CConstaterende datPutten
Koppel je AI →
Document · PDF

Natuurtoets

Gemeenteraad 28 november 2024, gemeente PuttenBij agendapunt: Voorkeurstracé zuidelijke ontsluitingsweg10.654 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

1 alinea's met “opening”: 289

Natuurtoets en alternatievenstudie zuidelijke ontsluitingsweg Putten Toetsing aan de Omgevingswet voor het uitvoeren van flora- en fauna-activiteiten 30 april 2024

Kenmerk

R001-1294853VSX-V02

Verantwoording Titel

Natuurtoets en alternatievenstudie zuidelijke ontsluitingsweg Putten

Opdrachtgever

Gemeente Putten

Projectleider Auteur Kwaliteitscontrole Uitvoering inspectiewerk Kenmerk

R001-1294853VSX

Aantal pagina’s

37

Datum

30 april 2024

Handtekening

Ontbreekt in verband met digitale verwerking. Dit rapport is aantoonbaar vrijgegeven.

Colofon TAUW bv Handelskade 37 Postbus 133 7400 AC Deventer T +31 57 06 99 91 1 E info.deventer@tauw.com

2/37

Kenmerk

R001-1294853VSX-

Inhoud 1

Inleiding ..................................................................................................................................... 5 1.1

Doel .................................................................................................................................... 5

1.2

Wettelijk kader .................................................................................................................... 5

1.3

Hoe is de natuur in Nederland beschermd? ....................................................................... 6

1.3.1

Natura 2000-gebieden ................................................................................................ 6

1.3.2

Provinciaal beschermde gebieden .............................................................................. 7

1.3.3

Houtopstanden ............................................................................................................ 7

1.3.4

Beschermde soorten ................................................................................................... 7

1.4 2

3

Kwaliteit .............................................................................................................................. 8

Huidige situatie, beoogde ontwikkeling en uitgangspunten....................................................... 8 2.1

Huidige situatie ................................................................................................................... 8

2.2

Beoogde ontwikkeling ........................................................................................................ 9

2.3

Uitgangspunten werkzaamheden en toetsing .................................................................. 12

Soortenbescherming ............................................................................................................... 12 3.1

Beschermingsregime en bepalingen ................................................................................ 12

3.2

Vrijstellingen ..................................................................................................................... 13

3.3

Algemene zorgplicht en specifieke zorgplicht .................................................................. 14

3.4

Werkwijze ......................................................................................................................... 15

3.5

Te toetsen soorten ........................................................................................................... 15

3.5.1 3.6

Mogelijk aanwezige soorten op basis van literatuuronderzoek ................................. 15

Toetsing beschermde soorten .......................................................................................... 16

3.6.1

Flora .......................................................................................................................... 16

3.6.2

Grondgebonden zoogdieren ..................................................................................... 17

3.6.3

Vleermuizen .............................................................................................................. 18

3.6.4

Vogels ....................................................................................................................... 21

3.6.5

Amfibieën .................................................................................................................. 24

3.6.6

Reptielen ................................................................................................................... 25

3.6.7

Vissen ....................................................................................................................... 25

3.6.8

Vlinders ..................................................................................................................... 25

3.6.9

Libellen ...................................................................................................................... 26

3/37

Kenmerk

R001-1294853VSX-V02-

3.6.10

4

3.7

Overzichtstabel verwachting beschermde soorten per locatie ......................................... 27

3.8

Verwachtingskaart en -berekening ................................................................................... 30

3.9

Vervolgstappen ................................................................................................................ 33

Conclusies en aanbevelingen.................................................................................................. 34 4.1

Aanleiding en doel ............................................................................................................ 34

4.2

Relevante natuurwet- en regelgeving .............................................................................. 35

4.3

Conclusies toetsing .......................................................................................................... 35

4.3.1

Omgevingswet .......................................................................................................... 35

4.3.2

Provinciaal beschermde gebieden ............................................................................ 36

4.4 5

Overige ongewervelden......................................................................................... 27

Consequenties planvorming en uitvoering ....................................................................... 36

Literatuur ................................................................................................................................. 37

Bijlage 1

Potentiekaart op groot formaat

4/37

Kenmerk

R001-1294853VSX-

1 Inleiding Dit hoofdstuk beschrijft het doel van de toetsing, de relevante natuurwetgeving, de wijze van kwaliteitsborging en de bij de toetsing gehanteerde uitgangspunten.

1.1

Doel

In opdracht van gemeente Putten heeft TAUW onderzoek gedaan naar de consequenties van de geldende natuurwet- en regelgeving voor aanleggen van een zuidelijke ontsluitingsweg in Putten. De ontwikkeling kan alleen doorgaan als deze niet in strijd is met de natuurwetgeving, of als de benodigde omgevingsvergunningen worden verleend. Deze rapportage bevat ook een alternatievenstudie, die gebruikt kan worden om de weg te realiseren op een plek waar zo min mogelijk effecten op beschermde soorten optreden. Ook zijn belangrijke landschapselementen in kaart gebracht, die bij die keuze relevant zijn. Vaak zijn deze landschapselementen ook relevant voor mogelijk aanwezige beschermde soorten. In deze rapportage volgt het antwoord op de volgende vragen:   

Hoe is de natuur in Nederland beschermd? In hoeverre kan de beoogde ontwikkeling gevolgen hebben voor beschermde natuur? In welke delen van het zoekgebied worden beschermde soorten verwacht?

  

In welke delen van het zoekgebied zijn belangrijke landschapselementen aanwezig? Zijn maatregelen en/of een omgevingsvergunning nodig? Wat betekent dit voor de verdere planvorming en uitvoering?

Deze rapportage betreft een globale inventarisatie van waar beschermde natuur aanwezig kan zijn. Deze input kan gebruikt worden om een goed afgewogen beslissing te maken waar de ontsluitingsweg moet komen. Wanneer de exacte locatie is vastgesteld is een nieuwe natuurtoets nodig, die tot in detail beschrijft naar welke soortgroepen onderzoek nodig is.

1.2

Wettelijk kader

De Omgevingswet beschermt bijzondere natuurgebieden (met name Natura 2000-gebieden), planten- en diersoorten en houtopstanden. De bescherming is geregeld in de Omgevingswet zelf (hierna: ‘Ow’) en/of in één van de vier uitvoeringsbesluiten. Die uitvoeringsbesluiten zijn:  Besluit activiteiten leefomgeving (hierna: ‘Bal’)  Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: ‘Bkl’)  

Besluit bouwwerken leefomgeving Omgevingsbesluit

In deze natuurtoets wordt waar relevant verwezen naar de artikelnummers in de wet of de uitvoeringsbesluiten. Het beschermingsregime gaat uit van het ‘nee, tenzij-principe’. Dit betekent dat plannen of projecten geen schade mogen toebrengen aan natuurgebieden, beschermde planten en dieren of houtopstanden tenzij daarvoor onder voorwaarden toestemming is verleend in de vorm van een omgevingsvergunning. Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland is het bevoegd gezag voor het verlenen van toestemming door middel van een omgevingsvergunning of kan hiervoor een bindend advies geven.

5/37

Kenmerk

R001-1294853VSX-V02-

Provinciale Staten van de provincie Gelderland kunnen in de omgevingsverordening bepalen dat voor bepaalde beschermde soorten een vrijstelling van verbodsbepalingen geldt. Naast de Omgevingswet gelden door de provincie in de omgevingsverordening vastgelegde (aanvullende) beschermingsregels voor natuurgebieden die deel uitmaken van provinciaal beschermde gebieden zoals het Natuurnetwerk Nederland (hierna: ‘NNN’).

1.3

Hoe is de natuur in Nederland beschermd?

