CConstaterende datPutten
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 7b - Rapportage Windenergie op en rond Veluwe

Commissie Economie, Bestuur en Openbare Ruimte 30 maart 2021, gemeente PuttenBij agendapunt: Samenwerken aan RES 1.0 Noord-Veluwe25.705 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

De afstandscorrectie is gebaseerd op de kans dat een Wespendief op een bepaalde afstand van de Veluwerand aanwezig is; deze is weer berekend aan de hand van de GPS-data van de gezenderde Wespendieven op de Veluwe (zie hoofdstuk 2). Als laatste stap in de berekening van de fluxen is gecorrigeerd voor het percentage van de dag dat vliegend wordt doorgebracht (zie vorige sectie). 2

Gebaseerd op 94 broedparen op de Veluwe komt de gemiddelde dichtheid uit op 0,143 per km in geschikt leefgebied. Voor één sexe is dat de helft (0,0715). In mei, juni en juli heeft de effectieve dichtheid betrekking op alleen de oudervogels omdat in deze periode geen (vliegvlugge) juveniele vogels aanwezig zijn. In augustus is dat wel het geval en de juvenielen tellen dan mee in de berekening van de aanvaringsrisico’s. In september zijn vrijwel alle adulte vogels weer op migratie en zijn voornamelijk nog juvenielen aanwezig; de dichtheid is dan gebaseerd op uitsluitend juveniele vogels. Voor de afstandscorrectie wordt in het model geen onderscheid gemaakt tussen adulte vogels en juvenielen.

De correctie voor afstand ten opzichte van de Veluwerand is gebaseerd op de patronen die zijn weergegeven in de figuren 3.5 – 3.7. Een deelkaart voor het noordelijk deel van de Veluwe laat zien dat verschillende gezenderde Wespendieven de randmeren overvliegen om voedsel te zoeken in bijvoorbeeld boswachterij Spijk-Bremerberg of Reve-Abbert (figuur 3.5). Deze gebieden liggen op ca. 8–10 km van de rand van het Natura 2000-gebied. Een aantal

22

A&W-rapport 20-140 Windenergie op en rondom de Veluwe

Wespendieven vliegt verder, tot Biddinghuizen (12 km) of zelfs tot de strook bos ten westen van Dronten (18 km). Deze afstanden zijn echter niet gebruikelijk en het merendeel van de vogels foerageert binnen afstanden van 8–10 km van de Veluwerand (figuur 3.6). Zoals deze figuur laat zien, vliegen de vrouwelijke Wespendieven gemiddeld verder dan de mannen. De afname in vliegactiviteit vanaf de Veluwerand is goed te beschrijven met een exponentiële regressiefunctie (figuur 3.7). Aangezien de vogels die ver weg vliegen ook op kortere afstanden voorkomen, is per afstandsklasse cumulatief berekend welk deel tot die afstand van de Veluwerand vliegt. Dit is gedaan door integraalrekening, i.e. berekening van het oppervlak onder de regressiecurve tot de betreffende afstand. De uitkomsten van deze analyse zijn weergegeven in tabel 3.2. Hieruit blijkt dat 8% van de mannen en 22% van de vrouwen (van de vogels die überhaupt buiten de Veluwe komen) tot een afstand van 10 km van de Veluwerand vliegt. De waarden uit tabel 3.2 zijn gebruikt in het aanvaringsmodel om te corrigeren voor de afstand tot de Veluwerand.

Figuur 3.5 Vliegpatronen van enkele gezenderde Wespendieven in het noordelijk deel van de Veluwe.

A&W-rapport 20-140 Windenergie op en rondom de Veluwe

Figuur 3.6 Vliegactiviteit van Wespendieven buiten de Veluwe, in relatie tot de afstand tot de Veluwerand.

Figuur 3.7 Regressieanalyse van de vliegactiviteit in relatie tot de afstand tot de Veluwerand.

23

24

A&W-rapport 20-140 Windenergie op en rondom de Veluwe

Tabel 3.2 Cumulatieve percentages van de vliegbewegingen van mannelijke en vrouwelijke Wespendieven buiten de Veluwe die tot een bepaalde afstand van de Veluwerand plaatsvinden. De berekening is gebaseerd op de exponentiële regressielijn getoond in figuur 3.7. In deze tabel worden alleen de afstanden tot 10 km gegeven. Afstand (m)

Vliegbewegingen

Vliegbewegingen

man cumulatief

vrouw cumulatief

0

100%

100%

1.000

79%

87%

2.000

62%

76%

3.000

48%

66%

4.000

38%

57%

5.000

30%

49%

6.000

23%

42%

7.000

18%

36%

8.000

14%

31%

9.000

11%

26%

10.000

8%

22%

Vlieghoogtes Een belangrijke parameter in het Band model is de verdeling van de vlieghoogtes ten opzichte van de hoogte van de rotor. Op basis van de data van de gezenderde Wespendieven op de Veluwe zijn de vlieghoogtes per habitat op een rij gezet. Het betreft hier de ongecorrigeerde hoogtedata. Vanwege onnauwkeurigheden in de hoogteregistratie van de GPS bevat de dataset ook foutieve metingen, zoals vlieghoogtes lager dan nul of juist op vele kilometers hoogte. Op advies van prof. Willem Bouten, hoogleraar geo-ecologie aan de Universiteit van Amsterdam, zijn de data hiervoor niet gecorrigeerd om geen kunstmatige verdeling in de data te krijgen. Uit figuur 3.8 blijkt dat in bos lager wordt gevlogen dan in open habitattypen zoals agrarisch gebied of natte natuur. Mogelijk komt dit doordat de GPS-punten in bos vaker betrekking hebben op vogels op het nest of op de grond foeragerende vogels. Bij middelgrote turbines met een rotorhoogte van 40–160 m, ligt het percentage van de GPS-punten (onafhankelijk van habitattype) op rotorhoogte op 26,9% (tabel 3.3). Bij grote turbines met een rotorhoogte tussen 80–240 m is dit met 26,8% vrijwel gelijk (tabel 3.3). Het exacte percentage is echter afhankelijk van het betreffende habitattype; in agrarisch gebied loopt bij grote turbines het percentage vliegbewegingen op rotorhoogte op tot ruim 33%.

Tabel 3.3 Percentages van de vliegbewegingen van Wespendief op rotorhoogte bij een middelgrote turbine (40-160 m) en een grote turbine (80-240 m). Habitat

Mediane

Percentage GPS-punten op

Percentage GPS-punten op

vlieghoogte (m)

rotorhoogte (40–160 m)

rotorhoogte (80–240 m)

Agrarisch gebied

193

27,5

33,3

Bebouwing

256

24,3

28,3

Bos

122

27,2

25,1

Natte natuur

252

30,0

27,6

Open natuur

167

24,6

23,8

26,9

26,8

Totaal

A&W-rapport 20-140 Windenergie op en rondom de Veluwe

25

Figuur 3.8 Verdeling van de vlieghoogtes van Wespendief per habitattype op of nabij de Veluwe.

Figuur 3.9 Verdeling van de vlieghoogtes van mannelijke en vrouwelijke Wespendieven per habitattype op of nabij de Veluwe.

26

A&W-rapport 20-140 Windenergie op en rondom de Veluwe

Het percentage vliegbewegingen op rotorhoogte hangt niet alleen af van het habitat, maar ook van het geslacht van de vogel. Zoals is te zien in figuur 3.9, vliegen de vrouwelijke vogels gemiddeld aanzienlijk hoger dan de mannelijke vogels. Zoals gebruikelijk bij roofvogels zijn vrouwelijke Wespendieven groter van formaat dan de mannelijke vogels, en dit kan leiden tot verschillen in vlieghoogte en vliegsnelheid (zie ook de volgende paragraaf). In het aanvaringsmodel is gebruik gemaakt van de exacte verdeling van de vlieghoogtes per geslacht. Hiervoor zijn de percentages van het aantal GPS-punten per hoogteklasse van 1 m tot een maximum van 500 m hoogte gebruikt. In het Band model komt deze manier van analyse van de hoogtedata overeen met ‘optie 3’. Vliegsnelheid De snelheid waarmee een vogel van een bepaalde lichaamslengte door het rotoroppervlak vliegt, heeft een grote invloed op de kans dat de vogel in aanvaring komt met één van de rotorbladen. Logischerwijs geldt dat hoe hoger de vliegsnelheid, hoe kleiner de aanvaringskans. De vliegsnelheid is geen statisch gegeven maar varieert afhankelijk van het gedrag, het type vliegbeweging, windsnelheid en andere omstandigheden.

