CConstaterende datPutten
Koppel je AI →
Document · PDF

Nota Ruimtelijke Kwaliteit gemeente Putten

Gemeenteraad 29 januari 2026, gemeente PuttenBij agendapunt: Nota Ruimtelijke Kwaliteit gemeente Putten18.904 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

3 alinea's met “opening”: 469 914 1255

de bestaande ruimtelijke structuur blijft behouden,

⋅

nieuwe bouw of aanpassingen moeten aansluiten op de huidige maat, schaal en uitstraling.

Aanvullende gebiedsgerichte criteria Algemeen ⋅

De bestaande gebouwde omgeving is het kwalitatieve referentiepunt. Nieuwe bouw of verbouw sluit aan bij: ⋅

de stedenbouwkundige structuur,

⋅

de gebouwtypologie,

⋅

de bestaande detaillering, kleur- en materiaalgebruik.

Plaatsing ⋅

Wanneer een gebouw zichtbaar is vanaf de openbare weg, is de representatieve zijde naar deze weg gericht.

Massa en vorm ⋅

Gebouwen staan vrij in de ruimte en zijn rondom ontworpen.

⋅

Elk pand heeft een individuele uitstraling.

⋅

Gevels hebben een hiërarchische indeling met duidelijke hoofd- en nevengevels.

Gevels ⋅

Gevels zijn in alle zichtzijden verzorgd vormgegeven.

⋅

De schaal en maatvoering sluiten aan bij het gebruik en de functie van het gebouw.

Detaillering, kleur- en materiaalgebruik ⋅

Het hoofdgebouw is richtinggevend voor kleur- en materiaalgebruik bij aan- en uitbouwen en bijgebouwen.

⋅

Kleurstelling en materiaalkeuze passen bij het groene en openbare karakter van het gebied.

Nota ruimtelijke kwaliteit Putten 2025 – Uiterlijk en inpassing

93

Toetsingsniveau Binnen dit deelgebied geldt een lichte toets, zoals omschreven in paragraaf 2.4 van deze nota.

5-39 Toetsingsniveau deelgebied voorzieningen

94

Nota ruimtelijke kwaliteit Putten 2025 – Uiterlijk en inpassing

Hoofdstuk 6

Objectgerichte criteria

Diverse bebouwingsvormen komen in de gemeente Putten veelvuldig voor, waarvoor het opstellen van objectcriteria relevant is. In het buitengebied betreft dat de historische agrarische bebouwing (het hallenhuis-type), de agrarische bedrijfsbebouwing, de agrarische woningen en de burgerwoningen, recreatieterreinen, landgoederen en windturbines. Ook voor de dorpen kunnen dergelijke objecten worden benoemd, zoals scholen, bebouwing op volkstuinen en op sportterreinen. Maar ook veelvuldig voorkomende regulier vergunningplichtige bouwwerken, zoals dakopbouwen, worden hieronder behandeld. In het navolgende worden hiervoor objectgerichte criteria opgesteld, die eventueel per landschapstype of per gebied kunnen worden aangepast. Om die reden wordt steeds verwezen naar de gebiedsbeschrijvingen en -criteria.

6.1

Object 'Hallenhuisboerderij'

Objectbeschrijving Een veel in de gemeente Putten voorkomend historisch boerderijtype is de hallenhuisboerderij. Kenmerkend voor deze boerderijen is dat het woongedeelte, het voorhuis, en het werkgedeelte, het achterhuis, onder één doorlopende kap zijn geplaatst, waarvan de lengteas meestal evenwijdig aan de verkavelingsrichting ligt. Het voorhuis is op de weg georiënteerd en kent aan de voor- en zijkant meestal geen uitbouwen. Een brandmuur scheidt woonhuis en schuurgedeelte van elkaar. Het bedrijfsgedeelte kenmerkt zich door de centrale plaats van de deel tussen de stallen in de middenbeuk. De stallen en opslagruimte bevinden zich onder een groot dak met lage zijbeuken. Door deze lage zijbeuken komt hier het dak van een hallenhuisboerderij tot dicht aan de grond. De meeste hallenhuisboerderijen dateren uit de negentiende eeuw, hoewel ook regelmatig boerderijen uit de zeventiende en achttiende eeuw voorkomen. Daarnaast zijn tot in de eerste helft van de twintigste eeuw nog moderne varianten op het hallenhuistype gebouwd. Vanuit deze standaardvorm ontwikkelde zich in verschillende streken een aantal varianten. Het langhuistype, met een rechthoekige plattegrond komt daarvan in Putten het meeste voor.

