CConstaterende datRaalte
Koppel je AI →
Document · PDF

B4a_MER TIJS Heeten b.v.-maart2025

Raadsvergadering 10 juli 2025, gemeente RaalteBij agendapunt: Vaststellen besluit omgevingsvergunning en verklaring van geen bedenkingen uitbreiding varkenshouderij Tijs (bespreekstuk)30.570 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

2,25 m2

1,3 m2

Guste zeugen (dekstal)

Boxen

Beton / 20 mm.

2,25 m2

1,3 m2

Dekbeer

Hok

Beton

6,0 m2

4,0 m2

Opfokzeug

Hokken

Beton / 20 mm.

1,0 m2

0,4 m2

Gespeende big

Hokken

Kunststof / metaal

0,3 m2

0,2 m2

Vleesvarkens

Hokken

Gietijzer / beton

0,9 m2

0,4 m2

3.4

KENGETALLEN

In deze paragraaf worden een aantal kengetallen ten aanzien van de gewenste bedrijfsvoering met 1.526 fokzeugen met 288 opfokzeugen, 6 dekberen, 8.100 gespeende biggen en 13.824 vleesvarkens beschreven. Bovengenoemde veebezetting is het maximale aantal dieren dat binnen de inrichting aanwezig kan worden gehouden c.q. aanwezig zal zijn. Dit aantal dieren is gelijk aan het aantal beschikbare dierplaatsen (excl. ziekenboeg /-opvang). Binnen de inrichting zijn dan ook (m.u.v. de ziekenboeg /-opvang) geen extra dierplaatsen aanwezig boven het aantal genoemde en gevraagde aantal dieren. De roulatie van de groepen dieren (weekgroepen) kan, gelet op de ruim opgezette bedrijfsvoering, plaatsvinden binnen de beoogde stalruimtes en hiervoor zijn derhalve geen extra dierplaatsen benodigd. Ten aanzien van de beoogde bedrijfsopzet kunnen de volgende (gemiddelde) kengetallen worden weergegeven: • duur van een cyclus : 154 dagen • aantal worpen per jaar : ongeveer 3.500 • vervangingsgraad zeugen : ongeveer 45% • jaarlijks geboren aantal biggen : ongeveer 58.000 • uitval biggen : ongeveer 2,5% • aantal afgeleverde vleesvarkens : circa 53.000 • gewicht afgeleverde vleesvarkens : circa 110 kg • uitval vleesvarkens per jaar : circa 2,5 % • vrijkomende drijfmest per jaar : 26.000 m3

3.5

BESCHRIJVEN SYSTEEM VOERVERSTREKKING VARKENS (DROOGVOER)

Binnen de varkenshouderij wordt in huidige en gewenste bedrijfsopzet gebruik gemaakt van een droogvoerinstallatie. De grondstoffen voor het voer wordt met gesloten bulkwagens aangevoerd en opgeslagen in diverse silo’s. Naast kernvoer (mineralen en vitaminen) wordt gebruik gemaakt van (droge) bijproducten in de vorm van akkerbouwproducten CCM (maïs), diverse soorten granen en bijproducten zoals soja, meel en raap.

Combi-MER –Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 29

De benodigde granen en mais worden lokaal geteeld en opgeslagen in de beschikbare silo’s. Daarnaast is ongeveer 45% van de grondstoffen afkomstig uit de humane voedingsmiddelen industrie zoals brood- en beschuitmeel, koekjes en pepernoten. De overige bijproducten bestaan uit tarwegries, soja- en zonnebloemschroot. Deze (droge) grondstoffen worden geleverd door een leverancier (bijv. Duynie) en zijn altijd voorzien van een GMP+-verklaring. Op basis van deze GMP+ verklaring is een “track and trace” gewaarborgd en sprake van “secure feed”. Secure Feed staat voor de borging van de voedselveiligheid van diervoeders en beheert een gezamenlijk systeem voor monitoring en risicobeoordeling van grondstoffen en de leveranciers. Door het delen van kennis en informatie met ketenpartners en externe partijen, wordt gewerkt aan een versterking van het risicobewustzijn en de risico-aanpak. Deze mix van grondstoffen zorgt bij de dieren voor een goed en evenwichtig voedingspatroon. Het in eigen beheer maken van droogvoer is financieel aantrekkelijk voor bedrijven met een bovengemiddelde omvang vanwege de hoge investeringskosten. Naast een economisch voordeel (eigen inkoop // lage kostprijs) is er tevens een milieuvoordeel, omdat de grondstoffen lokaal worden geteeld en vanwege de toepassing van bijproducten lage ”carbon footprint” hebben. De grondstoffen worden allemaal enkelvoudig opgeslagen.

In de voerkeuken worden voor de verschillende soorten varkens meerdere recepten gemaakt en tevens het voerschema vastgesteld. De voerkeuken bestaat on hoofdzaak uit een hamermolen en maler (pletten en malen), mengers en wegers. Met behulp van deze voorzieningen wordt in eigen beheer een samengesteld rantsoen voor de dieren gemaakt. Vanuit een voorraadsilo wordt met behulp van een droogvoerinstallatie dit product vervolgens verstrekt aan een specifieke diergroep / stalruimte. Hoeveelheden droogvoer en bijproducten • Droogvoer (zakgoed) Totale doorzet = • Kernvoer: Maximale opslag: Doorzet: • Granen en maïs Maximale opslag: Doorzet: • Droge bijproducten Maximale opslag: Doorzet: PRODUCT

JAARLIJKSE DOORZET (TON)

15 ton per jaar 64 ton 1.350 ton per jaar 2.400 ton 7.100 ton per jaar 540 ton 5.500 ton per jaar MAXIMALE OPSLAG (TON)

DROOGVOER

15

2

KERNVOER (MINERALEN/VITAMINEN)

1.350

64

GRAAN EN MAIS

7.100

2.400

DROGE BIJPRODUCTEN

5.500

540

De droge bijproducten bestaande uit in hoofdzaak humane voedingsmiddelen (brood- en beschuitmeel, koekjes en pepernoten) en tarwegries, soja- en zonnebloemschroot betreffen reststoffen afkomstig uit productieprocessen van derden. Deze stoffen worden formeel beschouwd als “afvalstoffen”.

Combi-MER –Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 30

De maximale opslagcapaciteit van deze stoffen omvat 540 ton en de jaarlijkse doorzet omvat 5.500 ton. Nu deze hoeveelheden ruimschoots lager zijn de gestelde drempelwaarden uit bijlage 1 van het Bor (respectievelijk 1.000 m3 // 15.000 ton) is het college van B&W van Raalte het bevoegd gezag voor deze inrichting.

Combi-MER –Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 31

4.

REFERENTIESITUATIE

In dit hoofdstuk zal de referentiesituatie (c.q. bestaande bedrijfsopzet) worden beschreven. Achtereenvolgens komen de aspecten type huisvesting, werkzaamheden en activiteiten, ammoniakemissie, geuremissie, energie- & waterverbruik, grondstoffen, opslag van mest, afvalstoffen en afvalwater, luchtkwaliteit, geluid, bodem, veiligheidsaspecten en gezondheidsaspecten aan de orde.

4.1

HUIDIGE & VERGUNDE BEDRIJFSOPZET

Voor onderhavige varkenshouderij is op 16 februari 2015 (kenmerk OGV 2014-276) een omgevingsvergunning verleend op grond van de Wabo (o.a. revisie milieu) // bijlage 5. Nadien zijn nog omgevingsvergunningen op grond van de Wabo verleend in verband met de realisatie van een mestsilo (2017) en het wijzigen van de bedrijfswoning (2017). De vergunde situatie is inmiddels volledig opgericht en in werking gebracht. In onderstaande tabel is het vergunde aantal dieren in combinatie met het stalsysteem weergegeven. Een plattegrondtekening van de bestaande bedrijfsopzet is als bijlage 6 toegevoegd. Tabel 1 Vergunde bedrijfsopzet 16-2-2015

Vigerende vergunning:

16-2-2015 Stalsysteem

Stal

Diercategorie

Aantal dieren

RAV code

1

Vleesvarkens

3526

2

Kraamzeugen

3

BWL / BB code

Omschrijving

D 3.2.6.1.2

BWL 2004.08.V2

Koeldeksysteem (200% koeloppervlak) met metalen roostervloer

196

D 1.2.13

BWL 2006.08.V1

mestpan onder kraamhok

Kraamzeugen

160

D 1.2.13

BWL 2006.08.V1

mestpan onder kraamhok

4

Dekberen

6

D 2.4.4

BWL 2010.02.V7

gecombineerd luchtwassysteem 85% ammoniak emissiereductie (45% geur en 80% fijn stof emissiereductie) met watergordijn en biologische wasser

4

Guste en Dragende zeugen

1170

D 1.3.12.4

BWL 2010.02.V7

gecombineerd luchtwassysteem 85% ammoniak emissiereductie (45% geur en 80% fijn stof emissiereductie) met watergordijn en biologische wasser

4

Opfokzeugen

360

D 3.2.15.4

BWL 2010.02.V7

gecombineerd luchtwassysteem 85% ammoniak emissiereductie (45% geur en 80% fijn stof emissiereductie) met watergordijn en biologische wasser

5

Gespeende biggen

6736

D 1.1.15.4

BWL 2010.02.V7

gecombineerd luchtwassysteem 85% ammoniak emissiereductie (45% geur en 80% fijn stof emissiereductie) met watergordijn en biologische wasser

** In de vigerende vergunning d.d. 16 februari 2015 is t.a.v. de gespeende biggen (D 1.1.15.4.1/2) en vleesvarkens/opfokzeugen (D 3.2.15.4.1/2) nog onderscheidt gemaakt ten aanzien van de beschikbare hokoppervlakte. Dit onderscheidt wordt thans niet meer gemaakt en derhalve zijn de genoemde Rav-codes aangepast tot D 1.1.15.4 & D 3.2.15.4).

