen van nationaal belang benoemd. Hiermee geeft het Rijk aan waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. Buiten deze nationale belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. De drie hoofddoelen van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid kennen nationale opgaven die regionaal neerslaan. Opgaven van nationaal belang in Oost-Nederland (de provincies Gelderland en Overijssel) zijn: •

•

• •

Het waar nodig verbeteren van de internationale achterlandverbindingen (weg, spoor en vaarwegen) die door Oost Nederland lopen. Dit onder andere ten behoeve van de mainports Rotterdam en Schiphol; Het formuleren van een integrale strategie voor het totale rivierengebied van Maas en Rijntakken (Waal, Nederrijn, Lek en de IJssel, deelprogramma rivieren van het Deltaprogramma) en de IJsselvechtdelta (deelprogramma’s zoetwater en rivieren) voor waterveiligheid in combinatie met bereikbaarheid, ruimtelijke kwaliteit, natuur, economische ontwikkeling en woningbouw; Het tot stand brengen en beschermen van de NNN, inclusief de Natura 2000 gebieden (zoals de Veluwe); Het robuust en compleet maken van het hoofdenergienetwerk (380 kV), onder andere door het aanwijzen van het tracé voor aansluiting op het Duitse hoogspanningsnet.

3.1.1.3 Ladder van duurzame verstedelijking In de SVIR is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2) opgenomen.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

12

Omgevingsvergunning Berkendijk 3, Heino Ruimtelijke onderbouwing Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij geldt een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt. Teneinde een ontwikkeling adequaat te kunnen toetsen aan de ladder is het noodzakelijk inzicht te geven in de begrippen ‘bestaand stedelijk gebied’ en ‘stedelijke ontwikkeling’. In de Bro zijn in artikel 1.1.1 definities opgenomen voor: bestaand stedelijk gebied: ‘bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur’. stedelijke ontwikkeling: ´ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.´ Bij het beschrijven van de behoefte dient te worden uitgegaan van het saldo van de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling (de komende tien jaar, zijnde de looptijd van het bestemmingsplan) verminderd met het aanbod in planologische besluiten, ook als het feitelijk nog niet is gerealiseerd (harde plancapaciteit). 3.1.2

Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten in het rijksbeleid

Het rijksbeleid laat zich niet specifiek uit over dergelijke lokale ontwikkelingen. Het initiatief raakt geen rijksbelangen zoals opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Wat betreft de “Ladder voor duurzame verstedelijking” wordt opgemerkt dat toetsing noodzakelijk is bij “nieuwe stedelijke ontwikkelingen” (3.1.6 Bro). Op basis jurisprudentie kan worden gesteld dat: • • •

Planologische gebruikswijzigingen zonder een toename van bouwmogelijkheden in de hoofdregel niet te kwalificeren zijn als Ladderplichtige stedelijke ontwikkelingen. Indien sprake is van “zodanige functiewijzigingen” kunnen planologische gebruikswijzigingen wel worden gekwalificeerd als een Ladderplichtige stedelijke ontwikkeling. Wanneer kan sprake zijn van een “zodanige functiewijziging”? Bepalend daarvoor is of een functiewijziging van invloed is op het woon-, leef- en ondernemersklimaat elders.

In geval van de Berkendijk 3 is sprake van een functiewijziging van bestaande bebouwing ten behoeve van he realiseren van plattelandskamers. Daarnaast wordt een bestaande goothoogte van een schuur ‘gelegaliseerd’, parkeerplaatsen aangelegd ten behoeve van bezoekers van de beoogde plattelandskamers en een paardrijbak voor hobbymatig gebruik gerealiseerd. Het betreft een kleinschalige ontwikkeling waarbij de functies (plattelandskamers en paardrijbak) bij uitstek geschikt zijn in het buitengebied. Tevens is er geen sprake van onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. Gezien het vorenstaande wordt geconcludeerd dat, in dit geval geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, lid 2 van het Bro. Het nader toetsen van het initiatief aan de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' is niet noodzakelijk. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van strijd met het rijksbeleid.

