Bestemmingsplan Raalte Kern, Doumaterrein - bijlagen
Tekst van het document
Bestemmingsplan Raalte Kern, Doumaterrein Bijlagen
Documenttitel: Bestemmingsplan Raalte Kern, Doumaterrein Bijlagen Status: ontwerp Datum: 6 juni 2023 Projectnaam: Projectnummer: BH8615 Opdrachtgever: BPD Referentie: Auteur(s): JT Collegiale toets: FB Datum/paraaf toets: Vrijgegeven door: Datum/paraaf vrijgave:
Raalte Kern, Doumaterrein
Bijlagen bij toelichting Bijlage 1
Natuurtoets
Bijlage 2
Ecologisch werkprotocol
Bijlage 3
Quickscan Enkstraat 25
Bijlage 4
Trillingsonderzoek
Bijlage 5
Onderzoeksrapport ECG
Bijlage 6
Bodemonderzoek
Bijlage 7
Nader bodemonderzoek
Bijlage 8
Memo Externe Veiligheid
Bijlage 9
Windhinder
Bijlage 10
Luchtkwaliteit
Bijlage 11
Vooronderzoek Archeologie
Bijlage 12
Onderzoek weg- en verkeerslawaai
Bijlage 13
Onderzoek geur
Bijlage 14
Geluidsonderzoek Enkstraat 3
Bijlage 15
Geluidsonderzoek gemeentewerf
Bijlage 16
Geluidsonderzoek Gezoneerd Industrieterrein
Bijlage 17
Geluidsonderzoek Cumulatief
Bijlage 18
Notitie milieuplanologie
Bijlage 19
Rapportage parkeren en verkeer
Bijlage 20
Waterhuishoudkundig plan
Raalte Kern, Doumaterrein
1
Natuurtoets Kanaalstraat Oostzijde 7, Raalte
Inventarisatie en beoordeling in het kader van natuurwetgeving
BPD Ontwikkeling BV
Definitief
(085) 4871265 info@ecogroen.nl www.ecogroen.nl
Colofon Natuurtoets Kanaalstraat Oostzijde 7, Raalte Inventarisatie en beoordeling in het kader van natuurwetgeving
20-185
21 februari 2023
Definitief
D. (Donny) Pruijs, K. (Kenny) Noorlander, M.G. (Mark) Hoksberg, S. (Silvia) van den Muijsenberg & B. (Bas) Reijner D. (David) Sietses
BPD Ontwikkeling BV
©Ecogroen bv Alles uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt, mits onder vermelding van bron en status. Pruijs, D., Noorlander, K., Hoksberg, M.G., van den Muijsenberg, S. & Reijner, B. (2023). Natuurtoets Kanaalstraat Oostzijde 7, Raalte. Inventarisatie en beoordeling in het kader van natuurwetgeving. Rapport 20-185. Ecogroen bv
Inhoud Samenvatting
5
1.
Inleiding 1.1 Aanleiding en doelstelling 1.2 Huidige situatie en voorgenomen ontwikkeling 1.3 Leeswijzer
8 8 8 9
2.
Kader en methode 2.1 Wettelijk kader 2.1.1 Wet natuurbescherming 2.1.2 Stikstofdepositie 2.1.3 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) 2.2 Onderzoeksmethode 2.2.1 Quickscan natuurtoets 2.2.2 Aanvullend onderzoek
10 10 10 11 12 12 12 14
3.
Gebiedsbescherming 3.1 Natura 2000 3.1.1 Selectie van effecten 3.1.2 Stikstofdepositie 3.2 Natuurnetwerk Nederland
18 18 18 19 23
4.
Soortbescherming 4.1 Zoogdieren 4.1.1 Vleermuizen 4.1.2 Grondgebonden zoogdieren 4.2 Broedvogels 4.2.1 Broedvogels met jaarrond beschermde nesten/leefgebied 4.2.2 Vogels met jaarrond beschermd leefgebied binnen de provincie Overijssel 4.2.3 Overige broedvogels 4.3 Amfibieën 4.4 Overige soortgroepen
24 24 24 25 26 26 27 28 28 29
5.
Groene leefomgeving 5.1 Algemeen 5.2 Bestrijding van het hitte-eiland effect 5.3 Lichtvervuiling 5.4 Vleermuizen 5.5 Huismus en gierzwaluw 5.6 Zwarte roodstaart 5.7 Kleine marterachtigen 5.8 Egel 5.9 Geluidswal 5.10 Open water 5.11 Groene daken
30 30 30 31 31 32 33 33 34 34 34 35
5.12 5.13
Waterberging Hergebruik struiken
Geraadpleegde bronnen
Bijlagen Bijlage 1 - Impressie van het plangebied Bijlage 2 - Aangetroffen verblijfplaats gewone dwergvleermuis Bijlage 3 - Locatie aangetroffen steenmarter Bijlage 4 - Locatie waarnemingen egel Bijlage 5 - Nestlocaties huismus Bijlage 6 - Nestlocatie zwarte roodstaart Bijlage 7 - AERIUS-output
35 36 37
Natuurtoets NatuurtoetsKanaalstraat KanaalstraatOostzijde Oostzijde7,7,Raalte Raalte
Samenvatting Aanleiding en doelstelling BPD Ontwikkeling BV is voornemens het fabrieksterrein van Douma Deuren aan de Kanaalstraat Oostzijde 7 in Raalte te herontwikkelen. Op deze locatie zullen 86 woningen, waarvan sommige met tuinen, gebouwd worden. In opdracht van BPD heeft Ecogroen ecologisch onderzoek uitgevoerd om inzicht te krijgen in mogelijke effecten van dit plan op aanwezige beschermde natuurwaarden die op kunnen treden als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden.
Gebiedsbescherming • Het plangebied ligt 2,8 kilometer van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Boetelerveld. Directe negatieve effecten op Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Indirecte (uitstralende) effecten door bijvoorbeeld licht of geluid worden gezien de afstand tot habitattypen en leefgebieden eveneens uitgesloten. Alleen effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie kunnen niet worden uitgesloten. • Een AERIUS-berekening is uitgevoerd om de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden in kaart te brengen. De berekening toont aan dat er sprake is van een toename van de stikstofdepositie op hiervoor gevoelige habitats en leefgebieden binnen Natura 2000-gebieden voor de aanleg- en de gebruiksfase. Hierom is het instrument intern salderen onderzocht. • Uit een verschilberekening blijkt dat er na verdiscontering met de referentiesituatie (bestaand gebruik) geen toename van stikstofdepositie optreedt als gevolg van de aanlegfase op Natura 2000gebieden. Er zijn daarom geen vervolgstappen aan de orde. • De provinciale regels van Overijssel over het Natuurnetwerk Nederland (NNN) gelden voor ruimtelijke ontwikkelingen waarbij wordt afgeweken van het bestemmingsplan. Er is hier sprake van een bestemmingplanwijziging, maar negatieve effecten zijn uitgesloten door de grote afstand (1,7 kilometer) tot het NNN. Vervolgstappen zijn niet aan de orde.
Soortbescherming • In alle gebouwen in het plangebied doen zich potentieel geschikte verblijfplaatsen van vleermuizen voor. Daarom is aanvullend nachtelijk onderzoek uitgevoerd. Tijdens het aanvullend onderzoek is één zomerverblijfplaats van gewone dwergvleermuis vastgesteld. Er is ook een baltsterritorium van gewone dwergvleermuis vastgesteld, die vermoedelijk samenvalt met het zomerverblijf. Het betreft zodoende een paar- en zomerverblijfplaats. Deze gaat verloren als gevolg van de sloop en herontwikkeling. • Tijdens het aanvullend onderzoek zijn vier waarnemingen van egel gedaan, waaronder een waarneming van een egel slepend met nestmateriaal. Dit duidt op een vaste verblijfplaats. De
05
Natuurtoets Kanaalstraat Oostzijde 7, Raalte
verblijfplaats en een deel van het leef- en foerageergebied gaan verloren als gevolg van de herontwikkeling. • Tijdens het aanvullend onderzoek is een verblijfplaats van een steenmarter vastgesteld in de meest noordelijke fabrieksloods. De verblijfplaats gaat verloren als gevolg van de herontwikkeling. • Andere grondgebonden zoogdieren waarvoor geen vrijstelling van de verbodsartikelen uit de Wet natuurbescherming geldt, zoals waterspitsmuis, das, bunzing en hermelijn, worden uitgesloten. Vervolgstappen ten aanzien van deze soorten zijn niet aan de orde. • In de quickscan natuurtoets zijn potenties voor jaarrond beschermde nestplekken aangetroffen, maar tijdens het aanvullend onderzoek zijn geen nesten van huismus of gierzwaluw gevonden. Vervolgstappen ten aanzien van huismus en gierzwaluw zijn hierdoor niet aan de orde. • Zowel tijdens het quickscanonderzoek als tijdens het aanvullend onderzoek is een nest van zwarte roodstaart binnen het plangebied aangetroffen. Deze nestplaats en bijbehorend foerageergebied gaat verloren als gevolg van de herontwikkeling. • Binnen het plangebied en de invloedsfeer van de werkzaamheden zijn gedurende de broedtijd enkele algemene vogelsoorten broedend te verwachten. • Bij de geplande werkzaamheden kunnen enkele exemplaren en verblijfplaatsen van grondgebonden zoogdieren en amfibieën met een provinciale vrijstelling verloren gaan.
