Wmo verordening 2018 met vijfde wijziging
Tekst van het document
Gelet op het van toepassing zijnde hoofdstuk 9 van de Awb, waarin een uitvoerige regeling omtrent klachtbehandeling is gegeven, en ook het recht is neergelegd om na de afhandeling van de klacht de bevoegde ombudsman te verzoeken een onderzoek in te stellen, is in deze verordening geen afzonderlijke bepaling hierover opgenomen. Artikel 22. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, tweede lid, onder f, van de wet, waarin is bepaald dat in ieder geval moet worden bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn, vereist is. In dit artikel gaat het dus om medezeggenschap van cliënten tegenover de aanbieder. Voorheen moest de aanbieder voldoen aan de in de Wet klachtrecht cliënten en de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (Wmcz) gestelde regels. Onder de Wmcz werd inspraak tegenover de aanbieder reeds verwezenlijkt via de cliëntenraad. Onder de Wmo 2015 is het stellen van regels geheel aan gemeenten overgelaten. In het eerste lid is dit uitgewerkt door te bepalen dat aanbieders een regeling voor medezeggenschap dienen vast te stellen.
De aanbieder is ten aanzien van de aangeboden voorzieningen verplicht een medezeggenschapsregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder b, van de wet). In het tweede lid zijn instrumenten voor het college aangegeven om te zorgen dat de verplichting tot medezeggenschap door aanbieders goed wordt uitgevoerd.
48 van 60
Artikel 23. Betrekken van ingezetenen bij het beleid Deze bepaling geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, derde lid, van de wet. In het eerste lid is verwezen naar de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet vastgestelde inspraakverordening. Op deze manier wordt gewaarborgd dat er eenzelfde inspraakprocedure geldt voor het Wmo-beleid als op andere terreinen. De inspraak geldt voor alle ingezetenen. Dit is uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever, omdat iedereen op enig moment aangewezen kan raken op ondersteuning. Met het vierde lid wordt het aan het college overgelaten om de exacte invulling van de medezeggenschap vorm te geven. HOOFDSTUK 8: Overgangsrecht en slotbepalingen Artikel 24. Nadere regels en hardheidsclausule Juist omdat het in de Wmo om maatwerk gaat zal het college er niet aan ontkomen om, ook al is er een zorgvuldige afweging gemaakt, uiteindelijk toch te beoordelen of deze afweging niet leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. Deze afweging zal minder vaak voorkomen dan in normale omstandigheden te verwachten is. Immers, bij de afwegingen gaat het al om een zeer persoonlijke beoordeling. Als desondanks die zeer persoonlijke afweging toch nog sprake is van een niet billijke situatie is de hardheidsclausule een vangnet. Daarbij kan de aanvrager ook een beroep doen op deze clausule.
Wordt de hardheidsclausule vaker voor één onderwerp gebruikt dan kan men zich afvragen of het beleid terzake niet aangepast zou moeten worden. Artikel 25. Intrekking oude verordening en overgangsrecht In het tweede lid is overgangsrecht opgenomen voor lopende voorzieningen op basis van de oude verordening. Hierin is bepaald dat een cliënt recht houdt op de op grond van de oude verordening toegekende voorziening totdat een nieuw besluit op grond van de nieuwe verordening is genomen. Artikel 26. Inwerkingtreding en citeertitel Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.
[1] Bijvoorbeeld Handreiking aanbesteding Wmo, de wet Basistarieven en als onderdeel daarvan het Hulpmiddel onderbouwing bepaling tarief. Publicatie ActiZ,
49 van 60
Vereniging van Nederlandse Gemeenten en het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, 2013 en de Code verantwoordelijk marktgedrag thuisondersteuning (Kamerstukken II 2014/15, 34 104, nr. 70, blg-576970).
