CConstaterende datRaalte
Koppel je AI →
Document · PDF

5. Bijlagen bij de toelichting Luttenberg, woningbouwlocatie Luttenbergerweg

Informatievoorziening raad 17 maart 2021, gemeente RaalteBij agendapunt: Collegevoorstel en -besluit ontwerpbestemmingsplan Luttenberg, woningbouwlocatie Luttenbergerweg24.279 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

“Agrarisch ondernemen in het grootschalig landschap” Dit ontwikkelingsperspectief omvat gebieden waar verdere modernisering en schaalvergroting van de landbouw in combinatie met verduurzaming de ruimte krijgt. Die ruimte kan verdiend worden door te investeren in kwaliteitsvoorwaarden. Initiatieven binnen het ontwikkelingsperspectief mogen de ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw in principe niet beperken en dienen aan te sluiten bij de bestaande bebouwing, weginfrastructuur en openbaar vervoer (ov)-routes. Het waterbeheer richt zich op optimale condities voor de landbouw, rekening houdend met specifieke omstandigheden en de grenzen aan de mogelijkheden van het waterbeheer (onder andere door de klimaatverandering). “Woon- en werklocaties buiten de stedelijke netwerken” De steden en dorpen buiten de stedelijke netwerken mogen altijd bouwen voor de lokale behoefte aan wonen, werken en voorzieningen, inclusief lokaal gewortelde bedrijvigheid, mits onderbouwd en regionaal afgestemd. Herstructurering en transformatie van de woon-, werk-, voorzieningen- en mixmilieus moeten deze vitaal en aantrekkelijk houden en de diversiteit aan milieus versterken. Herstructurering en transformatie bieden kansen om te anticiperen op klimaatverandering (bijvoorbeeld door ruimte voor groen, natuur en water te reserveren).

Van belang is de stedelijke ontwikkeling altijd af te stemmen op de kenmerken van het watersysteem, bijvoorbeeld in laaggelegen gebieden bij bouw- en evacuatieplannen rekening houden met risico’s op overstroming of wateroverlast. Herstructurering en transformatie kunnen ook bijdragen aan de energietransitie (door het nemen van energie-efficiënte maatregelen en/of het opwekken van duurzame energie door bijvoorbeeld het aanwezige dakoppervlak te benutten).

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

23

Bestemmingsplan “Luttenberg, woningbouwlocatie Luttenbergerweg” Ontwerp Toetsing van het initiatief aan het “Ontwikkelingsperspectief” Het karakter van het gebied rondom het plangebied met een menging van meerdere functies, waarbij de functie 'agrarisch' niet meer de hoofdfunctie is, maakt dat een nuancering ter zake van de begrenzing van het ontwikkelingsperspectief noodzakelijk is. De ontwikkelingsperspectieven zijn dan ook niet normstellend maar richtinggevend. Afwijkingen van de ontwikkelingsperspectieven zijn mogelijk, mits de ruimtelijke kwaliteit conform de gebiedskenmerken wordt versterkt en er voor de beoogde ontwikkeling geen sprake is van een m.e.r-plicht. In voorliggend geval is sprake van een ontwikkeling die aansluit bij de ruimtelijk-functionele structuur van de omgeving in combinatie met een versterking van de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse. Ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend waarvan gemotiveerd afgeweken kan worden. In voorliggend geval is aangetoond dat de woningbehoefte niet kan worden opgevangen binnen de kern (zie subparagraaf 4.1.2), hierdoor is uitbreiding noodzakelijk. Het plangebied grenst aan bestaand stedelijk gebied en vormt hierdoor een geschikte uitbreidingslocatie. De ontwikkeling vormt geen belemmering voor overige functies in de omgeving (zie ook hoofdstuk 5).

De nieuwe woningen passen zowel vanuit stedenbouwkundig als functioneel oogpunt goed in de omgeving en de woonbuurt wordt op een adequate wijze landschappelijk ingepast. Kortheidshalve wordt voor een nadere toelichting hierop verwezen naar het beeldkwaliteitsplan en het groenplan (Bijlage 1). Geconcludeerd wordt dat in voorliggend geval afgeweken kan worden van het geldende ontwikkelingsperspectief. 4.2.4.3 Gebiedskenmerken Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch-cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en -opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. 1.

De “Natuurlijke laag”

Overijssel bestaat uit een rijk en gevarieerd spectrum aan natuurlijke landschappen. Deze vormen de basis voor het gehele grondgebied van Overijssel. Het beter afstemmen van ruimtelijke ontwikkelingen op de natuurlijke laag kan ervoor zorgen dat de natuurlijke kwaliteiten van de provincie weer mede beeldbepalend worden. Ook in steden en dorpen bij voorbeeld in nieuwe waterrijke woonmilieus en nieuwe natuur in stad en dorp. Het plangebied is op de gebiedskenmerkenkaart de “Natuurlijke laag” aangeduid met de gebiedstypen “Stuwwallen”. In afbeelding 4.3 is dat aangegeven.

Afbeelding 4.3

De “Natuurlijke laag” (Bron: Provincie Overijssel)

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

24

Bestemmingsplan “Luttenberg, woningbouwlocatie Luttenbergerweg” Ontwerp “Stuwwallen” De stuwwallen zijn tijdens de ijstijd opgestuwde aardlagen. Door de vaak grote hoogteverschillen zijn ze nu nog steeds goed zichtbaar. De ambitie is het eigen karakter van de afzonderlijke stuwwalen te behouden en versterken. De inzet is het reliëf daarbij ruimtelijk beeldbepalend te laten zijn. Als ontwikkelingen plaats vinden, dan dragen deze bij aan het beter zichtbaar en beleefbaar maken van de hoogteverschillen en van de overgang tussen stuwwal en omgeving. Toetsing van het initiatief aan de “Natuurlijke laag” Het plan heeft geen negatieve effecten op de kenmerken behorend bij stuwwallen, echter het plangebied zelf is te beperkt van omvang om de hoogteverschillen van de overgang tussen stuwwal en omgeving beter zichtbaar te maken. In het gebied zelf zijn de kenmerken van het oorspronkelijke landschap daarnaast nauwelijks meer waarneembaar. Dit komt hoofdzakelijk doordat het gebied in cultuur is gebracht ten behoeve van de landbouw. Op deze plaats wordt geconcludeerd dat de ‘Natuurlijke laag’ geen belemmering vormt voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling. 2.

De “Laag van het agrarisch cultuurlandschap”

In het agrarisch cultuurlandschap gaat het er altijd om dat de mens inspeelt op de natuurlijke omstandigheden en die ten nutte maakt. Hierbij hebben nooit ideeën over schoonheid een rol gespeeld. Wel zijn we ze in de loop van de tijd gaan waarderen om hun ruimtelijke kwaliteiten. Vooral herkenbaarheid, contrast en afwisseling worden gewaardeerd. De ambitie is gericht op het voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen door óf versterking óf behoud óf ontwikkeling of een combinatie hiervan. Het plangebied is op de gebiedskenmerkenkaart de “Laag van het agrarisch cultuurlandschap” aangeduid met de gebiedstype “Jonge heide- en broekontginningslandschap”.