3.2

Provinciaal beleid

Het provinciaal beleid is verwoord in tal van plannen. Het belangrijkste plan betreft de Omgevingsvisie Overijssel, welke is verankerd in de Omgevingsverordening. 3.2.1

Omgevingsvisie Overijssel

De Omgevingsvisie Overijssel is het integrale provinciale beleidsplan voor de fysieke leefomgeving van Overijssel. De hoofdambitie van de Omgevingsvisie is een toekomstvaste groei van welvaart en welzijn met een verantwoord beslag op de beschikbare natuurlijke hulpbronnen en voorraden.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

13

Omgevingsvergunning Berkendijk 3, Heino Ruimtelijke onderbouwing Leidende thema’s voor de Omgevingsvisie zijn: • •

Duurzaamheid; Ruimtelijke kwaliteit.

Enkele belangrijke beleidskeuzes waarmee de provincie haar ambities wil realiseren zijn: • • •

• 3.2.2

door meer aandacht voor herstructurering wordt ingezet op een breed spectrum aan woon-, werk- en mixmilieu’s; dorpen en steden worden gestimuleerd hun eigen kleur te ontwikkelen; investeren in een hoofdinfrastructuur voor wegverkeer, trein, fiets en waarbij veiligheid en doorstroming centraal staan; zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik; deze methode gaat ervan uit dat eerst het gebruik van de ruimte wordt geoptimaliseerd, dan de mogelijkheid van meervoudig ruimtegebruik wordt onderzocht en dan pas de mogelijkheid om het ruimtegebruik uit te breiden, wordt bekeken; ruimtelijke plannen ontwikkelen aan de hand van gebiedskenmerken en keuzes voor duurzaamheid. Omgevingsverordening Overijssel

De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. 3.2.3

Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel

De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten: 1. 2. 3.

Of – generieke beleidskeuzes; Waar – ontwikkelingsperspectieven; Hoe – gebiedskenmerken.

Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht. Of – generieke beleidskeuzes Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen nodig dan wel mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een maatschappelijke opgave. Of een initiatief mogelijk is, wordt onder andere bepaald door generieke beleidskeuzes van EU, Rijk of provincie. Denk aan beleidskeuzes om basiskwaliteiten als schoon drinkwater en droge voeten te garanderen. Andere generieke beleidskeuzes betreffen het voorkomen van overaanbod van bijvoorbeeld woningbouw- en kantoorlocaties. Ook wordt in deze fase de zogenaamde Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking gehanteerd. Deze Overijsselse ladder geeft een nadere invulling aan de vraag hoe de behoefte moet worden bepaald, zowel in de stedelijke als in de groene omgeving, en op welke wijze de regionale afstemming vorm gegeven moet worden. Integraliteit, toekomstbestendigheid, concentratiebeleid, (boven)regionale afstemming en zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik zijn beleidskeuzes die invulling geven aan de Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

14

Omgevingsvergunning Berkendijk 3, Heino Ruimtelijke onderbouwing Voor specifieke gebieden in Overijssel geldt dat niet alle initiatieven mogelijk zijn. Dit heeft te maken met zwaarwegende publieke belangen, gebiedsspecifieke beleidskeuzes om de zwaarwegende publieke belangen te borgen, zijn: reservering voor waterveiligheid en beperking wateroverlast, drinkwater/grondwaterbeschermingsgebieden, het Natuurnetwerk Nederland, de Nationale Landschappen en het provinciaal routenetwerk transport gevaarlijke stoffen. Waar – ontwikkelingsperspectieven Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities. De ontwikkelperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven. De ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend en bieden de nodige flexibiliteit voor de toekomst.

Hoe - gebiedskenmerken Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt. Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden. Afbeelding 3.1 geeft dit schematisch weer.

Afbeelding 3.1

Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel)

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

15

Omgevingsvergunning Berkendijk 3, Heino Ruimtelijke onderbouwing 3.2.4

Toetsing van het initiatief aan het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel

Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan de Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld. 3.2.4.1 Of - Generieke beleidskeuzes Ten aanzien van de generieke beleidskeuzes zijn artikelen 2.1.3 en 2.1.5 lid 1 uit de Omgevingsverordening Overijssel van belang. Hierna wordt nader op de artikelen ingegaan. Artikel 2.1.3

Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik

Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in stedelijke ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen op de groene omgeving wanneer aannemelijk is gemaakt: 1.