50 van 60
Bijlage 1: HHM normenkader Hulp bij het huishouden
51 van 60
Bijlage 2: CIZ Protocol Verzorging kleding / linnengoed Totaal
1 pers. 60 min 2 pers. 90 min Per week
Kleding en linnengoed sorteren en wassen in wasmachine Centrifugeren, ophangen, afhalen, Was drogen in droogmachine Vouwen, strijken, opbergen Ophangen/afhalen wasgoed Factoren meer minder werk • Aantal kinderen < 16 jaar + 30 min per kind per week. • Bedlegerige patiënten + 30 min. • Extra bewassing i.v.m. overmatige transpiratie, incontinentie, speekselverlies enz.: + 30 • min. Frequentie: eenmaal per week, huishoudens met kleine kinderen maximaal 3x per week.
52 van 60
Bijlage 3: Gebruikelijke hulp door kinderen Zoals bedoeld in artikel 9 van deze verordening •
Tot 5 jaar: leveren geen bijdrage aan de huishouding
•
Tussen 5 en 12 jaar worden naar hun eigen mogelijkheden betrokken bij lichte huishoudelijke taken als opruimen, tafel dekken/afruimen, afwassen/afdrogen, boodschappen doen, kleding in de wasmand doen.
•
Vanaf 13 jaar naast bovengenoemde taken kunnen zij hun eigen kamer op orde houden, bijvoorbeeld door de rommel op te ruimen, te stofzuigen en het bed te verschonen.
•
Van 18 tot 23 jaar: Van een volwassen gezonde huisgenoot wordt verwacht dat deze de huishoudelijke taken overneemt wanneer de ouder/verzorger uitvalt. Een 18-23 jarige wordt verondersteld een eenpersoonshuishouden te kunnen voeren, zoals in een studentenhuis. De huishoudelijke taken voor een eenpersoonshuishouden zijn: •
schoonhouden van sanitaire ruimte;
•
schoonhouden van de keuken en een kamer;
•
de was doen;
•
boodschappen doen;
•
maaltijd verzorgen;
•
afwassen en opruimen.
Te normeren naar 2 uur uitstelbare, zware huishoudelijke taken en 3 uur lichte, niet uitstelbare huishoudelijke taken per week. Daarnaast kunnen zij eventuele jongere gezinsleden verzorgen en begeleiden. Koken, de was doen en boodschappen doen in een meerpersoonshuishouden kosten ongeveer net zoveel tijd als in een eenpersoonshuishouden. Van een 18-23 jarige wordt dus verwacht dat hij deze taken kan uitvoeren, ongeacht de grootte van het huishouden. Er wordt niet van de 18-23 jarige verwacht dat hij alle overige huishoudelijke taken op zich neemt.
53 van 60
Bijlage 4: – Kwaliteitseisen aanbieders Zoals bedoeld in artikel 16, lid 3 van deze verordening
Nr 1
Veiligheid De voorziening is veilig (artikel 3.1, lid 2, sub a Wmo 2015)
Protocollen
De organisatie heeft werkinstructies en handelingsprotocollen. De instructies en protocollen zijn actueel. De organisatie kent een agressieprotocol. Het personeel is geschoold in het omgaan met agressie. De organisatie kent een medicatieprotocol. De organisatie kent een protocol drang- en dwangmaatregelen.
Medicatie (indien van toepassing )
Alle medicatie staat op naam van cliënten. Geen voorraden zonder naam, m.u.v. een werkvoorraad die voldoet aan de ‘handreiking werkvoorraad geneesmiddelen’. Personeel dat medicatie verstrekt is daartoe bekwaam, conform leidraad V&VN ‘Bekwaamdheid bij medicatie geven in de langdurige zorg’ Voor iedere cliënt is een actueel medicatieoverzicht (toedienlijst of deellijst) aanwezig. In het zorgplan van de cliënt is dit medicatieoverzicht (zonder doseringen) opgenomen, met vermelding van reden van gebruik. Medicatie wordt onder de goede condities bewaard en is niet toegankelijk voor onbevoegden. Hieraan is alleen voldaan als onderstaande elementen aanwezig zijn: • • • • •
• In de koelkast gescheiden van voedingsmiddelen; • In een afgesloten medicijnkast; • Opiaten in een afgesloten kast/kist gescheiden van de overige medicatie; • Sleutelbeheer is adequaat geregeld; • Houdbaarheidsdata zijn actueel.
