Toelichting wijzigingen APV
Tekst van het document
APV en Alcoholwet: Hieronder komen eerst de wijzigingen aan bod die gemeenten de bevoegdheid geven één en ander bij verordening te regelen. Vervolgens komen de overige wijzigingen aan de orde. Tot slot wordt kort ingegaan op het overgangsrecht en de aanpassing van de Model-APV. Wijzigingen waaraan een verordenende bevoegdheid is verbonden Inrichtingseisen (artikel 10 en 25a, derde lid, Alcoholwet): Het Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet komt te vervallen. Er wordt zoveel mogelijk aangesloten bij het Bouwbesluit. Wel blijft de eis van een verbindingsruimte tussen een slijterij en een ruimte waar andere bedrijfsactiviteiten plaatsvinden (de zogenaamde neringruimte) bestaan. Daarnaast moeten een horecalokaliteit en een slijterslokaliteit, zoals nu in het Besluit geregeld, nog steeds een minimale vloeroppervlakte hebben. Dit blijft minimaal 35 m2 voor een horecalokaliteit en 15 m2 voor een slijterslokaliteit. Bij een horecalokaliteit kan de burgemeester afwijken van dit vereiste als sprake is van een Rijksmonument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. Gemeenten kunnen bij verordening hogere eisen stellen aan de minimale vloeroppervlakte van horeca- en slijterslokaliteiten.
Betaalde proeverijen bij slijters (artikel 25e Alcoholwet) Betaalde proeverijen bij slijters zijn nu niet toegestaan, maar de Alcoholwet maakt het straks mogelijk dat gemeenten bij verordening bepalen dat slijterijen proeverijen mogen organiseren. Gemeenten kunnen deze keuze maken, maar zijn hiertoe niet verplicht. Indien gemeenten proeverijen toestaan, dan geldt dit voor alle slijterijen in de betreffende gemeente. Het Alcoholbesluit zal nadere voorwaarden bevatten waaraan een proeverij moet voldoen. De proeverij mag alleen plaatsvinden buiten de normale openingstijden van de slijterij, maar wel binnen de tijden waarop de slijterij bij of krachtens de Winkeltijdenwet geopend mag zijn. De slijterij moet gedurende de proeverij gesloten zijn voor klanten. Er mag per slijterij slechts één proeverij per dag worden georganiseerd en maximaal drie proeverijen per week. De kosten voor deelname moeten voorafgaand aan de proeverij door een leidinggevende bij het slijtersbedrijf zijn vastgesteld. Ook de deelnemers moeten bekend zijn bij het slijtersbedrijf voordat de proeverij plaatsvindt. De slijterij mag tijdens of na afloop van de proeverij alleen die drank voor thuisgebruik verkopen die tijdens de proeverij wordt geschonken. De verkoop van andere soorten drank tijdens of na afloop van de proeverij is dus uitdrukkelijk niet toegestaan.
Aanwijzen van alcoholoverlastgebieden (artikel 25f Alcoholwet) In sommige gemeenten waar zich een grote concentratie van alcoholverkooppunten bevindt, veroorzaken bezoekers onder invloed van alcohol overlast. Het kan daarbij gaan om allerlei
vormen van overlast, zoals geluidsoverlast, agressief gedrag of verstoring van de openbare orde. Het Bouwbesluit wordt vervangen door het Besluit eisen bouwwerken leefomgeving, dat vermoedelijk per 1 januari 2022 in werking zal treden. Om gemeenten een extra instrument te geven om hiertegen op te treden, bevat de Alcoholwet de mogelijkheid tot het bij verordening aanwijzen van een alcoholoverlastgebied. De gemeente kan dan bepalen dat de verstrekking van zwakalcoholhoudende drank vanuit bepaalde verkooppunten verboden of beperkt wordt, of dat er geen vergunningen in dat gebied worden verleend, of dat er bepaalde verboden of beperkingen gelden, zoals bijvoorbeeld het verbod op happy hours. Dit betekent onder meer dat een gemeente kan bepalen dat binnen het aangewezen alcoholoverlastgebied op basis van de in artikel 25f van de Alcoholwet genoemde gronden geen (horeca- of slijters-) vergunning wordt verleend. Hiermee worden de reguliere weigeringsgronden, zoals geregeld in artikel 27 van de Alcoholwet, voor deze specifieke situatie uitgebreid. Zie hiervoor het tweede lid, onder b, van artikel 25f van de Alcoholwet. Hoe artikel 25f en de artikelen 25a, 25b en 25d van de Alcoholwet zich precies tot elkaar verhouden. zullen wij nog nader onderzoeken.
