CConstaterende datPutten
Koppel je AI →
Document · PDF

Halvinkhuizen Fase 1_TOELICHTING

Commissie Ruimte 9 november 2023, gemeente PuttenBij agendapunt: Bestemmingsplan en grondexploitatie Halvinkhuizen fase 120.845 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Halvinkhuizen Fase 1

33

Voorts voorziet de Wet natuurbescherming in de bescherming van planten- en diersoorten binnen en buiten de beschermde natuurgebieden. Het uitgangspunt is dat beschermde planten- en diersoorten geen schade mogen ondervinden. Voor het uitvoeren van werkzaamheden in de openbare ruimte is het niet altijd nodig een vrijstelling of een ontheffing aan te vragen. Voor onder andere reguliere werkzaamheden of ruimtelijke ontwikkelingen geldt een vrijstelling voor beschermde soorten op voorwaarde dat gehandeld wordt volgens een goedgekeurde gedragscode. Verder worden vrijstellingsregelingen op de nationaal beschermde soorten per provincie vastgesteld. Wanneer het onmogelijk is schade aan streng beschermde planten en dieren tijdens ruimtelijke ontwikkelingen en inrichting te voorkomen, moet altijd een ontheffing worden aangevraagd. De voorwaarden verbonden aan een vrijstelling of een ontheffing zijn afhankelijk van de status van de plantenen diersoorten die in het plangebied voorkomen. Zorgplicht Voorts geldt bij uitvoering van werkzaamheden ten allen tijde een de algemene zorgplicht (artikel 1.11 Wet natuurbescherming). Deze schrijft voor dat nadelige gevolgen voor flora en fauna zoveel als mogelijk voorkomen moeten worden.

Dit betekent dat wanneer tijdens uitvoering van de werkzaamheden een algemeen beschermde soort als konijn, veldmuis of gewone pad wordt aangetroffen zij de ruimte en tijd moet krijgen om een veilig heenkomen te zoeken. Indien nodig kunnen aangetroffen exemplaren verplaatst worden naar een naastgelegen ruimte waar geen werkzaamheden uitgevoerd worden. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. In het NNN liggen onder andere bestaande natuurgebieden en alle Natura 2000gebieden. Het NNN is op provinciaal niveau uitgewerkt en middels ruimtelijke nota's en verordeningen voorzien van juridische doorwerking. In sommige provincies bestaan er naast het NNN ook nog andere groene zones die een zekere mate van bescherming genieten. 5.2.2

Gebiedsbescherming

Het plangebied ligt op ruim 1500 meter ten westen van Natura-2000 gebied Veluwe. Het plangebied is geen onderdeel van Natuurnetwerk Nederland. Het dichtstbijzijnde onderdeel ligt op ruim 900 meter afstand. Het meest dichtbijgelegen weidevogelgebied betreft Nijkerkernauw-Wolderwijd gelegen op een afstand van ruim 3200 meter. Gelet op de ruime onderlinge afstanden, kunnen directe effecten zoals areaalverlies en versnippering van voorgenoemde gebieden worden uitgesloten. Tenslotte kan verstoring van natuurgebieden als verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten. Een uitgebreide beschrijving, beoordeling en aanvullend onderzoek is daarom niet noodzakelijk. Aanvullend is wel extra aandacht besteed aan de mogelijke verzuring en vermesting van een habitat ten gevolge van stikstofdepositie. Stikstofdepositie Sinds 2015 was het Programma Aanpak Stikstof (hierna: PAS) van kracht. Het programma bevatte een integrale beoordeling van de bron- en gebiedsgerichte maatregelen voor de aanpak van de stikstofproblematiek. Deze maatregelen werden getroffen in en nabij de Natura 2000-gebieden die onderdeel zijn van het PAS. Als gevolg van de uitspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1603) geldt het PAS voor geen enkel Natura 2000-gebied meer. Dit betekent ook dat de collectieve passende beoordeling via het PAS door de uitspraak is komen te vervallen.

Met de AERIUS Calculator kunnen de effecten van ruimtelijke ontwikkelingen op Natura 2000-gebieden worden bepaald. Door de uitspraak is in het kader van dit bestemmingsplan ook gekeken naar de mogelijk te verwachten effecten. Het dichtstbijzijnde Natura-2000 gebied betreft 'Veluwe' op circa 2 kilometer ten oosten van het plangebied. Door Tauw is voor Halvinkhuizen Fase 1 een stikstofdepositieberekening uitgevoerd met behulp van de AERIUS Calculator. Het rapport is opgenomen in Bijlage 5.

Halvinkhuizen Fase 1

34

Aanlegfase "Met het rekenmodel AERIUS is voor de aanlegfase een maximum stikstofdepositiebijdrage op (naderend) overbelaste habitats of leefgebieden van soorten berekend van 0,06 mol/ha op Natura 2000-gebied Veluwe voor de maatgevende periode van 12 maanden. Dit geeft een totale maximale stikstofdepositiebijdrage voor de hele aanlegfase van 0,18 mol/ha. Er is geen sprake van een depositiebijdrage op andere Natura 2000-gebied dan de Veluwe. De landbouwgrond die nu in het plangebied van fase 1 aanwezig is zal uit productie worden genomen voor de realisatie van het plan. Op deze gronden vindt in de huidige situatie bemesting plaats (zie verder hoofdstuk 6). Wanneer het wegvallen van ammoniakemissies door bemesting in de berekening als interne saldering wordt meegenomen, dan wordt nergens (op geen enkel AERIUS hexagoon) een netto toename in stikstofdepositie berekend. Daarmee zijn er voor de gebruiksfase geen negatieve effecten te verwachten op stikstofgevoelige natuur in Natura 2000- gebieden ten gevolge van het plan. Het aspect stikstofdepositie vormt daarmee geen belemmering voor het vaststellen van het plan. " Gebruikersfase "Met het rekenmodel AERIUS is voor de gebruiksfase een maximum stikstofdepositiebijdrage op (naderend) overbelaste habitats of leefgebieden van soorten berekend van 0,05 mol/ha/jaar voor Natura 2000-gebied Veluwe.

Dit is zonder rekening te houden met interne saldering met bemeste landbouwgrond (8 ha). De landbouwgrond die nu in het plangebied van fase 1 aanwezig is zal uit productie worden genomen voor de realisatie van het plan. Op deze gronden vindt in de huidige situatie bemesting plaats (zie verder hoofdstuk 6). Wanneer het wegvallen van ammoniakemissies door bemesting in de berekening als interne saldering wordt meegenomen, dan geldt dat netto nergens een toename in stikstofdepositie wordt berekend (beoogde situatie ten opzichte van de referentiesituatie). Het aspect stikstofdepositie in de gebruiksfase vormt daarmee geen belemmering voor het vaststellen van het plan. " 5.2.3

Soortenbescherming

Door TAUW is voor de ontwikkeling van Halvinkhuizen een ecologisch soortenonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek ziet op alle fasen van de ontwikkeling van Halvinkhuizen, inclusief fase 1. De rapportage is opgenomen als Bijlage 4. De resultaten van het onderzoek luiden als volgt: "In het plangebied zijn beschermde functies aanwezig van das, boommarter, vleermuizen, steenuil, kerkuil en huismus. In onderstaande tabel zijn de globale onderzoeksresultaten binnen het plangebied weergegeven.