Elk medicijn dat wordt toegediend wordt op datum en tijdstip afgetekend op een aftekenlijst.
54 van 60
Bij toediening van medicatie die niet in een GDS-verpakking zit (=baxter) en waarbij sprake is van aantoonbaar risico in geval van verkeerde dosering vindt aantoonbaar controle plaats door een tweede, bekwame persoon. Risicioinventarisa tie
Het zorgplan bevat een risico-inventarisatie op die onderwerpen die voor de cliënt van toepassing zijn De risico-inventarisatie leidt tot concrete begeleidingsafspraken ter preventie van de genoemde risico’s. Eventuele veiligheidsrisico’s en de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt zijn besproken met de cliënt en zijn/haar sociale netwerk.
Gebouw
De organisatie kent een brandveiligheids- en ontruimingsplan. Periodiek wordt ontruiming geoefend. Het gebouw en de inventaris zijn schoon en onderhouden.
Grensover schrijdend gedrag
Medewerkers zijn bekend met het beleid en de visie rondom vriendschap, intimiteit, seksualiteit en seksueel grensoverschrijdend gedrag, preventie van seksueel misbruik en het melden van seksueel misbruik. Medewerkers kunnen aantonen dat zij aandacht besteden aan vriendschap, intimiteit, seksualiteit en het voorkomen van seksueel grensoverschrijdend gedrag. Medewerkers zijn geïnstrueerd over en in staat tot het hanteren van de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling.
Overig
De organisatie heeft afspraken gemaakt over het gebruik van alcohol en verdovende middelen.
Nr 2
Doelmatigheid voorziening De voorziening is doelmatig, doeltreffend en cliëntgericht (artikel 3.1, lid 2, sub a, Wmo 2015)
Zorgplan
Alle cliënten hebben een actueel zorgplan. Een plan waaruit blijkt wat de kansen/mogelijkheden en ondersteuningsbehoeften zijn van de cliënt en welke voorziening wordt geboden. Dit plan is gebaseerd op de doelen die
55 van 60
door de consulent van de gemeente zijn opgesteld in het ondersteuningsplan. De cliënt heeft zijn/haar ondersteuningsvraag kunnen formuleren en is betrokken geweest bij het opstellen van het zorgplan. Het plan omvat een omschrijving van de vraag van het cliënt. Het zorgplan bevat een analyse van de problematiek en omschrijft de kansen/mogelijkheden van de cliënt (eigen kracht/sociale netwerk). Het zorgplan bevat concrete doelen en afspraken (wie, wanneer en wie) (SMART of PDCA-cyclus) Het zorgplan heeft instemming van de cliënt en is ondertekend door de cliënt of diens vertegenwoordiger. In het zorgplan staat de naam van de eerstverantwoordelijke vermeld. De eerstverantwoordelijke of diens vervanger is goed bereikbaar. De afspraken uit het zorgplan worden uitgevoerd/nagekomen. Afwijkingen van het zorgplan worden gemotiveerd toegelicht in het zorgplan en besproken met de cliënt en zijn/haar sociale netwerk. Sociaal netwerk
Het sociale netwerk van de cliënt wordt actief betrokken bij bijvoorbeeld het opstellen van het zorgplan, indien gewenst door de cliënt.