Afbeelding 4.4

De “Laag van het agrarisch cultuurlandschap” (Bron: Provincie Overijssel)

“Jonge heide- en broekontginningslandschap” Kenmerkend voor het jonge heide- en broekontginningslandschap waren oorspronkelijk de grote oppervlakte aan – voormalige – natte en droge heidegronden. Deze waren functioneel verbonden met het essen- en oude hoevenlandschap; hier werd geweid en werden de plaggen gestoken voor in de stal; in de stal bemeste plaggen dienden als structuurverbeteraar en bemesting voor de akkergronden op de essen. Ten opzichte van omliggend essen- en hoevenlandschap zijn de landbouwontginningen relatief grote open ruimtes, deels

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

25

Bestemmingsplan “Luttenberg, woningbouwlocatie Luttenbergerweg” Ontwerp omzoomd door boscomplex. Erven liggen als blokken aan de weg geschakeld. Wegen zijn lanen met lange rechtstanden. Vaak zijn het 'inbreidings'landschappen met rommelige driehoekstructuren als resultaat. Als ontwikkelingen plaats vinden in de agrarische ontginningslandschappen, dan dragen deze bij aan behoud en versterking van de dragende lineaire structuren van lanen, bosstroken en waterlopen en ontginningslinten met erven en de kenmerkende ruimtematen. Toetsing van het initiatief aan de “Laag van het agrarisch cultuurlandschap” De voorgenomen ontwikkeling voorziet in woningbouw in de kern Luttenberg. Er is geen sprake van (onevenredige) aantasting van de dragende structuren van het landschap. De ontwikkelingen die plaatsvinden dragen bij aan behoud en accentuering van de dragende structuren van het landschap, en aan de samenhang en de karakteristieke verschillen tussen de landschapselementen. In het plan is veel openbaar groen verwerkt, waardoor de overgang van de bebouwde kom naar het plangebied verzacht wordt. Met het voornemen wordt getracht het landelijk karakter van het perceel te behouden. Dit wordt bereikt door een parkachtige inrichting met veel groen. Aan de west- en zuidzijde van het plangebied wordt een openbare groenstrook aangelegd als overgang van het nieuwbouwplan naar de bestaande percelen.

De bestaande bomen langs het plangebied (bestaande laanstructuur) blijven behouden, verder zullen er nieuwe bomen langs de Luttenbergerweg worden aangebracht. In het midden van het plangebied worden erfsloten, groenstructuren, opgaande beplanting en een kikkerpoel gerealiseerd Geconcludeerd wordt dat de ‘Laag van het agrarisch cultuurlandschap’ geen belemmering vormt voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling. 3.

De “Stedelijke laag“

In de “Stedelijke laag” ontstaat de koppeling van de sociale en fysieke dynamiek van de stedelijke functies aan het verbindende netwerk van wegen, paden, spoorwegen en kanalen. Elke stad of dorp bezit zijn eigen karakteristieke ruimtelijke, sociale en functionele opbouw en kwaliteiten. Het plangebied is op gebiedskenmerkenkaart in de “Stedelijke laag” aangeduid zonder een gebiedstype, maar ligt gezien de ligging van het gebied in de kern van Luttenberg ingeklemd tussen het gebiedstype “Woonwijken 1955 – nu”. In afbeelding 4.5 is dit weergegeven.

Afbeelding 4.5

De “Stedelijke laag” (Bron: Provincie Overijssel)

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

26

Bestemmingsplan “Luttenberg, woningbouwlocatie Luttenbergerweg” Ontwerp “Woonwijken 1955 – nu” De woonwijken van 1955 tot nu zijn planmatig opgezette uitbreidingswijken op basis van een collectief idee en grotere bouwstromen. De functies (wonen, werken, voorzieningencentra) zijn uiteengelegd en de wijken zijn opgedeeld in buurten met een homogeen bebouwingskarakter: buurten met eengezinswoningen, flatwijken, villawijken, wijk(winkel)centra. De tijdsgeest van de bouwperiode is af te lezen in de stedenbouwkundige structuur en architectuur. De wederopbouwwijken worden bijvoorbeeld vaak gekenmerkt door een repeterende stempelstructuur in de bouwblokken, de ruime opzet van de groene ruimte en aandacht voor details zoals deuromlijstingen pergola’s boven de entrees, siermetselwerk e.d. Als ontwikkelingen plaats vinden in de naoorlogse woonwijken, dan voegt nieuwe bebouwing zich in de aard, maat en het karakter van het grotere geheel (patroon van o.a. wooneenheden en parken), maar is als onderdeel daarvan wel herkenbaar. De groenstructuur is onderdeel van het wijkontwerp. Toetsing van het initiatief aan de “Stedelijke laag” Met het realiseren van de woningen wordt rekening gehouden met omliggende functies en bestaande bebouwingsstructuren. Wat betreft bouwmogelijkheden wordt aangesloten bij het geldende bestemmingsplan voor de kern Luttenberg. Hiermee worden bouwkenmerken (o.a.

goot-/bouwhoogte) afgestemd op de omgeving, zodat de woningen en de bijbehorende bouwwerk(en) qua bouwmassa en verschijningsvorm goed opgaan in het bebouwingskarakter van de omgeving. De invulling van het plangebied is in overeenstemming met de ter plekke geldende gebiedskenmerken van de ‘Stedelijke laag’. 4.

De “Laag van de beleving“

De 'Laag van de beleving' is het domein van de belevenis, de betekenis en identiteit. Het voegt kenmerken toe als landgoederen, recreatieparken, recreatieve routes maar benut ook vooral de kwaliteit van de andere drie lagen. Het maakt beleefbaar en veroorzaakt een belevenis. Dit belevenisaspect wordt een steeds belangrijke pijler onder het ruimtelijk kwaliteitsbeleid. Het plangebied is op de gebiedskenmerkenkaart de 'Laag van de beleving' aangeduid met 'donkerte'. In afbeelding 4.6 is dat aangegeven.

Afbeelding 4.6

De “Laag van beleving” (Bron: Provincie Overijssel)

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

27

Bestemmingsplan “Luttenberg, woningbouwlocatie Luttenbergerweg” Ontwerp “Donkerte” Lichte gebieden geven een beeld van economische dynamiek, zoals de steden en dorpen, de snelwegen, de kassengebieden, attractieparken en grote bedrijventerreinen. De donkere gebieden geven daarentegen een indicatie van het rustige buitengebied van Overijssel. Het zijn relatief luwe en dunbevolkte gebieden met een lage gebruiksdruk. De ambitie is gericht op het koesteren van donkerte als kwaliteit. Het streven is gericht op het handhaven van de donkerte en, waar mogelijk, de gebieden bij ontwikkelingen nog donkerder te maken. De sturing is gericht op het minimaal toelaten van kunstlicht. Het vereist het selectief inzetten en 'richten' van kunstlicht en het vermijden van onnodig kunstlicht bij ontwikkelingen. De kansen hiervoor doen zich met name voor bij ontwikkelingen die een grote invloed hebben op het aspect donkerte, zoals grotere woon- en werklocaties en wegen. Ook de projectering van passages van auto(snel)wegen en regionale wegen speelt daarbij een grote rol vanwege het feit dat op- en afritten veelal leiden tot stedelijke ontwikkelingen. Toetsing van het initiatief aan de “Laag van beleving” Voor de hele kern Luttenberg is het aspect 'donkerte' van toepassing.

