CConstaterende datPutten
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting - Herstelbesluit Putten Gervenhof & Dorpsstraat e.o.

Gemeenteraad 28 mei 2026, gemeente PuttenBij agendapunt: Herstelbesluit Gervenhof18.135 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

4.2.3

Conclusie

Om de gewenste ontwikkeling te realiseren is geen provinciale ontheffing nodig. Er wordt voldaan aan de voorwaarden omtrent intern salderen.

4.3

Bodemkwaliteit

4.3.1

Wettelijk kader

De Wet Bodembescherming schrijft voor dat in het kader van een ruimtelijk planologische procedure moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het gewenste nieuwe gebruik. De bodemkwaliteit kan (negatief) van invloed zijn op de gewenste nieuwe ontwikkeling. Indien sprake is van een functiewijziging zal er in veel gevallen een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd op de planlocatie. Door middel van een dergelijk onderzoek kan in beeld worden gebracht of de bodemkwaliteit en de beoogde functie van het plangebied bij elkaar passen. 4.3.2

Resultaten onderzoek

Voorliggend initiatief voorziet in een functiewijziging naar wonen en detailhandel. Aangezien er gegraven zal worden is er een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op beide locaties. Locatie 1 Op 1 oktober 2019 is een verkennend bodemonderzoek in combinatie met een verkennend asbestonderzoek uitgevoerd op de locatie aan de Gervenhof. Dit is uitgevoerd door Hunneman Milieu-Advies Raalte BV. De rapportage is opgenomen in bijlage 6. De resultaten van het onderzoek en de bijbehorende aanbevelingen zijn als volgt samen te vatten:

32

TOELICHTING (concept)

bestemmingsplan Herstelbesluit Putten Gervenhof & Dorpsstraat e.o.

"Zintuiglijk zijn in de vaste bodem sporen puin en lokaal in de ondergrond zwakke tot matige bijmengingen met puin- en kooldeeltjes waargenomen. In de bodem is zintuiglijk en analytisch geen asbest aangetroffen. In de ondergrond is na uitsplitsing een PAK-verontreiniging aangetoond. De verontreiniging is globaal ingekaderd en betreft naar verwachting een ernstige geval van bodemverontreiniging (> 25 m3 met gehalten > I-waarde). In de overige monsters zijn maximaal licht verhoogde gehalten aan zware metalen, PAK, en/of minerale olie aangetoond. In het grondwater zijn licht verhoogde gehalten aan barium en chroom aangetoond. De aangetoonde gehalten vormen geen aanleiding tot nader onderzoek. Op basis van de analyseresultaten is de actuele bodemkwaliteit afdoende vastgelegd. Op basis van het huidige gebruik van de locatie en het feit dat de immobiele verontreiniging is afgedekt met klinkers bestaat er geen directe saneringsnoodzaak. Indien in de toekomst bij eventuele herontwikkeling graafwerk zaamheden op de locatie plaatsvinden, dient de PAK-verontreiniging, onder milieukundige begeleiding te worden verwijderd. Voorafgaand aan de sanering dient een BUS-melding te worden ingediend bij het bevoegd gezag, de Provincie Gelderland." De PAK-verontreiniging is groter dan 25m3 maar kan zelfs in de orde van grote kan zijn van 400 a 500 m3.

De ernstige bodemverontreiniging dient gemeld te worden bij het bevoegd gezag. Vervolgens zal het bevoegd gezag de ernst en spoedeisendheid van de verontreiniging vaststellen. Hieruit volgen de saneringshandelingen en/of gebruiksbeperkingen. Bij werkzaamheden in de grond moet een BUS-melding worden gerealiseerd. Locatie 2 Op 20 september 2019 is een verkennend bodemonderzoek in combinatie met een verkennend asbestonderzoek uitgevoerd op de locatie aan de Dorpsstraat. Dit onderzoek is eveneens uitgevoerd door Hunneman Milieu-Advies Raalte BV. De rapportage is opgenomen in bijlage 7. De resultaten van het onderzoek en de bijbehorende aanbevelingen zijn als volgt samen te vatten: "Zintuiglijk zijn in de vaste bodem lokaal sporen puin waargenomen. In de bodem is zintuiglijk geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. In de actuele contactzone uit RE- 01 en RE-02 is analytisch geen gewogen asbest aangetoond boven de bepalingsgrens. In de vaste bodem zijn licht verhoogde gehalten aan cadmium, lood, zink, PAK, PCB’s en/of minerale olie aangetoond. In het grondwater zijn licht verhoogde gehalten aan barium en tetrachlooretheen aangetoond. De aangetoonde gehalten vormen geen aanleiding tot nader onderzoek.

Op basis van de analyseresultaten is de actuele bodemkwaliteit afdoende vastgelegd en bestaan geen bezwaren voor de voorgenomen bestemmingsplanwijziging en nieuwbouw op de locatie." 4.3.3

Conclusie

Op basis van de resultaten van het bodemonderzoek blijkt er vanuit het aspect bodem geen belemmeringen zijn voor de ontwikkeling op locatie 2. Wel geldt voor locatie 1 dat er bij graafwerkzaamheden de PAK-verontreiniging onder milieukundige begeleiding verwijderd dient te worden. Daarnaast geldt dat voorafgaand aan de sanering een BUS-melding moet worden ingediend bij de provincie Gelderland. Dit zal worden gedaan conform de aanbevelingen.

4.4

Cultuurhistorie en archeologie

4.4.1

Wettelijk kader

Vanaf 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Doelstelling van de wet is de bescherming en het behoud van archeologische en cultuurhistorische waarden. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met het erfgoed van nationaal belang wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarin heeft en hoe het toezicht wordt geregeld. Als gevolg van deze wet wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het erfgoed meegewogen zoals alle andere aspecten die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen.

TOELICHTING (concept)

33

bestemmingsplan Herstelbesluit Putten Gervenhof & Dorpsstraat e.o.

4.4.2

Cultuurhistorie

Het pand kent geen aanduiding als rijks- of gemeentelijk monument en is niet aangemerkt als beeldbepalend of karakteristiek in het geldende bestemmingsplan. Ook worden de omgeving en het landschap niet aangeduid als cultuurhistorisch waardevol. Geconcludeerd kan worden dat met de gewenste ontwikkeling geen schade wordt toegebracht aan bestaande cultuurhistorische panden of structuren. 4.4.3

Archeologie

Gemeenten zijn verplicht om bij het vaststellen van bestemmingsplannen rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden. Voorts geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren. Het plangebied heeft geen dubbelbestemming met betrekking tot archeologie. In plaats daarvan heeft de gemeente Putten een archeologische beleidskaart opgesteld. De planlocaties liggen binnen de begrenzing van het gebied met een 'hoge verwachting'. Dit betekent dat bij bodemverstoringen groter dan 100 m2 en dieper dan 40 centimeter archeologische onderzoek verplicht is. Het grootste gedeelte van de ontwikkeling zal plaatsvinden op grond die reeds is verstoord. Voorts zal de kritische grenswaarde niet worden overschreden. Nader onderzoek in het kader van archeologie is dan ook niet noodzakelijk.

