CConstaterende datPutten
Koppel je AI →
Document · PDF

Ruimtelijke onderbouwing, ingekomen 23-12-2022

Gemeenteraad 4 juli 2024, gemeente PuttenBij agendapunt: Ontwerpverklaring van geen bedenkingen voor het verhogen van de schoorsteen van 2 Sisters Storteboom B.V.8.433 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

2 Sisters Storteboom BV te Putten; verhoging schoorsteen Ruimtelijke onderbouwing

Rapportnummer F 19155-63-RA d.d. 22 december 2022

2 Sisters Storteboom BV te Putten; verhoging schoorsteen Ruimtelijke onderbouwing

opdrachtgever

2 Sisters Storteboom B.V.

rapportnummer

F 19 15 5- 6 3- R A

datum

2 2 d e c e m b e r 2 02 2

referentie

P v V / I K a / D vd H / F 19 15 5- 6 3- R A

verantwoordelijke ir. P.P.A. van Vugt opsteller

MSc I.H. Kalverboer +31 85 8228758 i.kalverboer@peutz.nl

peutz bv, postbus 696, 2700 ar zoetermeer, +31 85 822 87 00, zoetermeer@peutz.nl, www.peutz.nl kvk 12028033, opdrachten volgens DNR 2011, lid NLingenieurs, btw NL.004933837B01, ISO-9001:2015 mook – zoetermeer – groningen – eindhoven – düsseldorf – dortmund – berlijn – nürnberg – leuven – parijs – lyon

F 19155-63-RA 2

Inhoudsopgave 1

Inleiding

4

1.1

Aanleiding

4

1.2

Ligging plangebied

4

1.3

Vigerend bestemmingsplan

5

1.4

Leeswijzer

6

2

Planomschrijving

8

2.1

Huidige situatie

8

2.2

To e k o m s t i g e s i t u a t i e

10

3

Beleidskader

12

3.1

Algemeen

12

3.2

Rijksbeleid

12

3.3

Provinciaal beleid

14

3.4

Gemeentelijk beleid

15

4

Omgevingsaspecten

17

4.1

Algemeen

17

4.2

Archeologie en cultuurhistorie

17

4.3

Bedrijven en milieuzonering

18

4.4

Bodem

20

4.5

Ecologie

20

4.6

Externe veiligheid

22

4.7

Geluid

23

4.8

Geur

24

4.9

Luchtkwaliteit

25

4.10

Ver ke e r en p a rk eren

26

4.11

Wat er

26

4.12

M i l i e u e ff e c t r a p p o r t a g e

27

5

Uitvoerbaarheid

29

5.1

Algemeen

29

5.2

Economische uitvoerbaarheid

29

5.3

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

29

F 19155-63-RA 3

1

Inleiding

1.1 A a n l e i d i n g

Het voornemen bestaat om enkele wijzigingen door te voeren ter plaatse van de inrichting van 2 Sisters Storteboom B.V. gelegen aan de Voorthuizerstraat 148 te Putten (hierna te noemen: Storteboom). Dit behelst onder andere het verhogen van de schoorsteenhoogte. Door de verhoging van de schoorsteenhoogte kan de productiecapaciteit worden verhoogd zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat. Door deze verhoging wordt de geurbelasting in de directe omgeving plaatselijk lager. De beoogde ontwikkeling komt hiermee het woon- en leefklimaat ten goede, en biedt mogelijkheden voor woningbouw in de directe omgeving van het plangebied. De beoogde ontwikkeling past echter niet binnen de mogelijkheden van het vigerende bestemmingsplan 'Bestemmingsplan Westelijk Buitengebied' 1, dat is vastgesteld op 3 juli 2014 door de gemeenteraad van gemeente Putten. Om de ontwikkeling planologisch juridisch mogelijk te maken dient te worden afgeweken van het vigerende bestemmingsplan. In dit kader zal een omgevingsvergunningprocedure worden doorlopen. Hiertoe is een ruimtelijke onderbouwing nodig waarin wordt aangetoond dat de realisatie van het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In de voorliggende ruimtelijke onderbouwing wordt aangetoond dat de realisatie van de beoogde ontwikkeling niet leidt tot belemmeringen voor de omgeving en dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. 1.2 L i g g i n g p l a n g e b i e d

Het plangebied is gelegen aan de Voorthuizerstraat 148 te Putten. Het plangebied is ten zuiden van het centrum van Putten gesitueerd. In figuur 1.1 wordt de ligging van het plangebied weergegeven. In de omgeving van het plangebied is zowel sprake van bedrijvigheid als woonfuncties.

1 Opgemerkt wordt dat er tevens een 'veegplan' van kracht is voor de betreffende locatie. Dit betreft het bestemmingsplan 'Veegplan Westelijk Buitengebied'. Hierin zijn verschillende aanpassingen gebundeld meegenomen. F 19155-63-RA 4

f1.1 Ligging plangebied (bron luchtfoto: Google Earth)

1.3 V i g e r e n d b e s t e m m i n g s p l a n

Ter plaatse van het plangebied vigeert het bestemmingsplan 'Bestemmingsplan Westelijk Buitengebied', dat is vastgesteld op 3 juli 2014 door de gemeenteraad van gemeente Putten. Opgemerkt wordt dat er tevens een 'veegplan' van kracht is voor de betreffende locatie. Dit betreft het bestemmingsplan 'Veegplan Westelijk Buitengebied', dat op 10 april 2018 is vastgesteld door gemeente Putten. Dit bestemmingsplan heeft tot doel om enkele aanpassingen door te voeren die voortvloeien uit voortschrijdend inzicht dat is ontstaan bij het gebruik van het bestemmingsplan, en om het bestemmingsplan in overeenstemming te brengen met een aantal verleende vergunningen. Deze wijzigingen zijn relatief beperkt. In figuur 1.2 wordt een uitsnede van de digitale verbeelding van het bestemmingsplan opgenomen. Conform het vigerende bestemmingsplan kent het plangebied de bestemming 'Bedrijf'. De specifieke functieaanduiding 'pluimveeslachterij' is alsmede aan het plangebied toegekend. Hier is aldus in hoofdzaak een pluimveeslachterij toegestaan. Voor bedrijfsgebouwen geldt een maximale bouwhoogte van 8 meter, en voor bouwwerken (geen gebouw zijnde) F 19155-63-RA 5

bedraagt de maximale bouwhoogte 10 meter. Deze bouwhoogte wordt gemeten vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een bouwwerk, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen (zoals schoorstenen). f1.2 Uitsnede vigerend bestemmingsplan

De beoogde verhoging van de schoorsteen past, aangezien geen sprake is van een ondergeschikt bouwonderdeel van een bouwwerk, niet binnen de kaders van het vigerende bestemmingsplan. Om de ontwikkeling planologisch juridisch mogelijk te maken zal daarom een omgevingsvergunning voor het afwijken van het vigerende bestemmingsplan aangevraagd worden. Voorliggend document vormt de ruimtelijke onderbouwing waarmee wordt aangetoond dat de beoogde ontwikkeling niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. 1.4 L e e s w i j z e r

