CConstaterende datPutten
Koppel je AI →
Document · PDF

Wordt-was tabel Verordening jeugdhulp gemeente Putten 2025

Gemeenteraad 10 juli 2025, gemeente PuttenBij agendapunt: Verordening Jeugdhulp gemeente Putten 202512.593 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Wordt Hoofdstuk 1 Algemene bepaling Artikel 1 Begripsbepalingen 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. aanvraag: een schriftelijk verzoek van een belanghebbende om jeugdhulp; b. algemene voorziening: jeugdhulpvoorziening op grond van de wet die rechtstreeks toegankelijk is zonder voorafgaand diepgaand onderzoek of op basis van een beperkt onderzoek naar de behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige of zijn ouders; c. andere voorziening: voorziening op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen, niet vallend onder de wet; d. budgetbeheerder: wettelijk vertegenwoordiger of gemachtigde van de budgethouder wanneer de budgethouder minderjarig of handelingsonbekwaam is; e. budgethouder: de persoon die een pgb ontvangt op grond van de wet; f. college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Putten; g. eigen vervoer: vervoer per eigen motorvoertuig of fiets; h. familiegroepsplan: hulpverleningsplan of plan van aanpak opgesteld door de ouders, samen met bloedverwanten, aanverwanten of anderen die tot de

Was Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1 Toegang algemene voorziening 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. algemene voorziening: jeugdhulpvoorziening op grond van de wet die rechtstreeks toegankelijk is zonder voorafgaand diepgaand onderzoek naar de behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige of zijn ouders; b. andere voorziening: voorziening op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen, niet vallend onder de wet; c. basisvoorziening: voorzieningen die gezien kunnen worden als regulier maatschappelijke voorzieningen binnen de gemeente, zoals: huisartsen, jongerenwerk, religieuze organisaties, onderwijs, kinderopvang, politie of verenigingen; d. budgethouder: degene die bevoegd is het persoonsgebonden budget te beheren dat wordt aangewend voor de bekostiging van de individuele voorziening voor de jeugdige of zijn ouders; e. gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders (zie: Gebruikelijke zorg van de CIZ-beleidsregels 2017); f. maatwerkvoorziening: een op de jeugdige of zijn ouders toegesneden

Toelichting

De volgende begrippen en definities zijn toegevoegd: ‘aanvraag’, ‘budgetbeheerder’, ‘college’, ‘eigen vervoer’, ‘familiegroepsplan’, ‘hulpvraag’, ‘pgb-plan’ en ‘vertrouwenspersoon; Bij ‘algemene voorziening’ is ‘of op basis van een beperkt onderzoek’ toegevoegd. ‘basisvoorziening’ kwam en komt niet voor in de verordening, derhalve verwijderd. ‘budgetbeheerder’ volledigheidshalve toegevoegd, waarna definitie ‘budgethouder’ gewijzigd is. Definitie ‘maatwerkvoorziening’ gecomprimeerd. Definitie ‘ondersteuningsplan’ aangepast. Definitie ‘sociaal netwerk’ minder dichtgezet. 'JeugdzorgPlus’ is vervangen door ‘essentiële functies'. Lid 2 is overgeheveld naar de toelichting.

sociale omgeving van de jeugdige behoren; i. hulpvraag: behoefte van een jeugdige of zijn ouders aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, als bedoeld in artikel 2.3 lid 1 van de wet; j. maatwerkvoorziening: een op de jeugdige of zijn ouders toegesneden jeugdhulpvoorziening, als bedoeld in art. 2.9 sub a van de wet, die door of namens het college in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget wordt verstrekt; k. ondersteuningsplan: het document waarin de ondersteuningsbehoeften van de jeugdige of zijn ouder zijn vastgelegd samen met de doelen en hoe deze te bereiken en waarin op verschillende levensgebieden de gezinssituatie in kaart gebracht wordt om een effectieve ondersteuning van de ouders en jeugdige mogelijk te maken; l. ouder: gezaghebbende ouder, adoptiefouder, stiefouder of een ander die een jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, niet zijnde een pleegouder. Hieronder kan in deze verordening ook een andere wettelijke vertegenwoordiger worden verstaan in die gevallen waarin het begrip ouder betrekking heeft op het wettelijk vertegenwoordigen van de jeugdige;

jeugdhulpvoorziening die door of namens het college in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget wordt verstrekt op basis van een besluit of beschikking, een verwijzing huisarts, medisch specialist of jeugdarts, of van een functionaris in justitieel kader als bedoeld in de wet (voorheen ook wel individuele voorziening genoemd); g. ondersteuningsplan: plan waarin de doelen en gewenste resultaten staan beschreven. Dit plan kan als leidraad dienen voor de in te zetten ondersteuning. Bij de verstrekkingvorm pgb is dit plan verplicht om in te vullen door de budgethouder. h. persoonsgebonden budget (pgb): het persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 van de wet, zijnde een door het college verstrekt budget aan een jeugdige of ouder, dat hen in staat stelt de jeugdhulp die tot de maatwerkvoorziening behoort van derden te betrekken; i. sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de jeugdige of zijn ouders een sociale relatie onderhoudt, waaronder familieleden die niet in hetzelfde huis wonen, buren, vrienden en kennissen; j. Veilig Thuis: het regionale advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling als bedoeld in artikel 1.1 van de wet; k. wet: Jeugdwet.

m. persoonsgebonden budget (pgb): het persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 van de wet, zijnde een door het college verstrekt budget aan een jeugdige of ouders, dat hen in staat stelt de jeugdhulp die tot de maatwerkvoorziening behoort van derden te betrekken; n. pgb-plan: het plan, op aanvulling op het ondersteuningsplan, wat de jeugdige of zijn ouders verplicht dienen op te stellen wanneer zij de maatwerkvoorziening in de vorm van pgb wensen; o. sociaal netwerk: personen met wie de jeugdige of ouders een sociale relatie onderhoudt; p. Veilig Thuis: het regionale advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling als bedoeld in artikel 1.1 van de wet; q. vertrouwenspersoon: een onafhankelijke persoon die ouders of jeugdigen kan ondersteunen bij vragen, klachten over en/of problemen met hun rechtspositie en over de (toeleiding naar) jeugdhulp; r. wet: Jeugdwet. Hoofdstuk 2 Algemene voorzieningen Artikel 2 Toegang algemene voorziening 1. Een algemene voorziening is rechtstreeks toegankelijk zonder toegangsbeoordeling of op basis van een beperkte toegangsbeoordeling.

2. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet, het Besluit Jeugdwet, de Algemene wet bestuursrecht en de Wet bescherming persoonsgegevens.

Hoofdstuk 2 Algemene voorzieningen Artikel 2 Toegang algemene voorziening 6 Vervoer Een algemene voorziening is rechtstreeks toegankelijk zonder toegangsbeoordeling of op basis van een beperkte toegangsbeoordeling.

Algemene voorzieningen zijn voorliggend aan maatwerkvoorzieningen. Ter verduidelijking hiervan is lid 2 opgenomen.

2. De inzet van een algemene voorziening is voorliggend op de inzet van een maatwerkvoorziening als die voorziening naar het oordeel van het college ook toereikend is om de problemen van de jeugdige of zijn ouders op te lossen. Artikel 3 Beschikbare algemene voorzieningen De volgende algemene voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar: a. Informatie- en (opvoed)advies; b. Voorlichting, cursussen en trainingen; c. Jeugdgezondheidszorg (JGZ); d. Onafhankelijke inwonerondersteuning; e. (Jeugd)welzijnswerk; f. Ondersteuning (Jonge) mantelzorger.