In hoeverre hier daadwerkelijk sprake is van een kwaliteit valt, gezien het feit dat verlichting in woon- en werkgebieden noodzakelijk is vanuit het oogpunt van sociale en verkeersveiligheid, te betwijfelen. In geval van de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling zal het gebruik van kunstlicht echter zoveel mogelijk worden vermeden, danwel op effectieve wijze (gericht) worden toegepast. 4.2.5

Conclusie toetsing aan het provinciaal beleid

Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de uitgangspunten uit het provinciaal beleid zoals genoemd in de Omgevingsvisie Overijssel en is verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel.

4.3

Gemeentelijk beleid

4.3.1

Omgevingsvisie Horizon gemeente Raalte 2040

4.3.1.1 Algemeen De omgevingsvisie is een strategisch document. Het geeft richting aan de ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving van de gemeente Raalte. Een belangrijk onderdeel van de omgevingsvisie zijn de kernopgaven. Hierin is een driedeling gemaakt in kerkopgaven voor het buitengebied, toekomstbestendige wijken en dorpen en de identiteit en regio. 4.3.1.2 Toekomstbestendige wijken en dorpen Ambitie: Raalte geeft ruimte aan eigenzinnig samenleven De gemeente omarmt de verduurzamingsopgave van de wijken en dorpen en de demografische veranderingen die hier plaatsvinden. De gemeente ziet de noodzaak en kans om samen te werken aan een verbouwing van onze wijken en dorpen tot duurzame, gezonde, klimaat- en levensloopbestendige leefomgevingen. Transformatie is een kans om ruimte te geven aan nieuwe woonvormen. Gemeente Raalte als proeftuin waarin gemeente, bewoners en bedrijven samen invulling geven aan eigentijds wonen. In de gemeente Raalte kunnen jong én oud, arm en rijk, een passende woning vinden doordat vol wordt ingezet op diversiteit; er is ruimte voor flexibel ontwikkelen en renoveren en nieuwe manieren van collectief wonen. Er is voor ieder wat wils. Nieuwbouw in de dorpen heeft een voorbeeldfunctie, daar zijn mogelijkheden om te laten zien dat het anders kan en dat inwoners de ruimte krijgen om anders, flexibel en samen invulling te geven aan de opgaven.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

28

Bestemmingsplan “Luttenberg, woningbouwlocatie Luttenbergerweg” Ontwerp Ontwikkelingsrichtingen De ambitie vraagt om een gemeente die de samenleving de ruimte geeft om duurzame en nieuwe woonvormen te ontwikkelen, maar ook richtinggevend en regisserend is bij ingrijpende veranderingen. Hiervoor zijn vijf ontwikkelrichtingen opgesteld. 1. 2. 3. 4. 5.

Toekomstbestendige dorpen en wijken: energieneutraal, klimaat adaptief, gezond, veilig en levensloopbestendig; Flexibele en collectieve woonconcepten bij nieuwbouw en transformatie; Samenwerken aan voldoende ontmoetingsplekken in elk dorp en een goede bereikbaarheid van voorzieningen wanneer die op strategische plekken geclusterd zijn; Nieuwbouw en transformatie binnen bestaand bebouwd gebied waarbij woningbouw zo min mogelijk ten koste gaat van waardevol groen, binnen en buiten de kern; Woningbouw voor een bovenlokale behoefte. Dorpen leefbaar houden door in elk dorp ruimte te geven voor woningbouw en bedrijvigheid zodat minimaal de autonome groei van bevolking en bedrijvigheid kan worden opgevangen.

4.3.1.3 Toetsing van het initiatief aan de ‘Omgevingsvisie Horizon gemeente Raalte 2040’ De in het voorliggende bestemmingsplan besloten ontwikkeling is in overeenstemming met de ‘Omgevingsvisie Horizon gemeente Raalte 2040’. Voorafgaand aan de in dit bestemmingsplan beschreven ontwikkelingen is door de gemeente Raalte een locatiestudie uitgevoerd. Als startpunt van deze locatiestudie zijn in eerste instantie alle potentiele locaties in beeld gebracht, waarbij is gekeken naar zowel inbreiding- als ook uitbreidingslocaties. Uiteindelijk is gebleken dat de locatie aan de Luttenbergerweg de meest wenselijke locatie is voor deze ontwikkeling. De locatie heeft dan wel enige landschappelijke waarde, maar met een goede landschappelijke inpassing is woningbouw zeer goed inpasbaar. De locatie is gelegen dichtbij de centrumvoorzieningen, hetgeen als gevolg heeft dat de kern Luttenberg een gemêleerde groep inwoners heeft, waarbij oud en jong bij en naast elkaar in het dorp wonen. Deze locatie kan hierbij bijdragen aan verjonging van de kern en meer dorpsgevoel voor bewoners. Daarnaast betreft het een centraal gelegen plek. Woningbouw is dus zeer wenselijk. Om ervoor te zorgen dat de kern qua woningbouw mogelijkheden niet ‘op slot’ gaat is het gewenst om uit te breiden met nieuwe woningbouwkavels. De beoogde woningen worden gasloos uitgevoerd.

Daarnaast voorziet het plan in het toevoegen van verschillende woningtypen en biedt het eveneens mogelijkheden ten aanzien van levensloopbestendige woningen. 4.3.2

Woonvisie Gemeente Raalte 2016 tot en met 2020 en woningprogrammering

4.3.2.1 Algemeen In de ‘Woonvisie Gemeente Raalte 2016 tot en met 2020’ wordt het voorgaande woonbeleid geëvalueerd en is de woningmarktsituatie in kaart gebracht en doorvertaald naar een visie tot en met 2020. Het doel van de woonvisie en de uitvoeringsmaatregelen is om voldoende en kwalitatief goede huisvesting te realiseren voor alle doelgroepen in de gemeente Raalte. Ten opzichte van de vorige woonvisie verschuift in deze woonvisie duidelijk het accent van het (nieuw) 'bouwen' van woningen naar 'wonen' in brede zin. Uitgangspunt is dat nieuwe woningen voldoen aan de vraag van de toekomst: woningen moeten raak zijn. Dit betekent: levensloopbestendig, toekomstbestendig en duurzaam. Nieuwbouw dient aan te sluiten bij de behoefte: primair bepalend is de match tussen vraag aan aanbod in prijs, type en eigendomsvorm. Dit is ook van belang om te zorgen voor doorstroming op de woningmarkt. Dit betekent ook: aansluiten bij de lokale behoefte in de kernen (maatwerk per kern). Toekomstige match vraag en aanbod woningen De woonvisie stelt dat woningbouwprogrammering geen exacte wetenschap is. Nieuwe ontwikkelingen, behoeftewijzigingen en nieuwe demografische prognoses kunnen aanleiding zijn voor het bijstellen van het programma. Daarnaast is de economie erg bepalend voor de woningbouwbehoefte en op voorhand moeilijk te voorspellen.