1.3.1

Natura 2000-gebieden

In Nederland zijn ruim 160 gebieden aangewezen als Natura 2000-gebied, gebieden met in Europees opzicht belangrijke natuurwaarden. De hierbij relevante Europese richtlijnen zijn de Vogelrichtlijn (1979) en de Habitatrichtlijn (1992). De verplichting om gebieden aan te wijzen is vastgelegd in artikel 2.31a, lid 1 van de Ow. De aanwijzing van Natura 2000-gebieden is een bevoegdheid van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV; artikel 2.44 van de Ow). De afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Veluwe is circa 500 m. Verstoringsfactoren zoals geluid, licht en optische verstoring tijdens de aanlegfase en gebruiksfase zorgen vanwege de afstand van de werkzaamheden tot de Veluwe met zekerheid niet tot negatieve effecten in Natura 2000-gebieden. Door de aanleg van de zuidelijke ontsluitingsweg veranderen de lokale verkeersstromen. Zowel in positieve als negatieve zin, vanuit ecologisch perspectief. Omdat een toename aan wegverkeer en het nemen van andere routes door wegverkeer kan leiden tot meer stikstofuitstoot en stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen van Natura 2000-gebieden (op circa 500 m afstand) is dit een relevant aspect om te beoordelen. Negatieve effecten door stikstofdepositie als gevolg van de aanleg- en gebruiksfase op voor stikstof gevoelige habitattypen kunnen niet met zekerheid worden uitgesloten.

Hiervoor is een toetsing met AERIUS-Calculator noodzakelijk. Een toetsing met AERIUS-calculator en een beoordeling van stikstofdepositie op Natura 2000gebieden is geen onderdeel van deze rapportage. Evenals een alternatievenafweging op basis van dit onderwerp. Indien te verwachten verandering in verkeersstromen in beeld zijn gebracht kan middels AERIUS-calculator de verschillen in stikstofdepositie voor verschillende varianten bepaald worden.

6/37

Kenmerk

1.3.2

R001-1294853VSX

Provinciaal beschermde gebieden

Veel natuurgebieden in Nederland zijn beschermd als het NNN, een netwerk van bestaande en nieuw in te richten natuurgebieden door heel Nederland. De meeste Natura 2000-gebieden maken ook deel uit van het NNN. De begrenzing van het NNN is, behalve in Rijkswateren, een bevoegdheid van Gedeputeerde Staten van de provincies, vast te leggen in de omgevingsverordening (artikel 2.44, lid 4 van de Ow). Ook worden daarin regels gesteld met als doel ‘de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland’ (artikel 7.8 van het Bkl). Het zoekgebied maakt geen deel uit van het NNN. Een onderzoek naar de mogelijke effecten van dit project op het NNN is niet verplicht omdat in de provincie Gelderland de mogelijke gevolgen van ontwikkelingen die buiten het NNN plaatsvinden niet onderzocht moeten worden (externe werking). In de provincie Gelderland zijn naast het NNN ook andere natuurgebieden aangeduid en beschermd als Weidevogelgebieden, Ganzenrustgebieden en Natte landnatuur. Het zoekgebied maakt geen deel uit van deze gebieden. Een toetsing van effecten op deze gebieden is daarom niet nodig. 1.3.3 Houtopstanden Bomenrijen langer dan 20 bomen en houtopstanden groter dan 10 are (0,1 ha) zijn beschermd, met enkele uitzonderingen (artikel 11.111 van het Bal).

De bescherming heeft als doel het totale bosoppervlak in Nederland ten minste te behouden. De bescherming onder de Omgevingswet is alleen van toepassing als er bomen gekapt worden buiten de bebouwingscontour houtopstanden. Deze contour is door de gemeente Putten vastgesteld in de kaart ‘bebouwde kom Natuurwet’. Het zoekgebied valt buiten de bebouwingscontour houtopstanden. Eventuele effecten op beschermde houtopstanden zijn relevant, omdat mogelijk bomen worden gekapt. Wanneer de exacte locatie van de weg bepaald wordt, dan kan bepaald worden of het kappen van bomen noodzakelijk is en of een omgevingsvergunning voor het kappen bij de provincie als bevoegd gezag moet worden aangevraagd. 1.3.4 Beschermde soorten Diverse planten- en diersoorten zijn beschermd, wat betekent dat negatieve effecten zoveel mogelijk voorkomen moeten worden. Onderscheid wordt gemaakt in Europeesrechtelijk beschermde soorten en soorten die in nationaal opzicht (artikel 11.54 Bal inclusief bijlage IX met een lijst van soorten) beschermd worden. Bij Europeesrechtelijk beschermde soorten wordt onderscheid gemaakt in vogels (artikel 11.37 van het Bal) en andere soorten (artikel 11.46 van het Bal). Vanwege het mogelijk voorkomen van (beschermde) flora en fauna in en nabij het zoekgebied is onderzoek naar de mogelijke gevolgen voor beschermde soorten noodzakelijk.

7/37

Kenmerk

1.4

R001-1294853VSX-V02-

Kwaliteit

Door inzet van deskundige ecologen en landelijk geaccepteerde onderzoeksmethodes wordt de kwaliteit van deze natuurtoets zoveel mogelijk gewaarborgd. Mede daarom is TAUW aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus, een samenwerkingsverband van adviesbureaus die (ook) ecologisch advies geven en ecologisch onderzoek verrichten. Ondanks de inzet van deskundigen kan geen volledige zekerheid worden gegeven over de aan- of afwezigheid van beschermde soorten. Dat komt doordat sommige beschermde soorten een hele lage trefkans hebben, soms in heel kleine aantallen voorkomen en in sommige jaren zelfs helemaal afwezig kunnen zijn.

2 Huidige situatie, beoogde ontwikkeling en uitgangspunten Dit hoofdstuk beschrijft de huidige situatie, het voorgenomen plan en de uit te voeren werkzaamheden.

2.1

Huidige situatie

Figuur 2.1 toont de ligging van het zoekgebied voor de zuidelijke ontsluitingsweg ten zuiden van Putten. Het gaat om een zoekgebied dat een groot deel van het agrarisch gebied beslaat. Binnen dit gebied zijn meerdere bouwwerken zoals woonhuizen en agrarische opstallen aanwezig. De agrarische percelen betreffen voornamelijk weilanden met enkele maïsakkers. Het westelijke deel van het zoekgebied heeft een vrij open karakter en bevat weinig opgaand groen. Het oostelijk deel bevat landgoederen met veel bomen en deels oud bos. Verspreid zijn lijnvormige structuren zoals houtwallen en sloten aanwezig. Dwars door het westelijke en centrale deel van het zoekgebied loopt een hoogspanningsleiding.

8/37

Kenmerk

R001-1294853VSX-

Figuur 2.1 Ligging van het zoekgebied (globaal begrensd)

2.2

Beoogde ontwikkeling

Door de raad van de gemeente Putten is vastgesteld dat binnen het zoekgebied een ontsluitingsweg moet komen om het verkeer in en ten zuiden van Putten beter te ontsluiten. Omdat op moment van schrijven de beoogde ontwikkeling nog in een vroeg stadium zit, zijn er nog geen exacte inrichtingsplannen bekend. Wel is bekend dat het een 80 kilometer-weg moet worden met twee rijstroken (één voor elke rijrichting). De breedte van de weg komt dan inclusief wegbermen uit op circa 20 m. De lengte is afhankelijk van de nog te kiezen locatie, maar zal naar verwachting circa 3 tot 4 km bedragen. De nieuwe ontsluitingsweg zal aansluiten op de rotonde op de N798 in het noodwesten van het zoekgebied, en verloopt dan in zuidelijke richting. Hierbij passeert de toekomstige weg de Hooiweg en zal ten zuiden hiervan afbuigen in oostelijke en/of zuidoostelijke richting. In het oosten sluit de nieuwe weg aan op de N303. Figuur 2.2 tot en met 2.4 geven een sfeerimpressie van het gebied.