Evaluatie en verlenging
Het zorgplan wordt minimaal jaarlijks geëvalueerd. Van deze evaluatie wordt een verslag opgemaakt. De cliënt heeft het evaluatieverslag ondertekend. Het verslag wordt aan de gemeente gestuurd. De datum van de eerstvolgende evaluatie staat in het ondersteuningsplan genoteerd. Een evaluatie met een aanvraag voor verlenging van de indicatie wordt uiterlijk zes weken voor afloop van de indicatie aan de gemeente opgestuurd.
Ondersteu ning
De ondersteuning sluit aan op de reële behoefte en mogelijkheden van de cliënt en zijn/haar sociale netwerk. De zelfredzaamheid van de cliënt is toegenomen. De maatschappelijke participatie van de cliënt is toegenomen.
Signaleren
Signalen die duiden op mogelijke decompensatie of andere incidenten/calamiteiten worden vastgelegd in een signaleringsplan.
56 van 60
Uitstroom
Er wordt gewerkt richting de uitstroom van cliënten waarbij aandacht is voor de eigen kracht en het sociale netwerk van de cliënt.
Afstemmin g
De afstemming tussen de voorzieningen op alle leefgebieden is zichtbaar in het zorgplan.
Nr 3
Samenwerking en afstemming De voorziening is afgestemd op de reële behoefte van de cliënt en andere vormen van zorg of hulp (artikel 3.1, lid 2, sub b Wmo 2015) Afspraken over de benodigde zorg/ondersteuning, alsmede over de afstemming met andere partijen, waaronder overdracht, zijn vastgelegd in het zorgplan en zijn bekend bij de cliënt en zijn/haar sociale netwerk. Met andere hulp- en zorgverleners (0e, 1e en 2e lijn) vindt afstemming en de noodzakelijke gegevensuitwisseling plaats. De afspraken worden schriftelijk vastgelegd. De met andere hulp- en zorgverleners gemaakte afspraken worden regelmatig besproken met de cliënt en zijn/haar sociale netwerk en worden zo nodig bijgesteld. Bij meervoudige, complexe problematiek is er samenwerking met de regisseur of coördinator die de samenhang en continuïteit bewaakt en toegang heeft tot de noodzakelijke gegevens. De tweede lijn is beschikbaar. Bij mogelijke decompensatie onderneemt de begeleiding actie richting behandelaar/huisarts. Er wordt een dossier opgesteld zodat overdracht mogelijk is.
Nr. 4
Kwaliteit van persoon en organisatie De voorziening wordt verstrekt in overeenstemming met de op de beroepskracht rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de professionele standaard (artikel 3.1, lid 2 , sub c Wmo 2015)
Organisati e
Er is een kwaliteitsmanagementsysteem in gebruik. Processen worden structureel volgens (een aanwezig) plan geëvalueerd en de documenten zijn niet ouder dan 3 jaar. De organisatie heeft een kwaliteitskeurmerk.
57 van 60
De organisatie is aangesloten bij een beroepsvereniging/branchevereniging De continuïteit van de geboden voorziening is gewaarborgd. De organisatie integreert de veranderingen op het gebied van de kanteling in de zorg binnen de eigen instelling. Personeel
De medewerkers zijn op de hoogte van de persoonlijk omstandigheden en levensgeschiedenis van de cliënt. De aanbieder heeft beleid ten aanzien van verantwoorde inzet van vrijwilligers. De verdeling van taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden is duidelijk voor de medewerkers. De aangewezen beroepskracht is vakbekwaam en is opgeleid tot en deskundig voor wat betreft het ondersteunen van de doelgroep. Alle medewerkers en vrijwilligers hebben een verklaring omtrent gedrag (VOG) overlegd, die minimaal getoetst is op: • • •
• Het verlenen van diensten (nr. 41); • Het verlenen van diensten in de persoonlijke leefomgeving (nr. 43); • Belast zijn met de zorg voor (hulpbehoevende) personen, zoals ouderen en gehandicapten (nr. 85).
De aanbieder biedt de beroepskrachten passende bijscholing.
