Begrotingsrichtlijnen 2023-2026
Tekst van het document
Richtlijnen voor het opstellen van de begroting 2023 en meerjarenraming 2024-2026 Inleiding Hierbij doen wij u de richtlijnen voor het opstellen van de begroting 2023 en meerjarenraming 2024-2026 toekomen. 1. Opstellen begroting 2023 1.1. Begroting op basis van bestaand beleid Evenals vorige jaren wordt de begroting 2023 vanuit de basis opgebouwd d.w.z. vanuit de taakvelden naar een programmabegroting. De ramingen in de vastgestelde begroting 2022 en in de meerjarenraming 20232025 incl. de daarbij behorende begrotingswijzigingen dienen als vertrekpunt voor de ramingen begroting 2023 en meerjarenraming 2024-2026. Autonome ontwikkelingen als gevolg van toename van areaal (m2 groen) of aantallen (bijvoorbeeld inwoners) mogen primitief worden geraamd. 1.2. Terughoudendheid met aanvragen nieuw beleid
Ontwikkelingen die van invloed zijn op het nieuw beleid In de voorbereiding naar de begroting 2023 en meerjarenraming 2024-2026 spelen diverse aspecten welke van invloed zijn op het wel/niet aanvragen van nieuw beleid. De belangrijkste hiervan zijn: ➢ In verband met de gemeenteraadsverkiezingen in maart 2022 is er dit jaar geen kadernota 2023-2026 voorbereid. Dit betekent dat de raad in het voorjaar 2022 geen richtinggevend kader heeft vastgesteld waarbinnen het college de begroting 2023 en meerjarenraming 2024-2026 opstelt. ➢ Momenteel zijn de formatiegesprekken gaande. Op dit moment (mei 2022) is de inhoud van het te vormen coalitieakkoord/ raadsagenda nog niet bekend. ➢ Rond de zomerperiode wordt onder eindverantwoordelijkheid van de programma coördinatoren beoordeeld of de beleidsprogramma’s op onderdelen nog geactualiseerd moeten worden op basis van het dan bekende akkoord voor de nieuwe college-/raadsperiode. ➢ De druk op de organisatie is onverminderd groot met een hoog ziekteverzuim. Er ligt nog veel bestaand werk op de plank dat uitgevoerd moet worden. Dit geldt ook voor het nog beschikbare kredietvolume dat nog op daadwerkelijke uitvoering wacht. Per 1 april 2022 is voor 2022 nog een kredietvolume van circa €18,5 mln. beschikbaar. ➢ Eind 2022 zullen we het gesprek aan moeten gaan over ‘wat gaan we niet of minder doen’ (nieuw voor oud).
De ‘oude gemeenteraad’ heeft bij de begroting 2022 uitgesproken dat deze heroverwering moet plaatsvinden om zo meer evenwicht tussen inhoudelijke ambitie en financiële- en organisatiemogelijkheden te krijgen. De resultaten van deze heroverweging moeten bekend zijn voorafgaand aan de kadernota 2024-2027 zodat vertaling kan plaats vinden in de begroting 2024 en volgende. ➢ Begin dit jaar is het nieuwe kabinet Rutte IV aangetreden en is het coalitieakkoord van het Rijk financieel vertaald in de Startnota. Er zitten echter nogal wat onzekerheden in de bedragen uit de Startnota omdat deze plannen nog verder moeten worden uitgewerkt in concreet beleid. Daarnaast hebben zich op rijksniveau inmiddels meerdere nieuwe onzekerheden aangediend (onder andere Oekraine crisis/
gevolgen van de zeer hoge inflatie/ tegenvallers als gevolg van o.a. de energietoeslag en de rechterlijke uitspraak met betrekking tot de vermogensrendementsheffing). Bij de voorjaarsnota van het rijk wordt hiervan de balans opgemaakt en vindt vervolgens vertaling naar gemeenten plaats in de meicirculaire 2022. Dit alles maakt dat bij de begroting 2023 en meerjarenraming 2024-2026 terughoudendheid wordt gevraagd bij het indienen van nieuw beleid. Het nieuwe college/ de nieuwe raad heeft dan maximale speelruimte om ter voorbereiding van de kadernota 2024 evenwicht te vinden in beschikbare middelen en bestuurlijke ambities. 1.3. Kaders nieuw beleid begroting 2023 en meerjarenraming 2024-2026 Daarom gelden voor het aanvragen nieuw beleid begroting 2023 en meerjarenraming 2024-2026 de volgende kaders: 1. Nieuw beleid voor de begroting 2023 en MJR 2024-2026 wordt alleen ingediend indien aantoonbaar kan worden gemaakt dat dit beleid in 2023 onuitstelbaar en onontkoombaar is. a. Het accent ligt hierbij op die zaken die structureel zijn, maar waarvoor in het verleden slechts eenmalige dekking tot en met 2022 is toegekend. Hier zul je ‘iets mee moeten’ in het kader van het nieuw beleid begroting 2023: niet meer doen, de tijdelijke periode is verstreken/ alsnog structureel maken danwel de tijdelijke dekking verlengen. b.