Deze ruimtelijke onderbouwing is opgebouwd uit zes hoofdstukken. In dit inleidende hoofdstuk komen de aanleiding, ligging van het plangebied en het vigerende bestemmingsplan aan bod. In hoofdstuk 2 'Planbeschrijving' wordt het plan verder toegelicht, waarin zowel de huidige als de toekomstige situatie wordt besproken. Vervolgens F 19155-63-RA 6

geeft hoofdstuk 3 'Beleidskader' een overzicht van het relevante beleid betreffende deze toelichting. Hoofdstuk 4 'Omgevingsaspecten' is gewijd aan de impact van de ontwikkeling op de omgeving. Onder andere de aspecten geluid, luchtkwaliteit, externe veiligheid, bodem, ecologie en archeologie zullen hier worden behandeld. De maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid komen in hoofdstuk 5 aan bod.

F 19155-63-RA 7

2

Planomschrijving

2.1 H u i d i g e s i t u a t i e

Aan de Voorthuizerstraat 148 te Putten bevindt zich de inrichting van Storteboom. Dit betreft een pluimveeslachterij. Op dit terrein bevindt zich onder andere parkeergelegenheid en bedrijfsbebouwing van Storteboom. In figuur 2.1 wordt de inrichting vanaf de N303 weergeven. f2.1 Inrichting Storteboom vanaf N303

In de huidige situatie is sprake van een schoorsteen met een hoogte van 10 meter. Dit betreft een op zichzelf staand bouwwerk. In figuur 2.2 wordt deze schoorsteen (linkerzijde van figuur) weergeven. f2.2 Inrichting Storteboom vanaf N303, inclusief zicht op schoorsteen

F 19155-63-RA 8

Vanaf de verdere omgeving van Storteboom is slechts beperkt zich op het bedrijfsterrein en de schoorsteen. Rondom de inrichting zijn begroeiing en schermen gesitueerd. In figuur 2.3 en 2.4 wordt het zicht op de inrichting van Storteboom vanaf de zuid- en noordwestzijde weergeven. Hieruit blijkt dat het terrein grotendeels afgeschermd is. f2.3 Zicht op bedrijfsterrein vanuit zuidwestzijde

f2.4 Zicht op bedrijfsterrein vanuit noordwestzijde

F 19155-63-RA 9

2.2 T o e k o m s t i g e s i t u a t i e

Het voornemen bestaat om de hoogte van de schoorsteen te verhogen. Op de locatie van de huidige schoorsteen zal een schoorsteen van 20 meter hoog worden gerealiseerd. In figuur 2.5 wordt de betreffende locatie op een luchtfoto aangegeven. Door de verhoging van de schoorsteenhoogte kan de productiecapaciteit worden verhoogd zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat. Door deze verhoging wordt de geurbelasting in de directe omgeving plaatselijk lager. De beoogde ontwikkeling komt hiermee het woon- en leefklimaat ten goede, en biedt mogelijkheden voor woningbouw in de directe omgeving van het plangebied. f2.5 Locatie schoorsteen

De beoogde schoorsteen met een hoogte van 20 meter is passend in de omgeving. Vanaf het openbare gebied is, zoals ook volgt uit paragraaf 2.1, slechts beperkt zicht op het terrein van Storteboom. Dit neemt niet weg dat de schoorsteen wel zichtbaar is. Door de beoogde ontwikkeling zal echter geen sprake zijn van het ontnemen van een waardevolle zichtlocatie. Alsmede zal de beoogde schoorsteen aansluiten op de visueel ruimtelijke structuur van de directe omgeving. De beoogde schoorsteen is qua vormgeving passend bij de uitstraling van het bedrijfsterrein en de reeds aanwezige bebouwing. F 19155-63-RA 10

Ook zal gezien de situering van de schoorsteen, te midden van het bedrijfsterrein, geen sprake zijn van lichthinder voor de omgeving. De schoorsteen is op het zuidelijk deel van het bedrijfsterrein gelegen. De extra schaduw als gevolg van een hogere schoorsteen zal hierdoor in hoofdzaak op het bedrijfsterrein zelf terechtkomen. Daarnaast wordt opgemerkt dat het vigerende bestemmingsplan het reeds toestaat om een schoorsteen met een hoogte hoger dan 10 meter te realiseren ingeval dit een ondergeschikt bouwonderdeel van een bouwwerk betreft. In voorliggende situatie is echter sprake van een losstaand bouwwerk. Desalniettemin kan gesteld worden dat een schoorsteen met een dergelijke hoogte reeds aanvaardbaar kan worden geacht.

F 19155-63-RA 11

3

Beleidskader

3.1 A l g e m e e n

In de volgende paragrafen wordt het relevante rijksbeleid, alsmede provinciaal en gemeentelijk beleid ten aanzien van de ruimtelijke en de functionele structuur omschreven. Gezien het relatief kleinschalige karakter van de beoogde ontwikkeling wordt volstaan met een bescheiden weergave van het beleidskader. Daarnaast wordt het van toepassing zijnde sectoraal beleid voor de in hoofdstuk 4 omgevingsaspecten (o.a. ten aanzien van water, archeologie, verkeer en parkeren), indien aan de orde, tevens in 4 beschouwd. 3.2 R i j k s b e l e i d

3.2.1 N a t i o n a l e O m g e v i n g s v i s i e ( 2 0 2 0 )

Op 11 september 2020 is de definitieve Nationale Omgevingsvisie (NOVI) aan de Tweede Kamer aangeboden. De NOVI is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. In Nederland staan we voor een aantal grote opgaven. De bouw van 1 miljoen nieuwe woningen, duurzaam energie opwekken, klimaatverandering en de overgang naar een circulaire economie vragen veel ruimte. Meer ruimte dan beschikbaar is in Nederland. Er moeten daarom keuzes gemaakt worden zodat Nederland ook voor toekomstige generaties een veilig, gezond en welvarend land kan blijven. De NOVI geeft weer voor welke uitdagingen we staan, wat daarbij de nationale belangen zijn, welke keuzes we maken en welke richting we meegeven aan decentrale keuzes. Die keuzes hangen samen met de toekomstbeelden van de fysieke leefomgeving, de maatschappelijke opgaven en economische kansen die daarbij horen. In de NOVI wordt daarbij een viertal prioriteiten aangegeven: − Ruimte voor klimaatadaptie en energietransitie. − Een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel. − Sterke en gezonde steden en regio's. − Een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De NOVI is erop gericht om voor deze vier prioriteiten de nationale beleidskeuzes (op strategisch niveau) zo scherp mogelijk te formuleren.