Door het nemen van maatregelen kunnen verblijfplaatsen en vliegroutes van vleermuizen behouden blijven. De maatregelen bestaan uit het voorkomen van uitstralende verlichting richting verblijfplaatsen en

Halvinkhuizen Fase 1

35

essentiële vliegroutes van vleermuizen. Voorwaarde is dat de woningen langs de Hooiweg en Van Geenstraat 85 behouden blijven. Wanneer dit niet het geval is, is een ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig. Een ter zake kundig ecoloog dient betrokken te worden bij het opstellen van het verlichtingsplan, om te voorkomen dat er negatieve effecten optreden op beschermde functies van vleermuizen. Overige beschermde functies gaan permanent verloren bij de bouw van woningen in het plangebied. Dit is een overtreding van de Wet natuurbescherming, artikel 3.1 lid 2 (steenuil, kerkuil en huismus) en artikel 3.10 lid 1b (das en boommarter). Hiervoor is een ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig. Er zijn in het plangebied geen beschermde functies van bunzing, hermelijn, wezel, buizerd, sperwer, havik, boomvalk, roek, gierzwaluw en ransuil aanwezig." In de rapportage worden de volgende vervolgstappen benoemd: "Voor het perceel op Beitelweg 7 is nog helemaal geen vleermuisonderzoek uitgevoerd en dienen de resultaten voor huismus aangevuld te worden. Ook dient op dit perceel nader onderzocht te worden of verblijfplaatsen van steenmarter uitgesloten kunnen worden. Voor teunisbloempijlstaart is Hooiweg 22 tot en met 24 nog niet onderzocht.

Aangaande deze soorten en locaties dient het onderzoek als niet volledig te worden beschouwd en moet in een later stadium alsnog ecologisch onderzoek uitgevoerd te worden. Bij de Provincie Gelderland dient een ontheffing van de Wet natuurbescherming aangevraagd te worden. Voor een ontheffingsaanvraag is het noodzakelijk een activiteitenplan op te stellen. Hierin staat alle informatie over het voornemen, de onderzoeksresultaten en de effecten op populaties. Een belangrijk onderdeel zijn de maatregelen die genomen moeten worden om effecten op beschermde soorten te mitigeren en te compenseren. Daarnaast is het noodzakelijk het wettelijk belang aan te tonen van het voornemen. Ook moet aangetoond worden dat er geen reële alternatieven zijn om hetzelfde te bereiken, die gunstiger uitpakken voor de betreffende soorten." De conclusie van het rapport luidt: "Bij het nemen van de juiste mitigerende/compenserende maatregelen, die verwerkt worden in activiteitenplan inclusief een volledige alternatievenafweging en onderbouwing van het wettelijk belang kan de beoogde ontwikkeling doorgang ondervinden. Ook een wijziging van het bestemmingsplan is op dat moment redelijkerwijs uitvoerbaar." 5.2.4

Conclusie

Voorliggend bestemmingsplan ziet op fase 1 binnen de gehele ontwikkeling van Halvinkhuizen. Binnen de begrenzing van fase 1 zijn de gevolgen van de gewenste ontwikkeling op beschermde soorten in afdoende mate onderzocht. Zover dit volgt uit het onderzoek soortenbescherming zal voor realisatie bij de provincie Gelderland een ontheffing van de Wet natuurbescherming worden aangevraagd. Vanuit de gebiedsbescherming zijn er geen belemmeringen ten aanzien van onderhavig initiatief. 5.3

Bodemkwaliteit

5.3.1

Wettelijk kader

De Wet Bodembescherming schrijft voor dat in het kader van een ruimtelijk planologische procedure moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het gewenste nieuwe gebruik. De bodemkwaliteit kan (negatief) van invloed zijn op de gewenste nieuwe ontwikkeling. Indien sprake is van een functiewijziging zal er in veel gevallen een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd op de planlocatie. Door middel van een dergelijk onderzoek kan in beeld worden gebracht of de bodemkwaliteit en de beoogde functie van het plangebied bij elkaar passen.

Halvinkhuizen Fase 1

36

5.3.2

Resultaten onderzoek

Voorliggend initiatief voorziet in een functiewijziging van agrarisch naar woongebied. Door PJ Milieu BV is een historisch bodemonderzoek uitgevoerd conform NEN 5725. De onderzoeksrapportage is opgenomen als Bijlage 6. Voor dit onderzoek is de gehele ontwikkellocatie Halvinkhuizen aangehouden. Deze is gelegen tussen de Nijkerkerstraat, Enghuusweg, Roosendaalseweg, Hooiweg en Beitelweg. Op basis van het historisch bodemonderzoek blijkt dat voor delen van het plangebied bodemverontreinging verwacht wordt. Een verkennend bodemonderzoek moet hier voor de start van werkzaamheden uitsluitsel over geven.

Situatietekening met begrenzing nader te onderzoeken locaties en aanduiding plangebied (bron: PJ Milieu BV) Het plangebied valt wat betreft de nader te onderzoeken locaties deels binnen deelgebied 8 en 9. deze liggen voor een (klein) deel binnen het plangebied. Er zijn binnen het plangebied verder geen gevallen van (ernstige) bodemverontreiniging bekend. Mede gezien het feit dat (een deel van) de percelen binnen het plangebied bij de terinzagelegging van dit plan niet beschikbaar zijn voor onderzoek in het veld, zal dit later worden uitgevoerd. Bij aanvraag van omgevingsvergunning voor bouwen zal bodemonderzoek conform NEN 5707, NEN 5740 en/of NEN 5897 worden uitgevoerd. 5.3.3

Conclusie

Op basis van de resultaten van het historisch bodemonderzoek blijkt dat voor delen van het plangebied bodemverontreinging verwacht wordt. Een verkennend bodemonderzoek is nodig om dit verder te onderzoeken. Bij aanvraag van de omgevingsvergunning voor bouwen zal een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd moeten worden. Er is voldoende budget voor het vervolg gereserveerd. Binnen het plangebied zijn geen (zware) verontreinigingen bekend. Vanuit het aspect bodem zijn er geen belemmeringen.