Vervolgstappen ten aanzien van deze soorten zijn niet aan de orde. • Het plan heeft geen negatief effecten op beschermde flora, reptielen, vissen en ongewervelden. Vervolgstappen ten aanzien van deze soorten zijn niet aan de orde.
Advies en vervolgstappen • Er treedt per saldo geen toename van stikstofdepositie op, dus er zijn geen vervolgstappen nodig in het kader van de Wet natuurbescherming (onderdeel gebiedsbescherming – stikstof). Het plan is dus uitvoerbaar. Voor het uit het plan voortvloeiende project is geen vergunning nodig voor intern salderen. • Tijdens het aanvullend onderzoek is er een nestlocatie van zwarte roodstaart waargenomen. Nesten van deze soort zijn in Overijssel jaarrond beschermd, tenzij uitwijkmogelijkheid aanwezig is. Door de geplande bouw- en sloopwerkzaamheden zal er foerageergebied en een nestlocatie voor van zwarte roodstaart verdwijnen. De zwarte roodstaart heeft in deze situatie geen uitwijkmogelijkheden. Het aanvragen van een ontheffing Wet natuurbescherming is hierdoor noodzakelijk. • Bij de herontwikkeling gaan bovendien verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis, egel en steenmarter verloren. Hiervoor is een ontheffing van de Wnb noodzakelijk. Een ontheffingsaanvraag gaat gepaard met mitigerende maatregelen, zoals werken buiten kwetsbare perioden, voorzien in vervangende verblijfplaatsen en foerageergebied. • Werkzaamheden die broedbiotopen van aanwezige vogels beschadigen, dienen te allen tijde te worden voorkomen.
Dit is voor de meeste soorten mogelijk door gefaseerd te werken en de uitvoering in elk geval op te starten in de periode voor half maart en na eind juli of het onderzoeksgebied te controleren op broedende vogels en nesten binnen de invloedsfeer van het plan. Voor het broedseizoen wordt geen standaardperiode gehanteerd, maar is het van belang of nesten of eieren van broedvogels worden beschadigd of vernield, ongeacht de datum. • Bij de geplande ingrepen kunnen enkele exemplaren en verblijfplaatsen van algemene nationaal beschermde zoogdieren en amfibieën verloren gaan. Voor deze algemene soorten geldt in voorliggende situatie een provinciale vrijstelling van de verbodsartikelen uit de Wet natuurbescherming, waardoor het nemen van vervolgstappen voor deze soorten niet aan de orde is.
06
Natuurtoets Kanaalstraat Oostzijde 7, Raalte
Groene leefomgeving BPD Ontwikkeling BV heeft Ecogroen gevraagd om een lijst op te stellen van maatregelen die kunnen worden genomen om de biodiversiteit in het plangebied te vergroten. Dit plangebied heeft door de ligging naast een vaart, bodemgesteldheid en (in potentie) aanwezige soorten ruime kansen om van meerwaarde te zijn voor de groene leefomgeving. Er wordt in dit rapport toegelicht hoe de volgende maatregelen hier aan kunnen bijdragen: vleermuiskasten, huisvesting voor vogels, huisvesting voor marterachtigen en egels, het creëren van open water, het aanleggen van een geluidswal, het gebruik van groene daken en maatregelen ter verbetering van de waterberging.
07
Natuurtoets NatuurtoetsKanaalstraat KanaalstraatOostzijde Oostzijde7,7,Raalte Raalte
1. Inleiding
1.1
Aanleiding en doelstelling BPD Ontwikkeling BV is voornemens de bebouwing aan de Kanaalstraat Oostzijde 7 in Raalte te slopen. Hiervoor is een bestemmingsplanwijziging nodig. Uitvoering van het plan gaat mogelijk gepaard met effecten op beschermde natuurwaarden. Het plan kan enkel worden vastgesteld wanneer is aangetoond dat er zicht is op ontheffing dan wel vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming. In opdracht van BPD Ontwikkeling BV heeft Ecogroen daarom beoordeeld of uitvoering van het plan leidt tot strijdigheden met de Wet natuurbescherming. Deze natuurtoets wordt gebruikt ter onderbouwing van de bestemmingsplanwijziging. Daarnaast heeft BPD Ontwikkeling BV gevraagd om een lijst op te stellen van maatregelen die kunnen worden genomen om de biodiversiteit in het plangebied te vergroten.
1.2
Huidige situatie en voorgenomen ontwikkeling Het plangebied bestaat uit het fabrieksterrein van Douma deuren van 9.580 m2 (door BPD aangeleverd, d.d. 19 juli 2022). Er staan vier fabriekshallen, een kantoor, drie dienstwoningen, verharding, en omliggend terrein. In bijlage I staan enkele foto’s die een impressie geven van het plangebied. Medio oktober zal de fabriek stoppen met de werkzaamheden (door BPD aangeleverd, d.d. 19 juli 2022). BPD Ontwikkeling BV heeft het voornemen om de fabriek te slopen en daarvoor in de plaats een nieuwe (woon)bestemming te realiseren. Deze zal bestaan uit: • 21 sociale huurwoningen. • 18 betaalbare koopappartementen. • 8 middeldure koopappartementen. • 10 middeldure koopwoningen. • 4 dure koopappartementen. • 11 dure seniorenwoningen. • 14 dure tweekappers (inclusief de 2 woningen aan de oostzijde van het plangebied).
08
Natuurtoets Kanaalstraat Oostzijde 7, Raalte
Figuur 1.1 De ligging van het plangebied (rood omlijnd). Bron: PDOK.
1.3
Leeswijzer In hoofdstuk 2 zijn het wettelijk kader en de onderzoeksmethodiek beschreven. Vervolgens wordt een effectanalyse en -beoordeling gegeven ten aanzien van beschermde gebieden (hoofdstuk 3) en soorten (hoofdstuk 4). In hoofdstuk 5 zijn een aantal voorzieningen beschreven die de groene leefomgeving bevorderen. Tot slot zijn de geraadpleegde bronnen vermeld in hoofdstuk 6.
09
Natuurtoets NatuurtoetsKanaalstraat KanaalstraatOostzijde Oostzijde7,7,Raalte Raalte
2. Kader en methode 2.1
Wettelijk kader
2.1.1
Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden, soorten en houtopstanden. In dit rapport gaan wij in op soort- en gebiedsbescherming. Wegens de ligging binnen de ‘bebouwde kom houtopstanden’ is toetsing aan het onderdeel houtopstanden niet nodig. Voor de volledige wettekst van de Wnb verwijzen wij naar: http://wetten.overheid.nl/BWBR0037552/ (zie kader 2.1). Kader 2.1 Wet natuurbescherming Zorgplicht (artikel 1.11) De Wet natuurbescherming (ook: Wnb) kent een zorgplicht voor natuur en soorten. De zorgplicht is altijd van kracht, ook ten aanzien van niet beschermde natuur. Artikel 1.11 schrijft voor dat iedereen voldoende zorg in acht neemt voor beschermde gebieden, in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Iedereen die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn/haar handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een beschermd gebied of voor in het wild levende soorten, laat deze handelingen achterwege of voorkomt de gevolgen. Dit laatste kan door het treffen van maatregelen ter voorkoming van schade of -als zelfs dat niet kan- de ontstane schade zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. Een voorbeeld van (een maatregelen in het kader van) zorgplicht is het werken in de minst kwetsbare periode van soorten.
Natura 2000 (hoofdstuk 2) Hoofdstuk 2 regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden, bestaande uit Habitatrichtlijngebieden (HR) en Vogelrichtlijngebieden (VR). Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelen geformuleerd voor de bescherming van natuurlijke habitats, habitats van soorten en leefgebieden van vogels. Artikelen 2.1 tot en met 2.11 van de Wet regelen de bescherming van (de doelen voor) Natura 2000-gebieden. Artikel 2.7 verplicht om vooraf te beoordelen of plannen en projecten in of in de nabijheid van Natura 2000-gebieden significant negatieve gevolgen kunnen hebben op de voor deze gebieden geformuleerde doelen. Als uit de beoordeling blijkt dat geen significant negatieve gevolgen optreden dan kan een plan worden vastgesteld of is een vergunning voor een project niet nodig. Zijn significant negatieve gevolgen niet uit te sluiten dan is een nadere beoordeling nodig. Artikel 2.8 bevat de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan voor het vaststellen van een plan of het verlenen van een vergunning. Het bevoegd gezag is meestal de provincie waar (het grootste deel van) de ingreep of handeling plaatsvindt, soms is dat het Rijk. Soorten (hoofdstuk 3) Hoofdstuk 3 regelt de bescherming van soorten. De bescherming van soorten is verdeeld over de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10.
