CConstaterende datPutten
Koppel je AI →
Document · PDF

Zienswijzennota

Gemeenteraad 5 maart 2026, gemeente PuttenBij agendapunt: Onteigening woonwijk Halvinkhuizen fase 2 en 33.690 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

NOTA Reactie zienswijzen ontwerponteigeningsbeschikking Woonwijk Halvinkhuizen fase 2 en 3

1. Inleiding en procedure De ontwerpbeschikking tot aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening die nodig zijn voor de realisatie van de woonwijk Halvinkhuizen fase 2 en 3 heeft ter inzage gelegen van 25 november 2025 tot en met 5 januari 2026. Belanghebbenden hebben de mogelijkheid gekregen om zienswijzen naar voren te brengen tegen deze ontwerponteigeningsbeschikking. Van de mogelijkheid om zienswijzen in te dienen is gebruik gemaakt door de heren H.G. van Deuveren en G. van Deuveren, handelend voor zichzelf en namens Maatschap van Deuveren (hierna gezamenlijk in mannelijk enkelvoud aan te duiden als: “Van Deuveren”). In deze nota is de zienswijze kort samengevat en voorzien van een reactie. Tevens is vermeld of de zienswijze aanleiding geeft tot het afzien van onteigening of tot aanpassing van de ontwerponteigeningsbeschikking. 2. Opmerkingen Van Deuveren “vooraf” Van Deuveren kan zich niet verenigen met de voorgenomen onteigening. Voorafgaand aan de bespreking van zijn bezwaren, merkt Van Deuveren, samengevat, het volgende op. Van Deuveren heeft zich in het minnelijke traject constructief opgesteld. Afgelopen periode zijn er concrete en objectief haalbare kansen geweest om tot de door Van Deuveren gewenste bedrijfsreconstructie te komen. De gemeente zou niet bereid zijn gebleken om samen met Van Deuveren deze kansen te grijpen.

Van Deuveren heeft het gevoel dat het college willens en wetens op onteigening aanstuurt. Van Deuveren verzoekt de raad om zelf het verloop van de minnelijk verwervingspogingen kritisch tegen het licht te houden. Uit de voorbereiding van de ontwerponteigeningsbeschikking zou blijken dat het college de raad onjuist, onvolledig en selectief informeert. Reactie De gemeente heeft er altijd de voorkeur aan gegeven de gronden van Van Deuveren minnelijk te verwerven in plaats van door onteigening, en doet dat nog steeds. Zoals uit het logboek en de daarbij behorende stukken blijkt, en ook hierna nog nader aan de orde zal komen, spant de gemeente zich daartoe al bijna 7 jaar in. Het standpunt van Van Deuveren dat de gemeente willens en wetens zou aansturen op onteigening is dan ook niet juist. De gemeente wil de onroerende zaken uiteraard het liefst in der minne verwerven, maar het is tot op heden nog niet gelukt om daarover tot een voor alle partijen aanvaardbare regeling te komen. Hopelijk kan in de toekomst alsnog overeenstemming worden bereikt over verwerving, maar daarop bestaat op dit moment nog geen concreet zicht. Het nemen van een beschikking tot onteigening is helaas noodzakelijk om te verzekeren dat (tijdig) de gronden in eigendom worden verworven en de woonwijk kan worden gerealiseerd.

Niet valt in te zien dat het college de raad onjuist, onvolledig en selectief informeert. Het ontwerpraadsvoorstel is gebaseerd op een volledig onteigeningsdossier, waartoe ook een uitgebreid logboek van het minnelijk overleg behoort van maar liefst 8 pagina’s met daarbij als bijlagen alle schriftelijke aanbiedingen. Niet vereist is dat daarnaast ieder detail van het minnelijk overleg in het (toch al zeer uitgebreide) logboek wordt opgenomen en dat elk stuk dat is gerelateerd aan het minnelijk overleg (zoals elke e-mail en elk verslag) aan het logboek wordt

