CConstaterende datRaalte
Koppel je AI →
Document · PDF

10 Bp Raalte Kern, verkabeling hoogspanning_Bijlage 2 Archeologisch veldonderzoek

Raadsvergadering 29 juni 2023, gemeente RaalteBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan verkabeling hoogspanning Raalte (bespreekstuk)11.913 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Antea Group Archeologie 2022/52 Bureauonderzoek en Inventariserend veld‐ onderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase verkabeling 110 kV verbinding bebouwde kom Raalte, gemeente Raalte

projectnummer 474109 revisie 00 23 mei 2022

Antea Group Archeologie 2022/52 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase verkabeling 110 kV verbinding bebouwde kom Raalte, gemeente Raalte projectnummer 474109 revisie 00 23 mei 2022

Auteurs R.L. Fens I. Fleuren E. Hoven

Opdrachtgever TenneT TSO B.V. Utrechtseweg 310 6812 AR ARNHEM

datum vrijgave 23 05 2022

beschrijving revisie 00 definitief / eindversie

gecontroleerd A.J. Brokke

vrijgave R.S. Raap

Inhoudsopgave

Blz.

Samenvatting

2

1

Inleiding

4

2

Bureauonderzoek

6

2.1 2.1.1 2.1.2 2.1.3 2.1.4 2.1.5 2.2 2.2.1 2.2.2 2.3 2.3.1 2.3.2 2.3.3

Beschrijving onderzoekslocatie Begrenzing onderzoeks- en plangebied Huidig en toekomstig gebruik Archeologisch beleid en regelgeving Landschappelijke situatie Historische situatie en mogelijke verstoringen Bekende waarden Archeologische waarden Ondergrondse bouwhistorische waarden Archeologische verwachting Bestaande verwachtingskaarten Gespecificeerde archeologische verwachting Conclusies en advies voor vervolgonderzoek

6 6 8 8 10 12 12 12 15 15 15 16 16

3

Veldonderzoek

18

3.1 3.2 3.3 3.3.1 3.3.2

Doel- en vraagstelling Onderzoeksopzet en werkwijze Resultaten Bodemopbouw Archeologie

18 18 20 20 21

4

Conclusies en advies

22

4.1 4.2

Conclusies (Selectie)advies

22 23

Literatuur en geraadpleegde bronnen

25

Lijst van afbeeldingen en bijlagen

26

Bijlagen 1 2 3

Archeologische perioden AMZ-cyclus Boorbeschrijvingen

Kaartbijlagen

474109-ARCHIS 474109-ARO

Gegevens uit ARCHIS Situatiekaart met ligging boorpunten

Antea Group Archeologie 2022/52 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase projectnummer 474109 23 mei 2022 revisie 00 TenneT TSO B.V.

Administratieve gegevens Projectnummer Antea Group 474109 OM-nummer 5143251100 (protocol 4002) 5161728100 (protocol 4003) Provincie Overijssel Gemeente Raalte Plaats Raalte Toponiem De Weem, Ramelerenk Iepensingel, Het Erf, Westdorplaan Kaartblad 27F Coördinaten NW: 214321.56, 488487.59 NO: 214321.56, 488521.27 ZO: 215679.00, 487566.95 ZW: 215652.12, 487546.79 Centrum: 215084.28, 488144.87 Opdrachtgever Uitvoerder Datum uitvoering Projectteam

TenneT TSO B.V. Antea Group december 2021-maart 2022 R.S. Raap (projectleider) J. Postma (projectleider) R. Fens (senior KNA-prospector, senior KNA-archeoloog) I. Fleuren (archeoloog) E. hoven (archeoloog)

Vrijgave conform KNA A. Brokke (senior KNA-archeoloog en senior KNA prospector) Bevoegd gezag gemeente Raalte Deskundige bevoegd gezag O. Satijn, Het Oversticht Beheer documentatie Antea Group

Afbeelding 1. Uitsnede topografische kaart met de ligging van het plangebied, inclusief bestaande mastnummers (bron: Esri & partners). Blad 1 van 26

Antea Group Archeologie 2022/52 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase projectnummer 474109 23 mei 2022 revisie 00 TenneT TSO B.V.

Samenvatting In opdracht van TenneT TSO B.V. heeft Antea Group in januari 2022 een bureauonderzoek en in februari 2022 een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen uitgevoerd te Raalte. Aanleiding is het landelijke verkabelingsprogramma. Op basis van het wetsvoorstel VET heeft de gemeente Raalte bij TenneT een verzoek ingediend, om een basisontwerp op te stellen voor de verkabeling van de bestaande 110 kV bovengrondse verbindingen in de kern van Raalte. De verkabeling betreft een gedeelte van een tweetal lijnverbindingen, te weten: • Harculo-Raalte vanaf mast 40 t/m 43 (lijncode HCL-RT110) • Raalte-Nijverdal mast 001 t/m 004 (lijncode RT-NVD110) Een bureauonderzoek, al dan niet in combinatie met een inventariserend veldonderzoek, verkennende fase, geldt als de eerste stap binnen de kaders van de archeologische monumentenzorg (zie bijlage 2). Het bureauonderzoek is in eerste instantie als separaat document1 opgeleverd en ter beoordeling gezonden aan Het Oversticht, dat namens de gemeente de inhoudelijke toets uitvoert. Het Oversticht onderschrijft onderstaande conclusies en onderstaand advies uit het bureauonderzoek2. Het aangepaste bureauonderzoek is in onderhavig document verwerkt. Het onderhavig rapport, met het verslag van het veldonderzoek is in revisie 0A ter beoordeling voorgelegd aan Het Oversticht en is op 18 mei 2022 beoordeeld.

De conclusies en adviezen worden overgenomen. Conclusies bureauonderzoek Op basis van het bureauonderzoek wordt vastgesteld dat in het plangebied vanwege de aanwezigheid van een dekzandrug een middelhoge verwachting geldt. Er kunnen resten worden aangetroffen vanaf het laat paleolithicum tot en met de Nieuwe tijd. Binnen het plangebied kunnen op basis van de eerdere onderzoeken podzolgronden verwacht worden op de hoger gelegen delen van het plangebied die vanaf de prehistorie gunstig zijn geweest voor menselijke activiteiten. Daarbuiten op de lager gelegen delen is de verwachting voor het aantreffen van archeologische waarden laag. Bovendien kan worden geconcludeerd dat een deel van het actuele plangebied reeds onderzocht is. Daarbij gaat het concreet om het onderzoeksgebied vanaf het 110 kV-station tot aan de Nieuwe Deventerweg.3 Antea Group adviseert binnen de zone met een middelhoge verwachting (dekzandrug) vervolgonderzoek in de vorm van verkennend booronderzoek op twee locaties (afbeelding 11). De eerste locatie (Iepensingel) ligt direct ten oosten van het transformatorstation, waar een HDD-kuip en aansluiting op het station is voorzien (in open ontgraving). Hier geldt een middelhoge verwachting.

De tweede locatie betreft locatie het Erf in de wijk Vloedkampen waar twee HDD-kuipen zijn voorzien met een korte aanleg in open ontgraving, en voorts een mogelijke uitlegstrook wordt voorzien. Of bij dit gebruik uiteindelijk bodemverstoring zal plaatsvinden is nog niet geheel bekend, aangezien het plan nog in voorbereidingsfase bevindt en dergelijke details nog uitgewerkt zullen worden. De HDD-boringen inclusief de in- en uitreedpunten vormen geen bedreiging voor eventueel aanwezige archeologische waarden vanwege de aanlegdiepte van de HDD circa 10 m tot 25 m – Hoven, 2022. Schriftelijke beoordeling uitgevoerd door Het Oversticht, O. Satijn, d.d. 21 februari 2022. 3 Voor het 110 kV-station Raalte zijn diverse onderzoeken uitgevoerd. De eventuele werkzaamheden op het station zijn geen onderdeel van de scope van dit rapport. 1 2

Blad 2 van 26

Antea Group Archeologie 2022/52 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase projectnummer 474109 23 mei 2022 revisie 00 TenneT TSO B.V.

mv. Deze zones kunnen net als de gebieden waarin reeds onderzoek heeft plaatsgevonden (het 110kV station zelf en de aanleg tussen het station en de Nieuwe Deventerweg) worden vrijgegeven. Conclusies en advies verkennend booronderzoek Op deellocatie Iepensingel bestaat het profiel tot aanzienlijke diepte (minimaal 1,6 m -mv en maximaal 2,7 m -mv) uit opgebrachte en omgewerkte pakketten. Hieronder ligt direct een Chorizont (boringen 02, 03 en 04) en in een enkele boring (01) een restant van een eerdlaag, gevormd in dekzand. Dit betreft een restant van een goor- of beekeerdgrond. Van de eerdlaag resteert slechts 15 cm. In de overige boringen is deze laag geheel verdwenen. De mate van verstoring, ondanks bedekking door aanzienlijke ophogingslagen, is vrij hoog. Op locatie het Erf is voor het meest oostelijke boringen geen reconstructie te maken van de oorspronkelijke bodem: het profiel bestaat onder een gering omgewerkt pakket uit een Chorizont, al dan niet iets roestig bovenin. Voor het westelijke deel is uit de absolute hoogteligging te herleiden dat het hier een dekzandrug aanwezig is. De bodem bestaat uit omgewerkte lagen die direct op een C-horizont ligt. De oorspronkelijke (historische) bodem zal hier hebben bestaan uit een humeuze ploegvoor op de C-horizont (maar geen duidelijk enkeerdgrond). Podzolbodems of geroerde resten daarvan zijn niet aangetroffen.