Het betreft de bescherming van: • Vogels zoals genoemd in de Vogelrichtlijn (artikel 3.1), in de praktijk vaak onderverdeeld in: – Vogels met jaarrond beschermde nesten, zoals huismus, gierzwaluw en buizerd. – Overige vogels, waarvan nesten alleen tijdens het broedseizoen zijn beschermd (periode van nestbouw, ei-leg, broeden en voeren van de jongen op het nest).
10
Natuurtoets Kanaalstraat Oostzijde 7, Raalte
• Soorten (exclusief vogels) van de Habitatrichtlijn (bijlage IV) en de Verdragen van Bern (bijlage II) en Bonn (bijlage I), zoals bedoeld in artikel 3.5. • Andere soorten (artikel 3.10), onderverdeeld in: – Soorten waarvoor een ontheffing vereist kan zijn. – Soorten waarvoor -op basis van de betreffende provinciale verordening- vrijstelling van de verbodsbepalingen geldt. Indien effecten niet zijn uit te sluiten moet -voorafgaand aan het vaststellen van een plan- zijn beoordeeld of er zicht is op het verkrijgen van een ontheffing. Als er aantoonbaar zicht is op het verkrijgen van een ontheffing dan kan het plan worden vastgesteld. Als bij ruimtelijke ingrepen verbodsbepalingen worden overtreden dan is het noodzakelijk om een ontheffing aan te vragen bij het bevoegd gezag, tenzij gewerkt kan worden volgens een goedgekeurde gedragscode. Het bevoegd gezag is meestal de provincie waar (het grootste deel van) de ingreep of activiteit plaatsvindt, soms is dat het Rijk. Voor het verkrijgen van een ontheffing moet zijn beschreven hoe de initiatiefnemer ervoor zorgt dat schade aan beschermde soorten tot een minimum beperkt blijft, welke mitigerende en compenserende maatregelen nodig zijn, dat alternatieven ontbreken, aan welk wettelijk belang wordt voldaan en dat de staat van instandhouding van de betreffende soort niet in gevaar komt.
2.1.2
Stikstofdepositie Stikstofdepositie kan significant negatieve gevolgen hebben voor Natura 2000-gebieden. Stikstof (N) heeft een vermestend en verzurend effect waarvoor diverse planten en vegetatietypen gevoelig zijn. Het rekenmodel AERIUS Calculator wordt op grond van de Wnb voorgeschreven om te bepalen of al dan niet sprake is van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Indien een project niet leidt tot een toename van stikstofdepositie (>0,00 mol/ha/jaar) treedt geen negatief gevolg op de instandhoudingsdoelen van omliggende Natura 2000-gebieden op en is een vergunning op grond van de Wnb niet nodig. Per 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) in werking getreden. Door het in werking treden van deze wet werden gevolgen van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden veroorzaakt door bouwactiviteiten (aanlegfase) buiten beschouwing gelaten voor plannen en projecten. Op basis van de uitspraak van de Raad van State van 2 november 2022 is deze vrijstelling echter vervallen en moet de aanlegfase (weer) berekend worden 1. Daarom is zowel voor de aanlegals de gebruiksfase een AERIUS-berekening uitgevoerd. Intern salderen Voor voorliggend plan is het instrument intern salderen onderzocht omdat er een toename van stikstofdepositie is berekend in de enkelvoudige berekening(en).
Significant negatieve gevolgen ten gevolge van een plan zijn uitgesloten indien er per saldo geen toename van stikstofdepositie ontstaat op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden binnen Natura 2000-gebieden ten opzichte van de referentiesituatie. Dit valt binnen de Beleidsregel Natuur Overijssel 2017 (datum inwerkingtreding 11 december 2021). Bovendien geldt volgens vaste jurisprudentie dat voor bestemmingsplannen een dergelijke stikstoftoets bestaat uit een vergelijking tussen de huidig feitelijke, planologisch legale situatie (bestaand gebruik) en de toekomstige maximale plansituatie. Het bestaand gebruik van de fabriek wordt gehanteerd als referentiesituatie. Wanneer blijkt dat er per saldo geen toename van stikstofdepositie optreedt na vergelijking van het toekomstige plan en het bestaand gebruik, dan zijn geen vervolgstappen nodig in het kader van de Wet natuurbescherming (onderdeel gebiedsbescherming – stikstof). Het plan is dan uitvoerbaar. Voor het uit het plan voortvloeiende project is geen vergunning nodig voor intern salderen.
________________________________________________________________________________ 1 Raad van State, 2 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3159.
11
Natuurtoets Kanaalstraat Oostzijde 7, Raalte
Indien uit de verschilberekeningen (de berekeningen waarmee intern salderen onderzocht wordt) blijkt dat sprake is van een restdepositie van >0,00 mol/ha/jaar, dan zijn een aantal instrumenten beschikbaar om te beoordelen of de resterende toename van stikstofdepositie leidt tot significant negatieve gevolgen voor de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden, waaronder een: • Voortoets. • Passende beoordeling. 2.1.3
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) De bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is vastgelegd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro: Stb 2016 nr. 351) en uitgewerkt in provinciale verordeningen. De bescherming van de NNN is ruimtelijk vastgelegd en geborgd door middel van het bestemmingsplan. Indien voor een ontwikkeling niet hoeft worden afgeweken van het bestemmingsplan, is geen NNN-toets noodzakelijk. De waarden blijven dan immers geborgd. In het Barro staat dat bij provinciale verordening gebieden moeten worden aangewezen die het Natuurnetwerk Nederland vormen. De ligging van die gebieden wordt geometrisch vastgelegd. Bij provinciale verordening worden in het belang van de bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden, regels gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen. Voor nieuwe ontwikkelingen binnen en nabij het NNN, waarbij wordt afgeweken van het bestemmingsplan, geldt een ‘nee, tenzij’-afweging. Dit houdt kortweg in dat significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN niet toegestaan is. Regels voor beoordeling van effecten op het NNN zijn vastgelegd in provinciale verordeningen.
2.2
Onderzoeksmethode
2.2.1
Quickscan natuurtoets Gebiedsbescherming De bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is vastgelegd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro: Stb 2016 nr. 351) en uitgewerkt in provinciale verordeningen. De bescherming van de NNN is ruimtelijk vastgelegd en geborgd door middel van het bestemmingsplan. Indien voor een ontwikkeling niet hoeft worden afgeweken van het bestemmingsplan, is geen NNN-toets noodzakelijk. De waarden blijven dan immers geborgd. In het Barro staat dat bij provinciale verordening gebieden moeten worden aangewezen die het Natuurnetwerk Nederland vormen. De ligging van die gebieden wordt geometrisch vastgelegd. Bij provinciale verordening worden in het belang van de bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden, regels gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen. Voor nieuwe ontwikkelingen binnen en nabij het NNN, waarbij wordt afgeweken van het bestemmingsplan, geldt een ‘nee, tenzij’-afweging. Dit houdt kortweg in dat significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN niet toegestaan is. Regels voor beoordeling van effecten op het NNN zijn vastgelegd in provinciale verordeningen.
Referentiesituatie Voor de referentiesituatie zijn de stikstofemissies ten gevolge van de verwarming van de panden, de emissies door het productieproces en de verkeersbewegingen van belang. Hiervoor is het bestaand gebruik aangehouden, het rekenjaar is dan ook 2022.
12
Natuurtoets Kanaalstraat Oostzijde 7, Raalte
Productieproces Voor het productieproces wordt het gasverbruik meegenomen. Verwarming De fabriek wordt verwarmd door middel van het verbranden van houtsnippers, alleen in de maanden oktober tot medio april/mei. Verkeersbewegingen De verkeersbewegingen zijn gebaseerd op kengetallen van het CROW (2018). Ook hiervoor is gebruik gemaakt van de huidige functie en invulling van de fabriek. Aanlegfase Op basis van de uitgangspunten is een berekening uitgevoerd in AERIUS om te bepalen of er al dan niet sprake is van een toename in stikstofdepositie (>0,00 mol/ha/jaar). Conform de AERIUS-instructie (BIJ12, 2023) is voor mobiele werktuigen de AUB-methode gehanteerd. Het brandstofverbruik is berekend op basis van het aantal draaiuren. Kader 2.3 beschrijft de AUB-methode en rekeninstructie stationaire emissies en gehanteerde formules. Kader 2.3 Emissieberekening mobiele machines met de AUB-methode Conform de AERIUS-instructie (BIJ12, 2023) is de AUB-methode gehanteerd voor het berekenen van emissies door het gebruik van mobiele machines. De AUB-methode hanteert in de basis vier parameters: 1) Combinatie van stage- en vermogensklasse; 2) Draaiuren (uur/jaar); 3) Brandstofverbruik (liter/jaar); 4) AdBlue verbruik (liter/jaar). Dit is in het project niet van toepassing vanwege de ouderdom van de machines. Deze gegevens zijn per machine ingevoerd in AERIUS.
