Motivering_Rotonde N798
Tekst van het document
Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor voorliggend project.
4.4
Luchtkwaliteit
4.4.1
Algemeen Het Rijk toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM2,5 en PM10) dan verwacht mag worden. Soms worden hier de rijksomgevingswaarden overschreden of is de achtergrondconcentratie zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. Bij een aanvraag voor één of meerdere activiteiten in een aandachtsgebied, dient het effect van de ontwikkeling op de luchtkwaliteit beoordeeld te worden. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl.
2
SAB (2025). Akoestisch onderzoek geluid wegverkeer Putten, N798, wijziging kruispunt met Hoofdlaan. Projectnummer: 250271. 30 september 2025.
31
Ook voor activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied is het toetsen aan de omgevingswaarden van belang. Deze activiteiten kunnen immers zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Dit betekent dat een gemeente een initiatief soms moet toetsen aan de omgevingswaarden in een nabijgelegen aandachtsgebied. Het gaat dan om een locatie van een initiatief dat zelf buiten het aandachtsgebied ligt, maar hier mogelijkerwijs wel invloed op kan hebben. Dit kan nodig zijn bij activiteiten die relatief veel luchtvervuiling veroorzaken en over een grotere afstand effect hebben. Denk aan extra verkeer of bedrijfsemissies. Ook in dat geval wordt de beoogde ontwikkeling getoetst aan de omgevingswaarden, tenzij de beoogde activiteit(en) niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen aan stikstofdioxide- (NO2) of fijnstof- (PM2,5 en PM10) concentraties. De specifieke beoordelingsregels voor luchtkwaliteit staan in artikel 8.17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Indien een ontwikkeling niet is gelegen in of in de nabijheid van een aandachtsgebied, hoeft de luchtkwaliteit in de meeste gevallen niet beoordeeld te worden. Net als onder de voormalige Wet milieubeheer is er namelijk een uitzondering voor activiteiten die maar weinig bijdragen aan de luchtvervuiling, oftewel: niet in betekenende mate (NIBM).
In een aantal situaties moet de luchtkwaliteit wel beoordeeld worden: − bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit (als bedoeld in het Bal); − bij de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter in lengte toeneemt; − bij de aanleg van een auto(snel)weg. 4.4.2
Toetsing Het voorliggende project ziet op de realisatie van een rotonde op de kruising van de Oude Rijksweg (N798) en de Hoofdlaan in Putten. De ontwikkeling zal niet zorgen voor een toename in de verkeersintensiteit en zal daarom Niet In Betekende Mate bijdragen aan luchtverontreiniging. Om inzicht te krijgen in de huidige luchtkwaliteit zijn de kaarten met de achtergrondconcentraties van stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10) en zeer fijnstof (PM2,5) bestudeerd. De navolgende tabel brengt de achtergrondconcentraties in de huidige situatie in beeld op een centrale locatie in het besluitgebied (toetspunt: Oude Rijksweg (N798)). Daarnaast is inzicht gegeven in de wettelijke grenswaarden voor de betreffende stoffen zoals benoemd in de Omgevingswaarden richtlijn luchtkwaliteit (§ 2.2.1.1 Bkl). Zoals te zien is zijn de achtergrondconcentraties voor stikstofdioxide en fijnstof in de huidige situatie ruim beneden de gestelde grenswaarden. Kenmerk
Achtergrondconcentratie (2023)
Grenswaarde
Stikstofdioxide (NO2)
8,4 µg/m3
40 µg/m3
fijnstof (PM10)
15 µg/m3
40 µg/m3
zeer fijnstof (PM2,5)
8,2 µg/m3
25 µg/m3
32
Stikstofdioxide en (zeer) fijnstof huidige situatie (Bron: Atlas Leefomgeving).
Uit de getoonde achtergrondwaarden blijkt dat er geen sprake is van een (naderende) overschrijding van de omgevingswaarden. Derhalve zal sprake zijn van een gezonde fysieke leefomgeving. 4.4.3
Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit project.
4.5
Geur
4.5.1
Algemeen Er zijn diverse sectoren waarbij geurhinder een rol kan spelen, zoals onder meer bij veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen en (andere) milieubelastende activiteiten. De gemeente moet bij de vaststelling van (een wijziging van) het omgevingsplan rekening houden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Rekening houden met geur werkt twee kanten op: 1 bij het mogelijk maken van activiteiten met gebruiksruimte in de buurt van geurgevoelige gebouwen; 2 bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande activiteiten met gebruiksruimte (geurveroorzakende bedrijven). Aanvaardbare geurhinder De geur van een activiteit (met gebruiksruimte) op een geurgevoelig gebouw moet aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl). Dit betekent dat de gemeente moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels in het omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. Gemeenten bepalen zelf welke mate van geurhinder zij aanvaardbaar vinden. De gemeente legt in het omgevingsplan vast wat de plaats is waar waarden voor geur gelden. Ook kennen sommige activiteiten afstandsregels. Dit zijn minimumafstanden tussen een geurgevoelig gebouw en een geurveroorzakende activiteit.
4.5.2
Toetsing Het voorliggende project ziet op de realisatie van een rotonde op de kruising van de Oude Rijksweg (N798) en de Hoofdlaan in Putten. Met de voorliggende ruimtelijke ontwikkeling wordt geen nieuwe planologische ruimte geboden om het aantal geurgevoelige functies ten opzichte van huidige juridisch-planologische situatie te vergroten. Een aanpassing van de weg is immers geen milieugevoelige functie en zorgt er dan ook niet voor dat in de omgeving gelegen veehouderijen in haar belangen worden geschaad. In dit kader kan een nadere beoordeling voor dit aspect achterwege blijven.
4.5.3
Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit project.
33
4.6
Kabels en leidingen
4.6.1
Algemeen Bij vaststelling van een wijzigingsbesluit moet rekening worden gehouden met de bescherming van ruimtelijk relevante kabels en leidingen.
4.6.2
Toetsing In het besluitgebied zijn geen relevante kabels en leidingen aanwezig.
4.6.3
Conclusie Het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit project.
4.7
Omgevingsveiligheid
4.7.1
Algemeen Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (ofwel 10-6). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar. Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl).
Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). In hoofdstuk 4 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn alle activiteiten opgenomen waarbij een vaste norm van toepassing is en voor welke activiteiten een berekening van PR-contour en aandachtsgebied vereist is. Groepsrisico Het groepsrisico betreft de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als gevolg van een ongewoon voorval. Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Onder de 34
Omgevingswet is gekozen voor een nieuwe benadering van het groepsrisico, met aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden laten zien op welke locaties extra aandacht nodig is om aanwezigen te beschermen tegen mogelijke ongevallen bij activiteiten met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden laten zien waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd zijn tegen gevaren uit de omgeving. Voorbeelden van die gevaren zijn warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Via de aandachtsgebieden worden deze gevaren zichtbaar op de kaart, zodat direct duidelijk is welke gevaren waar op kunnen treden. Daardoor heeft het bevoegd gezag bij het nemen van besluiten over ruimtelijke ordening de risico’s van activiteiten met gevaarlijke stoffen meteen in beeld. Zo kan het bevoegd gezag ze al aan het begin van het planproces meenemen. Aandachtsgebieden zijn er voor brandgevaar, explosiegevaar en gifwolken. 4.7.2
Toetsing Het voorliggende project ziet op de realisatie van een rotonde op de kruising van de Oude Rijksweg (N798) en de Hoofdlaan in Putten. Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van de risicokaart van de Atlas Leefomgeving ter hoogte van de kruising op de N798.
Uitsnede risicokaart waarbij het besluitgebied is aangegeven met een rode stip (bron: Atlas Leefomgeving).
Voorliggend project betreft de aanpassingen aan een kruispunt op de provinciale weg N798 Nijkerk-Putten. De weg is geen onderdeel van het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen, waardoor het geen risicoplafond heeft. Dit wordt bevestigd in de Gezamenlijke beleidsvisie externe veiligheid gemeenten in de regio Veluwe-Noord (februari 2015). Hierin wordt aangegeven dat de provinciale wegen in de regio geen plaatsgebonden risico-contour hebben en het groepsrisico lager is dan 10% van de oriëntatiewaarde. Onder de Omgevingswet is geen sprake meer van een oriënterende waarde. Desondanks geeft dit aan dat het groepsrisico laag en in die zin
35
acceptabel is. De verwachting is niet dat het gevaarlijke stoffen transport sterk is toegenomen sindsdien. De beoogde ontwikkeling zal hier geen verandering in brengen. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van een belemmering vanuit het aspect omgevingsveiligheid. Daarnaast heeft het voorliggende plan geen invloed op het aantal verkeersbewegingen over de weg en het aantal personen dat op deze weg aanwezig is. Ook voorziet de voorgenomen ontwikkeling niet in de toevoeging van een (beperkt) kwetsbaar object. Gelet op wet- en regelgeving is het daarom niet noodzakelijk de hoogte van het groepsrisico kwantitatief vast te stellen. 4.7.3
Conclusie Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit project.
4.8
Gezondheid
4.8.1
Algemeen Het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit is een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet (artikel 1.3, sub a, Omgevingswet). Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in de voorgaande paragrafen gemotiveerd, echter ligt het voor de hand om hier te schetsen op welke wijze het gezondheidsaspect bij de motivering van de besluitvorming omtrent het vaststellen van het wijzigingsbesluit omgevingsplan is meegenomen. Gemeenten kunnen hun gezondheidsambities tevens vastleggen in de omgevingsvisie, een programma en/of omgevingsplan.
4.8.2
Toetsing In voorgaande paragrafen met betrekking tot de aspecten luchtkwaliteit, geur en geluid is geconcludeerd dat in het besluitgebied sprake is van een gezonde leefomgeving: − Uit het akoestisch onderzoek volgt dat er geen woningen nabij de aanpassing van het kruispunt naar een rotonde waar het geluid door een van de relevante geluidbronsoorten met tenminste 1,5 dB toeneemt en de standaardwaarde wordt overschreden. Er zal sprake zijn van een goede leefomgeving wat betreft geluidsbelasting. − Uit de achtergrondwaarden blijkt dat er geen sprake is van een (naderende) overschrijding van de omgevingswaarden ten aanzien van luchtkwaliteit. Daarnaast zal de voorliggende ontwikkeling niet leiden tot een toename van verkeer. Derhalve zal op dit punt sprake zijn van een gezonde fysieke leefomgeving; − Het onderhavig project betreft geen geurhinder veroorzakende activiteit. Tevens worden er geen geurgevoelige functies mogelijk gemaakt. Men kan derhalve 36
verwachten dat het woon- en leefklimaat niet zal wijzigingen en dat er sprake is van een redelijke milieugezondheidskwaliteit; Met het onderhavig project worden de werkzaamheden aan de kruising op de N798 mogelijk gemaakt. Dit zorgt voor een verbetering van de algehele verkeersveiligheid en het langzame verkeer. 4.8.3
Conclusie Bij de planvorming is rekening gehouden met het aspect gezondheid.
4.9
Water
4.9.1
Algemeen Rijksbeleid - Nationaal Waterprogramma 2022-2027 Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 is op 18 maart 2022 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2022-2027, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. In het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 wordt allereerst de nationale belangen opgesomd: 1 waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit); 2 waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater; 3 waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; 4 in stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit; 5 realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening die in 2050 CO₂¬arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur; 6 verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit; 7 behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang.
Deze nationale belangen worden aangevuld met drie hoofdambities: 1 een veilige en klimaatbestendige delta; 2 een concurrerende, duurzame en circulaire delta; 3 een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur. De wateropgaven staan niet op zichzelf; een integrale aanpak met andere opgaven in de fysieke leefomgeving, zoals de energietransitie, de woningbouw, herstel natuur en de landbouwtransitie is noodzakelijk. Een integrale aanpak van samenhangende nationale en regionale opgaven vereist een gebiedsgerichte aanpak. Daarom zijn voor de rijkswateren in dit Nationaal Waterprogramma gebiedsgerichte uitwerkingen opgenomen. Het gaat om de Noordzee, de Zuidwestelijke Delta, de Rijn37
Maasmonding, de grote rivieren, het IJsselmeergebied, de Waddenzee en EemsDollard en de Kanalen in het beheer van het Rijk. Deze zijn verbonden met de diverse gebiedsgerichte programma’s en uitwerkingen onder het Nationaal Waterprogramma, zoals de Gebiedsagenda’s Grote Wateren. Voor de overige wateren van Nederland wordt in andere programma’s de gebiedsgerichte uitwerking van het waterbeleid meegenomen. In de eerste plaats in de Omgevingsagenda’s onder de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). In het coalitieakkoord van eind 2021 is aangegeven dat de komende jaren structureel meer budget wordt uitgetrokken voor instandhouding van wegen, spoor, hoofdwatersysteem en vaarwegen. Het structureel extra budget loopt op via een geleidelijk ingroeimodel. De budgettaire kaders voor instandhouding zijn daarmee verruimd. Voor het Hoofdwatersysteem en het Hoofdvaarwegennet zal IenW binnen deze budgetaire kaders nog aanvullende keuzes moeten maken om de instandhoudingsopgaven op termijn beheersbaar te houden. Provinciaal beleid -Regionaal Waterprogramma Gelderland 2021-2027 Het Regionaal Waterprogramma (RWP) 2021 – 2027 Provincie Gelderland is op 26 februari 2019 vastgesteld. In het Provinciaal Waterprogramma 2021-2027 zijn de opgaven van de Europese Kaderrichtlijn Water, het Nationaal Bestuursakkoord Water en het Nationaal Waterplan vertaald naar strategische doelstellingen voor Gelderland.