Het accent ligt hierbij ook op de 3 belangrijkste nieuwe opgaven waarvoor we staan, te weten: de verstedelijkingsstrategie/ ontwikkelopgave Raalte, de transitie van het buitengebied en het toekomstbestendige maken van bestaande wijken en dorpen. c. Voor de overige taakvelden geldt in principe dat er geen nieuw beleid wordt aangedragen tenzij aangetoond kan worden dat dit in 2023 onuitstelbaar en onontkoombaar is. 2. Voor het aanvragen van nieuw beleid dient bijgevoegd format volledig te worden ingevuld (zie bijlage 1). 1.4. De drie decentralisaties sociaal domein neutraal ramen Per 1 januari 2015 is een aantal taken binnen het sociaal domein naar de gemeenten overgegaan. Het gaat om de participatiewet, de nieuwe jeugdwet en de overheveling van de AWBZ-functies begeleiding en dagbesteding. Bij de begroting 2022 is gebruik gemaakt van de mogelijkheid om stelposten op te nemen in de meerjarenbegroting 2023 tot en met 2025 voor de middelen jeugdzorg overeenkomstig de arbitrage uitspraak van de zg. Commissie van Wijzen. De stelposten bedragen 75% van het deel dat gemeenten op basis van de verdeling zouden krijgen. Deze stelposten geven geen budgettaire garantie.
Besluitvorming over een structurele oplossing in termen van benodigd budget en aanpassingen in het stelsel voor uitvoering van de Jeugdwet vanaf 2022 heeft nog geen volledige opvolging gekregen in het coalitieakkoord en is op rijksniveau nog onderwerp van gesprek. Onderdeel van de toezegging van de gelden uit de Commissie van Wijzen is de hervormingsagenda jeugd. De agenda, waar ook jeugdhulpaanbieders, professionals en clientorganisaties aan meewerken, moet concrete maatregelen opleveren die leiden tot een kwalitatief en financieel houdbaar jeugdstelsel. De meicirculaire 2022 vormt hierbij een belangrijk financieel kader. In de transformatie van het sociaal domein houden we rekening met het door de raad geformuleerde uitgangspunt dat de juiste zorg op de juiste plaats belandt binnen de beschikbare financiële middelen. Voor de begroting 2023 en meerjarenraming 2024-2026 blijft het uitgangspunt dat de taken structureel uitgevoerd dienen te worden binnen de budgetten die daarvoor van het rijk worden ontvangen. Wel is voor de overgangsperiode de reserve sociaal domein beschikbaar welke als eenmalig dekkingsmiddel kan worden ingezet. 1.5. IJkpunten voor berekening van het renteomslagpercentage Bij het bepalen van het renteomslagpercentage is het van belang vooraf helderheid te hebben in de te hanteren ijkpunten.
Voor de begroting 2023 en meerjarenraming 2024-2026 worden hierbij de volgende ijkpunten in acht genomen: • de door de accountant vastgestelde jaarrekening 2021 en de daarbij behorende balans vormt de basis voor de berekening van het renteomslagpercentage. • hieraan worden toegevoegd de mutaties uit de begroting 2022 tot en met 1 mei 2022.