Waar keuzes op nationaal niveau in de NOVI zelf niet of nog niet scherp gemaakt kunnen worden of waar dit niet verstandig is, wordt richting gegeven aan decentrale keuzes. In de NOVI worden in totaal 21 nationale belangen benoemd. De beoogde ontwikkeling betreft een binnen gemeente Putten gelegen (kleinschalige) ontwikkeling. Aangezien hierbij F 19155-63-RA 12

geen sprake is van grote nationale belangen valt deze ontwikkeling niet onder de primaire verantwoordelijkheid van het Rijk. De beoogde ontwikkeling sluit daarbij wel aan op meerdere in de NOVI aangekaarte prioriteiten, opgaven en nationale belangen. Zo wordt bijgedragen aan een goede leefomgevingskwaliteit. Mede door de beoogde ontwikkeling wordt de geurbelasting in de omgeving van Storteboom lager, en kan op relatief korte afstand woningbouw worden gerealiseerd. Hiermee wordt bijgedragen aan de prioriteit om te voorzien in sterke en gezonde steden en regio's. De beoogde ontwikkeling is hiermee niet in strijd met de toekomstvisie uit de NOVI. 3.2.2 D e l a d d e r

In oktober 2012 is 'de ladder voor duurzame verstedelijking' toegevoegd aan het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De ladder ondersteunt gemeenten en provincies in vraaggerichte programmering van hun grondgebied, het voorkomen van overprogrammering en de keuzes die daaruit volgen. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Het Rijk wil met de introductie van de ladder vraaggerichte programmering bevorderen. De ladder beoogt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen (bijvoorbeeld kantoorlocaties, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen) moet in het bestemmingsplan worden gemotiveerd hoe een zorgvuldige afweging is gemaakt van het ruimtegebruik. De (per 1 juli 2017 herziene) ladder voor duurzame verstedelijking (vanaf heden 'Ladder') werkt volgens twee stappen: − beschrijving/beoordeling van de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling die het bestemmingsplan mogelijk maakt; − indien de ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied plaatsvindt, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Voordat wordt getoetst aan de Ladder, dient te worden vastgesteld of het plan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6 lid 2 Bro. Indien hierin niet wordt voorzien kan een uitgebreide toetsing namelijk achterwege blijven. Dit neemt echter niet weg dat ook wanneer de Ladder niet van toepassing is, de behoefte aan een ontwikkeling in het kader van de uitvoerbaarheid gemotiveerd zal moeten worden. Uiteindelijk draagt deze Ladder bij aan een zorgvuldige ruimtelijke afweging van nieuwe ontwikkelingen. Het bevoegd gezag heeft de uiteindelijke verantwoordelijkheid voor de ruimtelijke afweging van een nieuwe ontwikkeling. Het voorliggende initiatief betreft een geheel binnen de gemeente Putten gelegen ontwikkeling, zonder grote nationale belangen. In voorliggende situatie is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Desondanks past het plan binnen de systematiek van de Ladder, aangezien er behoefte is aan de beoogde ontwikkeling.

F 19155-63-RA 13

3.3 P r o v i n c i a a l b e l e i d

3.3.1 O m g e v i n g s v i s i e e n O m g e v i n g s v e r o r d e n i n g G e l d e r l a n d ( 2 0 1 8 )

De Omgevingsvisie is op 19 december 2018 door de Provinciale Staten van Gelderland vastgesteld. De bijbehorende Omgevingsverordening is tevens op deze datum geactualiseerd. De Omgevingsvisie beschrijft de lange termijn ambities en beleidsdoelen voor de fysiek leefomgeving. In de Omgevingsvisie staan de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid van de provincie Gelderland. In de Omgevingsverordening zijn de regels en bepalingen over de inrichting en beheer van de ruimtelijke omgeving vastgelegd. Omgevingsvisie

De Omgevingsvisie van Gelderland gaat over 'Gaaf Gelderland'. Gaaf heeft hierbij betrekking op het beschermen van wat historisch en landschappelijk, mooi en ongeschonden is. Ook verwijst 'gaaf' naar wat cool en vernieuwend is ofwel aantrekkelijk voor nieuwe generaties. Beide betekenissen zijn van toepassing op Gelderland en onlosmakelijk verbonden met de Gelderlanders. In de Omgevingsvisie wordt ingegaan op welke wijze Gelderland ‘gaaf’ wordt gehouden. In de Omgevingsvisie staat een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal. − 'gezond en veilig' verwijst naar een gezonde leefomgeving zonder vervuiling, voorbereid zijn op veranderingen van het klimaat en aandacht voor verkeersveiligheid en veilige bedrijvigheid; − 'schoon en welvarend' heeft betrekking op een duurzaam en aantrekkelijk woon-, werk-, en ondernemersklimaat en het tegengaan van schadelijke uitstoot, afval en uitputting van grondstoffen. Hierbij is de focus op een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland. Aan de hand van de volgende zeven onderwerpen wordt richting gegeven aan de visie voor Gelderland: − energietransitie; − klimaatadaptatie; − circulaire economie; − biodiversiteit; − bereikbaarheid; − economisch vestigingsklimaat; − woon- en leefklimaat. Het onderwerp ‘woon- en leefklimaat’ is hierbij voornamelijk relevant voor de beoogde ontwikkeling.

Om Gelderland voor mensen en bedrijven aantrekkelijk te houden, is de kwaliteit van de leefomgeving van groot belang. Goed bereikbare voorzieningen, aansprekende evenementen, unieke cultuurhistorie, inspirerende culturele voorzieningen, een mooie natuur; deze elementen dragen hier allen aan bij. Er wordt gestreefd naar e en duurzaam en divers woon- en leefklimaat, waarmee de economische kracht en kwaliteit van F 19155-63-RA 14

leven in Gelderland wordt versterkt. Ontwikkelingen kunnen positief bijdragen aan de kwaliteit en de aantrekkelijkheid van de regio. Mede door de beoogde verhoging van de schoorsteenhoogte wordt de geurbelasting in de directe omgeving van Storteboom verlaagd. Hierdoor worden mogelijkheden gecreëerd voor woningbouw op korte afstand van het plangebied. De beoogde verhoging van de schoorsteenhoogte doet geen afbreuk aan de kwaliteit van het woon- en leefklimaat. Een iets hogere schoorsteen is niet tot nauwelijks zichtbaar vanaf het openbare gebied, en zorgt niet voor een verstoring van een waardevol zicht. Omgevingsverordening

Uit de Omgevingsverordening volgen verder geen regels en bepalingen die relevant zijn voor de beoogde ontwikkeling. Resumerend kan aldus gesteld worden dat de beoogde ontwikkeling binnen het provinciale beleid past. 3.4 G e m e e n t e l i j k b e l e i d