Halvinkhuizen Fase 1

37

5.4

Cultuurhistorie en archeologie

5.4.1

Wettelijk kader

Vanaf 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Doelstelling van de wet is de bescherming en het behoud van archeologische en cultuurhistorische waarden. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met het erfgoed van nationaal belang wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarin heeft en hoe het toezicht wordt geregeld. Als gevolg van deze wet wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het erfgoed meegewogen zoals alle andere aspecten die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen. 5.4.2

Cultuurhistorie

in 2015 heeft de gemeente Putten een uitgebreid gemeentelijke cultuurhistorisch onderzoek door RAAP uit laten voeren. In het kader van dit onderzoek is de gehele cultuurhistorie van de gemeente in beeld gebracht. Op basis van dit onderzoek blijkt dat het hele plangebied voor de woonwijk Halvinkhuizen deel uit maakt van het kampontginningen landschap. In het plangebied voor fase 1 zijn buiten wat cultuurlandschappelijke waarden geen tastbare cultuurhistorische overblijfselen meer aanwezig. Voor het gehele plangebied van Halvinkhuizen geldt dat op verschillende vlakken nog wel overblijfselen uit het vroegere landschap aanwe-zig en herkenbaar zijn. Voor de volledigheid worden deze cultuurhistorische waarden onderstaand beschreven. De eerste kadastrale inmeting uit 1832 laat de historische context van het plangebied goed zien.

Uitsnede kadastrale minuutplan Putten uit 1832 met grondgebruik, waarbij bruin=bouwland; roze=heide; olijfgroen=hakhout

Halvinkhuizen Fase 1

38

Detail 1832 grondgebruik Het dorp Putten bestaat uit een grote dorpsenk en wordt zodoende Putter enk genoemd. Door bemesting van de landerijen met potstalmest zijn de akkers relatief hoog in het landschap komen te liggen (bolle akkers). De oude wegen snijden zodoende door het verhoogde landschap. Aan de randen van de dorpsenk ligt een groot aantal middeleeuwse boerderijen. Ook bij plangebied Halvinkhuizen is dit het geval. De middeleeuwse boeren erven hebben ongetwijfeld oudere voorgangers gehad. De boerderijen en landerijen waren eigendom van kloosters en we zien bij Rimpeler dat de voorgangers terug kunnen gaan tot in de 8e eeuw. Bij het eerste sleuvenonderzoek in Fase 1 is dit vermoeden ook voor Halvinkhuizen bevestigd. De akkers worden vaak omgeven door hakhoutstruwelen (houtwallen). Enerzijds diende deze voor de bescherming van de bouwlanden tegen wild, anderzijds voor geriefhout (verwarming van de boerderij en het bereiden van eten). De houtwallen worden als cultuurlandschappelijke waarden bestempeld. Op de oude kaart is mooi te zien dat de dorpsenk als oase in een ring van heide ligt. De heide was van belang voor de bemesting van de landerijen en werd met schapen onderhouden. Het landschap duikt direct zuidelijk van het plangebied diep weg. De ondergrond is hier nat en ook in de middeleeuwen minder geschikt voor landbouw.

Halvinkhuizen Fase 1

39

Uitsnede cultuurhistorische inventarisatiekaart 2015 Aan de randen van het plangebied langs de Hooiweg en rondom het agrarische erf Beitelweg 7 bevinden zich twee historische groenstructuren. Daarnaast loopt er vanaf de Hooiweg 10 een historische ontginningswal het gebied in. Vanuit het westen, vanaf de Beitelweg, loopt langs de noordzijde van Beitelweg 7 een aarden enkwal het gebied in. Beide wallen raken elkaar in het midden van het plangebied. De wallen zijn nu nog herkenbaar in het gebied als houtwal. Ook enkele historische kadastrale grenzen rondom Beitelweg 7 zijn nog in het huidige landschap te herleiden. De kromme vorm van de Beitelweg heeft mogelijk te maken met het landgoed Bijstein. Verder lag langs de huidige Roosendaalseweg in het verleden een weg die nu niet meer herkenbaar in het plangebied aanwezig is. Tot slot lagen in het zuidoostelijke deel van het plangebied aan de randen van de beoogde woonwijk meerdere historische boer- en woonerven. Ook het perceel Beitelweg 7 is aangeduid als historisch boerenerf. De betreffende percelen hebben geen beschermde status in de vorm van een gemeentelijk- of rijksmonument. Bovendien vallen deze historische erven buiten de grenzen van fase 1. 5.4.3

Archeologie

Plangebied Halvinkhuizen wordt in fasen ontwikkeld. Voor het facet archeologie worden de nodige onderzoeken uitgevoerd voor alle fasen. Dit conform de nationale wetgeving (Erfgoedwet/Omgevingswet). De gemeenteraad van Putten heeft de wens uitgesproken om de resultaten van de uit te voeren archeologische onderzoeken mede bepalend te laten zijn voor de inrichting/invulling van de nieuwe woonwijk. Daarbij wordt ook gedacht aan het laten participeren bij het daadwerkelijke graven. De gronden ter plaatse van de gewenste ontwikkeling zijn volgens het bestemmingsplan 'Westelijk Buitengebied' verwachtingsgebied voor archeologische vondsten. Gelet op de aard en omvang van onderhavige ontwikkeling is door ADC ArcheoProjecten een archeologisch onderzoek uitgevoerd.

Halvinkhuizen Fase 1

40

Voor fase 1 is gestart met het inventariserend onderzoek. Dit bestaat uit het aanleggen van sleuven. Op basis van een bureauonderzoek is een Programma van Eisen opgesteld aan de hand waarvan het sleuvenonderzoek wordt uitgevoerd. Het doel van het sleuvenonderzoek is te komen tot een waardering van de aanwezige archeologische waarden. De eerste resultaten tonen aan dat er inderdaad archeologische waarden aanwezig zijn. Deze waarden bestaan vooralsnog uit nederzettingssporen uit zowel de ijzertijd als de vroege middeleeuwen. De sporen van de laatste periode komen overeen met de sporen uit de opgraving Rimpeler van een aantal jaren terug. Diverse sporen zijn te relateren aan huizen/boerderijen uit de twee genoemde perioden. Omdat er niet voor alle percelen betredingstoestemming is, moet nog een deel van het sleuvenonderzoek van Fase 1 uitgevoerd worden. Wanneer het sleuvenonderzoek is afgerond, kan pas een goede inhoudelijke afweging en advies gegeven worden over eventueel aanvullend onderzoek. Inzet van het archeologische onderzoek is een goed beeld te krijgen van de bewoningsgeschiedenis van het plangebied. Met de verzamelde data is het mogelijk om de wijk een eigen identiteit mee te geven. Dit eigen verhaal maakt dat er makkelijker en sneller een gevoel van verbondenheid ontstaat tussen de bewoners van de nieuwe wijk.