Nr. 5
Rechten van de cliënt De voorziening wordt verstrekt met respect en in acht neming van de rechten van de cliënt (artikel 3.1, lid 2, sub d Wmo 2015)
Respect
De bejegening door de beroepskracht van de cliënt is passend en correct. De cliënt voelt zich op zijn/haar gemak op de plaats waar de voorziening geboden wordt.
58 van 60
Cliëntpartic ipatie
Cliënten worden geïnformeerd over hun rechten en plichten. De cliënt wordt gewezen op het bestaan van patiëntenverenigingen en lotgenotencontactgroepen. De aanbieder heeft beleid ten aanzien van cliëntparticipatie/ medezeggenschap. De aanbieder reflecteert op dit beleid, evalueert dit en stelt het zo nodig bij. De cliënt kan desgewenst participeren in een cliëntenraad of vergelijkbaar platform.
Privacy
De organisatie respecteert de privacy van de cliënt. Er wordt zorgvuldig omgegaan met de uitwisseling van gevoelige informatie. De organisatie voldoet aan de algemene verordening gegevensbescherming (AVG).
Incidenten en calamiteite n
Er is een intern meldingsysteem voor incidenten, fouten en bijna fouten dat operationeel is. Melden, registreren, analyse, verbeteractie en terugkoppelen aan melder en team is geregeld. Er is sprake van een lerende organisatie. Een speciale commissie behandelt incidentmelding en brengt verbetervoorstellen uit. Nazorg bij incidenten is geregeld. Er is een klachtenregeling. Deze klachtenregeling is bekend bij de cliënt/gemakkelijk te vinden voor de cliënt. De aanbieder neemt eventuele klachten in behandeling en handelt die tijdig en passend af. De aanbieder brengt de cliënt op de hoogte dat hij/zij gebruik kan maken van onafhankelijke cliëntondersteuner bij het indienen van klachten. De aanbieder doet binnen 2 werkdagen na de calamiteit of geweldsincident of overige gebeurtenissen met maatschappelijk effect melding bij de toezichthoudend ambtenaar Wmo volgens het protocol ‘toezicht calamiteiten 2021’. De aanbieder verricht eigen onderzoek binnen 6 weken bij onduidelijkheid of er sprake is van een calamiteit/geweldsincident. Het rapport voldoet aan de richtlijn calamiteitenrapportage IGJ. Minimaal 1 persoon van de onderzoekscommissie is onafhankelijk. Indien mogelijk wordt het sociaal netwerk betrokken bij het onderzoek.
Opschorte n of beëindigen
Voor het opschorten of beëindigen van ondersteuning door de aanbieder is toestemming van de cliënt vereist. De aanbieder kan de ondersteuning
59 van 60
eenzijdig opschorten of beëindigen op grond van zwaarwegende redenen. Onder zwaarwegende redenen worden ten minste verstaan: •
• Een ernstige mate van bedreiging of intimidatie geuit door de cliënt en/of zijn sociaal netwerk, waardoor de persoonlijke veiligheid of vrijheid van andere cliënten en/of personeel van de aanbieder in gevaar zijn; • • Een onherstelbaar verstoorde vertrouwensrelatie; • • Hygiënische omstandigheden die ernstige gezondheidsrisico’s opleveren voor andere cliënten en/of personeel van de aanbieder; • • Het niet nakomen van essentiële verplichtingen of regels door de cliënt, ook niet na herhaaldelijk (schriftelijk) aandringen of waarschuwen door de aanbieder. Voor het eenzijdig opschorten of beëindigen van ondersteuning door de aanbieder is toestemming van de gemeente vereist. De aanbieder draagt er zorg voor dat de reeds aangevangen ondersteuning wordt voortgezet of overgedragen tot er een definitieve oplossing gevonden is, tenzij dit naar het oordeel van de gemeente in redelijkheid niet van de aanbieder kan worden verlangd.
60 van 60