toegevoegd. Het gaat erom dat de stukken een getrouw beeld geven van het gevoerde overleg en hetgeen partijen verdeeld houdt. Ten overvloede wordt opgemerkt dat in dit geval evident is dat de raad volledig op de hoogte is van het gevoerde minnelijke overleg en van de visie van Van Deuveren daarop, nu de raad ook door Van Deuveren zelf daarover is geïnformeerd, zowel in een eerder stadium (door zijn brief met bijlagen van 17 februari 2025, bijlage 1 bij de zienswijze) als nu (door zijn zienswijzen met bijlagen). Dat neemt niet weg dat het inderdaad belangrijk is dat de raad zich een zelfstandig oordeel vormt over de voorgenomen onteigening en de noodzaak daartoe. De raad beschikt over een zeer compleet dossier op basis waarvan hij tot een weloverwogen besluit kan komen. 3. Onteigening prematuur: noodzaak ontbreekt Primair meent Van Deuveren dat de noodzaak tot onteigening ontbreekt, omdat de gemeente geen redelijke poging zou hebben gedaan tot minnelijke verwerving. De toelichting in de ontwerpbeschikking en het ter inzage gelegde verwervingslogboek zouden een selectief, onvolledig en onjuist beeld geven over het verloop van het verwevingstraject. Daarbij legt Van Deuveren de nadruk op het bemiddelingstraject dat op verzoek van de gemeente onder leiding van de heer Sluysmans heeft plaatsgevonden en uiteindelijk op initiatief van de gemeente is beëindigd.

Van Deuveren stelt dat het college daarover geen verantwoordelijkheid zou hebben willen afleggen. Uit het feit dat er daarna alleen nog lagere aanbiedingen zijn gedaan dan besproken in het bemiddelingstraject, leidt Van Deuveren af dat van een werkelijke serieuze minnelijke verweringspoging geen sprake is geweest. Van Deuveren meent dat de (ontwerp) onteigeningsbeschikking daarmee onzorgvuldig is voorbereid. Reactie Een onteigeningsbeschikking kan op grond van artikel 11.5, onder b, van de Omgevingswet (Ow) alleen worden gegeven indien onteigening noodzakelijk is. In artikel 11.7 Ow is bepaald dat de noodzaak tot onteigening in ieder geval ontbreekt als de onteigenaar geen redelijke poging heeft gedaan tot minnelijke verwerving van de onroerende zaak. Het minnelijk overleg moet een reëel en serieus overleg inhouden, waarbij wordt geprobeerd tot overeenstemming te komen. Daarvan is in dit geval sprake. Daarvoor is van belang dat de gemeente inmiddels al bijna 7 jaar lang (sinds april 2019) zeer intensief overleg voert met Van Deuveren om tot minnelijke verwerving van de onroerende zaken te komen. De eerste schriftelijke aanbieding dateert al van 4 augustus 2021. In zijn zienswijzen gaat Van Deuveren voorbij aan het langdurige minnelijke proces dat ook al voorafgaand en nog na de bemiddelingspoging van Sluysmans heeft plaatsgevonden.

De gemeente en Van Deuveren zijn verschillen van mening over de hoogte van de schadeloosstelling en de schadecomponenten. Toen partijen na 3,5 jaar praten nog altijd ver uit elkaar lagen, heeft de gemeente niet het onteigeningsinstrument ingezet, maar eind 2022 Sluysmans verzocht om te bemiddelen als ultieme poging ter voorkoming van onteigening. Sluysmans constateerde (zie ook sub 12 van zijn verslag van 10 mei 2023, bijlage 2 bij de zienswijze) dat er diverse verschillen van inzicht bestonden en dat het meest significante verschil in opvatting was gelegen in de begroting van de werkelijke waarde van de circa 10 ha grond die tot woningbouw zal worden omgevormd. Hij wees er daarbij op dat gelet op de betrekkelijk grote oppervlakte elke euro bijstelling in de waarde al direct tot een verschil van € 100.000 leidt. Anders dan Van Deuveren nu stelt, bestond geen overeenstemming over de hoogte van de schadeloosstelling. In het kader van het bemiddelingstraject is een conceptvaststellingsovereenkomst (vso) opgesteld waarin weliswaar bedragen waren opgenomen, maar

2 van 7

daarover bestond nog geen overeenstemming. De gemeente achtte die bedragen (veel) te hoog, maar had daarmee niettemin allicht kunnen instemmen indien Van Deuveren niet ineens met nieuwe voorwaarden en hogere bedragen zou zijn gekomen. Het was dan ook juist Van Deuveren die na toezending van de concept-vso door Sluysmans opnieuw in onderhandeling wilde treden en nieuwe eisen en een hogere vergoeding op tafel legde. Sluysmans schreef hierover (in e-mails die opvallend genoeg niet door Van Deuveren zijn ingebracht) op 14 oktober 2024 dat de opmerkingen van Van Deuveren leiden tot nieuwe onderhandelingen en op 6 november 2024: “Tijdens dat overleg heb ik geconstateerd dat Van Deuveren twee majeure wensen heeft neergelegd, waarover eerst een knoop moet worden doorgehakt, alvorens het zinvol is om op meer detailniveau aan de vso te sleutelen. Die wensen betreffen (in willekeurige volgorde) (i) het – naast de locatie Vanenburgerallee – toevoegen van de locatie Waterweg 99 als door de gemeente (in beginsel) te verwerven (en aan Van Deuren te verkopen en leveren) reconstructielocatie en (ii) het verhogen van de risicopremie (van EUR 650.000 naar EUR 4 MIO).”