Hoofdstuk 3 Maatwerkvoorzieningen Artikel 4 Beschikbare maatwerkvoorzieningen De volgende maatwerkvoorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar: u. Ambulante begeleiding; v. Ambulante spoedhulp; w. Gezinsbegeleiding; x. Dagbesteding; y. Basis Jeugd-GGZ; z. Specialistische Jeugd-GGZ; aa. Diagnose en behandeling van ernstige dyslexiezorg;

Artikel 3 Beschikbare algemene voorzieningen 1. De volgende algemene voorzieningen zijn beschikbaar: a. Informatie- en (opvoed)advies. b. Voorlichting, cursussen en trainingen. c. Jeugdgezondheidszorg (JGZ). d. Jongeren coaching en participatiebevordering (Jeugd en jongerenwerk). e. Vervallen. 2. Het college kan nadere regels vaststellen over welke algemene voorzieningen op basis van het eerste lid beschikbaar zijn. Artikel 3 Maatwerkvoorzieningen Paragraaf 1. Voorzieningen Artikel 4 Beschikbare maatwerkvoorzieningen 1. De volgende niet-limitatieve lijst aan maatwerkvoorzieningen zijn beschikbaar: • Hoog specialistisch / weinig voorkomend i. Ambulante behandeling intensief specialistisch ii. Hoog specialistische GGZ iii. Klinische behandeling GGZ (behandeling inclusief verblijf) iv. Jeugdzorg Plus v. Drie milieu voorziening (op terrein)

Nadere regels worden niet meer vastgesteld. Met deze reden is lid 2 vervallen. ‘onafhankelijke inwonersondersteuning’ toegevoegd vanuit de nadere regels (oud), evenals ‘ondersteuning Jonge mantelzorger’.

Vereenvoudigd en samengevoegd.

bb. Behandeling individueel; cc. Behandeling groep; dd. Begeleiding groep; ee. Buitenschoolse Opvang Plus; ff. Kinderdagverblijf Plus; gg. Kort verblijf; hh. Pleegzorg; ii. Gezinshuis; jj. Fasehuis, kamertraining; kk. Verblijf open setting (regulier en crisis); ll. Verblijf klinische bedden (regulier en crisis); mm. Verblijf residentiele setting zwaar (regulier en crisis); nn. Essentiële functies.

Artikel 5 Dyslexiezorg 1. Het college draagt zorg voor de beschikbaarheid van dyslexiezorg, bestaande uit: a. diagnostiek bij een vermoeden van ernstige dyslexie; b. behandeling van ernstige dyslexie. 2. Een jeugdige komt in aanmerking voor diagnostiek of behandeling van ernstige

vi. Medicatiebegeleiding • Wonen Pleegzorg i. Pleegzorg (initieel) ii. Pleegzorg • Wonen Verblijf i. Gezinshuis ii. Verblijf groep met begeleiding iii. Verblijf groep kamertrainingcentrum • Dagbesteding / dagbehandeling i. Ambulante begeleiding groep ii. Ambulante behandeling groep iii. Kinderdagverblijf Plus iv. Buitenschoolse Opvang Plus v. Logeren • Specialistisch veel voorkomend i. Opvoedhulp ii. Individuele begeleiding iii. Individuele behandeling iv. Individuele behandeling GGZ v. Ernstige Enkelvoudige Dyslexie behandeling vi. Medicatiebegeleiding 2. Het college kan nadere regels vaststellen over welke maatwerkvoorzieningen op basis van het eerste lid beschikbaar zijn. Uit rechtspraak en de parlementaire geschiedenis volgt dat dyslexiezorg, waar sprake is van de diagnose ED, onder de Jeugdwet valt. Op grond hiervan is hier een aparte bepaling opgenomen.

dyslexie, indien aan de criteria van het Protocol Dyslexie Diagnostiek en Behandeling vastgesteld door het Nederlands Kwaliteitsinstituut Dyslexie wordt voldaan, en: a. de jeugdige zeven jaar of ouder is, maar de leeftijd van 13 jaar nog niet heeft bereikt en op het primair onderwijs (basisonderwijs) is ingeschreven, en; b. de basisschool de stappen doorlopen heeft zoals beschreven in het in het tweede lid genoemde protocol en daarbij is voldaan aan de landelijke criteria voor vergoede dyslexiezorg aan leerlingen met ernstige dyslexie. Artikel 6 Vervoer 1. Het college beoordeelt de eigen mogelijkheden conform de afwegingsfactoren genoemd in artikel 9. 2. Een vervoersvoorziening wordt – voor zover naar het oordeel van het college noodzakelijk in verband met een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid – alleen verstrekt aan de jeugdige ten behoeve van het vervoer van de jeugdige naar en van de locatie waar de jeugdhulp plaatsvindt, mits niet vanuit andere regelingen of instanties vergoed. 3. Er is sprake van een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid in de volgende situaties: a. de jeugdige kan niet reizen met eigen vervoer of het openbaar vervoer, ook niet

Op grond van artikel 2.3, tweede lid, van de wet is bepaald dat voorzieningen op het gebied van jeugdhulp ook het vervoer van een jeugdige naar en van de locatie waar de jeugdhulp geboden wordt, omvatten. Met deze reden is hier een zelfstandige bepaling voor opgenomen.

onder begeleiding van een volwassene, en ouders beschikken niet over passend vervoer om de jeugdige naar de jeugdhulp locatie te vervoeren, en b. er door ouders is aangetoond dat ouders of andere personen uit het sociaal netwerk niet in staat kunnen worden geacht om zorg te dragen voor de begeleiding en het vervoer, en c. de afstand naar de jeugdhulplocatie is meer dan 6 kilometer, gemeten over de weg met behulp van de ANWBrouteplanner met de optie de kortste route per fiets. 4. Er is geen sprake van een medische noodzaak of beperking in de zelfredzaamheid in de volgende situaties: a. ouders kunnen hun kind niet naar de jeugdhulplocatie vervoeren vanwege beïnvloedbare werkverplichtingen; b. ouders hebben gekozen voor een jeugdhulpaanbieder buiten de regio, terwijl een vergelijkbaar aanbod binnen de regio beschikbaar is; c. jeugdige is in staat is om zelfstandig met eigen vervoer of met het openbaar vervoer te reizen; d. ouders geven aan onvoldoende financiële middelen te hebben voor de reiskosten, hiervoor zijn de regelingen binnen de Participatiewet voorliggend;

e. ouders die op basis van een andere wet of verzekering in aanmerking komen voor een vergoeding van de vervoerskosten. 5. Indien naar het oordeel van het college een passende voorziening beschikbaar is waarvoor geen vervoer geïndiceerd hoeft te worden, is deze voorziening voorliggend op een maatwerkvoorziening. Hoofdstuk 4 Toegang tot maatwerkvoorzieningen Paragraaf 1 Toegang jeugdhulp via het college Artikel 7 Toegang jeugdhulp via het college 1. Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening voorziening kan door of namens een jeugdige of ouders schriftelijk worden ingediend bij het college. 2. Het college draagt er zorg voor dat de jeugdige of ouders geïnformeerd worden over de mogelijkheid tot het opstellen van een familiegroepsplan. Indien gewenst wordt de jeugdige of ouder bij het opstellen daarvan ondersteund. 3. Bij de beoordeling van een aanvraag om jeugdhulp stemt het college af met andere voorzieningen. 4. In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijk een passende maatwerkvoorziening. Het college legt de beslissing omtrent de inzet van hulp in dat geval zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen vier weken na de start van de hulp, vast in een beschikking.

