Gemeenschappelijke regeling ODVeluwe
Tekst van het document
Op grond van artikel 16, vierde lid, in verbinding met artikel 52, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen, is in het vierde lid opgenomen dat een deelnemer een lid dat hij in het algemeen bestuur heeft aangewezen, kan ontslaan indien dat lid het vertrouwen van de deelnemer niet langer bezit. In het zesde lid is bepaald dat een lid van het algemeen bestuur ontslag kan nemen. In dat geval is het aan de deelnemer om met toepassing van het derde lid te voorzien in opvolging.
Artikel 12, Werkwijze (Algemeen Bestuur) Het eerste lid regelt in welke gevallen de voorzitter een vergadering van het algemeen bestuur uitschrijft. Het wettelijk minimum van het aantal vergaderingen van het algemeen bestuur is vastgesteld op twee maal per jaar. Het tweede lid bevat het quorum voor beraadslaging in en besluitvorming door het algemeen bestuur. Het kan voorkomen, bijvoorbeeld in vakantieperiodes, dat het quorum niet wordt gehaald terwijl een besluit van het algemeen bestuur geen uitstel duldt. Het derde lid voorziet daarin door een nieuwe vergadering mogelijk te maken waarbij de quorumeis niet geldt. De situatie dat het quorum niet wordt gehaald, zal zich alleen bij hoge uitzondering voordoen. Indien in de nieuwe vergadering onderwerpen aan de orde komen die niet waren geagendeerd voor de vergadering waarvoor het quorum niet werd gehaald, is besluitvorming daarover alleen mogelijk indien meer dan de helft van de leden aanwezig is. Het vijfde lid verplicht het algemeen bestuur tot het vaststellen van een reglement van orde. Artikel 13.
Bevoegdheden (Algemeen Bestuur) Met de wijziging van de Wet Gemeenschappelijke regelingen van 1 januari 2015 zijn meer bevoegdheden toegewezen aan het dagelijks bestuur in plaats van het algemeen bestuur en is de organisatie van een gemeenschappelijke regeling meer in overeenstemming gebracht met het dualisme dat al is ingevoerd bij de gemeenten en provincies. Dit artikel betreft de bevoegdheden van het algemeen bestuur. De belangrijkste bevoegdheden zijn voor de duidelijkheid benoemd, waaronder het vaststellen van de begroting en de jaarrekening, het benoemen van de directeur en het vaststellen van regelingen (verordeningen). Ook de bevoegdheid om te besluiten tot het aangaan van privaatrechtelijke rechtshandelingen behoort aan het algemeen bestuur. Een dergelijk besluit mag alleen genomen worden ten behoeve van de belangen die de omgevingsdienst behartigt. De bevoegdheid ligt conform de wet bij het algemeen bestuur. In dat bestuur zijn in beginsel alle deelnemers vertegenwoordigd. Zij zijn dan ook allen betrokken bij de besluitvorming. Het besluit mag niet eerder worden genomen dan nadat de raden en staten in gelegenheid zijn gesteld om hun wensen en bedenkingen te uiten over het ontwerpbesluit.
HOOFDSTUK 4 DAGELIJKS BESTUUR Artikel 14. Samenstelling en stemverhouding Behoeft geen toelichting. Artikel 15. Aanwijzing, schorsing en ontslag leden dagelijks bestuur De Wet gemeenschappelijke regelingen kent als hoofdregel dat het dagelijks bestuur naast de voorzitter bestaat uit twee of meer andere leden die door en uit het algemeen bestuur worden aangewezen, met inachtneming van hetgeen in de regeling is bepaald. Het eerste lid voorziet in een spoedige aanwijzing van de leden na de inwerkingtreding van de regeling. Bij gemeenteraadsverkiezingen kan een vacuüm ontstaan. Voor leden van het algemeen bestuur die vanuit hun functie als wethouder in het algemeen bestuur plaatsnemen, geldt dat hun lidmaatschap van het algemeen bestuur eindigt, wanneer hun wethouderschap eindigt. Het moment van eindigen van het wethouderschap ligt alleen op een ander moment dan bij raadsleden. Uit de Gemeentewet volgt dat na een gemeenteraadsverkiezing alle zittende wethouders aftreden op het moment dat de nieuwe gemeenteraad ten minste de helft van het benodigd aantal wethouders heeft benoemd en deze benoemingen zijn aangenomen. De (her)benoeming van de nieuwe wethouders door de nieuwe gemeenteraad gebeurt veelal in één keer voor alle wethouders uit een college tegelijkertijd, maar dit hoeft niet.