Alle bewoners hebben namelijk een gedeelde geschiedenis van hun woonwijk. Het blijkt dat verbondenheid de bewoners ook gelukkiger maakt. Omdat op dit moment het archeologisch onderzoek nog niet is afgerond, zal het nog enige tijd duren, eer de benodigde informatie voor het mogelijk noodzakelijke vervolgonderzoek voor handen is. De gemeente Putten zal er op toe zien dat het archeologische onderzoek op een verantwoorde wijze wordt ingestoken en uitgevoerd. Op grond van het archeologisch onderzoek is het grootste deel van het plangebied vrijgegeven. Zover dit niet het geval is, is een archeologische dubbelbestemming opgenomen. Op grond hiervan zijn eventueel aanwezige archeologische waarden voldoende beschermd. 5.4.4

Conclusie

Bij de ontwikkeling van de nieuwe woonwijk wordt waar mogelijk rekening gehouden met de cultuurhistorische waarden. Dit is met name terug te zien in het voornemen om de bestaan-de houtwalstructuren in het plangebied voor Halvinkhuizen te behouden en juist als groene drager voor de nieuwe woonwijk te gebruiken. De waardevolle elementen liggen buiten de reikwijdte van fase 1. Geconcludeerd kan worden dat met de ontwikkeling van fase 1 geen schade wordt toegebracht aan bestaande cultuurhistorische elementen. Met het behoud van de houtwallen wordt beoogd de wijk extra kwaliteit te geven. Op grond van archeologisch onderzoek is het grootste deel van het plangebied vrijgegeven. Zover dit niet het geval is, zijn potentieel aanwezige archeologisch waarden beschermd middels een dubbelbestemming. Er zijn geen belemmeringen vanuit cultuurhistorie en archeologie voor onderhavig initiatief. 5.5

Luchtkwaliteit

5.5.1

Wettelijk kader

Wet milieubeheer Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van de luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (Wm). De in deze wet gehanteerde normen gelden overal, met uitzondering van een arbeidsplaats (hierop is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing). In de Wet milieubeheer zijn onder andere regels en grenswaarden opgenomen voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen. Omdat titel 5.2 van de Wm ingaat op de luchtkwaliteit, staat dit ook wel bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Hierin wordt gesteld dat ruimtelijke plannen doorgang kunnen vinden indien aan één van de onderstaande voorwaarden is voldaan:

Halvinkhuizen Fase 1

41

de plannen leiden niet tot het overschrijden van een grenswaarde; de luchtkwaliteit verbetert tengevolge van de plannen (per saldo) of blijft ten minste gelijk; de plannen dragen niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de concentratie van NO2 en PM10 in de buitenlucht. Vanaf het in werking treden van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit op 1 augustus 2009 wordt onder een NIBM bijdrage een bijdrage van minder dan 3% van de grenswaarde verstaan; het project is opgenomen of past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Lucht (NSL). AMvB en Regeling niet in betekenende mate (NIBM) De Wet luchtkwaliteit maakt onderscheid tussen grote en kleine ruimtelijke projecten. Een project is klein als het niet in betekende mate (NIBM) leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. De grens ligt bij een toename van de NO2 en/of PM10 jaarconcentratie met maximaal 3% van de grenswaarden (of wel een toename van maximaal 1,2 ìg/m3 NO2 en/of PM10). NIBM projecten kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Grotere projecten daarentegen kunnen worden opgenomen in het NSL-programma, mits ook overtuigend wordt aangetoond dat de effecten van dat project worden weggenomen door maatregelen.

De AMvB en Regeling NIBM bevatten criteria waarmee kan worden bepaald of een project van een bepaalde omvang wel of niet als NIBM moet worden beschouwd. Het betreft onder andere de onderstaande gevallen, waarbij een project als NIBM wordt beschouwd: Woningbouw: = 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en = 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Kantoorlocaties: = 100.000 m2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en = 200.000 m2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Woningbouw en kantoorlocaties: 0,0008*aantal woningen+ 0,000012*bruto vloeroppervlak kantoren in m2 = 1,2 bij één ontsluitingsweg en 0,0004*aantal woningen+ 0,000006*bruto vloeroppervlak kantoren in m2 = 1,2 bij één ontsluitingsweg. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. Tevens is in artikel 5 van het Besluit NIBM een anticumulatie bepaling opgenomen, die zegt dat de effecten van beoogde ontwikkelingen in de omgeving van het plangebied moeten worden meegenomen in de beoordeling van het betreffende plan.

Hiermee wordt voorkomen dat verschillende NIBM-projecten samen toch in betekenende mate bijdragen aan verslechtering van de luchtkwaliteit. 5.5.2

Beoordeling

Effect van de ontwikkeling op de luchtkwaliteit De ontwikkeling kan, gezien de beperkte omvang, aangemerkt worden als een project dat niet in betekenende mate van invloed is op de luchtkwaliteit. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM niet noodzakelijk. Er behoeft dus niet getoetst te worden aan de grenswaarden. Luchtkwaliteit ter plaatse Vanuit de wet milieubeheer gelden grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10) en zeer fijn stof (PM2,5). Daarnaast hanteert de World Health Organization (WHO) advieswaarden voor stikstofdioxide, fijn stof en zeer fijn stof. In de volgende tabel wordt een overzicht gegeven van de waarden ter plekke van het plangebied, de grenswaarden en de advieswaarden. De waarden voor de concentratie luchtverontreinigende stoffen in de lucht op de onderhavig planlocatie zijn gebaseerd op de NSL-kaart van de Rijksoverheid. Hiertoe zijn de waarden genomen van het dichtsbijzijnde rekenpunt langs de N303/Van Geenstraat direct grenzend aan het plangebied. Stof

Jaar 2020

Jaar 2030

Grenswaarde

Advieswaarde

NO2

14,4 µg/m3

10,7 µg/m3

40 µg/m3

10 µg/m3

PM 10

17,2 µg/m3

15,4 µg/m3

40 µg/m3

15 µg/m3

Halvinkhuizen Fase 1

42

8,8 µg/m3

PM 2,5

7,3 µg/m3

20 µg/m3

5 µg/m3

Waarden in het plangebied, grenswaarden en advieswaarden luchtkwaliteit Op de planlocatie wordt ruimschoots voldaan aan de wettelijke grenswaarden voor NO2, PM10 en PM2,5. De advieswaarden van de WHO liggen ver beneden de wettelijke grenswaarden. In de huidige -en toekomstige situatie aan de N303/Van Geenstraat liggen de concentraties ver beneden de wettelijke grenswaarden. De huidige waarden zijn ruimschoots voldoende voor een goed woon- en leefklimaat op de planlocatie. 5.5.3

Conclusie

Het project kan worden beschouwd als een NIBM-project. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit kan dan ook achterwege blijven. Daarnaast is luchtkwaliteit ter plaatse goed genoeg voor een goed woon- en leefklimaat op de planlocatie. 5.6

Parkeren en verkeer

5.6.1

Parkeren

De parkeernormen binnen de gemeente Putten zijn vastgelegd in de Nota Parkeernormen. Uit eerste ervaringen die in de wijk Rimpeler zijn opgedaan blijkt dat deze normen bij bepaalde woningen aan de hoge kant zijn waardoor sprake is van overcapaciteit. Ook bij de raadsbehandeling van de Ontwikkelvisie Halvinkhuizen is aandacht gevraagd voor (een reductie op) de parkeernorm. Zodoende zijn voor de ontwikkeling van Halvinkhuizen gebiedseigen parkeernormen opgesteld. Deze normen en de onderbouwing ervan zijn opgesteld door Goudappel. De rapportage is opgenomen als Bijlage 7. Navolgende figuur toont de parkeernorm per woningtype met een voorstel voor de te hanteren norm binnen de ontwikkeling Halvinkhuizen. De gebiedseigen parkeernorm zal te zijner tijd worden toegevoegd in een geactualiseerde versie van de gemeentelijke Nota Parkeernormen. Na vaststelling zal dit ook het nieuwe juridische toetsingskader zijn.