Op migratie wordt vaak een andere snelheid aangehouden dan tijdens lokale vluchten, en tijdens foerageervluchten kan een andere snelheid worden aangehouden dan tijdens verplaatsingen van bijvoorbeeld het foerageergebied naar het nest. De vliegsnelheid van Wespendief varieert binnen een aanzienlijke bandbreedte, die ligt tussen grosso modo 5–24 m/s (Bruderer & Boldt 2001). Op basis van tientallen jaren radarmetingen van migrerende vogels op verschillende locaties in Europa, komen Bruderer & Boldt (2001) tot de volgende vliegsnelheden:     

Op migratie: gemiddeld 10,2 m/s, range 8–14 m/s Glijvluchten: gemiddeld 14,2 m/s, range 7–27 m/s Slagvlucht (flapping flight): gemiddeld 10,1 m/s, range 8–14 m/s Gemengd gedrag: gemiddeld 12,1 m/s, range 4–22 m/s Cross-country: gemiddeld 9,5 m/s

In een andere studie op basis van radardata verzameld in Zweden komen Alerstam et al. (2007) tot een gemiddelde vliegsnelheid van 12,5 m/s. De GPS-data van de gezenderde Wespendieven op de Veluwe kunnen ook gebruikt worden om vliegsnelheden tijdens lokale verplaatsingen te berekenen. Analoog aan de data van de vlieghoogte (zie vorige sectie) zijn ook de gegevens van vliegsnelheid apart geanalyseerd voor beide geslachten tabel 3.10). Waarschijnlijk als gevolg van verschillen in lichaamsgrootte vliegen de vrouwelijke Wespendieven gemiddeld sneller (9,9 m/s) dan de mannen (9,1 m/s), hoewel de spreiding aanzienlijk is. Dit onderscheid, inclusief de spreiding rond het gemiddelde, is in de mortaliteitsberekeningen expliciet meegenomen. Verschillen in vliegsnelheid per maand, habitat of uur van de dag zijn buiten beschouwing gelaten.

A&W-rapport 20-140 Windenergie op en rondom de Veluwe

27

Figuur 3.10 Verdeling van de vliegsnelheid (m/s) van mannelijke en vrouwelijke Wespendieven per habitattype op of nabij de Veluwe.

Ontwijkingskans Eén van de belangrijkste factoren die het aantal aanvaringen met de turbines bepaalt, en tegelijkertijd een lastige om te kwantificeren, is de kans dat een vogel met succes een turbine weet te ontwijken. Deze ontwijkingskans kan op verschillende niveaus van toepassing zijn (Cook et al. 2014). Sommige soorten proberen het gehele windpark te vermijden, waardoor nauwelijks sprake is van vogels die nabij de turbines komen; dit wordt in het Engels macroavoidance genoemd. Soortgroepen die vooral op macroniveau windturbines ontwijken zijn o.a. kraanvogels en ganzen (Grünkorn et al. 2016). Andere soorten lijken zich weinig van de turbines aan te trekken en vliegen soms dwars door windparken heen, waarbij de vogels proberen om de individuele turbines te ontwijken; dit is meso- of micro-avoidance. Voorbeelden van soortgroepen die weinig macro-ontwijking vertonen maar vooral op meso– of microniveau turbines ontwijken zijn o.a. aalscholvers, meeuwen en sterns, en roofvogels. Logischerwijs is bij deze laatste categorie vaker sprake van vliegbewegingen door de rotorzone dan bij de eerste categorie, met een hogere kans op aanvaringen tot gevolg. Veel roofvogels vertonen weinig tot geen macro-ontwijking en zijn regelmatig in windparken te vinden.

Een voorbeeld zijn de kiekendieven die foerageren of soms zelfs in of aan de rand van windparken broeden, zoals bij Windpark Delfzijl-Zuid (Schaub et al. 2019). Het voedselaanbod speelt daarbij een grote rol. De ontwijkingskans (avoidance rate) speelt een grote rol in de mortaliteitsberekeningen van aanvaringsmodellen. Indien geen of onvoldoende rekening met ontwijkingsgedrag wordt gehouden, kan dit tot een aanzienlijke overschatting van de voorspelde mortaliteit leiden.

28

A&W-rapport 20-140 Windenergie op en rondom de Veluwe

Tegelijkertijd is de ontwijkingskans lastig te kwantificeren. In de praktijk wordt vaak simpelweg het verschil tussen de ‘ruwe’ modelberekening (zonder ontwijkingskans) en het daadwerkelijk aangetroffen aantal slachtoffers (zoals onderzocht in monitoringsprogramma’s) gebruikt om de ontwijkingskans te bepalen (zie Cook et al. 2014). Voor zover bekend is in de wetenschappelijke literatuur voor de Wespendief geen ontwijkingskans bekend. Wel zijn voor diverse andere soorten roofvogels ontwijkingskansen berekend. Deze liggen meestal hoger dan 95%, en in enkele gevallen zelfs hoger dan 98% (tabel 3.4). Met andere woorden, normaliter vindt minder dan 2% tot 5% van de vliegbewegingen uiteindelijk door de rotorzone plaats. Scottish Natural Heritage (2018), de organisatie achter de ontwikkeling van het Band model, adviseert voor soorten waarvoor geen soortspecifieke ontwijkingskans beschikbaar is een ontwijkingspercentage van 98% aan te houden. Vanwege de gevoeligheid van de modelberekeningen voor de ontwijkingskans, is in de analyses van het (cumulatief) aantal aanvaringen met vier verschillende percentages voor de ontwijkingskans gerekend, namelijk 95%, 98%, 99% en 99,5% (conform Vasilakis et al. 2017).

Tabel 3.4 Ontwijkingspercentages bij verschillende soorten roofvogels. Soort

Ontwijkingskans

Bron

Steenarend

99,5%

Madders et al. 2004

Steenarend

98,64 – 99,89%

Whitfield 2009

Zeearend

95%

Scottish Natural Heritage 2018

Grauwe kiekendief

93,5%

Schaub et al. 2019

Blauwe kiekendief

97,5 – 99%

Whitfield & Madders 2006a

Rode wouw

98 – 99%

Whitfield & Madders 2006b

Rode wouw

99,2%

Urquhart & Whitfield 2016

Torenva k

95%

Scottish Natural Heritage 2018

A&W-rapport 20-140 Windenergie op en rondom de Veluwe

Tabel 3.5 Samenvatting van de inputparameters in het aanvaringsmodel. Parameter

Waarde

Standaard

Opmerkingen

deviatie Aantal turbines

10 / 25 / 50 / 75 / 100

Breedte windpark

n.v.t. n.v.t.

Breedtegraad

52,2

n.v.t.

Van belang i.v.m. berekening

MW turbine

3/6

n.v.t.

Aantal rotorbladen

3

n.v.t.

Straal rotor

60 / 80 m

n.v.t.

Middelgrote en grote turbine

Ashoogte

100 / 160 m

n.v.t.

Middelgrote en grote turbine

Maximale breedte rotorblad

5,5 m

n.v.t.

Windaanbod

Mei: 84%

n.v.t.

daglengte Middelgrote en grote turbine

Zie ook de sectie over

Juni: 84%

windaanbod. In het model is geen

Juli: 80%

invoer mogelijk van de variatie

Aug: 78%

(SD) in windaanbod.

Sep: 77% Stilstand voor onderhoud

2,0%

0,0

Gemiddelde windsnelheid

6,5 m/s

3,25 m/s

Type vlieggedrag

Slagvlucht (‘flapping’)

Lichaamslengte

55 cm (man)

Worst-case 2,0 cm

57 cm (vrouw) Spanwijdte

126 cm (man)

Inschatting op basis van Ferguson-Lees & Christie (2001)

2,0 cm

134 cm (vrouw) Gemiddelde vliegsnelheid

Op 100 m hoogte

Omgerekend op basis van wing chord data op Veluwe

9,1 m/s (man)

3,6 m/s (man)

Op basis van gezenderde vogels

9,9 m/s (vrouw)

7,1 m/s (vrouw)

op de Veluwe

Percentage nachtactief

0%

n.v.t.

Ontwijkingskans

95% / 98% / 99% /

0,2%

99,5% Percentage op rotorhoogte

27%

Alleen van belang bij Optie 1 van model; Optie 2 en 3 maken gebruik van verdeling in vlieghoogtes

Aantal simulaties

5.000

n.v.t.