Figuur: Uitsnede archeologische k aart 4.4.4

Conclusie

Met de gewenste ontwikkeling worden cultuurhistorische panden of structuren niet aangetast. Voorts vindt de ontwikkeling niet plaats in beschermd archeologisch gebied. Er zijn dan ook geen belemmeringen vanuit cultuurhistorie en archeologie voor onderhavig initiatief.

34

TOELICHTING (concept)

bestemmingsplan Herstelbesluit Putten Gervenhof & Dorpsstraat e.o.

4.5

Luchtkwaliteit

4.5.1

Wettelijk kader

Wet milieubeheer Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van de luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (Wm). De in deze wet gehanteerde normen gelden overal, met uitzondering van een arbeidsplaats (hierop is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing). In de Wet milieubeheer zijn onder andere regels en grenswaarden opgenomen voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen. Omdat titel 5.2 van de Wm ingaat op de luchtkwaliteit, staat dit ook wel bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Hierin wordt gesteld dat ruimtelijke plannen doorgang kunnen vinden indien aan één van de onderstaande voorwaarden is voldaan: de plannen leiden niet tot het overschrijden van een grenswaarde; de luchtkwaliteit verbetert tengevolge van de plannen (per saldo) of blijft ten minste gelijk; de plannen dragen niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de concentratie van NO2 en PM10 in de buitenlucht. Vanaf het in werking treden van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit op 1 augustus 2009 wordt onder een NIBM bijdrage een bijdrage van minder dan 3% van de grenswaarde verstaan; het project is opgenomen of past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Lucht (NSL). AMvB en Regeling niet in betekenende mate (NIBM) De Wet luchtkwaliteit maakt onderscheid tussen grote en kleine ruimtelijke projecten.

Een project is klein als het niet in betekende mate (NIBM) leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. De grens ligt bij een toename van de NO2 en/of PM10 jaarconcentratie met maximaal 3% van de grenswaarden (of wel een toename van maximaal 1,2 µg/m3 NO2 en/of PM10). NIBM projecten kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Grotere projecten daarentegen kunnen worden opgenomen in het NSLprogramma, mits ook overtuigend wordt aangetoond dat de effecten van dat project worden weggenomen door maatregelen. De AMvB en Regeling NIBM bevatten criteria waarmee kan worden bepaald of een project van een bepaalde omvang wel of niet als NIBM moet worden beschouwd. Het betreft onder andere de onderstaande gevallen, waarbij een project als NIBM wordt beschouwd: Woningbouw: = 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en = 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Kantoorlocaties: = 100.000 m2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en = 200.000 m2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.

Woningbouw en kantoorlocaties: 0,0008*aantal woningen+ 0,000012*bruto vloeroppervlak kantoren in m2 = 1,2 bij één ontsluitingsweg en 0,0004*aantal woningen+ 0,000006*bruto vloeroppervlak kantoren in m2 = 1,2 bij één ontsluitingsweg. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. Tevens is in artikel 5 van het Besluit NIBM een anticumulatie bepaling opgenomen, die zegt dat de effecten van beoogde ontwikkelingen in de omgeving van het plangebied moeten worden meegenomen in de beoordeling van het betreffende plan. Hiermee wordt voorkomen dat verschillende NIBM-projecten samen toch in betekenende mate bijdragen aan verslechtering van de luchtkwaliteit. 4.5.2

Beoordeling

De ontwikkeling kan, gezien de beperkte omvang, aangemerkt worden als een project dat niet in betekenende mate van invloed is op de luchtkwaliteit. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM niet noodzakelijk. Er behoeft dus wettelijk niet getoetst te worden aan de grenswaarden. Desondanks is bekeken of de luchtkwaliteit ten gevolge van de ontwikkeling onder de gestelde grenswaarden blijft.

TOELICHTING (concept)

35

bestemmingsplan Herstelbesluit Putten Gervenhof & Dorpsstraat e.o.

Tabel: NIBM-tool Tevens is gekeken naar de huidige concentraties NO2 en PM10. Hiervoor is gebruik gemaakt van gegevens van de provincie Gelderland. De gemiddelde concentratie NO2 in 2017 bedroeg 15 - 17,5 µg/m3, bij een jaargemiddelde van 40 µg/m3. De gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 17,5 - 20 µg/m3 bij een jaargemiddelde van 40 µg/m3. Gesteld kan worden dat de luchtkwaliteit ter plekke voldoet aan de voorkeurswaarden. 4.5.3

Conclusie

Het project kan worden beschouwd als een NIBM-project. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit kan dan ook achterwege blijven.

4.6

Parkeren en verkeer

4.6.1

Parkeren

De parkeernormen van de gemeente Putten zijn thans vastgelegd in de Nota Parkeernormen Putten 2024. In een notitie van Sweco van maart 2026 (bijlage 8 bij de toelichting) heeft Sweco aan de hand van de Nota Parkeernormen Putten 2024 (hierna: Nota Parkeernormen) uitgewerkt in welke parkeeroplossing wordt voorzien voor de nieuwe ontwikkelingen in het plangebied Gervenhof. Zoals aangegeven, wordt hierbij het toepassingskader uit de Nota Parkeernormen gehanteerd, en worden de stappen 1, 2 en 3 uit dit toepassingskader doorlopen. In stap 1 is de parkeerbehoefte berekend. Onderstaande tabel (tabel 5 in de notitie van Sweco) geeft de parkeerbehoefte weer voor de nieuwe functies bij volledig dubbelgebruik en inclusief saldering van het parkeren voor de woonwinkel, waarbij alleen de meest maatgevende momenten zijn weergegeven. De saldering van de woonwinkel kan worden toegepast; na sluiting in 2020 van Kok Interieurs, is het pand vervolgens vanaf medio 2021 tot recent ook weer in gebruik geweest als woonwinkel. Het betreffende pand staat derhalve niet langer dan 5 jaar leeg (en dat is het vereiste om te kunnen salderen).

36

TOELICHTING (concept)

bestemmingsplan Herstelbesluit Putten Gervenhof & Dorpsstraat e.o.