Er is binnen het plangebied voldoende ruimte om in de benodigde parkeergelegenheid te voorzien in de voorbeelduitwerking (paragraaf 3.3) is dit zichtbaar gemaakt. Door de geactualiseerde gemeentelijke Nota Parkeenormen (met toegevoegde gebiedseigen parkeernormen voor Halvinkhuizen) te koppelen aan de regels van dit plan is het aspect parkeren ook juridisch afdoende geborgd.

Halvinkhuizen Fase 1

43

5.6.2

Verkeer

De ontsluiting van het plangebied vindt plaats op de bestaande Roosendaalseweg. Dit is een 30-km/u erftoegangsweg met een huidige verkeersintensiteit van circa 1100 mvt/etmaal. De Roosendaalseweg sluit rechtstreeks aan op de Van Geenstraat. Dit betreft een 50-km/u gebiedsontsluitingsweg. Hiermee is de externe ontsluiting naar gebieden buiten Putten relatief snel. In een uitgebreide studie is door Goudappel onderzoek verricht naar de ontsluitingsmogelijkheden en -beperkingen van heel Halvinkhuizen (Bijlage 3). Uit dit onderzoek is gebleken dat het noodzakelijk is om, bij volledige realisatie van Halvinkhuizen aan de zuidzijde van het plangebied te investeren in een nieuwe hoofdverbinding. Variant 2 uit dit onderzoek heeft de basis gevormd voor de uitwerking van fase 1.

Dat betekent dat: Alle deelgebied één ontsluiting voor het autoverkeer krijgen Alle deelgebieden ten minste één hoofdontsluiting krijgen voor het fietsverkeer die ook begaanbaar is voor nooddiensten (brandweer) Het noordwestelijk kwadrant aansluit op de Van Geenstraat Het noordoostelijk kwadrant aansluit op de Roosendaalseweg noord Het zuidwestelijk kwadrant aansluit op een nieuwe zuidelijk ontsluitingsweg Het zuidoostelijk kwadrant aansluit op de Roosendaalseweg zuid Er geen doorgaand verkeer meer mogelijk is op de Roosendaalseweg (afsluiting tussen de twee kwadranten) In verband met de wijzigingen van de woningaantallen heeft een (her)berekening plaatsgevonden op basis van de volgende gegevens: Woningaantallen per kwadrant 1. Noordoost: 310 woningen 2. Noordwest: 250 woningen 3. Zuidoost: 170 woningen 4. Zuidwest: 480 woningen Ontsluitingsweg zuid ten behoeve van Halvinkhuizen (tussen N798 en Roosendaalseweg) en een afsluiting in de Roosendaalseweg. Deze berekeningen hebben tevens als input gediend voor het milieukundig onderzoek. Onderhavige ontwikkeling brengt uitgaand van 310 woningen een verkeersgeneratie met zich mee van circa 1860 mvt/etmaal. Dit is een forse toename voor de Roosendaalseweg. De Roosendaalseweg is, in verkeerskundige termen, een erftoegangsweg 1. Een weg die alleen bestemmingen ontsluit (woningen en sportpark).

De voorkeursgrenswaarde bij dergelijke wegen bedraagt circa 4.500 mvt/etmaal (met een maximum van 6.000 mvt/etm). In de berekening is ervan uitgegaan dat de Roosendaalseweg niet meer toegankelijk is voor doorgaand verkeer waardoor de voorkeursgrenswaarde van 4.500 mvt/etmaal niet overschreden zal worden. De afsluiting van de Roosendaalseweg maakt onderdeel uit van de totale ontsluitingstructuur van Halvinkhuizen. Omdat de hoeveelheid doorgaand verkeer op de Roosendaalseweg beperkt is, is de afsluiting ervan bij realisatie van deelplan 1 slechts van beperkte invloed op de totale intensiteit. De omliggende infrastructuur (waaronder de Van Geenstraat) kan dit verkeer goed verwerken. Voor het fietsverkeer wordt het fietspad aan de zuidzijde van de Van Geenstraat geschikt gemaakt voor tweerichtingen fietsverkeer. 5.6.3

Conclusie

Voorgenomen initiatief zal niet leiden tot verkeerskundige en/of parkeertechnische problemen. Parkeren wordt binnen het plangebied opgelost. De verkeersgeneratie neemt toe, maar zal geen problemen opleveren voor de omliggende infrastructuur.

Halvinkhuizen Fase 1

44

5.7

Geluidhinder

5.7.1

Wettelijk kader

Wegverkeer en railverkeer Langs alle (spoor)wegen – met uitzondering van 30 km/h-wegen en woonerven – bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidshinder vanwege de (spoor)weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken/spoorstaven en van binnen- of buitenstedelijke ligging. Op basis van jurisprudentie dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook bij 30 km/h-wegen de aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting te worden onderbouwd. Industrielawaai Gezoneerde industrieterreinen hebben een vaste geluidzone die wordt vastgelegd door middel van een bestemmingsplan. Buiten de geluidszone wordt de voorkeurswaarde van 50 dB(A) niet overschreden. De maximale ontheffingswaarde binnen de geluidszone bedraagt 55 dB(A) etmaalwaarde voor nieuwe situaties. In tegenstelling tot weg- en railverkeer wordt voor industrielawaai niet getoetst aan de Lden waarde maar aan de etmaalwaarde. De dosismaat Lden is voor wegverkeerslawaai en spoorweglawaai met ingang van 1 januari 2007 in de gewijzigde Wgh vastgelegd. Voor industrielawaai wordt Lden in het kader van de Wgh voorlopig niet ingevoerd. 5.7.2

Onderzoek

Het plangebied is niet gelegen binnen de geluidzone van een industrieterrein. Wel ligt het plangebied binnen de geluidzone van wegverkeer. Zodoende is door Goudappel een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Het rapport van het onderzoek is toegevoegd als Bijlage 8. Omdat de exacte invulling van het gebied nog niet bekend is, is de geluidssituatie inzichtelijk gemaakt middels geluidscontouren en is tevens de voorlopige verkaveling beschouwd. Uit het onderzoek blijkt dat met name de geluidsbelasting ten gevolge van het verkeer op de Van Geenstraat leidt tot overschrijdingen van de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Geluidsreducerende maatregelen zijn reeds toegepast in de vorm van een geluidsreducerend wegdek. Grote afschermende constructies worden in voorliggende situatie als niet wenselijk beschouwd. Daarom is ontheffing voor een hogere waarde benodigd. Rekening houdende met de geluidssituatie en de wenselijke flexibiliteit in de plannen, wordt geadviseerd om ontheffing voor een hogere waarde te verlenen ten gevolge van de Van Geenstraat van: 56 dB voor ten hoogste 30% van de grondgebonden woningen; 59 dB voor het appartementencomplex nabij de rotonde Van Geenstraat – Roosendaalseweg. Bij de verdere uitwerking van de plannen dient te worden getoetst of de uiteindelijke situatie past binnen deze hogere waarden.