Sluysmans constateert terecht dat over die majeure wensen (waaronder een verhoging van de risicopremie als onderdeel van de schadeloosstelling met maar liefst ca. € 3,5 miljoen) eerst een knoop moest worden doorgehakt voordat verder overleg over de vso zin heeft en doet een suggestie voor een mogelijke oplossingsrichting die kan leiden tot ofwel verdere uitwerking van de vso ofwel beëindiging van zijn bemiddeling. Anders dan Van Deuveren in zijn zienswijze stelt (pag. 3, laatste alinea) was de nog te doorlopen route dus niet ‘betrekkelijk overzichtelijk’. De nieuwe voorwaarden waren voor het college onaanvaardbaar, zeker in het licht van het feit dat de gemeente al zeer ver in het standpunt van Van Deuveren ten aanzien van de hoogte van de schadeloosstelling was meegegaan. Weliswaar constateert Sluysmans later terecht dat ‘het speelveld’ op dat moment nog beperkt was tot (enkel) een discussie over geld, maar een verschuiving van het verwervingsrisico was niet aan de orde. De gemeente heeft nooit ingestemd met het op zich nemen van de plicht of het risico van verwerving van een vervangende locatie. Van een verschuiving van het risico kan dan ook geen sprake zijn.

Afgezien daarvan was het verschil van inzicht ten aanzien van de hoogte van de schadeloosstelling (de ‘discussie over geld’) inmiddels dusdanig groot geworden, dat het college geen vertrouwen meer had in de totstandkoming van een vso (waarin dus ook de gemeente zich zou kunnen vinden). Ter illustratie: in 2021 is een schriftelijke aanbieding gedaan op basis van de gemeentelijke taxatie van € 9.000.000,-, het in de concept-vso opgenomen bedrag was al ruim. € 16.000.000,- en met de door Van Deuveren gewenste verhoging van de risicopremie kwam de verzochte schadeloosstelling uit op ruim € 19.000.000,-. Anders dan Van Deuveren stelt, had hij zijn ‘majeure wens’ ten aanzien van het verhogen/beprijzen van het ‘verleggen’ van het verwervingsrisico niet laten vallen. Dit bleef onderdeel van de laatste suggestie van Sluysmans voor een oplossingsrichting en betrof meer dan een actualisatie, zoals Van Deuveren stelt. Gelet op dit grote verschil van inzicht achtte het college het niet zinvol om verder overleg te voeren over de vso en daarmee is de bemiddelingsprocedure onder leiding van Sluysmans teneinde gekomen. Van Deuveren stelt dat het college probeert om dit ‘onder het tapijt te vegen’ doordat de verslagen niet als bijlage bij het logboek zijn gevoegd. Dat is geenszins het geval.

In het logboek zijn alle stappen van het minnelijk overleg vermeld, waaronder die in het kader van de bemiddelingspoging. Het logboek bevat uiteraard ook een samenvatting van alle stappen die gezet zijn. Zoals hiervoor reeds aan de orde kwam, is het logboek zeer uitvoerig en is niet vereist dat elk detail en elk stuk van het minnelijk overleg als bijlage aan de ontwerponteigeningsbeschikking wordt toegevoegd om een goed beeld van de poging in der minne te schetsen. Daarnaast heeft Van Deuveren de raad zelf volledig op de hoogte gehouden. Het is belangrijk dat de stukken een getrouw beeld geven van het gevoerde overleg en hetgeen partijen verdeeld houdt. Dat is het geval.