Bovenstaande bedrijfsomvang omvat de maximale mogelijkheden binnen het bestaande bouwvlak.

Combi-MER –Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 32

Figuur 9 Luchtfoto varkenshouderij / huidige situatie (bron: Streetsmart2023)

4.2 WERKZAAMHEDEN & ACTIVITEITEN Binnen de bestaande varkenshouderij aan de Heetenseweg 9a is er in de huidige / vergunde situatie sprake van de volgende werkzaamheden en activiteiten: • het bedrijfsmatig houden van varkens (fokzeugen, gespeende biggen en vleesvarkens); • het opslaan van veevoeder, grondstoffen & bijproducten; • het opslaan en aanmaken van droogvoer; • het in gebruik hebben van een centrale (droog)voerkeuken; • het opslaan van dunne mest in de kelders en in een mestsilo; • het in gebruik hebben van vijf emissiearme stallen, een kantoor/ hygiënesluis / kantine, een werkplaats/berging en twee bedrijfswoningen; • het in gebruik hebben van twee gecombineerde luchtwassers (stal 4 en stal 5); • het in gebruik hebben van een spoelplaats en kadaveropslag.

4.3

AMMONIAK

4.3.1 Ammoniakemissie De ammoniakuitstoot op basis van de vergunde veebezetting kan op basis van de geldende RAV als volgt worden berekend.

Combi-MER –Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 33

Tabel 2 Overzicht ammoniakemissie vergunde bedrijfsopzet Vigerende vergunning:

16-2-2015 Stalsysteem

Stal

Diercategorie

Aantal dieren

1

Vleesvarkens

3526

2

Kraamzeugen

3

RAV code

Ammoniakemissie

BWL / BB code

Omschrijving

Kg NH3 per dierplaats*

Kg NH3 totaal

D 3.2.6.1.2

BWL 2004.08.V2

Koeldeksysteem (200% koeloppervlak) met metalen roostervloer

1,2

4231,2

196

D 1.2.13

BWL 2006.08.V1

mestpan onder kraamhok

2,9

568,4

Kraamzeugen

160

D 1.2.13

BWL 2006.08.V1

mestpan onder kraamhok

2,9

464

4

Dekberen

6

D 2.4.4

BWL 2010.02.V7

gecombineerd luchtwassysteem 85% ammoniak emissiereductie (45% geur en 80% fijn stof emissiereductie) met watergordijn en biologische wasser

0,83

4,98

4

Guste en Dragende zeugen

1170

D 1.3.12.4

BWL 2010.02.V7

gecombineerd luchtwassysteem 85% ammoniak emissiereductie (45% geur en 80% fijn stof emissiereductie) met watergordijn en biologische wasser

0,63

737,1

4

Opfokzeugen

360

D 3.2.15.4

BWL 2010.02.V7

gecombineerd luchtwassysteem 85% ammoniak emissiereductie (45% geur en 80% fijn stof emissiereductie) met watergordijn en biologische wasser

0,45

162

5

Gespeende biggen

6736

D 1.1.15.4

BWL 2010.02.V7

gecombineerd luchtwassysteem 85% ammoniak emissiereductie (45% geur en 80% fijn stof emissiereductie) met watergordijn en biologische wasser

0,1

673,6

Totaal:

6841,28

* emissie in kg NH3 per dierplaats per jaar volgens de Regeling ammoniak en veehouderij

4.3.2 Zeer kwetsbare natuurgebieden In de vergunde situatie is de veehouderij op grond van de Wet ammoniak en veehouderij (Wav) niet gelegen binnen of in een zone van 250 meter van een ‘zeer kwetsbaar natuurgebied’. Het dichtbijgelegen ’zeer kwetsbaar natuurgebied’ is, gemeten vanaf de gevel van de dichtstbijgelegen stal (stal 5), gelegen op een afstand van 966 meter ten zuidoosten van het emissiepunt van onderhavige veehouderij (zie ook onderstaande afbeelding).

Figuur 10: Wav-kaart Overijssel (bron: provincie Overijssel)

Combi-MER –Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 34

4.3.3 Ammoniakemissie afkomstig uit stalsysteem De Europese Commissie heeft de BBT-conclusies van de intensieve pluimvee- en varkenshouderij gepubliceerd op 21 februari 2017 in het Publicatieblad van de Europese Unie. Deze BBT-conclusies hebben betrekking op activiteiten die vallen onder de IPPC-categorie 6.6 van bijlage I bij de Richtlijn industriële emissies 2010/75/EU: • 6.6a: veehouderijen met meer dan 40.000 plaatsen voor pluimvee • 6.6b: veehouderijen met meer dan 2.000 plaatsen voor mestvarkens van meer dan 30 kg • 6.6c: veehouderijen met meer dan 750 plaatsen voor zeugen Voor intensieve pluimvee- of varkenshouderijen, die onder de werking van de IPPC-richtlijn vallen, is er een BREF opgesteld (Reference Document on Best Available Techniques for Intensive Rearing of Pigs and Poultry, 2017). De BREF voor de intensieve veehouderij is inmiddels ook aangewezen in de regeling aanwijzing BBT-documenten. Ook de oplegnotitie wordt opgenomen in de Regeling aanwijzing BBT-documenten, zodat bij het bepalen van de voor een veehouderij in aanmerking komende beste beschikbare technieken eveneens met deze notitie rekening moet worden gehouden. De BREF / oplegnotitie behandelt de beste beschikbare technieken voor de intensieve pluimvee- en varkenshouderij onderverdeeld naar verschillende aspecten.

Binnen het bedrijf zijn in de vigerende situatie meer dan 750 plaatsen voor fokzeugen en meer dan 2.000 plaatsen voor het houden van vleesvarkens aanwezig. De drempelwaarde voor fokzeugen & vleesvarkens wordt hierdoor overschreden, waardoor de RIE / IPPC-richtlijn van toepassing is op de bestaande bedrijfsopzet. Het varkensbedrijf moet in deze situatie voldoen aan het ‘Best Avialable Techniques (BAT) principe’ (BBT / BBT+), zoals opgenomen in de BREF en de Oplegnotitie voor IPPCbedrijven. In de bestaande / vergunde situatie zijn alle stallen reeds emissiearm uitgevoerd en wordt voldaan aan het gestelde in de (oplegnotitie) “BREF voor intensieve varkenshouderij”, de “Beleidslijn IPPC-omgevingstoets Ammoniak en Veehouderij” en het “Besluit emissiearme huisvesting veehouderijen”. 4.3.4 Directe ammoniakschade Voor de bepaling of er mogelijk directe schade aan planten ontstaat, dient een aanvraag om een omgevingsvergunning te worden getoetst aan het rapport ‘Stallucht en Planten’ uit juni 1981 van het Instituut Plantenziektekundig Onderzoek (IPO). Op grond van dit rapport is gekeken of er binnen de daarin opgenomen afstanden van de inrichting voor ammoniak gevoelige planten aanwezig zijn.

Hierbij is gekeken of binnen een afstand van 50 meter van de inrichting coniferen worden geteeld en/of dat binnen een afstand van 25 meter van de inrichting andere voor directe ammoniakschade gevoelige tuinbouwgewassen worden geteeld. Dit is niet het geval, zodat dit aspect in de onderhavige situatie geen belemmering vormt.

Combi-MER –Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 35

4.4

STIKSTOFDEPOSITIE

In het kader van Europese regelgeving zijn binnen Nederland Vogelrichtlijngebieden en Habitatgebieden aangemeld (VHR-gebieden). Deze gebieden worden ook wel Natura 2000-gebieden genoemd en vallen onder de werkingssfeer van de Wet Natuurbescherming (WNB). In onderstaande figuren is de ligging van de Natura 2000-gebieden ten opzichte van de bedrijfslocatie aan de Heetenseweg 9a te Heeten weergegeven.