Verstrekking alcoholhoudende drank op vervoermiddelen (artikel 25g Alcoholwet): Gemeenten kunnen bij verordening bepalen dat op vervoermiddelen die bestemd zijn voor het vervoer van personen en waarop bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank wordt verstrekt, een medewerker aanwezig zal moeten zijn die beschikt over voldoende kennis en inzicht in sociale hygiëne. Deze verplichting kan worden beperkt tot bepaalde vervoermiddelen, bepaalde delen van de gemeente en bepaalde tijdstippen. Deze nieuwe bevoegdheid is vooral bedoeld om bijvoorbeeld overlast van bierfietsen en partyboten en bussen te beperken. Als een gemeente besluit dit onderwerp inderdaad in een verordening te regelen, dan heeft dit gevolgen voor het toezicht. Op de vervoermiddelen waarvoor de voornoemde verplichting van toepassing is, houdt niet langer de NVWA toezicht, maar komt de verantwoordelijkheid voor het toezicht en de handhaving bij de betreffende gemeente te liggen. Als de gemeente deze verplichting bij verordening heeft geregeld, moet hiervan melding worden gedaan bij de NVWA. Overige wijzigingen Wederverstrekking (artikel 45a Alcoholwet): De wederverstrekking (het kopen van alcohol door iemand van 18 jaar of ouder die bestemd is voor iemand die jonger is dan 18) wordt strafbaar gesteld.
Het was al strafbaar om bedrijfsmatig of anders dan om niet alcohol te verstrekken aan personen van wie niet is vastgesteld dat zij 18 jaar of ouder zijn. Ook zijn minderjarigen die op publieke plekken alcohol bij zich hebben strafbaar. Deze regels worden nu aangevuld met de strafbaarstelling van wederverstrekking.
2 van 13
Als sprake is van wederverstrekking kunnen zowel de meerderjarige als de minderjarige een boete krijgen. De hoogte van de boete wordt nog door het OM bepaald. Tevens beslist het OM of aan deze overtreding een feitcode wordt verbonden. Het ministerie van VWS zal door middel van een publiekscampagne extra aandacht vragen voor dit verbod. Toegangsverbod slijterij voor minderjarigen zonder begeleiding (artikel 20, tweede lid, DHW); Het verbod op toegang tot een slijterij voor minderjarigen zonder begeleider van 21 jaar of ouder vervalt. Zeker nu wederverstrekking strafbaar wordt gesteld, is dit verbod niet langer nodig. Bovendien kan dit verbod als onbedoeld neveneffect hebben dat een jonge ouder tussen de 18 en 21 jaar niet met zijn of haar baby of peuter naar binnen mag. Minderjarige testkopers bij toezicht (artikel 45, tweede lid, sub b, Alcoholwet): Gemeenten en de NVWA mogen bij het toezicht op de naleving van de leeftijdsgrens 16- en 17jarige testkopers inzetten. Nu mogen minderjarige testkopers de bestelde drank niet aanraken. Dit valt op bij de verstrekkers van drank en zo kan de identiteit van de testkoper makkelijker worden onthuld. Straks mogen de minderjarige testkopers de verstrekte drank wel aannemen, maar (uiteraard) niet nuttigen. Zo kunnen gemeenten en de NVWA effectiever toezicht houden en wordt de aanvaardbaarheid van sancties vergroot.
Schenken alcoholhoudende drank aan speeltafels (artikel 14, vierde lid, Alcoholwet): Gemeenten blijken van mening te verschillen over hoe artikel 14, vierde lid, van de huidige DHW moet worden uitgelegd. Dit artikellid regelt het schenken van alcoholhoudende drank in casino’s met speeltafels. Het is toegestaan in casino’s met speeltafels in dezelfde ruimte alcoholhoudende drank te verstrekken als waarin de speeltafels staan. Het vierde lid van artikel 14 is op dit punt in de Alcoholwet verduidelijkt. Definitie leidinggevenden (artikel 1, eerste lid, Alcoholwet): In de definitie van leidinggevende in artikel 1 komt het derde onderdeel, te weten ‘de natuurlijke persoon, die onmiddellijke leiding geeft aan de uitoefening van zodanig bedrijf in een inrichting’, op termijn te vervallen. Dit betekent dat dagelijkse leidinggevenden niet langer hoeven te worden bijgeschreven op het aanhangsel bij de vergunning en er dus ook geen toetsing meer van deze categorie leidinggevenden plaatsvindt. Wel moeten personen die de dagelijkse leiding hebben minimaal 21 jaar oud zijn en in het bezit zijn van een diploma sociale hygiëne. Voordat deze aanpassing van de definitie van leidinggevende in werking treedt, zal het ministerie van VWS eerst onderzoeken wat de impact is van deze wijziging.