Dichtheid 1 geslacht (niet

Mei: 0,0715

0

gecorrigeerd voor afstand)

Juni: 0,0715

geslacht in geschikt habitat op de

Juli: 0,0715

Veluwe

Aug: 0,1430 Sep: 0,0715 Correctie voor vliegactiviteit

Zie tabel 3.1

Correctie voor afstand tot de

Zie tabel 3.2

Veluwerand

Gemiddelde dichtheid per

29

30

A&W-rapport 20-140 Windenergie op en rondom de Veluwe

4

Aanvaringsslachtoffers Wespendief

4.1

Aanvaringskans in de rotorzone

Het risico dat een Wespendief tijdens een vlucht door de rotorzone in aanvaring komt met één van de rotorbladen is afhankelijk van de draaisnelheid van de bladen en de vliegsnelheid en afmetingen van de vogel. Deze relatie is weergegeven in figuur 4.1, waarbij voor verschillende draaisnelheden van de rotorbladen het aanvaringsrisico is uitgezet tegen de vliegsnelheid. Bij een lage vliegsnelheid van 6 m/s en draaisnelheden tussen 6–12 rpm is de aanvaringskans bij een éénmalige vlucht door de rotorzone ca. 7% tot 13%. De aanvaringskans neemt sterk af naarmate de vogel sneller vliegt en de rotorbladen langzamer draaien (figuur 4.1). Bij een ‘normale’ vliegsnelheid van 10 m/s bedraagt de gemiddelde kans op aanvaring 4,5% tot 7,8%. Hierbij moet worden bedacht dat het hier gaat om aanvaringskansen wanneer een Wespendief daadwerkelijk door de rotorzone van een windturbine vliegt, dus tussen de draaiende rotorbladen door. Factoren als de hoek waaronder de vogel komt aanvliegen ten opzichte van de rotorbladen, plotselinge veranderingen in vliegsnelheid of –richting e.d. zijn hierbij buiten beschouwing gelaten. De kans op aanvaring verschilt afhankelijk van de positie waar de vogel door het rotoroppervlak vliegt; de hier gegeven waarden zijn gemiddeld over alle posities langs de lengte van het rotorblad.

Figuur 4.1 Verloop van de gemiddelde aanvaringskans met één van de rotorbladen als functie van de vliegsnelheid (in m/s), bij verschillende draaisnelheden van de rotorbladen (6–12 rpm), bij een éénmalige vlucht van een Wespendief door het rotoroppervlak.

A&W-rapport 20-140 Windenergie op en rondom de Veluwe

4.2

31

Mortaliteit bij turbines op de Veluwe

De mortaliteit onder Wespendieven indien turbines op de Veluwe worden geplaatst, dus binnen de begrenzing van het Natura 2000-gebied, staat weergegeven in tabel 4.2. Hierbij is het verwachte aantal aanvaringsslachtoffers onder mannelijke en vrouwelijke Wespendieven gegeven voor verschillende aantallen turbines en ontwijkingspercentages. De waarden in tabel 4.1 hebben betrekking op het gemiddelde uit 1.000 simulaties. De samenvattende resultaten zijn ook visueel weergegeven in figuur 4.2 en 4.3. Samenvattend laten de resultaten zien dat de mortaliteit snel oploopt met het aantal turbines en een lagere ontwijkingskans. Hoge aantallen turbines kunnen leiden tot enkele tot >10 slachtoffers onder Wespendief per jaar, maar ook bij lagere aantallen (10 turbines) kan de mortaliteit de juridische drempelwaarde overschrijden. Details over welke mate van mortaliteit juridisch en ecologisch aanvaardbaar is, worden gegeven in paragraaf 4.4.

Tabel 4.1 Mortaliteit onder mannelijke en vrouwelijke Wespendieven, en het totaal, bij verschillende scenario’s ten aanzien van aantallen turbines en percentages voor de ontwijkingskans. De uitkomsten zijn gegeven voor middelgrote turbines (ashoogte 120 m) en grote turbines (ashoogte 160 m).

Middelgrote turbines Turbines

Grote turbines

Ontwijking

Man

Vrouw

Totaal

Man

Vrouw

Totaal

10

95,0%

1,17

0,53

1,70

1,17

0,66

1,83

10

98,0%

0,46

0,21

0,67

0,46

0,26

0,72

10

99,0%

0,24

0,11

0,35

0,23

0,13

0,36

10

99,5%

0,12

0,05

0,17

0,12

0,06

0,18

25

95,0%

2,93

1,33

4,26

2,91

1,66

4,57

25

98,0%

1,15

0,53

1,68

1,15

0,65

1,80

25

99,0%

0,59

0,26

0,85

0,57

0,33

0,90

25

99,5%

0,29

0,13

0,42

0,30

0,16

0,46

50

95,0%

5,80

2,57

8,37

5,86

3,21

9,07

50

98,0%

2,33

1,06

3,39

2,36

1,30

3,66

50

99,0%

1,17

0,53

1,70

1,15

0,64

1,79

50

99,5%

0,57

0,27

0,84

0,58

0,33

0,91

75

95,0%

8,80

3,98

12,78

8,74

4,97

13,71

75

98,0%

3,44

1,59

5,03

3,46

1,96

5,42

75

99,0%

1,76

0,80

2,56

1,72

0,98

2,70

75

99,5%

0,86

0,40

1,26

0,89

0,47

1,36

100

95,0%

11,73

5,31

17,04

11,65

6,63

18,28

100

98,0%

4,58

2,12

6,70

4,61

2,61

7,22

100

99,0%

2,34

1,06

3,40

2,29

1,30

3,59

100

99,5%

1,14

0,54

1,68

1,18

0,63

1,81

32

A&W-rapport 20-140 Windenergie op en rondom de Veluwe

Figuur 4.2 Mortaliteit Wespendief bij middelgrote en grote turbines op de Veluwe bij een ontwijkingskans van 98%.

Figuur 4.3 Mortaliteit Wespendief op de Veluwe als functie van het aantal turbines en het ontwijkingspercentage, bij middelgrote turbines.

A&W-rapport 20-140 Windenergie op en rondom de Veluwe

33

Logischerwijs heeft het aantal turbines een grote invloed op de resultaten. Omdat in het aanvaringsmodel geen onderscheid is gemaakt tussen ruimtelijke configuraties (lijnopstelling vs. cluster, effect van verschillende locaties of habitats, etc.) schaalt de mortaliteit lineair met het aantal turbines. Met andere woorden, 50 turbines leveren volgens het model tweemaal zoveel slachtoffers op als 25 turbines. Kleine afwijkingen hierin worden veroorzaakt doordat gebruik is gemaakt van een stochastisch model, waarbij verschillende simulaties tot verschillende uitkomsten kunnen leiden, afhankelijk van de statistische spreiding die op een bepaalde parameter van toepassing is. Ook de gehanteerde waarde voor de ontwijkingskans heeft een zeer groot effect. Een ontwijking van 95% resulteert in een ca. 10x hogere mortaliteit dan een ontwijking van 99,5% (zie figuur 4.3, 4.4). Dit zijn de twee uitersten in ontwijkingskans, maar ook de waarden van 98% en 99% resulteren onderling in een halvering of verdubbeling van het verwachte aantal aanvaringsslachtoffers. Aangezien voor zover bekend geen onderzoek naar de ontwijkingskans van Wespendieven is gedaan, is niet met zekerheid te zeggen welke waarde het meest accuraat is. Een opvallend patroon is het verschil in mortaliteit tussen mannelijke en vrouwelijke Wespendieven (figuur 4.3, 4.4).

Uit alle scenario’s volgt dat de mortaliteit onder vrouwen aanzienlijk lager ligt dan onder mannen: ruim twee derde van het verwachte aantal aanvaringsslachtoffers bij turbines op de Veluwe bestaat uit mannen. Voor de hand liggende oorzaken zijn dat mannen meer tijd vliegend besteden dan vrouwen (zeker in de broedperiode, maar ook in de zomer is dit verschil nog zichtbaar), zij langzamer vliegen (en daarmee een hogere kans op aanvaring hebben bij een vlucht door het rotoroppervlak), en dat de mannen een groter deel van hun tijd op de Veluwe blijven (vrouwen komen vaker buiten het gebied).

Figuur 4.4 Mortaliteit onder mannelijke (links) en vrouwelijke (rechts) Wespendieven op de Veluwe als functie van het aantal turbines en het ontwijkingspercentage.

34

A&W-rapport 20-140 Windenergie op en rondom de Veluwe

Uit de analyse beschreven in hoofdstuk 3 (figuur 3.4) komt naar voren dat Wespendieven een groter deel van hun tijd op de Veluwe dan daarbuiten doorbrengen. Met name mannelijke Wespendieven komen relatief weinig buiten de Veluwe; zowel in het voorjaar als de zomer brengen de mannen veruit het grootste deel van hun tijd door binnen de Veluwe. Dat geldt in het voorjaar ook voor de vrouwen, maar dat verandert in de nazomer. In de broedperiode wordt er door de vrouwelijke Wespendieven überhaupt minder gevlogen dan de mannen. Deze patronen leiden tot een vrij uniforme verdeling van het aantal aanvaringsslachtoffers per maand indien turbines op de Veluwe worden geplaatst (figuur 4.5). De uitzondering is de maand augustus, wanneer zowel de mannen, vrouwen als juvenielen op de Veluwe aanwezig zijn en sprake is van relatief veel vliegbewegingen. In september ligt de mortaliteit weer lager omdat de meeste volwassen vogels dan het gebied al hebben verlaten en op migratie naar Afrika zijn.