Figuur 11: Ligging locatie t.o.v. diverse Natura 2000-gebieden (bron: AERIUS-calculator)

Figuur 12: Ligging bedrijf t.o.v. dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Boetelerveld (bron: Streetsmart)

Combi-MER –Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 36

Binnen 25 kilometer van de varkenshouderij liggen 8 Natura2000 gebieden. De 8 gebieden liggen op de volgende afstand van de bedrijfslocatie: • Boetelerveld : 2.630 meter • Sallandse Heuvelrug : 6.595 meter • Rijntakken (Uiterwaarden IJssel) : 10.625 meter • Vecht- en Beneden Reggebied : 12.980 meter • Wierdense Veld : 15.100 meter • Veluwe : 16.200 meter • Borkeld : 16.620 meter • Uiterwaarden Zwarte water & Vecht : 19.300 meter Het college van GS van Overijssel heeft op 28 november 2014 een vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 verleend (2014/0327650 / zie bijlage 7). Op grond van deze vigerende NB-wetvergunning mag onderstaande veebezetting worden gehouden: Tabel 3 Overzicht Nbw-vergunning d.d. 28 november 2014 Wet Natuurbescherming:

28-11-2014 Stalsysteem

Stal

Diercategorie

Aantal dieren

RAV code

1

Vleesvarkens

3526

2

Kraamzeugen

3

Kraamzeugen

Ammoniakemissie

BWL / BB code

Omschrijving

Kg NH3 per dier-plaats*

Kg NH3 totaal

D 3.2.6.1.2

BWL 2004.08.V2

Koeldeksysteem (200% koeloppervlak) met metalen roostervloer

1,2

4231,2

196

D 1.2.13

BWL 2006.08.V1

mestpan onder kraamhok

2,9

568,4

160

D 1.2.13

BWL 2006.08.V1

mestpan onder kraamhok

2,9

464

0,83

4,98

4

Dekberen

6

D 2.4.4

BWL 2010.02.V7

gecombineerd luchtwassysteem 85% ammoniak emissiereductie (45% geur en 80% fijn stof emissiereductie) met watergordijn en biologische wasser

4

Guste en Dragende zeugen

1170

D 1.3.12.4

BWL 2010.02.V7

gecombineerd luchtwassysteem 85% ammoniak emissiereductie (45% geur en 80% fijn stof emissiereductie) met watergordijn en biologische wasser

0,63

737,1

4

Opfokzeugen

360

D 3.2.15.4

BWL 2010.02.V7

gecombineerd luchtwassysteem 85% ammoniak emissiereductie (45% geur en 80% fijn stof emissiereductie) met watergordijn en biologische wasser

0,45

162

5

Gespeende biggen

6736

D 1.1.15.4

BWL 2010.02.V7

gecombineerd luchtwassysteem 85% ammoniak emissiereductie (45% geur en 80% fijn stof emissiereductie) met watergordijn en biologische wasser

0,1

673,6

Totaal:

6841,28

* emissie in kg NH3 per dierplaats per jaar volgens de Regeling ammoniak en veehouderij

Deze vergunde situatie is identiek aan de geldende omgevingsvergunning op grond van de Wabo uit 2015. De stikstofdepositie op de 8 omliggende Natura2000 gebieden voor de vergunde situatie is inzichtelijk gemaakt met het verspreidingsmodel Aerius 2024. In de Aerius-berekening (bijlage 8) zijn op jaarbasis de volgende uitgangspunten gehanteerd: • Veebezetting en emissiepunten conform NB-wetvergunning d.d. 28-11-2014; •

Ammoniakemissie op basis van de nu geldende Rav (6.841,3 kg NH3 / tabel 3); Vervoersbewegingen op basis van akoestisch onderzoek behorende bij de omgevingsvergunning 2015 (17,1 kg NOx / 0,3 kg NH3);

•

Stationair draaien voertuigen op erf: 18,2 kg NOx / 0,2 kg NH3

Combi-MER –Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 37

•

Koude starts licht verkeer: 0,5 kg NOx / 81,2 g NH3 (niet van toepassing op vrachtverkeer);

•

Verbruik aardgas op basis van omgevingsvergunning 2015 / 12.000 m3: 9,7 kg NOx;

•

Verbruik dieselolie op basis van omgevingsvergunning 2015 / 3.500m m3 dieselolie: 53,4 kg NOx / 26,3 g NH3;

•

Ammoniakemissie mestsilo (2.500 m3 drijfmest varkens / diameter 25 meter / ep: 4,5 m.): 262,5 g NH3; Emissie mestsilo, conform notitie BIJ12 Omschrijving Mestsilo, diersoort varken

Totale NH3-emissie per jaar (in kg): Diameter m1 25,0

262,52

Oppervlak Gebruiks- Emissiefactor NH3 emissie (g/u/m2)* m2 dagen (kg/jaar) 490,87

365

* berekening op basis van onderzoek van De Bode uit 1987. Het vervluchtingspercentage betreft 15%.

0,407 Totaal:

262,52 262,52

Totale jaarlijkse emissie berekening stikstofdepositie Aerius: • 7.104,4 kg NH3 • 98,9 kg NOx Daarnaast zijn ter plaatse van het meest nabijgelegen zeer kwetsbaar natuurgebied op grond van de Wet ammoniak en veehouderij (2 stuks / gele ster) alsmede in het naastgelegen bosgebied (4 stuks / blauwe ster) en de nabijgelegen (wandel)paden van het landgoed Schoonheten (5 stuks / rode ster), conform het gestelde in en naar aanleiding van de Notitie Reikwijdte en Detailniveau 2022, een aantal aanvullende beoordelingspunten opgenomen. Deze beoordelingspunten zijn n.a.v. de ingebrachte zienswijzen / Notitie R&D aanvullend opgenomen. Deze beoordelingspunten hebben op grond van de Wet natuurbescherming echter geen formele status en vormen hierdoor geen wettelijke toetsingspunten t.a.v. het aspect stikstofdepositie. Deze 11 extra beoordelingspunten zijn opgenomen om ter plaatse illustratief de referentiesituatie alsmede de alternatieven te kunnen vergelijken. In navolgende figuur zijn deze extra beoordelingspunten weergegeven:

Combi-MER –Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 38

Figuur 13: Extra beoordelingspunten in directe omgeving (gebied Wav, naastgelegen bosperceel en wandelpaden landgoed /bron: Streetsmart2022)

Uit de Aerius-berekening (model 2024 / zie navolgende uitdraai) komen ter plaatse van de 8 omliggende Natura2000 gebieden en toegevoegde beoordelingspunten (11 stuks) de volgende stikstofdeposities naar voren. De hoogste bijdrage vindt plaats op Natura2000-gebied Boetelerveld en deze bedraagt 6,88 mol/hectare/jaar.

Combi-MER –Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 39

Piekbelaster Met de landelijke aanpak piekbelasting wil het kabinet de stikstofneerslag in de kwetsbare natuurgebieden (Natura 2000 gebieden) snel terugdringen. De aanpak is vrijwillig en richt zich op ongeveer 3.000 bedrijven die de meeste stikstofneerslag veroorzaken op overbelaste stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Dit zijn veelal agrarische bedrijven en enkele industriële bedrijven. Het kabinet wil met de aanpak de stikstofneerslag in kwetsbare natuurgebieden versneld terugdringen. Als piekbelastende bedrijven hun stikstofuitstoot fors verminderen, heeft dat direct effect op de hoeveelheid stikstofneerslag in kwetsbare natuurgebieden. Op deze manier kan de natuur herstellen en ontstaat er op termijn ook weer ruimte voor vergunningverlening. Zoals voor het legaliseren van PAS-meldingen en vervolgens voor andere urgente maatschappelijke en economische ontwikkelingen. Bedrijven die met een locatie de meeste stikstofneerslag veroorzaken op kwetsbare natuurgebieden (Natura 2000-gebieden) vallen onder de aanpak piekbelasting. Dit is het geval wanneer een bedrijf binnen 25 kilometer van overbelaste stikstofgevoelige natuur ten minste 2.500 mol stikstofdepositie per jaar veroorzaakt. Deze landelijke drempelwaarde geldt voor zowel industriële als agrarische bedrijven.

Ondernemers kunnen via de speciaal hiervoor beschikbaar gestelde rekenmodule ‘AERIUS Check’ nagaan of zij voldoen aan de drempelwaarde. Met de AERIUS Check wordt de stikstofneerslag van de bedrijfslocatie berekend. Op deze manier kan worden nagegaan of het bedrijf voldoet aan de drempelwaarde voor de regelingen onder de aanpak piekbelasting. Landbouwbedrijven met varkens, melkvee, vleeskalveren, kippen of kalkoenen die vrijwillig willen stoppen kunnen in dit kader een subsidie aanvragen via de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties (Lbv+). De Lbv+ is voor landbouwbedrijven die vallen onder de aanpak piekbelasting. De subsidie wordt verstrekt als het landbouwbedrijf stopt en de stikstofneerslag (stikstofvracht) op een overbelast Natura 2000-gebied 2.500 mol of hoger is. Dit is de drempelwaarde voor de aanpak piekbelasting en de Lbv-plus. Tijs Heeten b.v. is niet voornemens om de varkenshouderij te beeindigen en wenst niet deel te nemen aan de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties. Voor de volledigheid is echter met behulp van de rekenmodule ‘AERIUS Check’ beoordeeld of op basis van de vergunde situatie (veebezetting WNB 2014) de varkenshouderij wordt aangemerkt als ‘piekblaster’. Uit deze berekening (zie bijlage 9) blijkt dat de stikstofneerslag afkomstig van de veebezetting (stikstofvracht) op een overbelast Natura 2000-gebied 3.690 mol bedraagt.

