Nota Bodembeheer regio Noord-Veluwe R002-1273092EVF-V04-baw-NL
Tekst van het document
Nota Bodembeheer regio Noord-Veluwe 25 november 2021
Kenmerk
R002-1273092EVF-V04-baw-NL
Verantwoording Titel
Nota Bodembeheer regio Noord-Veluwe
Opdrachtgever
Omgevingsdienst Noord-Veluwe
Projectleider
Erik Vonkeman
Auteur(s)
Floor van Elsacker
Tweede lezer
Odile Rutten
Projectnummer
1273092
Aantal pagina’s
33
Datum
25 november 2021
Handtekening
Ontbreekt in verband met digitale verwerking. Dit rapport is aantoonbaar vrijgegeven.
Colofon TAUW bv Handelskade 37 Postbus 133 7400 AC Deventer T +31 57 06 99 91 1 E info.deventer@tauw.com
2/33
Kenmerk
R002-1273092EVF-V04-baw-NL
Inhoud 1
2
3
4
Inleiding en inhoud .................................................................................................................... 5 1.1
Inleiding .............................................................................................................................. 5
1.2
Inhoud ................................................................................................................................ 5
1.3
Bevoegd gezag en vaststelling........................................................................................... 6
1.4
Geldigheidsduur ................................................................................................................. 7
Bodemfunctie en bodemkwaliteit ............................................................................................... 7 2.1
Inleiding .............................................................................................................................. 7
2.2
Bodemfunctiekaart ............................................................................................................. 8
2.3
Bodemkwaliteitskaart ......................................................................................................... 8
2.3.1
PFAS ........................................................................................................................... 9
2.3.2
Ontgravingskaarten ..................................................................................................... 9
2.3.3
Toepassingskaarten .................................................................................................... 9
2.4
Uitgesloten locaties .......................................................................................................... 11
2.5
Locaties waar bodemonderzoek is uitgevoerd ................................................................. 12
2.6
Diepere ondergrond ......................................................................................................... 12
2.7
Veiligheidsklasse conform CROW 400 ............................................................................ 13
Gebiedspecifieke zaken .......................................................................................................... 13 3.1
Inleiding ............................................................................................................................ 13
3.2
P80 ................................................................................................................................... 14
3.3
Percentage bijmenging..................................................................................................... 14
3.4
Asbest .............................................................................................................................. 15
3.5
Arseen .............................................................................................................................. 15
3.6
Wegbermen ...................................................................................................................... 16
3.7
Waterfront Harderwijk....................................................................................................... 18
3.8
Drielanden Harderwijk ...................................................................................................... 18
Voorschriften grondverzet ....................................................................................................... 19 4.1
Inleiding ............................................................................................................................ 19
4.2
Basisregels ....................................................................................................................... 19
4.2.1
Vooronderzoek .......................................................................................................... 19
4.2.2
Zorgplicht .................................................................................................................. 20
3/33
Kenmerk
5
R002-1273092EVF-V04-baw-NL
4.3
Graven.............................................................................................................................. 20
4.4
Opslaan ............................................................................................................................ 23
4.5
Toepassen........................................................................................................................ 25
4.6
Aandachtspunten ............................................................................................................. 28
4.6.1
Invasieve exoten ....................................................................................................... 28
4.6.2
Overige aandachtspunten ......................................................................................... 28
Landelijke specifieke kaders ................................................................................................... 28 5.1
Inleiding ............................................................................................................................ 28
5.2
Tijdelijke uitname.............................................................................................................. 29
5.3
Grootschalige bodemtoepassing (GBT) ........................................................................... 29
5.3.1
6
Beleidsverruiming GBT natuurlijk voorkomend arseen in Harderwijk ....................... 30
5.4
Verspreiden van baggerspecie op de kant ....................................................................... 30
5.5
Samenvoegen tot 25 m³ ................................................................................................... 30
5.6
Veiligheidsklasse conform CROW 400 ............................................................................ 31
Melden, toezicht en handhaving .............................................................................................. 32 6.1
Inleiding ............................................................................................................................ 32
6.2
Melden.............................................................................................................................. 32
6.3
Toezicht en handhaving ................................................................................................... 33
Bijlage 1
Wettelijk kader 2020-2022 (voor inwerkingtreding Omgevingswet)
Bijlage 2
Bodemfunctiekaart
Bijlage 3
Ontgravingskaarten
Bijlage 4
Toepassingskaarten
Bijlage 5
Grondverzet onder de Omgevingswet
Bijlage 6
Uitgesloten locaties PFAS
Bijlage 7
Memo aanpassing nota bodembeheer voor arseen
Bijlage 8
RTB-berekening arseen (Nota 2014)
4/33
Kenmerk
R002-1273092EVF-V04-baw-NL
1 Inleiding en inhoud 1.1
Inleiding
Voor u ligt de Nota bodembeheer van de gemeenten Ermelo, Putten, Harderwijk, Nunspeet, Elburg en Oldebroek in de regio Noord-Veluwe. In deze rapportage spreken wij steeds over de regio Noord-Veluwe. Tot deze regio behoren ook de gemeenten Heerde en Hattem. Deze gemeenten worden mogelijk in een later stadium toegevoegd aan de bodemkwaliteitskaart. De regels uit deze Nota gelden dus vooralsnog niet voor de gemeenten Heerde en Hattem. De Nota bodembeheer is een instrument gericht op duurzaam omgaan met grond. De basis voor dit document ligt in het Besluit bodemkwaliteit en de voor de regio Noord-Veluwe opgestelde bodemkwaliteitskaart en beleidsregel PFAS1. In de Nota zijn de voorschriften opgenomen voor het grondverzet waarbij:
Er zoveel mogelijk wordt ingezet op het hergebruik van grond binnen de regio zonder afbreuk
te doen aan de bestaande bodemkwaliteit Er zoveel mogelijk wordt voorgesorteerd op de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Naar verwachting treedt deze op 1 juli 2022 in werking. Het doel is om de overgang naar de Omgevingswet te versoepelen
De bodemkwaliteitskaart van de regio Noord-Veluwe wordt conform de voorschriften in deze Nota Bodembeheer gebruikt als bewijsmiddel voor grondverzet. Daarnaast hebben de betrokken gemeenten (Ermelo, Putten, Harderwijk, Nunspeet, Elburg en Oldebroek) de mogelijkheid om overige bodemkwaliteitskaarten vast te stellen, zodat deze ook als bewijsmiddel gebruikt mogen worden.
1.2
Inhoud
In deze Nota beginnen wij met een korte omschrijving van de bodemfuncties en bodemkwaliteit van Noord-Veluwe op basis van de bodemkwaliteitskaart (hoofdstuk 2). De gebiedspecifieke uitgangspunten zijn opgenomen in hoofdstuk 3. De voorschriften voor grondverzet zijn opgenomen in hoofdstuk 4 en gebaseerd op zowel het landelijke kader als op de gebiedspecifieke uitgangspunten (hoofdstuk 3). Een algemene uitleg over het landelijke kader en de mogelijkheden voor gebiedspecifiek beleid is te vinden in bijlage 1. De voorschriften zijn onderverdeeld naar de volgende activiteiten:
Graven (paragraaf 4.4)
Opslaan (paragraaf 4.5) Toepassen (paragraaf 4.6)
1
R003-1273092EVF-V04-baw-NL en R001-1273092EVF-V01-mwl-NL
5/33
Kenmerk
R002-1273092EVF-V04-baw-NL
De specifieke landelijke kaders, zoals tijdelijke uitname en grootschalige toepassing zijn opgenomen in hoofdstuk 5. In dit hoofdstuk is ook het gebruik van de bodemkwaliteitskaart voor het bepalen van de veiligheidsklasse conform CROW 400 verder toegelicht.