9/37

Kenmerk

R001-1294853VSX-

Figuur 2.2 Sfeerimpressie van het zoekgebied, noordwestelijk deel richting de rotonde op de N798

10/37

Kenmerk

R001-1294853VSX-

Figuur 2.3 Sfeerimpressie van het zoekgebied, in het centrale deel van het zoekgebied

Figuur 2.4 Sfeerimpressie van een van de landgoederen in het oostelijk deel van het zoekgebied (bron: Cyclomedia Streetsmart)

11/37

Kenmerk

2.3

R001-1294853VSX-

Uitgangspunten werkzaamheden en toetsing

De volgende uitgangspunten zijn gehanteerd bij het onderzoek naar effecten op beschermde soorten:  Voor deze toetsing wordt uitgegaan van een worst-case scenario, waarbij alle potentieel 

aanwezige soorten getroffen worden door de beoogde ontwikkeling Afhankelijk van waar de ontsluitingsweg komt te liggen is ook sloop van woningen en het bouwrijp maken van erven relevant. Deze zijn daarom ook meegenomen in deze toetsing

De toetsing betreft een globale inventarisatie naar het mogelijk voorkomen van beschermde soorten. Een eventueel vervolgonderzoek dient definitief uitsluitsel te geven of de potentieel aanwezige beschermde soorten daadwerkelijk aanwezig zijn

Wanneer de exacte ligging van de ontsluitingsweg definitief is vastgesteld is een nieuwe natuurtoets (waarschijnlijk gevolgd door soortgericht onderzoek) nodig waarbij tot in detail bekeken wordt waar beschermde soorten kunnen voorkomen

3 Soortenbescherming Dit hoofdstuk beschrijft of het voorgenomen plan of project negatieve effecten heeft op beschermde flora en fauna en of vervolgstappen nodig zijn.

3.1

Beschermingsregime en bepalingen

De Omgevingswet beschermt in het wild levende dier- en plantensoorten. Het gaat onder meer om soorten die in Nederland, maar soms ook in Europa in hun voortbestaan worden bedreigd. Er worden drie beschermingsregimes onderscheiden:  Vogels: Het gaat hier om alle inheemse vogels in hun natuurlijke verspreidingsgebied.

Wettelijk kader: artikel 11.37 van het Bal. Ze zijn Europees beschermd via de Vogelrichtlijn (1979) Dieren en planten: Het gaat hier om inheemse dieren en planten, die Europees beschermd

zijn door de Habitatrichtlijn (1992) en/of de verdragen van Bern en Bonn (1979). Wettelijk kader: artikel 11.46 van het Bal Nationaal beschermde soorten: Het gaat hier om soorten die niet onder de reikwijdte van de Vogel- of Habitatrichtlijn of de verdragen van Bern en Bonn vallen. Wettelijk kader: artikel 11.54 van het Bal. Deze soorten zijn wel nationaal beschermd

Per beschermingsregime geldt een verbodsbepaling. Tabel 3.1 geeft een samenvatting van de verbodspalingen. Ze voorzien in de bescherming van verblijfplaatsen en de bescherming tegen verstorende invloeden. Gedeputeerde Staten van provincie Gelderland kan een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit verlenen waarmee het bevoegd gezag ondanks die verbodsbepalingen tóch toestemming geeft voor een bepaald project. Dit kan alleen wanneer er sprake is van een geldend wettelijk belang, er geen reële alternatieven zijn en er geen effect is op de staat van instandhouding van beschermde soorten. Wettelijk kader bij de verlening van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit is het Bkl, en dan in het bijzonder de artikelen 8.74j, 8.74k en 8.74l voor respectievelijk vogels, andere Europeesrechtelijk beschermde soorten en nationaal beschermde soorten.

12/37

Kenmerk

3.2

R001-1294853VSX

Vrijstellingen

In bijlage IX bij het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) is ook een aantal in Nederland algemene soorten amfibieën en zoogdieren vermeld die landelijk beschermd zijn. Het wettelijk kader is artikel 11.54 Bal. Voorbeelden van zulke soorten zijn gewone pad, bruine kikker en konijn. Provinciale Staten van de provincie Gelderland heeft bij verordening deze soorten ‘vrijgesteld’. Dit betekent dat voor deze soorten geen omgevingsvergunning nodig is voor werken gericht op ruimtelijke inrichting en ontwikkeling en beheer en onderhoud. Wel geldt ook voor deze soorten de zorgplicht (zie paragraaf 3.3). Vrijgestelde soorten zijn niet meegenomen in deze natuurtoets. Tabel 3.1 Verbodsbepalingen soortenbescherming. VR = Vogelrichtlijn, HR = Habitatrichtlijn. Cijfers verwijzen naar de wetsartikelen in het Bal Beschermingsregime

Vogels - VR

Dieren –

Planten –

Dieren -

Planten -

HR/Bonn/Bern

HR/Bonn/Bern

nationaal

nationaal

Verbodsbepaling Dieren of planten: Doden of vangen

11.37.1.a

11.46.1 a

Storen/verstoren

11.37.1.d

11.46.1 b

11.54.1.a

(tenzij 11.37.3) Plukken, verzamelen,

11.46.1.e

11.54.1.c

afsnijden, ontwortelen of vernielen Onder zich hebben of

11.39.1

11.47.1.b

11.47.1.b

vervoeren Nesten, voortplantingsplaatsen, rustplaatsen: Vernielen, beschadigen

11.37.1.b

of wegnemen nesten Beschadigen of vernielen

11.37.1.b

11.46.1.d

11.54.1.b

11.37.1.b

11.46.1.c

11.54.1.c

Rapen

11.37.1.c

11.46.1.c

Onder zich hebben

11.37.1.c

rustplaatsen (alleen HR en nationaal: of (vaste) voortplantingsplaatsen) Eieren: Vernielen (alleen VR en nationaal: of beschadigen)

13/37

Kenmerk

3.3

R001-1294853VSX

Algemene zorgplicht en specifieke zorgplicht

Voor alle activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor planten- en diersoorten geldt zowel een ‘algemene zorgplicht’ als een ‘specifieke zorgplicht’. De algemene zorgplicht (artikelen 1.6 – 1.7a Ow) houdt in dat eenieder ‘voldoende zorg’ draagt voor de fysieke leefomgeving (artikel 1.6 Ow) en dat activiteiten waarvan men kan weten dat die schadelijk zijn voor de fysieke leefomgeving achterwege worden gelaten of dat mogelijke gevolgen daarvan tot een minimum beperkt worden (artikel 1.7 Ow). De ‘specifieke zorgplicht’ is aanvullend op de ‘algemene zorgplicht’. Deze is voor wat betreft floraen fauna-activiteiten1 wettelijk vastgelegd in artikel 11.27 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Een ‘flora- en fauna-activiteit’ is een ‘activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten’. Het onderzoek dat ter voorbereiding van een flora- en fauna-activiteit gedaan moet worden en de voorwaarden waaraan zo’n activiteit in elk geval moet voldoen zijn aangegeven in lid 2 van artikel 11.27 van het Bal. De specifieke zorgplicht geldt voor alle soorten, dus ook voor bedreigde soorten die niet in een van de lijsten van beschermde soorten vermeld worden en die dus niet expliciet beschermd worden. Het betreft in elk geval de volgende soorten en hun leefgebieden of natuurlijke habitats:  

In het wild voorkomende vogelsoorten In het wild levende planten- en diersoorten die vermeld zijn in de bijlagen II, IV of V van de Europese Habitatrichtlijn

 

Nationaal beschermde planten- en diersoorten (bijlage IX Bal) Bedreigde soorten planten en dieren die zijn vermeld in rode lijsten2

Vaak zal het maken en volgen van een ecologisch werkprotocol afdoende zijn om schade aan planten en dieren te voorkomen of te minimaliseren en daarmee te voldoen aan beide zorgplichten. Voor Natura 2000-activiteiten en voor houtopstanden gelden ook specifieke zorgplichten. Deze zijn vastgelegd in artikel 11.6 van het Bal voor Natura 2000-activiteiten en artikel 11.116 van het Bal voor houtopstanden. In deze rapportage wordt verder niet ingegaan op soorten die vallen onder de zorgplicht. De soorten (zoals Rode lijstsoorten) liften in dit geval mee op de potentie-inschatting die wordt gedaan voor beschermde soorten. Daar waar een hoge potentie is van beschermde soorten, worden ook meer Rode lijstsoorten en overige algemene soorten verwacht.