3.4.1 S t r u c t u u r v i s i e P u t t e n 2 0 3 0

De gemeenteraad van Putten heeft op 5 maart 2015 de Structuurvisie Putten 2030 gewijzigd vastgesteld en heeft deze op 4 februari 2021 gewijzigd. De structuurvisie geeft op hoofdlijnen een toekomstbeeld van de gewenste ruimtelijke inrichting van de gemeente. Met deze structuurvisie legt de gemeente Putten het ruimtelijke speelveld neer op basis waarvan zij samen met de gemeenschap en andere partijen een invulling wil geven aan de ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente. Per onderwerp zijn in de structuurvisie ambities opgenomen voor gemeente Putten. Voor de beoogde ontwikkeling zijn de onderwerpen 'identiteit' en 'werken' relevant. In relatie tot 'identiteit' wordt aangeven dat het dorpse en landschappelijke karakter Putten zeer aantrekkelijk maakt. De beoogde ontwikkeling doet geen afbreuk aan de ruimtelijke kwaliteit van het plangebied en diens omgeving. Thans is reeds sprake van bedrijfsbebouwing, met een schoorsteen. De beoogde schoorsteen zal iets hoger worden dan thans mogelijk is. Vanaf het openbare gebied is echter sprake van beperkt zicht hierop. Daarnaast staat het vigerende bestemmingsplan reeds een hogere bouwhoogte toe voor ondergeschikte bouwonderdelen van gebouwen, zoals schoorstenen. De beoogde schoorsteen is echter geen ondergeschikt bouwonderdeel, maar een op zichzelf staand bouwwerk.

Wat het onderwerp 'werken' betreft wordt ingezet op slim en effici ënt ruimtegebruik op de bestaande bedrijventerreinen. De beoogde ontwikkeling draagt hieraan bij. Door de verhoging van de schoorsteenhoogte kan de productiecapaciteit worden verhoogd zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat. Dit betekent ook dat er geen sprake hoeft te zijn van een extra ruimtebeslag voor de verhoging van de productiecapaciteit. De kwaliteiten van de omgeving worden hiermee behouden. F 19155-63-RA 15

Overigens wordt opgemerkt dat de beoogde ontwikkeling bovendien indirect bijdraagt aan de ambities van gemeente Putten ten aanzien van het onderwerp 'wonen'. Mede door de beoogde ontwikkeling is de geurbelasting in de directe omgeving van het plangebied plaatselijk lager. Dit komt het woon- en leefklimaat ten goede. Alsmede biedt dit mogelijkheden om op relatief korte afstand van het plangebied woningbouw te kunnen realiseren. 3.4.2 We l s t a n d s n o t a g e m e e n t e P u t t e n

De Welstandsnota beschrijft het welstandsbeleid van de gemeente Putten en dient als toetsingskader voor het verlenen van omgevingsvergunningen. In deze nota worden een aantal algemene welstandscriteria opgenomen. De welstandstoetsing vindt plaats aan de hand van de volgende aspecten: − Het gebouw in zijn omgeving. − Het gebouw op zichzelf. − De detaillering. − Het kleur- en materiaalgebruik. De beoogde ontwikkeling betreft het verhogen van de hoogte van een schoorsteen op het bedrijfsterrein van Storteboom. Thans is er al een schoorsteen met een hoogte van 10 meter gesitueerd ter plaatse van het bedrijfsterrein. Het zicht op deze schoorsteen vanaf de openbare ruimte is relatief beperkt. Daarnaast is het in de huidige situatie reeds mogelijk om een schoorsteen, als ondergeschikt bouwonderdeel van een bouwwerk, te realiseren met een hogere hoogte dan 10 meter. Desalniettemin kan gesteld worden dat de beoogde schoorsteen, en diens hoogte, passend is in de omgeving. De schoorsteen zal wat diens uitwerking betreft aansluiten op de reeds aanwezige bebouwing ter plaatse van het bedrijfsterrein van Storteboom. Daarnaast is de nodige begroeiing rond het bedrijfsterrein gesitueerd. Alsmede is het zicht op het bedrijfsterrein deels afgeschermd middels schermen. Hiermee is het zicht op het bedrijfsterrein, en de schoorsteen, relatief beperkt.

De beoogde ontwikkeling doet dan ook geen afbreuk aan de kwaliteit van de omgeving.

F 19155-63-RA 16

4

Omgevingsaspecten

4.1 A l g e m e e n

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het effect van de beoogde ontwikkeling op de van toepassing zijnde milieuaspecten. Eventuele effecten worden getoetst aan de van toepassing zijnde wet- en regelgeving. 4.2 A r c h e o l o g i e e n c u l t u u r h i s t o r i e

4.2.1 A l g e m e e n

De impact van de beoogde ontwikkeling op de aspecten archeologie en cultuurhistorie dient beoordeeld te worden. In deze paragraaf zal dit nader worden beschouwd. 4.2.2 We t t e l i j k k a d e r

Door de ondertekening van het Verdrag van Malta (Valletta, 1992) heeft Nederland zich verplicht tot het beschermen van het archeologisch erfgoed. Uitgangspunt van het verdrag is het archeologische erfgoed waar mogelijk te behouden. Het Verdrag is in 1998 geratificeerd en op 1 september 2007 via de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) geïmplementeerd. De Wamz is een wijzigingswet en omvat een wijziging van de Monumentenwet 1988, de Wet Milieubeheer en de Ontgrondingenwet. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening (Wro) bestond al een verplichting om bij de voorbereiding van bestemmingsplannen alle ter zake doende belangen mee te wegen. Vanuit de Monumentenwet zijn gemeenten namelijk verplicht bij het opstellen of wijzigen van bestemmingsplannen rekening te houden met archeologie. De bescherming van cultuurhistorische elementen werd voorheen bepaald in de Monumentenwet 1988, welke in juli 2016 is komen te vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet (certificeringsstelsel en aanwijzing van archeologische Rijksmonumenten). Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving (vergunningverlening en integratie in de planvorming) gaat over naar de toekomstige Omgevingswet.

Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. 4.2.3 B e o o r d e l i n g

De archeologische waarden en verwachtingen in gemeente Putten zijn aangegeven op een voor de gemeente opgestelde Archeologische Verwachtings- en Beleidsadvieskaart, die op basis van archeologische waarnemingen en vondsten, landschappelijke en historische gegevens en in overleg met de regionaal archeoloog tot stand is gekomen. De uitkomsten hiervan zijn vastgelegd in bestemmingsplannen.