1.3
Bevoegd gezag en vaststelling
In tabel 1.1 is een overzicht gegeven van de relevante activiteiten en bevoegde gezagen. Tabel 1.1 Verdeling bevoegd gezag Activiteiten
Bevoegd gezag
Toepassen van grond en baggerspecie op of in de landbodem
College van Burgemeester en Wethouders
binnen de gemeente, in gemeentelijke wateren en binnen
(B&W)
inrichtingen Toepassen van grond en baggerspecie in oppervlaktewater
Waterschap
binnen beheergebied van waterschap Toepassen van grond en baggerspecie binnen bepaalde
Provincie of het Rijk (bij toewijzing)
categorieën van inrichtingen (Wet milieubeheer) Toepassen en verspreiden van grond en baggerspecie in
Rijkswaterstaat
Rijkswateren of Rijkswegen Activiteiten (onder andere erkenning van personen en
IL&T
instellingen) die vallen onder de Kwaliteitsborging van bodemintermediairs (KWALIBO)
Vaststelling van de kaart en gebiedspecifiek beleid vindt plaats door de raad van de gemeenten Putten, Ermelo, Harderwijk, Nunspeet, Elburg en Oldebroek. Het besluit tot vaststelling van het gebiedspecifieke beleid is een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) waarop de uniforme openbare voorbereidingsprocedure (afdeling 3.4 Awb) van toepassing is (zie artikel 49 Bbk). Bij het vaststellen van deze Nota heeft een delegatiebesluit plaatsgevonden waarbij de volgende taken zijn gedelegeerd naar het college:
Het erkennen van bodemkwaliteitskaarten van andere gemeenten (waaronder het toevoegen van Heerde en Hattem aan de regionale kaart en aanpassing van de Nota als gevolg daarvan)
Aanpassen van het beleid als gevolg van wijzigingen in wet- en regelgeving, zoals door de
komst van de Omgevingswet of voor PFAS en opkomende stoffen, et cetera Beleidsafwijkingen vaststellen op locatieniveau om bijvoorbeeld invulling te geven aan maatschappelijke ambities
6/33
Kenmerk
R002-1273092EVF-V04-baw-NL
Bij erkenning van een bodemkwaliteitskaart van een andere gemeente wordt altijd getoetst of deze kaart van een vergelijkbare kwaliteit is als de eigen bodemkwaliteitskaart. Aspecten die hierbij bepalend kunnen zijn:
Classificering op basis van de P80
Aantallen waarnemingen (minimaal 20 waarneming per bodemlaag per zone) Opgesteld voor minimaal standaardpakket, PFAS en andere aanwezige diffuse verontreinigingen. Het is bekend dat in de regio een diffuse verontreiniging met arseen
aanwezig kan zijn Wijze van uitsluiten van locaties
Als geen erkenning heeft plaatsgevonden dient een andere geldige milieuhygiënische verklaring voor de kwaliteit van de grond te worden aangeleverd, zoals een partijkeuring.
1.4
Geldigheidsduur
De Nota Bodembeheer is in principe 10 jaar geldig. Vanwege de inwerkingtreding van de Omgevingswet dient echter voor 1 januari 2030 de Nota Bodembeheer geïntegreerd te zijn in het Omgevingsplan (zie voor uitleg bijlage 5). Als wijzigingen in de wet- en regelgeving eerdere aanpassingen noodzakelijk maken of er bestaat vanuit beleidsmatig oogpunt een wens tot aanpassing, dan kan deze Nota ook eerder omgezet worden naar het Omgevingsplan. Bij strijdigheid van de bepalingen in deze Nota met eventuele nieuwe wet- en regelgeving gaat de nieuwe wet- en regelgeving voor. De Nota Bodembeheer is gebaseerd op de bodemkwaliteitskaart. Deze kaart heeft een geldigheidstermijn van 5 jaar en blijft geldig als de Omgevingswet ingaat binnen deze termijn. De regelgeving onder de Omgevingswet is nog niet definitief. De verwachting is dat de kaart na 5 jaar geactualiseerd moet worden.
2 Bodemfunctie en bodemkwaliteit 2.1
Inleiding
Voor het bepalen van de voorschriften is zowel de bodemfunctie als de bodemkwaliteit van belang. Om een partij grond te mogen toepassen moet de partij namelijk worden getoetst aan: De bodemkwaliteitsklasse van de ontvangende bodem
De bodemfunctieklasse van de ontvangende bodem
Bij deze zogeheten dubbele toets geldt dat de kwaliteitsklasse van de toe te passen partij grond of baggerspecie moet voldoen aan de strengste norm. Wanneer de ontvangende bodem niet in een bodemfunctieklassenkaart is opgenomen of wanneer de kwaliteit van de ontvangende bodem voldoet aan de Achtergrondwaarden, dan gelden de achtergrondwaarden als toepassingseis. Verdere informatie over het huidig wettelijk kader is opgenomen in bijlage 1.
7/33
Kenmerk
2.2
R002-1273092EVF-V04-baw-NL
Bodemfunctiekaart
De bodemfunctiekaart is te vinden in bijlage 2. De bodemfunctiekaart is grotendeels gelijk gebleven ten opzichte van de bodemfunctiekaart uit 20142. Er zijn de volgende wijzigingen:
De bermen van gemeentelijke hoofdwegstructuur hebben allen de functie Industrie gekregen
ten behoeve van uniformiteit In het noorden en westen van het bebouwde gebied van Nunspeet is een nieuwbouwwijk in aanleg. Dit gedeelte heeft nu de functie Wonen
Het gebied ten westen van de A28 in de gemeenten Ermelo en Putten is toegevoegd aan de bodemfunctiekaart en heeft de functie Landbouw/natuur en plaatselijk de functie Wonen gekregen
In Elburg zijn 2 gemeentelijke hoofdwegen toegevoegd, namelijk de Gerichtenweg en de Oude Harderwijkerweg
De Rijkswegen, provinciale wegen en de militaire terreinen zijn uitgesloten van de functiekaart
Er zijn kleine aanpassingen aan de beheergrenzen. Ter plaatse van de gemeente Putten is de gemeentegrens gedeeltelijk aangepast. In de wijk Waterfront in de gemeente Harderwijk zijn de grenzen licht gewijzigd daar gebieden gewijzigd zijn van oppervlaktewater naar landbodem en andersom
De bodemfunctiekaart komt automatisch in het tijdelijk deel van het omgevingsplan via het overgangsrecht. Dat staat in het tweede lid van artikel 3.5 van de Aanvullingswet bodem.
2.3
Bodemkwaliteitskaart
De bodemkwaliteitskaart bestaat uit de ontgravingskaart (paragraaf 2.3.2) en de toepassingskaart (paragraaf 2.3.3). De bodemkwaliteitskaart wordt opgesteld volgens de regels uit het Besluit bodemkwaliteit, de Regeling bodemkwaliteit en de Richtlijn voor het opstellen van bodemkwaliteitskaarten. Meer informatie over de regelgeving is te vinden in bijlage 1 en in het technisch rapport (kenmerk R003-1275478EVF-V04-baw-NL). De ontgravingskaart geeft de kwaliteit van de grond op een locatie weer. De kaart is opgesteld voor de stoffen uit het standaardpakket (STP). De toepassingskaart laat zien welke kwaliteit grond toegepast mag worden en is een combinatie van de ontvangende bodemkwaliteit en de bodemfunctiekaart (dubbele toets: zie bijlage 1 voor nadere toelichting). In de toepassingskaart is ook PFAS opgenomen.
2
Nota bodembeheer regio Noord Veluwe. TAUW, kenmerk R002-1206995LNH-baw-V02-NL, d.d. 21 januari 2014
8/33
Kenmerk
2.3.1
R002-1273092EVF-V04-baw-NL
PFAS
Voor PFAS is reeds een bodemkwaliteitskaart en bijbehorende beleidsregels opgesteld3 voor de regio Noord-Veluwe, met uitzondering van de gemeente Heerde en Hattem. Uit de resultaten blijkt dat PFAS geen belemmering is bij het grondverzet. Voor verdere details wordt verwezen naar de rapportage. Het beleid ten aanzien van het toepassen van PFAS-houdende grond is in deze Nota geïntegreerd. De ontgravingskaarten ten aanzien van PFAS zijn opgenomen in bijlage 3. 2.3.2 Ontgravingskaarten In afwijking op de Richtlijn zijn de zones geclassificeerd op basis van de 80-percentielwaarde (P80: waarde waar 80 % van de waarnemingen onder ligt) in plaats van het rekenkundig gemiddelde. Deze keuze is in paragraaf 3.2 nader toegelicht. De ontgravingskaarten zijn te vinden in bijlage 3. In tabel 2.1 is de ontgravingsklasse per zone weergegeven. Hieruit blijkt dat de kwaliteit van de bovengrond van de zone ‘Bedrijven- en industrieterreinen’ beter is dan de bovengrond in de zone ‘Wonen’. Dat is niet uitzonderlijk als het gebied met de functie wonen al veel langer beïnvloed wordt door haar gebruik. Ter controle zijn de hoogste waarnemingen van de zone Wonen in beeld gevraagd en deze liggen verspreid over de regio in diverse gemeenten. Er kan dus geen deelgebied worden aangemerkt met een afwijkende kwaliteit die de gemiddelde classificering beïnvloedt.