2.

dat er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied en de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en/of transformatie; dat mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut.

In de Omgevingsverordening Overijssel is het begrip “groene omgeving” nader gedefinieerd als: de gronden die niet vallen onder bestaand bebouwd gebied. In de Omgevingsverordening Overijssel is het begrip “bestaand bebouwd gebied” nader gedefinieerd als: de gronden binnen steden en dorpen die benut kunnen worden voor stedelijke functies op grond van geldende bestemmingsplannen en op grond van voorontwerp-bestemmingsplannen voor zover de provinciale diensten daarover schriftelijk een positief advies hebben uitgebracht in het kader van het vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Toetsing van het initiatief aan artikel 2.1.3 van de Omgevingsverordening Overijssel Ter plaatse zijn vijf plattelandskamers, een paardrijbak en bijbehorende parkeervoorzieningen beoogd. De plattelandskamers worden gerealiseerd in bestaande voormalige agrarische bebouwing. De paardrijbak zorgt niet voor een toename van verharding en de beoogde parkeerplaatsen buiten de woonbestemming zijn slechts van zeer beperkte omvang. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van extra ruimtebeslag door bouwen op de groene omgeving en dat van een toename van verharding (parkeerterrein) nauwelijks sprake is. In verband hiermee is het voorliggende ontwikkeling in overeenstemming met artikel 2.1.3 uit de Omgevingsverordening Overijssel.

Artikel 2.1.5 Ruimtelijke kwaliteit (lid 1) In de toelichting op bestemmingsplannen wordt onderbouwd dat de nieuwe ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt, bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit conform de geldende gebiedskenmerken. Toetsing van het initiatief aan artikel 2.1.5 lid 1 van de Omgevingsverordening Overijssel Met het realiseren van de plattelandskamers is er een nieuwe passende functie gevonden voor leegstaande schuren in het buitengebied van de gemeente Raalte. Het perceel is reeds goed landschappelijk ingepast. Deze landschappelijke inpassing blijft als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling behouden en wordt waar nodig versterkt (zie paragraaf 2.2). Hiermee is het voornemen in overeenstemming met artikel 2.1.5 uit de Omgevingsverordening Overijssel. 3.2.4.2 Ontwikkelingsperspectieven Het projectgebied behoort tot het ontwikkelingsperspectief “Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap”. In afbeelding 3.2 is een uitsnede van de perspectievenkaart behorende bij de Omgevingsvisie opgenomen. Het projectgebied is weergegeven met de rode contour.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

16

Omgevingsvergunning Berkendijk 3, Heino Ruimtelijke onderbouwing

Afbeelding 3.2

Uitsnede ontwikkelingsperspectievenkaart Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel)

“Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap” Het ontwikkelingsperspectief Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap richt zich op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van de diverse functies in het buitengebied. Aan de ene kant melkveehouderij, akkerbouw en opwekking van hernieuwbare energie als belangrijke vormen van landgebruik. Aan de andere kant gebruik voor natuur, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid. De ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw, maar ook die voor de andere sectoren, wil de provincie Overijssel in dit ontwikkelingsperspectief nadrukkelijk verbinden met behoud en versterking van cultuurhistorische, natuurlijke en landschapselementen. Het waterbeheer richt zich op optimale condities voor de lokaal aanwezige functies, rekening houdend met de klimaatopgave en de kenmerken van het watersysteem. Toetsing van het initiatief aan het “Ontwikkelingsperspectief” Voorliggend initiatief voorziet in het realiseren van plattelandskamers en een paardrijbak. Het realiseren van deze functies is passend binnen het mixlandschap, waar ruimte is voor een verscheidenheid aan functies. 3.2.4.3 Gebiedskenmerken Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch-cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en -opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen.

De stedelijk laag wordt in dit geval buiten beschouwing gelaten, aangezien voor het projectgebied geen specifieke eigenschappen gelden. 1.