De aangetroffen bodems zijn onvoldoende intact om de eventuele de aanwezigheid van intacte archeologische vindplaatsen te ondersteunen. Wij adviseren daarom om, in aanvulling op het advies uit het bureauonderzoek, ook de nader onderzochte locaties vrij te geven voor wat betreft het aspect archeologie. Dit advies wordt gegeven voor het tracé zelf (de open ontgravingen en HDD-putten op beide onderzochte locaties), alsook voor een eventueel te realiseren werkstrook of uitlegstrook langs de weg het Erf (te weten binnen de begrenzing van het onderzoeksgebied zoals weergegeven op afbeelding 11 in dit rapport). In de uitvoeringsfase kunnen eventueel nog andere werkterreinen in en om het plangebied worden ingericht. Mits daarbij grondroering wordt voorzien en mits de locatie binnen de zone die op afbeelding 5 is aangemerkt als een zone met middelhoge verwachting valt, dan kan daar alsnog een archeologisch onderzoek verplicht zijn. Het bovenstaande selectieadvies is in de vorm van een eerdere revisie van dit rapport (revisie 0A) voorgelegd aan de adviseur van de bevoegde overheid, Het Oversticht, en akkoord bevonden (d.d. 18 mei 2022). Meldingsplicht Ook voor vrijgegeven (delen van) plangebieden bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen.

Het betreft dan vaak kleine sporen of resten die niet door middel van een booronderzoek kunnen worden opgespoord. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de Minister (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed: telefoon 033-4217456). Een vondstmelding bij de gemeentelijk of provinciaal archeoloog kan ook. Certificering Dit onderzoek is uitgevoerd conform BRL 4000, protocol 4002 en 4003 met daarin besloten de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 4.1. Voor de KNA-protocollen, 4001 (PvE), 4002 (bureauonderzoek), 4003 (inventariserend veldonderzoek) en 4004 (opgraven) is Antea Group gecertificeerd conform de SIKB-BRL 4000 (Beoordelingsrichtlijn voor archeologie).

Blad 3 van 26

Antea Group Archeologie 2022/52 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase projectnummer 474109 23 mei 2022 revisie 00 TenneT TSO B.V.

1

Inleiding In opdracht van TenneT TSO B.V. heeft Antea Group in januari 2022 een bureauonderzoek en in februari 2022 een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen uitgevoerd te Raalte. Aanleiding is het landelijke verkabelingsprogramma. Op basis van het wetsvoorstel VET heeft de gemeente Raalte bij TenneT een verzoek ingediend, om een basisontwerp op te stellen voor de verkabeling van de bestaande 110 kV bovengrondse verbindingen in de kern van Raalte. De verkabeling betreft een gedeelte van een tweetal lijnverbindingen, te weten: • Harculo-Raalte vanaf mast 40 t/m 43 (lijncode HCL-RT110) • Raalte-Nijverdal mast 001 t/m 004 (lijncode RT-NVD110) De bovengrondse lijnverbinding tussen Raalte en Harculo wordt vanaf mast 40 tot aan het hoogspanningsstation Raalte verkabeld en de verbinding tussen Raalte en Nijverdal vanaf mast 4 tot aan het hoogspanningsstation Raalte (zie afbeeldingen 1 en 2). Een groot deel van de verkabeling wordt doormiddel van HDD-boringen uitgevoerd. De dieptes van de HDD’s variëren tussen circa 10 en 25 meter minus maaiveld. Daarnaast wordt een deel in open ontgraving uitgevoerd. Voor de open ontgravingen wordt een diepte opgegeven van onderkant sleuf van 1,50 meter minus maaiveld voor openbaar gebied en onderkant sleuf van 2,10 meter minus maaiveld voor agrarische percelen.

De breedte van de sleuf bedraagt aan de bovenkant 5,30 m en aan de onderkant 3,00 m. Naast de ontgravingen ten behoeve van het kabeltracé zullen er op de werkstroken mogelijke bodemverstoringen plaatsvinden door het cultuurtechnisch herstel (opheffen van zettingen). Deze mogelijke verstoring zal maximaal 0,8 meter minus maaiveld zijn. Hoewel de werkstroken in de voorbereiding van de uitvoering nader worden bepaald, zijn er op dit moment twee zones onderzocht waar deze werkzaamheden worden voorzien (afbeelding 3). Het aan te leggen tracé volgt grotendeels het tracé van de bestaande bovengrondse 110kV-hoogspanningsverbinding. De verkabeling op de verbinding Harculo-Raalte begint ten westen van de Nieuwe Deventerweg bij mast 40 en loopt richting het oosten achter de bestaande bebouwing van de Johanna van Burenlaan naar het trafostation Raalte. De verkabeling op de verbinding Raalte-Nijverdal loopt van het trafostation tot aan mast 004 bij de Kanaaldijk oostzijde. De opgetelde lengte van de het aan te leggen kabeltracé bedraagt circa 1800 m. Volgens www.ruimtelijkeplannen.nl zijn voor het plangebied zijn twee bestemmingsplannen van toepassing. Ten eerste bestemmingsplan Raalte Kern waarin op basis van artikel 26 (Waarde Archeologische verwachtingswaarde) geldt dat bodemingrepen vanaf 100 m² met een diepte van 40 cm -mv vergunningsplichtig zijn.

Ten westen van de Nieuwe Deventerweg en langs Kanaaldijk oostzijde is het bestemmingsplan Buitengebied Raalte geldig. Hier is geen waarde archeologie opgenomen. Op de beleidsadvieskaart van de gemeente Raalte ligt het centrale deel van het plangebied in een zone met een middelhoge verwachting. Een bureauonderzoek, al dan niet in combinatie met een inventariserend veldonderzoek, verkennende fase, geldt als de eerste stap binnen de kaders van de archeologische monumentenzorg (zie bijlage 2). Het doel van het uitvoeren van een archeologisch bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Waar kunnen we wat verwachten? Voor het opstellen van een dergelijke verwachting wordt gebruik gemaakt van reeds bekende archeologische waarnemingen, historische kaarten, bodemkundige gegevens en informatie over de landschappelijke situatie. Een gespecificeerde verwachting gaat in op de

Blad 4 van 26

Antea Group Archeologie 2022/52 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase projectnummer 474109 23 mei 2022 revisie 00 TenneT TSO B.V.

mogelijke aanwezigheid, het karakter, de omvang, datering en eventuele (mate van) verstoring van archeologische waarden binnen het plangebied. Een verkennend onderzoek heeft als doel het in kaart brengen van eventuele verstoringen in de bodem, het verkrijgen van enig inzicht in de bodemopbouw van het gebied en aldus het in kaart brengen van kansrijke en kansarme zones wat betreft archeologie. Het bureauonderzoek is als separaat document4 opgeleverd en ter beoordeling gezonden aan Het Oversticht, dat namens de gemeente de inhoudelijke toets uitvoert. Het Oversticht onderschrijft de conclusies en het advies uit het bureauonderzoek5. Het aangepaste bureauonderzoek is in onderhavig document verwerkt. Dit onderzoek is uitgevoerd conform BRL 4000, protocol 4002 en 4003 met daarin besloten de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 4.1. Voor de KNA-protocollen, 4001 (PvE), 4002 (bureauonderzoek), 4003 (inventariserend veldonderzoek) en 4004 (opgraven) is Antea Group gecertificeerd conform de SIKB-BRL 4000 (Beoordelingsrichtlijn voor archeologie).