Het gebied Drielanden is verdacht op het voorkomen van arseen. De bodemkwaliteitskaart is niet opgesteld voor deze parameter (zie ook paragraf 3.8). 2.3.3 Toepassingskaarten De toepassingskaart is de combinatie van de functie en de kwaliteit van de bodem. In tabel 2.1 staan de toepassingseisen. De kaarten zijn opgenomen in bijlage 4. Hierbij gelden de volgende opmerkingen: De toepassingseis van de gemeentelijke hoofdwegen en de provinciale wegen is bepaald aan de hand van de functie. De functie is Industrie. De dubbele toets is niet uitgevoerd, daar de kwaliteit van de bermen niet bepaald is. Dit is gebiedspecifiek beleid (zie ook paragraaf 3.6)
De gemeentelijke bermen zijn begrensd op 0,5 m -mv. In de ondergrond wordt geen verdere beïnvloeding verwacht van de berm en deze is opgenomen in de aangrenzende zone. Eenzelfde redenatie is van toepassing voor provinciale wegbermen, maar aangezien deze in beheer zijn van de provincie zijn deze wel apart gezoneerd voor de ondergrond (zie ook paragraaf 3.6). Opgemerkt wordt dat de bermen óók verdacht zijn ten aanzien van asbest en dat asbest wel dieper dan 0,5 m -mv aangetroffen kan worden. Asbest is echter geen onderdeel van deze bodemkwaliteitskaart. Bermen ter plekke van verdachte deellocaties
(toegangsdammen, lokale ophogingen, etc.) zijn uitgesloten van deze kaart Voor de arseengebieden geldt gebiedspecifiek beleid (zie paragraaf 3.5). Vrij grondverzet tussen de arseengebieden is op basis van de kaart mogelijk. Voor overige toepassingen in het gebied geldt de generieke toepassingseis Landbouw/Natuur. Grond uit de arseenzones mag niet zonder keuring op arseen, buiten de arseengebieden toegepast worden
3
Noord Veluwe bodemkwaliteitskaart PFAS. TAUW, kenmerk R001-1273092EVF-V01-mwl-NL, d.d. 30 oktober 2020
9/33
Kenmerk
R002-1273092EVF-V04-baw-NL
Harderwijk centrum (<1900) is uitgesloten van de kaart voor de stoffen van het standaardpakket. Van deze zone zijn te weinig waarnemingen beschikbaar. Verder wordt vanwege de ontstaansgeschiedenis een heterogene verontreiniging verwacht, waardoor de classificering ook bij voldoende waarnemingen onbetrouwbaar zal zijn. De toepassingseis is
bepaald aan de hand van de functie Wonen. Dit is gebiedspecifiek beleid Voor het gebied Harderwijk Waterfront geldt gebiedspecifiek beleid (paragraaf 3.7) De toepassingseis is afhankelijk van de situatie. In onderstaande tabel is de strengste
toepassingseis weergeven De toepassingseis voor PFAS is bepaald aan de hand van het generieke kader (zie bijlage 1 voor uitleg) voor de wegbermen van de gemeentelijke hoofdstructuur en de provinciale wegen. Zo wordt toepassingsruimte gecreëerd voor toepasbare, licht PFAS-houdende grond. Voor de overige zones is de toepassingseis bepaald aan de hand van de ontgravingskwaliteit. Zo vindt er geen verslechtering van de bodemkwaliteit ten aanzien van PFAS plaats. Dit is
gebiedspecifiek beleid Binnen de grondwaterbeschermingsgebieden gelden afwijkende toepassingseisen voor zowel standaardpakket als PFAS. De regels zijn opgenomen in het provinciale beleid
Tabel 2.1a Kwaliteitsklassen bovengrond per zone Zone 1 Buitengebied 2 Wonen 3 Bedrijven- en industrieterreinen 4 Arseengebieden 5 Gemeentelijke bermen 6 Provinciale bermen 7 Harderwijk: Centrum <1900 8 Harderwijk: Waterfront
Uitgesloten gebieden, zoals (voormalige) defensieterreinen
Ontgravingsklasse Bovengrond
Toepassingseis Bovengrond
STP: AW
STP: AW
PFAS: AW
PFAS: AW
STP: Wonen***
STP: Wonen
PFAS: AW
PFAS: AW
STP: AW
STP: AW
PFAS: AW
PFAS: AW
STP: AW met verhoogd arseen
STP: AW*
PFAS: AW
PFAS: AW
STP: Uitgesloten
STP: Industrie
PFAS: AW
PFAS: Wonen/Industrie
STP: Uitgesloten
STP: Industrie
PFAS: AW
PFAS: Wonen/Industrie
STP: Uitgesloten
STP: Wonen
PFAS: AW
PFAS: AW
STP: Uitgesloten
STP: AW**
PFAS: AW
PFAS: AW
Uitgesloten
STP: AW PFAS: AW
10/33
Kenmerk
R002-1273092EVF-V04-baw-NL
STP = standaardpakket * Vrij grondverzet tussen arseengebieden mogelijk, toepassingseis geldt voor grond van buiten de arseengebieden ** Toepassingseis geldt voor grond van buiten Waterfront. Voor grond uit Waterfront zelf geldt de toepassingseis van Wonen of Industrie (zie paragraaf 3.7) *** Het gebied Drielanden is onderdeel van deze zone en is verdacht op voorkomen van arseen. De bodemkwaliteitskaart is niet opgesteld voor arseen (zie paragraaf 3.8) Tabel 2.1b Kwaliteitsklassen ondergrond per zone Zone
Ontgravingsklasse Ondergrond
Toepassingseis Ondergrond
1 Buitengebied
STP: AW
STP: AW
PFAS: AW
PFAS: AW
STP: AW***
STP: AW
PFAS: AW
PFAS: AW
2 Wonen 3 Bedrijven- en industrieterreinen 4 Arseengebieden 6 Provinciale bermen 7 Harderwijk: Centrum <1900 8 Harderwijk: Waterfront
Uitgesloten gebieden, zoals
STP: AW
STP: AW
PFAS: AW
PFAS: AW
STP: AW met verhoogd arseen
STP: AW
PFAS: AW
PFAS: AW
STP: Uitgesloten
STP: Industrie
PFAS: AW
PFAS: AW
STP: Uitgesloten
STP: Uitgesloten
PFAS: AW
PFAS: AW
STP: Uitgesloten
STP: AW**
PFAS: AW
PFAS: AW
Uitgesloten
STP: AW
(voormalige) defensieterreinen
PFAS: AW
STP = standaardpakket * Vrij grondverzet tussen arseengebieden mogelijk, toepassingseis geldt voor grond van buiten de arseengebieden ** Toepassingseis geldt voor grond van buiten Waterfront. Voor grond uit Waterfront zelf geldt de toepassingseis van Wonen of Industrie (zie paragraaf 3.7) *** Het gebied Drielanden is onderdeel van deze zone en is verdacht op voorkomen van arseen. De bodemkwaliteitskaart is niet opgesteld voor arseen (zie paragraaf 3.8)
2.4
Uitgesloten locaties
De bodemkwaliteitskaart zegt alleen iets over de diffuse bodemkwaliteit. Locaties waar de kwaliteit (vermoedelijk) afwijkt zijn uitgesloten. Dit zijn locaties waar een verdachte activiteit aanwezig is (geweest) waarvan de invloed op de bodemkwaliteit niet bekend is en locaties waar uit bodemonderzoek is gebleken dat de kwaliteit daadwerkelijk afwijkt van de gebiedskwaliteit. Conform bijlage M van de Regeling Bodemkwaliteit dienen de uitgesloten locaties op kaart weergeven worden. Aangezien dit een dynamisch beeld is, is hiervan afgeweken. Op de kaart zijn alleen de uitgesloten gebieden weergeven.