Het Waterplan is onderverdeeld in drie deelprogramma’s: − Waterveiligheid: het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit het primaire en het regionale watersysteem. − Waterkwaliteit: Dit programma draait om het tegengaan van verontreinigingen en kwaliteit van zowel oppervlaktewater als grondwater. De drinkwatervoorzieningen worden ook beschermd. − Klimaatadaptatie: de verspilling moet worden aangepakt. De provincie wil een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch). In het plan zijn deze programma’s verder uitgewerkt in maatregelen, in samenhang met economische, milieu- en maatschappelijke opgaven. Dit heeft geleid tot een integrale visie op de ontwikkeling van de provincie Gelderland. In de Omgevingsverordening is onder andere regelgeving opgenomen voor de regionale en primaire waterkeringen. Voor bestemmingsplannen c.q.
wijzigingsplannen zijn randvoorwaarden opgenomen die een onbelemmerde werking, instandhouding en het onderhoud van de primaire en regionale waterkeringen mogelijk maken, Dit geldt voor de beschermingszone en de kernzone die hoort bij de waterkeringen zoals opgenomen in de vastgestelde leggers van de waterschappen.
38
Waterschapsbeleid - Waterbeheerprogramma 2022-2027 Vallei en Veluwe Op 22 november 2021 is het blauw omgevingsprogramma (BOP) van waterschap Vallei en Veluwe vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende vier programma’s: − Waterveiligheid: Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit het primaire en het regionale watersysteem. − Watersysteem: Dit programma draait om een goed functionerend watersysteem s: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap onder ander op kwaliteit van het water en de verbinding met andere instellingen. − Wonen en zuiveren: In het programma ‘Wonen en zuiveren’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol. Verder vormt een waterinclusieve bebouwde omgeving een speerpunt. − Circulaire economie: Afvalvermindering, slim hergebruik en optimalisatie van de verschillende installaties zijn voorbeelden van opgaven. − Energietransitie: Het waterschap wil een proactieve rol innemen in de energietransitie. Dat vraagt om een duurzame opwekking van de energie of het tegengaan van verspilling in de processen.
Deze thema’s worden in het vervolg van het document verfijnd uitgewerkt per deelgebied, waarmee de doelstellingen inzichtelijker worden weergegeven. Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het BOP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; verordening, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen. 4.9.2
Toetsing Uit de digitale watertoets3 blijkt dat het project onder de korte procedure valt. Navolgend wordt ingegaan op diverse waterhuishoudkundige aspecten voor voorliggend besluitgebied. Waterkering Raadpleging van de legger van het Waterschap Vallei en Veluwe wijst uit dat het besluitgebied niet is gelegen binnen de beschermingszone van een waterkering. Het project ligt wel nabij een A- en B-watergang, maar raakt deze niet. Waterwingebied / grondwaterbescherming Raadpleging van de Omgevingsverordening Gelderland wijst uit dat het besluitgebied niet is gelegen in een waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied.
3
Hetwateradvies.nl (n.d.) Digitaal wateradvies (2025). 10 september 2025.
39
Verharding In de huidige situatie is het deel van de kruising en de oversteekplaatsen in het besluitgebied reeds verhard. In de toekomstige situatie zal de verharding met 4 m 2 toenemen. De afwatering van de weg vindt plaats in de bermen, met uitzondering van een aantal plekken bij de fietsoversteken bij de rotonde en langs de Hoofdlaan en de Beukenlaan. De ligging van de aansluitingen van de straatkolken op de riolering wordt in een later stadium vastgelegd. Watercompensatie Raadpleging van de legger van het Waterschap Vallei en Veluwe wijst verder uit dat het besluitgebied niet is gelegen binnen de beschermingszone van een watergang. Voor deze ontwikkeling hoeft geen oppervlaktewater gedempt te worden.
Legger watersystemen Waterschap Vallei en Veluwe, waarbij het besluitgebiedis aangegeven met een zwarte stip (bron: Waterschap Vallei en Veluwe).
4.9.3
Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit project.
4.10
Klimaatadaptatie
4.10.1
Algemeen Het klimaatadaptatie beleid in Nederland is vastgelegd in verschillende nationale, provinciale en gemeentelijke beleidstukken. Dit zal hieronder nader worden toegelicht. De landelijke aanpak gebeurt vanuit twee programma’s: het nationaal Deltaprogramma en de Nationale klimaatadaptatiestrategie (NAS).
40
Rijksbeleid - Nationale klimaatadaptatiestrategie (NAS) De Nationale klimaatadaptatiestrategie (NAS) is de overkoepelende Nederlandse strategie op het gebied van klimaatadaptatie. Deze strategie uit 2016 beschrijft de belangrijkste klimaatrisico’s voor Nederland en zet de koers uit om deze risico’s aan te pakken. Het programmateam NAS heeft deze koers vertaald naar plannen en acties in het uitvoeringsprogramma 2018 - 2019. Dit programma richt zich op sectoren, ketens, thema’s en klimaatrisico’s die niet in het Deltaprogramma en het Deltaplan Ruimtelijke adaptatie voorkomen en vult een aantal thema’s hieruit aan. Met het rapport ‘Nationaal perspectief klimaatadaptatie’ uit 2020 blikt het team terug op wat er tot dan toe bereikt is en biedt het perspectief voor de toekomst. Rijksbeleid - Nationaal Deltaprogramma In het nationaal Deltaprogramma staat hoe de overheid Nederland beschermt tegen overstromingen, zorgt voor voldoende zoetwater en werkt aan een klimaatbestendige en waterrobuuste inrichting. Het Rijk, provincies, gemeenten, waterschappen, Rijkswaterstaat en verschillende maatschappelijke organisaties werken vanuit het Deltaprogramma samen aan deze opgaven, onder leiding van de Deltacommissaris.