2. Rekenregels voor de ramingen in de begroting 2023 inclusief de meerjarenraming tot en met 2026 2.1. Volume mutaties en autonome ontwikkelingen
Aantal inwoners Omschrijving Aantal inwoners per 1 januari
2022 38.138
2023 38.250
2024 38.300
2025 38.350
2026 38.400
Per 1 januari 2022 had de gemeente Raalte 38.138 inwoners. Het aantal inwoners is in de periode 1-1-2021 tot 1-1-2022 gestegen met 227 (van 37.911 naar 38.138). Voor het jaar 2023 houden we rekening met een stijging van (afgerond) 110 inwoners ten opzichte van 2022. Hierbij is geen rekening gehouden met de recent ingeschreven Oekraïners omdat we er vanuit gaan dat hier sprake is van tijdelijke opvang. Voor de jaren 20242026 hebben we rekening gehouden met een stijging van 50 inwoners per jaar tot 38.400 vanaf 2026. Jaarlijks wordt op basis van het werkelijk aantal inwoners geëxtrapoleerd voor een periode van 4 jaar. Hierbij maken we gebruik van de langjarige CBS prognose bevolkingsontwikkeling 2020-2050.
Aantal verblijfsobjecten Omschrijving Aantal verblijfsobjecten (met woonfunctie) per 1 januari
2022 16.170
2023 16.231
2024 16.281
2025 16.342
2026 16.392
Het aantal verblijfsobjecten (met woonfunctie) is ontleend aan het feitelijke aantal woningen in de BAGregistratie op 1-1-2022 en in meerjarenperspectief geëxtrapoleerd. De toename van het aantal woningen (verblijfsobjecten) is gebaseerd op de geprognotiseerde toename van de Primos prognose 2020. 2.2. Loonkostenontwikkeling gemeentepersoneel De huidige CAO Gemeenten 2021/2022 heeft een looptijd tot en met 31-12-2022. Deze CAO is eind 2021 vastgesteld waarbij onder meer vanaf april 2022 een loonstijging is opgenomen van 2,4%. Op basis van de huidige sterk oplopende loon- prijsontwikkelingen in een steeds krapper wordende arbeidsmarkt is de verwachting dat hier bij de komende CAO ontwikkelingen 2023 een naijleffect 2022 gaat ontstaan. Daarom houden we rekening met een loonstijging van 4,5% vanaf 1 januari 2023 (1,5% naijleffect 2022 en 3% reguliere loonontwikkeling 2023). Daarnaast wordt rekening gehouden met een premiestijging/ stijging werkgevers lasten. Lasten pensioenpremies van 0,5% over het jaar 2023. Totaal derhalve een stijging van 5,0% ten opzichte van de begroting 2022. Deze loonstijging kan om bijstelling vragen zodra de nieuwe cao gemeenten bekend is dan wel dat de looncompensatie die we via de algemene uitkering ontvangen (mei/juni circulaire 2022) een afwijkend beeld laat zien ten opzichte van de geraamde bedragen. 2.3.
Uurtarieven medewerkers Jaarlijks berekenen we de uurtarieven voor de medewerkers. Via het berekenen van deze uurtarieven rekenen we de salariskosten en overhead toe aan de producten of projecten waarvoor we werken (deel van de organisatie via tijdschrijven), of passen we de uurtarieven toe bij de tariefberekening van verschillende lokale heffingen. De uurtarieven 2023 worden berekend op basis van de volgende uitgangspunten: 1. Bij de berekening van het uurtarief 2023 wordt voor de loongerelateerde componenten rekening gehouden met een verwachte loonkostenontwikkeling van 5,0% voor het jaar 2023. 2. Bij de berekening van het uurtarief 2023 wordt voor de niet loongerelateerde componenten rekening gehouden met een gedifferentieerde prijsontwikkeling zoals aangegeven in hoofdstuk 2.5. 3. Het uurtarief voor 2023 wordt afgerond op hele euro’s, bij afwijking € 0,49 en lager naar beneden, bij € 0,50 en hoger naar boven. 2.4. Toerekening (extra) overheadkosten Momenteel wordt gewerkt aan de voorbereiding van een beleidskader toerekening overhead. In de huidige situatie wordt bij groei van de formatieomvang in het primaire proces niet systematisch rekening gehouden met groei van de hierbij behorende overheadtaken in het ondersteunende proces.