Totdat de wethouders zijn (her)benoemd, kan het lidmaatschap van het algemeen bestuur niet worden ingevuld. Er ontstaat dan dus een leemte. Een algemeen bestuur met wethouders is pas voor het eerst in nieuwe samenstelling voltallig bijeen, wanneer alle deelnemende gemeenten hun nieuwe
colleges benoemd hebben. Dit hoeft niet voor alle gemeenten gelijktijdig en even vlot te verlopen. Dit wordt praktisch opgelost door in het tweede lid te bepalen dat de leden van het algemeen bestuur hun functie blijven vervullen, totdat in hun opvolging is voorzien. Naast de twaalf gemeenten is ook de provincie deelnemer aan deze gemeenschappelijke regeling. De Provinciewet bevat eenzelfde regeling als de Gemeentewet. Deze bepaling is dus ook van toepassing in geval van periodiek aftreden van een gedeputeerde die het college van gedeputeerde staten vertegenwoordigt in het dagelijks bestuur. Artikel 16 Werkwijze (Dagelijks Bestuur) Behoeft geen toelichting. Artikel 17 Bevoegdheden (Dagelijks Bestuur) De bevoegdheden van het dagelijks bestuur volgen uit de Wet en zijn hier opgenomen ten behoeve van de volledigheid en duidelijkheid van deze regeling. Artikel 18 Voorzitter Op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen is de voorzitter niet alleen voorzitter van het algemeen bestuur, maar ook van het dagelijks bestuur. Die beide voorzittersfuncties zijn onlosmakelijk aan elkaar verbonden. Besluiten over de voorzitter (bijvoorbeeld het intrekken van een aanwijzing tot voorzitter of het benoemen van een nieuwe voorzitter) worden door het algemeen bestuur genomen.
De plaatsvervangend voorzitter die op grond van het tweede lid wordt aangewezen, is plaatsvervangend ten aanzien van alle bevoegdheden, dus ook ten aanzien van het voorzitterschap van het dagelijks bestuur en de bevoegdheid tot vertegenwoordiging van het openbaar lichaam in en buiten rechte. Artikel 19 Bevoegdheden (Voorzitter) Behoeft geen toelichting.
HOOFDSTUK 6 INFORMATIE EN VERANTWOORDING Artikel 20 Openbaar lichaam ten opzichte van deelnemers Behoeft geen toelichting. Artikel 21 Openbaar lichaam ten opzichte van andere omgevingsdiensten Behoeft geen toelichting. Artikelen 22, 23 en 24 Ter uitvoering van de artikelen 16 tot en met 19 in verbinding met artikel 52, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen houdt de regeling bepalingen in over informatie en verantwoording van het bestuur van het openbaar lichaam aan de deelnemers (met inbegrip van de gemeenteraden en Provinciale Staten). Artikel 23 regelt de actieve informatieplicht, zoals bedoeld in de Wet. Artikel 25 Uitbrengen van zienswijze door de raad Met de wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen van 1 juli 2022 is de verplichting geïntroduceerd om in de gemeenschappelijke regeling afspraken te maken over besluiten van een bij gemeenschappelijke regeling opgericht samenwerkingsverband, waarop door het bestuur van de regeling een zienswijze aan de raden en provinciale staten wordt gevraagd. Hiermee wordt bereikt dat gemeenteraden en provinciale staten hun opvatting
kenbaar kunnen maken over bepaalde voorgenomen besluiten voordat het besluit is genomen. Artikel 25 voorziet in deze nieuwe zienswijzeprocedure voor gemeenteraden over besluiten van de gemeenschappelijke regeling op grond van artikel 10 van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Het bestuur van de Omgevingsdienst kan besluiten om af te wijken van de ingebrachte zienswijzen. Gekozen is voor een zienswijzetermijn van 8 weken, omdat de raden in beginsel maandelijks bij elkaar komen. Als een langere termijn wordt gehanteerd, zal dit tot een te lange zienswijzeperiode leiden, terwijl een kortere periode het voor de raden lastig maakt om tijdig een zienswijze in de raad te kunnen bespreken en de zienswijze in te kunnen dienen. Daarnaast is gekozen om de zienswijzemogelijkheid open te stellen voor een aantal specifieke besluiten (zoals kaderstellende strategische en meerjarenplannen), omdat deze plannen in een vroeg stadium bepalen waar de gemeenschappelijke regeling naartoe beweegt en inspraak juist in dat vroege stadium bij kan dragen aan meer betrokkenheid bij en draagvlak voor de keuzes die door de gemeenschappelijke regeling worden gemaakt. De zienswijzemogelijkheid wordt expliciet uitgezonderd voor het vaststellen en wijzigen van de begroting en besluiten waarop afdeling 3.4 van de Awb van toepassing is, omdat artikel 10, vijfde lid, van de Wgr dat bepaalt.
Deze laatstgenoemde besluiten hebben namelijk hun eigen inspraakmogelijkheden en procedures. Artikel 26 Participatie ingezetenen en belanghebbenden Artikel 10, zevende lid, van de Wgr bepaalt dat in de gemeenschappelijke regeling moet worden vastgelegd hoe ingezetenen en belanghebbenden worden betrokken bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid op grond van de regeling. Er is voor gekozen om participatie voor ingezetenen en belanghebbenden niet in de regeling vast te leggen. Participatie kan desgewenst door de gemeenteraden en provinciale staten zelf worden vormgegeven door bijvoorbeeld ingezetenen en belanghebbenden mee te laten denken over onderwerpen waarover zij een zienswijze kunnen uitbrengen. Op die manier kunnen de deelnemers zelf bepalen of, en zo ja, op welke manier zij ingezetenen en belanghebbenden in de gelegenheid willen stellen om mee te denken over besluitvorming die in de regeling plaatsvindt. Artikel 27 Evaluatie Bij de evaluatie wordt standaard voor de meest lichte vorm gekozen, die wordt voorgesteld in de Wet. Deelnemers hebben de mogelijkheid dit in overleg anders in te vullen.