Daarbij dient rekening gehouden te worden met aanvullende eisen ten aanzien van de maximale binnenwaarde uit het Bouwbesluit en de eisen uit het geluidsbeleid van de Omgevingsdienst Noord-Veluwe. Ook de geluidssituatie langs de planinterne 30 km/h-wegen is een aandachtspunt. Hier kunnen mogelijk hogere geluidswaarden dan 48 dB optreden. Echter geldt hier geen formele toets vanuit de Wgh en is een ontheffing dus niet nodig en mogelijk. Wel moet er bij het ontwerp van de woningen geborgd worden dat er sprake is van een acceptabel binnenklimaat conform het bouwbesluit, dus voldoende geluidwerende gevels. 5.7.3

Conclusie

Vanuit akoestisch oogpunt zijn er geen belemmeringen voor onderhavig initiatief, mits er wordt voldaan aan de aanbevelingen/aandachtspunten uit het akoestisch onderzoek en er hogere grenswaarden worden vastgesteld. Het hogere waardenbesluit zal gelijktijdig met voorliggend plan ter inzage gaan en vastgesteld worden.

Halvinkhuizen Fase 1

45

5.8

Bedrijven en milieuzonering

5.8.1

Wettelijk kader

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stelt zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.

De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. Bij de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting dient aangesloten te worden bij de vergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) voor het onderdeel milieu of de melding Activiteitenbesluit. Hierbij moet echter wel rekening gehouden worden met de maximaal planologische mogelijkheden van het bedrijf. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de onderstaande richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk' dan wel 'gemengd gebied'. Milieucategorie

Richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied

Richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied

1

10 m

0m

2

30 m

10 m

3.1

50 m

30 m

3.2

100 m

50 m

4.1

200 m

100 m

4.2

300 m

200 m

5.1

500 m

300 m

5.2

700 m

500 m

5.3

1.000 m

700 m

6

1.500 m

1.000 m

Richtafstanden en omgevingstype

Halvinkhuizen Fase 1

46

5.8.2

Beoordeling

Voor onderhavig project dient te worden getoetst of de nieuwe functie mogelijk belemmeringen veroorzaakt voor bestaande functies in de omgeving en of de nieuwe functie mogelijk belemmeringen ondervindt als gevolg van de milieuhinder van naburige bedrijven en/of bedrijvigheid. Het plangebied kan grotendeels worden gekarakteriseerd als rustig gebied, gelet op de beperkte functiemenging. Aan de randen is echter deels sprake van functiemenging, zodat hier gesproken kan worden van gemengd gebied. Onderstaande figuur toont een indicatie van dit gemengd gebied (bron: Omgevingsdienst Noord Veluwe).

Woningen betreffen een milieugevoelige functie. In de gewenste situatie zal er geen (agrarische) bedrijvigheid worden toegestaan binnen het plangebied. De plannen leiden niet tot overlast of beperkingen voor andere milieugevoelige functies in de omgeving. Onderstaande figuur toont de milieubelastende functies in de nabijheid van het plangebied (bron: Omgevingsdienst Noord Veluwe).

Halvinkhuizen Fase 1

47

Op ruim 105 meter ten noordwesten van het plangebied ligt een bedrijfsbestemming met de specifieke aanduiding 'wegenbouwbedrijf, rioleringsbedrijf en handel/ productie tbv wegenbouw' (van den Hoek BV). Bijbehorende milieucategorie bedraagt ten hoogste 3.2 met een richtafstand van 100 meter in rustig gebied. Gelet op de voldoende grote onderlinge afstand ontstaan hier wederzijds geen belemmeringen. Overigens wordt dit terrein thans getransformeerd naar detailhandel (Aldi) met milieucategorie 1, wat de milieusituatie verder ten goede zal komen. Verder ligt op circa 95 meter ten zuidoosten van de woonbestemming binnen het plangebied een bedrijfsbestemming met de specifieke aanduiding 'transportbedrijf' (Transportbedr. v.d. Kamp). De bijbehorende milieucategorie bedraagt ten hoogste 3.2 met een richtafstand van 100 meter in rustig gebied. Echter, gelet op de verschillende functies (sportterrein, bedrijf, woningen) en de ligging (nabij de Roosendaalseweg) van dit zuidoostelijk deel van het plangebied, wordt uitgegaan van gemengd gebied. In dat geval bedraagt de richtafstand 50 meter en ontstaan hier wederzijds geen belemmeringen. Verder wordt opgemerkt dat er reeds bestaande woningen tussen het bedrijf en de nieuwe woningen liggen.

Het transportbedrijf moet in haar bedrijfsvoering daarom reeds rekingen houden met deze wonigen zodat de nieuwe woningen het bedrijf niet zullen beperkingen in de bedrijfsvoering. De woningen ten westen van het transportbedrijf liggen wel in een rustige woonwijk, maar liggen ook op meer dan 100 meter afstand zodat ook hier geen belemmeringen ontstaan. Voorts liggen op circa 30 meter ten zuidoosten van de woonbestemming binnen het plangebied sportvelden. De bijbehorende milieucategorie bedraagt 3.1 met een richtafstand van 50 meter in rustig gebied. Echter, wordt ook hier uitgegaan van gemengd gebied, gelet op de verschillende functies (sportterrein, bedrijf, woningen) en de ligging (nabij de Roosendaalseweg) van dit zuidoostelijk deel van

Halvinkhuizen Fase 1

48

het plangebied. In dat geval bedraagt de richtafstand 30 meter en ontstaan hier wederzijds geen belemmeringen. De activiteiten van Van den Hoek opslag wordt ten behoeve van deze ontwikkeling gestaakt en de bebouwen wordt gesaneerd ten behoeve van de ontwikkeling van Halvinkhuizen fase 1. Tenslotte liggen ten zuidwesten en ten noordwesten op respectievelijk 150 meter en 100 meter van het plangebied agrarische bouwvlakken. Geur is hiervoor maatgevende aspect en zal nader worden beschouwd in paragraaf 5.10. 5.8.3

Conclusie

Gelet op het voorgaande vormen de milieubelastende functies vanuit het oogpunt van milieuzonering geen belemmering voor de in dit plan besloten ruimtelijke ontwikkeling. Het aspect geur veehouderijen zal nader worden beschouwd in paragraaf 5.10. Andersom leidt ontwikkeling van de woningen niet tot milieutechnische problemen voor de omliggende milieugevoelige functies. Geconcludeerd kan worden dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is te achten met een goede ruimtelijke ordening. 5.9

Externe veiligheid

5.9.1

Wettelijk kader

Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico's: risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor. Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen.

De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek. In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht.

Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te

Halvinkhuizen Fase 1

49

beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden.

Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Structuurvisie buisleidingen van belang. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden.

Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spooren vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico's voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden. Indien een bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft.