Voor het berekenen van het brandstofverbruik is de volgende formules gehanteerd (op basis van BIJ12, 2023).
Brandstofverbruik LBPJ = (0,095 * Pmax + 0,54) * D Met: LBPJ: Brandstofverbruik (liter/jaar) Pmax: Maximale vermogen van het werktuigen (kW) D: Aantal draaiuren (uur/jaar)
AdBlue-verbruik AdBlue = % * LBPJ Met: AdBlue: Verbruik AdBlue (liter/jaar) %: % van het totale brandstofverbruik, op basis van algemene getallen (Ligterink et al., 2021; BIJ12, 2023) LBPJ: Brandstofverbruik (liter/jaar)
Stationaire emissies wegverkeer Conform de Rekeninstructie stationaire emissies wegverkeer (BIJ12, 2023) is het stationair draaien van wegverkeer berekend aan de hand van de volgende formule: EF = EF_st * D.
13
Natuurtoets Kanaalstraat Oostzijde 7, Raalte
Met: EF: Emissiefactor (kg/jaar) EF_st: Emissiefactor stagnerend stadsverkeer voor het betreffende rekenjaar D: Aantal draaiuren (uur/jaar)
Gebruiksfase Voor de gebruiksfase van het plan wordt de stikstofdepositie berekend door middel van het berekenen van het aantal verkeersbewegingen per etmaal. De woningen worden ‘gasloos’ opgeleverd en er komen geen houtkachels. Hierdoor vormt de verwarming van de woningen geen bron van stikstofemissie. De manier van verwarmen is daarom niet meegenomen als stikstofbron in de berekening. Soortbescherming Literatuuronderzoek Om de aanwezige of te verwachten beschermde waarden binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden (hierna onderzoeksgebied) in beeld te brengen is gestart met een literatuuronderzoek. Hierbij is onderzocht of het plangebied binnen of nabij beschermde gebieden ligt en of beschermde soorten bekend zijn in of in de directe omgeving van het plangebied. Hiervoor is onder andere gebruik gemaakt van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) en provinciale kaartviewers (zie geraadpleegde bronnen, hoofdstuk 6). Quickscan natuurtoets De verzamelde informatie uit het literatuuronderzoek vormt de basis voor het veldbezoek dat op 10 april 2020 (helder, droog, 15°C en weinig wind) is uitgevoerd. Tijdens het veldbezoek is het onderzoeksgebied geïnspecteerd door twee ecologen van Ecogroen, waarbij aandacht is besteed aan beschermde soorten binnen de Wet natuurbescherming en mogelijke relaties tussen het onderzoeksgebied en beschermde gebieden.
De bebouwing is hierbij ook van binnen geïnspecteerd. Alle soortgroepen zijn geïnventariseerd, waarbij de nadruk heeft gelegen op zoogdieren (met name vleermuizen en kleine marterachtigen) en broedvogels met jaarrond beschermde nestplaatsen. Op basis van het uitgevoerde literatuuronderzoek en het veldbezoek is beoordeeld welke soorten (mogelijk) aanwezig zijn. Vervolgens is op basis van het voorgenomen plan bepaald welke effecten kunnen optreden op beschermde soorten en gebieden en of vervolgstappen (zoals nader onderzoek, ontheffingdan wel vergunningsaanvraag) vereist zijn. 2.2.2
Aanvullend onderzoek Op basis van informatie uit het literatuuronderzoek en de resultaten van de quickscan is beoordeeld welke beschermde soorten mogelijk aanwezig zijn binnen het plangebied. Het betreft egel, gierzwaluw, huismus, steenmarter, zwarte roodstaart en vleermuissoorten zoals de gewone dwergvleermuis en laatvlieger. Aan de hand van de onderzoeksresultaten is bepaald welke soorten beïnvloed worden door de voorgenomen werkzaamheden en zijn eventuele vervolgstappen beschreven (zie hoofdstuk 4). Egel Het aanvullend onderzoek naar egel is gecombineerd met het aanvullend onderzoek naar vleermuizen. In de periode mei‐half juni en half augustus tot 1 oktober 2020 zijn er in het plangebied elf be‐ zoeken gebracht in de nacht of schemering (zie tabel 2.1 en 2.3). Tijdens deze nachtelijke bezoeken hebben vleermuisonderzoekers aandacht gehad voor andere nacht-actieve beschermde diersoorten, waaronder egel.
14
Natuurtoets Kanaalstraat Oostzijde 7, Raalte
Gierzwaluw Het aanvullend onderzoek naar gierzwaluw is uitgevoerd in de periode half mei- half juli 2020. Het Kennisdocument Gierzwaluw (BIJ12, 2017c) schrijft voor dat de afwezigheid van gierzwaluwnesten voldoende aannemelijk kan worden gemaakt wanneer er geen waarnemingen zijn verricht die duiden op een nest na: • Minimaal drie inventarisatiemomenten met een tussenliggende periode van minimaal 10 dagen • In de periode van 15 mei tot 15 juli. Waarvan minimaal één inventarisatie tussen 20 juni en 7 juli • Tussen 2 uur voor zonsondergang tot zonsondergang • Tijdens droge weersomstandigheden De onderzoeken zijn uitgevoerd door een ecoloog van Ecogroen. De bezoeken zijn vanaf circa 20.00 uur gestart en duurden tot het invallen van de avondschemering. Tijdens de bezoeken zijn nestplaatsen van gierzwaluw geïnventariseerd aan de hand van in- en uitvliegende vogels, oudervogels (en hun jongen) die vanuit hun nestplaats roepen en overig nest indicerend gedrag (bijvoorbeeld langs gevels vliegende en gierende vogels wat duidt op een bekende nestplaats). Daarnaast is er tijdens het onderzoek tevens gebruik gemaakt van het afspelen van ‘giergeluiden’ van gierzwaluwen. Oudervogels en hun jongen die onder de pannen aanwezig zijn, reageren hierop en geven daarmee hun broedplaatsen prijs. De onderzoeken zijn uitgevoerd onder gunstige omstandigheden (zie tabel 2.1).
Tabel 2.1 Overzicht inventarisatiemomenten gierzwaluw Bezoek 1
Tijdstip 20:45 – 00:00
Datum 2 juni 2020
Weersomstandigheden 14 °C, droog, licht bewolkt, windstil
2 3
20:00 – 22:00 21:00 – 00:00
24 juni 2020 13 juli 2020
22 °C, droog, helder, matige wind 20 °C, droog, helder, windstil
Huismus Het onderzoek naar huismus is vormgegeven conform het Kennisdocument huismus (BIJ 12, 2017b). Het kennisdocument schrijft voor dat aan- of afwezigheid van broedende huismus kan worden aangetoond met twee gerichte inventarisatiemomenten in de periode van 1 april tot en met 15 mei. Het onderzoek dient te worden uitgevoerd onder gunstige weersomstandigheden (geen harde regen of wind). De piek van huismusactiviteit ligt in de eerste uren na zonsopkomst en de uren voor zonsondergang, maar ook op andere momenten bij daglicht kan aanwezigheid worden aangetoond. Huismusonderzoek richt zich op huismusnesten, aangezien deze jaarrond wettelijke bescherming genieten. Hierbij is gekeken naar nestindicerend gedrag van huismus, zoals baltsgedrag, nestbouw en mussen die in of uit het dak vliegen. Als huismussen worden waargenomen, wordt ook in kaart gebracht welke elementen in de omgeving onderdeel uitmaken van de functionele leefomgeving (schuilplaatsen, stofbaden, foerageergebieden). Het huismusonderzoek in het plangebied heeft plaatsgevonden in het voorjaar van 2020. Het eerste veldbezoek is uitgevoerd door twee ecologen van Ecogroen. Het tweede veldbezoek is door een enkele ecoloog uitgevoerd. In tabel 2.2 is een overzicht van de inventarisatiemomenten weergegeven.