Het algemene beeld is dat tot 2020 de belangrijkste opgave ligt in het toevoegen van vooral grondgebonden koopwoningen (met name goedkoop en middelduur) en voor een iets kleiner deel huurwoningen. Na 2020 verschuift het accent duidelijk naar de grondgebonden koopwoningen. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

29

Bestemmingsplan “Luttenberg, woningbouwlocatie Luttenbergerweg” Ontwerp 4.3.2.2 Kwalitatief woningbouwprogramma en woningmarktanalyse In de woonvisie is een gewenste woningbouwprogrammering voor de periode 2016 tot en met 2025 opgenomen (zie onderstaande tabel). Het woningbouwprogramma kan zich bewegen tussen de aangegeven bandbreedte.

Om op basis van actuele behoefte te kunnen programmeren wordt er 2-jaarlijks een woningmarktanalyse uitgevoerd. De meest recente woningmarktanalyse (oktober 2019) voorziet op basis van demografische ontwikkelingen, woonwensen en woonpatronen dat de behoefte aan grondgebonden koopwoningen neemt tot 2030 nog toe neemt, vooral in de prijsklassen tussen € 275.000 en € 400.000 en de prijsklasse onder € 275.000. Ook de behoefte aan levensloopbestendige woningen neemt toe (in alle prijsklassen). Dit kan ook een ‘grondgebonden appartement’ zijn, zoals een appartement op de begane grond of een wat kleinere gelijkvloerse of levensloopbestendige grondgebonden woning. De ontwikkeling van de behoefte aan geschikte woningen is vanwege de vergrijzing een zekere ontwikkeling, op zowel de korte als de langere termijn. In de huursector is er de komende jaren niet zo zeer behoefte aan (veel) meer woningen maar juist aan ándere woningen. Daar waar er grote grondgebonden huur woningen zijn is er een tekort aan kleine en levensloopbestendige woningen. 4.3.2.3 Woonafspraken provincie Overijssel In januari 2016 zijn er woonafspraken gemaakt met de provincie Overijssel. Afspraken in de vorm van regionale woningbouwprogrammering West- Overijssel (RWP) zijn over regionale woningbouwprogrammering zijn hier onderdeel van. In april 2017 is het RWP geactualiseerd.

De primosprognose is de basis van de regionale woningbouwprogrammering. De gemeente Raalte mag op basis van deze regionale programmeringsafspraken in de periode 2017 – 2027 785 woningen aan de woningvoorraad toevoegen. Op 1-1-2020 was de harde plancapaciteit van Raalte 391 woningen. Er is daarom nog sprake van een woningbehoefte waar nog niet in voorzien wordt. Conform de woonvisie en de omgevingsvisie krijgt elke kern ruimte om te bouwen voor de eigen vraag. In de kern Luttenberg zijn er op dit moment geen toekomstige woningbouwlocaties meer om te voorzien in de woningbehoefte ten behoeve van de autonome groei van de kern. Door het dorp is de locatie (plangebied) aangedragen dat nu geen functie heeft (leeg gebied). De dorpse uitstraling komt niet van dit stukje, maar meer van de omgeving van de kerk. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

30

Bestemmingsplan “Luttenberg, woningbouwlocatie Luttenbergerweg” Ontwerp Tevens wordt het plangebied groen ingepast en wordt aansluiting gemaakt met achterliggende woningbouw aan de omliggende infrastructuur. 4.3.2.4 Toetsing van het initiatief aan de ‘Woonvisie Gemeente Raalte 2016 tot en met 2020’ Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de realisatie van woningen in de kern Luttenberg en is, zoals reeds aangegeven in paragraaf 4.3.1, in overeenstemming met de ‘Omgevingsvisie Horizon gemeente Raalte 2040’. Op basis van de woonafspraken kunnen er in de periode 2017-2026 785 woningen worden gebouwd en specifiek in Luttenberg circa 30 – 50 komende 10 jaar. De ontwikkeling is kwantitatief passend binnen deze aantallen. Ook kwalitatief voldoet het plan, zowel aan de uitgangspunten van de woonvisie als aan de gewenste kwalitatieve invulling van de woningbouwprogrammering. Het betreft immers een mix van grondgebonden koopwoningen (met mogelijkheid levensloopbestendig wonen) en kleinere rijwoningen, met de mogelijkheid tot verhuur voor de sociale woningbouw. Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de ‘Woonvisie 2016 – 2020’ en de woonafspraken met de provincie Overijssel. 4.3.3

Groenbeleid ‘Groen, samen doen!’

4.3.3.1 Algemeen In januari 2017 is het nieuwe groenbeleid ‘Groen, samen doen’ van de gemeente Raalte door de gemeenteraad vastgesteld. In dit document worden de hoofdlijnen weergegeven van het nieuwe groenbeleid en de manier waarop de gemeente hieraan wil werken. Het groenbeleid past binnen de integrale visie op de openbare ruimte en is sterk geënt op de participatiegedachte. Daarnaast biedt dit document inspiratie voor de bewoners en de vrijwilligers die zich inzetten voor het groen. Het groenbeleid dat in deze nota is vastgelegd moet bij de afweging van diverse belangen worden meegenomen. Beleid en activiteiten zijn breed van toepassing op het groen (publiek en privaat eigendom) in de gemeente Raalte. Aanpassingen op het kapbeleid worden gelijktijdig meegenomen. Bij het opstellen van het nieuwe Omgevingsplan is deze groennota een van de onderleggers. Het groenbeleid manifesteert zich rond 7 thema’s. De thema’s ‘handhaven en versterken van groenstructuren’ en ‘bomen- en kapbeleid’ zijn van belang. Hieronder wordt op deze thema’s ingegaan. 4.3.3.2 Maatwerk voor kleinschalige aanpassingen groen- en bomenhoofdstructuur Ervaringen met de groen- en bomenhoofdstructuur leert de gemeente Raalte dat het beleid in incidentele gevallen als (te) knellend wordt ervaren.

Met een integrale blik op het gebruik en de inrichting van de openbare ruimte, waarvan het groen deel uitmaakt, wil de gemeente maatwerk gaan leveren bij verzoeken om kleinschalige aanpassingen van de groen- en bomenhoofdstructuur. Meer flexibiliteit om voor nieuwe ontwikkelingen en opvattingen ruimte te creëren. Dit onder de voorwaarde dat compensatie plaatsvindt. Daarnaast kiest de gemeente Raalte bewust voor het beschermen van waardevolle houtopstanden waarbij een onderscheid wordt gemaakt naar deelgebieden, binnen de bebouwde kom (grens bebouwde kom Boswet) en het buitengebied. Daarnaast wordt een onderscheid gemaakt naar eigendom; gemeentelijk en derden. 4.3.3.3 Toetsing van het initiatief aan het groenbeleid ‘Groen, samen doen!’ In voorliggend geval blijven (waardevolle) houtopstanden binnen en in de directe nabijheid van het plangebied behouden. Het woongebied wordt binnen de bestaande landschappelijke structuur ingepast. Daarnaast wordt het woongebied zelf groen ingericht met ruimte voor water. Hierdoor krijgt het woongebied een groen karakter en wordt de overgang van bebouwde kom naar het buitengebied verzacht. Gesteld wordt dat het initiatief in overeenstemming is met het gemeentelijke groenbeleid. 4.3. 4

Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid

Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de uitgangspunten uit het gemeentelijk beleid zoals hiervoor is toegelicht.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

31

Bestemmingsplan “Luttenberg, woningbouwlocatie Luttenbergerweg” Ontwerp

HOOFDSTUK 5

MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting van het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's geluid, bodemkwaliteit, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie en Besluit milieueffectrapportage.