F 19155-63-RA 17

Conform het vigerende bestemmingsplan kent het plangebied een archeologische verwachtingswaarde. Het gehele plangebied kent de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 2'. Deze gronden zijn mede bestemd voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden. Voor de gronden ter plaatse van het plangebied zijn specifieke bouwregels van kracht voor het bouwen van bouwwerken. Voor bouwwerken met een oppervlak groter dan 100 m 2 is een archeologisch onderzoek of archeologisch advies benodigd. Aangezien de verhoging van de schoorsteenhoogte niet gepaard gaat met het bebouwen van een groter oppervlak, is geen nader archeologisch onderzoek benodigd. Daarnaast is ter plaatse van de schoorsteen reeds sprake van bebouwing, en worden hiermee geen nieuwe gronden geroerd. Het plangebied kent daarnaast geen cultuurhistorische waarden. Het plangebied is te midden op een bedrijfsterrein gesitueerd. 4.2.4 C o n c l u s i e

Sprake is van het verhogen van een schoorsteen op een locatie waar reeds een schoorsteen is toegestaan. Het aspect archeologie en cultuurhistorie zal geen belemmering opleveren voor de beoogde ontwikkeling. 4.3 B e d r i j v e n e n m i l i e u z o n e r i n g

4.3.1 A l g e m e e n

Beoordeeld dient te worden of de beoogde ontwikkeling op een passende afstand tot milieugevoelige functies is gelegen. In eerste aanleg wordt dit beoordeeld aan de hand van de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering” (editie 2009). 4.3.2 B e o o r d e l i n g s k a d e r

Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van milieugevoelige functies krijgen en dat nieuwe milieugevoelige functies op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. In de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering” (editie 2009) worden de bedrijfsactiviteiten van bedrijven ingedeeld in bepaalde milieucategorieën. Deze handreiking hanteert per standaard bedrijfstype een afstand aan tot milieugevoelige functies, zoals woningen. De afstand hangt onder meer af van de aard van de omgeving: een rustige woonwijk verdient een hoger beschermingsniveau dan een gebied waar al enige hinder kan optreden ten gevolge van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied). Indicatieve richtafstanden (voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar) voor milieugevoelige functies in de twee te onderscheiden “omgevingen” bij verschillende bedrijfstypes (ingedeeld in milieucategorieën) zijn weergegeven in tabel 4.1.

F 19155-63-RA 18

t4.1

Indicatieve afstand in meters tot omgevingstype (bron: VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering”) Categorie

Rustige woonwijk en rustig buitengebied

Gemengd gebied

1

10

0

2

30

10

3.1

50

30

3.2

100

50

4.1

200

100

4.2

300

200

5.1

500

300

5.2

700

500

5.3

1000

700

6

1500

1000

Volgens de VNG-publicatie is de definitie van het omgevingstype gemengd gebied als volgt: 'Een gemengd gebied is een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven'. Gebieden die direct langs hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Het plangebied behoort, gezien de ligging nabij diverse bedrijvigheid en hoofdinfrastructuur, tot dit omgevingstype. De in tabel 4.1 weergegeven afstanden betreffen de afstanden tussen de perceelgrens van de activiteiten (niet de bebouwingsgrens) en de gevels van milieugevoelige functies. De afstanden zijn volgens de VNG-publicatie algemene richtafstanden en geen harde afstandseisen. Gemotiveerd afwijken van deze afstanden is mogelijk, zo volgt ook uit jurisprudentie. 4.3.3 B e o o r d e l i n g

De beoogde ontwikkeling behelst het verhogen van de schoorsteenhoogte van de schoorsteen ter plaatse van het bedrijfsterrein van Storteboom. Hiermee is geen sprake van nieuwe activiteiten. De inrichtingsgrenzen worden eveneens niet gewijzigd. Het verhogen van de schoorsteenhoogte leidt bovendien niet tot een indeling in een hogere of lagere milieucategorie. Hiermee kan geconcludeerd worden dat in het kader van bedrijven en milieuzonering geen sprake is van een relevante wijziging, en de beoogde ontwikkeling zich op een passende afstand tot milieugevoelige functies bevindt. 4.3.4 C o n c l u s i e

Door de verhoging van de schoorsteenhoogte is geen sprake van nieuwe activiteiten waarmee sprake is van een hogere of lagere milieucategorie. Alsmede blijft de inrichtingsgrens ongewijzigd. Hiermee blijft een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen naar verwachting gewaarborgd. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt aldus geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. F 19155-63-RA 19

4.4 B o d e m

4.4.1 A l g e m e e n

In voorliggende situatie is sprake van de realisatie van de realisatie van een schoorsteen met een hoogte van 20 meter. Hierbij zal gemotiveerd moeten worden dat het toekomstige gebruik passend is in relatie tot de bodemkwaliteit. In voorliggende paragraaf wordt dit nader toegelicht. 4.4.2 We t t e l i j k k a d e r

Bij het opstellen van een bestemmingsplan of bij het plan tot afwijken van het bestemmingsplan dient rekening gehouden te worden met de bodemkwaliteit. Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen moet een onderzoeksrapport betreffende de bodemgesteldheid worden overgelegd, aldus artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht. De nieuwe bestemming moet immers passend zijn in relatie tot de bodemkwaliteit. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient een bodemonderzoek verricht te worden, dit vloeit voort uit artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Er dient onderzoek verricht te worden naar de bestaande toestand, en of deze aansluit bij de toekomstige toestand. Op sterk verontreinigde grond zijn er beperkingen met betrekking tot nieuwbouw. Hier mogen bijvoorbeeld geen gevoelige objecten, zoals woningen, gerealiseerd worden. Er moet rekening gehouden worden met de bodemkwaliteit in relatie tot toegelaten functies. 4.4.3 B e o o r d e l i n g

De beoogde ontwikkeling behelst het verhogen van de schoorsteenhoogte van 10 naar 20 meter. Op de betreffende gronden zijn op basis van het vigerend bestemmingsplan reeds dergelijke bouwwerken toegestaan. Het hoger bouwen dan thans is toegestaan is niet relevant in relatie tot het aspect bodem. Hiermee kan ook worden geconcludeerd dat de beoogde ontwikkeling passend wordt geacht. 4.4.4 C o n c l u s i e

Geconcludeerd kan worden dat sprake is van een passende bodemkwaliteit in relatie tot het beoogde gebruik. 4.5 E c o l o g i e

4.5.1 A l g e m e e n

De beoogde ontwikkeling betreft het verhogen van de schoorsteenhoogte ter plaatse van het bedrijfsterrein van Storteboom. In voorliggende paragraaf worden de mogelijke effecten van de beoogde ontwikkeling op het aspect ecologie nader beschouwd.

F 19155-63-RA 20

4.5.2 We t t e l i j k k a d e r Wet natuurbescherming

Vanaf 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming ingegaan. Deze wet heeft 3 wetten samengevoegd: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Door hier één wet van te maken wordt deze makkelijker en duidelijker om toe te passen. Voor eenvoudige activiteiten (bijvoorbeeld reguliere onderhoudswerkzaamheden) is er voortaan een meldplicht. Voor activiteiten waar een omgevingsvergunning nodig blijft, moet die binnen 13 weken worden gegeven. Bovendien bepalen vanaf 1 januari 2017 de provincies wat wel en niet mag in de natuur in hun gebied. Ook zorgen de provincies vanaf deze datum voor vergunningen en ontheffingen. Veel verschillende planten- en dierensoorten zorgen ervoor dat de natuur tegen een stootje kan. Sommige soorten, zoals vleermuizen, gierzwaluwen en steenuilen zijn kwetsbaar, goede natuurbescherming is daarom belangrijk. Wanneer het met de natuur goed gaat, is er ook meer ruimte voor economische en andere maatschappelijke activiteiten. In de Wet natuurbescherming is er sprake van een brede soortenbescherming van dieren en planten, ook buiten de aangemelde beschermingszones. Er geldt een algemene zorgplicht voor alle planten- en dierensoorten.