1 2

Begrippenlijst in de bijlage bij artikel 1.1 Ow Wettelijk kader: artikel 2.19, vijfde lid, onder a, onder 3˚ Ow

14/37

Kenmerk

3.4

R001-1294853VSX

Werkwijze

De mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten is bepaald aan de hand van de volgende gegevens:  Regionale en landelijke verspreidingsatlassen en -data  

Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) Eerder uitgevoerd ecologisch onderzoek voor de ontwikkeling van Halvinkhuizen (TAUW, 2022)

  

Informatie vanuit Stichting voor Natuur- en Milieubescherming te Putten De Ecoviewer van TAUW Een oriënterend veldbezoek op 20 februari 2024. Tijdens het oriënterende veldbezoek is gecontroleerd of de locatie voldoet aan eisen die soorten aan hun leefomgeving stellen. Ook is gekeken naar de aanwezigheid van (sporen van) beschermde soorten

In paragraaf 3.5 en 3.6 is in algemene zin het mogelijk voorkomen van beschermde soorten in het zoekgebied beschreven. Deze beoordeling is voornamelijk gemaakt op basis van het aanwezige habitat en reeds bekende verspreidingsgegevens. Dat het voorkomen van een soort in deze natuurtoets niet wordt uitgesloten, betekent niet dat soorten daadwerkelijk voorkomen binnen het zoekgebied van de ontsluitingsweg. Dit dient tijdens een vervolgonderzoek definitief te worden vastgesteld. In paragraaf 3.7 is vervolgens een uitgebreide tabel opgenomen voor welke adressen en percelen beschermde soorten niet zijn uitgesloten en welke soorten worden verwacht. In paragraaf 3.8 wordt vervolgens middels een berekening verschillende categorieën gemaakt. De categorieën zijn opgedeeld in 4 stuks, waarbij onderscheid is gemaakt tussen geen verwachting, een lage verwachting, gemiddelde verwachting en hoge verwachting voor aanwezigheid van beschermde soorten. Vervolgens zijn de verwachtingen per locatie op kaart weergegeven, waardoor een soort verwachtingskaart als ontstaat. Aan de hand van de verwachtingskaart kan een afweging gemaakt worden waar de minste effecten op beschermde soorten te verwachten zijn.

3.5

Te toetsen soorten

3.5.1 Mogelijk aanwezige soorten op basis van literatuuronderzoek Tabel 3.2 geeft een overzicht van alle beschermde soorten die op basis van verspreidingsgegevens mogelijk in (de omgeving van) het zoekgebied voorkomen.

15/37

Kenmerk

R001-1294853VSX-

Tabel 3.2 Beschermde soorten die op basis van verspreidingsgegevens mogelijk in (de omgeving van) het zoekgebied voorkomen Soortgroep

Mogelijk aanwezige beschermde soorten

Flora

Akkerogentroost

Grondgebonden zoogdieren

Boommarter, steenmarter, das, bunzing, hermelijn, wezel, edelhert, damhert, eekhoorn, wild zwijn en wolf

Vleermuizen

Gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger, bosvleermuis, rosse vleermuis, gewone grootoorvleermuis, tweekleurige vleermuis, baardvleermuis, franjestaart, watervleermuis, meervleermuis

Vogels - jaarrond beschermde nesten

Buizerd, wespendief, havik, sperwer, slechtvalk, boomvalk, kerkuil, steenuil, ransuil, ooievaar, roek, gierzwaluw, huismus

Vogels - jaarrond beschermd:

Boerenzwaluw, bonte vliegenvanger, boomklever, boomkruiper, bosuil,

afhankelijk van ecologische factoren

ekster, gekraagde roodstaart, glanskop, grauwe vliegenvanger, groene specht, grote bonte specht, huiszwaluw, ijsvogel, kleine bonte specht, koolmees, pimpelmees, raaf, spreeuw, torenvalk, zwarte kraai, zwarte mees, zwarte roodstaart en zwarte specht

Vogels – in gebruik zijnde nesten

Soorten zoals merel en houtduif

Amfibieën

Alpenwatersalamander, heikikker, kamsalamander, poelkikker en rugstreeppad

Reptielen

Hazelworm, levendbarende hagedis, zandhagedis en adder

Vissen

Geen vermelding in literatuur

Vlinders

Grote vos, zilveren maan, gentiaanblauwtje, grote weerschijnvlinder en teunisbloempijlstaart

Libellen

Gevlekte witsnuitlibel en sierlijke witsnuitlibel

Overige ongewervelden

Vliegend hert

3.6

Toetsing beschermde soorten

In de volgende paragrafen zijn de effecten van de beoogde ontwikkeling op de in tabel 3.2 genoemde soorten beschreven. 3.6.1 Flora Akkerogentroost komt voor op open plaatsen op matig voedselarme, vochtige en kalkrijke grond (FLORON, 2024). Het is een typische akkerplant, die voorkomt langs akkerranden en in graanakkers. Dergelijke akkerplanten komen vaak voor in kleinschalige natuurakkers. Het zoekgebied biedt geen geschikte groeiplaatsen voor deze soort, omdat de agrarische percelen intensief in gebruik zijn. Ook zijn de randen zeer voedselrijk, getuige de aanwezigheid van onder andere bramen. De agrarische percelen vallen dan ook niet onder het natuurtype natuurakkers. Het voorkomen van beschermde flora in het zoekgebied en negatieve effecten van het voornemen zijn uitgesloten. Nader onderzoek naar, en het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit is voor beschermde flora niet nodig.

16/37

Kenmerk

3.6.2

R001-1294853VSX-

Grondgebonden zoogdieren

Potentieel voorkomende soorten Boommarter en steenmarter komen voor net ten noorden van het zoekgebied, in ontwikkelgebied (woningbouw) Halvinkhuizen (TAUW, 2022). Boommarter is normaal gesproken een bewoner van bosgebied en randen daarvan. De verblijfplaats van boommarter is vaak aanwezig in boomholtes en gebouwen in het bos of de bosrand. Steenmarter verblijft bij voorkeur in een gebouw, dit zijn vaak schuren in het agrarisch gebied. In het zoekgebied zijn zowel bosgebieden/landgoederen aanwezig waar boommarter kan verblijven. Ook in houtwallen kunnen schikte verblijfplaatsen aanwezig zijn, zoals bomen met oude spechtengaten of oude holen in de bodem. Eventueel aanwezige bebouwing rondom deze elementen kunnen, wanneer er geschikte openingen in aanwezig zijn, ook verblijfplaatsen voor boommarter herbergen. In alle gebouwen in het zoekgebied kan steenmarter potentieel verblijven. Zowel in agrarische bebouwing, als schuurtjes en woningen indien daar openingen van minimaal 4 cm aanwezig zijn. Het voorkomen van boommarter en steenmarter kan zodoende niet op voorhand uitgesloten worden in het gehele zoekgebied. Het voorkomen van das is reeds bekend binnen het zoekgebied, in de vorm van twee hoofdburchten (mondelinge mededeling Stichting voor Natuur- en Milieubescherming te Putten). Eén daarvan ligt langs de Hellerweg en de ander ligt tussen de Huinerweg en de Oude Nijkerkerweg.