3 van 7

De gemeente heeft wel degelijk aan Van Deuveren uitgelegd wat de redenen waren van het beëindigen van het bemiddelingstraject waren, onder meer bij monde van haar toenmalige adviseur. Dat nadien lagere aanbiedingen zijn gedaan dan de schadeloosstelling die was opgenomen in de concept-vso is in het licht van het voorgaande begrijpelijk en betekent uiteraard niet dat geen serieus en reëel minnelijk overleg zou zijn gevoerd. De gemeente heeft na het bemiddelingstraject een bieding uitgebracht op basis van haar eigen begroting van de schade(loosstelling). Die bieding was dus lager dan het bedrag dat in de vso was opgenomen, maar de visie van de gemeente daarop was eerder in het minnelijk overleg wel degelijk aan de orde gekomen. Het enkele feit dat de gemeente een lager bedraag aanbiedt dan het bedrag dat zij mogelijk in een eerder stadium nog wel bereid zou zijn geweest te betalen bij het bereiken van algehele overeenstemming (in plaats van het stellen van weer nadere voorwaarden), maakt uiteraard niet dat elk lager bod niet serieus en reëel zou zijn. De intentie was dat bij niet tijdige aanvaarding de onteigeningsprocedure zou worden opgestart, aangezien overeenstemming niet leek te kunnen worden bereikt. Van Deuveren gaf echter te kennen toch nog graag verder te onderhandelen. Daarop is het overleg voortgezet.

Tijdens het overleg van 15 mei 2025 heeft Van Deuveren te kennen gegeven dat het aanbod van de gemeente voor hem niet aanvaardbaar is en dat hij op korte termijn (binnen 2 weken) met een tegenbod zou komen. Dat tegenbod bleef echter maandenlang uit, ondanks herhaaldelijk aandringen van de gemeente (tussen 22 mei en 26 september 2025, zie het logboek). Daarom heeft de gemeente op eigen initiatief op 19 september 2025 een verhoogd aanbod gedaan van € 14.851.175,- inclusief de woningen met ondergrond of € 12.693.265 exclusief de woningen met ondergrond. Naar aanleiding daarvan zijn partijen weer met elkaar in gesprek gegaan. De stelling dat enkel of met name door de inspanningen van Van Deuveren weer met elkaar in gesprek zijn en dichter bij elkaar zijn gekomen, is dan ook bepaald niet juist. Op dit moment zijn partijen constructief met elkaar in overleg over een oplossingsrichting op basis van uitgangspunten die ook voorlagen in het bemiddelingstraject. Zoals hierna nog zal worden toegelicht, is er nog geen concreet zich op overeenstemming en spoedige eigendomsoverdracht. Kortom, de gemeente heeft langdurig, intensief, reëel en serieus overleg gevoerd met Van Deuveren, maar dat heeft helaas nog altijd niet tot overeenstemming en eigendomsverwerving geleid.

Subsidiair stelt Van Deuveren zich op het standpunt dat de noodzaak tot onteigening ontbreekt, omdat binnen afzienbare termijn alsnog overeenstemming kan worden bereikt en dat die overeenstemming zal leiden tot een spoedige levering van de benodigde gronden. Dit zou niet in de ontwerponteigeningsbeschikking zijn betrokken. Onteigening zou prematuur zijn. Reactie De noodzaak tot onteigening ontbreekt blijkens artikel 11.7 Ow (inderdaad) als aannemelijk is dat binnen afzienbare termijn alsnog overeenstemming kan worden bereikt over de minnelijke verwerving en dat die overeenstemming zal leiden tot een spoedige levering van de onroerende zaak. Juist is dat partijen weer constructief met elkaar in overleg zijn. Het overleg ziet op een oplossingsrichting die aansluit bij het eerdere bemiddelingstraject, in die zin dat wordt uitgegaan reconstructie van zowel het vleeskuikenbedrijf als het kalverbedrijf op een vervangende locatie, ondanks dat partijen voor het laatste bedrijf geen concrete vervangende locatie voor ogen hebben. De gemeente hoopt van harte dat partijen elkaar daarover alsnog in der minne weten te vinden, maar het is niet aannemelijk dat dit binnen afzienbare termijn gebeurt en in elk geval niet dat dit zal leiden tot spoedige levering van de benodigde gronden.

4 van 7

Zoals de gemeente ook bij brief van 4 november 2025 (bijlagen 9 en 10 bij het logboek) aan Van Deuveren te kennen heeft gegeven, is de haalbaarheid van de door hem voorgestelde oplossingsrichting nog onzeker. Om overeenstemming te kunnen bereiken en uiteindelijk tot eigendomsoverdracht te komen, moet nog een aantal hobbels genomen worden. Zo is het volledig reconstrueren van het vleeskuikenbedrijf niet vanzelfsprekend vanwege de stikstofproblematiek en het feit dat niet de gemeente maar de provincie Gelderland het bevoegd gezag is met betrekking tot de benodigde vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet. De vraag is ook in hoeverre het verkrijgen van die vergunning synchroon kan lopen met het voorziene ontwikkelpad van de woningbouw in Halvinkhuizen. De haalbaarheid van de beoogde reconstructie is bovendien mede afhankelijk van afspraken met de gemeente en derden (projectontwikkelaars) over nog nader uit te werken bouwclaims, die ook nog moeten worden beschouwd in het licht van de beperkingen (qua mogelijkheden en snelheid) die het Didam-arrest met zich meebrengen.