4 5

Hoven, 2022. Schriftelijke beoordeling uitgevoerd door Het Oversticht, O. Satijn, d.d. 21 februari 2022.

Blad 5 van 26

Antea Group Archeologie 2022/52 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase projectnummer 474109 23 mei 2022 revisie 00 TenneT TSO B.V.

2

Bureauonderzoek Het doel van het uitvoeren van een archeologisch bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Daarbij worden vragen gesteld als “Waar kunnen we wat verwachten?”. Voor het opstellen van een dergelijke verwachting wordt gebruik gemaakt van reeds bekende archeologische waarnemingen, historische kaarten, bodemkundige gegevens en informatie over de landschappelijke situatie. Een gespecificeerde verwachting gaat in op de mogelijke aanwezigheid, het karakter, de omvang, datering en eventuele (mate van) verstoring van archeologische waarden binnen het plangebied.

2.1

Beschrijving onderzoekslocatie

2.1.1

Begrenzing onderzoeks- en plangebied Het aan te leggen tracé volgt grotendeels het tracé van de bestaande bovengrondse 110kV-hoogspanningsverbinding (afbeelding 2). De verkabeling op de verbinding Harculo-Raalte begint ten westen van de Nieuwe Deventerweg bij mast 40 en loopt richting het oosten achter de bestaande bebouwing van de Johanna van Burenlaan naar het trafostation Raalte. De verkabeling op de verbinding Raalte-Nijverdal loopt van het trafostation tot aan mast 004 bij de Kanaaldijk oostzijde. De opgetelde lengte van de het aan te leggen kabeltracé bedraagt circa 1800 m. Voorgenomen werkzaamheden op het 110 kV-station Raalte zijn geen onderdeel van de scope van dit rapport. Het is van belang een onderscheid te maken tussen onderzoeksgebied enerzijds en plangebied anderzijds. Het plangebied wordt het gebied bedoeld waarop de in de inleiding genoemde plannen betrekking hebben. Binnen dit gebied kunnen eventueel aanwezige archeologische resten worden verstoord. Het onderzoeksgebied omvat het gebied waarover informatie is verzameld om een goed beeld te krijgen over de mogelijk aanwezige archeologische sporen in het plangebied. Het onderzoeksgebied is veelal groter dan het plangebied en verschilt al naar gelang het te onderzoeken aspect.

Een onderzoeksgebied van 500 m rondom het plangebied (aan weerszijden van het tracé) wordt in dit geval voldoende geacht om een indruk te krijgen van het archeologisch potentieel van het plangebied (afbeelding 3).

Blad 6 van 26

Antea Group Archeologie 2022/52 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase projectnummer 474109 23 mei 2022 revisie 00 TenneT TSO B.V.

Afbeelding 2. Ligging van de geplande verkabeling en locaties van masten 40 t/m 43 (lijn Harculo-Raalte) en van masten 1 t/m 4 (Raalte-Nijverdal) op recente luchtfoto (bron: Esri en partners, mastlocaties verkregen via TenneT TSO B.V.).

Afbeelding 3. Ligging van het plangebied, inclusief optionele werkstrook en het onderzoeksgebied (bron: Esri & partners)

Blad 7 van 26

Antea Group Archeologie 2022/52 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase projectnummer 474109 23 mei 2022 revisie 00 TenneT TSO B.V.

2.1.2

Huidig en toekomstig gebruik Huidig gebruik plangebied Het plangebied ligt grotendeels in het bebouwde gebied van Raalte (afbeelding 2). Tussen het trafostation en de Nieuwe Deventerweg ligt het plangebied in een park. Ten westen van de Deventerweg bij mast 40 ligt het plangebied op een weiland. Vanuit het trafostation richting het oosten is het gebied in gebruik als weg en groenstrook. Consequenties toekomstig gebruik De bovengrondse lijnverbinding tussen Raalte en Harculo wordt vanaf mast 40 tot aan het hoogspanningsstation Raalte verkabeld en de verbinding tussen Raalte en Nijverdal vanaf het hoogspanningsstation Raalte tot aan mast 004 (zie afbeeldingen 1 en 2). Een groot deel van de verkabeling wordt door middel van HDD-boringen uitgevoerd. De dieptes van de HDD’s variëren tussen circa 10 en 25 meter minus maaiveld. Daarnaast wordt een deel in open ontgraving uitgevoerd. Voor de open ontgravingen wordt een diepte opgegeven van onderkant sleuf van 1,50 meter minus maaiveld voor openbaar gebied en onderkantsleuf van 2,10 meter minus maaiveld voor agrarische percelen. De breedte van de sleuf bedraagt aan de bovenkant 5,30 m en aan de onderkant 3,00 m. Naast de ontgravingen ten behoeve van het kabeltracé zullen er op de werkstroken mogelijke bodemverstoringen plaatsvinden door het cultuurtechnisch herstel (opheffen van zettingen).

Deze mogelijke verstoring zal maximaal 0,8 meter minus maaiveld zijn. Hoewel de werkstroken in de voorbereiding van de uitvoering nader worden bepaald, zijn er op dit moment twee zones onderzocht waar deze werkzaamheden worden voorzien (zie ook afbeelding 3).

Afbeelding 4. Principedoorsnede van het kabeltracé (bron: TenneT TSO B.V.)

2.1.3

Archeologisch beleid en regelgeving Voor het plangebied zijn twee bestemmingsplannen van toepassing. Voor het gebied tussen De Spinde (in het zuidoosten van het plangebied) tot ongeveer ter hoogte van Johanna van Burenlaan 63 (in het noordwesten van het plangebied) is het bestemmingsplan Raalte Kern relevant.6 Op basis van artikel 26 (Waarde - Archeologische verwachtingswaarde) geldt dat bodemingrepen vanaf 100 m² met een diepte van 40 cm -mv vergunningsplichtig zijn. Buiten het hier genoemde gebied is er geen waarde archeologie in het overige gebied van dit bestemmingsplan opgenomen. Ten westen van de Nieuwe Deventerweg en langs Kanaaldijk oostzijde is het bestemmingsplan Buitengebied Raalte geldig.7 Hier is geen waarde archeologie opgenomen.

6 7

Ruimtelijkeplannen.nl NL.IMRO.0177.BP20080002-0003 Ruimtelijkeplannen.nl NL.IMRO.0177.BPGV20200001-0001

Blad 8 van 26

Antea Group Archeologie 2022/52 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase projectnummer 474109 23 mei 2022 revisie 00 TenneT TSO B.V.

Op de beleidsadvieskaart van de gemeente Raalte ligt het centrale deel van het plangebied in een zone met een middelhoge verwachting (afbeelding 5).8 De rest ligt in een zone met een lage verwachting. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen het buitengebied (in het onderhavige onderzoek is dit het gebied ten westen van de Nieuwe Deventerweg en ten oosten van het Kanaal) en de bebouwde kom. Voor het buitengebied geldt een lage verwachting. Een onderzoeksplicht bestaat alleen bij plangebieden groter dan 10 ha én dieper dan 50 cm. Voor de bebouwde kom geldt een onderzoeksplicht in gebieden met een middelhoge archeologische verwachting bij plangebieden groter dan 250 m² én dieper dan 50 cm. Voor een lage verwachting geldt daar een onderzoeksplicht bij plangebieden groter dan 5 ha én dieper dan 50 cm.

Legenda

Archeologische verwachting Hoog

Beleidsadvies Behoud in huidige staat van eventuele resten

Middelhoog

Behoud in huidige staat van eventuele resten

Laag

Geen

Afbeelding 5. Ligging van het plangebied op de beleidsadvieskaart van de gemeente Raalte (bron: Bolding, H. & M. Nieuwenhuis 2009).

De vrijstellingsgrens van 250 m2 in de bebouwde kom, ter hoogte van een middelhoge verwachtingszone, wordt overschreden. Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek in het kader van de AMZ is daarmee verplicht.

8

Bolding & Nieuwenhuis 2009.

Blad 9 van 26

Antea Group Archeologie 2022/52 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase projectnummer 474109 23 mei 2022 revisie 00 TenneT TSO B.V.