Daarnaast ontwikkelde zich de minder voorkomende T- of dwarshuisboerderij, waarbij het woonhuis dwars op het achterhuis staat en het voorste gedeelte van de zijgevel is opgeheven tot het niveau van de voorgevel. Het woonhuis is veelal voorzien van een schilddak dat haaks staat op het grote zadeldak van het bedrijfsgedeelte. Een andere variant is de krukhuis-boerderij, waarvan slechts één zijgevel is opgehoogd en verlengd zodat een L-vormige plattegrond is ontstaan. De één bouwlaag hoge massa wordt gedekt door een fors zadeldak waarvan de nokuiteinden eventueel zijn afgewolfd. Bij modernere varianten komen mansardekappen voor. De daken zijn gedekt met riet, gebakken pannen of een combinatie van beide. Vaak hebben rieten kappen een

Nota ruimtelijke kwaliteit Putten 2025 – Uiterlijk en inpassing

95

gedeelte met pannen voor de opvang van regenwater. De bakstenen schoorstenen zijn vaak midden op de nok geplaatst. Tuitgevels, waarbij de geveltop wordt beëindigd door de schoorsteen, komen ook regelmatig voor. De voorgevels van de oudere boerderijen, uit de zeventiende en achttiende eeuw, hebben een indeling bestaande uit vier of vijf traveeën. In het midden bevinden zich twee vensters of een voordeur met rechts daarvan een opkamervenster met kelderlicht en links ervan een kleiner venster. Op de zolderverdieping bevindt zich een klein venster of een luik. De negentiendeeeuwse voorgevels hebben een meer symmetrische indeling met beneden twee of vier vensters van dezelfde afmeting met eventueel een centraal geplaatste deur. In de geveltop bevinden zich meer grotere ramen en soms in de vorm van een serlianavenster. Dit leidt aan de voorkant tot een hiërarchische opbouw van de gevel. De gevelopeningen aan de voorzijde van het woonhuis zijn relatief smal en hoog, vooral de raampartijen. Ramen met roedeverdeling komen veelvuldig voor. De ramen zijn in het bedrijfsgedeelte minder talrijk en kleiner van omvang dan in het voorhuis. Daar tegenover staan de relatief grote openingen naar de stallen en de deel aan zij- en achterkant.

In de zijgevels bevinden zich een eventuele hoofdingang, een tweede ingang naar de keuken en in sommige gevallen een zijbaander (een dubbele schuurdeur in één van de zijgevels). In het midden van een oorspronkelijke achtergevel is een dubbele schuurdeur, de achterbaander, geplaatst met aan weerszijden kleinere mestdeuren. In de geveltop zit vaak een zolderluik. Achtergevels zijn echter in veel gevallen gewijzigd, hetzij door de moderne agrarische bedrijfsvoering, hetzij door functieverandering. De gevels zijn veelal opgetrokken uit roodachtige baksteen en gemetseld in staand verband (één laag koppen afgewisseld met één laag strekken) en hebben een donker gepleisterd trasraam. Ook komen geheel gepleisterde gevels voor, waarbij de gevels (crème)wit zijn en de trasramen donkergrijs of zwart. Soms verschilt de materiaalkeuze tussen het woon- en het werkgedeelte. De vensters worden beëindigd door een laag strekken, een segmentboog of een rollaag. Status verwerkte men vaak in het uiterlijk van het woongedeelte van de boerderij. Gevel- en raamindelingen, kozijnen, deuren en luiken en al of niet gedecoreerde windveren geven hier nader vorm aan. Met name het bovenlicht (het raam boven de voordeur) leende zich bij uitstek voor versieringen, zoals een levensboom. In het algemeen zijn de windveren en kozijnen wit. Deuren hebben een donkere kleur, evenals het schuurgedeelte.