Daarnaast worden overheadtaken steeds complexer en omvangrijker met onvoldoende doorvertaling hiervan naar noodzakelijke formatieomvang/externe budgetten. Hierdoor komt de sturing en ondersteuning van de medewerkers in het primaire proces in het gedrang. Dit kan invloed hebben op de kwaliteit van bestuurlijke advisering en besluitvorming. Daarom is het streven om vóór de begroting 2023 te komen tot een ‘kort en
krachtig’ beleidskader toerekening overhead waarbij de (extra) overheadkosten systematisch meebewegen met de groei of krimp van de formatieomvang in het primaire proces en met de (toenemende) omvang en complexiteit van de overheadtaken zelf. In de praktijk zal dit betekenen dat er in de begroting rekening moet worden gehouden met (extra) overheadkosten. Mocht dit beleidskader nog niet voor de begroting 2023 gereed/vastgesteld zijn dan wordt hierop geanticipeerd door bij het nieuw beleid begroting 2023 en meerjarenraming 2024-2026 een voorschot te nemen. 2.5. Prijsontwikkeling De sterk gestegen prijzen zijn grotendeels het gevolg van de snelle toename van de energieprijzen vanaf de tweede helft van 2021. Ook de oorlog in Oekraïne leidt tot onzekerheid met snel stijgende prijzen voor voedsel en grondstoffen. Daarnaast laten de wereldwijde economische schokken als gevolg van de coronapandemie hun sporen na in de oplopende inflatie. Daar bovenop komt nog de krapte op de arbeidsmarkt welke kan leiden tot prijsopdrijving. Hierdoor is de spreiding van de prijsontwikkeling tussen de verschillende taakvelden binnen de gemeentelijke begroting momenteel groot. In de primitieve begroting 2022 is rekening gehouden met een algemene prijsstijging van 1%.
Gezien bovengenoemde prijsontwikkeling wordt bij de zomernota 2022 voorgesteld een aanvullende prijsontwikkeling voor 2022 van 2% te ramen op de stelpost loon- en prijsontwikkelingen. Op deze stelpost kan een beroep worden gedaan voor die taakvelden waarvan aangetoond kan worden dat er sprake is van forse prijsstijgingen boven de reguliere index (bijvoorbeeld op energielasten). De algemene prijsontwikkeling voor het begrotingsjaar 2023 ten opzichte van de bij de zomernota 2022 bij te stellen primitieve begroting 2022 komt hiermee dan uit op 3%. Zie ook onderstaande tabel voor een totaaloverzicht: Prijsontwikkeling
2020
2021
2022
2023
prijs bruto binnenlands product in % (1)
2,3
2,5
3,4
3
2
3
1,0
0,3
-0,5
af: reeds verwerkte prijsstijgingen in de primitieve begroting 2019-2021 in % af: te verwerken aanvullende prijsontwikkeling in de zomernota 2022
2,0
subtotaal correctiefactor 2020-2022 (werkelijke prijsstijging 2020-2022 is bepaald op 2,3% + 2,5% + 3,4% =8,2%, terwijl in de begroting 2020-2022 2,0% + 3,0% + 1,0% is geraamd en in de zomernota 2022 2%. Totaal derhalve 8,0%) subtotaal
Prijsindex 2023 incl. afronding bepalen op Kerngegevenstabel raming maart 2022 (CEP 2022) (cpb.nl)
0,4
0,2 3,2
3
2.5. Kosten en opbrengsten aanpassingen grondexploitaties Voor de kosten en opbrengsten aanpassingen grondexploitaties worden de volgende kostenstijgingen en opbrengsten stijgingen gehanteerd
Bron: collegebesluit 11 januari 2022 nr. 96371-2021 Positionpaper parameters grondexploitatie 2022 onder andere gebaseerd op Metafoor; Outlook grondexploitaties 2022.
2.6. Renteontwikkelingen en rentepercentages Het BBV schrijft voor dat alleen de werkelijk berekende rente mag worden toegerekend aan de taakvelden. Het renteomslagpercentage volgt uit de berekeningen bij de begroting 2022. Wel is er een keuze om het bij de begroting (voor) gecalculeerde renteomslagpercentage binnen een marge van 0,5% af te ronden. De gemeente Raalte hanteert het werkelijk berekende rentepercentage (zonder afronding). Hieronder zijn de cijfermatige uitgangspunten die jaarlijks vastgesteld worden aangegeven: Rentecomponent
Rentepercentage
Toelichting
Rekenrente exploitatie renteomslagpercentage PM
Het BBV schrijft voor dat alleen de werkelijke berekende rente mag worden toegerekend aan de taakvelden. Het renteomslagpercentage volgt derhalve uit de berekeningen bij de begroting 2023. Voor het jaar 2022 is het percentage berekend op 2,0 %
kortlopend middellang
0 1,54
tarief 4 april 2022 1 jaar fixe ( afgerond op 0) tarief 6 april 2022 10 jaar fixe
langlopend
1,51
tarief 6 april 2022 40 jaar fixe
PM
Bespaarde rente over het eigen vermogen is gemaximeerd op het gewogen gemiddelde rentepercentage over de aangetrokken financieringsmiddelen. Dit percentage wordt voor 2023 nog berekend. Voor het jaar 2022 is het percentage berekend op 1,84 %
PM
Conform BBV berekening: gewogen gemiddelde van de leningenportefeuille waarbij over aandeel eigen vermogen geen rentetoerekening mag plaats vinden aan de grondexploitatie. Dit percentage wordt voor 2023 nog berekend, voor 2022 is dit becijferd op 1,1 %.