2.1.4

Landschappelijke situatie Geologie Het onderzoeksgebied ligt binnen een dekzandgebied tussen het rivierenlandschap van de IJssel en de stuwwallen van de Sallandse Heuvelrug. De dekzanden zijn tijdens het Weichselien (ca. 115.000 tot 11.600 jaar geleden) gevormd. Er heerste een zeer koud klimaat en de bodem was bevroren (permafrost). Daardoor stroomde het sneeuwsmeltwater oppervlakkig af, waarbij veel materiaal vanaf de stuwwallen geërodeerd werd en aan de voet van de stuwwallen werd afgezet (Formatie van Boxtel). Met deze kou was er weinig begroeiing, de wind had vrij spel en in het hele land werden zandlagen afgezet. Hierbij werd een pakket dekzand afgezet (Formatie van Boxtel, Wierden Laagpakket). Waar dit zand zich ophoopte werden dekzandruggen gevormd. Geomorfologie en AHN Op de geomorfologische kaart van Nederland, 1:50.000 (afbeelding 6) doorsnijdt het plangebied dekzandwelvingen (code L51), een dalvormige laagte (code R23) een dekzandrug in het centrum en in het zuidoosten (code B53) en een deek(dal)overstromingsvlakte (code M44).

Afbeelding 6. Ligging van het plangebied op de Geomorfologische Kaart van Nederland (bron: Esri & partners).

Op de AHN (afbeelding 7) is de dekzandrug in het centrale deel van het plangebied duidelijk zichtbaar. De hoogte is hier circa 7 m +NAP. Richting het westen en oosten ligt het plangebied duidelijk dieper op circa 5 m + NAP.

Blad 10 van 26

Antea Group Archeologie 2022/52 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase projectnummer 474109 23 mei 2022 revisie 00 TenneT TSO B.V.

Afbeelding 7. Ligging van het plangebied op de AHN3 (bron: Esri & partners).

Bodem en grondwater Op de Bodemkaart van Nederland, 1:50.000 (Stiboka/Alterra, Wageningen) is het grootste deel van het plangebied vanwege de ligging in bebouwde kom niet gekarteerd (afbeelding 8). In het westen liggen beekeerdgronden; lemig fijn zand (code pZg23) en laarpodzolgronden; leemarm en zwak lemig fijn zand (code cHn21). In het zuidoosten van het plangebied bevinden zich beekeerdgronden; lemig fijn zand (code pZg23). De grondwatertrap in het westen is IV (GHG < 25; GLG 80 - 120) en in het oosten III (GHG 40 – 80; GLG 80 – 120). In TNO’s Dinoloket9 zijn in het plangebied drie boringen geregistreerd. Bij mast 40 ten westen van Nieuwe Deventerweg zijn twee boringen geplaatst waarin de top van de C-horizont al op 0,45 m mv en 0,40 m -mv aangetroffen werd.10 Ter hoogte van de woonblok bij De Spinde is een boring geplaatst (B27F0078). Deze is tot 0,6 m -mv niet beschreven en tussen 60 cm tot 3 m -mv is zand, matig fijn vastgesteld (dekzand). Tijdens het booronderzoek van De Steekproef (nader beschreven in paragraaf 2.2.1) zijn naast intacte profielen vooral verstoringen vastgesteld.

9

www.dinoloket.nl Dinoloket-boringen BHR000000037399 en BHR000000181048.

10

Blad 11 van 26

Antea Group Archeologie 2022/52 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase projectnummer 474109 23 mei 2022 revisie 00 TenneT TSO B.V.

Afbeelding 8. Ligging van het plangebied op de Bodemkaart van Nederland (bron: Esri & partners).

2.1.5

Historische situatie en mogelijke verstoringen Historische situatie Op de kadastrale kaart van 1811-1832 was het gebied tussen het trafostation en de Nieuwe Deventerweg in gebruik als akker en deels voor hakhout (MIN04043L03; niet afgebeeld). Ook de gebieden ten westen van de Nieuwe Deventerweg (MIN04043L01; niet afgebeeld) en ten oosten van het trafostation (MIN04043F02; niet afgebeeld) waren in gebruik als akkers. Het bebouwde gebied waarin het plangebied nu ligt is pas vanaf 1976 ontwikkeld.11 Mogelijke verstoringen Tijdens de ontwikkeling van het bebouwde gebied vanaf 1976 kunnen verstoringen door de bouwwerkzaamheden (o.a. de bouw van het trafostation), de aanleg van wegen en nutsleidingen ontstaan zijn.

2.2

Bekende waarden

2.2.1

Archeologische waarden Uit het Archeologische Informatie Systeem (ARCHIS) van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed zijn de bekende archeologische waarden in een omtrek van ongeveer 500 m rondom het plangebied opgevraagd. Het betreft archeologische monumenten (AMK-terreinen),

11

www.topotijdreis.nl

Blad 12 van 26

Antea Group Archeologie 2022/52 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase projectnummer 474109 23 mei 2022 revisie 00 TenneT TSO B.V.

archeologische waarnemingen (zoals vondsten) en meldingen van eerdere archeologische onderzoeken (zie kaart 474109–ARCHIS in de kaartenbijlage). Gegevens uit ARCHIS: AMK-terreinen Binnen het onderzoeksgebied bevinden zich geen AMK-terreinen. Gegevens uit ARCHIS: archeologische waarnemingen Circa 150 m ten zuidwesten van het trafostation is een vondstmelding (3087407100) gemaakt. Het gaat om stenen bijl (datering vroeg Neolithicum B tot Bronstijd, objectnummer 103215). Gegevens uit ARCHIS: eerdere onderzoeken Binnen het onderzoeksgebied zijn in ARCHIS drie eerdere onderzoeken vermeld die met het actuele plangebied overlappen. ARCHIS-melding 4651614100 betreft een bureauonderzoek van SWECO in 2018.12 In opdracht van TenneT TSO B.V. heeft Sweco Nederland B.V. een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd naar de locatie station Raalte 110kV. De aanleiding voor dit onderzoek was de voorgenomen sloop en vervanging van het aanwezige trafostation. Hiervoor waren bodemingrepen gepland met een diepte van maximaal 1,5 meter. Vanwege de gunstige droge en hoge ligging op een dekzandrug is het plangebied sinds de prehistorie aantrekkelijk geweest voor menselijke bewoningen en/of activiteit. Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek werd voor het plangebied geadviseerd om een karterend booronderzoek uit te voeren.

Van het booronderzoek op het 110 kV-station Raalte (ARCHIS-melding 4659578100) is nog geen rapport beschikbaar. Op basis van de eerste bevindingen13 is in het grootste gedeelte van het plangebied een verstoring tot in de C-horizont is aangetroffen. Slechts in één van de zes boringen is een intact podzolprofiel aangetroffen. ARCHIS-melding 4775561100 betreft een bureauonderzoek dat door Salisbury in het plangebied Westdorplaan 211 is uitgevoerd (afbeelding 9).14 Dit betreft het zuidelijke uitbreidingsgebied van het 110 kV station Raalte. Op basis van het bureauonderzoek werd geconcludeerd dat in het plangebied een middelhoge tot hoge archeologische verwachting geldt voor de top van het pleistocene dekzand. Hierin kunnen resten worden aangetroffen vanaf het Laat Paleolithicum t/m de Nieuwe tijd. Binnen het plangebied stond echter reeds bebouwing die behoorde tot het trafostation. De bouw hiervan zal de bodem verstoord hebben tot op onbekende diepte. Verder wordt het hierboven reeds geciteerde onderzoek van Sweco aangehaald, waaruit bleek dat in het overige deel van het station de bodem ook al grotendeels verstoord bleek tot in het relevante archeologische niveau.

Paré, C.A. & J.J. Hekman, 2019. Bron: archis.cultureelerfgoed.nl 14 Soldaat, 2020. 12 13

Blad 13 van 26

Antea Group Archeologie 2022/52 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase projectnummer 474109 23 mei 2022 revisie 00 TenneT TSO B.V.