Paragraaf 2. Toegang procedureel Artikel 5 Aanvraag 1. Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan door of namens een jeugdige of ouder schriftelijk worden ingediend bij het college, of de daartoe gemandateerde organisatie; 2. Als een maatwerkvoorziening in natura niet passend wordt geacht, kunnen de jeugdige of zijn ouders in de aanvraag vermelden een persoonsgebonden budget te wensen. Daarbij geven de jeugdige of zijn ouders in een ondersteuningsplan in ieder geval aan: a. wat de voorgenomen uitvoering van de maatwerkvoorziening is, inclusief uitvoerder en kosten; b. wat de kwalificaties van de uitvoerder zijn, en c. waarom het aanbod van de door de gemeente gecontracteerde zorgaanbieder niet passend is naar het oordeel van de jeugdige of zijn ouders. 3. Indien jeugdhulp wordt ingezet na verwijzing als bedoeld in artikel 6 lid 4 of in het kader van een kinderbeschermingsmaatregel of

In de verordening werd vaak ‘of de daartoe gemandateerde organisatie’ aangehaald. Er is gekozen om dit in de toelichting op te nemen. De bepalingen met betrekking tot pgb zijn separaat opgenomen in de verordening, zie artikel 17 e.v. (nieuw).

jeugdreclassering, kan door of namens de jeugdige of zijn ouders een aanvraag voor een pgb worden ingediend als het natura-aanbod niet passend wordt geacht. Bij die aanvraag, in de vorm van een ondersteuningsplan, moet in ieder geval worden aangegeven: a. wat de voorgenomen uitvoering van de maatwerkvoorziening is, inclusief uitvoerder en kosten; b. wat de kwalificaties van de uitvoerder zijn, en c. waarom het aanbod van de door de gemeente gecontracteerde zorgaanbieder niet passend is naar het oordeel van de jeugdige of zijn ouders. 4. Als de jeugdhulp betrekking heeft op een ander dan de aanvrager, behoeft de aanvraag de instemming van de jeugdige of zijn ouders waarop de aanvraag betrekking heeft. 5. Heeft de aanvraag betrekking op een minderjarige: a. die jonger is dan 12 jaren, of b. die ouder is dan 12 jaren en niet in staat tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake, dan is niet de instemming van de minderjarige vereist, maar van diens wettelijke vertegenwoordiger. 6. Heeft de aanvraag betrekking op een minderjarige die de leeftijd van 12 maar nog niet die van 16 jaren heeft bereikt, dan behoeft de aanvraag de instemming van zowel de minderjarige als de wettelijke vertegenwoordiger, mits de minderjarige in

staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake. Weigert de wettelijke vertegenwoordiger in te stemmen met de aanvraag, dan zal het college de aanvraag toch in behandeling nemen als de jeugdhulp voor de minderjarige kennelijk nodig is teneinde ernstig nadeel voor de minderjarige te voorkomen, alsmede indien de minderjarige ook na de weigering van de toestemming de jeugdhulp weloverwogen blijft wensen. 7. Heeft de aanvraag betrekking op een jeugdige met de leeftijd van 16 of 17 jaar, dan behoeft de aanvraag géén instemming van de wettelijk vertegenwoordiger, mits de jeugdige in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zaken. 8. Degenen die een aanvraag indienen voor een maatwerkvoorziening, tonen het college een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. 9. Als de aanvraag betrekking heeft op kosten voor jeugdhulp die de jeugdige of ouder voorafgaand aan de aanvraag heeft gemaakt, kan het college hier slechts een voorziening voor verstrekken: a. als op het moment van de aanvraag nog steeds sprake is van opgroei- of opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen waarvoor de hulp is ingezet, en b. voor zover het college de noodzaak, adequaatheid en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen.

10. Het college kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de procedure voor de aanvraag van een maatwerkvoorziening. Artikel 6 Toegang en besluit 1. Het college, of de daartoe gemandateerde organisatie, legt de beslissing omtrent het al dan niet verlenen van een maatwerkvoorziening vast in een beschikking. 2. Het college, of de daartoe gemandateerde organisatie, neemt het besluit als bedoeld in het eerste lid op grond van de aanvraag als bedoeld in artikel 5 en het onderzoek als bedoeld in artikel 8. 3. In spoedeisende gevallen treft het college, of de daartoe gemandateerde organisatie, zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen 72 uur een passende voorziening. Het college, of de daartoe gemandateerde organisatie, legt de beslissing omtrent de inzet van hulp in dat geval zo snel mogelijk, doch in ieder geval binnen twee weken na de start van de hulp, vast in een beschikking. 4. Het college, of de daartoe gemandateerde organisatie, draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts, als en voor zover de jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is. Het college, of de daartoe gemandateerd organisatie, legt de te verlenen maatwerkvoorziening vast in een beschikking. 5. Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp die de gecertificeerde instelling nodig

Toegang en besluit zijn uiteengezet in verschillende artikelen in de nieuwe verordening, zie paragraaf 1 en paragraaf 2 van hoofdstuk 4 (nieuw). Daarnaast is er gekozen voor de volgorde op grond van de stappen van het te doorlopen proces. Beginnend bij de het onderzoek, zie artikel 8.

Zie artikel 11 (nieuw).

acht bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering. Tevens draagt het college zorg voor de inzet van jeugdhulp die de rechter, de officier van justitie, de directeur van de justitiële jeugdinrichting (JJI) of de selectiefunctionaris van de JJI nodig acht bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing. Hiervoor verleent het college geen beschikking. 6. Een besluit tot toekenning van een maatwerkvoorziening kan, nadat de reden is nagegaan, worden ingetrokken, als de jeugdige of zijn ouders zich niet binnen drie maanden na de besluitdatum hebben gemeld bij een jeugdhulpaanbieder. Zie tevens artikel 8 (oud). Artikel 7 Inhoud beschikking 1. In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt aangegeven of deze als voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt. 2. Bij het verstrekken van een voorziening in natura vermeldt de beschikking in ieder geval; a. welke maatwerkvoorziening verstrekt wordt en wat het beoogde resultaat daarvan is; b. de ingangsdatum en duur van de verstrekking; c. de termijn waarna de beschikking wordt ingetrokken; zoals vermeld onder artikel 6 lid 6 van deze verordening; d. hoe de voorziening wordt verstrekt, en indien van toepassing;

Lid 2 sub c en d vervallen. Sub c is opgenomen in artikel 24 lid 4 (nieuw). Sub d is reeds ingebakken in sub a.