3 van 13
Daarnaast regelt artikel 30b van de Alcoholwet, dat bij AMvB wordt bepaald voor welke categorieën van personen werkzaam in welke categorieën van horeca- of slijtersbedrijven de verplichting tot bijschrijving op het aanhangsel bij de vergunning van overeenkomstige toepassing zijn. Stage 14- en 15-jarige vmbo’ers (artikel 24, vijfde lid, Alcoholwet): De Alcoholwet maakt het mogelijk dat ook 14- en 15-jarige leerlingen tijdens een horecastage in het kader van hun vmbo-opleiding alcoholhoudende drank kunnen verstrekken. In de DHW ligt de grens nu nog bij 16 jaar. In artikel 24, vijfde lid, van de Alcoholwet staat opgesomd voor welke horecaopleidingen deze mogelijkheid van toepassing is. Verkoop op afstand (artikel 19 en 20a Alcoholwet) De Alcoholwet bevat een uitgebreidere regeling voor de verkoop van alcohol op afstand, dit om de naleving van de leeftijdsgrens van 18 jaar te vergroten en de aankoop van alcohol door minderjarigen te ontmoedigen. Met verkoop op afstand wordt bedoeld de mogelijkheid alcoholhoudende drank via internet of telefoon te bestellen en vervolgens te laten afleveren op een door de koper genoemd adres of afgiftepunt. Zowel koper als verkoper moeten in Nederland gevestigd zijn. Op het moment van aankoop èn bij aflevering van de bestelling moet de leeftijd van de koper worden gecontroleerd.
Voor het moment van aankoop moet gebruik worden gemaakt van een leeftijdsverificatiesysteem. De verkoper moet zorgen voor een geborgde werkwijze: de alcoholhoudende drank kan alleen worden afgeleverd bij een huisadres of erkend afgiftepunt. Bij aflevering moet de leeftijd van de koper worden gecontroleerd aan de hand van een geldig identiteitsdocument. Ambtenaren die toezicht houden op de verkoop op afstand zijn bevoegd tot het sluiten van een verkoopovereenkomst onder verstrekking van onjuiste of onvolledige gegevens voor wat betreft hun naam, adres en leeftijd, voor zover dit dringend noodzakelijk is voor de vervulling van hun taak. Het toezicht en de handhaving in dit kader gaan over van gemeenten naar de NVWA. De NVWA zal uiterlijk 1 juni 2021 het interventiebeleid publiceren en op haar website plaatsen. De groep lokaal opererende ondernemers is echter zodanig omvangrijk en veranderlijk, dat de kans groot is dat niet alle bedrijven bij de NVWA in beeld zullen zijn. De signaalfunctie van gemeenten naar de NVWA is daarom van groot belang. Gemeenten kunnen hierover nadere afspraken maken met de NVWA. Ook heeft de NVWA hiervoor een meldingensysteem beschikbaar. Dit systeem is bereikbaar via de site van de NVWA: https://www.nvwa.nl/over-de-nvwa/contact/melding-doen. Als het niet lukt om een melding online door te geven, dan kan het ook telefonisch: 0900-03 88.
Prijsacties (artikel 2a Alcoholwet) Op grond van de Alcoholwet kunnen slijters voor een periode van een maand of korter niet meer dan 25% korting geven op de prijs die gewoonlijk wordt gevraagd
4 van 13
voor alcoholhoudende drank. Deze beperking geldt zowel voor fysieke als voor online verkooppunten. Het maakt hierbij niet uit of het verkooppunt deze prijs gewoonlijk hanteert. Ook is het verboden alcoholhoudende drank voor gebruik elders dan ter plaatse aan te bieden waarbij de indruk wordt gewekt dat de prijs lager is dan 75% van de prijs die gewoonlijk wordt gevraagd. Artikel 25d, eerste lid, sub b, van de nu vigerende DHW biedt gemeenten nog de mogelijkheid om prijsacties waarbij een maximale korting van 30% is toegestaan, bij verordening te regelen. Bij inwerkingtreding van de Alcoholwet komt deze mogelijkheid te vervallen. Het toezicht op en de handhaving van de prijsacties gaat van gemeenten over naar de NVWA. Als daar aanleiding toe is, zal de NVWA de prijsontwikkeling monitoren. Hierbij zal de NVWA de reguliere prijs van het specifieke product als uitgangspunt nemen. Indien de actie bestaat uit het aanbieden of verstrekken van een extra groot volume, mag dat extra volume niet meer dan 25% bedragen. Ook de waarde van premiums of cadeaus die bij alcoholhoudende drank zullen worden gegeven, zullen worden meegerekend om te bepalen of er sprake is van meer dan 25% korting. Dit verbod op prijsacties geldt ook voor restantverkopen.