5.1

Geluid

5.1.1

Wettelijk kader

De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan/bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. 5.1.2

Beoordeling

5.1.2.1 Railverkeerslawaai De spoorlijn Zwolle – Almelo is gelegen op een afstand van ruim 3 kilometer. In de nabije omgeving van het plangebied is verder geen andere spoorweg aanwezig. Hiermee is het plangebied buiten de wettelijke geluidszones van spoorwegen gelegen. Het aspect railverkeerslawaai kan daarom buiten beschouwing worden gelaten en vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 5.1.2.2 Industrielawaai Ter plaatse van het plangebied of in de nabijheid van het plangebied zijn geen gezoneerde industrieterreinen aanwezig. Het aspect industrielawaai wordt daarom buiten beschouwing gelaten. In paragraaf 5.5 wordt ingegaan op individuele bedrijvigheid in de omgeving van het plangebied. 5.1.2.3 Wegverkeerslawaai Ingevolge de Wgh hebben alle wegen een zone waarbinnen een nader akoestisch onderzoek verplicht is. De breedte van de zone, aan weerszijde van de weg, is afhankelijk van het aantal rijstroken en de aard van de omgeving (binnenstedelijk of buitenstedelijk). In artikel 74 van de Wgh is aangegeven dat wegen aan weerszijden van de weg een wettelijke geluidszone hebben waarvan de grootte is opgenomen in onderstaande tabel. Wettelijke geluidszones van wegen: Aantal rijstroken 1 of 2 rijstroken 3 of 4 rijstroken 5 of meer rijstroken

Stedelijk gebied 200 m 350 m 350 m

Buitenstedelijk gebied 250 m 400 m 600 m

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

32

Bestemmingsplan “Luttenberg, woningbouwlocatie Luttenbergerweg” Ontwerp De hiervoor genoemde zones gelden niet voor: • •

wegen die zijn aangeduid als woonerf (art 74.2); wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt (art 74.2).

Langs alle wegen – met uitzondering van 30 km/u-wegen en woonerven – bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidshinder vanwege de weg moet worden getoetst. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen- of buitenstedelijke ligging. In de Wgh worden eisen gesteld aan de toelaatbare geluidsbelasting op de gevels van geluidsgevoelige gebouwen die liggen binnen de geluidszone van een weg. De voorkeursgrenswaarde voor de geluidsbelasting vanwege wegverkeer bedraagt 48 dB. Plangebied In de omgeving van de geluidsgevoelige objecten, de woningen, bevinden zich uitsluitend wegen met een maximum snelheid van 30 km/uur. Uit jurisprudentie blijkt dat een 30 km/uur weg in de beoordeling moet worden meegenomen, indien vooraf aangenomen had kunnen worden dat deze weg een geluidbelasting veroorzaakt die hoger ligt dan de voorkeursgrenswaarde (48 dB). De toetsing moet worden uitgevoerd in verband met een belangenafweging in het kader van een goede ruimtelijke ordening, het geluidbeleid geeft dat ook aan. Deze belangenafweging moet worden gemaakt bij het wijzigen van een bestemmingsplan, in dit geval voor de woningbouwlocatie aan de Luttenbergerweg. In voorliggend plan zijn nieuwe geluidsgevoelig objecten gepland, namelijk de nieuwe woningen.

Gelet op de beperkte verkeersintensiteit op de Luttenbergerweg, de Heuvelweg en de Holteveensweg en de afstand van de woningen tot de hiervoor genoemde wegen wordt gesteld dat de geluidsbelasting lager is dan voorkeurswaarde (48 dB). Er is daarmee ter plaatse van de te realiseren woningen sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor wat betreft het aspect wegverkeerslawaai. 5.1.3

Conclusie

Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan.

5.2

Bodemkwaliteit

5.2.1

Algemeen

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5725/NEN 5740. Econsultancy heeft ter plaatse van het plangebied een verkennend vooronderzoek conform NEN 5725 en veldwerk conform NEN5740 uitgevoerd. Hierna zijn de resultaten van het uitgevoerde onderzoek opgenomen. Voor het volledige onderzoeksrapport wordt verwezen naar bijlage 2 bij deze toelichting. 5.2.2

Situatie plangebied

Momenteel is het plangebied in gebruik als weiland. De aanleiding van het vooronderzoek is de geplande woningbouwlocatie. De bodem bestaat ter plaatse uit voornamelijk zwak siltig, zeer fijn tot matig fijn zand. De bovengrond is bovendien zwak/tot sterk humeus. De ondergrond is plaatselijk zwak gleyhoudend en/of zwak grindig. Deellocaties Ter plaatse van de deellocaties A, B2 en C (de deellocaties zijn zichtbaar in het onderzoeksrapport) zijn zintuiglijk geen verontreinigingen waargenomen. De bovengrond van deellocatie B1 is lokaal zwak kolengruishoudend en zwak baksteenhoudend. Er zijn geen waarnemingen gedaan die duiden op de

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

33

Bestemmingsplan “Luttenberg, woningbouwlocatie Luttenbergerweg” Ontwerp aanwezigheid van olieproducten. De ondergrond van boring D04 (0,5-1,0 m -mv) (deellocatie D) is zwak kolengruishoudend. Tijdens de veldwerkzaamheden zijn op het maaiveld van de onderzoekslocatie, alsmede in de bodem, geen puin(resten) (anders dan een zeer lokaal spoortje baksteen) en/of andere asbestverdachte materialen aangetroffen. Er zijn op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem, tijdens de terreininspectie en bij de uitvoering van de veldwerkzaamheden geen aanwijzingen gevonden, die aanleiding geven een asbestverontreiniging op de locatie te verwachten. PFAS Op basis van het “Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecies” blijkt, dat vooralsnog heel Nederland (voornamelijk de bovengrond) als “verdacht” gebied wordt gekenmerkt met betrekking tot de parametergroep PFAS. Verwacht wordt, dat er verspreid over de onderzoekslocatie gelijke gehalten van dit PFAS voorkomen. PFAS komt diffuus in Nederland voor. Dit betekent echter niet dat alle locaties per definitie verdacht zijn op PFAS bóven de toetsnorm. Uit het vooronderzoek concludeert Econsultancy dat atmosferische depositie de enige (beperkte) bron van PFAS-verontreiniging op het de locatie kan zijn.