Tabel: Parkeerbehoefte voor de nieuwe functies bij volledig dubbelgebruik– alleen de meest maatgevende momenten weergegeven. Afronding volgens Nota Parkeernormen. (*) Multiruimte als 'café, bar, cafetaria' met aanwezigheid detailhandel In het plangebied Gervenhof worden 22 nieuwe parkeerplaatsen gerealiseerd aan het Gervenhof (openbaar gebruik; liggen op het terrein van Van de Kolk / de toekomstige supermarkt); dit aantal is gebaseerd op de weergegeven 28 nieuwe parkeerplaatsen (groen weergegeven op onderstaande figuur (figuur 3 in de notitie van Sweco) en het “saldo” van wijziging van de bestaande parkeerplaatsen (-6 plaatsen); in bijlage 2 bij de notitie van Sweco is zichtbaar welke wijzigingen plaatsvinden met betrekking tot de bestaande parkeerplaatsen; verder worden 12 parkeerplaatsen gerealiseerd in het separate woongebouw; deze plaatsen zijn beschikbaar voor openbaar gebruik. In totaal worden derhalve 34 parkeerplaatsen gerealiseerd. Deze parkeerplaatsen voldoen aan de kwaliteitseisen die door de gemeente worden gesteld op basis van de NEN 2443.

Figuur: Parkeerplaatsen Ontwikkelplan op grond Van der Kolk/Boni Uit de hiervoor opgenomen tabel volgt dat op zaterdagavond het grootste aantal parkeerplaatsen is TOELICHTING (concept)

37

bestemmingsplan Herstelbesluit Putten Gervenhof & Dorpsstraat e.o. benodigd, te weten 61. Dat is hoger dan het aantal parkeerplaatsen dat wordt gerealiseerd. Er zijn geen mogelijkheden om binnen het plangebied Gervenhof meer parkeerplaatsen aan te leggen zonder dat dit leidt tot onrealistisch hoge realisatiekosten per parkeerplaats. In stap 3 is daarom bekeken of het tekort op de maatgevende momenten op een andere wijze kan worden opgelost, daarbij volgend de Afwijkingsmogelijkheden in de Nota Parkeernormen. Volgens de Nota Parkeernormen (bijlage 15) geldt voor ontwikkelingen in het centrumgebied, zoals de onderhavige, dat parkeerplaatsen binnen het centrumgebied per definitie binnen acceptabele loopafstanden zijn gelegen, zie paragraaf 5.2 van de Nota Parkeernormen.

Beoordeeld is of er op de verscheidene maatgevende momenten van de binnen het plangebied Gervenhof voorziene ontwikkeling (zaterdagavond, zaterdagmiddag en koopavond) voor het tekort (respectievelijk 22, 9 en 12 parkeerplaatsen) parkeercapaciteit in het openbaar gebied aanwezig is; en die wordt aanwezig geacht, als op deze momenten de bezettingsgraad van de parkeercapaciteit in openbaar gebied inclusief de benodigde parkeerplaatsen in verband met de voorziene ontwikkeling niet verder oploopt dan tot maximaal 85%.; zoals uit onderstaande tabel volgt (tabel 8 in de notitie van Sweco) is die parkeercapaciteit in het openbaar gebied op de bedoelde momenten aanwezig. Van belang hierbij is om nog op te merken, dat de raad bij het vaststellen van de Nota Parkeernormen 2024 uitdrukkelijk al de afweging heeft gemaakt dat het centrumgebied als 1 gebied moet worden aangemerkt en dat de parkeercapaciteit die in het openbaar gebied aanwezig is, kan worden ingezet als parkeeraanbod voor de in het centrumgebied aanwezige / te ontwikkelen functies en dat de parkeerplaatsen in het openbaar areaal in het centrumgebied per definitie op een acceptabele loopafstand liggen van de functies in het centrumgebied.

Tabel: Samenvatting parkeertellingen centrum Putten 2023; in de tabel ook aangegeven het effect van aanvullende vraag door afgegeven bouwvergunningen; afgeronde aantallen Uit de notitie van Sweco kan worden geconcludeerd dat kijkend naar de parkeerbehoefte afgezet tegen het parkeeraanbod binnen het plangebied Gervenhof en kijkend naar het aanwezige openbare areaal van parkeerplaatsen in het centrumgebied op de verscheidene maatgevende momenten, er niet behoeft te worden gevreesd voor parkeeroverlast. 4.6.2

Verkeer

Het plangebied wordt ontsloten via de Dorpsstraat en de Engweg in westelijke richting en de Engweg en de Achterstraat in westelijke richting. Dit zijn 50 km/u-wegen. De verkeersgeneratie kan berekend worden aan de hand van de kencijfers van de publicatie 'CROW 381 Toekomstbestendig parkeren' uit 2018. Er is uitgegaan van de kencijfers voor een situatie in het centrum van weinig stedelijk gebied.

38

TOELICHTING (concept)

bestemmingsplan Herstelbesluit Putten Gervenhof & Dorpsstraat e.o.

In de huidige situatie is de maximale verkeersgeneratie 1452,27 mvt/etmaal voor locatie 1 en 2. Dit is als volgt vastgesteld: Kok Interieurs (4.980 m2); kencijfers voor woonwinkel per 100 m2 minimaal 5,2 en maximaal 7,8 mvt/etmaal. Totale verkeersgeneratie 258,96 - 388,44 mvt/etmaal. Bestaande boni supermarkt, inclusief bloemenwinkel (1.070 m2); kencijfers voor supermarkt per 100 m2 minimaal 53,0 en maximaal 94,6 mvt/etmaal. Totale verkeersgeneratie 567,1 - 1012,22 mvt/etmaal. Kringloopwinkelpanden (gezamenlijk 270 m2): kencijfers voor kringloopwinkel (schil centrum). Per 100 m2 minimaal 10,9 en maximaal 16,3 mvt/etmaal. Totale verkeersgeneratie 29,42 - 44,01 mvt/etmaal. Appartement boven kringloopwinkel (huur appartement, duur). Totale verkeersgeneratie minimaal 6,8 en maximaal 7,6 mvt/etmaal. Voor de nieuwe situatie is de maximale verkeersgeneratie op dezelfde manier te bepalen: Nieuwe boni-supermarkt (1.765 m2): 935,45 - 1669,69 mvt/etmaal. Nieuwe kringloopwinkel (1.025 m2): 111,725 - 167,075 mvt/etmaal. Nieuwe bloemenwinkel (171 m2). Kencijfers voor een winkel in binnenstad. Per 100 m2 een verkeersgeneratie van minimaal 28,3 en maximaal 37,4. Totale verkeersgeneratie van 48,393 63,954 mvt/etmaal. Nieuwe appartementen (28 totaal). Kencijfers voor appartement koop, duur. Minimale verkeersgeneratie van 6,8 en maximale verkeersgeneratie van 7,6 mvt/etmaal.