Ook in het kader van prijsacties is de signaalfunctie van gemeenten belangrijk en wordt gemeenten verzocht bij mogelijke overtreding van de Alcoholwet melding te doen bij de NVWA. Zoals hiervoor al genoemd bij het onderdeel ‘Verkoop op afstand’ publiceert de NVWA uiterlijk 1 juni 2021 het interventiebeleid. Landelijke commissie sociale hygiëne en nieuw register (artikelen 11a t/m 11f Alcoholwet): Er komt een landelijke commissie sociale hygiëne. Deze commissie krijgt als taak: · het erkennen van diploma’s sociale hygiëne · het registreren van personen in het Register sociale hygiëne en het afgeven van de Verklaring kennis en inzicht sociale hygiëne aan deze personen · het voor eenieder raadpleegbaar maken van het Register sociale hygiëne op basis van achternaam, voorletters en geboortedatum. De erkenning van een diploma als bewijsstuk geldt voor een periode van vijf jaar. De Landelijke commissie sociale hygiëne brengt de kosten die samenhangen met · het erkennen van een diploma als bewijsstuk; · het inschrijven in het Register sociale hygiëne en · het afgeven van een Verklaring kennis en inzicht sociale hygiëne in rekening bij de aanvrager. De bedragen ter vergoeding van de kosten worden bij ministeriële regeling vastgesteld. Overgangsrecht (artikel 48b e.v.
Alcoholwet): Vergunningen en ontheffingen die op basis van de huidige DHW zijn verleend blijven hun geldigheid behouden als de Alcoholwet in werking is getreden. Ze hoeven dus niet te worden aangepast. Ditzelfde geldt voor de geldigheid van diploma’s sociale hygiëne die behaald zijn vóór inwerkingtreding van de Alcoholwet. Personen die staan
5 van 13
ingeschreven in het in artikel 8, vijfde lid van de DHW bedoelde register worden na inwerkingtreding van de Alcoholwet ingeschreven in het Register sociale hygiëne. De Alcoholwet is, voor zover relevant, in overeenstemming gebracht met de Omgevingswet. Als de Alcoholwet eerder in werking treedt dan de Omgevingswet, is in de Alcoholwet hiervoor overgangsrecht opgenomen. Nieuwe mogelijkheid voor proeverijen in alle slijterijen in de gemeente: Artikel 25e Gemeentewet / tekst per 1 juli 2021: Bij gemeentelijke verordening kan met inachtneming van artikel 3, eerste lid, van de Winkeltijdenwet vrijstelling worden verleend van het in artikel 3, eerste lid, ten aanzien van het horecabedrijf vervatte verbod en het in artikel 14, eerste lid, vervatte verbod ten behoeve van proeverijen in slijtlokaliteiten buiten de dagen en tijden dat de slijtlokaliteiten regulier zijn opengesteld. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld waaraan een proeverij moet voldoen. Memorie van toelichting / uitzondering voor slijtlokaliteiten in het kader van cursus of betaalde proeverij: Er bestaat momenteel voor de slijters geen mogelijkheid om in de verkoopruimte besloten en betaalde proeverijen aan te bieden. Sommige gemeenten blijken dit als een gemis te zien.
Weliswaar is de regering erop tegen om toe te staan dat in slijterijen bedrijfsactiviteiten worden ontplooid die niet tot het slijtersbedrijf behoren, maar in dit geval is de activiteit – een proeverij – nauw verbonden met de primaire activiteiten van het slijtersbedrijf. Daarom wordt in dit wetsvoorstel voorgesteld dat bij gemeentelijke verordening cursussen gerelateerd aan alcoholhoudende drank en betaalde proeverijen in alle slijtlokaliteiten van een gemeente kunnen worden toegestaan, mits deze plaatsvinden buiten de dagen en tijden waarop de desbetreffende slijterij normaal gesproken open is. Indien gemeenten dergelijke proeverijen buiten de in de gemeente geldende openingstijden willen toestaan, dient de gemeenteraad bij verordening tevens een vrijstelling te verlenen op grond van de Winkeltijdenwet, dan wel – indien de gemeentelijke verordening in die bevoegdheid voorziet – dient daarvoor een ontheffing te zijn verleend door burgemeester en wethouders. Een slijterij is immers een winkel in de zin van de Winkeltijdenwet, ook indien deze winkel wordt gebruikt voor een proeverij.