Paragraaf 1.1 Beoordeling Artikel 8 Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren 1. Het college onderzoekt in een gesprek met de jeugdige of zijn ouders zo spoedig mogelijk de hulpvraag, hierbij wordt rekening gehouden met: a. wat de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouders is;

e. welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn. 3. Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een pgb vermeldt de beschikking in ieder geval: a. aan welk resultaat het pgb moet worden besteed; b. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; c. de hoogte van het pgb en hoe deze is bepaald; d. de duur van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld; e. de termijn waarna de beschikking wordt ingetrokken, zoals vermeld onder artikel 6 lid 6 van deze verordening; f. de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb. 4. Bij het besluit wordt aan de belanghebbende informatie verstrekt over de rechten en de plichten van de jeugdige en zijn ouders op grond van de wet, de verordening en de nadere regels. Paragraaf 3 Beoordeling Artikel 8 Onderzoek 1. Het college, of de daartoe gemandateerde organisatie, onderzoekt in een gesprek met de jeugdige of zijn ouders zo spoedig mogelijk de hulpvraag, hierbij wordt rekening gehouden met: a. de behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren, veiligheid, ontwikkeling en

De vier stappen van de CRvB 1 mei 2017 zijn hier opgenomen, zodat een zorgvuldige procedure gewaarborgd wordt.

b. de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de jeugdige, de veiligheid en ontwikkeling van de jeugdige en de gezinssituatie; c. of sprake is van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptiegerelateerde problemen. 2. Als sprake is van problemen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, dan onderzoekt het college achtereenvolgens: i. welke problemen of stoornissen dat zijn; ii. welke hulp naar aard en omvang nodig is voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren; iii. of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouders en van het sociaal netwerk toereikend zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden; iv. voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen

gezinssituatie van de jeugdige of zijn ouders en het probleem of de hulpvraag; b. het gewenste resultaat van het verzoek om jeugdhulp; c. de mogelijkheden om gebruik te maken van een andere voorziening; d. de mogelijkheden om de hulpvraag te beantwoorden door het inzetten van een algemene voorziening; e. de mogelijkheden om een maatwerkvoorziening te verstrekken; f. de mogelijkheden om de hulpvraag te beantwoorden met gebruikelijke hulp; g. de wijze waarop een mogelijk toe te kennen maatwerkvoorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, of werk en inkomen; h. hoe rekening kan worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders. 2. Het college, of de daartoe gemandateerde organisatie, dient na onderzoek vast te stellen of er sprake is van opgroei- en/of opvoedingsproblemen en welke problemen en/of stoornissen dit zijn. 3. Het college, of daartoe gemandateerde organisatie, dient na vaststelling van eventuele opgroeien/of opvoedingsproblemen te bepalen

ontoereikend zijn, de mogelijkheden om met de inzet van een algemene voorziening of maatwerkvoorziening te voorzien in de nodige ondersteuning, hulp en zorg; v. hoe bij de bepaling van de aangewezen vorm van jeugdhulp zo goed mogelijk rekening kan worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders; en vi. indien van toepassing, hoe de toekenning van een maatwerkvoorziening zo goed mogelijk kan worden afgestemd op andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen. 3. Wanneer de jeugdige of zijn ouders reeds een familiegroepsplan opgesteld hebben, vormt dit het uitgangspunt voor het gesprek zoals bedoeld in het eerste lid. 4. Het college wijst voor het onderzoek op de mogelijkheid om gebruik te maken van een vertrouwenspersoon als bedoeld in artikel 2.5, van de wet en van gratis cliëntondersteuning als bedoeld in artikel 2.2.4, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.

4. 5.

6.

7.

welke hulp naar aard en omvang noodzakelijk is voor de jeugdige of het gezin. Ten slotte dient tevens onderzocht te worden welke hulp geboden kan worden vanuit ouders en/of het sociale netwerk. Het college, of de daartoe gemandateerde organisatie kan informatie inwinnen bij andere instanties, zoals de huisarts of het onderwijs, en met deze in gesprek gaan over de meest aangewezen hulp. Wanneer een maatwerkvoorziening aangewezen is, wordt de jeugdige of zijn ouders in begrijpelijke bewoordingen medegedeeld welke mogelijkheden bestaan om te kiezen voor een pgb en wat de gevolgen van die keuze zijn. Het college kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de inhoud van en de wijze waarop het onderzoek wordt uitgevoerd.

5. Het college en de jeugdige of zijn ouders leggen de zaken genoemd in het eerste lid en het tweede lid vast in een ondersteuningsplan. 6. In het ondersteuningsplan worden afspraken opgenomen over het moment en de wijze waarop de resultaten van het ondersteuningsplan met de jeugdige of zijn ouders, het college en de jeugdhulpaanbieder besproken worden. 7. Het ondersteuningsplan wordt, voor zover van toepassing voor een effectieve uitvoering van de maatwerkvoorziening, door de jeugdige of zijn ouders, of in voorkomende gevallen door het college gedeeld met de betrokken jeugdhulpaanbieder met inachtneming van de geldende privacyregelgeving. Artikel 9 Beoordeling eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen 1. Het college neemt bij de beoordeling van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen zoals bedoeld in artikel 8 tot uitgangspunt dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders zelf ligt en dat de hulp die daarvoor nodig is in beginsel ook door hen geleverd kan worden. Dit is ook het geval als sprake is van psychische problemen of stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of beperkingen. Dit uitgangspunt is gebaseerd op de artikelen 82 en 247, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Uit het onderzoek kan

Naar aanleiding van de uitspraak van 29 mei 2024 van de Centrale Raad van Beroep, dient in de verordening gedefinieerd te worden – op grond van art. 2.9 en 2.3 Jeugdwet – wat het college verstaat onder ‘de eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen’.

blijken dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouders niet toereikend is, bijvoorbeeld omdat sprake is van: a. (een) geobjectiveerde beperking(en) om noodzakelijke hulp te bieden; b. een gebrek aan kennis of vaardigheden om noodzakelijke hulp te bieden; c. het op permanent toezicht aangewezen zijn van de jeugdige ter voorkoming van escalatie of ernstig nadeel en waarvoor geen Wlz-aanspraak bestaat of het op 24 uur per dag zorg in de nabijheid aangewezen zijn van de jeugdige, omdat de jeugdige zelf niet in staat is om op relevante momenten hulp in te roepen om ernstig nadeel voor hem zelf te voorkomen en waarvoor geen Wlzaanspraak bestaat; d. overbelasting of dreigende overbelasting, waardoor geen noodzakelijke hulp kan worden verwacht van de ouders of van het sociaal netwerk totdat deze belasting of dreigende overbelasting is opgeheven. 2. Bij de beoordeling van de overbelasting bedoeld in het eerste lid onder d, wordt ook vastgesteld welke mogelijkheden de ouders hebben om de overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen, waarbij redelijkerwijs verwacht mag worden dat de ouders maatschappelijke activiteiten beperken en betaalde arbeid verminderen of anders

organiseren om overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen. Hierbij houdt het college ook rekening met: a. de behoefte en mogelijkheden van de jeugdige; b. de duur van de inzet; c. de planbaarheid van de hulp; d. de benodigde ondersteuningsintensiteit; e. de samenstelling van het gezin en de woonsituatie; f. de noodzaak van de ouders om in een inkomen te voorzien. Artikel 10 Criteria maatwerkvoorzieningen 1. Een jeugdige of ouders kunnen binnen de kaders van de Jeugdwet en deze verordening in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening wanneer door het college of een andere wettelijke verwijzer is vastgesteld dat: a. een maatwerkvoorziening aangewezen is gezien de aard en ernst van de hulpvraag; b. de jeugdige zelf, of met zijn ouders of andere personen uit zijn sociaal netwerk, geen afdoende oplossing voor zijn hulpvraag kan vinden; c. een algemene voorziening niet adequaat is voor de oplossing van de hulpvraag; d. de jeugdige of de ouders geen aanspraak kunnen maken op een

Artikel 9 Criteria maatwerkvoorzieningen 1. Jeugdigen of ouders kunnen slechts in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening voor zover: a. zij zelf geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag binnen hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen, waaronder in ieder wordt verstaand gebruikelijk hulp of hulp van andere personen uit het sociale netwerk; b. zij geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag door gebruik te maken van een algemene voorziening, of c. zij geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag door gebruik te maken van een andere voorziening. 2. Het college kan nadere regels stellen ter verdere uitwerking van de algemene criteria, zoals genoemd in het eerste lid, of ter bepaling van

Er is gekozen om, in lijn met VNG, niet meer te spreken van ‘gebruikelijk en boven gebruikelijke hulp’, maar over de draagkracht en draaglast van ouders. Met de reden dat de criteria van maatwerkvoorzieningen tot de essentialia behoren van de verordening, zijn deze opgenomen in de verordening en wordt niet meer verwezen naar de nadere regels.