Kortom, de gemeente is verheugd dat nu constructief overleg wordt gevoerd over een oplossingsrichting waarin beide partijen zich lijken te kunnen vinden, maar er zijn nog dusdanig ingewikkelde vraagstukken en aspecten waarover partijen het (nog) niet eens zijn, dat niet aannemelijk is dat minnelijke overeenstemming en eigendomsoverdracht binnen afzienbare termijn wordt bereikt. Met het oog daarop en het feit dat partijen al bijna 7 jaar in onderhandeling zijn en het belang om tijdig te kunnen starten met de realisering van het omgevingsplan en de fasen 2 en 3 van Halvinkhuizen, is het starten van de onteigeningsprocedure door het nemen van een beschikking daartoe noodzakelijk en urgent. Onteigening is dan ook zeker niet prematuur. 4. Planuitwerking: onvoldoende concreet voor onteigeningsgrondslag

Van Deuveren stelt dat in de ontwerponteigeningsbeschikking ten onrechte wordt aangenomen dat de plannen aantonen dat de gewenste onteigening in het belang van de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving is. Het omgevingsplan Halvinkhuizen fase 2 en 3 biedt volgens Van Deuveren geen concrete uitwerking van het plan zoals voorzien op zijn gronden. Volgens Van Deuveren is sprake van een (te) globaal plan op basis waarvan onteigening niet is toegestaan. Het conceptstedenbouwkundigplan, dat geen juridische status heeft, zou ook te weinig duidelijkheid geven.

Reactie Van Deuveren miskent in deze zienswijze dat het onteigeningsbelang wel degelijk uit het omgevingsplan volgt. Ingevolge art. 11.5 sub a Ow kan een onteigeningsbeschikking worden gegeven in het belang van het ontwikkelen, gebruiken of beheren van de fysieke leefomgeving; het zogenoemde onteigeningsbelang. Van zo’n onteigeningsbelang is (onder meer) sprake als de beoogde vorm van ontwikkeling, gebruik of beheer van de fysieke leefomgeving mogelijk is gemaakt in een vastgesteld omgevingsplan onder uitsluiting van de bestaande vorm van ontwikkeling, gebruik of beheer daarvan (artikel 11.6 sub a Ow). Aan deze vereisten is voldaan. Met het uitsluiten van de bestaande vorm van ontwikkeling, gebruik of beheer is niet bedoeld dat die bestaande vorm eerst, zonder overgangsrecht, strikt moet worden verboden alvorens een onteigeningsbelang kan ontstaan. Het gaat erom dat op basis van het geldende omgevingsplan voldoende duidelijk is welke vorm ontwikkeling, gebruik of beheer wordt beoogd, en dat die vorm afwijkt van de bestaande vorm.1 Dat is hier het geval. De te onteigenen gronden zijn immers agrarisch in gebruik (en hadden voorheen ook die bestemming/functie) en worden verworven ten behoeve van de realisatie van een deel van de nieuwe woonwijk. De regels van het omgevingsplan sluiten agrarisch gebruik uit. 1

Zie o.a. Kamerstukken II, 2022-23, 36367, nr. 3, p. 24 en Rb. Zeeland-West-Brabant 20 mei 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:2931, r.o. 6.2. 5 van 7