Er is daarmee sprake van drie cumulatieve eisen: er dient een gemeentelijke verordening te zijn vastgesteld op basis van artikel 25e, de cursus die gerelateerd is aan alcoholhoudende drank of de betaalde proeverij moet worden gehouden op een moment dat het bij of krachtens de Winkeltijdenwet de slijterij is toegestaan zijn winkel te openen en het moment van de cursus of proeverij moet vallen buiten de reguliere openingstijden van de desbetreffende slijterij. Slijtlokaliteiten mogen tijdens die bijeenkomsten in beperkte mate en onder strikte voorwaarden alcoholhoudende dranken voor thuisgebruik verkopen. Het staat hen echter niet vrij om daarbij ook andere levensmiddelen of producten te verkopen, buiten die in het Besluit aanvulling omschrijving slijtersbedrijf zijn aangemerkt.
6 van 13
Alcoholbesluit: HOOFDSTUK 6 PROEVERIJEN IN SLIJTLOKALITEITEN
Artikel 6.1 1. Een proeverij als bedoeld in artikel 25e van de wet voldoet aan de volgende eisen: a. in een slijtlokaliteit wordt maximaal één proeverij per dag gegeven en maximaal drie proeverijen per week; b. de kosten voor deelname aan een proeverij zijn voor aanvang van de proeverij door een leidinggevende van het slijtersbedrijf vastgesteld; c. de deelnemers van een proeverij zijn voor aanvang van de proeverij bekend bij een leidinggevende van het slijtersbedrijf; en d. de deur van de slijtlokaliteit is gedurende een proeverij gesloten voor publiek anders dan de deelnemers aan de proeverij. 2. Tijdens een proeverij is het verboden bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende en alcoholvrije drank te verstrekken voor gebruik elders dan ter plaatse, met uitzondering van alcoholhoudende en alcoholvrije drank die in het kader van die proeverij is verstrekt voor gebruik ter plaatse aan de deelnemers van de proeverij.
APV en Omgevingswet: Aanleiding Naar verwachting treedt de Omgevingswet op 1 juli 2022 in werking. Deze wet heeft gevolgen voor de Algemene plaatselijke verordening (APV), omdat de APV ook regels bevat over de fysieke leefomgeving. Tot 2030 is er een overgangsfase waarin inhoudelijke aanpassing tot stand moet komen. Met ingang van 1 juli 2022 moet de APV al wel technisch zijn aangepast aan de Omgevingswet. In verband daarmee hebben wij de wettelijke grondslagen en formele verwijzingen in de ModelAPV geactualiseerd, zodat vanaf juli 2022 doorgewerkt kan worden met de APV. Wat zijn de belangrijkste wijzigingen? - Verwijzingen naar wet- en regelgeving hebben wij aangepast. - Definities hebben wij, waar nodig, aangepast of aangevuld. - De APV-regels over geluidhinder en hinder door verlichting vanuit inrichtingen (de artikelen 4:1 tot en met 4:5a van de APV) blijven gelden tot uiterlijk het einde van de overgangsfase. Voor handhaving van de status quo moet echter wel duidelijk worden gemaakt dat de basis van deze regels wordt gevormd door de wet- en regelgeving zoals die vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet gelden. Daarom is voor de toepassing van deze APV-artikelen aan de verwijzing naar de Wet milieubeheer, het Activiteitenbesluit milieubeheer, de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder toegevoegd: zoals deze luidden
7 van 13
direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet (onderdelen U en V van het Model Raadsbesluit in de bijlage).
Overgangsfase Wat de inhoudelijke aanpassingen van de APV betreft nog het volgende. Gedurende de overgangsfase (tot 2030) kunnen gemeenten regels uit de APV die gaan over de fysieke leefomgeving, overbrengen naar het omgevingsplan. Gemeenten kunnen daarbij andere keuzes maken dan nu in de APV zijn vastgelegd (bijvoorbeeld een vergunningplicht vervangen door een algemene regel). De keuze om een regel in de APV te laten staan of juist over te brengen naar het omgevingsplan heeft verschillende voor- en nadelen, die goed in kaart moeten worden gebracht. Omdat daarnaast de APV meerdere domeinen bestrijkt is het (vrijwel) ondoenlijk om de gehele APV in een keer te herzien en aan te passen. Met het oog daarop kiezen wij voor een gefaseerde aanpak. Deze verkeert nog in een inventariserend stadium. Later dit jaar informeren wij u hierover verder. Toelichting Algemeen wijzigingen De Algemene plaatselijke verordening bevat regels over de fysieke leefomgeving en is aangepast met het oog op de inwerkingtreding van de Omgevingswet (hierna: Ow). De wettelijke grondslagen en formele verwijzingen zijn geactualiseerd, zodat vanaf juli 2022 doorgewerkt kan worden met deze verordening onder de Ow. Het betreft een juridischtechnische omzetting.