2.

3.

4.

5.

andere voorziening om de hulpvraag volledig te beantwoorden. De inzet van een maatwerkvoorziening is in beginsel tijdelijk en gericht op herstel en versterking van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of diens ouders. Het college treft geen maatwerkvoorziening voor zover er naar haar oordeel sprake is van voldoende eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen. Een maatwerkvoorziening voor jeugdhulp wordt alleen toegekend als de inzet van de voorziening naar het oordeel van het college doeltreffend geacht kan worden. Om doeltreffend te zijn geldt in ieder geval dat: a. de in te zetten voorziening bijdraagt aan het oplossen van de hulpvraag; b. de in te zetten voorziening behoudens het bepaalde in artikel 2.4 tweede lid sub b van de wet – waar beschikbaar – een bewezen effectieve interventie is; c. de in te zetten voorziening nooit een bewezen niet effectieve interventie is. Er is sprake van bewezen effectieve voorzieningen als de interventie(s) zijn opgenomen als zijnde ‘erkend’ in: a. de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut; b. de zorgstandaarden van de GGZ Standaarden;

specifieke criteria voor bepaalde maatwerkvoorzieningen.

c. de databank voor interventies gericht op jeugdigen met een beperking (databank interventies gehandicaptenzorg). 6. Indien er meerdere adequate maatwerkvoorzieningen zijn, verstrekt het college de goedkoopste en tijdig beschikbare maatwerkvoorziening. 7. In situaties waarbij ouders begeleiding, behandeling of ondersteuning ten gevolge van maatschappelijke of eigen psychische of relationele problemen nodig hebben en er naar het oordeel van het college geen sprake is van een hulpvraag als bedoeld in deze verordening, komt een jeugdige of zijn ouders niet in aanmerking voor een door het college te verlenen maatwerkvoorziening als bedoeld in deze verordening. 8. Het voorgaande lid is niet van toepassing als er parallel aan een hulpvraag sprake is van meervoudige problematiek in de context van het gezin. Artikel 11 Inhoud beschikking 1. In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt opgenomen of deze als voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt. 2. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval opgenomen: a. wat de te verstrekken maatwerkvoorziening is en wat de omvang en het beoogde resultaat daarvan zijn;

Zie artikel 7 (oud).

b. wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is; en c. indien van toepassing, welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn. 3. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking in ieder geval opgenomen: a. voor welk resultaat het pgb moet worden aangewend; b. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; c. wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen; d. welke voorwaarden aan het pgb verbonden zijn; e. wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld; en f. de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb. 4. Het ondersteuningsplan, zoals bedoeld in artikel 8, maakt in zijn geheel deel uit van de beschikking. Artikel 12 Kwaliteitseisen toegang jeugdhulp 1. Het college wint, met in achtneming van artikel 2.1, van het Besluit Jeugdwet, een specifiek deskundig oordeel en advies in, als het onderzoek of de beoordeling van een aanvraag dit vereist. 2. Het in het eerste lid bedoelde advies wordt uitgebracht door of onder verantwoordelijkheid van een adviseur die beschikt over een registratie als professional:

Op grond van CRvB 29 mei 2024 moet ook de kwaliteit van de toegang opgenomen worden in de verordening.

a. bij de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd in het kwaliteitsregister jeugd; b. bij het Nederlands Instituut van Psychologen in het register Kinder- en Jeugdpsychologen; of c. op grond van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in het BIGregister. 3. Het college treft voorzieningen waarmee is gewaarborgd dat het onderzoek en de voorbereiding van de besluitvorming via het college op zorgvuldige wijze plaatsvindt. Hieronder wordt in het bijzonder verstaan dat het college voorzieningen treft die voorkomen dat de (toekomstige) jeugdhulpaanbieder tevens het advies geeft over de toe te kennen jeugdhulp of een daarop betrekking hebbend besluit neemt. Paragraaf 2 Toegang jeugdhulp niet via het college Artikel 13 Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts 1. Het college draagt zorg voor de inzet van Zie artikel 5 lid 3 jo. Artikel 6 lid 4 (oud). jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts, overeenkomstig artikel 2.6 eerste lid onderdeel e van de wet, naar een gecontracteerde jeugdhulpaanbieder, als en voor zover genoemde verwijzer van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is. 2. Jeugdhulp die na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts aan een jeugdige of zijn ouders is verleend door een

De verschillende wegen tot toegang zijn apart opgenomen in bepalingen, zodat dit overzichtelijker is.

aanbieder van jeugdhulp die geen contract of subsidierelatie met het college heeft, komt niet voor vergoeding door het college in aanmerking als het college soortgelijke jeugdhulp kan laten leveren door een jeugdhulpaanbieder waarmee het college wel een contract- of subsidierelatie heeft. 3. De jeugdhulpaanbieder houdt zich bij het beoordelen van de hulpvraag na een verwijzing aan de regels in deze verordening en de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie. Artikel 14 Toegang jeugdhulp via de gecertificeerde instelling of kinderrechter Het college zorgt conform de wet voor inzet van Zie artikel 5 lid 3 jo. artikel 6 lid 5 (oud). de jeugdhulp die de rechter of de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel, die de rechter, het openbaar ministerie, de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts of de directeur van de justitiële inrichting nodig achten bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing, of die de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van jeugdreclassering. Artikel 15 Algemene weigeringsgronden 1. Een jeugdige of ouders komen niet in aanmerking voor een maatwerkvoorziening als: a.

De jeugdige of ouders aanspraak maken op een andere- of overige voorziening die voorziet in de ondersteuningsbehoefte, of de mogelijkheid bestaat dat zij aanspraak

De verschillende wegen tot toegang zijn apart opgenomen in bepalingen, zodat dit overzichtelijker is.