Het programma is opgebouwd rond drie thema’s: − Deltaprogramma Waterveiligheid − Deltaprogramma Zoetwater − Deltaprogramma Ruimtelijke adaptatie Alle drie de programma’s bevatten een Deltabeslissing (nationale kaders die voor heel Nederland gelden) en een Deltaplan (concrete maatregelen voor de uitvoering van het beleid). In de Deltabeslissing Ruimtelijke adaptatie staat het nationale beleid voor de inrichting van waterrobuuste en klimaatbestendige gebieden. Het plan is opgesteld in 2018 en opgebouwd uit zeven ambities: kwetsbaarheid in beeld brengen, risicodialoog voeren en strategie opstellen, uitvoeringsagenda opstellen, meekoppelkansen benutten, stimuleren en faciliteren, reguleren en borgen, en handelen bij calamiteiten. Kamerbrief ‘Landelijke maatlaat voor een groene, klimaatadaptieve gebouwde omgeving en verkenning groennorm’ Op 23 maart 2023 is kamerbrief ‘Landelijke maatlaat voor een groene, klimaatadaptieve gebouwde omgeving en verkenning groennorm’ aangeboden aan de Tweede Kamer. De ontwikkeling van de maatlat sluit aan op uitdrukkelijk advies van de Deltacommissaris om landelijk tot een consensus te komen over klimaatadaptief bouwen. De maatlat schept het kader voor klimaatadaptief bouwen en richt zich op locatie-inrichting en bouwwijze. De maatlat behandeld de klimaatthema’s hitte, wateroverlast, droogte en gevolgbeperking van overstromingen.
Daarnaast worden ook de thema’s bodemdaling en biodiversiteit betrokken. Parallel aan de maatlat worden er met de kamerbrief ‘Water en Bodem Sturend ’ randvoorwaarden uitgewerkt voor de locatiekeuze voor nieuwe ontwikkelingen. De maatlat moet een impuls geven om groene klimaatbestendige gebieden en gebouwen te kunnen realiseren die ook bijdragen aan biodiversiteit en gezondheid.
41
Om klimaatadaptief bouwen en inrichten standaard te maken, worden de mogelijkheden verkend om voor juridische borging van de maatlat. Op dit moment is deze echter nog niet juridisch gewaarborgd. Gezien de (omvang van de) bouwopgave, de urgentie van extremer weer door klimaatveranderingen en de wens om daarin geen kansen te missen, wordt het gebruik van de maatlat zoveel mogelijk gestimuleerd. Provinciaal beleid – Omgevingsvisie- en verordening Gaaf Gelderland Het veranderend klimaat gaat aan niemand voorbij en raakt alle facetten van de omgeving. Zoals de Gelderse natuur – met haar vele grote en kleinere rivieren en rijkdom aan dier- en plantsoorten. Maar ook onze eigen gezondheid en veiligheid. De provincie wil hierop voorbereid zijn, daarom zetten ze vooral en eerst in op het tegengaan van de risico’s en gevaren van de klimaatverandering. Bij de aanleg, inrichting, veiligheid en leefbaarheid van de gebouwde omgeving – steden, dorpen, bedrijventerreinen – neemt de Provincie de gevolgen van het veranderende klimaat mee en maken afspraken over hoe met de risico’s om te gaan. Ambities − In 2050 is Gelderland klimaatbestendig. Ze zijn goed voorbereid en toegerust op de gevolgen van klimaatverandering: wateroverlast, droogte, hittestress en overstromingsgevaar.
− In 2020 hebben ze samen met partners de risico’s en kansen van het veranderend klimaat in beeld gebracht en strategieën opgesteld die leidraad zijn voor ons handelen. In artikel 5.85 van de Omgevingsverordening Gelderland is het volgende artikel opgenomen: Artikel 5.85 (klimaatadaptatie) 1. Voor zover een bestemmingsplan een nieuwe activiteit of ontwikkeling mogelijk maakt, bevat de toelichting bij het bestemmingsplan een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de risico’s van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. 2. In de beschrijving worden in ieder geval de volgende aspecten betrokken: − waterveiligheid; − wateroverlast; − droogte; en − hitte. 3. De beschrijving wordt opgesteld na overleg met in ieder geval het dagelijks bestuur van het waterschap waar de activiteit wordt verricht of de ontwikkeling plaatsvindt. 4.10.2
Toetsing Het voorliggende project ziet op de realisatie van een rotonde op de kruising van de Oude Rijksweg (N798) en de Hoofdlaan in Putten. Het beoogde besluitgebied ligt 18 meter boven NAP en bevindt zich daarmee niet in een direct dreigingsgebied in het geval van overstromingen. De verwachting is dat wateroverlast gering zal zijn
42
omdat water gemakkelijk kan afstromen naar lager geleden gebieden en op en rondom het perceel voornamelijk onverharde grond aanwezig is. Verder is de directe omgeving van het projectgebied een groen gebied met veel schaduwbeschutting dankzij de reeds aanwezige bomen, en de aan te planten bomen. Hiermee kan gesteld worden dat het project voldoet aan de landelijke richtlijnen voor klimaatadaptatie. 4.10.3
Conclusie Bij de planvorming is rekening gehouden met het aspect klimaatadaptatie.
4.11
Duurzaamheid
4.11.1
Algemeen Duurzaamheid krijgt een steeds prominentere rol in onze samenleving. Duurzaamheid wordt gedefinieerd als: ‘het waarborgen van de bestaansmogelijkheden van alle mensen op aarde, hier en nu, elders en later’. In de Omgevingswet worden verschillende instrumenten genoemd die gebruikt kunnen worden om invulling te geven aan duurzaamheid: een omgevingswaarde, de omgevingsvisie, het programma, het omgevingsplan en instructieregels. De gemeentes kunnen zelf bepalen hoe het aspect duurzaamheid wordt meegenomen in het gemeentelijk beleid en het beoordelingskader kan dus per gemeente sterk verschillen.
4.11.2
Toetsing Het voorliggende project ziet op de realisatie van een rotonde op de kruising van de Oude Rijksweg (N798) en de Hoofdlaan in Putten. Het doel hiervan is om de verkeersveiligheid te verbeteren, onder andere voor langzaam verkeer. Dit kan mensen stimuleren om gebruik te maken van duurzamere vormen van mobiliteit en zo invloed hebben op de CO2-uitstoot.
4.11.3
Conclusie Bij de planvorming is wel rekening gehouden met duurzaamheid.
4.12
Natuur
4.12.1
Algemeen
4.12.1.1
Soortenbescherming Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het plangebied. De Omgevingswet beschermt bepaalde plant- en diersoorten. Het gaat hoofdzakelijk om soorten van Europees belang die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen. Daarnaast betreft het bepaalde soorten van nationaal belang. In principe zijn provincies verantwoordelijk voor de bescherming van soorten (artikel 2.18, lid 1, sub f). Echter kunnen ook andere overheden actief beleid voeren. Zo is het vaststellen van een programma voor soortenbescherming een mogelijkheid.