Artikelsgewijs Artikel I, onderdelen A, E t/m H, [I,] J, [K,] L t/m O, [P,] [Q,] S t/m V, [W,] X t/m Y, AA, AB t/m AN In deze onderdelen worden grondslagen en formele verwijzingen geactualiseerd als gevolg van de Ow. Zij behoeven geen afzonderlijke toelichting. Een aantal lichten wij vanwege het bijzondere karakter wel toe. Artikel I, onderdeel A In dit onderdeel wordt een definitie van beperkingengebiedactiviteit opgenomen in artikel 1:1, waarbij wordt verwezen naar de bijlage, onder A, bij de Ow. Dit begrip komt voor in diverse artikelen van de APV. Volgens genoemde bijlage is een beperkingengebied een bij of krachtens de wet aangewezen gebied waar vanwege de aanwezigheid van een werk of object regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat werk of object. Een beperkingengebiedactiviteit is een activiteit binnen een beperkingengebied In diverse artikelen van de APV staat dat een verbod niet van toepassing is op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de waterschapskeur of de provinciale wegenverordening of het provinciaal wegenreglement. Dat wordt dan vervangen door de tekst dat het verbod niet van toepassing is op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels
8 van 13
zijn gesteld bij of krachtens de Ow, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening. Artikel I, onderdelen B, C, D en E In deze onderdelen wordt opgenomen dat het artikel (artikel 1:2), het tweede lid (artikel 1:4) of het eerste lid (artikelen 1:5 en 1:6) niet van toepassing is op een omgevingsvergunning. Voor vergunningen of ontheffingen die een omgevingsvergunning zijn, geeft de Ow een uitputtende regeling voor de in deze artikelen geregelde onderwerpen: over de beslistermijnen in de paragrafen 16.5.2 en 16.5 3 van de Ow, over het nakomen van de voorschriften in artikel 5.5 van de Ow (eventueel in samenhang met artikel 22.8 van de Ow en artikel 2.1a van het Omgevingsbesluit), voor wie de omgevingsvergunning geldt in artikel 5.37 van de Ow en over intrekking of wijziging van een omgevingsvergunning in paragraaf 5.1.5 van de Ow. Artikel I, onderdeel R In dit onderdeel wordt de definitie van consumentenvuurwerk aangepast in artikel 2:71. In artikel 5.43van het Invoeringsbesluit Omgevingswet wordt het Vuurwerkbesluit gewijzigd. De definitie van consumentenvuurwerk vervalt. Overal waar consumentenvuurwerk staat wordt dit in het Vuurwerkbesluit vervangen door ‘vuurwerk van categorie F1, F2 of F3 dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik’.
Voor de toepassing van de APV wordt het begrip consumentenvuurwerk gehandhaafd. De verwijzing naar het Vuurwerkbesluit wordt vervangen door bovengenoemde definitie. Artikel I, onderdelen U en V Deze onderdelen strekken ertoe de bepalingen over het voorkomen of beperken van geluidhinder en hinder door verlichting binnen of vanuit inrichtingen te handhaven. Op grond van artikel 8.2.2 van hetInvoeringsbesluit Omgevingswet kunnen de artikelen 4:1 tot en met 4:5a van de APV uiterlijk tot het einde van de overgangsperiode blijven gelden. Voor handhaving van de status quo moet de wetgeving zoals die vóór de inwerkingtreding van de Ow geldt, dus van toepassing blijven. Het gaat om de Wet milieubeheer, het Activiteitenbesluit milieubeheer, de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder zoals deze luidden direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Ow. Omdat in verschillende artikelen wordt verwezen naar het Activiteitenbesluit milieubeheer is daarvan een definitie opgenomen in artikel4:1. Voor de andere genoemde wet- en regelgeving is de toevoeging in het betreffende artikel opgenomen (in onderdeel U voor artikel 4;1 van de APV en in onderdeel V voor artikel 4:5 van de APV). Artikel I, onderdeel Z In dit onderdeel wordt artikel 4:15, tweede lid, aangepast.
Het verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame is niet van toepassing in gevallen waarin een omgevingsvergunning is verleend en het gevaar en de hinder zijn betrokken bij de afweging. Artikel I, onderdeel AA In dit onderdeel
9 van 13
wordt de definitie van kampeermiddel in artikel 4:17 aangepast. Door de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen, die gelijktijdig met de Ow in werking treedt, worden bouwwerken in gevolgklasse 1 vergunningvrij (bouwtechnisch deel). Grondgebonden recreatiewoningen vallen onder gevolgklasse 1 en zouden met alleen een aanpassing van de verwijzing in artikel 4:17 onder het begrip kampeermiddel komen te vallen. Dat is ongewenst. Het moet gaan om een niet-grondgebonden onderkomen of voertuig, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf. Artikel II van het wijzigingsbesluit Het eerste lid voorziet erin dat de in dit besluit opgenomen technische wijzigingen eerst van toepassing zijn op het tijdstip dat de Ow in werking treedt. Het tweede lid wijkt hiervan af voor artikel I, onderdelen U en V. Zie de toelichting op die onderdelen. Artikel 8.2.2 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet biedt overgangsrecht voor de op het moment van inwerkingtreding van de Ow van kracht zijnde APV-bepalingen over geluidhinder en hinder door verlichting (de artikelen 4:1 tot en met 4:5a APV). Omdat de artikelen 4:1 en 4:5 wel technisch wijzigen, is voor de zekerheid bepaald dat deze wijzigingen in werking treden op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Ow.