De “Natuurlijke laag”

Overijssel bestaat uit een rijk en gevarieerd spectrum aan natuurlijke landschappen. Deze vormen de basis voor het gehele grondgebied van Overijssel. Het beter afstemmen van ruimtelijke ontwikkelingen op de natuurlijke laag kan ervoor zorgen dat de natuurlijke kwaliteiten van de provincie weer mede beeldbepalend BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

17

Omgevingsvergunning Berkendijk 3, Heino Ruimtelijke onderbouwing worden. Ook in steden en dorpen bij voorbeeld in nieuwe waterrijke woonmilieus en nieuwe natuur in stad en dorp. Het projectgebied is op de gebiedskenmerkenkaart de “Natuurlijke laag” aangeduid met de gebiedstype “Dekzandvlakte en ruggen”. In afbeelding 3.3 is dat aangegeven.

Afbeelding 3.3

De “Natuurlijke laag” (Bron: Provincie Overijssel)

“Dekzandvlakte en ruggen” De dekzandgronden beslaan een groot gedeelte van de oppervlakte van de provincie. Na de ijstijden bleef er in grote delen een reliëfrijk – door de wind gevormd – zandlandschap achter, dat gekenmerkt wordt door relatief grote verschillen tussen hoog/droog en laag/nat gebied. Als ontwikkelingen plaats vinden, dan dragen deze bij aan het beter zichtbaar en beleefbaar maken van de hoogteverschillen en het watersysteem. Beiden zijn tevens uitgangspunt bij (her)inrichting. Bij ontwikkelingen is de (strekkings)richting van het landschap, gevormd door de afwisseling van beekdalen en ruggen, het uitgangspunt. Toetsing van het initiatief aan de “Natuurlijke laag” In het gebied zijn de kenmerken van het oorspronkelijke landschap nauwelijks meer waarneembaar. Dit komt hoofdzakelijk doordat het gebied in het verleden in cultuur is gebracht ten behoeve van het agrarisch bedrijf en de landbouw. De aard en omvang van dit project is van een beperkte omvang. Het nog aanwezige natuurlijke reliëf wordt met dit plan dan ook niet (verder) aangetast. De ontwikkeling is in overstemming met het gestelde in de ‘Natuurlijke laag’. 2.

De “Laag van het agrarisch cultuurlandschap”

In het agrarisch cultuurlandschap gaat het er altijd om dat de mens inspeelt op de natuurlijke omstandigheden en die ten nutte maakt. Hierbij hebben nooit ideeën over schoonheid een rol gespeeld. Wel zijn we ze in de loop van de tijd gaan waarderen om hun ruimtelijke kwaliteiten. Vooral herkenbaarheid, contrast en afwisseling worden gewaardeerd. De ambitie is gericht op het voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen door óf versterking óf behoud óf ontwikkeling of een combinatie hiervan. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

18

Omgevingsvergunning Berkendijk 3, Heino Ruimtelijke onderbouwing Het projectgebied is op de gebiedskenmerkenkaart de “Laag van het agrarisch cultuurlandschap” aangeduid met de gebiedstype “Oude hoevenlandschap”.

Afbeelding 3.4

De “Laag van het agrarisch cultuurlandschap” (Bron: Provincie Overijssel)

“Oude hoevenlandschap” Het Oude Hoevenlandschap betreft een landschap met verspreide erven. Het werd ontwikkeld nadat de complexen met de grote essen ‘bezet’ waren en een volgende generatie boeren nieuwe ontwikkelingsruimte zocht. Die vonden ze bij kleine dekzandkopjes die individueel werden ontgonnen. Dit leidde tot een landschap dat dezelfde opbouw kent als het essenlandschap, alleen in een meer kleinschalige, meer individuele en jongere variant. Deze kleinere maat en schaal is tevens de reflectie van de natuurlijke ondergrond. Het landschap is contrastrijk met veel variatie op de korte afstand. Als ontwikkelingen plaatsvinden in het oude hoevenlandschap, dan dragen deze bij aan behoud en accentuering van de dragende structuren (groenstructuur en routes) van het oude hoevenlandschap, en aan de samenhang en de karakteristieke verschillen tussen de landschapselementen. Toetsing van het initiatief aan de “Laag van het agrarisch cultuurlandschap” In het geval van voorliggend initiatief is geen sprake van onevenredige aantasting van de landschapswaarden, immers gaat het hoofdzakelijk om functiewijziging van bestaande bebouwing ten behoeve van het realiseren van plattelandskamers. Daarnaast wordt opgemerkt dat het projectgebied reeds goed landschappelijk is ingepast (zie ook paragraaf 2.2).