2
Betreft disconteringsvoet die moet worden gehanteerd in de berekening van de contante waarde ten behoeve van het treffen van een verliesvoorziening voor negatieve grondexploitaties (conform BBV notitie; 2023: ook 2%).
Nieuwe investeringen
Extern financieringsmiddel (over financieringstekort)
Intern financieringsmiddel (rente reserves en voorzieningen)
bespaarde rente
Rekenrente Grondexploitatie Boekwaarden van de investeringen
Nieuwe investeringen
Disconteringsvoet
2.7. Subsidies en bijdragen Voor zover de subsidiebedragen geen vaste bijdragen betreffen, wordt bij het ramen van de te verstrekken inkomensoverdrachten/subsidies rekening gehouden met een prijsstijging van 3,0% ten opzichte van de in de primitieve begroting 2022 geldende bedragen. Ook hier geldt dat een variabele opslag toegepast mag worden op die taakvelden waarvan aangetoond kan worden dat er sprake is van een prijsontwikkeling die aanmerkelijk hoger ligt dan de reguliere prijsontwikkeling van 1% bij de primitieve begroting 2022 en 3% bij primitieve begroting 2023 (bijvoorbeeld op energielasten, maar ook op bijvoorbeeld hogere bijdragen aan gesubsidieerde instellingen). De prijsstijging van de personele lasten wordt overeenkomstig de voor die organisatie geldende CAO geraamd. Voor gesubsidieerde instellingen (o.a. subsidiecontracten) gelden in principe de afspraken die in het verleden zijn gemaakt m.b.t. budgetsubsidies (bijv. bibliotheek). Wijzigingen t.o.v. de voorgaande begroting dienen expliciet aangegeven te worden. Met taakuitbreidingen mag in de subsidieramingen voor het jaar 2023 geen rekening worden gehouden; deze moeten afzonderlijk worden aangemeld.
2.8. Tariefvoorstellen Jaarlijks worden de geraamde kosten, opbrengsten en kostendekkendheid van de tarieven in beeld gebracht. De tariefvoorstellen voor 2023 worden in principe gelijktijdig met de programmabegroting aan het college respectievelijk de gemeenteraad ter besluitvorming voorgelegd (maar in ieder geval vóór 1 januari 2023). De geraamde kostendekkendheid geeft aan wat de maximale ruimte is om de tarieven te verhogen. Daar waar uitgegaan wordt van 100% kostendekkendheid worden de tarieven aangepast om dit te bereiken. In de gevallen waarbij niet uitgegaan wordt van 100% kostendekkendheid wordt rekening gehouden met verschillende factoren (sociaal-maatschappelijke motieven, acceptatie van tarief/verhoging, vergelijking met omliggende gemeenten en wettelijke (maximum) tarieven). In de komende periode wordt onderzoek gedaan naar de herijking van de legestarieven. Het streven is dat de resultaten van dit onderzoek worden verwerkt in de primitieve begroting 2023 en de basis vormen voor de op te stellen tariefvoorstellen 2023. Waar mogelijk hanteren we voor 2023 een stijgingspercentage van 5,0%. Dit percentage is gelijk aan de prijscompensatie voor diensten en leveringen vanaf de primitieve begroting 2022 (2% stijging bij de zomernota 2022 en 3% stijging bij de begroting 2023 is nog niet doorberekend in de tarieven).