Aanpassing Model-APV: De in de Model-APV opgenomen artikelen, voor zover relevant, en de daarbij behorende toelichting zijn technisch aangepast aan de Alcoholwet. Outlaw Motor Gangs (OMG) art. 2:50a / Ledenbrief 2020 / 075: In de VNG-ledenbrief 20/053 – Wijziging model-APV zomer 2020 (14 juli 2020) hebben wij u op de hoogte gesteld van een aantal actuele zaken, waaronder de problematiek rond Outlaw Motorcycle Gangs (OMG). Op verzoek van de VNG-commissie Bestuur en Veiligheid nemen wij in de Model-Algemene plaatselijke verordening (Model-APV) bepalingen op die ertoe strekken uiterlijk vertoon van verboden organisaties, zoals Outlaw Motorcycle Gangs (OMG), in de openbare ruimte te verbieden. Daarvoor wijzigen wij het artikel over ordeverstoring bij evenementen (artikel 2:26) en voegen wij een artikel aan de Model-APV toe (artikel 2:50a). Laatstgenoemd artikelnummer moet aan de strafbaarstelling in artikel 6:1 worden toegevoegd. Outlaw Motorcycle Gangs (OMG) Het Openbaar Ministerie heeft bij de rechter civiele verboden gevraagd en gekregen tegen enkele motorclubs. Wat te doen wanneer een lid van een verboden club het bij die club horende jasje, ook wel ‘colors’ genoemd, in het openbaar blijft dragen? In de fase dat de verbodenverklaring onherroepelijk is geworden, kan een (dreigende) overtreding van de strafbepaling (vrees voor) een verstoring van de openbare orde opleveren.
Gelet hierop kan de burgemeester in beginsel gebruik maken van zijn orderechtelijke bevoegdheden. Te denken valt aan de handhaving op clublocaties, bij evenementen en ‘ride outs’, noodbevelen, gebiedsontzeggingen of cameratoezicht). Veel gemeenten hebben in aanvulling hierop in de APV een bepaling opgenomen dat uiterlijke kenmerken van verboden
10 van 13
organisaties niet zijn toegestaan in de openbare ruimte. Het Landelijk Strategisch Overleg integrale aanpak OMG’s (LSO) juicht deze initiatieven toe omdat in geval van een overtreding de politie dan direct kan optreden Blijkens die voortgangsrapportage hebben gemeenten dit meestal niet individueel opgepakt, maar is samenwerking gezocht tussen meerdere gemeenten in een regio of district. Dit blijkt ook uit de bekendmakingen van de APV’s op https://decentrale.regelgeving.overheid.nl. Veel gemeenten hebben daarnaast een dergelijk verbod toegevoegd aan het ordeverstoringsartikel bij evenementen. Bij het opstellen van deze APV-teksten is in alle gevallen een integrale werkgroep betrokken geweest om tot voorstellen te komen die voor alle partners werkbaar zijn. Modelbepaling lachgas: Artikel 2:48a Verboden lachgasgebruik 1. Het is verboden op een openbare plaats lachgas recreatief als roesmiddel te gebruiken, voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen bij zich te hebben, indien dit gepaard gaat met overlast of andere gedragingen die de openbare orde verstoren, het woon- of leefklimaat nadelig beïnvloeden of anderszins hinder veroorzaken. 2.
Het is verboden op een openbare plaats die deel uitmaakt van een door het college ter bescherming van de openbare orde of het woon- en leefklimaat aangewezen gebied lachgas recreatief als roesmiddel te gebruiken, voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen bij zich te hebben. 3. Het college kan in het aanwijzingsbesluit het in het tweede lid bedoelde verbod beperken tot bepaalde tijden. Toelichting 2:48a Verboden lachgasgebruik Een algemeen, voor de gehele gemeente geldend gebruiksverbod stuit op belangrijke juridische bezwaren en is vanuit oogpunt van proportionaliteit ook niet te verdedigen. Daarmee zou er geen evenredigheid meer zijn tussen middel en doel, en dat zou in strijd met artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht. Daarom beperkt het verbod in het eerste lid zich tot concrete situaties van oneigenlijk lachgasgebruik, voorbereidingen of het bij zich hebben van hulpmiddelen voor dat gebruik, die gepaard gaan met verstoring van de openbare orde, nadelige beïnvloeding van het woon- of leefklimaat of anderszins hinder tot gevolg hebben. Bij de handhaving moet de gemeente kunnen aantonen dat genoemde situaties de oorzaak zijn van de overlast en dergelijke.