Gezien het vorenstaande is de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming met de ter plekke geldende gebiedskenmerken van de “laag van het Agrarisch cultuurlandschap”. 3.

De “Laag van de beleving“

Het plangebied is op de gebiedskenmerkenkaart de “Laag van de beleving” aangeduid als “IJssellinie inundatieveld”. In afbeelding 3.5 is dat weergegeven. Deze aanduiding valt onder het gebiedskenmerk ‘Bakens in de tijd’.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

19

Omgevingsvergunning Berkendijk 3, Heino Ruimtelijke onderbouwing

Afbeelding 3.5

De “Stedelijke laag” (Bron: Provincie Overijssel)

“Bakens in de tijd – IJsselline inundatieveld” Bakens in de tijd zijn relicten van diverse aard uit verschillende perioden van de wordingsgeschiedenis van Overijssel. Geologische monumenten (bv pingo’s), archeologische monumenten en vindplaatsen, schansen, verdedigingslinies, kapelletjes, religieuze monumenten, historische wegen tot landschappelijke ensembles zoals De Kolonie. Bakens zijn niet alleen (water)torens en andere hoge, kenmerkende bouwsels, ook patronen als de (ruil)verkavelingsstructuur vormen een baken in de tijd. De essentie van de bakens in de tijd is, dat ze de verhalende laag toevoegen aan het landschap. Het zijn belangrijke ingrediënten in de opbouw van gebiedsidentiteit. Het zijn plekken waar ‘tijdsdiepte’ tot intense indrukken leidt. Creëer verbindingen en verbanden tussen bestaande bakens die onderdeel van een groter geheel zijn, maar nu verloren of geïsoleerd in het landschap liggen. Voeg bakens van deze tijd toe. Behoud monumenten, karakteristieke gebouwen en cultuurhistorische waarden door ze bewust in te zetten in gebiedsopgaves. Maak de bakens meer zichtbaar en ontwikkel recreatieve routes langs deze bakens met uitleg over de ontstaansgeschiedenis.

Toetsing van het initiatief aan de “Laag van de beleving” Wat betreft het IJssellinie inundatieveld kan worden gesteld dat er in het projectgebied geen bijzondere geologische danwel bouwkundige monumenten aanwezig zijn. Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar paragraaf 4.8, waar nader wordt ingegaan op het aspect archeologie. Geconcludeerd wordt dat de ‘Laag van de beleving” zich niet verzet tegen de voorgenomen ontwikkeling. 4.2.5

Conclusie toetsing aan het provinciaal beleid

Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de uitgangspunten uit het provinciaal beleid zoals genoemd in de Omgevingsvisie Overijssel en is verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

20

Omgevingsvergunning Berkendijk 3, Heino Ruimtelijke onderbouwing

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1

Omgevingsvisie Horizon gemeente Raalte 2040

3.3.1.1 Algemeen De omgevingsvisie is een strategisch document. Het geeft richting aan de ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving van de gemeente Raalte. Een belangrijk onderdeel van de omgevingsvisie zijn de kernopgaven. Hierin is een driedeling gemaakt in kernopgaven voor het buitengebied, toekomstbestendige wijken en dorpen en de identiteit en regio. 3.3.1.2 Het buitengebied Ambitie: Raalte als groen en innovatief productielandschap Het groene en agrarische karakter van ons buitengebied is de kern van onze identiteit. Dit krachtige en afwisselende landschap vormt de onderlegger van een nieuwe toekomst voor ons landelijk gebied en zullen we daarom verder ontwikkelen en waar nodig beschermen. In de toekomst is ons buitengebied een divers en modern productie- en werklandschap met toekomstbestendige landbouw, dat vitaal is, reuring kent, maar waar ook gewoond wordt en waar aandacht is voor de natuur- en landschapswaarden. Innovatie, technologie, klimaatdiensten en duurzame energieopwekking maken nadrukkelijk onderdeel uit van het nieuwe verdienmodel van ons buitengebied, evenals brede nevenactiviteiten door agrariërs, zoals zorg, educatie of toerisme. De gemeente onderkent dat de energietransitie voor een groot deel in het buitengebied zal landen en een belangrijke veranderkracht vormt voor de toekomst van ons landelijk gebied.