Hier was de gevel oorspronkelijk van hout, maar die is in veel gevallen door bakstenen vervangen. Het kleurgebruik van in het bijzonder de luiken vertonen regionale kleurverschillen en op de landgoederen meerdere kleurschakeringen.

96

Nota ruimtelijke kwaliteit Putten 2025 – Uiterlijk en inpassing

Het erf van een hallenhuisboerderij is onder te verdelen in een voor- en achtererf die (oorspronkelijk) sterk van karakter verschillen. Het voorerf met zijn (moes)tuin en/of boomgaard was het terrein van de boerin. Geschoren heggen en hagen beschermden het voorerf tegen vee, terwijl leibomen als zonnescherm dienden. Nam de rijkdom van de boer toe, dan verhuisden moestuin en boomgaard naar de zijkant van het erf en ontstond er ruimte voor een siertuin. Het achtererf was het bedrijfsterrein van de boer en was integraal verbonden met het omringende landschap. In de loop der tijd zijn hier vaak verscheidene gebouwen verschenen. Veel boerderijen hebben één of twee hooibergen met houten of betonnen staanders. Daarnaast zijn er wagen- of veeschuren te vinden. Een enkele boerderij heeft een apart bakhuis, boenhok of een zomerhuis, waar ’s zomers het wringen karnhuis en een stalruimte voor jong vee en varkens werd ondergebracht. Ook komt het voor dat een tweede bedrijfswoning op de kavel is gebouwd. Waardebepaling, ontwikkelingen en beleid Het hallenhuis is typerend voor de historische agrarische bebouwing in Putten. Veel panden zijn cultuurhistorisch waardevol en een aantal is aangewezen als monument. Het hallenhuis staat echter onder druk door de veranderingen in de landbouw. Een aantal ontwikkelingen is te signaleren. Ten eerste is de bedrijfsvoering in de landbouw sterk veranderd.

Het (kleine) bedrijfsgedeelte van het hallenhuis voldoet niet meer aan de eisen die moderne landbouwbedrijven stellen. Dit heeft geleid tot de bouw van een nieuw bedrijfsgedeelte naast en/of achter de oude boerderij dat, wat schaal, materiaalgebruik en detaillering betreft, vaak afwijkt van de oorspronkelijke agrarische bebouwing. In het bedrijfsgedeelte van het hallenhuis vindt dan alleen nog opslag plaats of er komt een woonfunctie. Een tweede ontwikkeling is het verloren gaan van de agrarische functie. Veelal krijgt de boerderij een volledige woonfunctie. Het is echter ook mogelijk dat er combinaties van wonen en werken ontstaan of dat er een nieuwe bedrijfsfunctie intrekt. Deze functionele verandering brengt vaak ook bouwkundige veranderingen met zich mee, die niet altijd passen bij het historische karakter. Aan de andere kant is er nu ook meer informatie en aandacht voor de streekeigen identiteit van boerderijen. Ruimtelijke kwaliteit en cultuurhistorie worden in toenemende mate gewaardeerd. Ook dat is een ontwikkeling. Nieuwe toevoegingen aan een hallenhuisboerderij mogen een eigentijdse uitstraling hebben, maar dienen in harmonie met het historische bouwwerk te worden vormgegeven. Het beleid ruimtelijke kwaliteit is erop gericht de belangrijkste karakteristieken van de hallenhuisboerderij te beschermen.

In dat kader kan niet voorbij worden gegaan aan de plaatsing van de hoofd- en bijgebouwen op het erf en de inrichting van het erf zelf. Boerderij en erf vormen samen één geheel met het landschap. Voor de beoordeling dienen boerderij en erf daarom als een eenheid te worden gezien.

Nota ruimtelijke kwaliteit Putten 2025 – Uiterlijk en inpassing

97

Objectcriteria Algemeen ⋅

De bouwwerken passen bij de hierboven beschreven karakteristiek, wat betreft situering op de kavel, schaal en vormgeving van de bouwmassa, indeling van de gevels en detaillering, kleur- en materiaalgebruik.