Op grond van het tweede lid kan het college openbare plaatsen aanwijzen waar het oneigenlijk lachgasgebruik, voorbereidingen of het bij zich hebben van hulpmiddelen voor dat gebruik op
11 van 13
voorhand verboden is, los van de vraag of dat in de concrete situatie tot ordeverstoring en dergelijke leidt. In het aanwijzingsbesluit moet het college motiveren waarom het verbod in dat specifieke gebied geldt (het belang van de openbare orde of bescherming van het woon- of leefklimaat). Uit politierapportages kan bijvoorbeeld blijken dat op bepaalde openbare plaatsen sprake is van aantoonbare en structurele overlast door lachgas. Het college kan – als dat afdoende lijkt te zijn – in het aanwijzingsbesluit opnemen dat het verbod op bepaalde tijden geldt, bijvoorbeeld tijdens de uitgaansavonden (derde lid).
Redactioneel technische wijzigingen In de Algemene plaatselijke verordening wordt een aantal redactioneel-technische wijzigingen aangebracht. Boswet is al sinds 1-1-2017 vervangen door de Wet natuurbescherming: Dit aspect noopte ons tot het voorstel om de term “Boswet” in artikel 4:10a APV Putten te vervangen door “Wet natuurbescherming”. Bijlage bij redactioneel-technische wijziging Model-APV (juni 2021): Als gevolg van dit voorstel van de VNG is het dringend aan te raden de bijen-bepaling in de Puttense APV te wijzigen. Verwezen wordt naar het onderdeel an het concept-raadsbesluit, waarin artikel 2:64, tweede en derde lid, APV Putten is gewijzigd.
Staatsblad 2020/640 ivm toeristische verhuur woonruimte (huisvestingswetswijziging en wijziging art. 151d Gemeentewet): Door de wijziging van artikel 151d, eerste lid, gemeentewet, dient artikel 2:79 van de APV Putten aangepast te worden. De wijziging is aangegeven in het concept-raadsbesluit. Hieronder is de wijziging opgenomen van artikel 151d van de Gemeentewet als gevolg van de Wet toeristische verhuur woonruimte. Deze wijziging van de APV Putten werd aan ons als Stafafdeling gecommuniceerd door een van de juristen van het samenwerkingsverband BNLP. De VNG heeft dit waarschijnlijk vergeten.
ARTIKEL IA In artikel 151d, eerste lid, van de Gemeentewet vervalt «aan een persoon die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen is ingeschreven». Artikel 151d
12 van 13
1De raad kan bij verordening bepalen dat degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt of tegen betaling in gebruik geeft, er zorg voor draagt dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.
2De in artikel 125, eerste lid, bedoelde bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang wegens overtreding van het in het eerste lid bedoelde voorschrift wordt uitgeoefend door de burgemeester. De burgemeester oefent de bevoegdheid uit met inachtneming van hetgeen daaromtrent door de raad in de verordening is bepaald en slechts indien de ernstige en herhaaldelijke hinder redelijkerwijs niet op een andere geschikte wijze kan worden tegengegaan.
3Onverminderd de laatste volzin van het tweede lid kan de last, bedoeld in de eerste volzin van dat lid, een verbod inhouden om aanwezig te zijn in of bij de woning of op of bij het erf. Het verbod geldt voor een periode van tien dagen. De artikelen 2, tweede lid, en vierde lid, aanhef en onder a en b, 5, 6, 8, eerste lid, aanhef en onder a en b, 9 en 13 van de Wet tijdelijk huisverbod zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de burgemeester bij ernstige vrees voor verdere overtreding de looptijd van het verbod kan verlengen tot ten hoogste vier weken.
Onderdeel AAA: In onderdeel AAA is de afgrenzing van artikel 5:13 APV Putten 2019 en de Afvalstoffenverordening weergegeven, als gevolg van de in werkingtreding van de Afvalstoffenverordening Putten 2018. Deze bepaling, artikel 5:13, vijfde lid, APV Putten 2019 is noodzakelijk, omdat anders twee verordeningen van toepassing zijn, bijvoorbeeld bij een verzoek tot het ophalen van oude kleding. Door de toevoeging van het vijfde lid aan artikel 5:13 APV Putten 2019 wordt dit probleem voorkomen.
13 van 13