Afbeelding 9. ligging van de onderzoeksgebieden van SWECO (gearceerd) en Salisbury (rode kader, bron: Soldaat 2020, afb.3)

ARCHIS-melding 4892160100 betreft een bureau- en booronderzoek door De Steekproef in 2020.15 Het plangebied voor het bureauonderzoek loopt vanaf het transformatorstation aan de Westdorplaan in het oosten tot aan de Nieuwe Deventerweg (N348) in het westen en overlapt exact met het actuele plangebied (afbeelding 10). Het plangebied voor het booronderzoek liep vanaf het station tot aan halverwege het park (ter hoogte van de Johanna van Burenlaan). De aanleiding voor het onderzoek was de geplande aanleg van een tiental middenspanningskabels. Er was één kabelsleuf van ongeveer vier meter breed en anderhalve meter diep gepland. Er zijn 10 boringen geplaatst in het gebied dat volgens de beleidsadvieskaart een middelhoge verwachting heeft. Het westelijke deel van het plangebied werd vanwege het beleid van de gemeente niet door middel van boringen onderzocht. Hier geldt een lage verwachting en er is geen dubbelbestemming waarde archeologie. Op basis van het booronderzoek werd in het zand van de dekzandkop een goed ontwikkelde podzolbodem vastgesteld (boringen 5, 7 en 9) wat erop wijst dat het zand plaatselijk langdurig droog geweest is. Op basis daarvan lijkt de dekzandkop een geschikte vestigingsplek te zijn geweest voor de mens tijdens alle archeologische periodes. Op delen van het onderzoeksgebied is de bodem redelijk tot goed bewaard gebleven.

15

Bongers, 2020.

Blad 14 van 26

Antea Group Archeologie 2022/52 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase projectnummer 474109 23 mei 2022 revisie 00 TenneT TSO B.V.

Daardoor kunnen diepere delen van eventueel aanwezige archeologische resten ook nog aanwezig zijn. In een deel van de boringen zijn ook verstoringen waargenomen. Het onderzoek heeft geen vondsten opgeleverd. Vanwege de afwezigheid van vondsten werd geadviseerd het plangebied voor de geplande werkzaamheden vrij te geven.

Afbeelding 10. Ligging van het door De Steekproef onderzochte gebied (bron: Bongers, 2020 figuur 7).

2.2.2

Ondergrondse bouwhistorische waarden Op basis van www.atlasleefomgeving.nl bevinden zich geen ondergrondse waarden in het onderzoeksgebied.

2.3

Archeologische verwachting

2.3.1

Bestaande verwachtingskaarten Gemeentelijke verwachtingskaart De gemeente Raalte beschikt niet over een aparte verwachtingskaart. De beleidsadvieskaart is al in hoofdstuk 2.1.3 besproken.

Blad 15 van 26

Antea Group Archeologie 2022/52 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase projectnummer 474109 23 mei 2022 revisie 00 TenneT TSO B.V.

2.3.2

Gespecificeerde archeologische verwachting Datering Laat paleolithicum t/m de nieuwe tijd vanwege de aanwezigheid van een dekzandrug en podzolbodems. Complextype  laat paleolithicum: tijdelijke kampementen  neolithicum: nederzettingsresten  bronstijd – vroege middeleeuwen: nederzettingsresten  late ,iddeleeuwen - nieuwe tijd: akkers Omvang De omvang kan reiken van enkele losse vondsten tot grondsporen/structuren. Diepteligging De aanwezigheid van een podzolprofiel en eventuele grondsporen worden verwacht in de top van het dekzand, tot circa 0,8 m -mv (tenzij opgehoogd). Locatie De archeologische resten worden ter plaatse van de dekzandrug verwacht. Uiterlijke kenmerken  laat paleolithicum: bijvoorbeeld vuurstenen voorwerpen en haardkuilen  neolithicum: bijvoorbeeld fragmenten aardewerk; grondsporen zoals paalgaten, afvalkuilen en putten  bronstijd – vroege middeleeuwen: bijvoorbeeld (paal)kuilen, waterkuilen, haardplaatsen, greppels, huisplattegronden en begravingen.  late middeleeuwen - nieuwe tijd: sporen van landbouw (ploegsporen, perceelgreppels). Mogelijke verstoringen Tijdens de ontwikkeling van het bebouwde gebied vanaf 1976 kunnen verstoringen door de bouwwerkzaamheden (o.a. de bouw van het trafostation), de aanleg van wegen en nutsleidingen ontstaan zijn.

2.3.3

Conclusies en advies voor vervolgonderzoek Op basis van het bureauonderzoek wordt vastgesteld dat in het plangebied vanwege de aanwezigheid van een dekzandrug een middelhoge verwachting geldt. Er kunnen resten worden aangetroffen vanaf het laat paleolithicum tot en met de Nieuwe tijd. Binnen het plangebied kunnen op basis van de eerdere onderzoeken podzolgronden verwacht worden op de hoger gelegen delen van het plangebied die vanaf de prehistorie gunstig zijn geweest voor menselijke activiteiten. Daarbuiten op de lager gelegen delen is de verwachting voor het aantreffen van archeologische waarden laag.

Blad 16 van 26

Antea Group Archeologie 2022/52 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase projectnummer 474109 23 mei 2022 revisie 00 TenneT TSO B.V.

Bovendien kan worden geconcludeerd dat een deel van het actuele plangebied reeds onderzocht is. Daarbij gaat het concreet om het onderzoeksgebied vanaf het 110 kV-station tot aan de Nieuwe Deventerweg.16 Antea Group adviseert binnen de zone met een middelhoge verwachting (dekzandrug) vervolgonderzoek in de vorm van verkennend booronderzoek op twee locaties (afbeelding 11). De eerste locatie ligt direct ten oosten van het transformatorstation, waar een HDD-kuip en aansluiting op het station is voorzien (in open ontgraving). Hier geldt een middelhoge verwachting. De tweede locatie betreft de wijk Vloedkampen waar twee HDD-kuipen zijn voorzien met een korte aanleg in open ontgraving, en voorts een mogelijke uitlegstrook wordt voorzien. Of bij dit gebruik uiteindelijk bodemverstoring zal plaatsvinden is nog niet geheel bekend, aangezien het plan nog in voorbereidingsfase bevindt en dergelijke details nog uitgewerkt zullen worden. In principe wordt echter aanbevolen om maatregelen te nemen die eventuele bodemverstoring verminderen, zoals het gebruik van rijplaten of een stabiliserend dek e.d. De HDD-boringen inclusief de in- en uitreedpunten vormen geen bedreiging voor eventueel aanwezige archeologische waarden vanwege de aanlegdiepte van de HDD circa 10 m tot 25 m – mv.

Deze zones kunnen net als de gebieden waarin reeds onderzoek heeft plaatsgevonden (het 110kV station zelf en de aanleg tussen het station en de Nieuwe Deventerweg) worden vrijgegeven.

Afbeelding 11. Advieskaart vervolgonderzoek (verkennend archeologisch booronderzoek, oranje omlijnd).

Voor het 110 kV-station Raalte zijn diverse onderzoeken uitgevoerd. De eventuele werkzaamheden op het station zijn geen onderdeel van de scope van dit rapport. 16

Blad 17 van 26

Antea Group Archeologie 2022/52 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase projectnummer 474109 23 mei 2022 revisie 00 TenneT TSO B.V.

3

Veldonderzoek

3.1

Doel- en vraagstelling Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het toetsen van de archeologische verwachting, zoals deze op basis van het uitgevoerde bureauonderzoek is opgesteld. Het uitgevoerde onderzoek betreft een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen, verkennende fase. Een verkennend onderzoek heeft als doel het in kaart brengen van eventuele verstoringen in de bodem, het verkrijgen van enig inzicht in de bodemopbouw van het gebied en aldus het in kaart brengen van kansrijke en kansarme zones wat betreft archeologie. Het onderzoek dient antwoord te geven op de volgende vragen17:  Wat is de bodemopbouw en zijn er aanwijzingen voor bodemverstoringen?  Is er binnen het plangebied een vindplaats aanwezig en/of zijn er archeologische indicatoren aangetroffen die hierop kunnen wijzen? Zo ja, wat is de aard, conserveringstoestand en datering van deze indicatoren/vindplaats?  Indien archeologische lagen aanwezig zijn; op welke diepte bevinden deze zich en wat is de maximale diepte?  Waaruit bestaat of bestaan deze archeologische laag of lagen?  In welke mate wordt een eventueel aanwezige vindplaats verstoord door realisatie van geplande bodemingrepen?  Hoe kan deze verstoring door planaanpassing tot een minimum worden beperkt?  In welke mate stemmen de resultaten van het veldwerk overeen met de verwachtingen van de bureaustudie?  Wat zijn de

aanbevelingen? Is nader onderzoek noodzakelijk? En zo ja, waaruit kan deze bestaan?