Tabel 2.2 Overzicht inventarisatiemomenten huismus. Datum
Tijdstip
Weersomstandigheden
10-04-2020
12:00 – 14:00
Droog, weinig wind, helder, 15 °C
13-05-2020
08:00 – 09:30
Droog, weinig wind, licht bewolkt, 11 °C
15
Natuurtoets Kanaalstraat Oostzijde 7, Raalte
Steenmarter Het aanvullend onderzoek naar steenmarter is gecombineerd met het aanvullend onderzoek naar vleermuizen. In de periode mei‐half juni en half augustus tot 1 oktober 2020 zijn er in het plange‐ bied elf bezoeken gebracht (zie tabel 2.1 en 2.3). Tijdens deze nachtelijke bezoeken hebben vleermuisonderzoekers aandacht gehad voor andere nacht-actieve beschermde diersoorten, waaronder steenmarter. Zwarte roodstaart Het aanvullend onderzoek naar zwarte roodstaart is gecombineerd met het aanvullend onderzoek naar huismus en gierzwaluw. In de periode begin april‐half juli zijn er in het plangebied vijf dagbe‐ zoeken gebracht (zie tabel 2.1 & 2.2). Tijdens deze bezoeken hebben de onderzoekers aandacht gehad voor andere broedvogels, waaronder de zwarte roodstaart. Vleermuizen Het vleermuisonderzoek is vormgegeven conform het landelijke vleermuisprotocol (NGB 2017) en diverse kennisdocumenten (BIJ12, 2017a). Het onderzoek bestaat uit zeven verplichte inventarisatiemomenten in de periode van 20 mei tot en met 1 oktober. Specifiek gaat het om vier nachtelijke bezoeken in de periode eind mei-half juli (2020) gericht op kraamkolonies en zomerverblijfplaatsen en drie nachtelijke bezoeken in de periode begin augustus tot eind september (2020) gericht op zomerzwermen, baltslocaties en paarverblijfplaatsen van groepjes vleermuizen.
Tijdens de onderzoeken is gebruikgemaakt van batdetectors met de mogelijkheid om opnamen te maken, zoals de Pettersson D240x, de M500 en de Echometer Touch 2. De onderzoeken hebben plaatsgevonden onder gunstige weersomstandigheden (droog, geen harde wind, minimaal 10 °C) en zijn uitgevoerd tijdens de avondschemering, nacht en ochtendschemering. In tabel 2.3 is een overzicht opgenomen van de inventarisatiemomenten. Vanwege de grootte van het plangebied zijn de vlakdekkende onderzoeken naar kraamverblijven en balts uitgevoerd door vier ecologen van Ecogroen. Bezoek 2 en 3 zijn beiden in twee delen uitgevoerd, om agendatechnische redenen. De onderzoeken die puur gericht waren op balts (6) en nazomerzwermen (4,5 en 7) zijn met één persoon uitgevoerd omdat het gedrag gemakkelijk op te sporen is en langdurig waarneembaar is. Bezoek 5 is per ongeluk te kort na bezoek 4 uitgevoerd en telt officieel niet mee, maar heeft wel waarnemingen opgeleverd. Bezoek 3a en b zijn speciaal voor laatvliegers uitgevoerd. Potenties voor laatvlieger beperken zich tot de dienstwoningen en een klein stukje van het aanpalende kantoor, zodat hier met twee personen voldoende overzicht bereikt werd. Tabel 2.3 overzicht inventarisatiemomenten vleermuizen Bezoek
Onderzoeksdoel
1
Kraam- en zomerverblijven Kraam- en zomerverblijven Kraam- en zomerverblijven Kraam- en zomerverblijven (extra voor laatvliegers) Kraam- en zomerverblijven (extra voor laatvliegers) Nazomerzwermen
2a 2b 3a
3b
4
Bezoektype Avond
Tijdstip
Datum
20:45 – 00:00 03:15 – 05:30 03:30 – 05:30 21:00 – 00.00
2 juni 2020
Aantal onderzoekers 4
1 juli 2020
2
2 juli 2020
2
13 juli 2020
1
Avond
21:00 – 23.00
15 juli 2020
1
20°C, droog, helder, weinig wind
Middernacht
00:00 – 02.00
7 augustus 2020
1
21°C, droog, helder, windstil
Ochtend Ochtend Avond
Weersomstandigheden 14 °C, droog, licht bewolkt, windstil 16 °C, droog, bewolkt, weinig wind 12 °C, droog, licht bewolkt, weinig wind 20°C, droog, helder, weinig wind
16
Natuurtoets Kanaalstraat Oostzijde 7, Raalte
5
Nazomerzwermen
6
Balts
7
Balts, nazomerzwermen Balts, zomerverblijven
8
Middernacht Avond Middernacht Ochtend
00:00 – 02.00 20:45 – 00.00 00:0002:00 05:15 – 07.30
10 augustus 2020 2 september 2020 3 september 2020 25 september 2020
1 1 1 4
20°C, droog, helder, windstil 14 °C, droog, licht bewolkt, weinig wind 12 °C, droog, licht bewolkt, weinig wind 11 °C, droog, licht bewolkt, weinig wind
17
Natuurtoets NatuurtoetsKanaalstraat KanaalstraatOostzijde Oostzijde7,7,Raalte Raalte
3. Gebiedsbescherming 3.1
Natura 2000
3.1.1
Selectie van effecten Het plangebied ligt op zo’n 2,8 kilometer ten noordwesten van Natura 2000-gebied Boetelerveld (figuur 3.1). Door de grote afstand tot het Natura 2000-gebied zijn significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden uitgesloten ten gevolge van geluid, verlichting en/of trillingen veroorzaakt door de werkzaamheden en de gebruiksfase van de woningen. Oppervlakteverlies en versnippering van habitattypen en leefgebieden wordt eveneens op voorhand uitgesloten. Door de werkzaamheden en de toekomstige gebruiksfase zijn -behalve mogelijk door stikstofemissie - negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden uitgesloten. Alleen een verhoogde stikstofemissie kan mogelijk leiden tot een toename van stikstofdepositie en een significant negatief effect op hiervoor gevoelige habitats en leefgebieden van soorten binnen Natura 2000-gebieden.
Figuur 3.1 Ligging van het plangebied (rood omlijnd) ten opzichte van Natura 2000-gebied Boetelerveld (grijze vlak). Bron achtergrond: PDOK.
18
Natuurtoets Kanaalstraat Oostzijde 7, Raalte
3.1.2
Stikstofdepositie Uitgangspunten Algemeen De uitgangspunten voor de referentiesituatie zijn gebaseerd het bestaand gebruik (aangeleverd door BPD, d.d. 19 juli 2022). De uitgangspunten voor de aanlegfase en de gebruiksfase zijn gebaseerd op generieke aannames van vergelijkbare bouwplannen en de Instructie gegevensinvoer voor AERIUS 2022 (BIJ12, 2023). Volgens de huidige plannen zal de start van de aanlegfase plaatsvinden begin 2023 en het zal naar verwachting tot eind 2026 duren. Het maatgevende bouwjaar is het bouwjaar waarin de hoogste stikstofemissie wordt bereikt. Het maatgevende bouwjaar wordt gebruikt om het maximale effect als gevolg van de aanlegfase te berekenen. Gelet hierop is 2023 voor de aanlegfase het maatgevend bouwjaar. Voor de gebruiksfase is 2026 het rekenjaar, omdat de bouw mogelijk in 2026 nog afgerond kan worden en de gebruiksfase dan begint. Referentiesituatie • Productie: – Voor het productieproces worden walsen gebruikt die verwarmd worden op aardgas. Het gasverbruik van de fabriek is 1.100 m3 per jaar (aangeleverd door BPD, d.d. 19 juli 2022). – Voor de berekening van de stikstofemissies door het gasverbruik zijn de volgende standaardwaarden aangehouden: 31,65 MJ/m3, rookgasfactor 8,99 Nm3 rookgas/m3 aardgas, emissienorm 70 mg NOx/Nm3. – Het gasverbruik leidt tot een stikstofuitstoot van 0,69 kg NOx per jaar.