De weigeringsgronden ontbraken in de oude verordening.

kunnen maken op een voorliggende voorziening die voorziet in de ondersteuningsbehoefte, maar zij hiervoor geen aanvraag wensen in te dienen. Voorziet de voorliggende voorziening gedeeltelijk in de ondersteuningsbehoefte dan kan aanvullend alsnog een maatwerkvoorziening worden afgegeven. b. De jeugdige of ouders onvoldoende meewerken aan het onderzoek waardoor het college geen juist onderzoek kan uitvoeren en hierdoor de ondersteuningsbehoefte niet op een juiste wijze kan vaststellen. c. De maatwerkvoorziening niet voldoet aan de eisen met betrekking tot kwaliteit zoals bedoeld in paragraaf 4.1 van de wet en artikel 5.1.1. Besluit Jeugdwet. 2. Indien de aanvraag betrekking heeft op kosten voor jeugdhulp die de jeugdige of ouders voorafgaand aan de aanvraag hebben gemaakt dan worden deze kosten niet vergoed. Artikel 16 Weigeringsgronden gelegen in de specifieke aanbieder van de jeugdhulp 1. Het is niet toegestaan om jeugdhulp in te zetten van aanbieders: a. Die buitenlands hulpaanbod hebben en niet voldoen aan het afsprakenkader buitenlands jeugdhulp. b. Zorg en ondersteuning buiten EERlanden.

De weigeringsgronden ontbraken in de oude verordening.

c. Waarvan in de voorgaande vijf jaar het contract door het college is ontbonden wegens niet voldoen aan de contractuele voorwaarden. d. Die geen gegevens heeft aangeleverd voor de jaarverantwoording in de zorg, tenzij wordt voldaan voor de uitzondering voor solistisch werkende jeugdhulpverleners. e. Die niet voldoen aan de Wet normering topinkomens. f. Waar geen SKJ of BIG geregistreerde professionals werkzaam zijn, met uitzondering van aanbieders van vervoer. 2. Het college kan besluiten de inzet van een jeugdhulpaanbieder niet toe te staan als de aanbieder een actieve aanwijzing of herstelopdracht van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd heeft. Paragraaf 3 Aanvullende regels persoonsgebonden budget Artikel 17 Het persoonsgebonden budget 1. Indien de jeugdige of zijn ouders zich in het gesprek zoals bedoeld in artikel 8, eerste lid, gemotiveerd op het standpunt stellen dat zij de maatwerkvoorziening die het college via de gecontracteerde jeugdhulpaanbieder beschikbaar stelt niet passend achten en een pgb wensen, dan dienen zij hiertoe in aanvulling op het ondersteuningsplan een pgb-plan op te stellen. 2. In het plan zoals genoemd in het vorige lid is in ieder geval opgenomen:

Paragraaf 3.1 Beoordeling persoonsgebonden budget Artikel 10 Voorwaarden pgb 1. Het college kan een pgb toekennen aan de jeugdige, dan wel zijn ouders/ verzorgers, indien: a. de jeugdige dan wel zijn ouders/verzorgers een ondersteuningsplan/familiegroepsplan hebben opgesteld, waarin onder ander benoemd is: 1. Dat individuele jeugdhulp nodig is; 2. Hoe het pgb besteed gaat worden; 3. Welke resultaten behaald gaan worden met het pgb;

Artikel is herzien. Het doel van het ondersteuningsplan/familiegroepsplan is niet het uiteenzetten waarom een pgb toegekend dient te worden, hiervoor dient het pgb-plan. Deze is opgenomen in het nieuwe artikel. Kwaliteitseisen (lid 4, oud) bij een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb is opgenomen in artikel 21 (nieuw).

a. de motivatie waarom zorg in natura niet passend en een persoonsgebonden budget gewenst is; b. welke jeugdhulp de jeugdige of zijn ouders willen inkopen met een pgb, wat het beoogde resultaat is en wanneer en hoe wordt geëvalueerd; c. de voorgenomen uitvoerder van de maatwerkvoorziening en de wijze waarop de jeugdhulp georganiseerd wordt; d. op welke wijze de kwaliteit van de in te kopen jeugdhulp is gewaarborgd; e. de kosten, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief, van de uitvoering; f. de motivatie ten aanzien van de pgbvaardigheid aan de hand van de tien punten benoemd in artikel 20 van deze verordening. 3. Het college beoordeelt of de in te kopen maatwerkvoorziening die de jeugdige of zijn ouders met een pgb wensen in te kopen van goede kwaliteit, en dus veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht is.

Artikel 18 Verstrekken van persoonsgebonden budget

b. de jeugdige dan wel zijn ouders/verzorgers in staat worden geacht tot een redelijke waardering van de belangen ter zake; c. de jeugdige dan wel zijn ouders/verzorgers kunnen motiveren dat de door het college gecontracteerde individuele jeugdhulpvoorzieningen niet passend zijn; d. de jeugdhulp die met het pgb wordt ingekocht volgens het college van voldoende kwaliteit is. 2. De jeugdige dan wel ouders/verzorgers worden geacht voldoende in staat te zijn tot een redelijke waardering van de belangen ter zake, als zij zelfstandig of met behulp van het netwerk, dan wel curator, bewindvoerder of gemachtigde: a. duidelijk kunnen maken welke problemen worden ervaren en bij welke ondersteuning zij gebaat zouden zijn; b. de taken, die aan het pgb zijn verbonden, op verantwoorde wijze kunnen uitvoeren. 3. De budgethouder of gemachtigde budgethouder mag niet tevens de zorgverlener van de jeugdige zijn, tenzij het om de ouder of verzorger van de jeugdige gaat. 4. Jeugdhulp geboden door professionele en specialistische jeugdhulpaanbieders moet om als jeugdhulp van voldoende kwaliteit beoordeeld te worden in ieder geval voldoen aan de eisen die de Jeugdwet aan de aanbieders van jeugdhulp in natura worden gesteld. Artikel 11 Ondersteuningsplan

1. Het college verstrekt een pgb als: a. de jeugdige of zijn ouders zich gemotiveerd op het standpunt stellen dat zij de maatwerkvoorziening die wordt geleverd door een door het college gecontracteerde aanbieder, niet passend achten; b. uit de beoordeling van de pgb-vaardigheid met inachtneming van artikel 20 blijkt dat de budgethouder of, indien van toepassing, de budgetbeheerder in staat is uitvoering te geven aan de eisen die het beheer van een pgb met zich meebrengt; en c. naar het oordeel van het college met inachtneming van artikel 21 is gewaarborgd dat de jeugdhulp die tot de maatwerkvoorziening behoort en die de jeugdige of zijn ouders van het budget willen betrekken, van goede kwaliteit is en in voldoende mate zal bijdragen aan het bereiken van het in het pgb-plan opgenomen beoogde resultaat. 2. Het college verstrekt geen pgb als er twijfels zijn over de integriteit van de voorgenomen uitvoerder van de jeugdhulp, wat zich in ieder geval voordoet indien de voorgenomen uitvoerder van de jeugdhulp in de vijf jaar voorafgaande aan de aanvraag: a. fraude, in de zin van opzettelijke misleiding om financieel voordeel te verkrijgen, heeft gepleegd;

Als een jeugdige dan wel zijn ouders/verzorgers de jeugdhulp zelf wenst in te kopen met een pgb, dient daartoe een ondersteuningsplan te worden ingediend. In dit plan wordt door de jeugdige dan wel zijn ouders/verzorgers aangegeven: a. wat hij met het pgb wenst in te kopen en welk resultaat hij wenst te behalen; b. waarom hij de ondersteuning in de vorm van een pgb wenst te ontvangen en waarom de inzet van een door de gemeente gecontracteerde jeugdhulpaanbieder niet passend is; c. hoe hij de ondersteuning wenst te organiseren en de voorgenomen uitvoerder van de individuele voorziening; d. op welke wijze de kwaliteit van de ondersteuning is gewaarborgd; e. een onderbouwde begroting.