43
Soortenbescherming is in de Omgevingswet vooral gericht op het reguleren van flora-en fauna-activiteiten. Een flora en fauna-activiteit is een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. Door deze brede formulering van een flora- en fauna-activiteit is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving nodig om te controleren of: 1 er soorten aanwezig zijn; 2 welke soorten dat zijn. Voordat een flora en fauna-activiteit mag worden verricht, moet gecontroleerd worden of er aanwijzingen zijn dat op die plek of in de directe nabijheid bepaalde beschermde soorten of habitats voorkomen. Als er aanwijzingen zijn dat deze aanwezig zijn, dan is het verplicht om na te gaan of nadelige gevolgen voor die dieren of planten uit te sluiten zijn. Als nadelige gevolgen niet uitgesloten kunnen worden, moet degene die de activiteit verricht alle passende preventieve maatregelen treffen om nadelige gevolgen voor dier- en plantensoorten te voorkomen. Voor schadelijke handelingen geldt in de meeste gevallen een vergunningplicht. In een aantal gevallen is echter ook sprake van een vrijstelling. 4.12.1.2
Gebiedsbescherming De bescherming van natuurgebieden is tweeledig; het Rijk is verantwoordelijk voor de bescherming van Natura 2000-gebieden en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een verantwoordelijkheid van de provincies. Natura 2000 Een Natura 2000-gebied is een beschermd natuurgebied van Europees belang. Bescherming van deze gebieden is nodig voor het behoud van de biodiversiteit (soortenrijkdom) en om te voldoen aan de verplichtingen van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Nieuwe ontwikkelingen (activiteiten) die - afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten – significant negatieve gevolgen kunnen hebben op een Natura 2000-gebied, zijn onder de Omgevingswet gedefinieerd als ‘Natura 2000-activiteit’. Deze kunnen zowel binnen als buiten een Natura 2000-gebied plaatsvinden. In de meeste gevallen vindt de activiteit echter plaats buiten een Natura 2000-gebied. Ook dan kan een activiteit effect hebben op het Natura 2000-gebied. Dit wordt ook wel de 'externe werking van een Natura 2000-gebied' genoemd. Als het effect significant kan zijn, is in veel gevallen een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit nodig. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is verankerd in de omgevingsverordening van de provincies.
Daarin zijn de wezenlijke kenmerken en waarden van NNN-gebieden vastgelegd en zijn regels gesteld in het belang van de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de kenmerken en waarden van NNN-gebieden.
44
4.12.2 4.12.2.1
Toetsing Quick scan flora- en fauna In het kader van het voorliggende project is een quick scan flora- en fauna-activiteit uitgevoerd4. De resultaten worden navolgend besproken: Beschermde soorten Het uitgangspunt bij het onderdeel soortenbescherming (toetsing flora- en faunaactiviteit) is dat geen schade mag worden toegebracht aan beschermde dieren of planten. Op basis van de quick scan kunnen negatieve effecten op beschermde soorten niet worden uitgesloten. Voor de volgende soortgroepen zijn maatregelen nodig: − Vleermuizen: in de acht aanwezige beuken zijn mogelijk verblijfplaatsen van boom bewonende vleermuizen aanwezig. Met het kappen van de bomen zullen deze mogelijke verblijfplaatsen verdwijnen. Daarom is nader onderzoek naar vleermuisverblijfplaatsen noodzakelijk. − Grondgebonden zoogdieren: de in het besluitgebiedaanwezige houtsingel vormt mogelijk een essentieel leefgebied voor kleine marterachtigen. Met het verwijderen van een gedeelte van de houtsingel zullen eventuele verblijfplaatsen verdwijnen. Daarom is nader onderzoek naar kleine marterachtigen m.b.v. Struikrovervallen® noodzakelijk. − Vogels: de werkzaamheden dienen buiten het broedseizoen voor vogels uitgevoerd te worden. De periode van 1 maart tot 15 juli wordt over het algemeen beschouwd als broedseizoen.
Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn mogelijk indien door een ecologisch deskundige, middels een broedvogelinspectie, voorafgaand aan de werkzaamheden is vastgesteld dat er met deze werkzaamheden geen nesten van broedvogels worden verstoord. Voor de Omgevingswet zijn echter alle bewoonde vogelnesten beschermd, ongeacht het tijdstip van het jaar en de zeldzaamheid van de soort. − Ongewervelden: in de houtsingel is een zoete kers aanwezig. De zoete kers is een waardplant van de grote vos. Met het verwijderen van een gedeelte van de houtsingel zijn negatieve effecten op de grote vos te verwachten. Daarom is nader onderzoek naar de grote vos noodzakelijk. Nader onderzoek Op basis van de quick scan dient nader onderzoek uitgevoerd te worden naar vleermuisverblijfplaatsen, kleine marterachtigen en de grote vos. Bescherming gebieden Negatieve effecten van stikstof op Natura 2000-gebieden als gevolg van de werkzaamheden kunnen niet worden uitgesloten. In de gebruiksfase wordt geen toename van stikstofdepositie verwacht. Enkel voor de aanleg-/bouwfase is daarom een stikstofberekening noodzakelijk. Bescherming houtopstanden 4
Eelerwoude (2025). Quickscan Flora- en fauna-activiteit en voortoets, Aanleg rotonde, N798 Putten. Projectnummer: 207578. 1 april 2025.
45
Het plangebied bevindt zich deels binnen en deels buiten de bebouwingscontour houtkap. Hieronder wordt voor beide gebieden afzonderlijk toegelicht wat de gevolgen zijn van de voorgenomen ontwikkeling. − Binnen de bebouwingscontour houtkap: De acht beuken (afbeelding 6) en één gewone esdoorn bevinden zich binnen de bebouwingscontour houtkap. Volgens de gemeentelijke regelgeving kan voor het kappen van deze bomen een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit vereist zijn. Dit is geregeld in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van de gemeente. Om zekerheid te verkrijgen over de vergunningsplicht wordt geadviseerd contact op te nemen met de gemeente Putten. − Buiten de bebouwingscontour houtkap: Het is op dit moment nog niet vastgesteld welke en hoeveel bomen in de houtsingel (afbeelding 7, 8 en 9) zullen worden gekapt. Conform artikel 11.111, onder j, van het Besluit activiteiten leefomgeving geldt dat houtopstanden die een kleinere oppervlakte beslaan dan 10 are, of bestaan uit een rijbeplanting van maximaal 20 bomen (gerekend over het totaal aantal rijen), zijn vrijgesteld van de meld- en herplantplicht voor het kappen. Voordat de werkzaamheden worden uitgevoerd, dient de te kappen oppervlakte/het aantal te kappen bomen worden vastgesteld en op basis daarvan worden bepaald of een meld- en herplantplicht van toepassing is.