– De emissie vanuit het gasverbruik is als vlakbron ingevoerd in de sectorgroep ‘Industrie’ en de sector ‘Overig’. >Voor de bronkenmerken zijn de volgende gegevens ingevoerd: » Gebouwinvloed: geen. » Wijze van ventilatie: niet geforceerd. » Uittreedhoogte: 32 meter (AHN, 2022). » Warmteinhoud: 0,28 MW. » Spreiding: 16 meter. » Temporele variatie: Standaard Profiel Industrie. • Verwarming: – De fabriek wordt verwarmd door middel van het verbranden van 200 m3 houtsnippers per maand, alleen in de maanden oktober tot medio april/mei. – Vanuit een worstcasebenadering is er voor de berekening vanuit gegaan dat dit een lichte houtsoort is met een soortelijk gewicht van 300 kg per m3. – Voor de emissiefactor van 2,1 g/kg NOx is uitgegaan van gegevens uit TNO-rapport Monitoringsystematiek openhaarden en houtkachels (Hulskotte et al., 1999). – Wanneer je het verbruik vermenigvuldigt met het soortelijk gewicht van het hout en dat totaal vermenigvuldigt met de emissiefactor komt de berekening uit op 126 kg NOx per maand en met de worstcasebenadering van 6 maanden gebruik van de houtkachels per jaar, op 756 kg NO x per jaar. – Deze emissiebron is als vlakbron ingevoerd in de sectorgroep ‘Industrie’ en de sector ‘Overig’. – Voor de bronkenmerken zijn de volgende gegevens ingevoerd: >Gebouwinvloed: geen. >Wijze van ventilatie: niet geforceerd. >Uittreedhoogte: 32 meter (AHN, 2022).
>Warmteinhoud: 0,28. >Spreiding: 16 meter. >Temporele variatie: Standaard Profiel Industrie.
19
Natuurtoets Kanaalstraat Oostzijde 7, Raalte
• Verkeersbewegingen: – De verkeersbewegingen zijn gebaseerd op kengetallen van het CROW (2018) met als uitgangspunten: bedrijf arbeidsintensief/bezoekersextensief (industrie, laboratorium, werkplaats), rest bebouwde kom en matig stedelijk. Hierbij hebben we, worst case, het laagst aantal verkeersbewegingen per etmaal genomen. – Dit komt neer op minimaal 9,1 verkeersbewegingen per 100 m2. Het totaal aantal verkeersbewegingen voor de oppervlakte van de fabriek van 9.580 m2 bedraagt 871,78 per etmaal. – Om een worstcasebenadering te doen, wordt er geen zwaar verkeer meegenomen. We gaan uit van 100% lichte verkeersbewegingen per etmaal. Dit komt neer op 871,78 verkeersbewegingen licht verkeer per etmaal. – Het aantal verkeersbewegingen is gemodelleerd als een lijnbron in de categorie ‘wegverkeer – binnen bebouwde kom (doorstromend)’. Voor de richting is ‘Beide richtingen’ ingevoerd. Voor de verkeerscategorieën zijn de standaardwaarden die AERIUS hanteert voor emissiefactoren en -hoogte aangehouden. – De verkeersbewegingen gaan op in het heersende verkeersbeeld bij de kruising tussen de Nijverdalseweg en de Almelosestraat (CIMLK, 2023): >Vanaf de kruising onderscheidt het verkeer zich door zijn snelheid en rij- en stopgedrag niet meer van het overige verkeer.
>De verkeersintensiteit is tot aan de kruising tussen de Nijverdalseweg en de Almelosestraat 7.200 voertuigen per etmaal (CIMLK, 2023). In dit geval is de toename vanaf deze punten minder dan 10% van de verkeersintensiteiten op de Nijverdalseweg. De toename van het verkeer is daarom verwaarloosbaar en is niet meer aan het project toe te rekenen. Hierbij is aangenomen dat de toename niet aan het project is toe te rekenen, gegeven de onzekerheden in verkeersmodellen. Deze onzekerheden zijn globaal 15-20% (Commissie voor de milieueffectrapportage, 2018). – Het CIMLK geeft geen congestie op de beschreven wegentrajecten. Er is daarom geen file-percentage in de berekening meegenomen. Aanlegfase • Voor de berekening is gebruik gemaakt van uitgangpunten uit vergelijkbare plannen voor de bouw van woningen: – 21 sociale huurwoningen. – 18 betaalbare koopappartementen. – 8 middeldure koopappartementen. – 10 middeldure koopwoningen. – 4 dure koopappartementen. – 11 dure seniorenwoningen. – 14 dure twee-onder-een-kapwoningen (inclusief de 2 woningen aan de oostzijde van het plangebied). • De aanlegfase loopt over circa 3 jaar. Het maatgevende bouwjaar is het bouwjaar waarin de hoogste stikstofemissie wordt bereikt en wordt gebruikt om het maximale effect als gevolg van de aanlegfase te berekenen. Ervan uitgegaan is dat de te gebruiken machines evenredig verdeeld zijn over de tijd.
In de berekening is daarom 34% van de totale stikstofemissie als gevolg van de aanlegfase gebruikt voor het jaar 2023. • Mobiele machines: – Er is aangenomen dat alle mobiele machines die gebruikt worden tijdens de aanlegfase (sloop van de fabriek en bouw van de huizen) in 2014 of later zijn gebouwd. Daarom wordt uitgegaan van STAGE IV-klasse.
20
Natuurtoets Kanaalstraat Oostzijde 7, Raalte
– Conform de Instructie gegevensinvoer voor AERIUS 2022 (BIJ12, 2023) zijn – waar van toepassing – standaardwaarden voor AdBlue-gebruik gehanteerd. Voor STAGE IV-machines komt het AdBlue-gebruik neer op 6% van het totale brandstofverbruik van een machine (BIJ12, 2023). – De machine-inzet tijdens de aanlegfase is in tabel 3.1 weergegeven. In de tabel zijn alleen de waarden voor het maatgevende bouwjaar weergegeven. – Er worden geen hoogwerkers ingezet, het gebouw staat geheel in de steigers. – Tijdens het laden/lossen van materieel draaien de vrachtwagens en auto’s gedeeltelijk statio‐ nair. Naar aanleiding van vergelijkbare projecten, is daarom per voertuig worst case een kwartier stationair draaien meegenomen in de berekeningen. Conform de rekeninstructie stationaire emissies wegverkeer (BIJ12, 2023) leidt dit tot 12,30 kg NOx en 0,19 kg NH3. Hierbij is gerekend met de emissiefactoren van 2023 voor licht verkeer (personenauto’s ) en zwaar verkeer (vracht‐ auto’s). – Voor het stationair draaien van de vrachtwagens en auto’s is een vlakbron ingetekend in de categorie ‘anders’ (BIJ12, 2023). • Verkeersbewegingen: – Het aantal verkeersbewegingen is, op basis van vergelijkbare bouwplannen, geschat op 64 verkeersbewegingen van auto’s en busjes (licht verkeer) per grondgebonden woning voor de duur van de bouwfase.
Op basis van 45 woningen komt dat neer op een totaal van 2.880 verkeersbewegingen licht verkeer per 3 jaar (bouwduur). – Daarnaast zijn 27 verkeersbewegingen per grondgebonden woning ingecalculeerd voor zwaar vrachtverkeer. Dit komt neer op een totaal van 1.215 verkeersbewegingen voor zwaar vrachtverkeer per 3 jaar. – Voor appartementen zijn de verkeersbewegingen geschat op 120 verkeersbewegingen van auto’s en busjes (licht verkeer) per appartement voor de duur van de bouwfase. Op basis van 41 appartementen komt dat neer op een totaal van 4.920 verkeersbewegingen licht verkeer per 3 jaar. – Daarnaast zijn 50 verkeersbewegingen per appartement ingecalculeerd voor zwaar vrachtverkeer. Dit komt neer op een totaal van 2.050 verkeersbewegingen voor zwaar vrachtverkeer per 3 jaar. – Het totaal aan verkeersbewegingen voor licht verkeer komt dan neer op 7.800 verkeersbewegingen per 3 jaar. Voor zwaar verkeer komt dat op 3.265 verkeersbewegingen per 3 jaar. – Ook voor de verkeersbewegingen geldt dat gekeken wordt naar het maatgevende bouwjaar. Zodoende is 34% van het totaal aantal verkeersbewegingen licht verkeer ingevoerd in AERIUS, wat neerkomt op afgerond 2.652,0 verkeersbewegingen in het maatgevende bouwjaar. Hetzelfde geldt voor verkeersbewegingen van zwaar vrachtverkeer, waardoor 1.110,1 verkeersbewegingen zijn ingevoerd voor het maatgevende bouwjaar 2023.