Artikel 11 (oud) is opgenomen in artikel 17 (nieuw). Volledigheidshalve is artikel 18 (nieuw) toegevoegd.

b. betrokken is geweest bij strafbare feiten of overtredingen heeft begaan die de veiligheid en de kwaliteit van de hulp in gevaar brengen; c. veroordeeld is wegens het plegen van strafbare feiten tot een gevangenisstraf; d. op basis van een Bibob-toets door het college is geweigerd. 3. Het college weigert een persoonsgebonden budget conform artikel 8.1.1, vierde lid, van de wet als: a. De kosten van het betrekken van de jeugdhulp van derden hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening; of b. Indien het college eerder toepassing heeft gegeven aan de gronden opgenomen in artikel 24, tweede lid, sub a, d of e van deze verordening. Zie artikel 23 (nieuw).

Artikel 12 Kosten die zijn uitgesloten De volgende kosten zijn uitgesloten voor vergoeding vanuit een pgb: a. Kosten voor bemiddeling. b. Kosten voor coördinatie. c. Kosten voor crisishulp/crisisopvang. d. Kosten voor een vrij besteedbaar bedrag en vrijwilligersvergoeding. e. Kosten voor het voeren van een pgbadministratie. f. Kosten voor feestdagenuitkering en een eenmalige uitkering. g. kosten voor tussenpersonen of belangenbehartigers.

Artikel 19 Onderscheid formele en informele hulp binnen het persoonsgebonden budget 1. Van formele hulp is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad van de budgethouder: a. personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007), en die beschikken over de relevante diploma's die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken; of

h. kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb. Artikel 13 Sociaal netwerk De persoon aan wie een pgb wordt verstrekt kan de jeugdhulp betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk, voor zover: 1. de geboden hulp passend, adequaat en veilig is; 2. de personen uit het sociale netwerk die de hulp gaan verlenen, zich voldoende op de hoogte hebben gesteld van de verantwoordelijkheden die aan het bieden van jeugdhulp verbonden zijn; 3. er bij de personen uit het sociale netwerk die de hulp gaan bieden geen sprake is van overbelasting; 4. de in te zetten jeugdhulp geen ggz-behandeling betreft. Artikel 14 Onderscheid formele en informele 1. Van formele hulp is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad van de budgethouder: a. personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007), en die beschikken over de relevante diploma's die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of b. personen die aangemerkt zijn als Zelfstandige zonder personeel. Daarnaast

Vervallen en opgenomen in ‘onderscheid formele en informele hulp binnen het persoonsgebonden budget’.

In lid 3 is verduidelijkt dat het hier om sociaal netwerk gaat.

b. personen die aangemerkt zijn als Zelfstandige zonder personeel. Daarnaast moeten ze ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en beschikken over de relevante diploma's die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken; of c. personen die ingeschreven staan in het register, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG-register) en/of artikel 5.2.1 van het Besluit Jeugdwet, voor het uitoefenen van een beroep voor het verlenen van jeugdhulp. 2. Indien de jeugdhulp geboden wordt door een bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad van de budgethouder, is altijd sprake van informele hulp, omdat zij onderdeel uitmaken van het sociaal netwerk. 3. Indien de hulp wordt verleend door een andere persoon dan beschreven in lid 1 onder a, b of c, is sprake van informele hulp. Artikel 20 Pgb-vaardigheid Om aan de voorwaarden voor pgb-vaardigheid te voldoen dient de beoogd budgethouder, al dan niet met hulp vanuit het sociaal netwerk of, indien van toepassing, een budgetbeheerder, in ieder geval:

moeten ze ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en beschikken over de relevante diploma's die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of c. personen die ingeschreven staan in het register, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG-register) en/of artikel 5.2.1 van het Besluit Jeugdwet, voor het uitoefenen van een beroep voor het verlenen van jeugdhulp. 2. Indien de jeugdhulp geboden wordt door een bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad van de budgethouder, is altijd sprake van informele hulp. 3. Indien de hulp wordt verleend door een andere persoon dan beschreven in lid 1 onder a, b of c, is sprake van informele hulp.

De door het VWS opgestelde 10 punten tot pgb-vaardigheid zijn hier opgenomen (https://open.overheid.nl/documenten/ronl277e25d6-4c27-4356-89502f1e9f27e89b/pdf).

a. een duidelijk beeld te hebben van de hulpvraag; b. op de hoogte te zijn van de regels en verplichtingen die horen bij het pgb of deze weet te vinden; c. in staat te zijn om een overzichtelijke pgbadministratie bij te houden; d. voldoende vaardig te zijn om te communiceren met de gemeenten, de SVB en de hulpverleners; e. in staat te zijn zelfstandig te handelen en onafhankelijk voor een hulpverlener te kiezen; f. in staat te zijn om afspraken te maken en vast te leggen en om dit te verantwoorden aan het college; g. in staat te zijn om te beoordelen en te beargumenteren of de geleverde zorg passend en kwalitatief goed is; h. in staat te zijn de inzet van hulpverleners te coördineren, waardoor de zorg door kan gaan, ook bij verlof en ziekte; i. in staat te zijn om als werk- of opdrachtgever de hupverleners aan te sturen en aan te spreken op hun functioneren; en j. voldoende kennis te hebben over het werk- of opdrachtgeverschap of deze kennis weten te vinden. Artikel 21 Kwaliteitseisen maatwerkvoorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget 1. Ter waarborging van de kwaliteit van de met een pgb in te kopen maatwerkvoorziening

Artikel 10 lid 4 (oud).

Ruimer uiteengezet in de nieuwe verordening. In lijn met paragraaf 4.1 Jeugdwet.

voldoet de uitvoerder van de jeugdhulp aan de volgende eisen: a. beschikt over een geldige Verklaring Omtrent Gedrag (VOG); b. beschikt over de juiste vaardigheden en deskundigheid om verantwoorde hulp te bieden; c. houdt een deugdelijke administratie bij met een registratie van de geleverde hulp; d. is voldoende vaardig om in de Nederlandse taal te communiceren; e. werkt volgens een plan waarin activiteiten en doelen zijn vastgelegd; f. voert de hulp uit in overeenstemming met de beschikking van het college; g. stemt de hulp af op de persoonlijke situatie van de jeugdige of zijn ouders; h. stemt de hulp af op andere voorzieningen, algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen waar de jeugdige of zijn ouders gebruik van maken; i. respecteert de privacy van de jeugdige of zijn ouders en gaat vertrouwelijk om met informatie over de persoonlijke situatie; j. neemt bij vermoedens van huiselijk geweld of kindermishandeling in het huishouden van de jeugdige of zijn ouders voor advies of het doen van een melding contact op met Veilig Thuis; k. meldt calamiteiten en geweldsincidenten bij de verlening van jeugdhulp aan het college;

l.

werkt mee aan toezicht en aangekondigd en onaangekondigd onderzoek door het college of daartoe aangewezen derden op inhoudelijke kwaliteit en op rechtmatigheid; en m. is of raakt door verlening van de jeugdhulp naar het oordeel van het college niet overbelast. 2. Ter waarborging van de kwaliteit van de met een pgb in te kopen maatwerkvoorziening voldoet de uitvoerder van formele jeugdhulp aan de volgende aanvullende eisen: a. hetgeen is bepaald in artikel 19, eerste lid; b. handelt in overeenstemming met de professionele standaard; c. werkt op basis van een hulpverleningsplan; d. werkt met een systeem voor kwaliteitsbewaking; e. hanteert de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling, de meldplicht calamiteiten en de meldplicht geweld bij de verlening van jeugdhulp; en f. stelt een vertrouwenspersoon in staat zijn taak uit te voeren. 3. Er wordt geen pgb voor informele jeugdhulp verstrekt als de inzet van een formele jeugdhulpaanbieder noodzakelijk is conform het afwegingskader voor een verantwoorde werktoedeling zoals opgenomen in het Kwaliteitskader Jeugd. Artikel 22 Hoogte van het persoonsgebonden budget