Gelders Natuurnetwerk Het plangebied en de directe omgeving maken geen onderdeel uit van het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO). Het GNN en de GO kennen in deze provincie geen externe werking. Een toetsing aan het natuurbeleid is daarom niet noodzakelijk. 4.12.2.2
Stikstofdepositie In de natuurtoets is opgenomen dat in de gebruiksfase geen toename van stikstofdepositie wordt verwacht. De rotonde is op zichzelf geen factor die invloed heeft op de verkeersstromen zoals die bestaan in de bestaande verkeerssituatie. Er is ook geen sprake van een directe toename van het aantal verkeersbewegingen. Dit betekent dat alleen een onderzoek stikstofdepositie nodig is voor de aanlegfase van het project. Dit gaat alleen op in het geval dat er wordt gewerkt met bouwvoertuigen die op aardgas rijden. In het geval van voorliggende ontwikkeling zullen de werkzaamheden zero-emissie uitgevoerd worden door gebruik te maken van elektrisch materieel. Gezien voorgaande is een onderzoek stikstofdepositie niet noodzakelijk. Voorbeschermingsregels beperkingengebied stikstofemissie Gelderland De provincie Gelderland heeft voorbeschermingsregels beperkingengebied stikstofemissie Gelderland vastgesteld, welke vanaf 23 april 2025 gelden in aanvulling op de regels van de Omgevingsverordening Gelderland. Hierin is geregeld dat het in en rondom Natura 2000-gebied Veluwe verboden is om zonder omgevingsvergunning een nieuwe activiteit met stikstofdepositie op de stikstofgevoelige natuur te
46
verrichten of een bestaande activiteit uit te breiden. Een klein deel van het besluitgebied ligt binnen het beperkingengebied. De voorgenomen werkzaamheden voor voorliggende ontwikkeling worden zero-emissie uitgevoerd. Het is daarom niet noodzakelijk om een omgevingsvergunning aan te vragen. 4.12.2.3
Bescherming houtopstanden In voorliggend project worden er 9 bomen gekapt. Er worden geen bomen gekapt in de houtsingel die buiten de bebouwingscontour houtkap ligt. De 9 te kappen bomen liggen allen binnen de bebouwingscontour houtkap. In paragraaf 3.4.2 is het plan getoetst aan de APV van de gemeente Putten. Hieruit volgt dat geen vergunning noodzakelijk is voor de kap van de bomen.
4.12.2.4
Nader natuuronderzoek In het nader onderzoek5 zijn de mogelijk aanwezige soorten verder onderzocht. Uit deze quick scan kwam naar voren dat in verband met het verwijderen van struweel nader onderzoek naar grote vos en kleine marterachtigen noodzakelijk is. Vanwege de kap van een aantal bomen met holtes is nader onderzoek naar vleermuizen benodigd. Ten opzichte van de quick scan is het planvoornemen gewijzigd, waarbij het struweel behouden blijft. Uit het onderzoek komt naar voren dat de houtwal in het projectgebied een onderdeel uitmaakt van het leefgebied van de beschermde soorten steenmarter en bunzing. Vanwege het sporadische gebruik is er geen sprake van een essentiële functie. Verder naar het noorden zijn alternatieve migratieroutes beschikbaar in de vorm van houtwallen rond de agrarische percelen. Er is geen functie voor de grote vos. Daarbij blijft met het nieuwe ontwerp de houtwal behouden. De te kappen bomen hebben geen functie voor boombewonende vleermuizen. Er is geen sprake van een vergunningsplichtige handeling. Een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit of het nemen van extra maatregelen is niet aan de orde. Wel worden beschermende maatregelen aangaande lichtoverlast aanbevolen.
4.12.3
Conclusie Het aspect natuur vormt geen belemmering voor voorliggende ontwikkeling.
4.13
Archeologie
4.13.1
Algemeen Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met archeologische waarden. De Omgevingswet schrijft voor dat het aspect archeologie een plek heeft in het omgevingsplan. In het omgevingsplan is vastgesteld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden
5
Eelerwoude (2025). Nader onderzoek Flora en Fauna, Rotonde Putten N798. Projectnummer 207578. 26 september 2025.
47
omgegaan. In beginsel moet de gemeente aan projecten kleiner dan 100 m 2 vrijstelling verlenen van de verplichting tot archeologisch onderzoek (artikel 5.130 lid 4 Bkl). Met een inhoudelijke onderbouwing kan de gemeente echter afwijken van deze vrijstellingsgrens. De instructieregels voor de omgang met archeologie in het omgevingsplan zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.130, eerste lid). Uitgangspunt is dat bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. De archeologische verwachtingswaarde en de omgang daarmee legt de gemeente vast in het omgevingsplan (artikel 5.130 lid 3, 4 en 5 Bkl). Wanneer er een archeologische verwachtingswaarde is voor het besluitgebied moet er een archeologisch onderzoek uitgevoerd worden conform de door de gemeente gestelde voorwaarden. De uitkomsten van het onderzoek bepalen of vervolgonderzoek nodig is en of de bodemroerende werkzaamheden kunnen plaatsvinden. 4.13.2
Toetsing Het voorliggende project ziet op de realisatie van een rotonde op de kruising van de Oude Rijksweg (N798) en de Hoofdlaan in Putten. Op basis van de bestemmingsplannen zoals opgenomen in het (tijdelijke) omgevingsplan heeft een deel van het besluitgebied de functie ‘Waarde – Archeologie 2’ en een ander deel de functie ’Waarde – Archeologie – hoge verwachting’. In beide gevallen geldt dat bij bodemingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 40 cm onder het maaiveld een archeologisch rapport overlegd moet worden. De regioarcheoloog heeft aangegeven dat de gronden in het besluitgebied reeds geroerd zijn en dat nader onderzoek naar archeologie daarom niet nodig is. Verder geldt dat het besluitgebied zich buiten de door Provincie Gelderland aangemerkte gebieden bevindt, zoals te zien is navolgende kaart. Het besluitgebied bevindt zich niet op een ‘Terrein van hoge archeologische waarde’ en is tevens ver gelegen van historisch aanmerkbare ‘agrarische’ of ‘religieuze’ functies.