Totale verkeersgeneratie van 190,4 - 212,8 mvt/etmaal. Vijf nieuwe vrijstaande woningen (incl. kringlooppanden): 7,5 - 8,3 mvt/etmaal. Gezamenlijk 37,5 41,5 mvt/etmaal. Zes nieuwe twee-onder-één-kap woningen (koop): 7,2 - 8,0 mvt/etmaal. Gezamenlijk 43,2 - 48,0 mvt/etmaal. De maximale verkeersgeneratie in de nieuwe situatie is hiermee vastgesteld op 2.202,794 mvt/etmaal. Dit betekent dat de gewenste ontwikkeling zorgt voor een toename van maximaal 750,524 mvt/etmaal. Gezien de ligging van het plangebied en de verkeerssituatie ter hoogte van het plangebied wordt aangenomen dat de toename van de verkeersgeneratie niet tot problemen leidt met de verkeersafwikkling in het plangebied, te meer er is uitgegaan van een maximale verkeersgeneratie. 4.6.3

Conclusie

Voorgenomen initiatief zal niet leiden tot verkeerskundige en/of parkeertechnische problemen. Er wordt voldaan aan de parkeernormen en de verkeersgeneratie neemt slechts beperkt toe.

4.7

Geluidhinder

4.7.1

Wettelijk kader

Wegverk eer en railverkeer Langs alle (spoor)wegen – met uitzondering van 30 km/u-wegen en woonerven – bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidshinder vanwege de (spoor)weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken/spoorstaven en van binnen- of buitenstedelijke ligging. Op basis van jurisprudentie dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook bij 30 km/u-wegen de aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting te worden onderbouwd. Industrielawaai Gezoneerde industrieterreinen hebben een vaste geluidzone die wordt vastgelegd door middel van een bestemmingsplan. Buiten de geluidszone wordt de voorkeurswaarde van 50 dB(A) niet overschreden. De maximale ontheffingswaarde binnen de geluidszone bedraagt 55 dB(A) etmaalwaarde voor nieuwe situaties. In tegenstelling tot weg- en railverkeer wordt voor industrielawaai niet getoetst aan de Lden waarde maar aan de etmaalwaarde. De dosismaat Lden is voor wegverkeerslawaai en spoorweglawaai met ingang van 1 januari 2007 in de gewijzigde Wgh vastgelegd. Voor industrielawaai wordt Lden in het

TOELICHTING (concept)

39

bestemmingsplan Herstelbesluit Putten Gervenhof & Dorpsstraat e.o. kader van de Wgh voorlopig niet ingevoerd. 4.7.2

Onderzoek / beoordeling

De twee planlocaties zijn niet gelegen binnen de geluidzone van een industrieterrein. Wel ligt planlocatie 2 binnen de geluidzone van een aantal wegen. De nieuwe woningen die worden gerealiseerd aan de Gervenhof, maar ook de bestaande woningen, kunnen mogelijk geluidhinder ondervinden van de commerciële activiteiten op de begane grond. Voor beide locaties is een akoestisch onderzoek uitgevoerd door Buro Ontwerp & Omgeving. De rapportages zijn opgenomen als bijlagen. Hieronder worden de onderzoeken per locatie kort toegelicht en de resultaten samengevat. Locatie 1 Voor locatie 1 (Gervenhof) is voornamelijk gekeken naar de optredende geluidhinder bij de nieuwe en de omliggende woningen (zie bijlage 9). De hoogste langtijdgemiddelde geluidsbelasting bedraagt 49 dB(A) door de realisatie van het plan (supermarkt en dagwinkels). Bij de nieuwe woningen en de omliggende woningen wordt voldaan aan de grenswaarde van 50 dB(A) uit het Activiteitenbesluit. Tevens wordt er voldaan aan de richtwaarde (stap 2) van 50 dB(A) uit de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering, editie 2009’. De hoogste maximale geluidsbelasting in de dagperiode worden veroorzaakt door de bevoorrading van de supermarkt (rijden van vrachtwagens). Het laden en lossen in uitgezonderd op basis van het Activiteitenbesluit op grond van artikel 2.17 lid 1b van het Activiteitenbesluit.

Hierdoor is het laden en lossen mogelijk op basis van het Activiteitenbesluit Het rijden van de winkelwagens en de installaties van de supermarkt voldoen aan de normen uit het Activiteitenbesluit en de richtwaarden (stap 2) uit de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering”. De optredende maximale geluidsbelastingen zijn dan ook acceptabel. Overigens vinden de piekgeluiden vanwege het laden en lossen relatief weinig plaats. Door de lage frequentie van de piekgeluiden moet deze piekgeluiden als acceptabel worden geacht. De hoogste geluidsbelasting afkomstig van de indirecte hinder bedraagt 58 dB(A) bij de nieuwe woningen en de omliggende woningen. Hiermee wordt bij de nieuwe woningen de omliggende woningen voldaan aan de richtwaarde (stap 3) van 65 dB(A) uit de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering, editie 2009’ en voldaan aan de maximaal toelaatbare geluidsbelasting van 65 uit de Schrikkelcirculaire. De optredende geluidsbelastingen ten gevolge van de indirecte hinder zijn daarmee acceptabel. Hieruit volgt het volgende advies: "Gezien de beperkte aanleveringen van goederen wordt geadviseerd om de gerapporteerde maximale geluidsbelastingen acceptabel te achten.

De initiatiefnemer heeft conform het BBT-principe reeds in de planfase geluidsreducerende maatregelen getroffen aan bijvoorbeeld de verharding van het parkeerterrein, gebruik maken van stillere kunststof winkelwagens en het laden en lossen overdekt en afgeschermd van de omgeving door middel van een laad- en lossluis uit te voeren. De optredende hogere geluidspieken komen alleen in de dagperiode voor door het rijden van de vrachtwagen van en naar de laad- en loslocatie. Deze activiteiten zijn uitgezonderd voor de toetsing aan het Activiteitenbesluit. Het is dan ook niet noodzakelijk om middels maatwerkvoorschriften ontheffing te verlening voor de maximale geluidsniveaus. Uit dit onderzoek blijkt dat het plan vanuit akoestisch oogpunt uitvoerbaar is." Locatie 2 Locatie 2 ligt binnen de geluidzone van de Engweg en de Oude Rijksstraatweg (N798). De Dorpsstraat is een 30 km/u-weg en heeft geen geluidzone. Voor een goede ruimtelijke ordening dient deze straat wel beschouwd te worden in een akoestisch onderzoek. De Engweg betreft een 50 km/u-weg. Locatie 2 ligt binnen de geluidzone van deze weg. De Oude Rijksstraat is een 80 km/u-weg met dicht asfaltbeton. Locatie 2 ligt op ongeveer 175 meter afstand van de weg en valt hierdoor binnen de geluidzone. De hoogste geluidsbelasting afkomstig van de Engweg bedraagt 56 dB, inclusief aftrek op grond van artikel 110g Wgh.