11/33
Kenmerk
R002-1273092EVF-V04-baw-NL
De volgende gebieden zijn uitgesloten:
Voormalige stortplaatsen: Deze zijn geïnventariseerd en getoond in de PFAS bodemkwaliteitskaart. De kaart is geactualiseerd en tevens opgenomen in bijlage 6
(Voormalige) defensieterreinen: De terreinen zijn getoond op kaart in bijlage 6. Nadere onderbouwing is te vinden in het technisch rapport (R003-1273092EVF-V04-baw-NL)
Ook de volgende typen locaties zijn uitgesloten van de kaart:
Locaties binnen het beheergebied van het rijk en het waterschap: hierover is de gemeente geen bevoegd gezag. Dit zijn in ieder geval de grote watergangen, de spoorgebonden gronden en de rijkswegen
Locaties met een afwijkende kwaliteit of die verdacht zijn op (een ernstige) bodemverontreiniging waaronder ook boerderij-erven vallen
Toepassingen met grond die van elders afkomstig is. Indien de grond destijds is toegepast op basis van de bodemkwaliteitskaart dan kan aan de hand van het vooronderzoek alsnog geconcludeerd worden dat de kaart alsnog gebruikt kan worden als bewijsmiddel
Locaties verdacht op het voorkomen van PFAS. Een overzicht van verdachte locaties ten aanzien van PFAS is te vinden in bijlage 6. NB: op basis van nieuwe inzichten kan dit overzicht van verdachte locaties wijzigen. Er dient voor gebruik van de kaart altijd geverifieerd te worden of een locatie verdacht is op PFAS
Als locaties uitgesloten zijn van de kaart, dan dient een andere milieuhygiënische verklaring te worden gebruikt voor grondverzet (zie paragraaf 4.3). Door middel van het uitvoeren van een vooronderzoek volgens de NEN 5725, aanleiding F kan bepaald worden of een locatie verdacht is op het voorkomen van een bodemverontreiniging als gevolg van puntbronnen of eerder aangetoonde verontreinigingen (paragraaf 4.2.1). In deze gevallen geldt de bodemkwaliteitskaart niet.
2.5
Locaties waar bodemonderzoek is uitgevoerd
Het kan voorkomen dat een locatie niet uitgesloten is van de bodemkwaliteitskaart, maar dat er toch een (verkennend) bodemonderzoek of partijkeuring is uitgevoerd. Uit het onderzoek kan dan een andere kwaliteit blijken dan uit de bodemkwaliteitskaart. In dergelijke situaties kan de bodemkwaliteitskaart niet als geldig bewijsmiddel worden gebruikt voor hergebruik van grond (met uitzondering van tijdelijke uitname) en dient een ander erkend bewijsmiddel te worden verkregen (partijkeuring).
2.6
Diepere ondergrond
Vanwege de verspreidingswijzen van verontreinigingen wordt de grootste beïnvloeding in de bovengrond verwacht voor de stoffen uit het standaardpakket. Uit de bodemkwaliteitskaart blijkt binnen het gezoneerde deel van het beheergebied de ondergrond kwaliteit AW heeft voor het standaardpakket. De verwachting is voor deze zones dat de diepere ondergrond (onder 2,0 m -mv) een gelijke of betere kwaliteit heeft.
12/33
Kenmerk
R002-1273092EVF-V04-baw-NL
De kaart voor het standaardpakket wordt dan ook van toepassing verklaard voor de diepere ondergrond onder 2,0 m -mv met uitzondering van: Waterfront Harderwijk: vanwege de herontwikkeling zijn er naar verwachting sterke verontreinigingen aanwezig in de diepere ondergrond
Stationsgebied Nunspeet: het stationsgebied Nunspeet wordt her ontwikkeld. Binnen dit initiatief zijn (sterke) verontreinigingen aangetroffen in de diepere ondergrond
Ten aanzien van PFAS geldt eenzelfde redenering met één uitzondering. Daar PFAS mobiel is wordt de bodemlaag rond de grondwaterstand als verdacht aangemerkt. De PFAS kaart is van toepassing voor de diepere ondergrond tot aan de grondwaterstand. De kaart is niet van toepassing op de bodemlagen onder de grondwaterstand.
2.7
Veiligheidsklasse conform CROW 400
Bij het werken in grond moet de werkgever voor de uitvoeringsfase een V&G-plan (Veiligheid & Gezondheid) maken. De CROW 400-richtlijn voor veilig en risicogestuurd werken in en met verontreinigde bodem is een veel gebruikte richtlijn om de risico’s te bepalen. De te hanteren veiligheidsklasse mag worden bepaald aan de hand van de 80-percentielwaarde (P80) uit een vastgestelde bodemkwaliteitskaart door deze te toetsen aan de SRCarbo -waarden. Uit de toetsing (zie technische rapportage R003-1273092EVF-V04-baw-NL) blijkt dat de SRC-waarden vele malen hoger zijn dan de P80 van alle zones in de bodemkwaliteitskaart. Er volgt hieruit dus geen veiligheidsklasse. Dit betekent dat alleen de maatregelen die horen bij de basishygiëne van toepassing zijn. Net als bij grondverzet dient eerst middels vooronderzoek (NEN 5725, aanleiding G) te worden vastgesteld dat gebruik mag worden gemaakt van de bodemkwaliteitskaart voor de betreffende locatie (zie paragraaf 5.6). Bij het aantreffen van asbest in of op de bodem tijdens de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met speciale maatregelen die moeten worden getroffen in het kader van de Wet bodembescherming en het Arbeidsomstandighedenbesluit. Opgemerkt wordt dat de militaire oefenterreinen uitgesloten zijn van de bodemkwaliteitskaart. Daarmee is de kaart voor deze zones ook niet geschikt voor het bepalen van de veiligheidsklasse.
Indien er vanuit het grondverzet geen aanleiding is voor onderzoek (bijvoorbeeld bij tijdelijke uitname) dient alsnog onderzoek plaats te vinden ter bepaling van de veiligheidsklasse.
3 Gebiedspecifieke zaken 3.1
Inleiding
Voor de voorschriften rond het grondverzet wordt uitgegaan van een aantal afwijkingen op het landelijke generieke kader. Dat is voor het merendeel het gevolg van de lokale ambities die nodig worden geacht om een duurzaam en toekomstbestendig bodembeheer vorm te kunnen geven. De gebiedspecifieke zaken worden in dit hoofdstuk toegelicht.
13/33
Kenmerk
R002-1273092EVF-V04-baw-NL
Het gebiedspecifiek beleid ten aanzien van lokaal maximale waarden (paragraaf 3.5, 3.6 en 3.7) en het percentage bodemvreemd materiaal (paragraaf 3.3) komen onder de Omgevingswet automatisch in het tijdelijke deel van het Omgevingsplan via het overgangsrecht. Dat staat in het derde lid van artikel 3.5 van de Aanvullingswet bodem.
3.2
P80
De bodemkwaliteitskaart is één van de bewijsmiddelen om partijen grond eenvoudig en betrouwbaar toe te kunnen passen. In het generieke toetsingskader wordt het gemiddelde van de waarnemingen getoetst aan de normen om zo de kwaliteitsklasse te bepalen. In de vorige kaart is dan ook gebruik gemaakt van het gemiddelde voor karakterisering van de zones. Bij heterogene kwaliteitszones (zoals oude kernen) of parameters die heterogeen voorkomen, brengt het gebruik van het gemiddelde bij de vaststelling van de kwaliteit van de te ontgraven grond risico’s met zich mee. Dit risico bestaat uit het vrijkomen en toepassen van grond met een slechtere kwaliteit dan staat aangegeven op de bodemkwaliteitskaart. Om dit risico te beperken is gebruik gemaakt van de ruimte in het Besluit bodemkwaliteit, om de bodemkwaliteit vast te stellen op basis van de 80-percentielwaarde (P80). De P80 is de waarde waar 80 % van de beschikbare meetwaarden onder ligt. Het gebruik van de P80 boven het generieke gemiddelde bij de beschrijving van de bodemkwaliteit heeft als voornaamste effect dat de bodemkwaliteitskaart in een groter aantal gevallen aansluit bij de daadwerkelijk aanwezige milieuhygiënische kwaliteit van de vrijkomende grond.
3.3
Percentage bijmenging
Conform het Besluit bodemkwaliteit mogen herbruikbare grond en baggerspecie maximaal 20 gewichtsprocent bodemvreemd materiaal bevatten voor zover het steenachtig materiaal of hout betreft (artikel 34 van het Besluit bodemkwaliteit en het tweede lid van artikel 1.1 van de Regeling bodemkwaliteit). Overige bodemvreemde materialen, zoals plastic en piepschuim mogen alleen sporadisch voorkomen. Voorwaarde is dat dit materiaal al voorafgaand aan het ontgraven of bewerken in de grond of baggerspecie aanwezig was en het redelijkerwijs niet gevraagd kan worden om het uit de grond of baggerspecie te verwijderen voordat het toegepast wordt. De gemeente heeft op grond van artikel 44 en 45 van het Besluit bodemkwaliteit de mogelijkheid om via gebiedspecifiek beleid een lager percentage bodemvreemd materiaal vast te stellen. De regio Noord-Veluwe maakt gebruik van deze mogelijkheid. Voor het buitengebied wordt het generieke kader gehanteerd om geen knelpunten in het grondverzet te veroorzaken. Voor overige zones wordt het maximale percentage verlaagd naar 5 %. In tabel 3.1 is te zien welke percentage bodemvreemd materiaal toegestaan is per zone.