Ten westen van de Hoge Einderweg zijn ook een aantal bijburchten in een houtwal aanwezig. De actuele verspreiding van dassen in het zoekgebied is voldoende bekend volgens de stichting. Buiten het zoekgebied, namelijk verder ten oosten en verder ten westen van het zoekgebied zijn meer dassenburchten aanwezig. Naast bovengenoemde verblijfplaatsen is ook foerageergebied van das aanwezig in het zoekgebied. Dit betreffen de graslanden, maïsakkers en houtwallen en landgoederen die in het gebied aanwezig zijn. De foerageergebieden zijn van belang om de verblijfplaatsen te laten functioneren. Gelet op voorgaande zijn er essentiële functies van das in het zoekgebied aanwezig, met in het bijzonder twee dassenburchten. Van wezel en bunzing zijn beide 1 waarneming bekend in de omgeving van het zoekgebied. Beide soorten komen voor op plekken waar veel dekking aanwezig is. Hierbij moet men denken aan kruidenrijk grasland, ruigtestroken, mantel-zoomvegetaties, houtwallen, struweel en bosgebied. Wezel is vaak te vinden in een wat droger habitat, terwijl bunzing beter gedijt in een wat vochtig habitat. De aanwezigheid van deze soorten hangt samen met het voedselaanbod en noodzakelijk verbindingen tussen verschillende leefgebieden. In het zoekgebied zijn landgoederen met een bosachtig karakter aanwezig, houtwallen en sloten die dekking en leefgebied kunnen geven aan bunzing en wezel.

Gelet op voorgaande is het voorkomen van bunzing en wezel niet op voorhand uit te sluiten in het gehele zoekgebied. Eekhoorn is een soort die bladernesten maakt om in te verblijven. Ook kunnen boomholtes zoals oude spechtengaten gebruikt worden als verblijfplaats. Tijdens het veldbezoek zijn geen bladernesten van eekhoorn aangetroffen, maar kon ook niet het hele zoekgebied hierop worden geïnspecteerd. Omdat niet alle landgoederen te inspecteren waren en hier naar alle waarschijnlijkheid ook spechtengaten aanwezig zijn, is het voorkomen van eekhoorn aldaar niet op voorhand uit te sluiten.

17/37

Kenmerk

R001-1294853VSX

Toetsing De werkzaamheden leiden mogelijk tot het doden van individuen en het vernietigen van verblijfplaatsen (overtreding artikel 11.54, lid 1 van het Bal). Nader onderzoek naar verblijfplaatsen, verbindingszones en/of foerageergebied van boommarter, steenmarter, das, wezel, bunzing en eekhoorn is afhankelijk van de exacte locatiekeuze noodzakelijk. Afhankelijk van de uitkomsten van het nader onderzoek is het nemen van maatregelen en het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit noodzakelijk. Uitgesloten soorten Hermelijn is tegenwoordig een uiterst zeldzame soort, die eigenlijk alleen nog maar wordt aangetroffen in natuurgebieden, zoals het ten westen van Putten gelegen Natura 2000-gebied Arkemheen. Het zoekgebied betreft geen natuurgebied, tezamen met het ontbreken van waarnemingen in de ruime omgeving van het zoekgebied is het voorkomen van hermelijn op voorhand uitgesloten. Negatieve effecten door uitvoering van de beoogde ontwikkeling treden op hermelijn niet op. Nader onderzoek naar en het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit voor hermelijn is niet nodig. Edelhert, damhert, wild zijn en wolf zijn soorten die op de Veluwe leven. De soorten komen in incidentele gevallen ook buiten de Veluwe voor, maar hebben daar geen verblijfplaatsen.

Dit komt onder andere door het ontbreken van rust, faunarasters op de Veluwe en/of afschotbeleid buiten natuurgebieden. Het voorkomen van beschermde functies van edelhert, damhert, wild zwijn en wolf zijn op voorhand in het zoekgebied uitgesloten. Negatieve effecten door uitvoering van de beoogde ontwikkeling treden op deze soorten niet op. Nader onderzoek naar en het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit is voor edelhert, damhert, wild zwijn en wolf niet nodig. 3.6.3

Vleermuizen

Hoewel vleermuizen zoogdieren zijn, worden deze vanwege hun afwijkende eigenschappen als afzonderlijke groep behandeld. Er zijn drie typen leefgebied van vleermuizen te onderscheiden, namelijk: verblijfplaatsen, foerageergebied en vliegroutes. Deze worden hieronder per type leefgebied beschreven. Verblijfplaatsen van vleermuizen zijn te allen tijde wettelijk beschermd. Indien foerageergebied en/of vliegroutes een essentieel onderdeel van het leefgebied van vleermuizen vormen, zijn deze functies eveneens wettelijk beschermd. Er wordt daarom onderscheid gemaakt in essentiële foerageergebieden en vliegroutes en niet-essentiële foerageergebieden en vliegroutes. Let wel dat vliegroutes soms al foeragerend worden gebruikt en dat onderscheid soms vaag is.

18/37

Kenmerk

3.6.3.1

R001-1294853VSX

Verblijfplaatsen

Verblijfplaatsen van vleermuizen bevinden zich, afhankelijk van de soort, in allerlei bouwwerken zoals woningen, kerken, kantoorpanden en bunkers, in grotten en in boomholtes of achter schors en in kieren van bomen. Globaal kan daarbij onderscheid gemaakt worden tussen in gebouwen verblijvende vleermuissoorten en in bomen verblijvende vleermuissoorten. Omdat vleermuizen een duidelijke jaarcyclus kennen, maken we onderscheid tussen verschillende typen verblijfplaatsen, namelijk zomer-, kraam-, paar- en winterverblijfplaatsen. In het zoekgebied zijn dergelijke verblijfplaatsen aanwezig, namelijk diverse woonhuizen, woonboerderijen, schuren (zowel van particulieren als agrariërs) en boomholtes (loszittend schors en oude spechtengaten). Ondergrondse winterverblijfplaatsen kunnen mogelijk aanwezig zijn in kelders van woonboerderijen en/of bouwwerken op landgoederen. De beoogde ontwikkeling vindt plaats nabij voor vleermuizen geschikte verblijfplaatsen. Hierdoor leiden de werkzaamheden mogelijk tot het verstoren en/of vernietigen van verblijfplaatsen van vleermuizen (overtreding artikel 11.46, lid 1 van het Bal). Om aan te tonen of uit te sluiten dat verblijfplaatsen van vleermuizen in het zoekgebied aanwezig zijn is nader onderzoek noodzakelijk. In tabel 3.3 is samengevat naar welke soorten vleermuizen en typen verblijfplaatsen onderzoek nodig is.

Afhankelijk van de uitkomsten van het nader onderzoek is het nemen van maatregelen en het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit noodzakelijk. Tweekleurige vleermuis is in Nederland alleen bekend bij hoge gebouwen in de paar- en winterperiode. De soort wordt vrijwel uitsluitend in gebouwen hoger dan 8 verdiepingen aangetroffen. In het zoekgebied zijn alleen grondgebonden en lage woningen en bedrijven aanwezig. Het ontbreekt daardoor aan geschikte verblijfplaatsen voor tweekleurige vleermuis. Het voorkomen van verblijfplaatsen van tweekleurige vleermuis binnen het zoekgebied is uitgesloten. Massawinterverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis zijn op voorhand uitgesloten, omdat er geen grote gebouwen aanwezig zijn met een stabiele temperatuur. Kraamverblijfplaatsen van ruige dwergvleermuis zijn uitgesloten, omdat de soort zich niet in Nederland voortplant. Een nader onderzoek naar deze soorten is daarom niet nodig en het overtreden van de verbodsbepalingen in het Bal is uitgesloten. Een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit voor het vernielen van verblijfplaatsen van tweekleurige vleermuis, massawinterverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis, kraamverblijfplaatsen van ruige dwergvleermuis en ondergrondse winterverblijfplaatsen is dus ook niet nodig.