Figuur 4.5 Voorbeeld van de patronen in mortaliteit onder vrouwelijke Wespendieven per maand, bij plaatsing van 10 turbines op de Veluwe. Het gekozen ontwijkingspercentage is 95%. De boxplots geven de spreiding van de mortaliteit weer, waarbij 50% van de modelsimulaties in de paarse blokken valt. De zwarte lijnen geven de mediane waarde weer.

Tabel 4.1 en figuur 4.2 laten zien dat grote turbines (rotordiameter 160 m) tot ca. 7–8% meer slachtoffers leiden dan kleinere turbines (rotordiameter 120 m). Vergeleken met de toename in rotoroppervlak en maximaal vermogen van de turbines is dit minimaal. De verklaring is dat het aantal vliegbewegingen ter hoogte van de rotorzones van beide turbinetypen vergelijkbaar is (zie tabel 3.3). Aangezien bij een grotere turbine de opbrengst in MW verhoudingsgewijs sneller toeneemt dan het aantal slachtoffers, hebben grote turbines dus een gunstiger mortaliteit per MW dan kleine turbines. Dit uitgangspunt biedt mogelijkheden voor mitigatie (zie hoofdstuk 6).

A&W-rapport 20-140 Windenergie op en rondom de Veluwe

4.3

35

Mortaliteit bij turbines buiten de Veluwe

De mortaliteit onder Wespendieven indien middelgrote turbines buiten de Veluwe worden geplaatst, is weergeven in figuur 4.6 en in bijlage 1. Hierbij is de mortaliteit berekend bij verschillende aantallen turbines (10, 25, 50, 75, 100), verschillende waarden van de ontwijkingskans (95%, 98%, 99%, 99,5%) en verschillende afstanden tot de Veluwe. Hierbij zijn afstandsklassen van 1 km met een minimum van 0 km en een maximum van 8 km gehanteerd. Figuur 4.6 laat duidelijk zien dat de mortaliteit sterk afneemt met toenemende afstand tot de Veluwerand. Dit is een direct gevolg van de exponentiële afname in vliegactiviteit die zichtbaar is bij de gezenderde Wespendieven buiten de Veluwe (figuur 3.6 en 3.7). Met andere woorden, hoe verder de turbines van de Veluwerand zijn gesitueerd, hoe kleiner de kans dat een Wespendief überhaupt in de buurt van de turbines komt. Het merendeel van de vogels foerageert binnen afstanden van 8–10 km van de Veluwerand, waarbij de vrouwelijke Wespendieven gemiddeld verder vliegen dan de mannen. In deze analyse is geen onderscheid gemaakt in de kwaliteit van het habitat voor de Wespendief, of specifieke locaties in het gebied. In het model wordt dus uitgegaan van een uniforme kwaliteit of geschiktheid van alle terreintypen en alle locaties rondom de Veluwe.

In de werkelijkheid is zeer waarschijnlijk wel degelijk sprake van variatie in kwaliteit van het habitat voor de Wespendief. Dergelijke ruimtelijke informatie is echter niet in het huidige model toe te passen, waardoor een homogene afstandsverdeling in mortaliteit ontstaat. Aanvullende veldwaarnemingen in de nazomer (juli, augustus) kunnen meer duidelijkheid geven omtrent de mate van gebiedsgebruik op een specifieke locatie buiten de Veluwe, en zo tot een verfijning van de resultaten van het model leiden.

Figuur 4.6 Mortaliteit Wespendief per jaar bij plaatsing van middelgrote turbines buiten de Veluwe. De deelgrafieken geven de verschillende percentages voor de ontwijkingskans weer (zie grijze balken bovenaan). De mortaliteit op afstand nul is mogelijk onderschat omdat dit direct tegen de Veluwe ligt met een hogere dichtheid aan vliegbewegingen.

36

A&W-rapport 20-140 Windenergie op en rondom de Veluwe

Analoog aan de patronen in mortaliteit bij turbines binnen de Veluwe (figuur 4.3), laat de analyse van mortaliteit buiten de Veluwe een sterk effect zien van de gekozen waarde voor de ontwijkingskans. Een ontwijking van 95% resulteert in een ca. 10x hogere mortaliteit dan een ontwijking van 99,5%. Uit de data van de gezenderde Wespendieven komt naar voren dat grote verschillen bestaan in het vlieggedrag tussen mannelijke en vrouwelijke Wespendieven. De mannen komen amper van de Veluwe af, terwijl vrouwen dat (vooral in de zomer) wel doen (zie hoofdstuk 3). Daarnaast vliegen de vrouwelijke Wespendieven ook nog eens aanzienlijk verder dan mannen. Deze twee factoren leiden tot grote verschillen in mortaliteit tussen beide geslachten bij plaatsing van turbines buiten de Veluwe. Als voorbeeld laat figuur 4.7 het verloop in mortaliteit zien voor een situatie met 50 turbines buiten de Veluwe en een ontwijkingskans van 98%. De mortaliteit onder mannen is slechts een fractie van die onder vrouwen, en hoe groter de afstand tot de Veluwerand, hoe kleiner het aandeel slachtoffers onder mannen ten opzichte van vrouwen. Op 1–2 km afstand bedraagt de mortaliteit onder mannen ongeveer 10% van die onder vrouwen, en dit neemt af tot ongeveer 6% op 8 km afstand. Bij andere aantallen turbines is het patroon identiek.

Figuur 4.7 Mortaliteit onder beide geslachten bij plaatsing van middelgrote turbines buiten de Veluwe, als functie van de afstand tot de Veluwerand. Als voorbeeld is gekozen voor een scenario met 50 turbines en een ontwijkingskans van 98%.

In tegenstelling tot de maandelijkse patronen in mortaliteit indien turbines binnen de Veluwe worden geplaatst, is in het geval van turbines buiten de Veluwe sprake van een duidelijke piek in de nazomer. Figuur 4.8 laat zien dat de mortaliteit bij vrouwelijke Wespendieven in de maanden mei en juni minimaal is, net als in september. In de broedperiode in het voorjaar wordt er door de vrouwen relatief weinig buiten de Veluwe gevlogen, en in september hebben

A&W-rapport 20-140 Windenergie op en rondom de Veluwe

37

de meeste volwassen vrouwen Nederland al verlaten. Zoals beschreven in hoofdstuk 3, komen de vrouwelijke Wespendieven vooral in de nazomer van de Veluwe af. In juli en augustus brengen de vrouwen gemiddeld 6% van de dagtijd buiten de Veluwe door, en 38% van alle vliegende waarnemingen zijn dan buiten de Veluwe. Het effect hiervan is duidelijk zichtbaar in de mortaliteit bij turbines buiten de Veluwe.

Figuur 4.8 Voorbeeld van de patronen in mortaliteit onder vrouwelijke Wespendieven per maand, bij plaatsing van 25 turbines op 3 km afstand van de Veluwerand. Het gekozen ontwijkingspercentage is 98%. De boxplots geven de spreiding van de mortaliteit weer, waarbij 50% van de modelsimulaties in de paarse blokken valt. De zwarte lijnen geven de mediane waarde weer.

4.4

Welke mortaliteit is acceptabel?

De vorige secties geven aan hoeveel aanvaringsslachtoffers zijn te verwachten onder verschillende scenario’s voor turbines binnen en buiten de Veluwe. Dat zegt echter nog niets over welke mate van mortaliteit vanuit ecologisch en juridisch oogpunt acceptabel is. Vanuit de Wet Natuurbescherming geldt dat, simpel gezegd, het instandhoudingsdoel voor de Wespendief op de Veluwe niet in gevaar mag komen. Het doel zoals geformuleerd in het Natura 2000 aanwijzingsbesluit (d.d. 11 juni 2014) gaat uit van een populatie van ten minste 100 broedparen, zoals weergegeven in het volgende kader:

A&W-rapport 20-140 Windenergie op en rondom de Veluwe

39

Figuur 4.9 Mortaliteit Wespendief als functie van het aantal turbines op de Veluwe en het ontwijkingspercentage, bij middelgrote turbines, ten opzichte van de 1%-normen (0,26 en 0,39).

Figuur 4.10 Mortaliteit Wespendief als functie van het aantal turbines buiten de Veluwe, de afstand tot de Veluwerand en het ontwijkingspercentage, bij middelgrote turbines, ten opzichte van de 1%-normen (0,26 en 0,39).