Op grond van de vrijwillige aanpak piekbelasting / LBV+ kan de bestaande / vergunde bedrijfsvoering derhalve worden aangemerkt als ‘piekbelaster’. Combi-MER –Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 40

4.5

GEUR

4.5.1. Geuremissie De geuremissie van de vergunde veebezetting (omgevingsvergunning Wabo 2015) kan op basis van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) en geldende Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) als volgt worden berekend. Tabel 4 Overzicht geuremissie vergunde bedrijfsopzet Vigerende vergunning:

16-2-2015 Stalsysteem

Stal

Diercategorie

Aantal dieren

RAV code

1

Vleesvarkens

3526

2

Kraamzeugen

3

Geuremissie

BWL / BB code

Omschrijving

OUe per dierplaats**

OUe totaal

D 3.2.6.1.2

BWL 2004.08.V2

Koeldeksysteem (200% koeloppervlak) met metalen roostervloer

17,9

63115,4

196

D 1.2.13

BWL 2006.08.V1

mestpan onder kraamhok

27,9

5468,4

Kraamzeugen

160

D 1.2.13

BWL 2006.08.V1

mestpan onder kraamhok

27,9

4464

4

Dekberen

6

D 2.4.4

BWL 2010.02.V7

gecombineerd luchtwassysteem 85% ammoniak emissiereductie (45% geur en 80% fijn stof emissiereductie) met watergordijn en biologische wasser

10,3

61,8

4

Guste en Dragende zeugen

1170

D 1.3.12.4

BWL 2010.02.V7

gecombineerd luchtwassysteem 85% ammoniak emissiereductie (45% geur en 80% fijn stof emissiereductie) met watergordijn en biologische wasser

10,3

12051

4

Opfokzeugen

360

D 3.2.15.4

BWL 2010.02.V7

gecombineerd luchtwassysteem 85% ammoniak emissiereductie (45% geur en 80% fijn stof emissiereductie) met watergordijn en biologische wasser

12,7

4572

5

Gespeende biggen

6736

D 1.1.15.4

BWL 2010.02.V7

gecombineerd luchtwassysteem 85% ammoniak emissiereductie (45% geur en 80% fijn stof emissiereductie) met watergordijn en biologische wasser

4,3

28964,8

** geuremissiefactor in odour units per seconde per dier volgens de Regeling geurhinder en veehouderij

118697,4

Op 1 januari 2007 is de Wet geurhinder en veehouderij en de bijbehorende Regeling geurhinder en veehouderij in werking getreden. De Wet geuremissie uit veehouderij dient te worden getoetst aan de voornoemde wet- en regeling. De Wet maakt onderscheid tussen dieren met en zonder geuremissiefactoren. Voor dieren zonder geuremissiefactoren gelden vaste afstanden die moeten worden aangehouden tot geurgevoelige objecten. Voor dieren met omrekeningsfactoren, zoals vleesvarkens en gespeende biggen, wordt middels het verspreidingsmodel ‘V-Stacks vergunning 2020’ de geuremissie uit de veehouderij omgerekend naar geurbelasting op de geurgevoelige objecten in de omgeving van de veehouderij. In de vergunde bedrijfssituatie is alleen sprake van dieren met geuremissiefactoren. De varkenshouderij is gelegen in een zgn. concentratiegebied.

Combi-MER –Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 41

Op basis van de Wet geurhinder en veehouderij mag, nu de gemeente Raalte voor de intensieve veehouderij geen Geurverordening heeft vastgesteld, de geurbelasting afkomstig van de veehouderij niet meer bedragen dan: • geurgevoelig object gelegen binnen de bebouwde kom: 3,0 OUE/ m3 • geurgevoelig object gelegen buiten de bebouwde kom: 14,0 OUE/ m3 Ook ten behoeve van de geurberekening zijn ter plaatse van het meest nabijgelegen zeer kwetsbaar natuurgebied op grond van de Wet ammoniak en veehouderij (2 stuks) alsmede in het naastgelegen bosgebied (4 stuks) en de nabijgelegen (wandel)paden van het landgoed Schoonheten (5 stuks), conform het gestelde in en naar aanleiding van de Notitie Reikwijdte en Detailniveau 2022, een aantal aanvullende beoordelingspunten opgenomen (zie figuur 13). Deze beoordelingspunten zijn n.a.v. de ingebrachte zienswijzen / Notitie R&D aanvullend opgenomen. Deze beoordelingspunten hebben op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv)echter geen formele status en vormen hierdoor geen wettelijke toetsingspunten t.a.v. het aspect geur. Deze 11 extra beoordelingspunten zijn opgenomen om ter plaatse illustratief de referentiesituatie alsmede de alternatieven te kunnen vergelijken. 4.5.2.

Diercategorieën met geuremissiefactoren (individuele toetsing) Voor dieren met omrekeningsfactoren wordt middels het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning de geuremissie uit de veehouderij omgerekend naar geurbelasting op de geurgevoelige objecten in de omgeving van de veehouderij. In het rekenmodel dienen verschillende parameters ingevoerd worden, deze worden hieronder behandeld. Meteorologie Meteostation Eindhoven. X-, Y-coördinaten van de bronnen In het rekenmodel dienen de coördinaten van de bronnen van het bedrijf worden ingegeven. Met coördinaten worden de rijksdriehoeks- of Amersfoortse coördinaten bedoeld. Met “bron” wordt het emissiepunt van een stal bedoeld. Omdat er hier sprake is van mechanische ventilatie in de vorm van centrale afzuiging en luchtwassers worden de centrale emissiepunten c.q. de middelpunten van de stallen als bron ingevoerd. De gemiddelde gebouwhoogte De gemiddelde gebouwhoogte van de bron is het gemiddelde tussen de goot- en de nokhoogte van de stal. Geuremissie per bron (OUE/ m3) De geuremissie per bron (= stal) dient ingevoerd te worden. In de geldende Regeling geurhinder en veehouderij is de geuremissie per dier aangegeven. In deze regeling zijn voor de verschillende soorten varkens geuremissiefactoren opgenomen.

De geuremissie per stal is vastgesteld door het aantal dieren te vermenigvuldigen met de geldende geuremissiefactor op grond van de RGV.

Combi-MER –Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 42

De hoogte van de uitstroomopening Met de hoogte van de uitstroomopening (emissiepunthoogte) wordt de hoogte bedoeld van het emissiepunt boven het maaiveld. Voor de mechanisch geventileerde varkensstallen is dit de uitstroomopening van de ventilator / ventilatiekoker of de luchtwasser. Deze uitstroomopening wordt als emissiepunt beschouwd. De diameter van de uitstroomopening De diameter van de uitstroomopening (emissiepuntdiameter) is van invloed op de verspreiding van de geur. Bij mechanische geventileerde stallen dient hiervoor de diameter van de ventilatoren of de luchtwassers te worden bepaald. Deze waarden zijn derhalve in het model ingevoerd. De uittreesnelheid De uittreesnelheid is alleen van belang indien het een verticale of vrije uitstroming betreft (emissiepunt). Deze heeft namelijk een ‘emissiepuntverhogend effect’. Voor een mechanisch geventileerde stal met een verticale uitstoot en een centrale afzuiging, dient de uittreesnelheid te worden berekend op basis van de diameter in combinatie met de veebezetting. V-stacks 2020 Op grond van het voorgaande zijn in het thans geldende rekenmodel V-Stacks 2020 de volgende parameters ingevoerd (deze parameters zijn in overeenstemming met de omgevingsvergunning Wabo 2015): Parameters per stal:

Stal 1 (vleesvarkens) = 63.115 OU Emissiepunthoogte: Gemiddelde gebouwhoogte: Diameter uitstroomopening: Uittreedsnelheid:

7,5 m. 4,5 m. (nokhoogte 6,6 m. – goothoogte 2,4 m.) 0,80 m. 4,0 m/s

Stal 2 (kraamzeugen) = 5.468 OU Emissiepunthoogte: Gemiddelde gebouwhoogte: Diameter uitstroomopening: Uittreedsnelheid:

5,5 m. 3,4 m. (nokhoogte 4,5 m. – goothoogte 2,2 m.) 1,68 m. 1,85 m/s

Stal 3 (kraamzeugen) = 4.464 OU Emissiepunthoogte: Gemiddelde gebouwhoogte: Diameter uitstroomopening: Uittreedsnelheid:

6,5 m. 4,6 m. (nokhoogte 6,4 m. – goothoogte 2,8 m.) 1,37 m. 2,26 m/s

Combi-MER –Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 43

Stal 4 (G&D zeugen + opfok) = 16.685 OU Emissiepunthoogte: Gemiddelde gebouwhoogte: Diameter uitstroomopening: Uittreedsnelheid:

8,3 m. 5,2 m. (nokhoogte 7,5 m. – goothoogte 2,9 m.) 4,47 m. (standaard invoerwaarde V stacks 2020 = 1,0 m.) 1,40 m/s

Stal 5 (gespeende biggen) = 28.965 OU Emissiepunthoogte: Gemiddelde gebouwhoogte: Diameter uitstroomopening: Uittreedsnelheid:

11,3 m. 6,8 m. (nokhoogte 11,0 m. – goothoogte 2,5 m.) 3,91 m. (standaard invoerwaarde V stacks 2020 = 1,0 m.) 1,87 m/s

** In de vigerende vergunning d.d. 16 februari 2015 is t.a.v. stal 4 en stal 5 de feitelijke diameter van de luchtwasser als uitgangspunt gehanteerd in de V-stacks berekening. Op grond van de herziene Handleiding V-stacks 2020 dient, in het belang van de bescherming van de omliggende woningen, bij emissiepunten met een grote uitstroomopening (zoals luchtwassers) ten aanzien van de diameter een standaardwaarde van 1,0 m. te worden gehanteerd. Deze waarde is derhalve voor stal 4 en stal 5 als uitgangspunt gehanteerd.