HOOFDSTUK 7 DIRECTEUR Artikel 28 Directeur Behoeft geen toelichting.
HOOFDSTUK 8 SAMENWERKING GELDERS STELSEL Artikel 29 Voorzitters- en directeurenoverleg Om op bestuurlijk niveau de samenwerking tussen de Gelderse omgevingsdiensten te waarborgen, is ter uitvoering van het Gelderse stelsel in de regeling (en de overige gemeenschappelijke regelingen waarbij een omgevingsdienst in Gelderland is ingesteld) voorzien in een overleg tussen de voorzitters, alsmede in een overleg tussen de directeuren.
HOOFDSTUK 9 FINANCIELE BEPALINGEN Artikel 30 Administratie en controle Behoeft geen toelichting. Artikel 31 Begrotingsprocedure Beperkte wijzigingen binnen de begroting die niet leiden tot een wijziging van de bedragen van de deelnemers, kunnen door het Algemeen Bestuur worden vastgesteld zonder de brede procedure van zienswijzen. Artikel 32 Jaarrekening Behoeft geen toelichting. Artikel 33 Verdeling saldo Er ligt op grond van het eerste lid een verplichting om een beperkte reserve op te bouwen en aan te houden voor het opvangen van financiële schommelingen. Indien er in de jaarrekening sprake is van een nadelig saldo, beslist het algemeen bestuur op grond van het tweede en het derde lid. Er is gekozen voor een verdeling naar rato van de stemverhouding en niet op basis van exploitatie, omdat de exploitatie in de tijd gezien te veel kan fluctueren. Stemverhouding geeft een meer stabiele situatie.
HOOFDSTUK 10 ARCHIEF Artikel 34 Zorg en beheer archief openbaar lichaam Op grond van artikel 40 van de Archiefwet houdt een regeling als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen een voorziening in omtrent de zorg voor de archiefbescheiden van bij die regeling ingestelde openbare lichamen. Hieraan wordt invulling gegeven door opneming in de regeling van artikel 32.
HOOFDSTUK 11 TOETREDING, UITTREDING, WIJZIGING EN OPHEFFING Op grond van artikel 9 in verbinding met artikel 52, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen houdt een regeling die voor onbepaalde tijd wordt getroffen bepalingen in over wijziging, opheffing, toetreding en uittreding. De regeling voorziet daarin in hoofdstuk11. Artikel 35 Toetreding Zie ook art. 51 van de Wet. Artikel 36 Uittreding Besluit een deelnemer uit te treden, dan regelt dit artikel de gevolgen van de uittreding. Uitgangspunt hierbij is dat de niet uittredende deelnemers financieel niet worden benadeeld. Artikel 37 Wijziging en opheffing Het wijzigen van de regeling is onder andere aan de orde als een deelnemer extra structurele taken als bedoeld in artikel 5 bij de omgevingsdienst wil onderbrengen. Een deelnemer kan op grond van het tweede lid daarom zelf verzoeken aan de deelnemers, dan wel kan daarom door het algemeen bestuur worden verzocht. Gaat het om opheffing van de regeling, dan zijn het vooral de personele en financiële gevolgen die geregeld moeten worden. Dat geschiedt op grond van het derde lid in een liquidatieplan. Afhankelijk van de specifieke situatie kan dat plan bepalingen inhouden over het overnemen van personeel door deelnemers.
HOOFDSTUK 12 KLACHTENREGELING Artikel 38 Klachtenregeling De behandeling van klachten als bedoeld in hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht kent twee fasen: de interne fase en de externe fase. Artikel 36 houdt de verplichting in om voor de interne fase een verordening vast te stellen, waartoe het algemeen bestuur bevoegd is. Voor de tweede fase geldt dat de Nationale ombudsman bevoegd is, tenzij het algemeen bestuur een andere klachtadviesinstantie aanwijst.
HOOFDSTUK 13 SLOTBEPALINGEN Artikel 39 Inwerkingtreding Vaststellingbesluiten tot het wijzigen van de GR ODVeluwe dienen op grond van artikel 3:42, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht door alle deelnemers bekend gemaakt te worden in de eigen gemeente/provincie. Daarnaast wordt één deelnemer (provincie Gelderland) verantwoordelijk gemaakt voor de bekendmaking van de gemeenschappelijke regeling zelf. De regeling dient door kennisgeving van de inhoud in het provincieblad bekend te worden gemaakt om in werking te kunnen treden. Het openbaar lichaam draagt zorg voor verwerking van de gegevens in het daartoe bestemde register (artikel 26 lid 2 juncto artikel 52, eerste lid, onder k, van de Wet). Artikel 40 Duur van de regeling Behoeft geen toelichting Artikel 41 Citeertitel Behoeft geen toelichting