48
Uitsnede archeologische beleidskaart, waarbij het besluitgebied globaal met zwart is omcirkeld. De blauw stip betreft een rijksmonument, en de rode stippen eerder vastgestelde archeologische waarden (bron: Gemeente Putten, 2012).
4.13.3
Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor voorliggend project.
4.14
Cultuurhistorie
4.14.1
Algemeen Gemeenten moeten in hun omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Uit Europees beleid volgt dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van cultuurhistorische waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.130, eerste lid) zijn instructieregels opgenomen die zich richten op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, (voorbeschermde) Rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van Rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.
4.14.2
Toetsing De N798 tussen Nijkerk in Putten is al van oudsher een belangrijk verbinding tussen de twee dorpen en vormt een kenmerkende lijn in het landschap. Ook de 49
omliggende landschappen laten het karakter van het landschap goed zien met het aanwezige bos- en akkerlandschap. Voor de beoordeling van de cultuurhistorische waarde van het besluitgebied is de kaart ‘Historisch landschap, historische stedenbouw en archeologie’ van de Provincie Gelderland geraadpleegd. Hieruit volgt dat een deel van de oude Rijksweg bekend staat als een historische weg/pad. Ter plaatse van het besluitgebied is dit niet het geval. Wel is het besluitgebied onderdeel van een droge kampontginning aan de noordoostzijde. Kenmerkend voor dit type landschap zijn kleine, individuele akkers, afgesloten door houtwallen, waarbij de boerderijen vroeger verspreid aan de rand van deze akkers lagen. Voorliggende ontwikkeling zal geen invloed hebben op de cultuurhistorische waarde van de omgeving. 4.14.3
Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit project.
4.15
Ontplofbare oorlogsresten
4.15.1
Algemeen In en nabij het besluitgebied hebben gedurende de Tweede Wereldoorlog diverse gevechtshandelingen plaatsgevonden. Omdat in het kader van de voorgenomen ontwikkeling bouw- en aanlegactiviteiten plaatvinden waarbij grondroerende werkzaamheden plaatsvinden, wordt geadviseerd onderzoek te doen naar de eventuele aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten c.q. conventionele explosieven.
4.15.2
Toetsing Het voorliggende project ziet op de realisatie van een rotonde op de kruising van de Oude Rijksweg (N798) en de Hoofdlaan in Putten. Aangezien in het besluitgebied graafwerkzaamheden plaatsvinden wordt een onderzoek ontplofbare oorlogsresten uitgevoerd voorafgaand aan de bouwwerkzaamheden. Wanneer op basis hiervan vervolgonderzoek noodzakelijk is, dan zal het aspect ontplofbare oorlogsresten nader worden onderzocht.
4.15.3
Conclusie Het aspect ontplofbare oorlogsresten vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit project.
4.16
Mobiliteit en parkeren
4.16.1
Algemeen
4.16.1.1
Mobiliteit In de Omgevingswet is geen regelgeving opgenomen met betrekking tot mobiliteit en parkeren. De verkeersveiligheid is primair geborgd in de weg- en verkeerswetgeving, waaronder de Wegenverkeerswet. Daarnaast zijn richtlijnen opgenomen in het ASVV (Aanbevelingen voor Verkeersvoorzieningen Binnen de Bebouwde Kom).
50
4.16.1.2
Parkeren Bij nieuwe (ruimtelijke) ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving dient aangetoond te worden dat voorzien wordt in de aanleg en instandhouding van voldoende parkeergelegenheid. Hiertoe heeft de gemeente Harderwijk een parkeernormennota.
4.16.2
Toetsing Het voorliggende project ziet op de realisatie van een rotonde op de kruising van de Oude Rijksweg (N798) en de Hoofdlaan in Putten. De provincie Gelderland is verantwoordelijk voor het waarborgen en verbeteren van de kwaliteit, functionaliteit en veiligheid van de provinciale infrastructuur. Ten behoeve van het verbeteren van de verkeersveiligheid en daarbij het verlangzamen van gemotoriseerd verkeer nabij de bebouwde kom wordt een rotonde met een fiets- en voetgangersoversteekplaats gerealiseerd. Het voorliggende project ziet op de realisatie van een rotonde aan de Oude Rijksweg (N798) – Hoofdlaan Putten. Het project zorgt niet voor een toename in de verkeersgeneratie, maar is gericht op het verbeteren van de verkeersveiligheid.
4.16.3
Conclusie De aspecten mobiliteit en parkeren vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit project.
4.17
Ladder voor duurzame verstedelijking
4.17.1
Algemeen De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig gebruik van de ruimte en het tegengaan van leegstand. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.129g Bkl) is bepaald dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling de toepassing van de Ladder is vereist. Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zorgvuldig ruimtegebruik en de totstandkoming van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de Ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling ‘buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied’ mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen stedelijk gebied wordt voorzien. Wat onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bkl opgenomen. Een stedelijke ontwikkeling wordt gedefinieerd als ‘de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een 51
detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.’ Of een ontwikkeling of uitbreiding voldoende substantieel is volgt uit jurisprudentie. Daaruit blijkt onder meer dat een woningbouwontwikkeling die voorziet in de realisatie van meer dan 11 woningen binnen de bebouwde kom moet worden aangemerkt als woningbouwlocatie. Ook een kantoor, detailhandelsvoorziening of bedrijf met een oppervlakte van meer dan 500 m 2 brutovloeroppervlak kan worden beschouwd als een stedelijke ontwikkeling. 4.17.2
Toetsing Wat onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bkl opgenomen. Een stedelijke ontwikkeling is volgens het besluit ‘een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Uit jurisprudentie7 blijkt dat de aanpassing van een weg niet wordt aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Voor voorliggend project is een toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking dan ook niet vereist.
4.17.3
Conclusie Geconcludeerd wordt dat het voorliggend project niet wordt aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Voor voorliggend project is een toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking dan ook niet vereist.
4.18
Omgevingskwaliteit
4.18.1
Algemeen Een goede omgevingskwaliteit is een van de centrale doelstellingen van de Omgevingswet (artikel 1.3). De omgevingswet legt zowel initiatiefnemers als overheden een zorgplicht op voor verbetering van de omgevingskwaliteit. Om de omgevingskwaliteit te waarborgen zijn gemeenten verplicht dit aspect op te nemen in het omgevingsplan. Initiatiefnemers moeten het aspect opnemen bij de aanvraag van een omgevingsvergunning. Er is geen heldere definitie van het begrip omgevingskwaliteit. Onderdelen die bijdragen aan een goed omgevingskwaliteit zijn het stedenbouwkundige plan architectuur, natuur en landschap. Wanneer deze losse aspecten kwaliteit hebben leidt dat tot ’omgevingskwaliteit’. De gemeente is op basis van de artikelen 2.4 en 4.2 van de Omgevingswet verplicht dit aspect mee te nemen bij de évenwichtige toedeling van functies aan locaties’ (ETFAL). De gemeente is vrij om dit te doen door middel van beleid of door regels. Of het aspect omgevingskwaliteit getoetst moet worden aan het omgevingsplan of aan de omgevingsvisie is daarom afhankelijk van de keuze van de gemeente.