De Dorpsstraat heeft op basis van de Wgh geen zone. Formeel gelden de normen uit de Wgh dan ook niet voor 30 km•]wegen. Echter, in het kader van een goede ruimtelijke ordening, zijn bij de beoordeling van de geluidsbelastingen zijn de voorkeursgrenswaarde van 48 dB en de hoogste toelaatbare geluidsbelastingen van 63 dB gebruikt. Deze normen gelden voor een vergelijkbare weg met een 50 km•]regime. Bij de nieuwe woningen wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wgh

40

TOELICHTING (concept)

bestemmingsplan Herstelbesluit Putten Gervenhof & Dorpsstraat e.o. overschreden en er wordt voldaan aan de hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 63 dB uit de Wgh. Bij twee woningen (V1 en V2) wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB overschreden. De geluidsbelastingen liggen binnen de geluidsnormen uit de Wgh. Op grond van de Wgh zijn de optredende geluidsbelastingen dan ook acceptabel. De hoogste geluidsbelasting afkomstig van de Engweg bedraagt 32 dB, inclusief aftrek op grond van artikel 110g Wgh. Bij de nieuwe woningen wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wgh. Hieruit volgt de volgende samenvatting: "Uit de geluidsberekeningen blijkt dat de woningen te realiseren zijn." Het rapport van het onderzoek is toegevoegd als bijlage 10. 4.7.3

Conclusie

Vanuit akoestisch oogpunt blijkt dat het plan uitvoerbaar is, mits er wordt voldaan aan de aanbevelingen van het akoestisch onderzoek. Bij de omgevingsvergunning bouwen zal de geluidwering van de gevels getoetst moeten worden middels een akoestisch onderzoek om na te gaan of het geluidsniveau van 33 dB voor het binnenniveau kan worden gehaald.

4.8

Bedrijven en milieuzonering

4.8.1

Wettelijk kader

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stelt zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.

De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de onderstaande richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk' dan wel 'gemengd gebied'. Milieucategorie Richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied

Richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied

1

10 m

0m

2

30 m

10 m

3.1

50 m

30 m

TOELICHTING (concept)

41

bestemmingsplan Herstelbesluit Putten Gervenhof & Dorpsstraat e.o.

3.2

100 m

50 m

4.1

200 m

100 m

4.2

300 m

200 m

5.1

500 m

300 m

5.2

700 m

500 m

5.3

1.000 m

700 m

6

1.500 m

1.000 m

Richtafstanden en omgevingstype Hiernaast gelden ten aanzien van bedrijven die onder de werkingssfeer van de Wet milieubeheer vallen, deze Wet en haar uitvoeringsbesluiten als toetsingskader voor de toegestane bedrijfshinder. 4.8.2

Onderzoek / beoordeling

Voor onderhavig project dient te worden getoetst of de nieuwe functie mogelijk belemmeringen veroorzaakt voor bestaande functies in de omgeving en of de nieuwe functie mogelijk belemmeringen ondervindt als gevolg van de milieuhinder van naburige bedrijven en/of bedrijvigheid. De omgeving van het plangebied kan gekarakteriseerd worden als gemengd gebied, omdat er naast winkels ook woningen voorkomen en er een doorlopende weg door het gebied loopt. Locatie 1 Voor de locatie aan de Gervenhof geldt dat moet worden onderzocht of voor de nieuwe appartementen een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd is. Anderzijds moet worden aangetoond dat omliggende bedrijven niet in hun mogelijkheden worden belemmerd. Voor supermarkten geldt milieucategorie 1. De richtafstand tot omliggende functies is hiermee 0 meter in gemengd gebied. Voor de omliggende bestaande functies (o.a. supermarkt en woningen) vormt de voorgenomen herontwikkeling ook geen belemmering. Tevens liggen de bestaande woningen op 5 meter van de naastgelegen kerk, conform de richtafstand dient bij een kerk in gemengd gebied de richtafstand 10 meter te zijn. Aangezien dit reeds een bestaande situatie betreft, is dit geen belemmering voor de ontwikkeling, de kerk moet reeds rekening houden met de bestaande woningen.

Locatie 2 Locatie 2 kan, gezien de ligging aan de doorlopende weg in de toekomstige situatie worden aangemerkt als gemengd gebied. Rond de planlocatie zijn enkele horecagelegenheden gelegen, maar ook winkels en woningen. Ten zuiden van de planlocatie is Autoschade bedrijf Asw gevestigd (Engweg 23a). Voor dit bedrijf geldt milieucategorie 2. Voor deze locatie is een 'quickscan bedrijven en milieuzonering' uitgevoerd door Buro Ontwerp en Omgeving'. Dit rapport is opgenomen als bijlage 11. Een woning is een gevoelige functie. De herontwikkeling dient dus getoetst te worden aan de milieuzonering. Voor gemengd gebied geldt een richtafstand van 0 meter tot omliggende functies voor de woningen. Voorts geldt dat de omliggende functies, uitgezonderd het garagebedrijf, een richtafstand van 0 meter hebben en dus niet worden belemmerd door de gewenste ontwikkeling. Voor het garagebedrijf geldt een richtafstand van 10 meter in gemengd gebied. De nieuwe woningen zijn geprojecteerd op 39 meter. Ten oosten en westen van het garagebedrijf liggen reeds een aantal woningen. Geluid heeft voor het garagebedrijf de grootste richtafstand heeft. De voorgevels van het garagebedrijf zijn allen gericht op het zuiden, waardoor de geluidhinder richting het noorden minimaal is. De gevels van de nieuwe woningen zullen dan ook niet worden belast door het garagebedrijf.

Het is hiermee aannemelijk dat er in de nieuwe woningen een goed woon- en leefklimaat is gerealiseerd. De gewenste ontwikkeling wordt derhalve niet belemmerd door de aanwezigheid van het garagebedrijf.

42

TOELICHTING (concept)

bestemmingsplan Herstelbesluit Putten Gervenhof & Dorpsstraat e.o.

4.8.3

Conclusie

Gelet op het voorgaande vormen de milieubelastende functies vanuit het oogpunt van milieuzonering geen belemmering voor de in dit plan besloten ruimtelijke ontwikkeling. Andersom leiden de gewenste ontwikkelingen niet tot milieutechnische problemen voor de omliggende functies. Geconcludeerd kan worden dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is te achten met een goede ruimtelijke ordening.

4.9

Externe veiligheid

4.9.1

Wettelijk kader

Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico's: risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor. Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen.

De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek. In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht.

Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als

TOELICHTING (concept)

43

bestemmingsplan Herstelbesluit Putten Gervenhof & Dorpsstraat e.o. groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Structuurvisie buisleidingen van belang. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen.

Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spooren vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico's voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden.

Indien een bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft. 4.9.2

Onderzoek / beoordeling

Een woning betreft een kwetsbaar object, waardoor de gewenste ontwikkeling getoetst dient te worden aan de wetgeving omtrent externe veiligheid. Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen en/of transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig zijn, is de risicokaart geraadpleegd. Navolgende afbeelding toont een uitsnede van deze kaart.