Hierbij blijft de geraamde kostendekkendheid wel inzichtelijk. 2.9. Belastingvoorstellen Onroerende Zaak Belasting, woonforensen- en precario- belasting Het inflatiepercentage dat voor het begrotingsjaar 2023 wordt gehanteerd voor de tariefstijging Onroerende Zaak Belasting (OZB), woonforensen- en precario- belasting is bepaald op 6%. Dit is gebaseerd op het CBS inflatiecijfer. Zie onderstaande opbouw. Inflatieontwikkeling
2020
2021
2022
2023
(Verwacht) inflatiecijfer
1,3
2,7
5,2
2,4
1,5
1,5
2,5
-0,2
1,2
2,7
in begroting 2020-2022 is rekening gehouden met inflatiecijfer van: 1,5%+1,5%+2,5%) subtotaal correctiefactor 2020-2022 (werkelijke inflatie 2020-2022 is bepaald op 1,3% + 2,7% +5,2%= 9,2%, terwijl in de begroting 2020-2022 is geraamd 1,5%+1,5%+ 2,5% = 5,5%
inflatiepercentage 2023 incl. afronding bepalen op
3,7 6,1 6,0
Kerngegevenstabel raming maart 2022 (CEP 2022) (cpb.nl)
Stijging toeristenbelasting: Het tarief voor de toeristenbelasting wordt met de inflatieindex van 6% verhoogd van € 0,95 per overnachting naar € 1,00 per overnachting.
Stijging reclamebelasting: De tarieven voor de reclamebelasting zijn in 2017 verhoogd als gevolg van het afschaffen van betaald parkeren en de verplichting van de ondernemers om € 750.000 daarin bij te dragen, in 10-jaarlijkse termijnen. De tarieven volgens de verordening reclamebelasting 2017 blijven daarom maximaal 10 jaar in stand. In 2021 is echter met de ROV en de Stichting Ondernemersfonds Raalte (SOR) een aanpassing in de heffing van de reclamebelasting besproken. Dit omdat o.a. door een toename van de leegstand in de afgelopen jaren de opbrengsten van de reclamebelasting terugliepen. Om de tekorten niet verder te laten oplopen, en in de toekomst de geraamde inkomsten van €65.000 voor het ondernemersfonds te financieren vanuit de reclamebelasting, is een aanpassing in de heffing van de reclamebelasting gewenst. Tijdens het overleg met ROV en SOR zijn er verschillende scenario’s aan bod gekomen die kunnen leiden tot hogere inkomsten vanuit de reclamebelasting en daarmee ook het ondernemersfonds. In dit overleg heeft het ROV aangegeven dat een bedrag lager dan €65.000,- niet wenselijk is omdat een lager bedrag ertoe leidt dat er minder georganiseerd kan worden in het centrum. De coronacrisis heeft ervoor gezorgd dat ondernemers in het centrum zware tijden beleefden en dit niet het juiste moment was om aanpassingen op de heffing van de reclamebelasting door te voeren.
In het overleg met het ROV en de stichting
ondernemersfonds Raalte is daarom voorgesteld om de heffing van de reclamebelasting op dit moment te laten zoals het nu is. De enige uitzondering hierop is dat vanaf 2022 een jaarlijkse inflatie indexering wordt toegepast. Omdat we verwachten dat nieuwe lockdowns het komende jaar niet waarschijnlijk zijn worden op dit moment de eerdergenoemde scenario’s opnieuw doorgerekend. In het najaar van 2022 zullen deze voorgelegd worden aan de ROV en SOR en wordt een voorstel gedaan voor de komende jaren. Op dat moment zal ook bepaald worden of en hoe hoog de indexatie zal worden.
Bijlage 1
Nieuw beleid begroting 2023 en meerjarenraming 2024-2026 Nr. …..
Programma: ……………
Onderwerp: ……………………………………………………
Wat is het (wettelijk en/of beleids) kader voor het betreffende onderwerp?
Welk doel(en)/ willen we bereiken (SMART geformuleerd)?
Wat levert het op/ is het effect/ hoe weten we dat we dat doel/effect gaan bereiken?
Wat gebeurt er als we dit nu niet doen (is het onderwerp onontkoombaar en/of onuitstelbaar)?
Geef een kernachtige inhoudelijke toelichting op het onderwerp:
Gevraagde middelen (splitsen in externe budgetten en loonsombudgetten): Omschrijving
S/E
2023
2024
2025
2026
………………………… ………………………… Waar kun je middelen vrij maken (cofinancering/ compensatie door rijksmiddelen/ bestaande reserves/ binnen bestaande begroting): Omschrijving …………………………. …………………………..
S/E
2023
2024
2025
2026