Artikel 15 De hoogte van het pgb

1. De hoogte van het pgb voor formele hulp bedraagt maximaal 100% van het tarief voor de door het college gecontracteerde jeugdhulp in natura. 2. Als op basis van het door de jeugdige of zijn ouders ingediende pgb-plan passende en toereikende jeugdhulp voor een lager tarief kan worden ingekocht dan in het eerste lid beschreven, is dit lagere tarief van toepassing. 3. Het tarief voor een pgb voor informele hulp wordt vastgesteld op het bedrag dat in die situatie gehanteerd wordt bij de uitvoering van de Wet langdurige zorg. 4. Indien er sprake is van logeeropvang door een hulp uit het sociaal netwerk als bedoeld in artikel 8ab van de Regeling Jeugdwet geldt een tegemoetkoming van € 60,- per etmaal, met een maximum van € 141,- per kalendermaand. 5. Het maximale tarief voor vervoer bedraagt: a. indien de jeugdige per auto wordt vervoerd, de maximale belastingvrije reiskostenvergoeding, er is dan sprake van informeel vervoer; b. indien de jeugdige per (rolstoel)taxi wordt vervoerd, de maximale tarieven voor taxivervoer uitgegaan van de tarieven per kilometer conform de kortste route van de ANWB-routeplanner. 6. De berekende bedragen zoals bedoeld in lid 1 worden afgerond op een bedrag dat deelbaar is door 24.

1. De hoogte van het pgb voor formele hulp bedraagt 75% van het tarief voor gecontracteerde jeugdhulp in natura, mits dit toereikend is. 2. De hoogte van het pgb voor formele hulp bedraagt 75% van het tarief voor gecontracteerde jeugdhulp in natura, tenzij op basis van het door de jeugdige en/of zijn ouders ingediende ondersteuningsplan passende en toereikende jeugdhulp voor een lager tarief kan worden ingekocht. 3. Het tarief voor een pgb voor informele hulp wordt vastgesteld op het bedrag dat in die situatie gehanteerd wordt bij de uitvoering van de Wet langdurige zorg. 4. Het maximale tarief voor vervoer is: a. indien de jeugdige per auto wordt vervoerd, € 0,19 per kilometer; b. indien de jeugdige per (rolstoel)taxi wordt vervoerd, wordt voor de maximale tarieven voor taxivervoer uitgegaan van de tarieven genoemd op de website www.kilometerafstanden.nl.

Herzien en in lijn met verordening Wmo. Informeel logeren is opgenomen en het tarief onder lid 5 sub a (herzien) is herzien, op deze wijze dat wanneer dit tarief aan verandering onderhevig is, niet de gehele verordening herzien hoeft te worden.

7. Wanneer de tarieven geïndexeerd worden, draagt het college zorg voor de kenbaarheid van de nieuwe tarieven. Artikel 23 Kosten die zijn uitgesloten De volgende kosten zijn uitgesloten voor vergoeding vanuit een pgb: a. Kosten voor bemiddeling; b. Kosten voor coördinatie; c. Kosten voor crisishulp/crisisopvang; d. Kosten voor een vrij besteedbaar bedrag en vrijwilligersvergoeding; e. Kosten voor het voeren van een pgbadministratie; f. Kosten voor feestdagenuitkering en een eenmalige uitkering; g. Kosten voor tussenpersonen of belangenbehartigers; h. Kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb; i. Zorg en ondersteuning die onder een andere wet dan de Jeugdwet valt; j. Zorg en ondersteuning (door aanbieders) buiten EER-landen.

Zie artikel 12 (oud).

Artikel 16 Nadere regels Het college stelt nadere regels vast aan de aan het pgb verbonden voorwaarden en verplichtingen.

Hoofdstuk 4 Gegevensverwerking Artikel 17 Privacy

Sub i en j toegevoegd.

Vervallen, er worden geen nadere regels meer opgesteld. De nadere regels (oud) zijn geïmplementeerd in de nieuwe verordening. Zie artikel 20 en artikel 17.

Hoofdstuk 5 Herziening, intrekking, terugvordering en controle Artikel 24 Herziening, intrekking en terugvordering 1. Degene aan wie krachtens deze verordening een maatwerkvoorziening is verstrekt, is verplicht op verzoek of direct uit eigen beweging aan het college mededeling te doen van feiten en omstandigheden waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een maatwerkvoorziening. 2. Het college kan een besluit, genomen op grond van deze verordening, herzien, intrekken of beëindigen als het college vaststelt dat: a. de jeugdige of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; b. de jeugdige of zijn ouders niet langer op de maatwerkvoorziening of het daarmee samenhangende pgb zijn aangewezen;

1. Het college verwerkt geen persoonsgegevens van een jeugdige of ouder, tenzij dit voor de uitvoering van de wet noodzakelijk is. 2. Het college legt de afspraken over het verwerken van persoonsgegevens vast in een werkinstructie. Hoofdstuk 5 Herziening, intrekking, terugvordering en controle Artikel 18 Herziening, intrekking en terugvordering

Reeds opgenomen in AVG en Jeugdwet, derhalve vervallen.

1. Degene aan wie krachtens deze verordening een maatwerkvoorziening is verstrekt, is verplicht op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling te doen van feiten en omstandigheden waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een maatwerkvoorziening. 2. Het college kan een besluit, genomen op grond van deze verordening, herzien, intrekken of beëindigen als het college vaststelt dat: a. de jeugdige of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; b. de jeugdige of zijn ouders niet langer op de maatwerkvoorziening of het daarmee samenhangende pgb zijn aangewezen; c. de maatwerkvoorziening of het daarmee samenhangende pgb niet meer toereikend is te achten;

Taalkundige aanpassingen. Sub f toegevoegd.

c. de maatwerkvoorziening of het daarmee samenhangende pgb niet meer toereikend is te achten; d. de jeugdige of zijn ouders niet voldoen aan de voorwaarden van de maatwerkvoorziening of e. de jeugdige of zijn ouders de maatwerkvoorziening of het daarmee samenhangende pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het is bestemd; f. de jeugdige of zijn ouders met het pgb jeugdhulp betrekken van een jeugdhulpaanbieder tegen wie bezwaren zijn ontstaan, als bedoeld in artikel 18, tweede lid. 3. Als het college een besluit op grond van het tweede lid, sub a, heeft herzien, ingetrokken of beëindigd kan het college de geldswaarde vorderen van het teveel of ten onrechte genoten maatwerkvoorziening in natura of het te veel of ten onrechte genoten pgb. 4. Het besluit kan ingetrokken worden, wanneer de jeugdhulpaanbieder niet binnen zes maanden na het afgeven van het besluit gestart is met de zorg of als blijkt dat het persoonsgebonden budget binnen zes maanden na toekenning niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. Artikel 25 Opschorting betaling uit het pgb 1. Het college kan de Sociale Verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15632974/1