Van atmosferische depositie is bekend dat dit tot beperkt verhoogde PFAS-gehaltes in bodem en water kan leiden. Conclusies • •

• • • •

5.2.5

Op basis van de onderzoeksresultaten bestaat er geen milieuhygiënische belemmering voor de aankoop en herontwikkeling van deellocatie A. Verder bestaat er, gezien de verontreinigingssituatie, voor de deellocaties B1 en C geen reden tot nader bodemonderzoek en bestaan er geen milieuhygiënische belemmeringen voor grondwerkzaamheden ter plaatse. Ter plaatse van deellocatie B2 zijn matig verhoogde gehalten aan PAK aangetoond, te relateren aan de berm en niet aanwezig zijnde op de deellocaties A en C. Er bestaat naar mening van Econsultancy geen aanleiding tot nader bodemonderzoek. In geval van de afvoer van grond van deze deellocatie dient er, gezien het oliegehalte, rekening mee te worden gehouden dat deze elders niet toepasbaar is. Ter plaatse van deellocatie D is sprake van een matige zinkverontreiniging, echter deze wordt gezien het toekomstig gebruik van de locatie en de diepte (vanaf 0,5 m -mv) niet bezwaarlijk geacht voor grondwerkzaamheden ter plaatse. Nader onderzoek naar de zinkverontreiniging wordt om die reden ook niet noodzakelijk geacht. Conclusie

Op basis van de uitgevoerde bodemonderzoeken wordt geconcludeerd dat de bodem geschikt is voor het toekomstige gebruik (wonen met tuin).

5.3

Luchtkwaliteit

5.3.1

Beoordelingskader

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: • •

Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

34

Bestemmingsplan “Luttenberg, woningbouwlocatie Luttenbergerweg” Ontwerp

Advieswaarden WHO/GGD De WHO hanteert advieswaarden voor fijnstof (PM10) van 20 microgram per kuub, en 10 microgram per kuub voor PM2,5; lager dan de wettelijke grenswaarden. Pas als aan deze waarden wordt voldaan kan vanuit het perspectief van gezondheid worden gesproken over acceptabele concentraties en een goed woon- en leefklimaat. Ook de landelijke GGD kent een beoordelingsmethode via de gezondheidseffectscreening (GES), welke ook gebruikt kan worden als criterium voor een goede ruimtelijke ordening, waarmee kan worden vooruitgelopen op de Omgevingsweg, waarin gezondheid en milieu meer aan elkaar worden gekoppeld. 5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • • •

woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van ‘gevoelige bestemmingen’ binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. 5.3.2

Situatie plangebied

In onderstaande ‘worst-case berekening’ is de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van deze ontwikkeling op de luchtkwaliteit in de nabijheid van het plangebied weergegeven. Deze gegevens zijn afkomstig van de NIBM-tool. In de tabel zijn de maximaal toegestane waardes opgenomen.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

35

Bestemmingsplan “Luttenberg, woningbouwlocatie Luttenbergerweg” Ontwerp

Uit voorgaande ‘worst-case berekening’ blijkt dat in het plangebied voor de stoffen NO2 (stikstofdioxide) en fijn stof (PM10 en PM2,5) ruim wordt voldaan aan de Wettelijke grenswaarden uit bijlage 2 van de Wet milieubeheer en dat eveneens aan de advieswaarden van de WHO (wereldgezondheidsorganisatie) wordt voldaan. Daarnaast wordt geconcludeerd dat de bestemming in de voorgenomen ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het 'Besluit gevoelige bestemmingen'. Voldoende duidelijk is dat het woon- en leefklimaat voor het aspect luchtkwaliteit aanvaardbaar is voor realisatie van voorgenomen ontwikkeling. 5.3.3

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de realisatie van dit plan.

5.4

Externe veiligheid

5.4.1

Algemeen

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • • • • •

het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico’s Zware Ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.

Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen'(Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • • •

het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

36

Bestemmingsplan “Luttenberg, woningbouwlocatie Luttenbergerweg” Ontwerp Het vervoer van gevaarlijke stoffen per buisleiding is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 5.4.2

Situatie in en bij het plangebied

Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied (rode omlijning) en de directe omgeving weergegeven.

Afbeelding 5.1

Uitsnede Risicokaart (Bron: Nederland.risicokaart.nl)

Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied: • • • •

zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. In de omgeving van het plangebied is er sprake van een aantal aardgasleidingen van Gasunie. Het plangebied ligt buiten alle 1%-letaliteitsafstanden en daarmee buiten de invloedsgebieden van deze leidingen.

Zwembad ’t Siel (Heuvelweg 38) Ten zuiden van het plangebied is het zwembad ’t Siel gevestigd waar chloorbleekloog in combinatie met zwavelzuur wordt opgeslagen. Op grond van het Bevi zijn voor de opslag van de genoemde gevaarlijke stoffen geen risicocontouren vastgesteld. Volgens de gevarenkaart van de Leidraad Risico-inventarisatie gevaarlijke stoffen kan een afstand van 75 meter gehanteerd worden als invloedsgebied bij een opslag van 1500 kg chloorbleekloog en 75 kg zwavelzuur. Opgemerkt wordt dat bij het zwembad geen zwavelzuur maar zoutzuur wordt gebruikt, hetgeen scheelt (in positieve zin) bij calamiteiten.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

37

Bestemmingsplan “Luttenberg, woningbouwlocatie Luttenbergerweg” Ontwerp Het plangebied is gelegen op een afstand van circa 250 meter van de terreingrens van de inrichting en valt daarmee ruimschoots buiten het invloedsgebied van 75 meter. Het zwembad vormt dan ook geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling. LPG-tankstation (Luttenbergerweg 14) Ten noorden van het plangebied is de Bevi-inrichting ‘Auto Techniek Luttenberg’ gelegen Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van het LPG-tankstation aan de Luttenbergerweg 14 in Luttenberg. Daartoe is een rapportage door Aviv opgesteld inzake het groepsrisico als gevolg van deze ontwikkeling, deze is opgenomen de bijlage 3 bij deze toelichting. In deze studie wordt het groepsrisico berekend dat wordt veroorzaakt door het LPG-tankstation. Voor de berekening wordt uitgegaan van de vergunde maximale doorzet tot 1000 m3/jr. Ongevalsscenario’s tank Er is op het LPG-station een ondergrondse tank opgesteld met een volume van 20 m3 met een maximale inhoud van 9.2 ton (de maximale vullingsgraad). Ongevalscenario’s tankauto Voor een doorzet tot 1000 m3/jr zijn er standaard 70 lossingen nodig van elk 30 min. De lostijd per jaar is dan 35 uur (0.4% van de tijd). Bevoorrading vindt plaats met een tankauto van 60 m3 en een maximale inhoud van 26.7 ton. De tankauto kan bij aankomst op de inrichting voor 100%, 67% of 33% gevuld zijn.