19/37

Kenmerk

R001-1294853VSX

3.6.3.2

Foerageergebieden

Foerageergebieden van vleermuizen zijn onder andere groen- of waterstructuren zoals struweel, bomenrijen, andere opgaande begroeiing en watergangen. In het zoekgebied zijn dergelijke foerageergebieden aanwezig in de vorm van houtwallen en landgoederen. Deze foerageergebieden zijn mogelijk essentieel voor het behoud van lokale vleermuispopulaties omdat, deze direct grenzen aan de bebouwde kom en zodoende het meest dichtstbijzijnde foerageergebied voor vleermuizen is die verblijven in het zoekgebied of de bebouwde kom van Putten. De werkzaamheden leiden mogelijk tot het aantasten van een of meerdere essentiële functies binnen het zoekgebied voor het behoud van lokale vleermuispopulaties. Afhankelijk van waar de ontsluitingsweg komt te liggen is nader onderzoek nodig om aan te tonen of uit te sluiten dat essentiële foerageergebieden aanwezig zijn. Afhankelijk van de uitkomsten van het nader onderzoek is het nemen van maatregelen en het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit noodzakelijk. 3.6.3.3 Vliegroutes Vliegroutes worden gevormd door lijnvormige elementen zoals bomenrijen, randen van bebouwing en watergangen. In het zoekgebied zijn dergelijke lijnvormige elementen aanwezig in de vorm van bomenrijen, houtwallen en bosranden.

Deze vliegroutes zijn mogelijk essentieel voor het behoud van lokale vleermuispopulaties, omdat deze beperkt aanwezig zijn en belangrijke verbindingen vormen tussen verblijfplaats en foerageergebied, en tussen verschillende type verblijfplaatsen zoals zomer- en winterverblijfplaatsen. De werkzaamheden leiden mogelijk tot het aantasten van een essentiële functie van het zoekgebied voor lokale vleermuispopulaties. Om aan te tonen of uit te sluiten dat essentiële foerageergebieden aanwezig zijn, is nader onderzoek nodig. Afhankelijk van de uitkomsten van het nader onderzoek is het nemen van maatregelen en het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit noodzakelijk.

20/37

Kenmerk

R001-1294853VSX

Tabel 3.3 Mogelijk aanwezige soortfunctiecombinaties in het zoekgebied Type functie

Vleermuissoorten

Zomerverblijf in

Gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis,

gebouw/bouwwerk

laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, baardvleermuis, en meervleermuis

Paarverblijf in

Gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis,

gebouw/bouwwerk

laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, baardvleermuis, en meervleermuis

Kraamverblijf in

Gewone dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger, gewone

gebouw/bouwwerk

grootoorvleermuis, baardvleermuis, en meervleermuis

Winterverblijf in

Gewone dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger, gewone

gebouw/bouwwerk

grootoorvleermuis, baardvleermuis, franjestaart, watervleermuis en meervleermuis

Massawinterverblijf in

Uitgesloten

gebouw Zomerverblijf in boom

Gewone grootoorvleermuis, bosvleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, watervleermuis, franjestaart en baardvleermuis

Paarverblijf in boom

Gewone grootoorvleermuis, bosvleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, watervleermuis, franjestaart en baardvleermuis

Kraamverblijf in boom

Gewone grootoorvleermuis, bosvleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, watervleermuis, franjestaart en baardvleermuis

Winterverblijf in boom

Rosse vleermuis, bosvleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis

Essentieel foerageergebied

Alle genoemde soorten in tabel 3.2

Essentiële vliegroute

Alle genoemde soorten in tabel 3.2

3.6.4

Vogels

3.6.4.1 Vogels - jaarrond beschermde nesten Potentieel aanwezige soorten De nesten van deze vogelsoorten zijn het hele jaar beschermd, evenals de functionele leefomgeving rondom het nest. Buizerd, wespendief, havik, sperwer, boomvalk, ransuil en roek gebruiken nesten in bomen als voortplantingsplaats. Verspreid over het zoekgebied zijn enkele nesten in bomen aangetroffen die geschikt zijn voor buizerd, havik, sperwer, boomvalk en/of ransuil. Gelet hierop is het voorkomen van nestlocaties van deze soorten niet uitgesloten. Kerkuil en steenuil zijn soorten die leven in het agrarisch gebied. Beide soorten kunnen nestelen in schuren, vaak tussen daklagen, of speciale nestkasten. In en om het zoekgebied zijn geschikte schuren aangetroffen waar beide soorten kunnen nestelen. Tijdens eerder uitgevoerd onderzoek door TAUW ten noorden van het zoekgebied zijn ook meerdere territoria van steenuil vastgesteld.

21/37

Kenmerk

R001-1294853VSX

Ook komt kerkuil voor in deze omgeving (TAUW, 2022). Vlak ten noordoosten van het zoekgebied is ook een steenuilkast in een boom waargenomen. Of deze in gebruik is, is onbekend. Steenuil foerageert binnen enkele honderden meters rondom de nestplaats, terwijl kerkuil tot tientallen hectares gebruik kan maken (afhankelijk van het voedselaanbod). Gelet op de geschiktheid van het zoekgebied als foerageergebied en dat deze voldoende verblijfsmogelijkheden bieden is het voorkomen van steenuil en kerkuil niet op voorhand uitgesloten. Gierzwaluw en huismus broeden vaak onder dakpannen van woonhuizen. Voor huismus dient er ook voldoende groen rondom de nestlocatie aanwezig te zijn om deze als zodanig te laten functioneren. Gierzwaluw is niet afhankelijk van het groen direct om te nestlocatie. Bij agrarische bedrijven komen vaak huismussen voor, omdat hier een hoger voedselaanbod is door aanwezige dieren en diervoeders. Diverse woonhuizen in het zoekgebied bieden geschikte nestlocaties aan gierzwaluw en huismus. Ook is er veel groen aanwezig rondom de meeste woningen. Gelet hierop is het voorkomen van nestplaatsen van gierzwaluw en huismus niet op voorhand uitgesloten. Toetsing De beoogde ontwikkeling vindt plaats in of in de directe nabijheid van geschikte rust- en nestlocaties en/of geschikt foerageergebied van bovengenoemde soorten.

Afhankelijk waar de ontsluitingsweg uiteindelijk gerealiseerd wordt leiden de werkzaamheden mogelijk tot het verstoren en/of doden van individuen en het vernietigen van eieren, rustplaatsen en nesten (overtreding artikel 11.37, lid 1 van het Bal). Nader onderzoek naar nestplaatsen van buizerd, sperwer, boomvalk, ransuil, kerkuil, steenuil, gierzwaluw en huismus is daarom noodzakelijk. Afhankelijk van de uitkomsten van het nader onderzoek is het nemen van maatregelen en het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit noodzakelijk. Uitgesloten soorten Wespendief broedt normaliter in rustig gelegen bosgebied. In agrarisch gebied komt de soort niet voor. De landgoederen aan de oostkant van het zoekgebied hebben weliswaar een bosachtig karakter, hier vindt veel activiteit van de mens plaats. Nesten van wespendief zijn hierdoor op voorhand uitgesloten. Roeken broeden in kolonieverband, waardoor er veel nesten in een nestbos aanwezig zijn. Meerdere nesten bijeen zijn niet aangetroffen, waardoor het voorkomen van roekennesten is uitgesloten. Slechtvalk broedt op hoge bouwwerken zoals kerken, hoogspanningsmasten, bruggen en flatgebouwen. In het zoekgebied zijn alleen hoogspanningsmasten aanwezig die hoog genoeg zijn om geschikt te zijn als nestlocatie voor slechtvalk.

Slechtvalk kan alleen in hoogspanningsmasten broeden wanneer daar nestkasten of oude nesten (van bijvoorbeeld zwarte kraai) in aanwezig zijn. Deze zijn tijdens het veldbezoek niet aangetroffen, waardoor nestplaatsen van slechtvalk in hoogspanningsmasten zijn uitgesloten. Ooievaar maakt grote nesten in bomen of op palen. Deze zijn eenvoudig te inventariseren, maar zijn in het zoekgebied niet aangetroffen. Het voorkomen van nestplaatsen van ooievaar is zodoende uitgesloten. Het voorkomen van nesten van wespendief, slechtvalk, roek zijn in het zoekgebied en negatieve effecten door het voornemen zijn uitgesloten. Nader onderzoek naar en het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit voor deze soorten is daarom niet nodig.