4.18.2
Toetsing Het voorliggende project ziet op de realisatie van een rotonde op de kruising van de Oude Rijksweg (N798) en de Hoofdlaan in Putten. Het uiteindelijke doel is om de verkeerssituatie te verbeteren. Als onderdeel van de ontwikkeling zullen bomen en hagen aangeplant worden. Dit wordt landschappelijk ingepast. 7
Zie hiervoor ook de uitspraak van de ABRvS d.d. 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:448).
52
4.18.3
Conclusie Het aspect omgevingskwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit project.
53
5 Uitvoerbaarheid 5.1
Economische uitvoerbaarheid Overheden zijn verplicht om de kosten te verhalen. Het afsluiten van een overeenkomst tussen de initiatiefnemer van de bouwactiviteit en het bevoegd gezag heeft daarbij de voorkeur. Als het niet mogelijk is een overeenkomst af te sluiten, is de publiekrechtelijke weg verplicht. Dan verhaalt het bevoegd gezag de kosten op basis van de regels in een omgevingsplan, een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit of een projectbesluit. Kostenverhaal geldt voor kostenverhaalplichtige activiteiten. Dat zijn: − aangewezen bouwactiviteiten; − aangewezen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen. Het overzicht van kostenverhaalplichtige activiteiten staat in artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit. De benodigde financiële middelen voor de maatregelen die met deze BOPA mogelijk worden gemaakt zijn opgenomen in de door Provinciale Staten vastgestelde begroting. Bij de begroting is niet alleen rekening gehouden met de realisatie van de aanpassingen maar ook met grondverwerving, planten van bomen en overige maatregelen en de eventuele financiële consequenties van planschade. Daarnaast is de economische uitvoerbaarheid verzekerd via de leges en legesverordening van de gemeente Putten. Gelet op het bovenstaande is de BOPA economisch uitvoerbaar.
5.2
Participatie en overleg
5.2.1
Participatie en overleg Op grond van artikel 10.2 van het Omgevingsbesluit wordt bij het vaststellen van een omgevingsplan aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn. Daarbij moet worden aangegeven op welke wijze invulling is gegeven aan het toepassen van eventueel gemeentelijk participatiebeleid. Het overleg met bestuursorganen kan beperkt blijven tot die overheidsinstanties waarmee overleg werkelijk noodzakelijk is om te voorkomen dat de taak of verantwoordelijkheid van het andere overheidsorgaan ontoelaatbaar wordt beperkt, of dat het door dat orgaan te behartigen belang aantoonbaar wordt benadeeld.
5.2.2
Omwonenden en gebruikers In oktober 2024 namen de colleges van provincie Gelderland en gemeente Putten gezamenlijk het besluit om op de plek van het kruispunt N798 Oude Rijksweg en de Hoofdlaan in Putten een rotonde aan te leggen. In januari 2025 is een informatieavond georganiseerd, waarbij het gezamenlijk besluit is toegelicht en waarbij een
54
oproep is gedaan om een klankbordgroep te vormen die zou meedenken hoe een rotonde op deze locatie het best kon worden ingepast. Deze klankbordgroep, bestaande uit bewoners, ondernemers, de dorpsraad, fietsersbond, Veilig Verkeer Nederland en de Bedrijvenkring Putten heeft haar opmerkingen op en aandachtpunten van de afzonderlijke varianten gegeven. Hiermee is het projectteam aan de slag gegaan om tot het gewenste maatwerk te komen. Parallel aan het participatieproces met de klankbordgroep hebben we keukentafelgesprekken gevoerd met grondeigenaren die mogelijk geraakt worden door één van de varianten. Naar aanleiding van deze gesprekken hebben we de westelijke aansluiting met het Schoonenoordpad geoptimaliseerd, waardoor we deze eigendommen niet meer raakten. Dit had ook het voordeel dat de houtwal, welke aan de noordwestzijde van de rotonde is gelegen, gehandhaafd kon blijven. Het ontwerp presenteerden we als initiatiefnemers tijdens de inloopavond (17 april 2025) en het definitief ontwerp is mei 2025 door de stuurgroep vastgesteld. 5.2.3
Procedure Nadat de gemeente een besluit heeft genomen over de omgevingsvergunning, besluit bestaat er de mogelijkheid om bezwaar in te dienen bij de gemeente (college van burgemeester en wethouders). De wijze waarop dit kan, wordt uitgelegd in de bekendmaking van het besluit. Het bezwaar wordt behandeld door een onafhankelijke bezwaarschriftencommissie. Deze commissie adviseert aan het college van burgemeester en wethouders over het besluit waartegen bezwaar is ingediend. Het college van burgemeester en wethouders neemt uiteindelijk het besluit over het bezwaar (beslissing op bezwaar). Tegen dit besluit kan vervolgens bij de rechtbank in beroep worden gegaan. Uiteindelijk kan tegen de uitspraak van de rechtbank nog hoger beroep worden ingesteld bij de Raad van State (afdeling Bestuursrechtspraak).
55
6 Evenwichtige toedeling van functies aan locaties In het kader van de Omgevingswet wordt gestreefd naar een 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. Om te komen tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, zijn enkele algemene doelen geformuleerd in artikel 1.3 Omgevingswet. Hierin staat dat de bepalingen in de wet gericht zijn op het volgende: − het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur. − het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. In de voorliggende motivering zijn de werkzaamheden die noodzakelijk zijn voor de realisatie van een rotonde op de kruising van de Oude Rijksweg (N798) met de Hoofdlaan in Putten aan uiteenlopende aspecten en thema’s van de fysieke leefomgeving getoetst. Het voorliggend project is niet in strijd met het landelijk, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid. Het voorliggend project voldoet aan de wettelijke kaders van de verschillende milieu- en omgevingsaspecten. De wijzigingen zullen de omliggende functies niet belemmeren en daarnaast vormen de omliggende functies geen belemmeringen voor de nieuwe ontwikkeling. Daarnaast zal het project de verkeersveiligheid ten goede komen.
Daarom kan geconcludeerd worden dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In de toekomstige situatie zal sprake zijn van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en wordt voorzien in een maatschappelijke behoefte.
56
57