Anders dan Van Deuveren lijkt te veronderstellen, is (dus) niet vereist dat de beoogde vorm van ontwikkeling, gebruik of beheer in het omgevingsplan concreter uitgewerkt zou moeten zijn, bijvoorbeeld in de vorm van een verkavelingstekening. Uit de Memorie van Toelichting bij de Omgevingswet blijkt dat het mogelijk blijft (net als voorheen onder de gelding van de Onteigeningswet) om voor een globale functie te onteigenen. De wetgever heeft daarover gezegd dat daarvoor bepalend is “of het op grond van dat omgevingsplan voldoende duidelijk is dat het bestaande gebruik of de bestaande bebouwing moet wijken voor dat onteigeningsbelang.”2 Zoals hiervoor vermeld, is dat het geval. Overigens heeft de wetgever de situatie waarin het omgevingsplan voor agrarische gronden voorziet in regels die zijn gericht op woningbouw, juist expliciet vermeld als voorbeeld van een geval waarin wordt voldaan aan de eis dat de bestaande vorm is uitgesloten en het omgevingsplan een grondslag biedt voor een onteigeningsbelang.3 De concrete voorgestane wijze van uitvoering blijkt uit de stukken die behoren bij/ ten grondslag liggen aan de ontwerponteigeningsbeschikking. Uit de zakelijke beschrijving, de grond- en projectietekeningen en het stedenbouwkundigplan blijkt (onder meer) het benodigde ruimtebeslag en wat er op de van Van Deuveren te verwerven gronden zal worden gerealiseerd.

Dat het stedenbouwkundig plan geen onderdeel uitmaakt van het omgevingsplan staat daaraan, zoals hiervoor is toegelicht, niet in de weg. Dat blijkt overigens ook uit de Praktijkgids Onteigening voor Overheden waarin is vermeld dat belanghebbenden uit de onteigeningsstukken moeten kunnen afleiden waarvoor hun grond nodig is en kunnen nagaan of niet meer grond onteigend zal worden dan strikt voor de uitvoering van het werk nodig is. Als dat niet voldoende zou blijken uit het omgevingsplan en de grondtekening, dan kunnen de onteigeningsstukken worden aangevuld met bijvoorbeeld inrichtings- of verkavelingsschetsen of een projectie van de grondtekening op een tekening van het werk.4 Van Deuveren stelt dat ook het stedenbouwkundigplan geen duidelijkheid zou geven over de wijze van uitvoering van het plan op hun gronden, omdat de in het plan opgenomen toelichting over het doel en de functie duidelijk zou maken dat het huidige plan niet meer zou zijn dan een ‘grof concept’ dat in de vervolgfase wat betreft de verkaveling verder uitgewerkt zal moeten worden. Die veronderstelling is echter niet juist. Zo staat het ruimtebeslag en de begrenzing vast en bestaat er geen twijfel over dat de oppervlakte die is vermeld in de ontwerponteigeningsbeschikking volledig benodigd is voor de realisatie van hetgeen waarvoor onteigend wordt.

De door Van Deuveren aangehaalde passage beschrijft enkel dat verdere uitwerking nog kan plaatsvinden, en wel in het kader van het opstellen van een beeldkwaliteitsplan. Het gaat dan om uitwerking van bijvoorbeeld maatvoering, materialen, kleuren, etc. Overigens geldt dat onteigening ook mogelijk is indien de inrichting nog (wel) kan wijzigen, zoals in geval van een Design&Construct-proces.5 Geconstateerd is dat op het stedenbouwkundig plan, dat onderdeel uitmaakt van de ter inzage gelegde stukken behorende bij de ontwerponteigeningsbeschikking, ten onrechte nog was vermeld dat het een ‘concept’ zou betreffen. Dat is aangepast door schrapping van het woord ‘concept’. Het voorstel is om deze aangepaste versie van het stedenbouwkundig plan onderdeel te laten uitmaken van de stukken die behoren bij / ten grondslag liggen aan de onteigeningsbeschikking, zoals die door de raad zal worden vastgesteld.

5. Conclusie 2

Kamerstukken II 2018–2019, 35 133, nr. 3, p. 107-108. Kamerstukken II, 2022-23, 36367, nr. 3, p. 24-25. 4 Praktijkgids Onteigening voor Overheden, versie november 2025, p. 23. 5 Zie o.a. Praktijkgids Onteigening voor Overheden, versie november 2025, p. 23, en KB Zuidasdok (21 januari 2019, nr. 2019000064). 3

6 van 7

De ingediende zienswijzen geven geen aanleiding tot het afzien van onteigening of aanpassing van de ontwerponteigeningsbeschikking. Wel is geconstateerd dat op het stedenbouwkundig plan, dat onderdeel uitmaakt van de ter inzage gelegde stukken behorende bij de ontwerponteigeningsbeschikking, ten onrechte nog was vermeld dat het een ‘concept’ zou betreffen. Dat is aangepast door (enkel) schrapping van het woord ‘concept’. Het voorstel is om deze aangepaste versie van het stedenbouwkundig plan onderdeel te laten uitmaken van de stukken die behoren bij / ten grondslag liggen aan de onteigeningsbeschikking, zoals die door de raad zal worden vastgesteld.

7 van 7

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16512630/3