14/33
Kenmerk
R002-1273092EVF-V04-baw-NL
Tabel 3.1 Maximale bijmenging aan bodemvreemde materialen (gewichtspercentage) Zone
Toegestane % bodemvreemde bijmenging
1 Buitengebied
20
2 Wonen
5
3 Bedrijven- en industrieterreinen
5
4 Arseengebieden
5
5 Gemeentelijke bermen
5
6 Provinciale bermen
5
7 Harderwijk: Centrum <1900
5
8 Harderwijk: Waterfront
5
Uitgesloten gebieden, zoals (voormalige) defensieterreinen
5
3.4
Asbest
Asbesthoudend materiaal is bodemvreemd materiaal en mag volgens de regels slechts sporadisch in de grond aanwezig zijn (zie paragraaf 3.3). Voor asbest is geen achtergrondwaarde opgenomen in de Regeling Bodemkwaliteit. Voor asbest is alleen een interventiewaarde opgenomen van 100 mg/kg (gewogen). Onder de 100 mg/kg (gewogen) is er sprake van een ‘verwaarloosbaar risico’ en mag de grond beschouwd worden als niet verontreinigd. In de regio Noord-Veluwe is asbest een veelvoorkomende verontreiniging vanwege verschillende activiteiten in het verleden. In de regio zijn ook meerdere asbestwegen aanwezig. Een deel van de locaties is reeds gesaneerd. Er is geen overzicht te geven van bekende locaties en gebieden die met asbest verontreinigd zijn of waar een vermoeden is van asbestverontreiniging. Deze kaart ziet alleen toe op de stoffen uit het standaardpakket en PFAS. Verder onderzoek naar (de verdenking op) asbest dient separaat uitgevoerd te worden.
3.5
Arseen
In de bodemkwaliteitskaart is een zone ‘Arseengebieden’ gedefinieerd. In de regio Noord-Veluwe komen van nature verhoogde gehalten aan arseen voor. Dit is ontstaan doordat in het verleden arseen uit arseenhoudend kwelwater is neergeslagen bij het in contact komen met zuurstofrijker grondwater. Dit heeft zich op deze manier kunnen ophopen op dit grensvlak waarbij het bijvoorbeeld bindt aan ijzeroxide (ijzeroer). Vanwege deze ontstaansgeschiedenis komt de arseenverontreiniging heterogeen voor. Dit blijkt ook uit de bodemkwaliteitskaart. De regio kiest ervoor om grondverzet binnen de arseengebieden mogelijk te maken op basis van de bodemkwaliteitskaart, mits er geen aanleidingen zijn dat het aanwezige arseen een antropogene (géén natuurlijke) oorsprong heeft. Het arseen komt namelijk in principe van nature voor binnen deze gebieden. Dit grondverzet wordt mogelijk gemaakt door het hanteren van een Lokaal Maximale Waarde (LMW) voor arseen van 76 mg/kg. Dit is voortzetting van het gebiedspecifieke beleid van de eerdere Nota bodembeheer.
15/33
Kenmerk
R002-1273092EVF-V04-baw-NL
Voor het afleiden van deze Lokaal Maximale Waarden is in het verleden al een risicobeoordeling gedaan. Hieruit is gebleken dat er mogelijk ecologische risico’s zijn. Deze risico’s worden echter als aanvaardbaar beschouwd op basis van de volgende argumenten:
Het betreft van nature voorkomend arseen welke dus al in de bodem aanwezig is. Beargumenteerd kan worden dat er geen (negatieve) effecten op de ecologie zullen optreden, daar de totale hoeveelheid arseen niet toeneemt
Deze Lokale Maximale Waarde wordt alleen gehanteerd voor grondverzet binnen de arseenzone én zolang het arseen geen antropogene oorsprong kent. Vanwege de heterogene aard van de verontreiniging kan dit betekenen dat er lokaal een verslechtering van de kwaliteit optreedt. Dit wordt echter elders binnen de zone gecompenseerd door een verbetering
(‘stand-still’ principe) Er zijn geen humane risico’s te verwachten als gevolg van deze Lokale Maximale Waarde
In bijlage 8 is de risicobeoordeling van deze LMW uit de voorgaande Nota Bodembeheer opgenomen. Grondverzet naar andere zones is niet toegestaan op basis van de kwaliteitskaart. Eerst dient middels een partijkeuring vastgesteld te worden wat het arseengehalte in de grond is. Vervolgens kan beoordeeld worden of de grond voldoet aan de toepassingseis. De bodemkwaliteitskaart kan wel als bewijsmiddel worden gebruikt voor de stoffen uit het standaardpakket en PFAS. Voor het toepassen van grond binnen de arseenzones die niet afkomstig is uit de arseenzone geldt dat moet worden voldaan aan de generieke toepassingseis Landbouw/Natuur.
3.6
Wegbermen
Wegbermen kunnen verontreinigd raken het verkeer op de weg. De beïnvloeding vindt plaats via afspoeling van hemelwater en door depositie. Deze beïnvloeding vindt plaats zolang er verkeer over de weg rijdt en is daarmee (redelijk) constant. De wegbermen zijn een voorbeeld van diffuus belaste lintvormige gebieden. Door de beïnvloeding van de weg wordt in de wegbermen een andere kwaliteit verwacht, voornamelijk van de wegen met de hoogste verkeersintensiteit. Er wordt verschil gemaakt in de volgende wegen:
Provinciale wegen Gemeentelijke hoofdwegen
Overige gemeentelijke wegen
Rijkswegen
Overige gemeentelijke wegen niet als aparte zone opgenomen. Deze wegen vallen binnen de zone waarbinnen de weg gelegen is.
16/33
Kenmerk
R002-1273092EVF-V04-baw-NL
Bermen van de gemeentelijke en provinciale hoofdwegen zijn wel gezoneerd in deze kaart. De kwaliteit van de bermen is echter niet bepaald. De toepassingseis is bepaald aan de hand van de functie. Dit is gebiedspecifiek beleid. De toepassingseis is bepaald aan de hand van de functie. Dit is gebiedspecifiek beleid. Daar de kwaliteit van de bermen van de gemeentelijke hoofdwegen en provinciale wegen niet bepaald is, kan er op basis van de bodemkwaliteitskaart geen veiligheidsklasse conform CROW 400 vastgesteld worden. Hiervoor is aanvullende onderzoek benodigd. Rijkswegen vallen onder het bevoegd gezag van het Rijk en zijn daarmee per definitie uitgesloten van de kaart. De spoorwegen zijn om dezelfde reden uitgesloten. Voor de definitie van de berm wordt gebruik gemaakt van de definitie gegeven in het Besluit Bodemkwaliteit (artikel 63, lid 3). Hierin staat dat een berm maximaal 10 meter uit de weg ligt, tenzij de berm eerder wordt begrensd door een fysieke afscheiding. Deze definitie is ook te zien in onderstaand figuur4.
Figuur 3.1 Definitie van de bermen
Deze definitie is gebruikt om de bermenzone te construeren. Aanvullend zijn de volgende keuzes gemaakt: Trottoirs en fietspaden worden gezien als fysieke afscheiding
Inritten zijn opgenomen als onderdeel van de berm
Zowel de verharde berm als de onverharde berm is meegenomen
Opgemerkt wordt wel dat wegen over tijd kunnen veranderen. Hierdoor kan de opgestelde zone niet meer actueel zijn in de looptijd van deze kaart. De definitie zoals hier gegeven is leidend om te bepalen wat tot de wegberm behoort.