Deze gegevens worden gebruikt om met een initiële ongevalfrequentie de frequentie van de ongevalscenario’s voor de inrichting af te leiden. Voor de ongevalscenario’s instantaan falen en uitstroming uit de grootste aansluiting wordt de initiële ongevalfrequentie vermenigvuldigd met de fractie gedurende het jaar dat de betreffende tankauto aanwezig is binnen de inrichting. Voor volledige breuk van de pomp is rekening gehouden met de beperking van de uitstroomtijd door een doorstroombegrenzer. De kans dat de doorstroombegrenzer niet sluit is 0.06. Voor volledige breuk van de losslang is rekening gehouden met de beperking van de uitstroomtijd door een andere doorstroombegrenzer. De kans dat deze doorstroombegrenzer niet sluit is 0.12. BLEVE-frequentie tankauto Voor een LPG-tankstation wordt het extern veiligheidsrisico bepaald door de ongevalscenario’s van de tank en de tankauto die aanwezig is tijdens de bevoorrading. Andere ongevalscenario’s, bijvoorbeeld het falen van de vloeistofleiding tussen het vulpunt en de tank of tussen de tank en de afleverzuil, leveren een te verwaarlozen bijdrage aan het risico. De berekening van het risico is uitgevoerd volgens de voorschriften opgenomen in de Handleiding risicoberekeningen Bevi, het stappenplan groepsrisico en een specifiek berekeningsvoorschrift.

Het stappenplan en het specifieke berekeningsvoorschrift houden rekening met de invloed van de omgeving op de BLEVE-frequentie van de lossende tankauto. Drie oorzaken worden onderscheiden, te weten brand van het LPG-systeem, omgevingsbrand en mechanische inslag. De belangrijkste oorzaak van een BLEVE is een omgevingsbrand. De afspraak in het LPG-convenant om een hittewerende coating aan te brengen op de tankauto is mede ingegeven door de mogelijkheid om de gevolgen van een omgevingsbrand beter te kunnen beheersen. In het modelleringsvoorschrift is ook aangegeven dat, mits bepaalde afstanden tot objecten worden aangehouden, de frequentie op een BLEVE door een omgevingsbrand wel een factor tien kleiner kan zijn. Deze afstanden zijn voorgeschreven in het Besluit LPG-tankstations Hinderwet uit 1988 (maar zijn aangepast in het stappenplan van het RIVM). Een andere belangrijke oorzaak is de mechanische inslag veroorzaakt door een voertuig dat botst met de lossende tankauto. Voor een omgevingsbrand geldt dat de afstand tussen de opstelplaats van de LPG-tankauto en een aantal met name genoemde objecten groter moet zijn dan de minimaal benodigde afstand. Toetsing wordt uitgevoerd voor de benzine en LPG-afleverzuil, gebouwen en voor de opstelplaats van de benzinetankauto.

In het Besluit LPG-tankstations (en daarmee in de milieuvergunning) is opgenomen dat de benzinetankauto niet tegelijkertijd met de LPG-tankauto op de inrichting aanwezig mag zijn. Deze oorzaak is daarmee uit te sluiten. Verder wordt ervan uitgegaan dat de tankauto is voorzien van een hittewerende coating. Er wordt aangenomen dat de BLEVE-frequentie hierdoor wordt verlaagd met een factor twintig. Deze aanname is opgenomen in de notitie QRA berekening LPG-tankstations van het RIVM.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

38

Bestemmingsplan “Luttenberg, woningbouwlocatie Luttenbergerweg” Ontwerp Aanwezigen rond het tankstation Voor een schatting van het aantal dodelijke slachtoffers van een BLEVE geldt dat binnen de (cirkelvormige) 35 kW/m2 contour iedereen zal overlijden, ongeacht beschermende factoren zoals kleding of het verblijf in een gebouw. Buiten deze contour geldt dat alleen personen gedood kunnen worden die zich buitenshuis bevinden, waarbij tevens conform PGS 3 het beschermende effect van de kleding (een reductiefactor voor de kans op overlijden van 0.14) nog mee dient te worden genomen. De bijdrage aan het totaal aantal dodelijke slachtoffers buiten de 35 kW/m2 contour is te verwaarlozen. In het Revi wordt daarom ook als invloedsgebied voor het groepsrisico een cirkelvormig gebied met een straal van 150 meter voorgeschreven. Voor deze berekening is de aanwezigheid van personen geïnventariseerd tot een afstand van circa 150 m rond het vulpunt en de tank. De maximale effectafstand voor 1% letaliteit bij onbeschermde blootstelling is weliswaar circa 300 meter, maar personen aanwezig op grotere afstand dan 150 meter hebben een te verwaarlozen bijdrage aan het groepsrisico. Onderstaande figuur toont de omgeving van het LPG-tankstation in de huidige situatie inclusief de eerste en tweede fase van de ontwikkeling van de woningen.

De figuur toont tevens de ligging van de gebieden die voor de berekening van het groepsrisico zijn gemodelleerd. Deze gebieden zijn roze en geel gemarkeerd. De gele vlakken zijn bestaande woningen. De gegevens voor de aanwezigheid van personen in de roze vlakken zijn samengevat in tabel 8 van het rapport. De vlakken zijn gemodelleerd met een uniforme dichtheid per vlak. Er is onderscheid gemaakt tussen dag (8:00 tot 18:30 uur), avond (18:30 tot 23:30 uur) en nacht (23:30 tot 8:00 uur).

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

39

Bestemmingsplan “Luttenberg, woningbouwlocatie Luttenbergerweg” Ontwerp Voor het modelleren van de bevolking wordt uitgegaan van de BAG-populatieservice. Waar nodig is deze aangevuld op basis van de vigerende bestemmingsplannen. Het aantal woningen is afgeleid uit de BAGpopulatieservice. Voor bestaande (bedrijfs)woningen wordt in de BAG-populatieservice uitgegaan van een gemiddelde aanwezigheid van 2.5 personen per woning. Er zijn verder de volgende uitgangspunten gehanteerd: • • • •

•

Bewoners zijn op werkdagen overdag voor 50% aanwezig en anders voor 100% . In de bedrijven zijn werknemers alleen op werkdagen en zaterdag overdag aanwezig. In de huidige situatie is het plangebied braakliggend. Er worden geen personen verondersteld binnen het plangebied in de berekening van de huidige situatie. Binnen het plangebied worden in fase 1 en 2 samen vijftig woningen mogelijk gemaakt. In de risicoberekening is uitgegaan van een bezetting van 2.5 personen per woning conform de uitgangspunten van de BAG-populatieservice. Verondersteld wordt dat de personen voor 50% overdag aanwezig zijn en verder voor 100%. Er bevinden zich geen personen in de gebouwen die niet zijn gemarkeerd.

Plaatsgebonden risico De normstelling voor LPG tankstations is opgenomen in de Regeling externe veiligheid inrichtingen, afgekort tot Revi. Het Revi is een ministeriële regeling die valt onder het Bevi. De normstelling voor het plaatsgebonden risico gaat voor nieuwe situaties uit van een grenswaarde van 1.0 10-6 /jr voor kwetsbare objecten, dit betekent dat altijd moet worden voldaan aan deze grenswaarden. Voor beperkt kwetsbare objecten is dit een richtwaarde, dit betekent dat om gewichtige redenen daarvan mag worden afgeweken. De grens- en richtwaarde van het plaatsgebonden risico zijn beide 10-6 per jaar (Bevi art. 6, 7 en 8). De afstanden tot de grens- en richtwaarde voor de zogenaamde categoriale inrichtingen (o.a. LPG-tankstations, Bevi art. 4.5) zijn vastgelegd in de Revi. Voor LPG-tankstations met een ondergrondse opslagtank en een doorzet tot 1000 m3 per jaar, geldt dat de afstand tot grens- en richtwaarde gelijk is aan: • • •

35 m vanaf vulpunt; 25 m tot de ondergrondse opslagtank; 15 m tot de afleverzuil.