⋅

De dakgoten aan de zijkant bevinden zich onder of op gelijke hoogte van de bovenkant van de kozijnen in de voorgevel.

⋅

De gevelgeleding wordt gekenmerkt door een evenwichtige, hiërarchische opbouw.

⋅

De oorspronkelijke indeling naar woon- en bedrijfsgedeelte is herkenbaar in de gevelopzet.

⋅

De rechthoekige hoofdvorm wordt niet verstoord door aan- en uitbouwen.

⋅

Aan- en uitbouwen zijn ondergeschikt aan het hoofdgebouw en worden terughoudend vormgegeven.

Detaillering, vorm en materiaal ⋅

Gevels worden opgetrokken in roodachtige baksteen of zijn (crème)wit gepleisterd.

⋅

Het trasraam van het voorhuis is zwart of donkergrijs gepleisterd.

⋅

Kozijnen en ander houtwerk dienen in witte en/of donkere tinten te worden geverfd.

⋅

De kleuren van de luiken moeten aansluiten bij lokaal of regionaal gebruik.

⋅

Daken worden gedekt met riet of matte gebakken pannen of een combinatie daarvan.

⋅

Bij detaillering dient zorgvuldigheid te worden betracht.

⋅

Kleurgebruik en detaillering van aan- en uitbouwen zijn afgestemd op de hoofdmassa.

Relatie met overige criteria ⋅

Eventuele nadere bepalingen per gebied zijn te vinden in de gebiedsbeschrijving en de criteria.

⋅

Voor de overige bebouwing van het erf bij de hallenhuisboerderij wordt verwezen naar de objectcriteria voor agrarische bedrijfsbebouwing.

6.2

Object agrarische bedrijfswoning

Objectbeschrijving In het buitengebied komen veel losstaande agrarische bedrijfswoningen voor. Daarin hebben zich de afgelopen periode veel veranderingen voorgedaan, waarbij nieuwbouw is verschenen. De modernere agrarische woonbebouwing heeft, in tegenstelling tot het hallenhuis, de woon- en werkruimtes niet onder één dak. Soms zijn woonbebouwing en bijgebouwen geheel van elkaar gescheiden. Bijgebouwen en aan- en uitbouwen staan naast of achter de hoofdmassa. De veelal haaks op de straat staande zadeldaken zijn voorzien van rode of donkere dakpannen. De opbouw van de massa is eenvoudig met rechte lijnen en symmetrische opbouw van de gevels. Decoraties en ornamenten komen nauwelijks voor en het materiaalgebruik bestaat uit (bak)steen met kozijnen van hout of kunststof.

98

Nota ruimtelijke kwaliteit Putten 2025 – Uiterlijk en inpassing

Waardebepaling, ontwikkelingen en beleid De agrarische bedrijfswoningen zijn functioneel gebonden aan het buitengebied. Er is een tendens waarneembaar waarbij de bedrijfswoning ‘los komt’ van de overige agrarische bebouwing, door de toepassing van afwijkende vormen en afwijkend kleur- en materiaalgebruik. De identiteit van het agrarisch bedrijf en de samenhang van de bebouwing op het erf komen hiermee onder druk te staan. De gemeente streeft naar het herkenbaar houden van de (oorspronkelijke) agrarische functie van de bebouwing. De beoordeling richt zich dan ook op het handhaven of het gericht veranderen en verbeteren van de basiskwaliteit van het gebied. Objectcriteria Ruimtelijke structuur ⋅

De bouwwerken passen in de omgevingskarakteristiek (bebouwing) en de bestaande organisatie op het perceel en zijn gerelateerd aan de landschappelijke inrichting.

Plaatsing ⋅

In de directe nabijheid van de weg is de woning georiënteerd op de weg.

⋅

De plaatsing van bijgebouwen is ondergeschikt aan het hoofdgebouw.

Massa en vorm ⋅

De hoofdvorm is enkelvoudig en rechthoekig en afgestemd op belendende bebouwing.