40

A&W-rapport 20-140 Windenergie op en rondom de Veluwe

Hoewel de 1%-norm verschillende malen door de Raad van State is geaccepteerd als maat om de effecten van additionele sterfte op een populatie te duiden, wordt in verschillende studies beargumenteerd dat de 1%-norm tot een onderschatting van de effecten op een populatie kan leiden en daardoor niet altijd toepasbaar is. In een recente studie van Wageningen Environmental Research tonen Schippers et al. (2020) aan dat sommige soorten zeer gevoelig kunnen zijn voor kleine toenames in mortaliteit, en dat toepassing van de 1%-norm in die gevallen tot een afname in de populatie kan leiden. In de alternatieve index die in de studie van Schippers et al. (2020) wordt voorgesteld, is bij afnemende populaties geen additionele mortaliteit toegestaan. Het is aan het bevoegd gezag (provincie Gelderland) om een oordeel te vellen over welke norm ten aanzien van de Veluwse populatie Wespendieven kan worden gehanteerd.

4.5

Mortaliteit Wespendieven in andere windparken

Voor zover bekend zijn geen aanvaringsslachtoffers onder Wespendieven in Nederlandse windparken gevonden. Dit betekent niet dat aanvaringen nooit plaatsvinden, aangezien niet alle windparken worden gemonitord. Uit het buitenland zijn wel degelijk aanvaringsslachtoffers bekend, vooral uit Duitsland (zie onder). Een belangrijke bron hierbij is de database van aanvaringsslachtoffers onder vogels in Europese windparken, die sinds 2002 wordt bijgehouden door de Staatliche Vogelschutzwarte des Landesamtes für Umweltträgt in Duitsland (http://www.lugv.brandenburg.de/cms/detail.php/bb1.c.312579.de, samenstelling door T. Dürr). Hoewel niet compleet, geeft deze database een redelijke indicatie van de mate van mortaliteit door windturbines onder de Europese vogelsoorten. In deze database staan 31 slachtoffers onder Wespendief in Europese windparken (update 7 januari 2020), waarvan 20 in Duitsland, acht in Spanje, twee in Frankrijk en één in Polen. In totaal staan 5004 slachtoffers onder roofvogels in de database geregistreerd, met als voornaamste soorten Vale gier, Buizerd, Rode wouw en Torenvalk. Whitfield & Madders (2006) telden in drie jaar monitoring van 13 windparken in Spanje een totaal van 638 overvliegende Wespendieven nabij deze windparken. Zij hebben geen slachtoffers gevonden van deze soort.

A&W-rapport 20-140 Windenergie op en rondom de Veluwe

5

Overige natuurwaarden

5.1

Inleiding

41

De ecologische effecten van windturbines op land zijn vaak primair het gevolg van verstoring tijdens de aanlegwerkzaamheden of van verhoogde mortaliteit en barrièrewerking onder vogels en vleermuizen wanneer de turbines operationeel zijn. De effecten zijn als volgt te categoriseren: 1. Aanlegfase a. Verstoring door mensen of machines tijdens de constructiewerkzaamheden; b. Tijdelijke degradatie of verlies van habitat. 2. Operationele fase a. Mortaliteit door aanvaringen; b. Barrièrewerking (verstoring van vliegbewegingen); c. Verstoring van rust-, foerageer- en/of broedgebieden; d. Permanent habitatverlies, zoals door grondbeslag door de turbines. Hoewel de focus van deze studie op de Wespendief ligt, zijn verschillende andere beschermde soorten en gebieden relevant ten aanzien van de mogelijke ecologische effecten van windturbines op of nabij de Veluwe. Niet alle soorten zijn even kwetsbaar voor de mogelijke negatieve effecten van windturbines. In veel West-Europese windparken bestaan aanvaringsslachtoffers vooral uit watervogels, meeuwen en zangvogels, maar ook vleermuizen kunnen slachtoffer worden. Het exacte soortenspectrum en de aantallen slachtoffers is sterk afhankelijk van de locatie, terreintype en de daarmee samenhangende hoeveelheid vliegbewegingen. In dit hoofdstuk wordt een beknopt overzicht gegeven van de meest relevante soorten en gebieden.

Deze informatie is deels eerder beschreven in de ecologische verkenningen voor de realisatie van windturbines langs de A28 en tussen de A50 en de IJsselvallei (Altenburg & Wymenga en Feddes/Olthof 2019, Latour et al. 2020). Het in dit hoofdstuk gegeven overzicht heeft een verkennend karakter en is niet bedoeld als een ecologische effectbeoordeling. Een meer gedetailleerde uitwerking is noodzakelijk zodra concrete plannen bekend zijn en getoetst moeten worden aan de Wet natuurbescherming, bijvoorbeeld in de vorm van een Passende Beoordeling.

5.2

Beschermde gebieden

Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een Europees netwerk van natuurgebieden die zijn aangewezen onder de Europese Vogel- en/of Habitatrichtlijn. Binnen de Nederlandse wetgeving is de bescherming van Natura 2000-gebieden verankerd in de Wet natuurbescherming. Het doel van Natura 2000 is om de biodiversiteit in stand te houden en zo mogelijk te verbeteren door specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) te beschermen. Er geldt een zeer terughoudend beleid ten aanzien van de ontwikkeling van windenergie binnen Natura 2000-gebieden. De beleidslijn windenergie stelt dat om te beoordelen of windturbines zijn toegestaan de effecten op de aangewezen natuurwaarden moeten worden getoetst. Indien significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden niet kunnen worden

42

A&W-rapport 20-140 Windenergie op en rondom de Veluwe

uitgesloten, is een Passende Beoordeling verplicht. Hierin wordt getoetst of de activiteit haalbaar is vanuit de Wet natuurbescherming. De mate waarin de natuur kwetsbaar is voor de ontwikkeling van windenergie hangt af van de aangewezen instandhoudingsdoelen voor soorten en habitattypen, die verschillen van gebied tot gebied. De Veluwe is vanzelfsprekend het meest relevante Natura 2000-gebied in het kader van deze studie. Het is het grootste terrestrische Natura 2000-gebied van Nederland en bestaat uit diverse habitats, waaronder droge bossen met loof- en naaldbomen, droge en natte heide, stuifzanden, vennen en beekdalen, en biedt onderkomen aan een variatie aan bijzondere flora en fauna. Het Natura 2000-gebied Veluwe is specifiek aangewezen voor 19 habitattypen, 7 habitatsoorten en 10 vogelrichtlijnsoorten (broedvogels). De gevoeligheid van de betreffende soorten voor het plaatsen van windturbines wordt in meer detail beschreven in paragraaf 5.3. In de omgeving van de Veluwe liggen diverse andere Natura 2000-gebieden die van belang kunnen zijn ten aanzien van de ecologische effecten van de plaatsing van windturbines (figuur 5.1). Binnen een straal van 10 km rondom de Veluwe zijn de volgende Natura 2000-gebieden gelegen:     

Arkemheen Binnenveld Landgoederen Brummen Rijntakken Veluwerandmeren

De gebieden Veluwerandmeren, Rijntakken en Arkemheen zijn aangewezen voor diverse soorten watervogels. In en nabij deze gebieden kan, met name in het winterseizoen, sprake zijn van veel vliegbewegingen van watervogels die dagelijks tussen hun slaapplaatsen en foerageergebieden vliegen. De plaatsing van turbines in de omgeving van deze gebieden kan daardoor leiden tot aanvaringsrisico’s, en de mate waarin negatieve effecten optreden is sterk afhankelijk van de locatie en het aantal turbines. Bij concrete plannen moeten deze effecten in een Passende Beoordeling nader worden onderzocht. De gebieden Binnenveld en Landgoederen Brummen zijn uitsluitend aangewezen voor enkele Habitattypen of Habitatsoorten die zijn gebonden aan de habitats binnen de begrenzing van het Natura 2000-gebied. Risico’s op aanvaring of verstoring van kwalificerende vogelsoorten bij plaatsing van turbines in de nabije omgeving zijn daarom niet aan de orde. Gelders natuurnetwerk Het Gelders natuurnetwerk (GNN) maakt deel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Voor het GNN zijn zogenaamde kernkwaliteiten en natuurontwikkelingsdoelen vastgesteld, waarin aanwezige en potentiële waarden gebaseerd op de beoogde natuurkwaliteit voor het gebied worden beschreven.

Volgens de provinciale omgevingsverordening is binnen het GNN een andere bestemming dan natuur (zoals windenergie) alleen mogelijk indien (i) er sprake is van groot openbaar belang, (ii) er geen reële alternatieven aanwezig zijn en (iii) de negatieve effecten op de kernkwaliteiten en het oppervlak van het gebied en de ecologische samenhang binnen het gebied zoveel mogelijk worden beperkt, en de overblijvende effecten gelijkwaardig worden gecompenseerd. Voor het plaatsen van windturbines in het verkenningsgebied voor windenergie in het GNN dient het oppervlak van natuur dat verloren gaat voor 200% gecompenseerd te worden. Hoewel het GNN inclusief Natura 2000-gebieden door de provincie Gelderland wordt aangemerkt als 'niet kansrijk' voor de ontwikkeling van wind- en zonne-

A&W-rapport 20-140 Windenergie op en rondom de Veluwe

43

energie, wordt in de beleidslijn Windenergie van de provincie ook gesteld dat deze gebieden niet geheel op voorhand worden uitgesloten.