22/37

Kenmerk

R001-1294853VSX-

3.6.4.2 Vogels – jaarrond beschermd: afhankelijk van ecologische factoren Bij vogelsoorten uit deze categorie gaat het om vogels die vaak elk jaar terugkeren naar de omgeving waar ze eerder gebroed hebben, maar die wel flexibel zijn en een nieuw nest kunnen maken of zich elders kunnen vestigen. Het gaat dus om de bescherming van het functionele leefgebied en dit is alleen aan de orde als de betreffende soort voor zijn voortplanting uitsluitend afhankelijk is van dat functionele leefgebied en er geen alternatieven of uitwijkmogelijkheden in de omgeving zijn. Een omgevingsscan is nodig om per soort te bepalen of het nest en het functionele leefgebied bij dit voornemen jaarrond beschermd zijn. Daarbij spelen de landelijke staat van instandhouding van de soort (die bepaald wordt door onder andere verspreiding, populatie en trend), het belang van de in en nabij het zoekgebied aanwezige populatie en de aanwezigheid van alternatief leefgebied in de directe omgeving een belangrijke rol. Afhankelijk van de uitkomsten van de omgevingsscan kan het nemen van maatregelen en het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een floraen fauna-activiteit noodzakelijk zijn. In het zoekgebied kunnen diverse soorten vogels broeden die tot deze categorie vallen.

Daarbij moet men denken aan boerenzwaluw, bonte vliegenvanger, boomklever, boomkruiper, bosuil, ekster, gekraagde roodstaart, glanskop, grauwe vliegenvanger, groene specht, grote bonte specht, kleine bonte specht, koolmees, pimpelmees, spreeuw, torenvalk, zwarte kraai, zwarte mees, zwarte roodstaart en zwarte specht. Alleen de soorten met een matig of zeer ongunstige staat van instandhouding zijn relevant voor deze toetsing. Dat zijn de soorten boerenzwaluw, gekraagde roodstaart, grauwe vliegenvanger, spreeuw, torenvalk, zwarte mees en zwarte specht. Voor al deze soorten geldt dat ze flexibel zijn in de keuze waar het nest gemaakt wordt. In de directe omgeving van het zoekgebied is voldoende alternatief broedhabitat aanwezig. Zo zijn er voor de soorten die aan het bos of bosranden zijn verbonden veel alternatieven aanwezig direct ten oosten van het zoekgebied. Daar beginnen de bossen van de Veluwe. Voor overige soorten die in of aan bouwwerken broeden (zoals spreeuw, koolmees en grauwe vliegenvanger) zijn er in de directe omgeving voldoende alternatieven aanwezig om naar uit te wijken. Daarnaast blijft er ook binnen het zoekgebied tal van broedgelegenheid aanwezig. Alleen op de locatie waar de ontsluitingsweg wordt aangelegd verdwijnt mogelijk een relatief klein broedareaal.

Gelet op de aanwezige alternatieven en de beperkte impact van de beoogde ontwikkeling op geschikt broedhabitat is het uitvoeren van een nader onderzoek en het aanvragen van een omgevingsvergunning voor deze soorten niet nodig. Wel dient men rekening te houden met het broedseizoen. Actieve nesten mogen niet verstoord worden (zie paragraaf 3.6.4.3). 3.6.4.3 Vogels – in gebruik zijnde nesten De nesten van alle inheemse vogelsoorten zijn beschermd wanneer ze als broedlocatie in gebruik zijn. Bij het veldbezoek zijn geschikte nestlocaties van broedvogels aangetroffen, zoals diverse vrijstaande bomen en struikgewas, houtwallen en landgoederen. Ook in meer open gebied en in bebouwing kunnen vogels tot broeden komen. De werkzaamheden leiden mogelijk tot het verstoren en/of doden van individuen en het vernietigen van eieren, rustplaatsen en nesten (overtreding artikel 11.37, lid 1 van het Bal).

23/37

Kenmerk

R001-1294853VSX

Vogels kunnen gedurende het gehele jaar gaan broeden. Het is daarom belangrijk om hier in de planning van werkzaamheden rekening mee te houden. De kans op een broedgeval is het grootst in de periode maart tot en met augustus. Het advies is om de start van de werkzaamheden (zoals het slopen en bouwrijp maken) buiten deze periode uit de voeren. Ook buiten het broedseizoen zijn broedende vogels echter beschermd. Het is noodzakelijk om voorafgaand aan de werkzaamheden contact op te nemen met een ecoloog om te bepalen of een controle op nesten van broedvogels noodzakelijk is. Indien een broedende vogel aanwezig is, kan het nodig zijn om de werkzaamheden uit te stellen totdat de jongen zijn uitgevlogen en niet meer afhankelijk zijn van het nest. Mogelijk kan een deel van de werkzaamheden wel uitgevoerd worden door het aanhouden van een door een ecoloog vastgestelde verstoringsvrije zone. 3.6.5

Amfibieën

Beschermde amfibieën hebben veelal schoon water nodig om zich in voort te planten. Soorten die in de omgeving voorkomen (zie tabel 3.2), komen in deze regio dan ook alleen voor in natuurgebieden. Dat geldt voor de soorten Alpenwatersalamander die alleen op de Veluwe bekend is, heikikker die alleen in een heidegebied ten oosten van het zoekgebied voorkomt en kamsalamander op de rand van de Veluwe (NDFF, 2024). Poelkikker en rugstreeppad komen niet in de directe omgeving van het zoekgebied voor. Binnen de grenzen van het zoekgebied zijn geen geschikte voortplantingswateren voor beschermde amfibieën aangetroffen. De enige wateren die hier aanwezig zijn betreffen afwateringssloten van agrarische percelen met voedselrijk water en een matige waterkwaliteit. Hier is nauwelijks vegetatie in aanwezig. De planten die wel aanwezig waren betreffen soorten die niet onderwater voorkomen, gelet hierop staan de sloten gedurende het overgrote deel van het jaar droog. Rugstreeppad kan tijdelijke werkterreinen snel koloniseren, echter komt de soort vooral voor diep op de Veluwe in heideterreinen. Vanwege de afstand tot het zoekgebied wordt kolonisatie van tijdelijke werkterreinen uitgesloten. Gelet op voorgenoemde zijn effecten op Alpenwatersalamander, heikikker, kamsalamander, poelkikker en rugstreeppad op voorhand uitgesloten.

Er zijn geen geschikte voortplantingsplaatsen en landhabitats voor aanwezig in het zoekgebied. Het voorkomen van deze soorten in het zoekgebied en negatieve effecten van het voornemen zijn uitgesloten. Nader onderzoek naar en het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit voor Alpenwatersalamander, heikikker, kamsalamander, poelkikker en rugstreeppad zijn niet nodig.

24/37

Kenmerk

3.6.6

R001-1294853VSX-

Reptielen

Hazelworm en levendbarende hagedis komen voor in bossen, heideterreinen, langs spoorwegen, bosranden en soms ook tuinen. Hazelworm komt voor ten westen van het zoekgebied in een heideterrein. Levendbarende hagedis komt ook voor in dat gebied, net als ten oosten van het zoekgebied langs de rand van de Veluwe (NDFF, 2024). In het zoekgebied is potentieel geschikt leefgebied aanwezig in de vorm van landgoederen die de uitstraling hebben van bosgebied. Ook aangrenzende houtwallen en tuinen kunnen geschikt leefgebied zijn voor hazelworm en levendbarende hagedis. De werkzaamheden leiden mogelijk tot het doden van individuen en het vernietigen van verblijfplaatsen (overtreding artikel 11.54, lid 1 van het Bal). Afhankelijk van de locatie waar de ontsluitingsweg komt te liggen is nader onderzoek naar hazelworm en levendbarende hagedis nodig. Afhankelijk van de uitkomsten van het nader onderzoek kunnen het nemen van maatregelen en het aanvragen van een omgevingsvergunning voor deze soorten een flora- en fauna-activiteit noodzakelijk zijn. Zandhagedis komt voor in heideterreinen met open zandige stukken waar de soort zich kan voortplanten. Ook bosgebied rondom voortplantingslocaties kan geschikt zijn als leefgebied, mits er in de buurt voortplanting plaatsvindt. Adder komt diep op de Veluwe op heideterreinen voor.