In navolgende tabel zijn de resultaten van de geurberekening weergegeven. Een volledige uitdraai van het programma V-Stacks 2020 is als bijlage 10 toegevoegd.

Combi-MER –Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 44

De meetpunten 13 t/m 23 zijn toegevoegd naar aanleiding van reacties op de Notitie Reikwijdte en Detailniveau, maar deze zijn op grond van de Wgv niet aan te merken als geurgevoelige objecten / toetsingspunten. Uit deze berekening blijkt dat in de vigerende / vergunde situatie ter plaatse de maatgevende woning Heetenseweg 9 sprake is van een geurbelasting 15,7 Ou. Op grond van V-Stacks 2020 is ter plaatse sprake van een ‘met geuroverbelaste situatie’. Ter plaatse van de overige omliggende geurgevoelige objecten wordt wel voldaan aan de geurnorm. In navolgende overzicht is het leefklimaat ten aanzien van de omliggende woningen inzichtelijk gemaakt op basis van de voorgrondbelasting (V-stacks 2020). Woning

GeurNorm

Geurbelasting

Leefklimaat

Heetenseweg 9

14

vergund 2015 15,7

vergund slecht

Heetenseweg 7

14

14,6

slecht

Heetenseweg 13

14

7,1

matig

Heetenseweg 15

14

7,9

matig

Heetenseweg 6

14

3,9

redelijk goed

Oosterenkweg 5

14

5,0

redelijk goed

Kom Raalte

3

1,4

zeer goed

Kom Heeten

3

0,8

zeer goed

Op basis van de berekende voorgrondbelasting is er ter plaatse van de omliggende woningen in het buitengebied (in een concentratiegebied) in de vergunde situatie sprake van een “slecht” tot “redelijk goed” woon- en leefklimaat. Ter plaatse van de bebouwde kom is er sprake van een “zeer goed” woon- en leefklimaat. Voor woningen behorende bij een (voormalige) veehouderij, die onderdeel uitmaken van een andere veehouderij, geldt op grond van artikel 3, lid 2 van de Wgv een minimaal in acht te nemen vaste afstand van 50 meter (gemeten vanaf emissiepunt). De dichtstbijgelegen bedrijfswoning behorende bij een (voormalige) veehouderij van derden (Heetenseweg 9b & 3) zijn gelegen op een afstand van respectievelijk circa 175 en 450 meter. 4.5.3. Diercategorieën met vaste afstanden In de vergunde bedrijfsopzet zijn geen dieren aanwezig waarvoor vaste afstanden gelden. 4.5.4. Overige afstand (gevel) Volgens de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) geldt een minimaal in acht te nemen afstand tussen de dichtstbijzijnde gevel van een stal waarin dieren worden gehouden en de gevel van de dichtstbijzijnde woning van derden.

Combi-MER –Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 45

Deze afstanden zijn in onderstaande tabel weergegeven. Categorieën

Afstand in acht te nemen

Werkelijke afstanden

Woning in de bebouwde kom

50 meter

>> 250 meter

Woning buiten de bebouwde kom

25 meter

152 meter

Woning behorende bij veehouderij

25 meter

>> 250 meter

Aan de genoemde vaste afstanden op basis van de Wet geurhinder en veehouderij wordt in de vergunde situatie derhalve voldaan.

4.5.5. Cumulatieve stankhinder in relatie tot vergunde bedrijfsopzet Heetenseweg 9a Met behulp van de cumulatieve geurberekening en beoordeling kan het effect van de vergunde bedrijfssituatie ter plaatse van de omliggende woningen in relatie tot de reeds bestaande “initiatieven” (bestaande intensieve veehouderijen) inzichtelijk worden gemaakt. Binnen een staal van 2 kilometer van de varkenshouderij van Tijs Heeten b.v. liggen 26 veehouderijen van derden. Het betreffen hier intensieve veehouderijen of grondgebonden bedrijven met een intensieve tak (> 100 OU). De betreffende lijst van veehouderijen is als bijlage 11 opgenomen. Deze gegevens zijn verstrekt door de gemeente Raalte. Vervolgens zijn deze gegevens samen met de invoergegevens van Tijs Heeten van de vergunde bedrijfsopzet ingevoerd in V-stacks Gebied 2020. De berekeningen zijn uitgevoerd ter plaatse van de eerder genoemde omliggende en maatgevende geurgevoelige objecten in het buitengebied.

Uit deze berekening blijkt dat de totale geurbelasting ter plaatse van de omliggende geurgevoelige objecten als volgt bedraagt: Tabel 5 Resultaten berekening V-stacks gebied Cumulatieve geur belasting zoals berekend RecepID X-coor Y-coor Geurbelasting [OU/m3] GGO 1 215387 485952 15.04 Heetenseweg 2 215387 485970 14.19 Heetenseweg 3 215417 485201 7.54 Heetenseweg 4 215515 485231 8.31 Heetenseweg 5 215161 485014 5.07 Heetenseweg 6 214807 485640 16.06 Oosterenkweg 7 215088 487455 3.10 Kom Raalte 8 215812 483595 1.65 Kom Heeten

9 7 13 15 6 5

Het RIVM hanteert voor de beoordeling van (cumulatieve) geurhinder de volgende milieukwaliteitscriteria: Tabel 6

Relatie tussen de Achtergrondbelasting en de geurhinder (bron: invoerbestand infomil)

Achtergrondbelasting *

GEURGEHINDERDEN

[ouE/m3 als 98-percentiel]

Concentratiegebied

1

2%

1,5

3%

2

4%

3

5%

4

6%

5

7%

Combi-MER –Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 46

6

8%

7

10%

8

10%

9

11%

10

12%

12

14%

14

16%

16

17%

De invoerwaarden in bovenstaande tabel betreffen de objecten gelegen in het buitengebied. In onderstaande tabel is de relatie tussen de milieukwaliteit en geurgehinderden weergegeven. Tabel 7 Relatie milieukwaliteit en geurgehinderden (bron: GGD-richtlijn geurhinder 2002) Milieukwaliteit

Geurgehinderden [%]

zeer goed

<5

goed

5 – 10

redelijk goed

10 – 15

matig

15 – 20

tamelijk slecht

20 – 25

slecht

25 – 30

ADRES

GEURBELASTING

% GEHINDERDEN

MILIEUKWALITEIT

Heetenseweg 9

15,0

16,5%

Matig

Heetenseweg 7

14,2

16%

Matig

Heetenseweg 13

7,5

10%

Goed / Redelijk goed

Heetenseweg 15

8,3

10%

Goed / Redelijk goed

Heetenseweg 6

5,1

7%

Goed

Oosterenkweg 5

16,1

17%

Matig

Kom Raalte

3,1

5%

Goed

Kom Heeten

1,7

3%

Zeer goed

Op basis van de berekende achtergrondbelasting is er ter plaatse van de omliggende woningen in het buitengebied (in een concentratiegebied) in de vergunde situatie sprake van een “matig” tot “goed” woon- en leefklimaat. Ter plaatse van de bebouwde kom is er sprake van een “goed” tot “zeer goed” woon- en leefklimaat.

Combi-MER –Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 47

Ten aanzien van de cumulatieve geurbelasting ter plaatse van de woning Heetenseweg 9 is, zoals ook uit de individuele geurhinderberekening met behulp van V-stacks Vergunningen 2020 blijkt, onderhavige varkenshouderij van Tijs Heeten b.v. maatgevend. De individuele (voorgrond)belasting op basis van V-stacks Vergunningen 2020 bedraagt ter plaatse van deze woning (zie paragraaf 4.5.2) 15,7 OU. Ten aanzien van de cumulatieve geurbelasting ter plaatse van de woning Oosterenkweg 5 is, gelet op de ligging van deze woning, de varkenshouderij van derden aan de Hofmeijersweg 18 maatgevend. De individuele geurbelasting van deze varkenshouderij (voorgrondbelasting) op basis van V-stacks. Vergunningen 2020 ter plaatse van deze woning bedraagt 18,7 OU. Zie onderstaande tabel met de uitkomsten van deze berekening (bron: ODIJ). Gelet op voornoemde heeft de bijdrage van de varkenshouderij van Tijs Heeten b.v. slechts een zeer beperkte bijdrage ten aanzien van de geurbelasting op de woning Oosterenkweg 5.