Figuur 5.1 Natura 2000-gebieden, het NNN en de groene ontwikkelingszones rondom de Veluwe.

44

A&W-rapport 20-140 Windenergie op en rondom de Veluwe

Groene Ontwikkelingszone De Groene Ontwikkelingszone (GO) is een gebied met een andere bestemming dan natuur dat ruimtelijk is vervlochten met het GNN. De GO bestaat uit gebieden rond het GNN, waaronder weidevogelgebieden en ganzenrustgebieden, en vormt een ecologische verbinding tussen delen van het GNN. In de GO is er sprake van terughoudend beleid ten aanzien van de ontwikkeling van windenergie. Nieuwe kleinschalige ontwikkelingen zijn onder voorwaarden mogelijk. Er ligt geen ontwikkelingsdoelstelling voor delen van de GO die ook weidevogel- en rustgebied voor ganzen zijn. Weidevogelgebieden Om weidevogels zoals de Grutto, Kievit en Tureluur een plek te bieden in het intensief beheerde agrarische landschap, zijn in de provincie Gelderland verschillende leefgebieden voor weidevogels aangewezen. De Gelderse weidevogelgebieden maken deel uit van het GNN en de GO. In deze gebieden is vooral een conserverend beleid van kracht, gericht op het behoud van openheid. Initiatieven voor windturbines binnen weidevogelgebieden zijn op grond van de omgevingsverordening uitgesloten. In het geval van zoekgebieden voor windenergie in de directe omgeving van weidevogelgebieden, is onderzoek noodzakelijk om de effecten op de betreffende weidevogels in beeld te brengen. Hierbij is naast mortaliteit door aanvaringsslachtoffers de verstorende werking van windturbines een belangrijk aspect.

De mate van verstoring hangt samen met de hoogte van de turbines, het geluid en de bewegende rotorbladen. Om het effect van windturbines te bepalen wordt over het algemeen gewerkt met een verstoringsafstand: dit is de afstand waarbinnen geen of weinig vogels broeden en/of foerageren. Verstoring is gradueel en neemt af met de afstand tot de turbine. Vlakbij de turbines broeden en foerageren vaak helemaal geen vogels, op enige afstand daarvan wel. Het verstorende effect van windturbines lijkt tussen weidevogelsoorten sterk te verschillen. Voor de meeste weidevogelsoorten is een verstoringsafstand in de ordegrootte van 100-200 m van toepassing (Pot et al. 2020). Uitzondering is de Wulp, die gevoeliger lijkt te zijn en een grotere afstand aanhoudt (tot >500 m). Weidezangvogels zoals Graspieper lijken niet tot weinig gevoelig voor verstoring te zijn en kunnen tot op relatief korte afstand van de turbines worden aangetroffen (Pearce-Higgins et al. 2009, Hötker 2017, Sierdsema et al. 2019). Ganzenrustgebieden Vanwege de hoge aantallen Kolganzen, Grauwe ganzen, Brandganzen, Kleine rietganzen en Toendrarietganzen, die vanuit noordelijke streken komen overwinteren, heeft Nederland een internationale verantwoordelijkheid om deze vogels een plek te bieden.

Om te voorkomen dat ganzen door vraat schade aanrichten, en verjaging van landbouwpercelen toe te kunnen staan, zijn er ganzenrustgebieden aangewezen waar ganzen tussen 1 november en 1 april (of 1 mei in het geval van de Brandgans) kunnen foerageren en rusten zonder verstoord te worden. Analoog aan het beschermingsregime voor weidevogels, is voor de ganzenrustgebieden een conserverend beleid van kracht dat is gericht op het behoud van openheid. Initiatieven voor windturbines zijn op grond van de verordening uitgesloten in rustgebieden voor winterganzen. Indien turbines in de nabijheid van ganzenrustgebieden worden geplaatst, moeten de effecten op deze ganzen worden gekwantificeerd. Het gaat daarbij zowel om mortaliteit als verstoring. Ganzen kunnen dagelijks afstanden tot meer dan 5 km afleggen tussen hun slaapplaats en hun foerageergebieden. Indien turbines op deze dagelijkse vliegroute worden geplaatst kan dit aanvaringsslachtoffers opleveren. Daarnaast is ook verstoring van belang. Verschillende

A&W-rapport 20-140 Windenergie op en rondom de Veluwe

45

internationale studies hebben laten zien dat ganzen hun habitatgebruik kunnen aanpassen door het verschijnen van windturbines, waarbij ze 100–600 m opschuiven ten opzichte van hun gebruikelijke foerageergebieden (Rees 2012). Indien windturbines in de nabijheid van ganzenfoerageergebieden worden geplaatst, kan dit mogelijk tot een verminderd gebruik van de meest nabij gelegen delen van deze foerageergebieden leiden.

5.3

Kwalificerende soorten voor Natura 2000-gebied Veluwe

Een beschrijving van de gevoeligheid voor windturbines voor de kwalificerende vogelsoorten van Natura 2000-gebied Veluwe is gegeven in Altenburg & Wymenga en Feddes/Olthof (2019) en Latour et al. (2020). In deze sectie wordt een samenvatting van die analyse gegeven. In tabel 5.1 zijn de kwalificerende broedvogelsoorten voor de Veluwe weergegeven, met in de kolommen ernaast het instandhoudingsdoel, de huidige aantallen, de populatietrends in het gebied en de gevoeligheid voor windturbines. Uit de tabel blijkt dat de Tapuit en Nachtzwaluw ver beneden hun instandhoudingsdoel zitten voor wat betreft aantallen broedparen. De Zwarte Specht haalt het instandhoudingsdoel net niet. De IJsvogel, Roodborsttapuit en Boomleeuwerik halen de soortspecifieke doelen. De inschatting in hoeverre een bepaalde soort gevoelig is voor aanvaringen met windturbines is gebaseerd op het vlieggedrag, vlieghoogtes, habitatgebruik en de aantallen slachtoffers die bekend zijn uit diverse monitoringsonderzoeken. De mortaliteit in Europese windparken wordt onder andere bijgehouden in een internationale database van het Duitse staatsbureau voor het milieu te Brandenburg door . D rr (https://lfu.brandenburg.de/). Daarnaast is in een recente analyse het risico op aanvaring voor verschillende soortgroepen in Nederland in beeld gebracht (Buij et al. 2018).

Tabel 5.1 Gevoeligheid van de kwalificerende broedvogelsoorten in Natura 2000-gebied Veluwe voor windturbines. Bron: Altenburg & Wymenga en Feddes/Olthof 2019.

46

A&W-rapport 20-140 Windenergie op en rondom de Veluwe

Op basis van de sterke binding aan hun habitats en de lage vlieghoogte worden de risico’s op aanvaring voor IJsvogel, Draaihals, Zwarte specht en de meeste relevante zangvogels als laag tot matig ingeschat (Altenburg & Wymenga en Feddes/Olthof 2019). Naast de Wespendief zijn de risico’s het hoogst voor de Nachtzwaluw en Boomleeuwerik, maar dit is afhankelijk van de locatie en het terreintype waarin de turbines staan. De Nachtzwaluw komt voor in half open terreinen met droge zandige bodems en snel opwarmende plekken. De populatie op de Veluwe zit onder het instandhoudingsdoel, en uit tellingen en modelberekeningen blijkt dat de populatie op de Veluwe afneemt (Bijlsma et al. 2012). In de internationale database van T. Dürr staat slechts één slachtoffer genoemd (in Spanje). De Nachtzwaluw is echter gevoelig voor menselijke activiteit en geluidsbelasting (Sierdsema et al. 2008). De Nachtzwaluw is sterk gebonden aan de heidevelden en bosgebieden in de Veluwe. Het is daarom geen risicosoort voor de ontwikkeling van windenergie buiten Natura 2000-gebied de Veluwe. De Boomleeuwerik komt voor op hogere zandgronden, heideterrein en duingebieden. Hoewel de populatiestatus gunstig is en circa 4.300–5.300 broedparen voorkomen in Nederland, waarvan 40% op de Veluwe, is de soort relatief gevoelig voor aanvaringen met windturbines.