Gezamenlijke beleidsvisie externe veiligheid gemeente in de regio Veluwe-Noord In de gezamenlijke beleidsvisie externe veiligheid voor de gemeenten in de regio Veluwe-Noord (Elburg, Ermelo, Harderwijk, Hattem, Heerde, Nunspeet, Oldebroek en Putten) is aan de hand van drie thema's beschreven hoe de gemeenten in de regio Noord-Veluwe omgaan met externe veiligheid. De beleidsvisie biedt de gemeenten de mogelijkheid om op gestructureerde wijze keuzes te maken over externe veiligheid en met name in de samenhang tussen ruimtelijke ordening en externe veiligheid. Grote delen van het grondgebied van de Noord-Veluwse gemeenten liggen binnen het invloedsgebied van

Halvinkhuizen Fase 1

50

risicobronnen, waardoor bij veel ruimtelijk besluiten een verantwoording van het GR vereist is. Een risicoloze maatschappij bestaat niet; een bepaald risiconiveau moet geaccepteerd worden. Maar welk niveau is dan te verantwoorden? Wie bepaalt dit? En wie draagt deze verantwoordelijkheid? Omgaan met externe veiligheid betekent ook het maken van keuzes. Het thema 'keuzes maken' heeft als doel het opstellen van uniforme ruimtelijke zones die aangeven wat de gemeenten wel en niet wensen in bepaalde zones. Hierdoor kunnen beleidskwesties in samenhang en op de juiste schaal beoordeeld worden en wordt ad hoc-besluitvorming voorkomen. Ook heeft de beleidsvisie tot doel de elementen van groepsrisicoverantwoording te uniformeren waardoor niet per locatie (besluit) de wijze van uitvoering bedacht hoeft te worden. 5.9.2

Beoordeling

Woningen betreffen een kwetsbare objecten, waardoor de gewenste ontwikkeling getoetst dient te worden aan de wetgeving omtrent externe veiligheid. Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen en/of transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig zijn, is de risicokaart geraadpleegd. Navolgende afbeelding toont een uitsnede van deze kaart.

Uitsnede risicokaart met aanduiding plangebied (bron: risicokaart.nl) Inrichtingen In de nabijheid van het plangebied is een EV-relevante inrichting gevestigd, te weten Van Deuveren aan de Beitelweg 7. Op het terrein is onder meer een propaantank met een inhoud van 18 m3 aanwezig. De afstand van de geplande bebouwing tot deze risicobron bedraagt zo'n 190 meter. Voor de propaantank bedraagt de plaatsgebonden risicocontour 40 meter en het invloedgebied 150 meter. Binnen de plaatsgebonden risicocontour mogen geen woningen gerealiseerd worden. Binnen het invloedsgebied mogen woningen gebouwd worden gebouwd, mits het groepsrisico de oriëntatiewaarde niet overschrijdt. Gezien de geplande bebouwing buiten zowel de plaatsgebonden risicocontour als het invloedsgebied

Halvinkhuizen Fase 1

51

ligt, vormt de propaantank geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.Wel ligt een deel van de planlocatie zelf binnen het invloedsgebied van de propaantank. Indien de plaatsing van de geplande bebouwing gewijzigd zou worden, dient er kritisch gekeken te worden naar de afstand t.o.v. de propaantank. Anderzijds is de voorgenomen planontwikkeling geen risicovolle inrichting in het kader van de BEVI en vormt de gewenste ontwikkeling geen gevaar voor de omgeving. Transport gevaarlijke stoffen Er ligt in de directe omgeving (binnen 200 meter) van het plangebied geen hoofdvaarweg, spoorbaan of rijksweg waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Buiten de directe omgeving liggen de EV-relevante spoorlijn Amersfoort - Zwolle (ca. 1500 meter van plangebied) en provinciale weg N798 (ca. 290 meter van het plangebied). Voorts bevindt zich in of nabij het plangebied geen buistransportleiding met een PR 10-6 contour. De dichtsbijzijnde buistransportleiding betreft gasleiding N-570-26 van de Gasunie. Deze ligt op circa 350 meter ten noordwesten van het plangebied. Ten aanzien van de relevante voorgenoemde risicobronnen geldt de volgende risicosituatie: Risicobron

PR-contour

PAG zone

Invloedsgebied

Afstand tot de planlocatie

Aardgasleiding N-570-26

4 m. (belemmeringenstrook)

-

140 m.

350 m.

Aardgasleiding A-510

5m. (belemmeringenstrook)

-

430 m.

1200 m.

Spoorlijn Zwolle Amersfoort

1 m.

30 m.

35 m. (brand), 460 m. (explosie), 4000 m. (toxisch)

1500 m.

Provinciale weg N798

-

-

355 m. (explosie)

290 m.

Het plangebied valt binnen het invloedsgebied toxisch van de spoorlijn. Gezien de planlocatie op een afstand van meer dan 200 meter tot het spoor ligt, volstaat een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Verder ligt het plangebied binnen het invloedsgebied explosie van de provinciale weg N798. In verband met de ligging dient het groepsrisico ten aanzien van deze risicobron overeenkomstig paragraaf 4.4 van de Gezamenlijke beleidsvisie externe veiligheid gemeente in de regio Veluwe-Noord (projectnr. 249182, d.d. januari 2015) beperkt verantwoord te worden. Gelet op het voorgaande is hierna een beperkte verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Hiertoe wordt ingegaan op de aspecten rampenbestrijding en zelfredzaamheid. Deze aspecten worden hierna beschouwd (zie paragraaf 5.9.3). 5.9.3

Verantwoording groepsrisico

In het plangebied wordt enkel de functie woongebied bestemd. Er worden geen functies bestemd die in potentie een verminderde zelfredzaamheid meebrengen (zorg- of maatschappelijke functies). Wel biedt de bestemming woongebied de mogelijkheid voor een beroep of bedrijf aan huis. Gelet op kleinschaligheid wijzigt de personendichtheid in het plangebied hierdoor echter niet ten opzichte van de reguliere woonfunctie. De wegenstructuur binnen het plangebied zal zodanig worden aangelegd dat er vanuit het oogpunt van rampenbestrijding en zelfredzaamheid voldoende mogelijkheden zijn om bij een eventueel incident te kunnen vluchten dan wel het gebied te kunnen bereiken (ten behoeve van de hulpverlening). Tevens is er voldoende bluswater binnen het plangebied aanwezig. Rampenbestrijding Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om effecten ten gevolge van het incident te beperken of te voorkomen. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. Eventuele secundaire branden in het plangebied kunnen met behulp van de primaire bluswatervoorzieningen worden bestreden door de

Halvinkhuizen Fase 1

52

brandweer. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen. Zelfredzaamheid Bij een calamiteit is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij een incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij een scenario waarin toxische stoffen vrijkomen, is het advies om naar binnen gaan, ramen en deuren sluiten en dat de eventueel aanwezige mechanische ventilatie handmatig door de gebruikers kan worden uitgezet. Het is het noodzakelijk dat dit wordt meegenomen in het ontwerp van woning. Bij een wolkbrandexplosie scenario is het advies om te vluchten van de risicobron af. 5.9.4

Conclusie

Er bestaat vanuit het thema externe veiligheid geen belemmeringen ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling. Het plan is getoetst door de VNOG. 5.10