In het zoekgebied zijn geen geschikte voortplantingslocaties voor zandhagedis aanwezig, door het ontbreken van open zandige plekken. Ook ontbreekt het aan heideterreinen, waardoor het ontbreekt aan geschikt leefgebied voor adder. Het voorkomen van deze soorten in het zoekgebied en negatieve effecten van het voornemen zijn uitgesloten. Nader onderzoek naar en het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit voor zandhagedis en adder zijn niet nodig. 3.6.7

Vissen

Er zijn geen waarnemingen in de directe omgeving van beschermde vissoorten gedaan. Gelet op de matige waterkwaliteit en dat de ontwateringssloten in het agrarisch gebied voor een groot deel van het jaar droog lijken te staan, worden effecten op beschermde vissoorten uitgesloten. Nader onderzoek naar en het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en faunaactiviteit voor beschermde vissoorten zijn niet nodig. 3.6.8 Vlinders Grote vos plant zich voort op iep, zoete kers, populier en sommige wilgensoorten (De Vlinderstichting, 2024). Tijdens het veldbezoek heeft geen volledige inventarisatie van boomsoorten plaatsgevonden. Het merendeel van de aanwezige bomen betreft grove den en zomereik. In diverse landgoederen, tuinen en houtwallen kunnen echter ook andere soorten voorkomen, waaronder de waardplanten die grote vos gebruikt. Overwintering gebeurt in holle bomen, die ook aanwezig kunnen zijn op dit soort plekken. Het voorkomen van een voortplantings- en overwinteringslocatie is zodoende niet op voorhand uit te sluiten.

25/37

Kenmerk

R001-1294853VSX

De werkzaamheden leiden mogelijk tot het doden van individuen en het vernietigen van leefgebied (overtreding artikel 11.54, lid 1 van het Bal). Afhankelijk van de exacte ligging van de ontsluitingsweg is nader onderzoek naar de functie van het zoekgebied voor grote vos noodzakelijk. Afhankelijk van de uitkomsten van het nader onderzoek kunnen het nemen van maatregelen en het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit noodzakelijk zijn. Teunisbloempijlstaart maakt gebruik van teunisbloem, basterdwederik, (harig) wilgenroosje en kattenstaart als waardplant. In het zoekgebied heeft geen volledige inventarisatie plaatsgevonden naar deze soorten, maar aanwezigheid kan op voorhand niet worden uitgesloten. Vooral basterdwederik kan gedurende het groeiseizoen op tal van plekken opkomen, zoals in tuinen en zelfs tussen bestrating. Grote kattenstaart kan voorkomen langs slootkanten, teunisbloemen op wat meer open plekken en wilgenroosjes langs bosranden, slootkanten en ruig grasland. TAUW heeft de soort eerder aangetroffen vlak ten noorden van het zoekgebied (TAUW, 2022). Gelet op de vele geschikte groeiplaatsen van waardplanten van teunisbloempijlstaart en het voorkomen van de soort op kleine afstand tot het zoekgebied is het voorkomen van teunisbloempijlstaart niet op voorhand uit te sluiten.

De beoogde ontwikkeling vindt plaats op of in de directe nabijheid van geschikte voortplantingsplaatsen en winterhabitat van teunisbloempijlstaart. De werkzaamheden leiden mogelijk tot het verstoren en/of doden van individuen en het vernietigen van eieren en leefgebied (overtreding artikel 11.46, lid 1 van het Bal). Afhankelijk van de exacte ligging van de ontsluitingsweg is nader onderzoek naar de functie van het zoekgebied voor teunisbloempijlstaart noodzakelijk. Afhankelijk van de uitkomsten van het nader onderzoek kunnen het nemen van maatregelen en het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit noodzakelijk zijn. Zilveren maan komt voor in blauwgrasland of andere vochtige hooi of rietlanden. Grote weerschijnvlinder komt voor in beekdalen of andere oudere vochtige loofbossen. Gentiaanblauwtje komt voor in natte heide, vochtige heischrale graslanden en blauwgraslanden (De Vlinderstichting, 2024). Deze habitats komen niet voor in het zoekgebied. De habitats beperken zich tot intensief agrarisch cultuurland, bebouwing, houtwallen en landgoederen. Er zijn daarom geen geschikte voortplantings- en overwinteringsplaatsen voor deze soorten aanwezig in het zoekgebied. Het voorkomen van zilveren maan, grote weerschijnvlinder en gentiaanblauwtje in het zoekgebied en negatieve effecten van het voornemen zijn uitgesloten.

Nader onderzoek naar en het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit voor zilveren maan, grote weerschijnvlinder en gentiaanblauwtje zijn niet nodig. 3.6.9

Libellen

Gevlekte witsnuitlibel en sierlijke witsnuitlibel zijn soorten die zich voortplanten in schone wateren, vaak vennen of in moerasachtige gebieden. In het zoekgebied zijn geen geschikte voortplantingswateren aanwezig. De sloten in het zoekgebied bevatten geen schoon water door het naastgelegen intensief landgebruik. Daarnaast staan de sloten overwegend droog gedurende het jaar. Het voorkomen van beschermde libellen in het zoekgebied en negatieve effecten van het voornemen zijn uitgesloten. Nader onderzoek naar en het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit voor beschermde libellen is niet nodig.

26/37

Kenmerk

R001-1294853VSX-

3.6.10 Overige ongewervelden Vliegend hert komt voor in door schimmels aangetast rottend eikenhout. Vroeger betroffen dit zeer oude eiken, die tegenwoordig niet meer in Nederland aanwezig zijn. Populaties die nu nog voorkomen overleven op kunstmatige locaties zoals hakhoutbossen waar stompen blijven staan (EIS, 2024). In het zoekgebied is geen hakhoutbos aanwezig en zijn ook geen eeuwenoude eiken die wegkwijnen aanwezig. Gelet hierop is het voorkomen van vliegend hert in het zoekgebied uitgesloten. Negatieve effecten van het voornemen zijn op deze soort uitgesloten. Nader onderzoek naar en het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en faunaactiviteit voor vliegend hert is niet nodig.

3.7

Overzichtstabel verwachting beschermde soorten per locatie

Voor de in paragraaf 3.6 niet uitgesloten soorten is per locatie een verwachting genoteerd of de soort mogelijk voor kan komen in het zoekgebied. Deze verwachting is per locatie verder uitgewerkt in tabel 3.4. Deze verwachting is in de meeste gevallen gebaseerd vanaf een inspectie vanaf de openbare weg, waarbij niet alle kenmerken van bebouwing of opgaand groen volledig op waarde geschat kon worden. Daarom is uitgegaan van een worst-case toetsing, waarbij na vastlegging van de exacte ligging van de zuidelijke ontsluitingsroute een nieuwe toetsing noodzakelijk is om deze toetsing te verifiëren. De tabel geeft dus alleen een globale indruk van beschermde soorten die mogelijk voorkomen op specifieke locaties binnen het zoekgebied.

27/37

Kenmerk

R001-1294853VSX-

Houtwallen/

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

Teunisbloempijlstaart

Grote vos

Levendbarende hagedis

Hazelworm

Jaarrond beschermde vogelnesten in

Jaarrond beschermde vogelnesten in bomen

Vleermuizen foerageergebieden

Vleermuizen vliegroutes

Vleermuizen in bomen

Vleermuizen in gebouwen

Bunzing

Wezel

Eekhoorn

Das

Steenmarter

Boommarter

Tabel 3.4 Globaal overzicht van verwachting van beschermde soort(groep)en per locatie

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

Bomenrijen/bosjes Landgoederen en

X

X

X

X

aansluitende groenstructuren Relatief jonge

X

bomenrijen en bosschages Nijkerkerstraat 43

X

X

Hooiweg 13

X

X

Hooiweg 11

X

X

X

X

X

Beitelweg 10

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14841283/1