4
Bron: Factsheet omgaan met bermgrond bij (auto)snelwegen, via https://www.bodemplus.nl/onderwerpen/wetregelgeving/bbk/publicaties/factsheet-omgaan/
17/33
Kenmerk
3.7
R002-1273092EVF-V04-baw-NL
Waterfront Harderwijk
De wijk Waterfront wordt herontwikkeld, waarbij zoveel mogelijk met een gesloten grondbalans het bestaande bedrijventerrein wordt herontwikkeld tot woongebied. Om dit mogelijk te maken is gebiedspecifiek beleid ontwikkeld. Het gebiedspecifieke beleid voor Waterfront te Harderwijk is ongewijzigd gebleven ten opzichte van de vorige Nota Bodembeheer. De volgende regels gelden, tenzij er sprake is van een uitzondering (zie hoofdstuk 5) of van een verdachte locatie. Verdachte locaties zijn geen onderdeel van deze bodemkwaliteitskaart en de bijbehorende regels voor grondverzet. Eerst dient namelijk vastgesteld te worden of de kwaliteit op deze locatie afwijkend is of niet (zie paragraaf 2.4 voor uitgesloten locaties). Toepassing binnen Waterfront, afkomstig uit Waterfront De toepassingseis is voor grond van binnen de zone Waterfront is:
Klasse Wonen voor het gehele deelgebied met uitzondering van infrastructuur . Dit is ongeacht de ontvangende bodemkwaliteit en dus alleen gebaseerd op de functie van het gebied. Het is daarmee gebiedspecifiek beleid
Klasse Industrie ter plaatse van infrastructuur (wegen, parkeerplaatsen) mits op de toepassingslocatie vervolgens verharding wordt aangebracht. Dit is ongeacht de ontvangende bodemkwaliteit en dus alleen gebaseerd op de functie van het gebied. Het is daarmee gebiedspecifiek beleid
Via een milieuhygiënische verklaring conform Besluit bodemkwaliteit dient aangetoond te worden of aan de toepassingseis voldaan wordt en dat er geen asbest boven de hergebruiksnorm aanwezig is:
(In situ) partijkeuring conform BRL1000 en NEN 5707
De toepassingseis voor grond afkomstig van buiten Waterfront is Landbouw/Natuur.
3.8
Drielanden Harderwijk
Drielanden in Harderwijk is een gebied dat in eerdere kaarten is aangemerkt als arseengebied. Het gebied is in de afgelopen jaren grootschalig gesaneerd op arseen waardoor het niet wenselijk is dit gebied nog als arseengebied aan te merken. Dit zou namelijk grondverzet van arseenhoudende grond naar het gebied toe mogelijk maken en dit is gezien de uitgevoerde sanering niet wenselijk. Echter vanwege deze historie is het wel aannemelijk dat er in het gebied mogelijk nog locaties zijn met (sterk) verhoogde arseengehalten en is het gebied verdacht op arseen. De bodemkwaliteitskaart kan daardoor niet zondermeer als bewijsmiddel gebruikt worden om grond vanuit Drielanden te ontgraven en elders toe te passen. Eerst dient middels een bodemonderzoek vastgesteld te worden of er verhoogde arseengehalten voorkomen in de partij.
18/33
Kenmerk
R002-1273092EVF-V04-baw-NL
4 Voorschriften grondverzet 4.1
Inleiding
In dit hoofdstuk zijn de voorschriften opgenomen voor het grondverzet conform het Besluit bodemkwaliteit. De regels zijn hierbij onderverdeeld naar de 3 meest voorkomende handelingen bij grondverzet:
Graven (paragraaf 4.3)
Opslaan (paragraaf 4.4) Toepassen (paragraaf 4.5)
Het gebiedspecifieke beleid is toegelicht in hoofdstuk 3. Specifieke landelijke toepassingskaders zoals tijdelijke uitname en grootschalige bodemtoepassing zijn opgenomen in hoofdstuk 5. Overige aandachtspunten zijn opgenomen in paragraaf 4.6. Binnen afzienbare tijd treedt de Omgevingswet in werking. In bijlage 5 is een nadere toelichting hierover opgenomen met een inventarisatie van de beleidsveranderingen. Het huidige Besluit bodemkwaliteit is toegelicht in bijlage 1.
4.2
Basisregels
4.2.1
Vooronderzoek
De bodemkwaliteitskaart geeft de diffuse achtergrondkwaliteit van de bodem weer (zie hoofdstuk 2). Locaties waarvan bekend dat er bodemverontreiniging aanwezig is, zijn uitgesloten van de kaart. Logischerwijs kan de kaart dan niet gebruikt worden voor grondverzet of voor het bepalen van de veiligheidsklasse. Om te bepalen of de bodemkwaliteitskaart gebruikt kan worden voor een locatie dient de initiatiefnemer een vooronderzoek te laten uitvoeren conform de norm NEN 5725. In deze norm zijn sinds 2018 specifieke onderzoeksaanleidingen (met bijbehorende onderzoeksvragen) beschreven om de kaart te kunnen gebruiken als bewijsmiddel. Te weten:
Voor grondverzet: aanleiding F: Toetsing gebruik bodemkwaliteitskaart bij te ontgraven grond
en het toepassen van grond Voor bepaling van veiligheidsklasse: aanleiding G: Opstellen hypothese over bodemkwaliteit bij tijdelijke uitplaatsing en bij overig projectmatig grondverzet ten behoeve van het inschatten van arbeidshygiënische risico’s (zie hoofdstuk 5)
Het vooronderzoek voor het gebruik van de bodemkwaliteitskaart in het kader van grondverzet (aanleiding F) dient op onderstaande vragen een antwoord te geven: Vallen de werkzaamheden (graven/opslaan/toepassen) volledig binnen de afbakening van de bodemkwaliteitskaart (horizontaal en verticaal)?
Welke bodemkwaliteitsklasse is toegekend aan de bodem in de bodemkwaliteitskaart(en) en welke lagen zijn daarbij onderscheiden?
Is de bodem asbestverdacht?
19/33
Kenmerk
R002-1273092EVF-V04-baw-NL
Is het op basis van de activiteiten, ontgraving of ongewoon voorval aannemelijk dat de bodemkwaliteit ter plaatse is veranderd sinds het vaststellen of actualiseren van de bodemkwaliteitskaart?
Zijn er puntbronnen aanwezig of is ernstige bodemverontreiniging te verwachten binnen het ontgravingsprofiel? (locaties die op voorhand zijn uitgesloten, zijn opgenomen in paragraaf 2.3). Aandachtspunt hierbij is ook de bodemlaag rond de grondwaterstand die verdacht kan zijn op PFAS
Het kan voorkomen dat uit het vooronderzoek volgt dat de bodemkwaliteitskaart gebruikt kan worden, maar dat er tijdens de werkzaamheden afwijkingen worden aangetroffen van hetgeen dat het vooronderzoek heeft uitgewezen (bijvoorbeeld vanwege het waarnemen van oliegeur of aantreffen van bijmenging zoals puin en/of asbestplaatjes). In die gevallen vervalt de geldigheid van de bodemkwaliteitskaart en dient alsnog aanvullend onderzoek te worden uitgevoerd. 4.2.2
Zorgplicht
Onder alle omstandigheden moet bij het toepassen van grond en baggerspecie de wettelijke zorgplicht conform artikel 13 van de Wet bodembescherming (bodem) en artikel 7 van het Besluit bodemkwaliteit (toepassingen in oppervlaktewaterlichaam in beheer van gemeente) in acht worden genomen. Deze zorgplicht houdt in dat iedereen een verplichting heeft om verontreiniging te voorkomen of wanneer voorkomen niet mogelijk is, zoveel mogelijk te beperken. Deze zorgplicht geldt ook in de situaties dat er geen onderzoeksplicht en meldingsplicht is zoals bij tijdelijke uitname (paragraaf 5.2). Ondanks dat er geen onderzoeksgegevens zijn kan toch op basis van gebruik of zintuiglijke waarnemingen een vermoeden van bodemverontreiniging zijn.
4.3
Graven
Indien uit vooronderzoek (paragraaf 4.2.1) blijkt dat de bodemkwaliteitskaart gebruikt kan worden als bewijsmiddel kan van de kwaliteitsklassen worden uitgegaan zoals opgenomen in tabel 4.1 en aangegeven op de ontgravingskaart in bijlage 3. In het stroomschema in figuur 4.1 zijn de stappen weergeven voor het ontgraven van grond. Aandachtspunt bij het graven in de bodem is dat grond met verschillende kwaliteitsklassen niet vermengd mag raken. Indien bij het graven bijvoorbeeld grond vrijkomt met kwaliteitsklasse Wonen en AW, dan dient deze grond in alle gevallen gescheiden te worden opgeslagen, afgevoerd en toegepast. Het graven in sterk verontreinigde grond is niet geregeld binnen deze Nota. Hiervoor geldt een ander kader, namelijk het saneringskader binnen de Wet bodembescherming. Graven in de bodem gaat vaak gepaard met tijdelijke opslag (paragraaf 4.4), afvoer van grond voor hergebruik (binnen het projectgebied of elders, paragraaf 4.5) of afvoer naar een erkende verwerker.