De contouren worden weergegeven in onderstaande figuur. Weliswaar is het totale plangebied groter, echter in het gebied waar woningen gerealiseerd kunnen worden is weergegeven in de contour. Het plangebied ligt buiten de PR 10-6 contouren van het vulpunt, tank en afleverzuil. Het plangebied ligt buiten de vastgestelde PR 10-6-contouren rond de LPG-installaties. Het plaatsgebonden risico vormt daarmee geen belemmering voor de ontwikkeling.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

40

Bestemmingsplan “Luttenberg, woningbouwlocatie Luttenbergerweg” Ontwerp Groepsrisico Het groepsrisico in zowel de huidige als toekomstige situatie is een factor 0.03 ten opzichte van de oriëntatiewaarde. Het groepsrisico in de huidige situatie is kleiner dan de oriëntatiewaarde. Door de ruimtelijke ontwikkeling neemt het groepsrisico niet zichtbaar toe. Het maximaal aantal slachtoffers is circa 65 in zowel de huidige als de toekomstige situatie. Het maximaal aantal slachtoffers wordt voornamelijk bepaald door de ondergrondse opslagtank. Het groepsrisico moet in alle gevallen worden verantwoord conform artikel 13 van het Bevi. Gelet op de ligging van het plangebied op relatief korte afstand van het invloedsgebied wordt hieronder wel ingegaan op de volgende aspecten: bereikbaarheid, ontvluchten van het gebied en zelfredzaamheid. •

Bereikbaarheid

Hulpdiensten dienen, bij een calamiteit, een gebied/object goed te kunnen bereiken. Gewenst is dat een gebied/object via minimaal twee ontsluitingswegen toegankelijk is. Daarnaast dient er in de directe omgeving voldoende ruimte te zijn om materiaal op te stellen. Het plangebied is bereikbaar vanaf de Luttenbergerweg en de Heuvelweg. Daarnaast is er in de directe omgeving voldoende ruimte beschikbaar voor het opstellen van het materieel. Met betrekking tot de beschikbaarheid van bluswater is er in de directe omgeving van de inrichting een aantal brandkranen aanwezig. In de directe nabijheid is tevens een bergingsvijver aan de Luttenbergerweg gelegen die als secundair bluswater kan dienen. •

Ontvluchten van het gebied

Van belang bij een calamiteit is dat de aanwezige personen het gebied zelfstandig kunnen ontvluchten. Dit houdt dan ook in dat ze een gebied aan diverse zijden moeten kunnen ontvluchten om zodoende de afstand tussen diegene en de calamiteit te vergroten. In voorliggend geval kan het plangebied via verschillende mogelijke routes worden ontvlucht. •

(Zelf)redzaamheid

(Zelf)redzaamheid houdt in dat personen zichzelf en eventueel anderen, binnen een bepaald tijdsbestek, kunnen veiligstellen (bijv. schuilen of vluchten) bij dreigend gevaar. Hierbij wordt van de persoon zelf uitgegaan zonder de hulp van hulpverleningsdiensten. In dit geval gaat het om reguliere woningen, die weliswaar ook voor senioren bedoeld zijn, maar waar personen woonachtig zijn die over het algemeen zelfredzaam zijn. In verhouding zal het aantal personen dat zelfredzaam is aanzienlijk groter zijn dan het aantal personen dat in mindere mate zelfredzaam is. Daarbij komt dat de dichtheid van personen per gebouw en in het plangebied beperkt toeneemt en het ontvluchten vanuit de bebouwing relatief eenvoudig is doordat de gebouwen voorzien in maximaal twee bouwlagen. •

Risicocommunicatie

De Veiligheidsregio adviseert de initiatiefnemer in gesprek te gaan over risicocommunicatie naar de toekomstige bewoners en de ontvluchtingsmogelijkheden van het terrein. Dit vormt overigens een onderdeel van de nog af te geven omgevingsvergunning. •

Maatregelen

De Veiligheidsregio geeft aan dat maatregelen aan de bron in deze situatie zeer waarschijnlijk niet mogelijk zijn. Planologische mogelijkheden zijn in voorliggende situatie beperkt. Geadviseerd wordt bewoners voor te lichten over het mogelijke optreden van een incident bij het LPG tankstation en wat zij in zo’n situatie zelf kunnen doen. Een mogelijke maatregel voor het beperken van de effecten is het aanbrengen van mechanisch afsluitbare ventilatie. Effectafstand Bij de verantwoording van het risico moet sinds 29 juni 2016 ook rekening worden gehouden met de zogeheten effectbenadering. Voor (beperkt) kwetsbare objecten geldt de 60 meter effectafstand en als (beperkt) kwetsbare objecten binnen deze afstand komen te liggen, dan moet deze situatie gemotiveerd worden. Hetzelfde geldt voor zeer kwetsbare objecten binnen de 160 meter effectafstand. Beide afstanden worden gemeten vanaf het vulpunt. De afstanden gelden alleen bij besluiten waarbij het risico toeneemt. Bij bijvoorbeeld conserverende bestemmingsplannen gelden deze afstanden niet.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

41

Bestemmingsplan “Luttenberg, woningbouwlocatie Luttenbergerweg” Ontwerp Het plangebied wordt gezien als kwetsbaar object. Er zijn enkele woningen (in fase 2 )in het noordwestelijke deel van het plangebied die (gedeeltelijk) binnen de 60 meter effectafstand liggen. Opgemerkt wordt dat wat betreft deze noordwestelijke ‘vlek’ nog niet vast staat welke woningen daar komen waarbij tevens enige vrijheid in kaveluitgifte wenselijk is, daarom is in de regels vastgelegd dat maximaal 8 woningen zijn toegestaan. Het is (indien deze woningen daadwerkelijk gerealiseerd worden binnen deze effect afstand) voor deze enkele woningen nodig hier aanvullende maatregelen te overwegen of anderzijds te motiveren waarom wordt afgeweken van deze effectafstand. Beide effectafstanden worden getoond in onderstaande figuur.

5.4.3

Conclusie

Een en ander brengt met zich mee dat het plan in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid. Enkele woningen binnen de ontwikkeling liggen (gedeeltelijk) binnen de 60 m effectafstand voor (beperkt) kwetsbare objecten. Het is daarom nodig aanvullende maatregelen te overwegen of anderzijds te motiveren waarom wordt afgeweken van deze effectafstand. Deze te nemen maatregelen zijn als verplichting opgenomen binnen de regels van dit bestemmingsplan

5.5

Milieuzonering

5.5.1

Algemeen

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

42

Bestemmingsplan “Luttenberg, woningbouwlocatie Luttenbergerweg” Ontwerp inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: • •

het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/bestemmingsplan mogelijk is. 5.5.2

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Raalte&id=bffb5f72-2e52-49c9-87fc-838ac8308eb4