Voor het opstellen van een nieuw bestemmingsplan of bij een plan tot afwijking van het bestemmingsplan dient van te voren onderzoek verricht te worden naar het effect hiervan op beschermde flora en fauna. Hierbij wordt onderzocht welke soorten, dieren en planten, aanwezig zijn in het plangebied. Wanneer planten- en dierensoorten, dan wel hun nesten of rustplaatsen worden aangetast kan ontheffing aangevraagd worden conform artikel 3 van de Wet natuurbescherming. In bepaalde gevallen en onder bepaalde voorwaarden kan er ook vrijstelling verleend worden. Natura 2000- gebieden

Specifieke gebieden, genaamd Natura 2000-gebieden worden beschermd op basis van Europese richtlijnen. Voor deze juridisch beschermde gebieden gelden per gebied specifieke instandhoudingsdoelen voor de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor beschermde natuur is een vergunning nodig. De beoogde ontwikkeling is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Ecologische hoofdstructuur

In de provinciale Omgevingsverordening is vastgelegd welke gebieden behorend tot het Nationaal Natuurnetwerk (NNN). Het NNN heeft daarbij als doel om de natuur te behouden en versterken. Uit de Omgevingsverordening volgt dat de beoogde ontwikkeling niet in een gebied is gelegen dat is aangewezen als beschermd gebied. 4.5.3 B e o o r d e l i n g

De beoogde ontwikkeling betreft het verhogen van de schoorsteenhoogte ter plaatse van het bedrijfsterrein van Storteboom. Deze gronden – te midden op het bedrijfsterrein – zijn reeds bebouwd, en zijn niet van betekenis voor (beschermde) soorten flora en fauna. In de

F 19155-63-RA 21

huidige situatie is op de locatie van de schoorsteen reeds sprake van bebouwing en bedrijvigheid. Daarnaast is ook geen sprake van activiteiten die in relatie tot stikstofdepositie mogelijk significant negatieve effecten tot gevolg hebben. De bouwwerkzaamheden die gepaard gaan met de verhoging van de schoorsteen zijn beperkt. Alsmede leidt de verhoging van de schoorsteen niet tot een grotere uitstoot van stikstofhoudende verbindingen. Het is bovendien reeds toegestaan om een schoorsteen te realiseren op de betreffende locatie. Een bouwhoogte van 20 meter is daarbij reeds toegestaan voor ondergeschikte bouwonderdelen. 4.5.4 C o n c l u s i e

Het aspect ecologie levert geen belemmeringen op voor de beoogde ontwikkeling. 4.6 E x t e r n e v e i l i g h e i d

4.6.1 A l g e m e e n

In voorliggende paragraaf zal het aspect externe veiligheid in relatie tot de beoogde ontwikkeling nader worden beschouwd. 4.6.2 We t t e l i j k k a d e r

Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving ten gevolge van: − het vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, water, spoor en door buisleidingen; − het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen (inrichtingen); − het luchtvaartverkeer. Er zijn twee situaties waarbij externe veiligheid een rol speelt, namelijk bij het ontplooien van een risicovolle activiteit (zoals hiervoor omschreven) en bij het realiseren van een (beperkt) kwetsbaar object binnen het invloedsgebied van een dergelijke “activiteit”. Met betrekking tot de risico's voor de externe veiligheid zijn in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) richtafstanden en grenswaarden opgesteld betreffende de afstand tot (beperkt) kwetsbare objecten. Voor een beperkt kwetsbaar object geldt het plaatsgebonden risico2 van 10-6 per jaar als richtwaarde. Daarnaast kunnen er in het Activiteitenbesluit veiligheidsafstanden zijn opgenomen voor de afstand tot (beperkt) kwetsbare objecten.

2 Het risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. F 19155-63-RA 22

4.6.3 B e o o r d e l i n g

De beoogde ontwikkeling betreft het verhogen van de schoorsteenhoogte ter plaatse van het bedrijfsterrein van Storteboom. Hiermee wordt geen nieuwe risicovolle activiteit ontplooit. Alsmede is geen sprake van de realisatie van een nieuwe (beperkt) kwetsbaar object. In de huidige situatie is immers reeds sprake van een schoorsteen. Enkel de hoogte van deze schoorsteen zal worden verhoogd. Voor de beoogde ontwikkeling vraagt het aspect externe veiligheid daarom niet om een nadere beschouwing. 4.6.4 C o n c l u s i e

De beoogde ontwikkeling gaat niet gepaard met het ontplooien van een nieuwe risicovolle activiteit. Alsmede wordt niet voorzien in een nieuw (beperkt) kwetsbaar object. Hiermee is de wijziging verder niet relevant in relatie tot externe veiligheid. 4.7 G e l u i d

4.7.1 A l g e m e e n

De beoogde ontwikkeling betreft het verhogen van de schoorsteenhoogte ter plaatse van het bedrijfsterrein van Storteboom. In voorliggende paragraaf wordt ingegaan op het aspect geluid. 4.7.2 B e o o r d e l i n g

Wat geluid betreft beschikt Storteboom over een omgevingsvergunning milieu. De beoogde ontwikkeling is echter van beperkte invloed op het geluid als gevolg van de activiteiten ter plaatse van de inrichting van Storteboom. In het kader van de voorgenomen uitbreiding van de productiecapaciteit – welke past binnen het vigerende bestemmingsplan - is nader onderzoek (F 19155-62-NO d.d. 20 december 2022) uitgevoerd naar het geluid in de omgeving als gevolg van de activiteiten van Storteboom. Na dit onderzoek is er echter voor gekozen om enkele wijzigingen, waaronder het verhogen van de schoorsteenhoogte, door te voeren. In aanvulling op dit onderzoek is daarom ook de impact van de voorgenomen verhoging van de schoorsteenhoogte, alsmede het toepassen van een geluiddemper, voor de situatie na uitbreiding van de productiecapaciteit nader onderzocht (zie F 19155-62-NO d.d. 20 december 2022). Hieruit volgt dat de beoogde uitbreiding, alsmede het verhogen van de schoorsteenhoogte van 10 naar 20 meter, niet leidt tot een akoestisch onaanvaardbare situatie. Gezien het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het woon- en leefklimaat in de omgeving gewaarborgd blijft. 4.7.3 C o n c l u s i e