44

TOELICHTING (concept)

bestemmingsplan Herstelbesluit Putten Gervenhof & Dorpsstraat e.o.

Figuur: Uitsnede risicokaart met blauwe cirkel als globale aanduiding planlocaties (bron: arcgis.com) Mobiele risicobronnen N798 Locatie 2 ligt binnen het aandachtsgebied van de Oude Rijksweg (N798). Op een afstand van circa 180 meter ligt de provinciale weg. Deze weg is aangewezen als transportroute voor gevaarlijke stoffen. De N798 is een 80 km/u-weg. De weg heeft geen 10-6 contour, zoals bij uit het rapport 'Inventarisatie risicobronnen gemeente Putten' (29-12-2012, Tebodin). Wel dient risico gehouden te worden met het groepsrisico. Daarbij geldt dat voor het gedeelte van de weg dat binnen de bebouwde kom is gelegen een maximale bevolkingsdichtheid van 99p/ha uitgaande van tweezijdige bebouwing op een afstand van de weg. Ingeval van een grotere bevolkingsdichtheid is een nadere studie nodig. In de gewenste situatie zal het aantal personen dat aanwezig is op locatie 2 aanzienlijk lager zijn dan in de huidige piekmomenten van de Boni-supermarkt. Spoorlijn Amersfoort - Zwolle Op circa 1.700 meter ten oosten van locatie 2 is de spoorlijn Amersfoort-Zwolle gelegen. Deze spoorlijn heeft een plaatsgebonden risicocontour van 6 meter en een plasbrandaandachtsgebied (PAG) van 30 meter. Wel liggen beide locaties binnen het invloedsgebied toxisch (4.000 meter). Er dient te worden aangegeven hoe om te gaan met de zelfredzaamheid en rampenbestrijding.

Hiervoor dient VNOG geconsulteerd te worden. Inrichtingen In de nabijheid van het plangebied zijn geen EV-relevantie inrichtingen gevestigd. Anderzijds is de voorgenomen planontwikkeling geen risicovolle inrichting in het kader van de BEVI en vormt de gewenste ontwikkeling geen gevaar voor de omgeving. 4.9.3

Conclusie

Er bestaat vanuit het thema externe veiligheid geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

TOELICHTING (concept)

45

bestemmingsplan Herstelbesluit Putten Gervenhof & Dorpsstraat e.o.

4.10

Kabels en leidingen

Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen; aardgasleidingen afhankelijk van druk; defensiebrandstoffen; warmte en afvalwater, ruwwater of halffabricaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch. Uit de toelichting en verbeelding van bestemmingsplan 'Putten Centrum' is op te maken dat er geen planologisch relevante kabels en leidingen in het plangebied of in de directe omgeving daarvan aanwezig zijn. Voor de verdere realisatie van het plan zal indien nodig een KLIC-melding gedaan worden om te achterhalen of er relevante kabels en leidingen in het plangebied of in de directe omgeving daarvan aanwezig zijn.

4.11

Water

4.11.1 Inleiding Water en ruimtelijke ordening hebben veel met elkaar te maken. Aan de ene kant is water één van de sturende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik zoals locaties voor stadsuitbreiding. Aan de andere kant kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Op Europees en nationaal niveau heeft water een eigen plaats gekregen in de ruimtelijke besluitvorming via de verplichte 'watertoets'. Een watertoets geeft aan wat de gevolgen zijn van een ruimtelijk plan voor de waterhuishouding in het betreffende gebied. Zo'n waterparagraaf moet sinds 1 januari 2003 worden opgenomen in de toelichting bij ruimtelijke plannen. Doel van de watertoets is de relatie tussen planvorming op het gebied van de ruimtelijke ordening en de waterhuishouding te versterken. Een watertoets is verplicht als het gaat om een functieverandering en/of bestemmingswijziging. Op basis van informatie en randvoorwaarden vanuit waterbeheerder, het waterbeleid en relevante bodemgegevens worden de verschillende wateraspecten uitgewerkt in een waterparagraaf. De waterparagraaf beschrijft het huidige watersysteem alsmede de mogelijkheden en randvoorwaarden voor het toekomstig watersysteem. De waterparagraaf wordt afgestemd met de waterbeheerder.

4.11.2 Beleidskader Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding. Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor onderhavige ontwikkeling relevante nota's. Europa Met ingang van december 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) van kracht geworden. In het kader van de Kaderrichtlijn worden kwaliteitseisen gesteld, gericht op het beschermen en verbeteren van de aquatische ecosystemen (verplichting per stroomgebied). Deze richtlijn stelt als norm dat oppervlaktewateren binnen 15 jaar na inwerkingtreding moeten voldoen aan een 'goede ecologische' toestand (GET). Voor kunstmatige wateren, zoals de meeste stadswateren, geldt dat de oppervlaktewateren minimaal moeten voldoen aan een 'goed ecologisch potentieel' (GEP). Inmiddels zijn de GEP-normen per stroomgebied uitgewerkt. Rijk De Waterwet, die in werking is getreden in 2009, regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Op grond van deze wet

46

TOELICHTING (concept)

bestemmingsplan Herstelbesluit Putten Gervenhof & Dorpsstraat e.o. moeten de provincies één of meer regionale waterplannen vaststellen die wat betreft de ruimtelijke aspecten de status van provinciale structuurvisie hebben. De Waterwet schrijft eveneens voor dat elke zes jaar een nieuw Nationaal Waterplan uitgebracht wordt. Op 10 december 2015 is het Nationaal Waterplan 2 (NWP2) vastgesteld. Het NWP2 is opgesteld vanuit het perspectief om een nationale Omgevingsvisie te ontwikkelen richting 2018 conform de Omgevingswet in wording. Het NWP2 geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Met dit NWP2 zet het kabinet een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Het beleid en de maatregelen in het nieuwe Nationaal Waterplan dragen bij aan het vergroten van het waterbewustzijn in Nederland. 4.11.3 Watertoets Om het voornemen te toetsen aan het waterbeleid, is de watertoets uitgevoerd.