Geurhinder veehouderijen

5.10.1

Wettelijk kader

Voor het beoordelen van een goede ruimtelijke ordening zijn de volgende aspecten van belang: 1. Wordt door de ontwikkeling de bedrijven in en nabij het plangebied niet belemmerd in hun bedrijfsvoering. 2. Is er een goed woon- en leefklimaat te garanderen in de geurgevoelige objecten binnen het plangebied. Voor het bepalen van mogelijke belemmeringen van omliggende bedrijven is de normstelling vanuit de milieuwetgeving van belang die voor de individuele bedrijven geldt. Deze normstelling wordt geregeld in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) of paragraaf 3.5.8 van het Activiteitenbesluit. In het Activiteitenbesluit is de Wgv met enkele nuance verschillen overgenomen. De Wgv is het toetsingskader voor de vergunningverlening van een omgevingsvergunning onderdeel milieu aan vergunningplichtige bedrijven en het Activiteitenbesluit is het toetsingskader voor de meldingsplichtige bedrijven. Op grond van art. 6 Wgv en art. 3.118 Activiteitenbesluit hebben gemeenten de bevoegdheid om een geurverordening op te stellen waarmee ze voor het aangewezen gebied een afwijkende norm stellen. De gemeente Putten heeft op 7 december 2017 een geurverordening vastgesteld voor Putten Zuid. De gebiedsindeling van Putten Zuid komt overeen met het gebied Halvinkhuizen.

Op basis van de Wgv, het Activiteitenbesluit en de geurverordening gelden de volgende geurnormen voor de individuele agrarische bedrijven: Geurgevoelig object (woning) gelegen in

Norm (OU/m3)

Halvinkhuizen (Putten Zuid)

7 OU/m3

Buitengebied (muv Halvinkhuizen)

14 OU/m3

Bebouwde kom (muv Halvinkhuizen)

3 OU/m3

Voor Putten Zuid (Halvinkhuizen) is door de gemeente Putten op 7 december 2017 een geurvisie vastgesteld. In deze geurvisie is het volgende opgenomen: Het zoveel mogelijk in stand houden van de agrarische bedrijvigheid en een gezonde groeimogelijkheid voor de bedrijven in samenhang met een acceptabel (goed / redelijk goed) woonklimaat in de gemeente Putten waarbij uitbreidingsmogelijkheid van de bebouwde kom in het gebied Putten Zuid mogelijk wordt. Door het RIVM is een tabel opgesteld waarin de relatie is vastgelegd tussen het leefklimaat, het percentage geurhinderden en de cumulatieve geurbelasting.

Halvinkhuizen Fase 1

53

Om te kunnen voldoen aan het gewenste woonklimaat zoals gesteld in de geurvisie mag de geurbelasting niet meer bedragen dan 15% gehinderden. Dit komt voor de achtergrondbelasting overeen met 13,7 OU/m3 en voor de voorgrondbelasting met 6,8 OU/m3. 5.10.2

Onderzoek

Belemmering bedrijven Voor de beoordeling genoemd onder punt 1 'belemmering bedrijven in hun bedrijfsvoering' is de Wgv en het Activiteitenbesluit van belang . De bedrijven in en nabij het plangebied moeten door de komst van de gevoelige objecten in fase 1 van Halvinkhuizen niet in hun bedrijfsvoering worden belemmerd. Uit inventarisatie is gebleken dat voor fase 1 van Halvinkhuizen alleen de geurcontour van het agrarisch bedrijf gelegen aan Beitelweg 7 van belang is. In onderstaande afbeelding is de geurcontour van Beitelweg 7 inzichtelijk gemaakt. Hierbij is uitgegaan van de feitelijke emissiepunten omdat dit bedrijf geen uitbreidingsmogelijkheden meer heeft omdat de geurbelasting op de huidige bebouwde kom reeds hoger is dan 3 OU/m3 (individuele belasting).

De geurcontour van Beitelweg 7 is gelegen over fase 1 Halvinkhuizen. Het realiseren van woningen in deze contour beperkt de uitbreidingsmogelijkheden van het bedrijf niet omdat het bedrijf al geen uitbreidingsmogelijkheden meer heeft doordat de geurbelasting op de huidige bebouwde kom al hoger is dan de geldende geurnorm voor de bebouwde kom (3 OU/m3). Woon- en leefklimaat

Halvinkhuizen Fase 1

54

Het woon- en leefklimaat in de te realiseren woningen wordt bepaald door de cumulatieve geurbelasting van de agrarische bedrijven in een contour van 2 km om het plangebied. Wanneer echter de bijdrage van een bedrijf aan de cumulatieve geurbelasting hoger is dan de helft van de totale geurbelasting is de voorgrondbelasting van dit bedrijf bepalend voor de geurbeleving (het woon- en leefklimaat) in het gebied. De cumulatieve geurbelasting op Halvinkhuizen is bepaald, zie 'Onderzoek Geurhinder en Veehouderij, Halvinkhuizen in Putten' van Anteagroup d.d. 28 september 2022 opgenomen in Bijlage 9. Uit dit geuronderzoek blijkt dat de achtergrondbelasting in fase 1 kleiner is dan 14 OU/m3. Dit komt overeen met een redelijk goed / goed woon- en leefklimaat. De geurbelasting in fase 1 wordt echter voor een groot gedeelte bepaald door het agrarisch bedrijf Beitelweg 7. Voor dit gedeelte is de voorgrondbelasting van Beitelweg 7 bepalend voor de geurbeleving. De geurbelasting ten gevolge van Beitelweg 7 is in een groot gedeelte van fase 1 lager dan 7 OU/m3. Zoals blijkt uit het overzicht van RIVM is bij een voorgrondbelasting van minder dan 7 OU/m3 sprake van een redelijk goed woon- en leefklimaat. In bovenstaande afbeelding is aangegeven welk gedeelte van fase 1 een geurbelasting van meer dan 7 OU/m3 heeft ten gevolge van Beitelweg 7.

In de regels bij het bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen waaruit blijkt dat deze woningen niet gerealiseerd mogen worden voordat de geurbelasting ten gevolge van Beitelweg 7 onder de 7 OU/m3 is gekomen. Gezondheid en veehouderijen De GGD adviseert in verband met gezondheid om een afstand van 250 meter aan te houden tussen nieuwe woningen en veehouderijen. Binnen een zone van 250 meter om het houden van vleeskalveren en vleeskuikens. Gezien de ligging van het bedrijf en de gewenste woningen kan gezien de geadviseerde afstand van de GGD niet uitgesloten worden dat er gezondheidsrisico’s zijn. Het realiseren van woningbouw binnen een zone van 250 meter om dit bedrijf is gezien de gezondheidsrisico’s niet wenselijk. In de regels is de voorwaardelijke verplichting opgenomen dat in de zone van 250 meter om het bedrijf heen geen woningbouw gerealiseerd mag worden zolang het bedrijf nog in werking is. In onderstaande afbeelding is de 250 meter zone om Beitelweg 7 ingetekend ter beeldvorming.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13329824/1