De beoogde ontwikkeling leidt uit akoestisch oogpunt niet tot een onaanvaardbare situatie. Hiermee vormt het aspect geluid geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. F 19155-63-RA 23

4.8 G e u r

4.8.1 A l g e m e e n

De verhoging van de schoorsteenhoogte heeft een impact op de geur in de omgeving. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient daarom beoordeeld te worden of geen sprake is van geurhinder in de omgeving. 4.8.2 To e t s i n g s k a d e r

Geur kan tot hinder in de omgeving leiden. Daarnaast kan geurhinder gezondheidsrisico's met zich meebrengen. Derhalve is het van belang de gevolgen van geuremitterende activiteiten voor de omgeving nader te beoordelen. Er moet immers sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat. Er is in Nederland met betrekking tot ruimtelijke ontwikkelingen voor het aspect geur geen specifieke wetgeving ten aanzien van de geur van bedrijven, met uitzondering van veehouderijen. Bescherming tegen geurhinder wordt in voorliggende situatie geborgd middels geurvoorschriften in de omgevingsvergunning van Storteboom. 4.8.3 B e o o r d e l i n g

Het verhogen van de schoorsteenhoogte heeft een zekere impact op de geurbelasting in de omgeving. In het kader van de voorgenomen uitbreiding van de productiecapaciteit – welke past binnen het vigerende bestemmingsplan - is nader onderzoek (zie F 19155-58-RA-002 d.d 25 november 2022) uitgevoerd naar de geurbelasting in de omgeving als gevolg van de activiteiten van Storteboom. In dit onderzoek is de beoogde verhoging van de schoorsteenhoogte tevens meegenomen. Uit dit onderzoek volgt dat de geurbelasting ten opzichte van de huidig vergunde situatie plaatselijk lager wordt. De waarde van 1,5 ou/m3 als 98 percentiel waarbij sprake is van onaanvaardbaar niveau wordt niet overschreden. Ook de richtwaarde uit het Gelders geurbeleid van 1,5 ou/m3 als 98 percentiel wordt niet overschreden. Het verhogen van de schoorsteen leidt niet tot een hogere geurbelasting op grotere afstand van de inrichting. De verhoging van de schoorsteenhoogte leidt tot een verbetering van het woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect geur. 4.8.4 C o n c l u s i e

De beoogde ontwikkeling heeft een positief effect op de geurbelasting in de omgeving van het plangebied. Plaatselijk is hiermee sprake van een lagere geurbelasting, hetgeen het woon- en leefklimaat ten goede komt.

F 19155-63-RA 24

4.9 L u c h t k w a l i t e i t

4.9.1 A l g e m e e n

Met de beoogde ontwikkeling is sprake van het verhogen van de schoorsteenhoogte ter plaatse van het bedrijfsterrein van Storteboom. In deze paragraaf wordt het effect van de beoogde ontwikkeling op de luchtkwaliteit inzichtelijk gemaakt. 4.9.2 We t t e l i j k k a d e r

De belangrijkste wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit (toetsingskader) is vastgelegd in titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer, ook wel de Wet luchtkwaliteit genoemd. In de Wet luchtkwaliteit en bijlage 2 van de Wet milieubeheer zijn regels en grenswaarden opgenomen voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes, lood, koolmonoxide en benzeen. In tabel 4.2 zijn de grenswaarden voor de luchtkwaliteit bepalende verbindingen stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM10) opgenomen. t4.2 Grenswaarden conform Wet milieubeheer, bijlage 2

Stof

Omschrijving

Concentratie in μg/m3g/m3

PM10

Jaargemiddelde

40

Daggemiddelde dat 35 keer per jaar mag worden overschreden

50

Jaargemiddelde

40

Uurgemiddelde dat 18 keer per jaar mag worden overschreden

200

NO2

De overige in de Wet milieubeheer opgenomen verbindingen vormen geen probleem meer in Nederland. De concentraties van deze verbindingen vertonen een dalende trend en zijn dermate laag, dat overschrijdingen van de daarvoor geldende grens- of richtwaarden redelijkerwijs uitgesloten is. Deze verbindingen worden dan ook niet nader beschouwd. Niet in betekenende mate

Onderdeel van de Wet milieubeheer is het begrip ‘niet in betekenende mate (Besluit NIBM). Indien een nieuw initiatief in niet-betekenende mate bijdraagt aan de heersende achtergrondconcentratie kan toetsing aan de wettelijke grenswaarden achterwege blijven. Kleine projecten waarvan vooraf duidelijk is dat ze de luchtkwaliteit 'niet in betekenende mate' (NIBM) verslechteren, hoeven niet meer op luchtkwaliteit te worden getoetst. Dit is opgenomen in het Besluit niet in betekenende mate bijdrage luchtkwaliteitseisen. Het gaat daarbij om projecten die leiden tot een maximale bijdrage van 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10 . 4.9.3 B e o o r d e l i n g

De beoogde ontwikkeling betreft het verhogen van de schoorsteenhoogte van 10 naar 20 meter ter plaatse van het bedrijfsterrein van Storteboom. De schoorsteen an sich leidt niet tot een hogere emissie aan luchtkwaliteitsbepalende stoffen. Daarnaast is ook geen sprake van een toename van de hoeveelheid verkeer. Een hogere schoorsteen leidt immers niet tot F 19155-63-RA 25

een grotere verkeersaantrekkende werking. Hiermee is als gevolg van de beoogde ontwikkeling ook geen sprake van een wijziging van de uitstoot van luchtkwaliteitsbepalende stoffen. 4.9.4 C o n c l u s i e

Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling. 4.10 V e r k e e r e n p a r k e r e n

4.10.1 A l g e m e e n

De beoogde ontwikkeling dient niet te leiden tot verkeerskundige knelpunten. Daarnaast dient de parkeersituatie niet in het geding te komen. In voorliggende paragraaf zal dit aspect nader worden toegelicht 4.10.2 B e o o r d e l i n g

Door de beoogde ontwikkeling zal geen sprake zijn van een toename aan verkeer. Voorliggende onderbouwing ziet immers uitsluitend toe op de verhoging van de schoorsteenhoogte ter plaatse van het plangebied. Deze verhoging gaat niet gepaard met een grotere verkeersaantrekkende werking. 4.10.3 C o n c l u s i e

Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling aangezien de verhoging van de schoorsteenhoogte niet leidt tot extra verkeer. 4.11 W a t e r

4.11.1 A l g e m e e n

Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient het waterbelang te worden meegenomen in de planvorming. Dit is van belang voor een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem, waarin gezondheid en veiligheid van de mens samengaat met de natuurlijke ecosystemen. In deze paragraaf zal het aspect water nader inzichtelijk worden gemaakt. Hierbij wordt gekeken naar de impact van de beoogde ontwikkeling op het lokale watersysteem. 4.11.2 We t t e l i j k k a d e r Europees beleid