Boomleeuweriken baltsen op grote hoogtes waarbij zij op rotorhoogte kunnen komen. In Europa zijn op het moment van schrijven 122 aanvaringsslachtoffers van Boomleeuweriken bekend (database T. Dürr). De Boomleeuwerik bevindt zich met name op droge heiden en stuifzanden op de Veluwe. Net als de Nachtzwaluw is de Boomleeuwerik daarom geen risicosoort voor de ontwikkeling van windenergie buiten Natura 2000-gebied de Veluwe. Naast de in tabel 5.1 genoemde vogelsoorten is ook de Meervleermuis aangewezen als kwalificerende soort voor Natura 2000-gebied Veluwe. Vanwege de lage vlieghoogte boven water is het risico op aanvaringen met turbines minimaal. Een risico-inschatting voor de overige relevante vleermuissoorten is gegeven in de volgende paragraaf.

5.4

Vleermuizen

Naast vogels worden ook vleermuizen regelmatig als aanvaringsslachtoffer onder windturbines gevonden, waardoor ook mortaliteit onder vleermuizen moet worden meegewogen in een risicobeoordeling. Alle in Nederland voorkomende vleermuizen zijn streng beschermd onder artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming. Hierdoor gelden voor vleermuizen strikte beoordelingscriteria bij ontheffingsaanvragen. De mortaliteit onder vleermuizen in verschillende windparken in West- en Centraal-Europa ligt tussen de 0-10 slachtoffers per turbine per jaar, hoewel sprake is van enkele uitschieters (Rydell et al. 2010, 2012). Net als bij vogels is de locatie en ‘setting’ van een windpark bepalend voor het aantal slachtoffers. De hoogste mortaliteit wordt gevonden bij windparken langs de kust of op heuvels in bosgebieden. De meeste vleermuisslachtoffers vallen in de nazomer (tussen augustus en september), wat overeenkomt met de migratieperiode van enkele soorten. De vroege zomer lijkt geen risicovolle periode te zijn, hoewel de mortaliteit tijdens de voorjaarstrek niet altijd goed bekend is. Verschillende ecologische aspecten bepalen of een soort gevoelig is voor aanvaringen met windturbines, zoals de vlieghoogte, het voorkomen in open landschap en binding met lijnvormige elementen. In een recente analyse van Roemer et al. (2017) is op basis van

A&W-rapport 20-140 Windenergie op en rondom de Veluwe

47

vleermuisactiviteit, detectieafstand en het aantal aanvaringsslachtoffers per soort een aanvaringsindex berekend. Deze is vervolgens gecorreleerd aan het vlieggedrag en de vlieghoogte van verschillende vleermuissoorten. Hoogvliegende soorten bleken logischerwijs gevoeliger voor aanvaringen met windturbines, waaronder de Tweekleurige vleermuis, Grote rosse vleermuis, Bosvleermuis, Rosse vleermuis, Noordse vleermuis en Ruige dwergvleermuis. Ook de Gewone dwergvleermuis wordt vaak als aanvaringsslachtoffer waargenomen, wat te verklaren is door de algemeenheid van deze soort (Winkelman et al. 2008). Op en rondom de Veluwe kunnen verschillende soorten vleermuizen voorkomen (zie tabel 5.2). Hieronder wordt elk van deze soorten een indicatieve en kwalitatieve beschrijving gegeven van aanvaringsrisico’s. Deze inschatting is gebaseerd op de (internationale) literatuur, de vergelijking met andere windparken en expert judgement. De data met betrekking tot vlieghoogtes zijn gebaseerd op Limpens et al. (2007), Rodrigues et al. (2015), Haarsma (2016) en Roemer et al. (2017). Aanvullend veldonderzoek is nodig om de aanvaringsrisico’s beter te kunnen kwantificeren.

Tabel 5.2 Gevoeligheid van vleermuizen op en nabij de Veluwe voor windturbines. Bron: Altenburg & Wymenga en Feddes/Olthof 2019.

Zoals is af te leiden uit tabel 5.2 zijn de risico’s op aanvaring het hoogst voor Ruige dwergvleermuis, Rosse vleermuis en Bosvleermuis. Dit zijn hoogvliegende soorten waardoor zij regelmatig op rotorhoogte kunnen vliegen. Uit verschillende onderzoeken is bekend dat deze soorten regelmatig als slachtoffer worden gevonden bij windparken, zowel in Nederland als daarbuiten (zie de hiervoor genoemde literatuurbronnen en de database van T. Dürr). Voor alle soorten geldt dat het risico op aanvaringen afhankelijk is van de vliegactiviteit in het plangebied. De Ruige dwergvleermuis behoort tot de frequentere aanvaringsslachtoffers in WestEuropese windparken, vanwege een relatief hoge vlieghoogte (tot >100 m). Ook kan deze

48

A&W-rapport 20-140 Windenergie op en rondom de Veluwe

soort tijdens de seizoenstrek diverse windparken tegenkomen, vooral wanneer deze op de trekroutes langs bijvoorbeeld de kustlijn staan. Dit kan relevant zijn indien sprake is van trek langs de Veluwerandmeren. Ook de Rosse vleermuis en Bosvleermuis vliegen vaak op grotere hoogte, waardoor de kans op aanvaring met de rotorbladen relatief hoog is (Roemer et al. 2017). De Gewone dwergvleermuis vliegt over het algemeen vrij laag, binnen enkele tientallen meters van de grond, hoewel hij soms hoger en dus op rotorhoogte wordt waargenomen. Het risico op aanvaringen is daardoor sterk afhankelijk van de tiplaagte van de turbines (de minimale hoogte van de rotorbladen boven de grond) en de mate van vliegactiviteit op rotorhoogte. Ook de Laatvlieger is een soort die relatief laag boven de grond (<50 m) in open gebied foerageert. Voor deze twee soorten geldt dat turbines met een lage tiplaagte tot hogere aanvaringsrisico’s kunnen leiden. De exacte verspreiding van de vleermuizen op en rond de Veluwe is niet goed bekend. Aangenomen kan worden dat een groot deel van het gebied geschikt is voor vleermuizen. Dat zou dus kunnen leiden tot een beperking van de mogelijkheden voor windturbines. Het is echter bekend dat vleermuizen vooral vliegen bij windsnelheden lager dan 5-6 m/s en bij temperaturen hoger dan 10–12 graden Celsius.

Bij lage windsnelheden is de energieopbrengst van windturbines beperkt. Het is dan ook mogelijk om de negatieve effecten op vleermuizen te mitigeren door een stilstandvoorziening van windturbines bij lage windsnelheden in te voeren. Bij toepassing van een op maat gesneden stilstandvoorziening waarbij rekening wordt gehouden met windsnelheid, temperatuur en seizoen kan de mortaliteit onder vleermuizen sterk worden gereduceerd. Dit wordt in meer detail behandeld in hoofdstuk 6.

A&W-rapport 20-140 Windenergie op en rondom de Veluwe

6

Mogelijkheden voor mitigatie

6.1

Inleiding

49

Zoals in hoofdstuk 4 is aangegeven, kan de mortaliteit onder Wespendieven in sommige scenario’s de 1%-mortaliteitsnorm overschrijden. Om het aantal aanvaringsslachtoffers te beperken zijn diverse mitigerende maatregelen mogelijk. In grote lijnen komen de opties voor mitigatie neer op de volgende maatregelen: 1. 2. 3. 4.

Verhogen zichtbaarheid van de turbines; Toepassing slim cameradetectiesysteem gekoppeld aan stilstandvoorziening; Periodieke stilstandvoorziening in de meest kritische perioden; Keuze turbinetype met gunstiger verhouding tussen energieopbrengst en aantal aanvaringsslachtoffers.

Ook een specifieke ruimtelijke opstelling kan helpen om de aanvaringsrisico’s te reduceren. In onderstaande secties worden bovenstaande maatregelen in meer detail besproken. Met name de eerste twee opties bevinden zich nog enigszins in een experimenteel stadium en de effectiviteit ten aanzien van de Wespendief is op dit moment onvoldoende duidelijk. De derde optie (stilstand in de kritische periode) is logischerwijs een effectieve maatregel en de mate van mortaliteitsreductie onder verschillende stilstandscenario’s wordt in dit hoofdstuk in meer detail uitgewerkt. Aangezien naast de Wespendief ook andere soorten relevant zijn, wordt hier als laatste kort ingegaan op de mogelijkheden voor mitigatie om het aantal slachtoffers onder vleermuizen te reduceren.