Aangezien alleen aan de Dorpsstraat (locatie huidige Boni-supermarkt) het oppervlakte dat bebouwd wordt toeneemt is de watertoets alleen voor dit deel van de ontwikkeling uitgevoerd. Daarbij wordt opgemerkt dat het gebied nu erg versteend is en dat in de toekomstige situatie sprake zal zijn van meer groen. De samenvatting is als bijlage bijgevoegd (Bijlage 12). Op basis van de watertoets blijkt dat er geen waterschapsbelang bestaat. Wel zijn er enkele algemene aandachtspunten geformuleerd. "Vasthouden - bergen - afvoeren Een belangrijk principe is dat een deel van het hemelwater binnen het plangebied wordt vastgehouden en/of geborgen en dus niet direct afgevoerd wordt naar de riolering of het oppervlaktewater. Hiermee wordt bereik t dat de waterzuiveringsinstallatie beter functioneert, verdroging wordt tegen gegaan en piekafvoeren in het oppervlaktewater (met eventueel wateroverlast in benedenstrooms gelegen gebieden) wordt voorkomen. Bij lozing op oppervlaktewater zal hiervan een melding gedaan moeten worden bij het waterschap. Grondwaterneutraal bouwen Om grondwateroverlast te voorkomen adviseert het waterschap om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen. Dit betekent dat aspecten zoals ontwateringsdiepte en infiltratie van hemelwater, beschouwd worden ten opzichte van de GHG.

Het structureel onttrekken / draineren van grondwater is geen duurzame oplossing en moet worden voorkomen. Het waterschap adviseert de initiatiefnemer dan ook om voorafgaand aan de ontwikkeling een goed beeld te krijgen van de heersende grondwaterstanden en GHG. Eventuele grondwateroverlast is in eerste instantie een zaak voor de betreffende perceeleigenaar. Schoon houden - scheiden - schoon maken Om verontreiniging van bodem, grond- en/of oppervlaktewater te voorkomen is het van belang dat het afstromende hemelwater niet verontreinigd raakt. Dit kan door nadere eisen of randvoorwaarden te stellen aan bijvoorbeeld de toegepaste (bouw)materialen. Wij vragen de initiatiefnemer om duurzame bouwmaterialen te gebruiken. De gemeente kan u hierbij verder helpen." Daarnaast is er een gebiedsspecifiek aandachtspunt geformuleerd met betrekking tot de grondwaterfluctuatiezone: "Het plangebied ligt binnen de grondwaterfluctuatiezone, zoals die door de Provincie Gelderland is bepaald. Dit is een zone langs de flanken van het Veluwemassief, waar de grondwaterstanden naar verwachting op termijn zullen stijgen. Afhankelijk van de verwachtte stijging kan het raadzaam zijn daar nu rekening mee te houden, om daarmee toekomstig grondwateroverlast te voorkomen." 4.11.4 Conclusie Vanuit het aspect water zijn er geen belemmeringen voor onderhavig initiatief.

Het waterschap adviseert positief over het voornemen. De aandachtspunten zullen worden meegenomen in het plan.

TOELICHTING (concept)

47

bestemmingsplan Herstelbesluit Putten Gervenhof & Dorpsstraat e.o.

4.12

M.e.r.-beoordeling

4.12.1 Wettelijk kader In de Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat op basis van selectiecriteria vastgesteld dient te worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zal hebben of niet. Onderdeel D van de bijlage bevat activiteiten, plannen en besluiten waarvoor het maken van een m.e.r.-beoordeling verplicht is. Voor elke activiteit die genoemd wordt in kolom 1 van onderdeel D van het Besluit m.e.r. moet beoordeeld worden of er sprake is van (mogelijke) nadelige milieugevolgen. Voor activiteiten die onder de drempelwaarde zoals genoemd in kolom 2 van onderdeel D vallen, volstaat een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Deze motivering dient qua inhoud aan te sluiten bij de m.e.r.-beoordeling, maar heeft geen vormvereisten. Voorliggend initiatief kan gezien worden als 'stedelijk ontwikkelingsproject' (D 11.2). De gewenste ontwikkeling blijft ruim onder de drempelwaarde van 2.000 woningen en bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2, waardoor een vormvrije m.e.r.-beoordeling volstaat. In een vormvrije m.e.r.-beoordeling dient aandacht te worden besteed aan drie criteria die zijn opgenomen in Bijlage III van de Europese richtlijn 'betreffende milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten'. Dit zijn achtereenvolgens de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van het potentiële effect.

4.12.2 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Kenmerken van het project De ontwikkeling voorziet in de sloop van bestaande winkelpanden, alsmede in de realisatie van nieuwe commerciële ruimten en woningen. Daarnaast gaat de ontwikkeling uit van een herinrichting van een bestaand parkeerterrein en voorziet het twee bestaande panden van een andere bestemming. Plaats van het project De planlocaties zijn gelegen in het stedelijk gebied van Putten. Putten ligt aan de rand van de Veluwe. Natura 2000-gebieden en gebieden die onderdeel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland zijn gelegen op circa 1.000 meter van de planlocaties. Kenmerken van het potentiële effect Er is onderzoek gedaan naar de effecten op flora en fauna. Dit is in paragraaf 4.1 uitgebreid omschreven. Er is aanvullend onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van huismussen, gierzwaluwen en vleermuizen. Deze soorten zijn niet waargenomen. Wel is er sprake van een stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Er kan echter intern worden gesaldeerd, waardoor de nieuwe situatie leidt tot een stuk minder depositie dan de huidige situatie. Derhalve is er geen belemmering voor de provincie om een vergunning te verlenen. De bodemkwaliteit ter plekke is in voldoende mate vastgesteld en akkoord bevonden voor de gewenste functies.

4.12.3 Conclusie De kenmerken, plaats en potentiële effecten van de ontwikkeling geven op basis van het voorgaande geen aanleiding ernstige milieugevolgen te verwachten die het nodig maken om een m.e.r-procedure te doorlopen.

4.13

Molenbiotoop

Ten zuiden van het plangebied aan de Halvinkhuizerweg 1 staat de oude korenmolen ’t Hert. De biotoop van deze molen ligt voor een deel binnen het plangebied. De molen betreft een rijksmonument. Hoewel de molen buiten het plangebied ligt, moet wel rekening worden gehouden met de molenbiotoop. De Gelderse Molenverordening en de Uitvoeringsregeling Gelderse molenverordening zijn specifiek geschreven om de omgeving van molens te beschermen tegen voor molens ongewenste activiteiten. Uitgangspunt is dat de vrije windvang en het zicht op de molen voldoende gegarandeerd zijn. Indien de wind gereduceerd wordt als gevolg van obstakels zal het vermogen van de molen afnemen. Voor een stellingmolen zoals ’t Hert geldt, dat een obstakel toegestaan is indien de hoogte daarvan

48

TOELICHTING (concept)

bestemmingsplan Herstelbesluit Putten Gervenhof & Dorpsstraat e.o. lager is dan het niveau van de molenstelling (=6,80 m boven het maaiveld) over een afstand tot de molen van 150 m. Na 150 m gelden omhoog lopende hoogtematen. In bijlage 13 is een biotooprapport te vinden. Hieruit blijkt dat de huidige bebouwing de toegestane hoogte niet overschrijft. Wel is te zien dat de bomen op de begraafplaats ten zuiden van de planlocatie te hoog zijn voor een goede windvang van de molen. Aangezien de nieuwe bebouwing niet hoger zal worden dan de bestaande bomen zorgt de ontwikkeling niet voor strijdigheid met de aanwezige molenbiotoop.