20/33
Kenmerk
R002-1273092EVF-V04-baw-NL
Figuur 4.1 Stroomschema A voor graven in de bodem met uitzondering van sterk verontreinigde grond
Indien de bodemkwaliteitskaart niet gebruikt kan worden, omdat de bodemkwaliteit mogelijk afwijkt van hetgeen de kaart aangeeft, dan dient aanvullend onderzoek te worden uitgevoerd:
Een verkennend of nader onderzoek naar de aanwezigheid van toepasbare grond indien de grond niet elders wordt hergebruikt, maar binnen het kader van tijdelijke uitname (paragraaf 5.2) weer wordt hergebruikt of wordt afgevoerd naar een erkende verwerker
(bijvoorbeeld een grondbank) Partijkeuring (eventueel voorafgegaan door een verkennend of nader bodemonderzoek voor bepaling partijdefinitie) indien grond, buiten het kader voor tijdelijke uitname, wordt hergebruikt
21/33
Kenmerk
R002-1273092EVF-V04-baw-NL
Tabel 4.1a Kwaliteitsklassen bovengrond per zone (STP = standaardpakket) Zone 1 Buitengebied 2 Wonen 3 Bedrijven- en industrieterreinen 4 Arseengebieden 5 Gemeentelijke bermen 6 Provinciale bermen 7 Harderwijk: Centrum <1900 8 Harderwijk: Waterfront
Uitgesloten gebieden, zoals (voormalige)
Ontgravingsklasse Bovengrond
Toepassingseis Bovengrond
STP: AW
STP: AW
PFAS: AW
PFAS: AW
STP: Wonen
STP: Wonen
PFAS: AW
PFAS: AW
STP: AW
STP: AW
PFAS: AW
PFAS: AW
STP: AW met LMW voor arseen
STP: AW
PFAS: AW
PFAS: AW
STP: Uitgesloten
STP: Industrie
PFAS: AW
PFAS: Wonen/Industrie
STP: Uitgesloten
STP: Industrie
PFAS: AW
PFAS: Wonen/Industrie
STP: Uitgesloten
STP: Wonen
PFAS: AW
PFAS: AW
STP: Uitgesloten
STP: AW*
PFAS: AW
PFAS: AW
Uitgesloten
STP: AW
defensieterreinen
PFAS: AW
Tabel 4.1b Kwaliteitsklassen ondergrond per zone (STP = standaardpakket) Zone 1 Buitengebied 2 Wonen 3 Bedrijven- en industrieterreinen 4 Arseengebieden 6 Provinciale bermen
Ontgravingsklasse Ondergrond
Toepassingseis Ondergrond
STP: AW
STP: AW
PFAS: AW
PFAS: AW
STP: AW
STP: AW
PFAS: AW
PFAS: AW
STP: AW
STP: AW
PFAS: AW
PFAS: AW
STP: AW met LMW voor arseen
STP: AW
PFAS: AW
PFAS: AW
STP: Uitgesloten
STP: Industrie
PFAS: AW
PFAS: AW
7 Harderwijk: Centrum <1900
STP: Uitgesloten
STP: Uitgesloten
PFAS: AW
PFAS: AW
8 Harderwijk: Waterfront
STP: Uitgesloten
STP: AW*
PFAS: AW
PFAS: AW
Uitgesloten
STP: AW
Uitgesloten gebieden, zoals (voormalige) defensieterreinen
PFAS: AW
22/33
Kenmerk
R002-1273092EVF-V04-baw-NL
Melden Het graven in toepasbare grond (niet sterk verontreinigd) als werkzaamheid hoeft niet te worden gemeld bij het meldpunt bodemkwaliteit. Tijdelijke opslag of toepassing wel tenzij het opslag betreft in het kader van tijdelijke uitname (zie paragraaf 5.2).
4.4
Opslaan
Als grond na ontgraven niet direct wordt afgevoerd voor toepassing, dan kan de grond tijdelijk worden opgeslagen op de ontgravingslocatie of elders. Er zijn verschillende mogelijkheden om grond op te slaan. In het kader van deze Nota onderscheiden wij de volgende vormen van opslag:
Opslag bij tijdelijke uitname: gedurende de looptijd van de werkzaamheden, op of nabij de locatie van vrijkomen. Tijdelijk uitname is een specifiek landelijk kader dat is toegelicht in paragraaf 5.2. Hiervoor gelden geen kwaliteitseisen of meldingsplicht, maar wel de zorgplicht (paragraaf 4.2)
Kortdurende opslag: maximale duur van 6 maanden. Er gelden geen kwaliteitseisen, maar er is wel een meldingsplicht. Vanwege de zorgplicht dient minimaal een vooronderzoek te worden uitgevoerd naar de verwachte kwaliteit van de grond
Tijdelijke opslag op landbodem: maximaal 3 jaar. De kwaliteit van de grond in depot moet voldoen aan de kwaliteitsklasse van de ontvangende grond. Er wordt hiervoor dus niet getoetst aan de functie (geen dubbele toets, zie paragraaf 4.5). Als uit vooronderzoek blijkt dat de bodemkwaliteitskaart gebruikt kan worden als bewijsmiddel voor zowel de grond die opgeslagen wordt als voor de ontvangende grond, dan is er geen aanvullend onderzoek nodig. Deze tijdelijke opslag dient gemeld te worden bij het bevoegd gezag (zie hoofdstuk 6).
In de melding moet de voorziene duur van de opslag en de eindbestemming vermeld worden Weilanddepot: opslag van baggerspecie over aangrenzend perceel voor maximaal 3 jaar. Alleen baggerspecie die voldoet aan de normen voor verspreiding over aangrenzende percelen mag worden opgeslagen. De bodemkwaliteitskaart voorziet hier niet in zodat een ander bewijsmiddel nodig is, namelijk een waterbodemkwaliteitskaart of een waterbodemonderzoek. Deze tijdelijke opslag moet gemeld worden. In de melding moet de voorziene duur en de eindbestemming vermeld worden. De eindbestemming kan ook de locatie van tijdelijke opslag zijn
Per gemeenten kunnen er ook aanvullende specifieke regels gelden, bijvoorbeeld uit het bestemmingsplan of het omgevingsplan. Algemene regels Bij het opslaan van grond gelden een aantal standaardregels. Grond (ongeacht het bodemtype) van verschillende, niet aaneengesloten ontgravingen of locaties mag niet worden samengevoegd zonder erkenning van BRL9335. Er is al sprake van samenvoegen als de ‘tenen’ van 2 depots elkaar raken. Een nadere toelichting hierop is gegeven in de notitie ‘Geen grond samenvoegen zonder erkenning’ van de Inspectie Leefomgeving en Transport (IL&T) van januari 2019 (versie 2). Uit deze notitie is onderstaande afbeelding overgenomen waarin de juiste manier van gescheiden opslag te zien is (afbeelding 4.2).
23/33
Kenmerk
R002-1273092EVF-V04-baw-NL
Figuur 4.2 Gescheiden gronddepots (notitie IL&T)
Bewijsmiddel opslag Zowel voor de grond in depot als voor de locatie van de tijdelijke opslag kan gebruik worden gemaakt van de bodemkwaliteitskaarten. Voorwaarde hiervoor is dat uit vooronderzoek blijkt dat de kaart van toepassing is. Bij de melding (meldpunt bodemkwaliteit, zie hoofdstuk 6) moet ook de locatie van de opslag en de omvang van de opslag aangegeven te worden. Aangezien de waterbodem is uitgesloten, dient voor de tijdelijke opslag van baggerspecie een ander bewijsmiddel te worden gebruikt (waterbodemonderzoek conform NEN 5720 of waterbodemkwaliteitskaart). Opslaan binnen een inrichting Tijdelijke opslag van individuele partijen korter dan 3 jaar, die wel repeterend plaatsvindt op dezelfde locatie in een periode van meer dan 3 jaar wordt beschouwd als een bedrijfsmatige handeling. Dan gelden de regels van het Activiteitenbesluit of de Wabo en niet het Besluit Bodemkwaliteit. Of deze situatie een Wabo-vergunning milieu nodig heeft, volgt uit categorie 28 van bijlage I onderdeel C van het Besluit omgevingsrecht (Bor). Dit type opslag valt niet onder reikwijdte van deze Nota. In figuur 4.3 is in een stroomschema het proces van opslaan getoond.
24/33
Kenmerk
R002-1273092EVF-V04-baw-NL
Figuur 4.3 Stroomschema B voor opslaan van grond
4.5
Toepassen
Als uit vooronderzoek blijkt dat de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel kan worden gebruikt dan kan voor het toepassen van grond van de kwaliteitsklasse worden uitgegaan zoals die is aangegeven in de bodemkwaliteitskaart. Voor de kwaliteit van de toe te passen grond wordt de ontgravingskaart gebruikt (bijlage 2). Voor het bepalen of de toepassing mogelijk is op de voorgenomen locatie wordt de toepassingskaart gebruikt (bijlage 3). De toepassingskaart is gebaseerd op de zogenaamde dubbele toets waarbij de strengste klasse geldt: bodemfunctieklasse of bodemkwaliteitsklasse (zie bijlage 1, toelichting Besluit bodemkwaliteit). Het kan dus voorkomen dat op een locatie met een functie Industrie alleen grond mag worden toegepast met een klasse AW, omdat de kwaliteit van de ontvangende bodem ook AW is. In figuur 4.4 is het stroomschema voor toepassen getoond.