Combi-MER –Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 48

4.5.6. Geuremissie voerkeuken Het aanmaken van droogvoer inclusief de bijbehorende opslag vindt plaats in de centrale voerkeuken aan de zuidzijde in (biggen)stal 5. Om eventuele geurhinder bij het aanmaken en opslag van het droogvoer te voorkomen, is deze ruimte door middel van een relatief kleine (inpandige) ventilator op onderdruk gebracht. De vuile luchtstroom wordt op deze manier afgezogen en in het centrale luchtkanaal gebracht. Vervolgens wordt deze vuile lucht, alvorens deze in de buitenlucht wordt gebracht, via de gecombineerde luchtwasser geleid en hier gereinigd. Voor eventuele geurhinder afkomstig bij het aanmaken en opslaan van het droogvoer behoeft dan ook niet te worden gevreesd. 4.5.7. Geuremissie mestopslag De vrijkomende drijfmest wordt opgeslagen in mestkelders onder de aanwezige stallen en in de mestsilo. De mestkelders zijn gelegen onder de bestaande stallen en voorzien van een emissiearm systeem of de stallucht wordt afgezogen naar de bestaande gecombineerde luchtwassers. De mestsilo (2017) is conform de eisen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer afgesloten en voorzien van een doelmatige afdekking met ontluchting. Op grond van het Activiteitenbesluit dient, om geurhinder te voorkomen, ten aanzien van de mestsilo een afstand van 100 meter in acht te worden genomen tot een woning van derden.

In werkelijkheid bedraagt de afstand tussen de mestsilo en dichtstbijgelegen woning Heetenseweg 9b ruim 240 meter. Voor eventuele geurhinder afkomstig van de opslag van mest behoeft dan ook niet te worden gevreesd.

4.6

ENERGIE- EN WATERVERBRUIK

Het gemiddelde energie- en waterverbruik in de bestaande situatie is als volgt: Tabel 8

Energie- en waterverbruik vergunde bedrijfsopzet

Energiedrager

Verbruik per jaar

3

12.000 780.000 leidingwater = 1.200 grondwater = 40.000 3.500

Gas (m ) Elektriciteit (kWh) Water (m3) Dieselolie (L)

Het grondwater wordt gebruikt als drinkwater voor de dieren alsmede voor het koelen (vernevelen) van de verse inkomende stallucht, ten behoeve van de luchtwassers en het schoonmaken van de stallen. Het leidingwater wordt gebruikt voor sanitaire doeleinden, drinkwater (bedrijfswoningen) en bij eventuele calamiteiten indien het toepassen van grondwater niet mogelijk is. Gelet op voornoemde is sprake van een continu gebruik van grondwater met enkele kleinschalige pieken als gevolg van de weersomstandigheden en schoonmaakwerkzaamheden. Op dit moment wordt met de aanwezig zonnepanelen op de daken van de bestaande stallen jaarlijks 0,3 MW aan elektriciteit opgewekt. Ten aanzien van het voer- en grondstoffen verbruik wordt verwezen naar hoofdstuk 3 van deze Combi-MER. Combi-MER –Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 49

4.7

MEST

Op basis van de huidige bedrijfsvoering komt jaarlijks ongeveer 14.000 m3 drijfmest vrij. Deze vrijkomende drijfmest wordt opgeslagen in mestkelders onder de aanwezige stallen en in de mestsilo. In totaal kan in de huidige situatie binnen de inrichting maximaal (10.050 + 2.500 =) 12.550 m3 drijfmest worden opgeslagen. Het betreffen hier mestdichte kelders en een mestsilo, die voldoen aan de regels/richtlijnen van het KIWA (BRL2342) en de gestelde eisen / voorschriften uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. De mest wordt door erkende transporteurs (via intermediairs) afgevoerd uit de inrichting en afgevoerd naar landbouwgronden elders. Binnen het bedrijf is er voldoende mestopslagcapaciteit aanwezig om de mest, zoals wettelijk verplicht is gesteld, minimaal 6 maanden te kunnen opslaan. De vergunde bedrijfsopzet voldoet aan het gestelde in het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet. Gelet op voornoemde voldoet de opslag van varkensmest aan het gestelde in de “Oplegnotitie bij de BREF voor de intensieve pluimvee- en varkenshouderij”.

4.8

AFVALSTOFFEN EN AFVALWATER

In de vergunde bedrijfsvoering komen onderstaande afvalstoffen vrij. Tabel 9

Overzicht afvalstoffen

Afvalstoffen Kadavers Restafval Papier Kapotte lampen KGA

Hoeveelheid/jaar

Wijze van opslag

Inzamelaar

60 ton 15 m3 500 kg 25 stuks 50 kg

koeling container dozen doos chemo-box

Rendac ROVA vereniging chemo-depot chemo-depot

Al het relevante bedrijfsafvalwater dat binnen de stallen vrijkomt wordt opgevangen in de mestkelders. Het afvalwater afkomstig van de spoelplaats wordt opgevangen en afgevoerd naar een mestkelder. Het bedrijfsafvalwater wordt gelijktijdig met de mest afgevoerd en uitgereden over beschikbare landbouwgronden. Het spuiwater van de aanwezige gecombineerde luchtwassers wordt afzonderlijk opgevangen in afzonderlijke kelders. Dit spuiwater wordt vervolgens als meststof afgevoerd en verwerkt door een hiertoe erkende inzamelaar. Het spoelwater van de waterpomp en ontijzeringsinstallatie wordt thans geloosd op de sloot ten oosten van de inrichting. Deze lozing bedraagt conform opgave van de leverancier (Remon Service b.v.) ongeveer 12 m3 per maand. Het afvalwater afkomstig van de bedrijfswoningen en sanitaire voorzieningen wordt geloosd op een reeds bestaande IBA. Het niet verontreinigde hemelwater afkomstig van de daken en het erf wordt ter plaatse geïnfiltreerd in de bodem. De gevolgen voor het watersysteem en de mogelijke gevolgen voor de bodem (verzuring en eutrofiëring) zijn hiermee voldoende gewaarborgd.

Combi-MER –Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 50

4.9

LUCHTKWALITEIT

4.9.1 Fijn stof De emissie van fijn stof (PM10) op basis van de vergunde veebezetting (omgevingsvergunning Wabo 2015) kan op basis van de geldende emissiefactoren (2024) als volgt worden berekend. Tabel 10 Overzicht emissie PM10 vergunde bedrijfsopzet Vigerende vergunning:

16-2-2015 Stalsysteem

Stal

Diercategorie

Aantal dieren

1

Vleesvarkens

3526

2

Kraamzeugen

3

RAV code

Fijnstofemissie

BWL / BB code

Omschrijving

Fijnstof g PM10/ dier/jaar***

Fijnstof totaal

D 3.2.6.1.2

BWL 2004.08.V2

Koeldeksysteem (200% koeloppervlak) met metalen roostervloer

153

539478

196

D 1.2.13

BWL 2006.08.V1

mestpan onder kraamhok

160

31360

Kraamzeugen

160

D 1.2.13

BWL 2006.08.V1

mestpan onder kraamhok

160

25600

4

Dekberen

6

D 2.4.4

BWL 2010.02.V7

gecombineerd luchtwassysteem 85% ammoniak emissiereductie (45% geur en 80% fijn stof emissiereductie) met watergordijn en biologische wasser

36

216

4

Guste en Dragende zeugen

1170

D 1.3.12.4

BWL 2010.02.V7

gecombineerd luchtwassysteem 85% ammoniak emissiereductie (45% geur en 80% fijn stof emissiereductie) met watergordijn en biologische wasser

35

40950

4

Opfokzeugen

360

D 3.2.15.4

BWL 2010.02.V7

gecombineerd luchtwassysteem 85% ammoniak emissiereductie (45% geur en 80% fijn stof emissiereductie) met watergordijn en biologische wasser

31

11160

5

Gespeende biggen

6736

D 1.1.15.4

BWL 2010.02.V7

gecombineerd luchtwassysteem 85% ammoniak emissiereductie (45% geur en 80% fijn stof emissiereductie) met watergordijn en biologische wasser

15

101040

** fijn stofemissie (g PM10/dier/jaar) volgens de lijst ‘Emissiefactoren fijn stof voor veehouderij’ op rijksoverheid.nl

749804

De totale emissie fijn stof (PM10) bedraagt in de vergunde situatie 749,8 kg/jaar. In deze paragraaf is de emissie en immissie van fijnstof PM10 beoordeeld. Voor PM10 geldt een grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van 40 μg/m3. Daarnaast geldt dat de 24uurgemiddelde concentratie van 50 μg/m3 niet vaker dan 35 keer (dagen) per jaar overschreden mag worden. Daarnaast geldt er vanaf 1 januari 2015 voor PM2,5 (een fractie van PM10) de grenswaarde van 25 μg/m3, gedefinieerd als jaargemiddelde concentratie. Voor de PM2,5 is verder overigens geen maximaal aantal overschrijdingsdagen vastgesteld. Voor het vaststellen van de PM2,5-factor (gram per dier/ jaar) moet er bij bronnen in de intensieve veehouderij vanuit worden gegaan dat deze 20% van de PM10-factor bedraagt. Jaargemiddelde concentratie PM10 & Overschrijdingsdagen 24-uurgemiddelde grenswaarde Zoals hiervoor beschreven geldt voor PM10 een grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie

van 40 μg/m3. Daarnaast geldt dat de 24-uurgemiddelde concentratie van 50 μg/m3 niet vaker dan 35 keer (dagen) per jaar overschreden mag worden. Ten behoeve van de vergunde bedrijfsopzet is een luchtkwaliteitsonderzoek met behulp van verspreidingsmodel Geomilieu uitgevoerd.