Nieuwe vormen van duurzame energieopwekking maken onderdeel uit van de nieuwe Horizon en bieden agrarische ondernemers kansen op een nieuw verdienmodel. In het hyperdiverse buitengebied werkt te gemeente samen aan toekomstbestendigheid, zoals op het gebied van biodiversiteit, robuuste watersystemen, klimaatbestendigheid en bodemkwaliteit. Nieuwe ontwikkelingen voegen waarde toe: niet alleen voor de huidige generatie, maar ook voor de daarop volgende. Ontwikkelingsrichtingen Deze ambitie voor het buitengebied vraagt om regie, maar ook om samenwerking: een sterke overheid met een sterke samenleving die samen opnieuw vorm geven aan het buitengebied. Daarbij formuleert de gemeente vijf ontwikkelrichtingen. 1. 2. 3. 4. 5.

Een sterk en afwisselend landschap door het verder te ontwikkelen, te versterken en te behouden wat waardevol is. toekomstbestendige landbouw die meerwaarde oplevert voor de leefomgeving en het landschap. Duurzame opwekking van energie; Een vitaal, divers en gemengd buitengebied. Een werk- en productiegebied, waar een balans is met wonen, landschappelijke- en cultuurhistorische kwaliteiten, natuur en recreatie; Kleinschalige recreatie, die past in het landschap en die aansluit op andere activiteiten in het buitengebied.

De voorgenomen ontwikkeling sluit het meest aan bij ontwikkelrichting 4 en 5. Ontwikkelrichting 4 Het buitengebied van de gemeente Raalte is enorm divers en levendig; een mozaïek van functies en belangen. Het is de plek van tal van grote en kleinere bedrijven, er wordt gewoond, het is er groen en rijk aan soorten en er wordt gefietst en gewandeld. Ook in de toekomst staat de diversiteit van het gebied voorop. Er moet gewerkt en geproduceerd kunnen worden door allerhande bedrijvigheid, er mag reuring zijn, maar wel in balans met andere functies, met oog voor gezondheid en aandacht voor wat we landschappelijk waardevol

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

21

Omgevingsvergunning Berkendijk 3, Heino Ruimtelijke onderbouwing vinden. Dit past bij het Sallandse karakter. Belangrijk is om elkaar ruimte te gunnen en het waarderen van de levendigheid. Hierbij moet rekening worden gehouden met elkaar. Dat betekent dat de bedrijvigheid niet tot onevenredige overlast moet leiden. Te zware bedrijvigheid is niet welkom in het buitengebied, maar dient gesitueerd te worden op bedrijventerreinen. In gebieden met belangrijke landschappelijke, recreatieve of cultuurhistorische waarden is de gemeente terughoudender. Daar moet bedrijvigheid zich schikken naar de omgeving en streven we naar activiteiten die deze kwaliteiten juist benutten en versterken. Wonen in het buitengebied komt de dynamiek en variatie ten goede, maar staat soms wel op gespannen voet met het agrarische karakter en productie. Aan de ene kant vraagt dit bewustwording van bewoners: bij wonen in een agrarisch gebied valt af en toe ook overlast te verwachten. Anderzijds is het nodig om bij het toevoegen van woningen de identiteit en het gebruik van het agrarische landschap (sterker) als vertrekpunt te nemen. Zo staat de gemeente positief tegenover de ontwikkeling van nieuwe kleinschalige woonconcepten. Onder kleinschaligheid wordt bijvoorbeeld verstaan een enkele woning, een erfdeel concept of meer-generatiewonen, op de plek van leegstaand agrarisch vastgoed.