25/33
Kenmerk
R002-1273092EVF-V04-baw-NL
Figuur 4.4 Stroomschema C: Toepassen
26/33
Kenmerk
R002-1273092EVF-V04-baw-NL
De toepassingsmatrix is opgenomen in tabel 4.2. Tabel 4.2 Grondstromenmatrix BG = bovengrond (tot BG Buitengebied
BG Wonen
BG Bedrijven en industrie
BG Arseen
BG Bermen H-structuur
BG Bermen provincie
BG Harderwijk Centrum
BG Harderwijk Waterfront
OG Buitengebied
OG Wonen
OG Bedrijven en industrie
OG Arseen
0,5 m -mv)
Ontvangende bodem
BG Buitengebied
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
BG Wonen
Nee
Ja
Nee
Nee
Ja
Ja
Nee
Nee
Nee
Nee
Nee
Nee
BG Bedrijven en
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
BG Arseen
Nee
Nee
Nee
Ja
Nee
Nee
Nee
Nee
Nee
Nee
Nee
Ja
BG Bermen
Partijkeuring benodigd
OG = ondergrond (vanaf 0,5 m -mv)
Toe te passen grond
industrie
H-structuur BG Bermen
Partijkeuring benodigd
provincie BG Harderwijk
Partijkeuring benodigd
centrum BG Harderwijk
Partijkeuring benodigd
Waterfront OG Buitengebied
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
OG Wonen
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
OG Bedrijven en
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Ja
Nee
Nee
Nee
Ja
Nee
Nee
Nee
Nee
Nee
Nee
Nee
Ja
industrie OG Arseen
27/33
Kenmerk
R002-1273092EVF-V04-baw-NL
4.6
Aandachtspunten
4.6.1
Invasieve exoten
In het beheergebied van de regio Noord-Veluwe komt, net als elders in Nederland, de Japanse Duizendknoop voor. Deze plant is een zogenaamde invasieve exoot. Dat wil zeggen dat de plant hier van nature niet voorkomt, maar door de mens is geïntroduceerd. De Japanse Duizendknoop verspreidt zich makkelijk en is moeilijk te bestrijden. De plant kan veel schade aanrichten aan bijvoorbeeld infrastructurele werken en is ook slecht voor de biodiversiteit. Het is dan ook onwenselijk dat de plant zich door grondverzet verspreidt. Verder is er recent (14 juli 2021) een handelsverbod op Aziatische duizendknopen, waaronder de Japanse Duizendknoop. Dit verbod gaat in op 1 januari 2022 en is ook van toepassing op handel in grond en bagger met daarin plantenresten van deze duizendknopen. Bij grondverzet dient dan ook te worden geverifieerd of de Japanse Duizendknoop, Sachalinse Duizendknoop en de Bastaardduizenknoop voorkomt op locatie. Aangezien de locaties van voorkomen van gedurende de tijd snel kan veranderen, is er geen kaart opgenomen in deze Nota. Via www.waarneming.nl kan het voorkomen van de Japanse Duizendknoop (en andere soorten) worden gecheckt. De kaart op deze site is niet volledig maar geeft een goede indicatie. 4.6.2
Overige aandachtspunten
Overige aandachtspunten, die buiten de scope van deze Nota vallen, maar waarover afstemming plaats moet vinden met de gemeenten in de regio Noord-Veluwe zijn: Niet-gesprongen explosieven (NGE)
Archeologische waarden
Ecologische waarden
5 Landelijke specifieke kaders 5.1
Inleiding
Voor alle werkzaamheden rond grondverzet is er een landelijk generiek kader opgesteld. In een aantal situaties kan gebruik worden gemaakt van een specifiek landelijk kader (zie paragraaf 5.2 tot en met 5.4). Verder is gebleken dat het opslaan van grond sterkere regulering vraagt om ongewenst samenvoegen te voorkomen (paragraaf 5.5). Op basis van een vastgestelde bodemkwaliteitskaart mogen ook de veiligheidsklassen conform de CROW 400 worden bepaald (paragraaf 5.6).
28/33
Kenmerk
5.2
R002-1273092EVF-V04-baw-NL
Tijdelijke uitname
Het Besluit bodemkwaliteit stelt geen extra verplichtingen aan de tijdelijke uitname van grond en baggerspecie. Dit is dus toegestaan zonder kwaliteitsbepaling, toetsing aan de functie en melding. De gedachte bij deze uitzondering is dat in deze situaties weinig tot niets verandert aan de milieubelasting op een bepaalde locatie. De voorwaarde hierbij is dat de grond of baggerspecie niet bewerkt wordt en op of nabij dezelfde plaats en onder dezelfde condities opnieuw in dezelfde toepassing wordt teruggebracht. Hierbij kan gedacht worden aan grondverzet ten behoeve van de aanleg van kabels en leidingen of de aanleg van een fietspad, waarbij de vrijkomende grond wordt gebruikt in de naastliggende berm. Het hergebruik na tijdelijke uitname kent interpretatieruimte. Het is goed om in geval van twijfel, voorafgaand aan de uitvoering, deze interpretatieruimte te verkennen bij het bevoegd gezag, de gemeenten in de regio Noord-Veluwe. Op de tijdelijke uitname van grond is de zorgplicht altijd van toepassing (zie paragraaf 4.2.2).
5.3
Grootschalige bodemtoepassing (GBT)
Voor grootschalige toepassingen van grond en baggerspecie is in het Besluit bodemkwaliteit een apart toetsingskader opgesteld. Wij spreken van een grootschalige toepassing als er meer dan 5.000 m3 grond of baggerspecie wordt toegepast met een dikte van meer dan 2 meter. Er zijn uitzonderingen op deze omvangseis en de toepassingsmogelijkheden (zie artikel 63 van het Besluit bodemkwaliteit). De toe te passen grond of baggerspecie kan zowel beneden als boven het maaiveld worden aangebracht, maar is niet bedoeld voor het ophogen van een perceel. Een voorbeeld van een grootschalige bodemtoepassing is het aanleggen van een geluidswal. In een grootschalige bodemtoepassing mag grond of baggerspecie worden toegepast met de kwaliteit klasse Industrie. De kwaliteit en functie van de ontvangende bodem is daarbij niet van belang. Deze optie maakt het mogelijk om grond of baggerspecie toe te passen op een ontvangende bodem die schoner is dan de toe te passen grond of baggerspecie. Om te borgen dat de ontvangende bodem niet negatief beïnvloed wordt, moet wel getoetst worden of er emissie (uitloging) plaats kan vinden. De normen hiervoor zijn opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit. Verder dient er een leeflaag aangebracht te worden van minstens 0,5 meter dik. De kwaliteit van de leeflaag moet wel voldoen aan de toepassingseis van de locatie.
Daarvoor wordt dus wel rekening gehouden met de kwaliteit en functie van de ontvangende bodem. De leeflaag mag ook bestaan uit een laag bouwstoffen en hoeft dan geen 0,5 meter dik te zijn.
29/33
Kenmerk
5.3.1
R002-1273092EVF-V04-baw-NL
Beleidsverruiming GBT natuurlijk voorkomend arseen in Harderwijk
De gemeente Harderwijk heeft 20 december 2018 een aanpassing op Nota bodembeheer vastgesteld waarbij, onder de volgende voorwaarden, het toepassen van grond met verhoogde arseengehalten is toegestaan tot maximaal de helft van de humane risicowaarde:
Wanneer het gemiddelde arseengehalte van de onderzochte partij de Sanscrit-waarde van 215 mg/kg.ds (standaardbodem) overtreft, is toepassing van de partij niet toegestaan en zal deze naar een erkend verwerker moeten worden afgevoerd
Wanneer het gemiddelde arseengehalte onder de Sanscrit-waarde blijft (< 215 mg/kg.ds), dan mag de toepassing plaatsvinden, mits voldaan wordt aan de (humane) risicowaarde. Toepassing van deze grond mag alleen in een grootschalige bodemtoepassing. Hierbij gelden de voorschriften uit het besluit bodemkwaliteit met betrekking tot minimale partijgrootte, toepassingshoogte en het aanbrengen van een leeflaag