⋅

Aan- en uitbouwen zijn in de massa ondergeschikt aan het hoofdgebouw en worden terughoudend vormgegeven.

⋅

Er worden ononderbroken, forse kappen toegepast.

⋅

De nokrichting staat in de verkavelingsrichting van het landschap.

Detaillering, kleur- en materiaalgebruik ⋅

De gevelgeleding wordt gekenmerkt door een evenwichtige, hiërarchische opbouw.

⋅

De hoofdmaterialen zijn natuurlijke materialen: (bak-)steen, pleisterwerk, hout, dakpannen, riet en grasdak.

⋅

De hoofdkleuren zijn gedempte (aard-)kleuren of stucwerk in gebroken wit of grijs.

⋅

Kleurgebruik en detaillering van aan- en uitbouwen zijn afgestemd op de hoofdmassa.

⋅

Materiaalgebruik en kleuren van bijgebouwen in de nabijheid van het hoofdgebouw zijn afgestemd op het hoofdgebouw.

⋅

Detailleringen worden terughoudend en sober uitgevoerd.

Eventuele nadere bepalingen per gebied zijn te vinden in de gebiedsbeschrijving en -criteria.

Nota ruimtelijke kwaliteit Putten 2025 – Uiterlijk en inpassing

99

6.3

Object niet agrarische woonbebouwing

Objectbeschrijving Op diverse plekken in het buitengebied zijn van oudsher burgerwoningen aanwezig: bescheiden arbeidershuisjes, woningen en villa’s. Het aantal burgerwoningen neemt de laatste jaren toe. Het gaat daarbij om toevoegingen en om veranderingen waarbij agrarische functies plaats maken voor woonfuncties. Het betreft veelal vrijstaande woningen die refereren aan een boerderijstijl of villa’s met een historiserende maar ook met een moderne architectuur. De woningen hebben overwegend één bouwlaag en nooit meer dan twee bouwlagen. Er komen veel verschillende dakvormen voor. De vormen van de massa zijn voornamelijk enkelvoudig en geometrisch. Detailleringen, kleur- en materiaalgebruik zijn zeer divers. Waardebepaling, ontwikkelingen en beleid Vooral de gebieden dicht bij de kernen hebben een grote aantrekkingskracht, door de beschikbare ruimte en de extensieve bebouwingsdichtheid. Het extensieve karakter van het buitengebied moet behouden blijven. Objectcriteria Ruimtelijke structuur ⋅

De bouwwerken passen in de omgevingskarakteristiek (bebouwing) en de bestaande organisatie op het perceel en zijn gerelateerd aan de landschappelijke inrichting.

Plaatsing ⋅

In de directe nabijheid van de weg, is de woning georiënteerd op de weg.

⋅

De plaatsing van bijgebouwen is ondergeschikt aan het hoofdgebouw.

Massa en vorm ⋅

De hoofdvorm is enkelvoudig en rechthoekig.

⋅

Aan- en uitbouwen zijn in de massa ondergeschikt aan het hoofdgebouw en worden terughoudend vormgegeven.

⋅

Er worden ononderbroken, forse kappen toegepast.

⋅

De nokrichting is in de verkavelingsrichting van het landschap.

Detaillering, kleur- en materiaalgebruik ⋅

De gevelgeleding wordt gekenmerkt door een evenwichtige, hiërarchische opbouw.

⋅

De hoofdmaterialen zijn natuurlijke materialen: (bak-)steen, pleisterwerk, hout, gegolfde dakpannen, riet en grasdak.

⋅

De hoofdkleuren zijn gedempte (aard-)kleuren of stucwerk in gebroken wit of grijs.

⋅

Kleurgebruik en detaillering van aan- en uitbouwen zijn afgestemd op de hoofdmassa.

⋅

Materiaalgebruik en kleuren van bijgebouwen in de nabijheid van het hoofdgebouw zijn afgestemd op het hoofdgebouw.

⋅

100

Bij verbouw worden bestaande details gerespecteerd.

Nota ruimtelijke kwaliteit Putten 2025 – Uiterlijk en inpassing

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16374964/1