Combi-MER –Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 51

Onderzocht is of in de vergunde situatie op de beoordelingslocaties, voldaan kan worden aan de grenswaarden zoals deze zijn opgenomen in de Wet Luchtkwaliteit // ministeriële regeling “Beoordeling luchtkwaliteit 2007” (Rbl). In onderstaande tabel is voor de vergunde bedrijfsopzet de berekende PM10-concentratie weergegeven. De volledige fijn stof berekening is als bijlage 12 toegevoegd. Tabel 11

Resultaten berekening Geomilieu

Uit de voorgaande tabel blijkt dat op alle beoordelingslocaties ruimschoots kan worden voldaan aan de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van 40 μg/m3. De maximale concentratie ter plaatse van de maatgevende woning bedraagt 14,3 μg/m3. Het aantal overschrijdingsdagen betreft 6. De emissie van fijn stof kan in onderhavige situatie worden aangemerkt als “niet in betekende mate”. Gelet op voornoemde wordt voldaan aan het gestelde in de Wet luchtkwaliteit en bestaat er, mede gelet op de geringe emissie en de achtergrondbelasting, geen verdere noodzaak voor een verdere toetsing en/of (cumulatieve) beoordeling. Fijnstof PM2,5 Zoals hiervoor reeds beschreven geldt er vanaf 1 januari 2015 voor PM2,5 (een kleinere fractie van PM10) de grenswaarde van 25 μg/m3, gedefinieerd als jaargemiddelde concentratie. Voor de PM2,5 is geen maximaal aantal overschrijdingsdagen vastgesteld. De berekende PM10-concentraties op de verschillende beoordelingslocaties liggen maximaal op 14,0 μg/m3. In deze PM10-concentratie zit het aandeel PM2,5-concentratie verdisconteerd. De PM2,5-concentratie is immers de kleine fractie van de berekende totale PM10-concentratie. Daarnaast is de PM2,5-factor (gram per dier/ jaar) bij agrarische bronnen slechts 20 % van de PM10-factor.

Nu de berekende totale PM10-concentratie op alle beoordelingslocaties maximaal op 14,0 μg/m3 bedraagt en de PM2,5-concentratie slechts een kleine fractie (20%) van de berekende totale PM10concentratie is, zal de totale PM2,5-concentratie ter hoogte van de beoordelingslocaties voor de gewenste situatie ruimschoots lager dan 25 μg/m3 blijven. Daarmee wordt voldaan aan de normering zoals opgenomen in de Wet luchtkwaliteit en kan deze worden aangemerkt als “niet in betekende mate”.

Combi-MER –Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 52

4.9.2 NO2 In de vergunde situatie vinden dagelijks, op basis van het akoestisch onderzoek uit 2015 (Omgevingsvergunning 2015), de volgende aan- en afvoerbewegingen plaats: - Vrachtwagens: 5 per dag - Tractor: 1 per dag - Personenauto 3 per dag Aantal voertuigen per dag = 9 stuks (56% is vrachtverkeer). Met behulp van de NIBM-tool versie 2017 (zie onderstaande afbeelding van de uitdraai) is de NO2 emissie in de vergunde bedrijfssituatie vastgesteld. Uit deze berekening blijkt, dat de emissiebijdrage NO2 van de voertuigen per dag maximaal 0,06 µg/m3 bedraagt. De grenswaarde voor NIBM is 1,2 µg/m3. De bijdrage met betrekking tot de emissie van N02 in de vergunde situatie kan hierdoor worden bestempeld als “niet in betekende mate”. Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2022 Jaar van planrealisatie

2025

Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)

9

Aandeel vrachtverkeer

56,0%

NO2 in μg/m3

0,06

PM10 in μg/m3

0,00

Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m3 Conclusie

1,2

De bijdrage van het extra verkeer is niet-in-betekenende-mate; geen nader onderzoek nodig

Figuur 14:

Worst-case berekening NOx (bron: NIMB-tool)

4.9.3 Overige stoffen Ten aanzien van eventuele overige stoffen / emissies, op welke de Wet luchtkwaliteit van toepassing is, kan worden gesteld, dat mag worden verwacht dat deze emissies ruimschoots voldoen aan de geldende grenswaarden.

4.10

GELUID

Bij de revisievergunning uit 2015 is een akoestisch onderzoek gevoegd. De geluidbijdrage van de inrichting is beoordeeld volgens de systematiek van de ‘Handreiking industrielawaai’. De gemeente Raalte heeft tot op heden geen (aanvullend) geluidbeleid vastgesteld. Voor de maximale geluidniveaus zijn de grenswaarden uit de Handreiking gehanteerd. De optredende langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus en de maximale geluidniveaus dienen in het kader van BBT zoveel mogelijk beperkt te worden. In de navolgende tabellen zijn voor de vergunde situatie de vastgestelde waarden opgenomen.

Combi-MER –Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 53

Tabel 10 Richtwaarden langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus (bron: Akoestisch rapport 2012)

Tabel 13 Grenswaarden voor maximale geluidniveaus (bron: Akoestisch rapport 2012)

Het inrichtingsgebonden verkeer van en naar de inrichting wordt beoordeeld volgens de ‘Circulaire inzake geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de Wet milieubeheer d.d. 29 februari 1996’. Hierbij wordt uitsluitend een maximum gesteld aan de gemiddelde geluidniveaus in een etmaal. Er is in het rapport uitgegaan van de voorkeursgrenswaarde van LArt = 50 dB(A) etmaalwaarde. Uit de resulaten blijkt dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en het maximale geluidniveau in de representatieve vergunde bedrijfssituatie voldoen aan de gehanteerde richt- en grenswaarden uit de ‘Handreiking’. In de vigerende Omgevingsvergunning uit 2015 zijn de bovenstaande geluidswaarden opgenomen als normstelling.

Combi-MER –Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 54

4.11

ONTSLUITING

De varkenshouderij van de initiatiefnemers ligt aan de Heetenseweg. De Heetenseweg is een drukke doorgaande provinciale weg. Ter plaatse van de varkenshouderij zijn momenteel twee in- en uitritten aanwezig. Alle vervoersbewegingen kunnen in de vergunde situatie via deze beide in- en uitritten plaatsvinden. De beide in- en uitritten / ontsluiting van de varkenshouderij is hieronder visueel weergegeven.

Figuur 15 aanzichtfoto’s ontsluiting varkenshouderij (bron: Streetsmart)

4.12

VOLKSGEZONDHEID

Het houden van landbouwhuisdieren kan effect hebben op de volksgezondheid in de omgeving van de veehouderij. Risico's kunnen er ook zijn voor dieren die in nabijgelegen bedrijven worden gehouden. Het gaat hierbij om zoönosen (infectieziekten die van dieren op mensen kunnen overgaan) en bacteriën die resistent zijn tegen antibiotica, zoals MRSA. Ook vormt de emissie van fijnstof een risicofactor.

Combi-MER –Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 55

Fijnstof uit stallen bestaat uit fijne en grovere fracties en bevat allerlei biologische agentia, waaronder endotoxinen. Daarnaast vormt geur een indirect risico voor de volksgezondheid. Ook geluidhinder en externe veiligheid zijn aspecten die effect kunnen hebben op de volksgezondheid. Het bevoegd gezag is wettelijk verplicht om de effecten van (ruimtelijke) ontwikkelingen op de volksgezondheid in de besluitvorming mee te wegen. Deze verplichting is onder andere opgenomen in de volgende bepalingen: Wet publieke gezondheid: Het college van burgemeester en wethouders bevordert de totstandkoming en de continuïteit van en de samenhang binnen de publieke gezondheidszorg. Ter uitvoering van deze taak draagt het college van burgemeester en wethouders in ieder geval zorg voor het bewaken van gezondheidsaspecten in bestuurlijke beslissingen. Tevens kunnen maatregelen geformuleerd worden ter beïnvloeding van gezondheidsbedreigingen. Wet milieubeheer: In deze wet en de daarop berustende bepalingen worden onder gevolgen voor het milieu in ieder geval verstaan gevolgen voor het fysieke milieu, gezien vanuit het belang van de bescherming van mensen, dieren, planten en goederen, van water, bodem en lucht en van landschappelijke, natuurwetenschappelijke en cultuurhistorische waarden en van de beheersing van het klimaat, alsmede van de relaties daartussen.