– De verkeersbewegingen gaan ook voor de aanlegfase op in het heersende verkeersbeeld bij de kruising tussen de Nijverdalseweg en de Almelosestraat (CIMLK, 2023). Voor de onderbouwing daarvan en de verkeerscongestie wordt aangesloten bij de laatste bullet onder Referentiesituatie, Verkeersbewegingen. Tabel 3.1 Invoergegevens mobiele machines die gebruikt worden tijdens de werkzaamheden. AERIUS laat alleen de invoer van hele waarden toe. Het brandstofverbruik is daarom worst case naar boven afgerond, het AdBlue-verbruik is worst case naar beneden afgerond. Mobiele machine Graafmachine Heimachine Mini kraan
Invoerklasse AERIUS STAGE IV, 2014-2018,75560kW, diesel, SCR: ja STAGE IV, 2014-2018,>= 560kW, diesel, SCR: nee STAGE IV, 2014-2018,75560kW, diesel, SCR: ja
Max vermogen (kW) 450
Brandstofverbruik (liter/jr) 27.362
Draaiuren (uur/jr) 633
AdBlue (liter/jr) 1.641
560
6.058
113
nvt
89
1.352
150
81
21
Natuurtoets Kanaalstraat Oostzijde 7, Raalte
Boor Kraan Trilmachine Vloeien anhydriet
STAGE IV, 2014-2018,<= 56kW, diesel, SCR: nee STAGE IV, 2014-2018,75560kW, diesel, SCR: ja STAGE IV, 2014-2018,<= 56kW, diesel, SCR: nee STAGE IV, 2014-2018,<= 56kW, diesel, SCR: nee
36
530
134
nvt
270
13.714
524
822
10
102
69
nvt
33
136
37
nvt
Gebruiksfase • Voor de onderstaande verkeersbewegingen is uitgegaan van een worstcasescenario met het hoogst maximale verkeersbewegingen per etmaal, per woningtype, naar kengetallen van het CROW (CROW, 2018) met de aannames: matig stedelijk, rest bebouwde kom. • Voor de verkeersbewegingen van de verschillende type woningen is uitgegaan van de volgende getallen: – Sociale huurwoningen: 5,3 verkeersbewegingen per woning per etmaal. Voor 21 woningen worden dit in totaal 111,3 verkeersbewegingen per etmaal. – Betaalbare koopappartementen: 5,3 verkeersbewegingen per woning per etmaal. Voor 18 woningen worden dit in totaal 95,4 verkeersbewegingen per etmaal. – Middeldure koopappartementen: 6,0 verkeersbewegingen per woning per etmaal. Voor 8 woningen worden dit in totaal 48 verkeersbewegingen per etmaal. – Middeldure koopwoningen: 8,2 verkeersbewegingen per woning per etmaal. Voor 10 woningen worden dit in totaal 82 verkeersbewegingen per etmaal. – Dure koopappartementen: 7,5 verkeersbewegingen per woning per etmaal. Voor 4 woningen worden dit in totaal 30 verkeersbewegingen per etmaal. – Dure seniorenwoningen: 6,0 verkeersbewegingen per woning per etmaal. Voor 11 woningen worden dit in totaal 66 verkeersbewegingen per etmaal. – Dure twee-onder-een-kapwoningen: 8,6 verkeersbewegingen per woning per etmaal. Voor 14 woningen worden dit in totaal 120,4 verkeersbewegingen per etmaal.
• Het totaal aantal verkeersbewegingen voor alle appartementen komt uit op 553,1 verkeersbewegingen per etmaal. • De verkeersbewegingen gaan ook voor de gebruiksfase op in het heersende verkeersbeeld bij de kruising tussen de Nijverdalseweg en de Almelosestraat (CIMLK, 2023). Voor de onderbouwing daarvan en de verkeerscongestie wordt aangesloten bij de laatste bullet onder Referentiesituatie, Verkeersbewegingen. Resultaten Enkelvoudige berekening: referentiesituatie Uit de berekening (met kenmerk S6gWqG9qGmgb van 16 februari 2023) volgt een maximale toename van: • 0,02 mol/ha/jaar aan stikstofdepositie op Natura 2000-gebied Boetelerveld. • 0,01 mol/ha/jaar aan stikstofdepositie op Natura 2000-gebied Vecht- en Beneden-Reggegebied. • 0,01 mol/ha/jaar aan stikstofdepositie op Natura 2000-gebied Sallandse Heuvelrug. Enkelvoudige berekening: aanlegfase Uit de berekening voor de aanlegfase (met kenmerk RVYPYAYsH4kZ, uitgevoerd op 20 februari 2023) volgt een maximale tijdelijke toename van: • 0,03 mol/ha/jaar aan stikstofdepositie op Natura 2000-gebied Boetelerveld. • 0,01 mol/ha/jaar aan stikstofdepositie op Natura 2000-gebied Vecht- en Beneden-Reggegebied. • 0,01 mol/ha/jaar aan stikstofdepositie op Natura 2000-gebied Sallandse Heuvelrug.
22
Natuurtoets Kanaalstraat Oostzijde 7, Raalte
Enkelvoudige berekening: gebruiksfase Uit de berekening voor de gebruiksfase (met kenmerk S2VqDzT4tj9Y, uitgevoerd op 16 februari 2023) volgt een toename van stikstofdepositie (0,01 mol/ha/jaar) op Natura 2000-gebied Boetelerveld. Verschilberekening: referentiesituatie versus aanlegfase Uit de berekening (met kenmerk S5HWu75PUAQn, uitgevoerd op 24 februari 2023) volgt na verdiscontering van de aanlegfase met de referentiesituatie geen toename van stikstofdepositie (0,00 mol/ha/jaar) op Natura 2000-gebieden Boetelerveld, Vecht- en Beneden-Reggegebied en Sallandse Heuvelrug. De toename van stikstofdepositie tijdens de aanlegfase is daarmee volledig verdisconteerd. Verschilberekening: referentiesituatie versus gebruiksfase Uit de berekening (met kenmerk RbgCk7uTXYDZ, uitgevoerd op 24 februari 2023) volgt na verdiscontering van de gebruiksfase met de referentiesituatie geen toename van stikstofdepositie (0,00 mol/ha/jaar) op Natura 2000-gebied Boetelerveld. De toename van stikstofdepositie tijdens de gebruiksfase is daarmee volledig verdisconteerd. De AERIUS-berekeningen zijn als bijlagen bij dit rapport gevoegd. Conclusie In de aanlegfase is een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden Boetelerveld, Vecht- en Beneden-Reggegebied en Sallandse Heuvelrug berekend en in de gebruiksfase op Natura 2000-gebied Boetelerveld.
Vanwege deze toename is het instrument intern salderen onderzocht. Er is gesaldeerd met het gasverbruik, de verwarming en de verkeersbewegingen behorende bij de fabriek Douma die tot oktober 2022 in werking is in het plangebied (bestaand gebruik). Uit de verschilberekening blijkt dat geen toename van stikstofdepositie optreedt op Natura 2000gebieden. Het plan conflicteert daarom niet met de Wet natuurbescherming, onderdeel stikstof. Verdere vervolgstappen zijn daarom niet nodig en er is geen vergunning nodig in de projectfase.
3.2
Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt op circa 1700 meter van de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De provinciale regels van Overijssel ten aanzien van het NNN gelden voor ruimtelijke ontwikkelingen waarbij wordt afgeweken van het bestemmingsplan, wat hier het geval is. Externe werking is vanwege de grote afstand tot het NNN en de tussenliggende bebouwing echter uitgesloten. Vervolgstappen ten aanzien van gebiedsbescherming, onderdeel NNN, zijn niet nodig.
23
Natuurtoets NatuurtoetsKanaalstraat KanaalstraatOostzijde Oostzijde7,7,Raalte Raalte
4. Soortbescherming 4.1
Zoogdieren
4.1.1
Vleermuizen Alle vleermuizen zijn beschermd in de Wet natuurbescherming. Het leefgebied van de in artikel 3.5 (Habitatrichtlijn bijlage IV) beschermde vleermuizen bestaat uit verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebieden (zie ook kader 4.1). Hieronder worden deze onderdelen nader beschreven. Kader 4.1 Vleermuizen Verblijfplaatsen Verblijfplaatsen kunnen zich bevinden in donkere en voor vleermuizen bereikbare ruimten in bomen, huizen, kelders et cetera en kunnen aanwezig zijn in de vorm van kraamverblijven / zomerverblijven, baltslocaties / paarverblijven en winterverblijven. Verstoring, beschadiging, vernietiging of het verwijderen van deze verblijfplaatsen is verboden. Vliegroutes Voor oriëntatie tijdens de trek van en naar hun verblijfplaatsen en foerageergebieden gebruiken vleermuizen veelal jarenlang dezelfde structuren. Vanwege dit traditiegetrouwe gedrag van vleermuizen vormen bepaalde lijnvormige structuren (bijvoorbeeld rijen woningen, watergangen en bomenrijen) een belangrijk onderdeel van een vliegroute. Wanneer alternatieve structuren ontbreken zijn dergelijke structuren ‘onmisbaar’ en zodoende beschermd. Foerageergebieden Locaties waar insecten aanwezig zijn, bijvoorbeeld langs randen van bossen, bomenrijen of boven water zijn van belang als foerageergebied voor vleermuizen.
Foerageergebied van vleermuizen geniet binnen de Wet natuurbescherming echter geen juridische bescherming, tenzij het onmisbaar is voor het voortbestaan van een populatie.