De gemeente vindt het belangrijk dat deze ontwikkelingen het landschap versterken. Ontwikkelrichting 5 De recreatiebedrijven in het buitengebied van Raalte zijn op dit moment kwalitatief hoogwaardig en redelijk divers. Kwaliteit en diversiteit wil de gemeente graag behouden omdat dit past in de ambitie om een divers buitengebied te hebben. De gemeente zet vooral in op kleinschalige recreatie die aansluit op andere activiteiten in het buitengebied. Het is van belang dat de diversiteit van het aanbod wordt gestimuleerd. Met kleinschalig wordt gedacht aan verblijfs- of dagrecreatieve concepten op vrijkomende erven. Initiatieven die de recreatieve waarde van het buitengebied versterken en aanvullend zijn op het aanbod in onze dorpen, zoals bijzondere horecaconcepten en boerderijwinkels, ziet de gemeente als een verrijking van het diverse buitengebied. Vrijkomende agrarische bebouwing biedt hiervoor kansen en kan getransformeerd worden om zo ontwikkelruimte te bieden aan de recreatieve sector. De gemeente vindt dat dergelijke initiatieven moeten worden ondersteund. Als bestaande bedrijven kwaliteitsverbeteringen door willen voeren, bijvoorbeeld om te blijven aansluiten op de vraag, dan moet dat mogelijk zijn. Per situatie moet worden bekeken in hoeverre dit mogelijk is in verhouding tot functies in de omgeving.

3.3.1.3 Toetsing van het initiatief aan de ‘Omgevingsvisie Horizon gemeente Raalte 2040’ Met voorgenomen ontwikkeling wordt bijgedragen aan het vitaal, divers en gemengd houden van het buitengebied door het realiseren van de beoogde plattelandskamers. Het gaat hierbij om kleinschalige (verblijfs)recreatie dat wordt gerealiseerd in vrijgekomen agrarische bebouwing. Dit sluit één op één aan op ontwikkelrichting 5, waarin wordt aangegeven dat vrijkomende agrarische bebouwing kansen biedt voor kleinschalige (verblijfs)recreatie om zo de recreatieve waarde/aanbod in het buitengebied te versterken. Daarnaast gaat het om een kleinschalige ontwikkeling waarbij rekening wordt gehouden met de omgeving. Zo blijkt uit paragraaf 4.5 en 4.6 dat er sprake is van een aanvaardbare ruimtelijke ontwikkeling waarin bedrijvigheid niet wordt belemmerd en er geen sprake is van (onevenredige) aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met de ‘Omgevingsvisie Horizon gemeente Raalte 2040’. 3.3.2

Landschapsontwikkelingsplan Salland

3.3.2.1 Algemeen De gemeenten Deventer, Olst-Wijhe en Raalte hebben een Landschapsontwikkelingsplan (LOP) opgesteld met als doel een gezamenlijk kader te bieden (23 september 2008), op basis waarvan nieuwe ontwikkelingen in het buitengebied kunnen worden beoordeeld, teneinde de ruimtelijke kwaliteit te behouden en te versterken. Het LOP bevat vier belangrijke componenten: a.

inventarisatie en analyse; BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

22

Omgevingsvergunning Berkendijk 3, Heino Ruimtelijke onderbouwing b. c. d.

de LOP-visie 'Een plus voor het landschap'; thematische uitwerkingen; het uitvoeringsprogramma.

3.3.2.2 Deelgebieden Landschapsontwikkelingsplan Het projectgebied ligt op basis van het LOP binnen het ‘Zandlandschap’ waarbij het is aangemerkt als ‘dekzandruggen’. In afbeelding 3.6 is de ligging van het projectgebied in het LOP weergegeven.

Afbeelding 3.6

Uitsnede Landschapsontwikkelingsplan (Bron: gemeente Raalte)

‘Dekzandruggen’ De visueel-ruimtelijke kwaliteiten van de hogere gronden zijn voor een belangrijk deel gelegen in de sterke verwevenheid van diverse ruimtelijke elementen zoals bosjes, bebouwing, houtwallen en singels. Samen met reliëfverschillen (essen) en open ruimtes ontstaat hierdoor een gevarieerd landschapsbeeld van besloten tot half open landschap, ook wel kampen- of hoevenlandschap genoemd. De historische ensembles die in het gebied voorkomen zijn van grote waarde. Monumentale bomen en oude gebouwen hebben een grote museale kwaliteit. Plaatselijk is de aanwezigheid van landgoederen dominant in het landschap van de dekzandruggen, vooral ten noorden van Deventer en rondom Heino. De buitenplaatsen vormen karakteristieke elementen in het landschap van Salland. Op een aantal plaatsen is de link tussen de hogere ruggen en de lagere delen heel karakteristiek: bij de grotere essen bij Bathem, Averlo en het landgoederenlandschap bij Diepenveen en Heino. Het landschapsbeleid is gericht op het versterken van de karakteristiek door de hoger gelegen ruggen ruimtelijk te verdichten. Nieuwe rode functies in het buitengebied (passend binnen bestaand beleid) zijn landschappelijk gezien het meest wenselijk op de ruggen onder de voorwaarde dat landschapselementen worden aangelegd. De wegen op de ruggen zijn beplant.