6.2

Zichtbaarheid turbines

De eerste mogelijkheid die hier wordt genoemd is om één van de drie rotorbladen zwart te verven, waardoor de ronddraaiende bladen beter zichtbaar worden voor (overdag vliegende) vogels. Op het Noorse eiland Smøla, waar zich een hoge dichtheid aan Zeearenden bevindt en ook een windpark staat, zijn hiermee veelbelovende resultaten geboekt. Op Smøla leidde deze maatregel tot een zeer sterke reductie van het aantal slachtoffers onder de Zeearend en enkele andere soorten (Hardwoord & Perrow 2019, May et al. 2020). Het voordeel van deze vorm van mitigatie is dat het een relatief eenvoudige en goedkope manier is om, indien effectief, de mortaliteit te reduceren. Er is immers geen sprake van een vorm van stilstandvoorziening. Daar staat tegenover dat het experiment op Smøla voor zover bekend het enige voorbeeld is waarbij deze maatregel is getest. Het soortenspectrum van vogels en het landschap in de Veluweregio zijn wezenlijk anders, en het is niet bekend in hoeverre de zwarte rotorbladen bij andere soorten en in een ander landschap tot vergelijkbare resultaten leiden. Mogelijk wordt het experiment de komende jaren herhaald in de Eemshaven, zodat meer duidelijkheid ontstaat over de effectiviteit op andere soorten en in een andere omgeving.

Op dit moment is het een veelbelovende techniek, maar nog onvoldoende bewezen om als mitigerende maatregel voor de Wespendieven op de Veluwe ingezet te kunnen worden. Wellicht verandert dat als in de komende jaren meer onderzoek naar de effectiviteit van deze maatregel wordt gedaan.

50

A&W-rapport 20-140 Windenergie op en rondom de Veluwe

Een ander aspect is dat door de zwarte rotorbladen de zichtbaarheid van de turbines ook voor mensen toeneemt, zeker in dichtbevolkt gebied. Dit kan een nadeel zijn bij de landschappelijke inpassing.

6.3

Cameradetectie

Een tweede optie is het toepassen van een slim cameradetectiesysteem dat langsvliegende Wespendieven kan herkennen en op die momenten de turbines tijdelijk stil kan zetten. Een voorbeeld is het detectiesysteem DT-Bird dat onder andere in Windpark Krammer wordt toegepast om aanvaringen met Zeearenden te voorkomen. Het voordeel van een dergelijk cameradetectiesysteem is dat een zeer gerichte manier van stilstand kan worden bereikt, in tegenstelling tot een generieke stilstandvoorziening (zie volgende paragraaf) waarbij de turbines stilstaan ongeacht de aanwezigheid van een Wespendief nabij het windpark. Het is niet bekend tot welke mate van stilstand een detectiesysteem dat specifiek op de Wespendief is gericht zou leiden, maar het is te verwachten dat dit aanzienlijk lager ligt dan bij een generiek stilstandmodel. Mogelijk is het daardoor een aantrekkelijk alternatief. Een complicerende factor hierbij is de gelijkenis van de Wespendief met de algemeen voorkomende Buizerd. Ook qua grootte onderscheidt een Wespendief zich duidelijk minder van andere soorten dan een Zeearend. De effectiviteit van een cameradetectiesysteem, ten aanzien van zowel de detectie van de vogels als de resulterende mate van stilstand, kan worden onderzocht door het systeem te testen op één of meerdere locaties nabij de Veluwe.

6.4

Stilstandvoorziening

De meest zekere vorm van mitigatie is het tijdelijk stilzetten van de turbines in de meest risicovolle perioden. Een dergelijke vorm van mitigatie kan effectief zijn indien sprake is van duidelijk afgescheiden perioden met hoge aanvaringsrisico’s, zoals tijdens de seizoensmigratie van trekkende zangvogels of vleermuizen (Bouten et al. 2020, Smallwood & Bell 2020). Het nadeel van een stilstandvoorziening is logischerwijs het verlies aan energieopbrengst. Afhankelijk van de wijze waarop een stilstandvoorziening wordt ingevuld kan dit een kostbare vorm van mitigatie betekenen. In het geval van de Wespendief is sprake van een aanzienlijke variatie in mortaliteit in de maanden dat de soort in Nederland aanwezig is. Uit figuur 4.8 blijkt dat, indien turbines buiten de Veluwe worden geplaatst, de maanden juli en vooral augustus veruit de hoogste risico’s op aanvaring kennen. Dit is een gevolg van het feit dat in mei en juni de oudervogels aan het broeden zijn, en in die periode de vrouwelijke Wespendieven nauwelijks buiten de Veluwe komen. Dat verandert in juli en augustus, zodra de jongen groter zijn en de volwassen vrouwen meer tijd buiten de Veluwe doorbrengen (figuur 3.4) en daarbij ook langere afstanden afleggen (figuur 3.6). Dit biedt mogelijkheden om in de nazomer een stilstandvoorziening toe te passen; in de maanden mei en juni is dit nauwelijks effectief.

Hieronder wordt een analyse gegeven van de effectiviteit van een stilstandvoorziening indien de turbines in de maand augustus respectievelijk 5, 10, 15, 20, 25 of 30 dagen worden stilgezet. Deze analyse is uitsluitend van toepassing bij plaatsing van turbines buiten de Veluwe. Ter indicatie is één arbitrair scenario doorgerekend, namelijk 25 middelgrote turbines op 3 km afstand van de Veluwerand bij een ontwijkingspercentage van 98%. De uitkomsten in

A&W-rapport 20-140 Windenergie op en rondom de Veluwe

51

absolute getallen zijn uiteraard anders bij andere scenario’s, maar de mate van reductie in mortaliteit geeft een goede indicatie van de effectiviteit van deze maatregel. Als basis geldt dat bij nul dagen stilstand de turbines in augustus gemiddeld 78% van de tijd e operationeel zijn (figuur 3.2). Vervolgens is voor ieder stilstandscenario (tabel 6.1, 1 kolom) e het percentage van de tijd berekend (2 kolom) waarop de turbines in augustus operationeel zijn. De mortaliteitscijfers zijn afgerond op twee decimalen. Uit tabel 6.1 komt naar voren dat elke vijf dagen stilstand overeenkomt met een reductie van 15–17% van de mortaliteit in augustus. De reductie berekend over het gehele seizoen verloopt wat meer sprongsgewijs, waarschijnlijk vanwege de invloed van toevalsvariatie in mortaliteit in andere maanden (vooral juli). Samenvattend resulteert een stilstand van 15 dagen, dus ongeveer de halve maand, in een reductie met een kwart van het totaal aantal slachtoffers. Indien de turbines de volledige maand augustus stil zouden komen te staan is de reductie ruim de helft. De hier doorgerekende stilstandvoorziening is alleen overdag van toepassing, aangezien Wespendieven niet ’s nachts actief zijn (figuur 3.3). Dat is wel het geval bij vleermuizen.

Indien naast een stilstandvoorziening voor de Wespendief ook stilstand voor vleermuizen noodzakelijk is (zie hoofdstuk 6.6), betekent dit dat in de periode waarbij beide stilstandvoorzieningen van toepassing zijn, de turbines 24 uur per dag stilstaan.

Tabel 6.1 Effectiviteit van een stilstandvoorziening (overdag) in de maand augustus. Stilstand

Percentage

Mortaliteit

Mortaliteit

Reductie (%)

Reductie (%)

operationeel

augustus

hele seizoen

augustus

hele seizoen

0 dagen

78%

0,08

0,15

n.v.t.

n.v.t.

5 dagen

65%

0,07

0,14

17%

8%

10 dagen

53%

0,05

0,12

35%

18%

15 dagen

40%

0,04

0,11

50%

24%

20 dagen

28%

0,03

0,10

65%

33%

25 dagen

15%

0,01

0,08

83%

44%

30 dagen

3%

0,00

0,07

99%

51%

e

Uit tabel 6.1 (5 kolom) blijkt dat de mortaliteitsreductie in augustus ongeveer lineair verloopt met het aantal dagen stilstand. Dat is ook te verwachten, aangezien in het aanvaringsmodel wordt uitgegaan van een uniforme verdeling van activiteit en aanvaringsrisico’s binnen een bepaalde maand. De kleine afwijkingen kunnen komen door afrondingsverschillen of door toevalsvariatie in de berekeningen (het is een stochastisch model). In het model verloopt de mortaliteit ook lineair met het aantal turbines. Dit alles betekent dat ook voor andere scenario’s ten aanzien van het aantal turbines en de afstand tot de Veluwerand, de potentiële reductie in mortaliteit op basis van een simpele extrapolatie kan worden berekend. Deze analyse is weergegeven in figuur 6.1. Zoals gezegd is dit een theoretisch patroon op basis van een rekenmodel, en kunnen de patronen in werkelijkheid anders verlopen door variatie in ruimtegebruik en vliegbewegingen binnen de maand augustus.

52

A&W-rapport 20-140 Windenergie op en rondom de Veluwe

Figuur 6.1 Effectiviteit van een stilstandvoorziening indien turbines buiten de Veluwe worden geplaatst. Iedere deelgrafiek geeft de mortaliteit per jaar weer onder een bepaald stilstandscenario, waarbij het aantal dagen stilstand is weergegeven in de grijze balken bovenaan. De rode stippellijnen geven de 1%-normen (0,26 en 0,39) weer.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9814664/1