3.2

Onderzoeksopzet en werkwijze Uitvoering boringen Datum uitvoering Veldteam Weersomstandigheden Methode conform Leidraad SIKB Motivatie methode

17

1 maart 2022 R. Fens (senior KNA-prospector, senior KNA-archeoloog) zonnig met enkele wolkenvelden, 2-8 °C n.v.t.: verkennend booronderzoek Omdat er een kans is op het aantreffen van archeologische resten, adviseert Antea Group om binnen het plangebied een inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase uit te voeren. Het onderzoek heeft als doel om de gespecificeerde verwachting zoals verwoord in het bureauonderzoek te toetsen en aan te vullen. Daarnaast heeft het onderzoek als doel het bepalen van de bodemopbouw en -kwaliteit (gaafheid) en kan de bodemopbouw worden onderzocht op de potentie van eventuele archeologische resten.

Conform het Plan van Aanpak, Fens & Fleuren 2022.

Blad 18 van 26

Antea Group Archeologie 2022/52 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase projectnummer 474109 23 mei 2022 revisie 00 TenneT TSO B.V.

Naar aanleiding van de resultaten van het booronderzoek kan worden bepaald of er vervolgonderzoek in de vorm van een karterend booronderzoek, proefsleuven, een archeologische begeleiding en/of opgraving dient plaats te vinden.

Boorlocatie en -dichtheid

Het wordt benadrukt dat een verkennend onderzoek niet tot doel heeft om vindplaatsen op te sporen, daarvoor heeft het boorgrid een te geringe dichtheid. Idealiter wordt er een boring op maximaal elke 40 of 50 m tussenafstand in het te onderzoeken gebied geplaats. In het onderzoeksgebied ten oosten van het 110 kV-station worden vier boringen geplaatst met een tussenafstand van 25 m. In het onderzoeksgebied in de wijk Vloedkampen worden boringen op elke 40 m geplaatst. Niet het gehele tracé wordt onderzocht: naar aanleiding van het advies uit het bureauonderzoek worden alleen die locaties onderzocht die een (middel)hoge verwachting hebben en waar nog geen of onvoldoende eerder onderzoek heeft plaatsgevonden. De in hoofdstuk 2 genoemde, maar tijdens het veldonderzoek niet meegenomen tracédelen bevinden zich in een lage verwachtingszone of liggen in een reeds archeologische onderzocht gebied.

Boortype

Edelman - 7 cm In het plangebied wordt een zandige bodemopbouw verwacht, waarbij het dekzand mogelijk binnen 1 m-mv kan worden aangetroffen. Het verkennend booronderzoek zal worden uitgevoerd met een 7 cm (diam) Edelmanboor. Echter bij een puinrijke bovengrond (opgebracht/stedelijk pakket) kon conform PVA gebruik worden gemaakt van een riversideboor of van een smalle (3 cm) Edelmanboor om deze laag te doordringen. Deze boortypen zijn niet ingezet. Wel is gebruik gemaakt van een handmatige zuigerboor, vanwege een dik antropogeen pakket onder een hangwaterniveau.

Aantal boringen Boordiepte

Oriëntatie grid t.o.v. geomorfologie/ paleo-landschap Wijze inmeten boringen Overige toegepaste methoden Wijze onderzoek / beschrijving boorkolom Verzamelwijze archeologische indicatoren Bemonstering Oppervlaktekartering

15 De boringen op locatie Iepensingel zijn tot maximaal 2,8 m -mv doorgezet of tot 0,3 m in de C-horizont van het dekzand/pleistocene afzetting. Vanwege de verwachte eventuele nieuwe verstoring zijn op locatie Het Erf de boringen niet dieper doorgezet dan 1,2 m -mv. n.v.t. de oriëntatie van de boorraai ligt immers vast door de vorm van het plangebied (het betreft een tracé/lijnvormige ingreep). Toughpad GPS/ Topcon n.v.t. NEN 5104/ASB snijden/verbrokkelen n.v.t. n.v.t.: slechte vondstzichtbaarheid verwacht

Blad 19 van 26

Antea Group Archeologie 2022/52 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase projectnummer 474109 23 mei 2022 revisie 00 TenneT TSO B.V.

Overig Afwijkingen t.o.v. PvA Doelen en wensen opdrachtgever Randvoorwaarden

3.3

n.v.t. Geen Niet bekend. Niet bekend.

Resultaten Voor een overzicht van de boringen wordt verwezen naar de boorprofielen in Bijlage 3 en de situatiekaart 474109-ARO in de kaartbijlage. Boringen 01 tot en met 04 hebben betrekking op het onderzoeksgebied aan de oostzijde van het transformatorstation (locatienaam: Iepensingel). Boringen 05 tot en met 15 hebben betrekking op het onderzoeksgebied in de wijk Vloedkampen (locatie: het Erf). In de absolute hoogteligging is enig verschil aanwezig tussen de twee locaties: het maaiveld ter hoogte van Iepensingel ligt op een hoogte van circa 7,3 m +NAP, terwijl het maaiveld ter hoogte van het Erf tussen de 5,4 en 7,1 m +NAP ligt.

3.3.1

Bodemopbouw Locatie Iepensingel (boringen 01-04) Van de hier geplaatste boorpunten wordt in boring 01 het meest intacte profiel gezien. Vanaf een diepte van 5,65 m +NAP (1,65 m -mv) is in boring 01 bodemvorming aangetroffen in de vorm van een (restant) beek- of gooreerdgrond. In de uiterst humeuze matrix bevinden zich ook enkele ijzerconcreties. Dergelijke gronden ontstaan in de nabijheid van een beek, op de overgang naar hoger gelegen dekzand. Van de eerdlaag resteert circa 15 cm. Daarboven ligt een verstoord deel van de eerdlaag, eveneens circa 15 cm, met daarboven de ophogingslagen. Onder de eerdlaag bevindt zich direct een C-horizont, beginnend vanaf 5,5 m +NAP (1,8 m -mv). In de overige boringen (02 tot en met 04) is de eerdlaag geheel vergraven tot (diep) in de C-horizont. Boring 02 is opgebracht en verstoord tot dieper dan 2,5 m -mv (4,7 m +NAP; dus circa 0,8 m in de oorspronkelijke C-horizont); boring 03 tot 2,7 m -mv (4,6 m +NAP; circa 0,9 m in de oorspronkelijke C-horizont), en; boring 04 tot 2,25 m -mv (5,05 m +NAP; circa 0,45 m in de oorspronkelijke C-horizont). De ophogingslagen (maximaal 2,7 m dikte geconstateerd) bestaan uit humeus zand, met insluitingen van matig grof zand en insluitingen van geel lokaaleigen (fijn) zand (C-horizont). Daarnaast zijn insluitingen van grind (grote fractie) aangetroffen. Podzolbodems zijn niet aangetroffen.

Wel is in boring 01 een bodemrestant aangetroffen die kan worden getypeerd als een beek- of gooreerdgrond. Gezien de resultaten uit de overige boringen blijkt deze eerdlaag echter in het plangebied grotendeels verstoord. Bovendien geldt voor een beek- en gooreerdgrond in principe een lage archeologische verwachting: het gebied zal gedurende grote delen van het pleistoceen te drassig zijn geweest om een goede woonplaats te vormen en de afstand tot de beek zal relatief groot zijn geweest, waardoor er ook geen veen of klei is afgezet. Van eventuele beekdalgerelateerde complexen zal de organische component daardoor niet meer zijn bewaard. Wel zijn anorganische resten te verwachten van beekdalgerelateerde complexen.

Blad 20 van 26

Antea Group Archeologie 2022/52 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase projectnummer 474109 23 mei 2022 revisie 00 TenneT TSO B.V.