Doorgaande structuren zoals het Overijssels Kanaal en de doorgaande wegen passen zich aan deze karakteristiek aan en zijn ter hoogte van de ruggen beplant.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

23

Omgevingsvergunning Berkendijk 3, Heino Ruimtelijke onderbouwing 3.3.2.3 Toetsing van het initiatief aan het ‘Landschapsontwikkelingsplan Salland’ Zoals blijkt uit paragraaf 2.2 voldoet het projectgebied aan de karakteristieke kenmerken van het kampenlandschap. Als gevolg van voorgenomen ontwikkeling zullen deze kenmerken behouden blijven. Hiermee staat het ‘Landschapsontwikkelingsplan Salland’ de voorgenomen ontwikkeling niet in de weg. 3.3.3

Bestemmingsplan “Buitengebied Raalte, Verzamelplan 2020”

3.3.3.1 Algemeen Het bestemmingsplan “Buitengebied Raalte, Verzamelplan 2020” is vastgesteld op 10 september 2020 en bevat de geldende planologische bouw- en gebruiksregels voor het buitengebied van de gemeente Raalte. In dit bestemmingsplan zijn afwijkingen op de bouw- en gebruiksregels opgenomen op basis waarvan, onder voorwaarden, bij omgevingsvergunning (kleine) afwijkingen op het bestemmingsplan kunnen worden verleend. In geval van voorgenomen ontwikkeling zijn de afwijkingsmogelijkheden zoals opgenomen in artikel 3.4.7 en 31.5 onder p van belang. 3.3.3.2 Artikel 3.4.7 Beschrijving Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.21 om paardenbakken buiten het bouwvlak toe te staan, met inachtneming van het volgende: a.

b. c. d. e. f. g.

van de bevoegdheid tot afwijken wordt uitsluitend gebruikgemaakt voor paardenbakken behorende bij aangrenzende percelen met de bestemming Wonen en dienen aansluitend aan de bestemming Wonen gerealiseerd te worden; per woning is maximaal één paardenbak buiten het bouwvlak toegestaan; de afmeting van een paardenbak mag maximaal 1.200 m² bedragen; de afstand tussen de paardenbak en de bouwvlakken van derden of agrarische bouwvlakken bedraagt ten minste 25 m; de bouwhoogte van lichtmasten bedraagt ten hoogste 6 m; lichtvervuiling als gevolg van verlichting bij paardenbakken dient tot een minimum te worden beperkt; er dient voorzien te worden in een adequate landschappelijke inpassing.

Toetsing aan de voorwaarden Hierna wordt puntsgewijs getoetst aan de voorwaarden van de afwijkingsbevoegdheid: a. b. c. d. e. f.

De beoogde paardenbak wordt gerealiseerd aansluitend aan de bestemming ‘Wonen’ behorend bij het perceel aan de Berkendijk 3 te Heino; Er zal maximaal één paardenbak worden gerealiseerd; Hier zal een worden voldaan. De exacte afmeting is ten tijde van het schrijven van deze ruimtelijke onderbouwing nog niet bekend; Hier wordt aan voldaan. Het dichtstbijzijnde bouwvlak ligt aan de Berkendijk 3a en ligt op een afstand van circa 110 meter; Hier zal een worden voldaan. Op het moment van schrijven van deze ruimtelijke onderbouwing zijn er geen lichtmasten gepland; Indien er sprake is van het gebruik van licht/lichtmasten, dan zullen deze worden beperkt tot het noodzakelijke en gericht worden op de paardenbak;

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Raalte&id=8a64986a-7eba-407a-8221-be10a95267c6