TOELICHTING (concept)

49

bestemmingsplan Herstelbesluit Putten Gervenhof & Dorpsstraat e.o.

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische planbeschrijving

Inleiding

In een bestemmingsplan zijn de bouw- en gebruiksmogelijkheden voor een bepaald gebied opgenomen. Het onderhavige bestemmingsplan regelt de inrichting van het gebied op hoofdlijnen door de gronden te beleggen met een bestemming. Het juridische deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding (kaart) in samenhang met de regels. In dit hoofdstuk wordt het juridische deel van het bestemmingsplan nader toegelicht. De regels en verbeelding zijn opgesteld conform de RO-standaarden 2012, waarbij in het bijzonder het IMRO 2012 (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de SVBP 2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen) van belang zijn. Voor de regels is aansluiting gezocht bij het vigerende bestemmingsplan 'Putten Centrum'. Het bestemmingsplan 'Herstelbesluit Putten Gervenhof & Dorpsstraat e.o.' bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels tezamen vormen het juridisch bindende deel van het plan. Verbeelding en regels dienen te allen tijde in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding krijgen alle gronden binnen het plangebied een bestemming. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. De juridische betekenis van deze bestemmingen en aanduidingen zijn terug te vinden in de regels.

Een gedeelte van de informatie op de verbeelding heeft geen juridisch betekenis, maar is slechts opgenomen om de leesbaarheid van en oriëntatie op de verbeelding te vergroten, zoals een kadastrale/BGT ondergrond. Alle letters, aanduidingen en lijnen worden verklaard in de legenda op de verbeelding. De regels bepalen de gebruiksmogelijkheden van de gronden binnen het plangebied en geven tevens de bouw- en gebruiksmogelijkheden met betrekking tot bouwwerken aan. De regels van het bestemmingsplan 'Herstelbesluit Putten Gervenhof & Dorpsstraat e.o.' zijn opgebouwd conform de door de SVBP 2012 voorgeschreven systematiek en omvatten inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels de overgangs- en slotregels.

5.2

Inleidende regels

De inleidende regels bestaan uit de volgende artikelen. 5.2.1

Begrippen

In de begripsregels worden omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Alleen die begripsregels worden opgenomen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. 5.2.2

Wijze van meten

Om op een eenduidige manier afstanden en oppervlakten te bepalen, wordt in de 'wijze van meten' uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Dit artikel geeft aan hoe de lengte, breedte, hoogte, diepte en oppervlakte e.d. van gronden en bouwwerken wordt gemeten of berekend. Alle begrippen waarin maten en waarden voorkomen worden in dit artikel verklaard. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Ook voor de 'wijze van meten' worden in de SVBP 2012 richtlijnen gegeven.

50

TOELICHTING (concept)

bestemmingsplan Herstelbesluit Putten Gervenhof & Dorpsstraat e.o.

5.3

Bestemmingsregels

5.3.1

Opbouw bestemmingen

De gronden van het gehele plangebied hebben een positieve bestemming. Een positieve bestemming betekent dat het gebruik van de gronden voor de verschillende bestemmingen direct mogelijk is. Bovendien betekent het dat oprichting van gebouwen direct mogelijk is nadat burgemeester en wethouders een omgevingsvergunning hebben verleend, welke dient te voldoen aan onder meer de regels van het bestemmingsplan, het Bouwbesluit en de Bouwverordening. De opbouw van de bestemmingen ziet er in beginsel als volgt uit: Bestemmingsomschrijving; Bouwregels; Nadere eisen; Afwijken van de bouwregels; Specifieke gebruiksregels; Afwijken van de gebruiksregels; Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden; Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; Wijzigingsbevoegdheid. 5.3.2

Bestemmingen

Gemengd De bestemming “Gemengd” is van toepassing op de secundaire winkelgebieden. Het verschil met de bestemming “Centrum” is dat wonen op de begane grond binnen deze bestemming wel mogelijk is. Naast het gebruik van de begane grond voor wonen mag dit ook gebruikt worden voor detailhandel, publieksgerichte dienstverlening, kantoren, (lichte) bedrijven en horeca (categorie a als recht; categorie b en c indien aangeduid). Wonen De woningen in het plangebied gelegen buiten het gebied bestemd als “Gemengd” hebben de bestemming “Wonen” gekregen. De bouwvlakken, welke ruim zijn opgenomen, in deze bestemming geven aan waar het hoofdgebouw gebouwd mag worden. De bouw aanduiding geeft aan wat de maximale goot- en bouwhoogte mag zijn. Met uitzondering van wijzigingen die dit wel mogelijk maken. Het is binnen deze bestemming tevens toegestaan om een aan huis verbonden beroep- of bedrijf uit te oefenen, mits aan een aantal voorwaarden wordt voldaan. De gronden achter de bouwvlakken zijn eveneens bestemd als "Wonen". Deze gronden kunnen worden ingericht als tuin. Tuin Voor de als “Wonen” bestemde gronden zijn stroken met de bestemming “Tuin” opgenomen. Binnen deze stroken mogen geen gebouwen worden gerealiseerd.

Het is hier enkel mogelijk om bouwwerken met een maximale hoogte van 3 m te realiseren.Tevens mogen de voor tuin bestemde gronden tussen de weg en de bouwgrens ingericht en gebruikt worden als parkeerplaats. Verkeer - Verblijfsgebied Alle overige wegen, allen te beschouwen als verkeersluwe woonstraten, in het plangebied, mede gelet op de inrichting als 30 km-zone, bestemd tot "Verkeer - Verblijfsgebied". De parkeerterreinen hebben eveneens deze bestemming gekregen. In deze bestemming is een groot deel van de openbare straatruimte rond de centrumfuncties vastgelegd: behalve de wegen zijn veelal ook de aansluitende trottoirs, parkeerstroken en stroken (blok-)groen in deze bestemming opgenomen en zijn evenementen mogelijk. Binnen de bestemming zijn tevens ook water en nutsvoorzieningen toegestaan.

TOELICHTING (concept)

51

bestemmingsplan Herstelbesluit Putten Gervenhof & Dorpsstraat e.o.

5.4

Algemene regels

5.4.1

Anti-dubbeltelregel

Een anti-dubbeltelregel wordt opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein ook nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. De opgenomen anti-dubbeltelregel is gelijkluidend aan de in het Besluit ruimtelijke ordening voorgeschreven formulering. 5.4.2

Overige algemene regels

Voor het hele plangebied geldt een aantal algemene regels. Het gaat hier om algemene bouw- en gebruiksregels, mogelijkheden om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen, en procedureregels worden behandeld.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16780281/1