Locatie het Erf (boringen 05-15) Boringen 06 en 07 liggen daarbij in een bestaand regenwaterbassin op een hoogte van ongeveer 5,5 m +NAP. Vanaf boring 08 richting het westen (boring 15) neemt de maaiveldhoogte toe naar circa 7 m +NAP. Dit betreft een landschappelijke overgang van beekdalbegeleidende gebied of een gebied van lagere dekzandwelvingen, naar een gebied met hogere dekzanden met een bouwlanddek (plaggendek). Vanwege de verwachte eventuele nieuwe verstoring zijn de boringen niet dieper doorgezet dan 1,2 m -mv. In het oostelijk deel van het gebied valt de aanwezigheid van enig fijn grind in de zandmatrix op. Dit is mogelijk het resultaat van erosie/verspoeling aan de oostelijke rand van de dekzandrug. Een spoor roest in boring 06 duidt mogelijk op zwakke bodemvorming, maar kan ook recenter zijn gevormd. Het is uit de boringen niet geheel duidelijk hoeveel zand van de bovenzijde van het profiel verdwenen is: of het bassin is gegraven of dat het gewoon niet is opgehoogd. Nabij het westelijk deel van de onderzochte boorraai ligt de voormalige Rameler Enk, die op grond van historische kaarten aan de noordzijde van de weg ligt die tegenwoordig wordt aangeduid als Het Erf lag (eig. tussen Het Erf en de Westdorplaan). Boringen 09, 11, 12, 14 en 15 zijn tot einddiepte van de boring verstoord.

Deze verstoring bestaat uit humeuze aarde met verontreinigingen, vaak ook met insluitingen van geel zand en zijn veelal relatief recent toegebracht. Het betreft geen enkeerdgrond. In boringen 08 en 10 blijkt uit de beschrijving dat deze omgewerkte laag ook oorspronkelijke A-horizont is verwerkt en mogelijk ook oorspronkelijke resten van een podzol. In boring 10 is (ten opzichte van de overige boringen) minder zwaar verstoord en is de overgang naar de C-horizont iets diffuser: hier kan sprake zijn van een historische ploegvoor (AP-horizont) gelegen op C-horizont vanaf circa 6 m +NAP (0,85 m mv). Ook daar zijn echter geen duidelijke restanten van een podzol. In alle overige boringen (ook 08) ligt de omgewerkte laag scherp (recent omgewerkt) op de C-horizont.

3.3.2

Archeologie Er zijn tijdens het veldonderzoek geen archeologische indicatoren aangetroffen. Het gaat hier echter wel om een verkennende fase van het inventariserend veldonderzoek door middel van boringen. Het doel van de verkennende fase van het veldonderzoek is het in kaart brengen van de bodemopbouw en het aantonen van eventuele bodemverstoringen. De afwezigheid van archeologische indicatoren kan dan ook niet worden beschouwd als indicatie voor de afwezigheid van een archeologische vindplaats. Echter, de geconstateerde bodemopbouw geeft op zichzelf onvoldoende aanleiding om nog intacte vindplaatsen in het plangebied te mogen verwachten.

Blad 21 van 26

Antea Group Archeologie 2022/52 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase projectnummer 474109 23 mei 2022 revisie 00 TenneT TSO B.V.

4

Conclusies en advies

4.1

Conclusies  Wat is de bodemopbouw en zijn er aanwijzingen voor bodemverstoringen? Op deellocatie Iepensingel bestaat het profiel tot aanzienlijke diepte (minimaal 1,6 m -mv en maximaal 2,7 m -mv) uit opgebrachte en omgewerkte pakketten. Hieronder ligt direct een Chorizont (boringen 02, 03 en 04) en in een enkele boring (01) een restant van een eerdlaag, gevormd in dekzand. Dit betreft een restant van een goor- of beekeerdgrond. Van de eerdlaag resteert slechts 15 cm. In de overige boringen is deze laag geheel verdwenen. De mate van verstoring, ondanks bedekking door aanzienlijke ophogingslagen, is vrij hoog. Op locatie het Erf is voor het meest oostelijke boringen geen reconstructie te maken van de oorspronkelijke bodem: het profiel bestaat onder een gering omgewerkt pakket uit een Chorizont, al dan niet iets roestig bovenin. Voor het westelijke deel is uit de absolute hoogteligging te herleiden dat het hier een dekzandrug aanwezig is. De bodem bestaat uit omgewerkte lagen die direct op een C-horizont ligt. De oorspronkelijke (historische) bodem zal hier hebben bestaan uit een humeuze ploegvoor op de C-horizont (maar geen duidelijk enkeerdgrond). Podzolbodems of (licht) geroerde resten daarvan zijn niet aangetroffen. 

Is er binnen het plangebied een vindplaats aanwezig en/of zijn er archeologische indicatoren aangetroffen die hierop kunnen wijzen? Zo ja, wat is de aard, conserveringstoestand en datering van deze indicatoren/vindplaats? Nee, er is geen vindplaats aanwezig noch zijn er indicatoren aangetroffen die op de (mogelijke) aanwezigheid van een vindplaats wijzen. Het gaat hier echter wel om een verkennende fase van het inventariserend veldonderzoek door middel van boringen. Echter, de geconstateerde bodemopbouw geeft op zichzelf onvoldoende aanleiding om nog intacte vindplaatsen in het plangebied te mogen verwachten. 

Indien archeologische lagen aanwezig zijn; op welke diepte bevinden deze zich en wat is de maximale diepte?  Waaruit bestaat of bestaan deze archeologische laag of lagen? Er zijn geen archeologisch relevante lagen aanwezig. Slechts in één boring (boring 01, locatie Iepensingel) is een restant van een oorspronkelijke bodem aangetroffen (restant eerdlaag van goor- of beekeerdgrond). In een dergelijke bodem zijn geen archeologische resten te verwachten, afgezien van losse (anorganische) vondsten in beekdalgerelateerd complex. Concreet kunnen in dergelijke bodems bijvoorbeeld gedeponeerde vuurstenen bijlen worden aangetroffen. Het gebied was echter ongeschikt voor bewoning. 

In welke mate wordt een eventueel aanwezige vindplaats verstoord door realisatie van geplande bodemingrepen? Na uitvoering van de veldtoets wordt geconcludeerd dat op de onderzochte locaties door de aanleg van het tracé zullen naar verwachting géén archeologische vindplaatsen worden verstoord. Ook in het iets meer zuidelijk gelegen werkterrein (zowel de HDD-put als een eventuele uitlegstrook langs het Erf) zijn er geen vindplaatsen (binnen verstoringsdiepte) te verwachten.

Blad 22 van 26

Antea Group Archeologie 2022/52 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase projectnummer 474109 23 mei 2022 revisie 00 TenneT TSO B.V.

 Hoe kan deze verstoring door planaanpassing tot een minimum worden beperkt? Niet van toepassing. 

In welke mate stemmen de resultaten van het veldwerk overeen met de verwachtingen van de bureaustudie? De verwachting uit het bureauonderzoek was voornamelijk gebaseerd op enkele bronnen die duiden op de aanwezigheid van een dekzandrug, al dan niet met een landbouwdek binnen het plangebied (beide locaties). Er waren twee locaties geselecteerd voor vervolgonderzoek. Op de noordelijke locatie (locatie Iepensingel) bleek geen sprake van een dekzandrug, maar van een antropogene, recente ophoging, met daaronder lager gelegen dekzanden. Op de zuidelijke locatie (het Erf) was in westelijke richting wel sprake van een dekzandrug (boringen 08-15; boringen 05, 06 en 07 waren lager gelegen). Het kan niet geheel worden uitgesloten dat hierop in het verleden podzolbodems hebben gelegen en mogelijk in historische tijd ook resten van een plaggendek, maar deze zijn niet intact in de boorprofielen aangetroffen. Eventuele cultuurtechnische herstelwerkzaamheden in dit gebied bevinden zich geheel in het recent omgewerkte deel van het profiel. Mocht de beek- of gooreerdgrond meer intact zijn geweest (noordelijke locatie, Iepensingel) dan had hier in principe een verwachting gegolden voor sporadisch voorkomende, anorganische, beekdalgerelateerde vondsten. 

Wat zijn de aanbevelingen? Is nader onderzoek noodzakelijk? En zo ja, waaruit kan deze bestaan? Zie paragraaf 4.2

4.2

(Selectie)advies De aangetroffen bodems zijn onvoldoende intact om de eventuele de aanwezigheid van intacte archeologische vindplaatsen te ondersteunen. Wij adviseren daarom om, in aanvulling op het advies uit het bureauonderzoek, ook de nader onderzochte locaties vrij te geven voor wat betreft het aspect archeologie. Dit advies wordt gegeven voor het tracé zelf (de open ontgravingen en HDD-putten op beide onderzochte locaties), alsook voor een eventueel te realiseren werkstrook of uitlegstrook langs de weg het Erf (te weten binnen de begrenzing van het onderzoeksgebied zoals weergegeven op afbeelding 11 in dit rapport). In de uitvoeringsfase kunnen eventueel nog andere werkterreinen in en om het plangebied worden ingericht. Mits daarbij grondroering wordt voorzien en mits de locatie binnen de zone die op afbeelding 5 is aangemerkt als een zone met middelhoge verwachting valt, dan kan daar alsnog een archeologisch onderzoek verplicht zijn. Het bovenstaande betreft een selectieadvies. Dit rapport dient ter beoordeling worden voorgelegd aan de archeologisch adviseur van de gemeente Raalte, Het Oversticht. Zij verstrekt op basis van dit rapport een advies selectiebesluit. De gemeente kan vervolgens in de vergunningsprocedure overgaan tot het nemen van een selectiebesluit.