In 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water vastgesteld met als doel het bereiken van een goede toestand in de wateren in de gemeenschap en het bijdragen aan de beschikbaarheid van voldoende oppervlaktewater en grondwater van een goede kwaliteit voor een duurzaam, evenwichtig en billijk gebruik van water. Verder is het doel van de Grondwaterrichtlijn het vaststellen van specifieke maatregelen ter voorkoming en F 19155-63-RA 26

beheersing van grondwaterverontreinigingen vastgesteld als bedoeld in artikel 17 van de KRW. Dit betekent dat de interne samenhang tussen oppervlaktewater en grondwater, zowel waar het kwaliteits- als kwantiteitsaspecten betreft, als uitgangspunt genomen wordt. Daarnaast betekent de integrale benadering dat diverse beleidsterreinen, waaronder de ruimtelijke ordening, door de richtlijn worden bestreken. Rijksbeleid

Het Nationaal Waterplan (NWP) is de rijksnota voor het nationale waterbeleid en wordt op basis van de Waterwet eens per 6 jaar opgesteld. In het NWP, vastgesteld in maart 2022, zijn de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid voor de periode 20222027 opgenomen. Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwater en waterverdeling, waterkwaliteit en natuur, scheepvaart en de functies van de rijkswateren. De wateropgaven waar Nederland op dit moment voor staat, de uitdagingen richting de toekomst en de noodzaak van een integrale aanpak vormen de basis voor 3 hoofdambities van het NWP: − Een veilige en klimaatbestendige delta. − Een concurrerende, duurzame en circulaire delta. − Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur. Wa t e r s c h a p Va l l e i & Ve l u w e

Het plangebied valt binnen het beheergebied van het Waterschap Vallei & Veluwe. Elk waterschap hanteert naast de Waterwet haar eigen regionale regels. Deze regels zijn opgenomen in de Keur. In de Keur staat wat wel en niet is toegestaan in het water en eromheen. Hier zijn regels opgenomen over het gebruik en onderhoud van het watersysteem. Op basis van de Keur kan worden bepaald of voor een bepaalde activiteit een watervergunning aangevraagd dan wel een watermelding ingediend moet worden. Deze regels dienen in acht te worden genomen bij de beoogde ontwikkeling. 4.11.3 B e o o r d e l i n g

De gronden alwaar de schoorsteen gesitueerd wordt zijn reeds volledig verhard. Daarnaast is ter plaatse van het bedrijfsterrein reeds sprake van een schoorsteen met een hoogte van 10 meter. Door de verhoging van deze schoorsteen is geen sprake van meer verharding. Hiermee is dan ook geen sprake van relevante wijzigingen wat het watersysteem betreft. 4.11.4 C o n c l u s i e

Wat water betreft is middels de beoogde ontwikkeling geen sprake van relevante wijzigingen. Het aspect water vormt hiermee geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. 4.12 M i l i e u e ff e c t r a p p o r t a g e

4.12.1 We t t e l i j k k a d e r

Op grond van de Wet milieubeheer is het verplicht ten aanzien van plannen en besluiten die (mogelijk) grote gevolgen kunnen hebben voor het milieu, een procedure voor F 19155-63-RA 27

milieueffectrapportage (m.e.r.) te doorlopen. De m.e.r. is bedoeld om milieubelangen meer expliciet af te wegen bij het opstellen van plannen en het uitvoeren van projecten. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen 'm.e.r.--plichtige activiteiten' waarvoor een volledig milieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld en 'm.e.r.--beoordelingsplichtige activiteiten' waarbij moet worden afgewogen of sprake kan zijn van significante negatieve gevolgen voor het milieu (indien significant wordt een MER opgesteld). Op 1 september 2017 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Hierbij zijn drempelwaarden opgenomen vanaf wanneer er voor plannen en besluiten een milieueffectrapportage opgesteld moet worden. 4.12.2 B e o o r d e l i n g

Om te kunnen beoordelen of vanuit het Besluit m.e.r. de verplichting bestaat een m.e.r.-(beoordelings)procedure te doorlopen, dienen de ontwikkeling die mogelijk gemaakt worden door het bestemmingsplan te worden getoetst aan de C- en D-lijst uit dit Besluit. De beoogde verhoging van de schoorsteenhoogte, ter plaatse van een locatie alwaar reeds bedrijfsbebouwing is toegestaan, valt in het Besluit m.e.r. niet onder één van de categorieën waarvoor afgewogen dient te worden of er sprake is van een m.e.r.-(beoordelings)plicht. Er is, gezien de aard en schaal van de beoogde ontwikkeling, geen sprake van een ontwikkeling welke gezien kan worden als een wijziging van een stedelijk ontwikkelingsproject. Ter plaatse van het plangebied is immers reeds bedrijfsbebouwing met een vergelijkbare invloed op de omgeving, en van een dergelijke omvang, toegestaan. Daarnaast kan gezien de aard en beperkte omvang van de beoogde ontwikkeling en het feit dat de beoogde ontwikkeling geen betekenisvolle milieueffecten tot gevolg heeft worden geconcludeerd dat de beoogde ontwikkeling geen nadelige gevolgen voor het milieu zal hebben. 4.12.3 C o n c l u s i e

Dit aspect levert geen belemmering op voor de beoogde ontwikkeling.

F 19155-63-RA 28

5

Uitvoerbaarheid

5.1 A l g e m e e n

Wettelijk bestaat de verplichting om inzicht te geven in de uitvoerbaarheid van het plan. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in de maatschappelijke en de economische uitvoerbaarheid. 5.2 E c o n o m i s c h e u i t v o e r b a a r h e i d

Bij de voorbereiding van ruimtelijke plannen dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens bestaat op grond van de Wet ruimtelijke ordening de verplichting om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, deze moeten worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. Een en ander dient te worden vastgelegd in privaatrechtelijke overeenkomsten met iedere grondeigenaar. De verantwoordelijkheid ligt bij de initiatiefnemer om de financiële uitvoerbaarheid te garanderen. De initiatiefnemer zal geheel voor eigen rekening en risico overgaan tot de ontwikkeling en realisatie van het plan. 5.3 M a a t s c h a p p e l i j k e u i t v o e r b a a r h e i d

Gezien de aard en schaal van de beoogde ontwikkeling behoeft er geen verdere actie te worden ondernomen ten behoeve van het creëren van maatschappelijk draagvlak. Gezien dat de beoogde ontwikkeling het verhogen van de schoorsteenhoogte van 10 naar 20 meter betreft ter plaatse van een bedrijventerrein, alwaar reeds een schoorsteen – ingeval sprake is van een ondergeschikt bouwonderdeel van een bouwwerk - van dezelfde omvang gerealiseerd mag worden, wordt het plan maatschappelijk uitvoerbaar geacht.

Zoetermeer, Dit rapport bevat 29 pagina's.

F 19155-63-RA 29

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14340705/1