Verblijfplaatsen Binnen het plangebied is één vaste verblijfplaats en één baltsterritorium van gewone dwergvleermuis aangetroffen (zie bijlage 2). De zomerverblijfplaats betreft een zomerverblijfplaats van een solitair dier en bevindt zich aan de oostzijde van het plangebied in pannendak van het kantoor nabij de terreiningang, onder de gevelpannen. Omdat gewone dwergvleermuizen hun baltsgeluiden vliegend ten gehore brengen, is de baltsactiviteit niet gemakkelijk aan een verblijfplaats (paarverblijf) te linken. Omdat de balts plaatsvond naast de locatie van de zomerverblijfplaats kan worden aangenomen dat deze samenvallen. De paar- en zomerverblijfplaats gaan als gevolg van de sloop van de panden binnen het plangebied verloren. Hiervoor is het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wnb noodzakelijk. Het aanvragen van ontheffingen gaat in de regel gepaard met het opstellen van een activiteitenplan, het nemen van mitigerende maatregelen en het aanbieden van vervangende verblijfplaatsen.
24
Natuurtoets Kanaalstraat Oostzijde 7, Raalte
Vliegroutes Tijdens de vleermuisonderzoeken zijn binnen het plangebied en in de directe omgeving van het plangebied geen vliegroutes van vleermuizen aangetroffen. Negatieve gevolgen voor vliegroutes van vleermuizen zijn daarmee uitgesloten. Vervolgstappen voor vliegroutes van vleermuizen zijn niet aan de orde. Foerageergebied In het plangebied en de directe omgeving van het gebied zijn vleermuizen foeragerend aangetroffen. Het betreft waarnemingen van gewone dwergvleermuis. Gewone dwergvleermuizen foerageren boven de bebouwing en de groenelementen in en om het plangebied. Bij de sloop en ontwikkeling van het plangebied gaat echter geen onmisbaar foerageergebied verloren. De directe omgeving biedt ruim voldoende alternatief foerageergebied, door de aanwezigheid van bomen, water en achtertuinen. Vervolgstappen voor foerageergebieden van vleermuizen zijn derhalve niet aan de orde. 4.1.2
Grondgebonden zoogdieren Verblijfplaatsen van nationaal beschermde grondgebonden zoogdieren waarvoor geen vrijstelling van de verbodsartikelen uit de Wet natuurbescherming geldt, (zoals steenmarter, bunzing, wezel, hermelijn, egel) zijn tijdens het veldwerk niet aangetroffen. Dat geldt ook voor beschermde grondgebonden zoogdieren die zijn opgenomen in de Habitatrichtlijn en de Verdragen van Bern en Bonn. Marterachtigen Uit het veldbezoek van de quickscan is gebleken dat de gebouwen in het plangebied grotendeels toegankelijk zijn voor steenmarter. Daarnaast zijn tijdens het veldbezoek verspreid door alle fabriekshallen enkele uitwerpselen gevonden van steenmarter. Tijdens het aanvullend onderzoek (zie paragraaf 2.2) is een steenmarter waargenomen. De steenmarter is in de ochtend van 1 juli 2020 gezien aan de achterzijde van het hoofdgebouw (zie bijlage 3). Het dier ging via de dakgoot onder het dak, waarin een systeemplafond aanwezig is. Tijdens de quickscan op 10 april 2020 is hier al gebons gehoord, wat kan duiden op aanwezigheid van een steenmarter. Er zijn verder -ondanks de elf nachtelijke cq schemerbezoeken- geen waarnemingen gedaan in de volle kraamperiode. Ook zijn er geen jongen gezien, waardoor weinig directe aanwijzingen bestaan voor een kraamverblijfplaats.
Het openen van het systeemplafond om een inspectie te doen is buitengewoon lastig omdat het zich op grote hoogte bevindt. Het is zonder het openen van het systeemplafond echter lastig uit te sluiten, zodat er wel rekening mee moet worden gehouden. Door de geplande bouw- en sloopwerkzaamheden zal een verblijfplaats van steenmarter verdwijnen. Het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wnb is derhalve noodzakelijk. Het aanvragen van ontheffingen gaat in de regel gepaard met het opstellen van een activiteitenplan, het nemen van mitigerende maatregelen en het aanbieden van vervangend leefgebied en verblijfplaatsen. Egel Tijdens het veldbezoek voor de quickscan natuurtoets is vastgesteld dat door de aanwezigheid van diverse rommelhoekjes en struweel de aanwezigheid van egel binnen het plangebied niet kan worden uitgesloten. Tijdens het aanvullend onderzoek (zie paragraaf 2.2) zijn vijf waarnemingen gedaan van egel binnen het plangebied (zie bijlage 4). Drie waarnemingen zijn gedaan aan de noordwestzijde, één waarneming aan de oostzijde en één waarneming in het noorden van het plangebied. Egels gebruiken de
25
Natuurtoets Kanaalstraat Oostzijde 7, Raalte
verhardingen (met ruige opgeschoten onkruiden) als foerageergebied en het struweel langs de randen als rust- en verblijfplaats. De tuinbeplanting tussen het kantoor en de Kanaalstraat heeft hoogstwaarschijnlijk een verblijfplaatsfunctie voor voortplanting en overwintering van egel. Daar zijn namelijk drie van de vijf waarnemingen gedaan en is op 25 september 2020 een egel waargenomen die sleepte met nestmateriaal. Door de geplande bouw- en sloopwerkzaamheden zal er foerageergebied, verblijfplaatsen en voortplantingslocaties van egel verdwijnen. Hoewel er in de huidige plannen ruimte zal zijn voor realisatie van nieuwe verblijfplaatsen en foerageergebieden voor egel, is het aanvragen voor van een ontheffing in het kader van de Wnb noodzakelijk. Het aanvragen van ontheffingen gaat in de regel gepaard met het opstellen van een activiteitenplan, het nemen van mitigerende maatregelen en het aanbieden van vervangend leefgebied en verblijfplaatsen. Algemene grondgebonden zoogdieren Tot slot zijn in of in de directe omgeving van het plangebied vaste verblijfplaatsen van enkele algemene grondgebonden zoogdiersoorten te verwachten. Dit zijn onder andere de huisspitsmuis en bosmuis. Bij de geplande ingrepen kunnen enkele exemplaren van deze grondgebonden zoogdieren geschaad worden.
In voorliggende situatie geldt voor deze soorten in de provincie Overijssel vrijstelling van de verbodsartikelen uit de Wet natuurbescherming, waardoor het nemen van vervolgstappen voor deze zoogdieren niet aan de orde is.
4.2
Broedvogels Bij broedvogels wordt onderscheid gemaakt in twee categorieën met een verschillende beschermingsregime (zie kader 2.1). Van veel broedvogels zijn nesten alleen gedurende het broedseizoen beschermd. Nestlocaties kunnen dan buiten het broedseizoen zonder overtreding van de Wet natuurbescherming verwijderd worden. Voor een aantal broedvogelsoorten geldt echter dat de nestlocaties inclusief de functionele omgeving jaarrond beschermd zijn (zie kader 4.2).
Kader 4.2 Broedvogels met jaarrond beschermde nestplaatsen Onder jaarrond beschermde nesten van broedvogels wordt verstaan: in functie zijnde nesten van de ooievaar, boomvalk, buizerd, havik, ransuil, roek, wespendief, zwarte wouw, slechtvalk, sperwer, steenuil, kerkuil, oehoe, gierzwaluw, grote gele kwikstaart en huismus. Vanaf 1 september 2019 zijn in Overijssel ook in functie zijnde nesten van boerenzwaluw, bosuil, huiszwaluw, raaf, torenvalk, zeearend en zwarte specht jaarrond beschermd. Voor sommige andere soorten geldt dat de nesten jaarrond beschermd zijn als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen.
4.2.1
Broedvogels met jaarrond beschermde nesten/leefgebied In het plangebied zijn tijdens het quickscanbezoek geen nestlocaties of onmisbaar foerageergebied aangetroffen van vogels waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn (categorie 1 t/m 4). De aanwezigheid van huismus en gierzwaluw kan echter niet worden uitgesloten. Ook bevat het plangebied vermoedelijk een territorium van een koppel zwarte roodstaart; een soort uit categorie 5 waarvan de nesten in Overijssel ook jaarrond beschermd zijn. Verder ontbreekt het in het plangebied aan geschikt habitat voor vogelsoorten waarvan de nesten in Overijssel jaarrond beschermd zijn. Er zijn dan ook geen exemplaren en/of sporen van andere categorie 5 soorten waargenomen. Huismus Tijdens het veldbezoek voor de quickscan natuurtoets zijn diverse huismussen op naburige erven waargenomen. De dienstwoningen en een deel van het kantoor zijn van pannendak voorzien, zodat