Ook voor vrijgegeven (delen van) plangebieden bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Het betreft dan vaak kleine sporen of resten die niet door middel van een booronderzoek kunnen worden opgespoord.

Blad 23 van 26

Antea Group Archeologie 2022/52 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase projectnummer 474109 23 mei 2022 revisie 00 TenneT TSO B.V.

Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de Minister (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed: telefoon 0334217456). Een vondstmelding bij de gemeentelijk of provinciaal archeoloog kan ook. Antea Group Heerenveen, maart 2022

Blad 24 van 26

Antea Group Archeologie 2022/52 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase projectnummer 474109 23 mei 2022 revisie 00 TenneT TSO B.V.

Literatuur en geraadpleegde bronnen Barends et al., 1986: Het Nederlandse landschap. Een historisch-geografische benadering. Uitgeverij Matrijs, Utrecht. Berendsen, H.J.A., 2004 (4e druk): De vorming van het land. Inleiding in de geologie en geomorfologie. Van Gorcum, Assen. Bolding, H. & M. Nieuwenhuis, 2009: Beleidsnota Archeologie: ondergronds bovengronds beleven, Raalte. Bongers, J.M.G., 2020: Raalte, Westdorplaan (Gemeente Raalte, Ov.). Een Archeologisch Bureauonderzoek & Inventariserend Veldonderzoek (IVO-O),Verkennende en Karterende Fase. Steekproefrapport 2020-10/06, Zuidhorn. Fens, R.L. & I. Fleuren, 2022. Plan van Aanpak Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen Verkabeling Raalte 110 KV. Antea Group, Oosterhout. Hoven, E., 2022: Archeologisch bureauonderzoek. Verkabeling bebouwde kom Raalte (110kV ZLSRT en RT-NVD). Antea Group Archeologie 2021/253. Antea Group, Heerenveen. Soldaat, M., 2020: Raalte, Westdorplaan 211 (Gemeente Raalte). Een bureauonderzoek (BO). Salisbury Archeologisch Rapport 333, Assen.

Kaarten  Bodemkaart van Nederland, 1:50.000, STIBOKA/Alterra, Wageningen  Grote Historische Atlas (1830-1855), Wolters Noordhoff, Groningen  Geomorfologische kaart 1:50.000, Alterra, Wageningen  Kadastrale kaarten 1811-1832 (http://beeldbank.cultureelerfgoed.nl)  Topografische kaart 1:25000 (http://kadata.kadaster.nl) Internet  ahn.maps.arcgis.com  beeldbank.cultureelerfgoed.nl  www.aardeopdekaart.nl  www.archis.cultureelerfgoed.nl  www.atlasleefomgeving.nl  www.pdok.nl  www.ruimtelijkeplannen.nl  www.topotijdreis.nl

Blad 25 van 26

Antea Group Archeologie 2022/52 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase projectnummer 474109 23 mei 2022 revisie 00 TenneT TSO B.V.

Lijst van afbeeldingen en bijlagen Afbeeldingen in tekst Afbeelding 1. Afbeelding 2. Afbeelding 3. Afbeelding 4. Afbeelding 5. Afbeelding 6. Afbeelding 7. Afbeelding 8. Afbeelding 9. Afbeelding 10. Afbeelding 11.

Uitsnede topografische kaart met de ligging van het plangebied, inclusief bestaande mastnummers (bron: Esri & partners). Ligging van de geplande verkabeling en locaties van masten 40 t/m 43 (lijn HarculoRaalte) en van masten 1 t/m 4 (Raalte-Nijverdal) op recente luchtfoto (bron: Esri en partners, mastlocaties verkregen via TenneT TSO B.V.). Ligging van het plangebied, inclusief optionele werkstrook en het onderzoeksgebied (bron: Esri & partners) Principedoorsnede van het kabeltracé (bron: TenneT TSO B.V.) Ligging van het plangebied op de beleidsadvieskaart van de gemeente Raalte (bron: Bolding, H. & M. Nieuwenhuis 2009). Ligging van het plangebied op de Geomorfologische Kaart van Nederland (bron: Esri & partners). Ligging van het plangebied op de AHN3 (bron: Esri & partners). Ligging van het plangebied op de Bodemkaart van Nederland (bron: Esri & partners). Ligging van de onderzoeksgebieden van SWECO (gearceerd) en Salisbury (rode kader, bron: Soldaat 2020, afb.3) Ligging van het door De Steekproef onderzochte gebied (bron: Bongers, 2020 figuur 7). Advieskaart vervolgonderzoek (verkennend archeologisch booronderzoek, oranje omlijnd).

Bijlagen 1 Archeologische perioden 2 AMZ-cyclus 3 Boorbeschrijvingen Kaartbijlagen 474109-ARCHIS Gegevens uit ARCHIS: AMK-terreinen, onderzoeken en waarnemingen 474109-ARO Boorpuntenkaarten: op topografische ondergrond en op recente luchtfoto

Blad 26 van 26

Bijlage 1: Archeologische perioden Als bijlage op de resultaten en verzamelde gegevens wordt hieronder een algemene ontwikkeling van de bewonersgeschiedenis in Nederland geschetst. Gedurende het paleolithicum (300.000-8800 voor Chr.) hebben moderne mensen (homo sapiens) onze streken tijdens de warmere perioden wel bezocht, doch sporen uit deze periode zijn zeldzaam en vaak door latere omstandigheden verstoord. De mensen trokken als jager-verzamelaars rond in kleine groepen en maakten gebruik van tijdelijke kampementen. De verschillende groepen jager-verzamelaars exploiteerden kleine territoria, maar verbleven, afhankelijk van het seizoen, steeds op andere locaties. In het mesolithicum (8800-4900 voor Chr.) zette aan het begin van het Holoceen een langdurige klimaatsverbetering in. De gemiddelde temperatuur steeg, waardoor geleidelijk een bosvegetatie tot ontwikkeling kwam en de variatie in flora en fauna toenam. Ook in deze periode trokken de mensen als jager-verzamelaars rond. Voorwerpen uit deze periode bestaan voornamelijk uit voor de jacht ontworpen vuurstenen spitsjes. De hierop volgende periode, het neolithicum (5300-2000 voor Chr.), wordt gekenmerkt door een overschakeling van jager-verzamelaars naar sedentaire bewoners, met een volledig agrarische levenswijze.

Deze omwenteling ging gepaard met een aantal technische en sociale vernieuwingen, zoals huizen, geslepen bijlen en het gebruik van aardewerk. Door de productie van overschot kon de bevolking gaan groeien en die bevolkingsgroei had tot gevolg dat de samenleving steeds complexer werd. Uit het neolithicum zijn verschillende grafmonumenten bekend, zoals hunebedden en grafheuvels. Het begin van de bronstijd (2000-800 voor Chr.) valt samen met het eerste gebruik van bronzen voorwerpen, zoals bijlen. Het gebruik van vuursteen was hiermee niet direct afgelopen. Vuursteenmateriaal uit de bronstijd is meestal niet goed te onderscheiden van dat uit andere perioden. Het aardewerk is over het algemeen zeldzaam. De grafheuveltraditie die tijdens het neolithicum haar intrede deed werd in eerste instantie voortgezet, maar rond 1200 voor Chr. vervangen door begravingen in urnenvelden. Het gaat hier om ingegraven urnen met crematieresten waar overheen kleine heuveltjes werden opgeworpen, eventueel omgeven door een greppel. In de ijzertijd (800-12 voor Chr.) werden de eerste ijzeren voorwerpen gemaakt. Ten opzichte van de bronstijd traden er in de aardewerktraditie en in het gebruik van vuursteen geen radicale veranderingen op. De mensen woonden in verspreid liggende hoeven of in nederzettingen van enkele huizen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Raalte&id=b67e4a2c-205d-4d86-86c9-3214b4d91177