Wet ruimtelijke Ordening: In deze wet vormt de volksgezondheid geen specifiek aspect waarbij aan getoetst dient te worden. Wel is bepaald dat een ontwikkeling moet voldoen aan een goede ruimtelijke ordening, waarbij diverse ruimtelijke aspecten een raakvlak hebben en van invloed kunnen zijn op de volksgezondheid. Besluit milieueffectrapportage: waarin de verplichting staat om de effecten voor de volksgezondheid als milieugevolg van een activiteit te betrekken in de besluitvorming. Omgevingsverordening Overijssel: waarin het KGO-beleid is opgenomen voor de landbouw en de duurzame ontwikkeling van bedrijven. Voorwaarden zijn hierin dat bij uitbreiding van een bouwvlak veehouders in gesprek gaan met de omgeving over zijn plannen en extra investeert in dierenwelzijn, milieu en/of ruimtelijke kwaliteit. Onderzoek Intensieve Veehouderij en Gezondheid (IVG) Het RIVM heeft in 2008 een rapport gepubliceerd met betrekking tot intensieve veehouderij en volksgezondheid. Strekking van het Rapport RIVM 2008: Effecten van intensieve veehouderij(mega)bedrijven op de volksgezondheid kunnen op verschillende manieren tot stand komen. Bijvoorbeeld via direct diercontact, via de lucht, via mest en via voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong. In 2009 is het onderzoek Intensieve Veehouderij en Gezondheid (IVG) gestart. In juni 2011 zijn de resultaten bekend gemaakt van dit IVG-onderzoek.

Combi-MER –Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 56

Hieruit is geen duidelijke afstand tot veehouderijbedrijven gebleken en geen relatie met de omvang van veehouderijen of dierdichtheid te benoemen waarbij gezondheidseffecten bij mensen vaker optreden. Uit een publicatie van juli 2012 inzake het infectierisico van omwonenden van veehouderijen blijkt dat nog geen wetenschappelijk onderbouwde uitspraken kunnen worden gedaan, met uitzondering van Q-koorts. Voornoemde afgeronde onderzoeksrapporten beschouwde de rechter niet als ‘algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten’. De Gezondheidsraad heeft op 30 november 2012 het advies ‘Gezondheidsrisico’s rond veehouderijen’ gepubliceerd. Hierin wordt gesteld dat het niet bekend is tot welke afstand omwonenden van veehouderijen verhoogde gezondheidsrisico’s lopen. Op basis hiervan is niet op wetenschappelijke gronden één landelijke ‘veilige’ minimumafstand vast te stellen tussen veehouderijen en woningen. Er zijn wel aanwijzingen dat omwonenden kunnen worden blootgesteld aan endotoxinen. Concentraties van bepaalde stofdeeltjes, endotoxinen en micro-organismen, zullen afnemen met toenemende afstand tot een bedrijf en ook afhangen van de mate van emissie vanuit een bedrijf. Ook de meteorologische omstandigheden, de lokale bebouwing en beplanting kunnen van invloed zijn.

Onderzoek Veehouderij en Gezondheid van Omwonenden (VGO) In 2014 is het onderzoek ‘Veehouderij en Gezondheid van Omwonenden (VGO)’ van start gegaan. Het RIVM, Wageningen UR, IRAS en NIVEL hebben gezamenlijk dit aanvullende onderzoek uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek zijn bekend gemaakt in juli 2016. In het VGO is onderzocht of het wonen in de buurt van veehouderijen effect kan hebben op de gezondheid van de omwonenden. Hieruit komen een aantal positieve en een aantal negatieve gezondheidseffecten naar voren. Een eenduidig antwoord is dan ook niet te geven. Aangetoond is dat mensen die rondom veehouderijen wonen minder astma en allergieën hebben. Dicht bij veehouderijen wonen minder mensen met COPD, een chronische ziekte aan de longen. Daar staat tegenover dat de mensen in deze omgeving die wel COPD hebben, daar vaker en/of ernstigere complicaties van hebben. Verder is er een verband gevonden tussen wonen nabij veehouderijen en een verlaagde longfunctie. Dit wordt waarschijnlijk veroorzaakt door stoffen die afkomstig zijn van de veehouderij. Niet alleen dichtbij veel veehouderijen wonen zorgt voor een lagere longfunctie: De longfunctie wordt in het hele onderzoeksgebied lager op momenten dat de concentratie van ammoniak in de lucht hoog is. Deze effecten zijn vergelijkbaar met de schadelijke gezondheidseffecten van verkeer in een stad.

De onderzoekers vonden dat er meer longontstekingen in het onderzoeksgebied voorkomen dan in de rest van het land; een verschil dat na de Q-koorts-epidemie van 2007-2010 wel kleiner is geworden. Er werd een verband gevonden tussen pluimveehouderijen binnen 1 kilometer afstand van de woning en een licht verhoogde kans op longontsteking. Het is onduidelijk of de extra longontstekingen in dit onderzoeksgebied worden veroorzaakt door specifieke ziekteverwekkers die van dieren afkomstig zijn (zoönose-verwekkers), of dat mensen gevoeliger voor longontsteking worden door de blootstelling aan stoffen die veehouderijbedrijven uitstoten, zoals fijnstof, endotoxines (onderdelen van micro-organismen) en ammoniak. In het onderzoek is ook gekeken of bepaalde zoönoseverwekkers vaker voorkomen in de omgeving van veehouderijen ten opzichte van de rest van het land. Bij het hepatitis E-virus, de bacterie Clostridium difficiele en ESBL-producerende bacteriën is dat niet het geval. Wel lijken mensen iets vaker drager te zijn van de vee-gerelateerde MRSA-bacterie. Of deze verhoging komt door uitstoot vanuit veehouderijen is nog onduidelijk. Dit zijn de belangrijkste conclusies uit het VGO-onderzoek. Combi-MER –Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 57

Het onderzoek is uitgevoerd in het oostelijk deel van Noord-Brabant en in Noord-Limburg. Sommige resultaten zijn mogelijk alleen van toepassing op het onderzochte gebied. Dat komt doordat lokale kenmerken, bijvoorbeeld luchtvervuiling uit omliggende industriegebieden, van invloed zijn op de bevindingen. Rapport Emissies van Endotoxinen uit de veehouderij (fase 3a) Tegelijk met het VGO-rapport is in juli 2016 het Rapport Emissies van endotoxinen uit de veehouderij (fase 3a) bekend gemaakt. Dit rapport beschrijft het resultaat van metingen aan de emissies van endotoxinen uit de veehouderij. In stof worden van micro-organismen afkomstige endotoxinen gevonden. Endotoxinen zijn dode celwand-deeltjes van bacteriën die geen pathogene eigenschappen meer hebben. Wel kunnen endotoxinen na inademing tot gezondheidsklachten leiden. Endotoxine komt niet alleen in het fijnstof voor. Ook in de fractie 10-100 micrometer komen endotoxinen voor. Dit is relevant omdat een eigenschap van de grotere deeltjes is dat ze over het algemeen minder ver komen via de lucht en ook minder diep in de luchtwegen dringen. Meer onderzoek is nodig om de invloed van deze eigenschappen bij endotoxinen te bepalen. De Gezondheidsraad beveelt t.a.v. de endotoxinen-blootstelling een adviesgrenswaarde van 30 EU/m3 aan. Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (aanvullende studies).

Op 16 juni 2017 is het rapport ‘Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (aanvullende studies)’ bekend gemaakt. In dit rapport worden de resultaten uit het rapport ‘Veehouderij en Gezondheid Omwonenden’ van juli 2016 bevestigd. Daarnaast wordt in het rapport ingegaan op de effecten van geitenhouderijen. Uit aanvullende studies volgen sterke aanwijzingen dat fijnstof en componenten ervan mensen gevoeliger maken voor luchtweginfecties. Het onderzoek bevestigt ook de eerdere conclusie dat mensen met COPD, die in de buurt van veehouderijen wonen, vaker en ernstiger klachten hebben dan mensen die op grotere afstand van veehouderijen wonen. Daar staat tegenover dat wonen in de buurt van een veehouderij het immuunsysteem versterkt en de kans krijgen van onder andere astma en COPD juist kleiner is. Uit luchtmetingen in de woonomgeving blijkt dat de concentratie endotoxinen in de lucht toeneemt naarmate de afstand tot een veehouderij kleiner wordt of het aantal veehouderijen in een gebied (de dichtheid) groter wordt. ILVO-onderzoek Uit onderzoek van het Belgisch Instituut Landbouw-, Visserij- en Voedingsonderzoek (ILVO) in het voorjaar van 2017 (gepubliceerd in 2018) blijkt dat een groot deel van de in het Nederlandse VGOonderzoek aangehaalde risico’s niet relevant zijn, gebrek aan wetenschappelijke basis hebben en niet specifiek zijn voor omwonenden van veehouderijen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Raalte&id=145da4f9-34fa-4996-a321-b00f2c5d80b8