Bijlage 6-Arcadis advies aan gemeente Ermelo Putten
Tekst van het document
Memo ONDERWERP
PROJECTNUMMER
Beoordeling concept lokale milieunormen en VKA Windpark Horst en Telgt
30160208
DATUM
D10059548:3
ONZE REFERENTIE
24 januari 2023 VAN
Erik Koppen, Marc Kreft AAN
Gemeente Ermelo
De gemeente Ermelo heeft Arcadis gevraagd om haar te adviseren over de concept lokale milieunormen zoals voorgesteld door de provincie en het concept voorkeursalternatief zoals voorgesteld door initiatiefnemer windpark dat recent is opgesteld voor het windpark Horst en Telgt. In deze memo geven wij onze beschouwing op een aantal thema’s. De volgende stukken hebben we van de gemeente ontvangen en bestudeerd: • Milieueffectrapport Windpark Horst en Telgt, concept V4.0, Pondera, 20 december 2022 • Akoestisch onderzoek en onderzoek slagschaduwhinder, Windpark Horst en Telgt, V2.0, Pondera, 31 oktober 2022 • Concept voorkeursalternatief windpark Horst en Telgt, V3.0, Pondera, 13 december 2022 • Motivering milieunormen (concept), Windpark Horst en Telgt, V2.1, Bosch & van Rijn, 14 december 2022 Hieronder presenteren wij per aspect onze bevindingen, waarbij we ingaan op de milieuaspecten waarvoor het bevoegd gezag de concept lokale milieunormen wenst vast te stellen. Tevens gaan we kort in op het concept voorkeursalternatief. Omdat een aantal van de onderzochte aspecten inhoudelijk-technisch van aard zijn en voor een niet-deskundige wellicht lastig zijn om te interpreteren, beginnen we deze memo met een samenvatting waarin we de belangrijkste bevindingen presenteren.
SAMENVATTING In paragraaf 4.2.2. van het concept Milieueffectrapport zijn twee alternatieven beschreven. In de notitie Concept voorkeursalternatief windpark Horst en Telgt zoals voorgesteld door de initiatiefnemer windpark zijn deze twee alternatieven onderzocht en nader met elkaar vergeleken. Ook zijn er een aantal optimalisatievarianten onderzocht. De twee alternatieven betreffen: • Alternatief 1: Een alternatief van 7 windturbines met een maximale tiphoogte van 250 meter • Alternatief 2: Een alternatief van 8 windturbines met een maximale tiphoogte van 200 meter. Voor beide alternatieven is uitgegaan van een maximale invulling van het gebied. Beide alternatieven zijn inpasbaar, maar er zijn verregaande mitigerende maatregelen nodig om aan de beschouwde normstellingsvarianten van 47 dB Lden en 45 dB Lden te voldoen. Dit leidt tot een aanzienlijke opbrengstderving. Zonder maatregelen zou bij 10 woningen een geluidbelasting optreden die hoger is dan (de voormalige landelijke grenswaarde van) 47 dB L den, tot maximaal 51 dB Lden. Er zijn optimalisatievarianten onderzocht waarbij twee of drie turbineposities vervallen. Het effect hiervan op het aantal gehinderden is beperkt. Dat is niet vreemd omdat voor alle alternatieven dezelfde normstellingsvarianten zijn onderzocht en er mitigerende maatregelen moeten worden toegepast om aan de grenswaarde te voldoen.
Door het laten vervallen van twee of drie turbineposities neemt de geluidbelasting na maatregelen op de meest kritische woningen over het algemeen niet af, maar hoeven minder mitigerende maatregelen te worden toegepast om aan de grenswaarde te voldoen. De opbrengstderving door geluidmitigatie is voor de optimalisatievarianten dan ook
Arcadis Nederland B.V., Beaulieustraat 22, 6814 DV Arnhem
T +31 (0)88 4261 261
Arcadis Nederland B.V. - Registered office: Arnhem - Registered number: 09036504
www.arcadis.com
aanzienlijk lager dan voor de basisalternatieven 1 en 2. Ook is het verschil in opbrengstderving tussen de 47 dB L den en 45 dB Lden normstellingsvarianten kleiner dan voor de basisalternatieven 1 en 2. Voor de optimalisatievarianten is de netto energieopbrengst per turbine hoger, maar de netto energieopbrengst van het gehele windpark is lager omdat er van minder turbines wordt uitgegaan. Voor het concept voorkeursalternatief – gebaseerd op alternatief 1 - leidt een grenswaarde van 47 dB Lden tot een opbrengstderving van 7%. Voor een grenswaarde van 45 dB L den bedraagt de opbrengstderving 17%. De provincie stelt zich in het concept document ‘Motivering milieunormen’ op het voorstel dat op basis van de gebiedsanalyse enerzijds en het inzicht in het effect van verschillende normen anderzijds een geluidnorm van 47 dB L den een juiste balans kent tussen de beperking van hinder enerzijds en het belang van de energietransitie anderzijds. Het lijkt ons goed om deze afweging nader te beargumenteren. Bij de hoge extra opbrengstderving in relatie tot het beperkte aantal ernstig gehinderden voor de 45 dB Lden normstellingsvariant hoort een kanttekening. Doordat er is gekozen voor een alternatief dat zonder maatregelen tot een forse overschrijding van de voormalige landelijke norm van 47 dB Lden leidt, is de opbrengstderving om aan een grenswaarde van 45 dB Lden te voldoen extra hoog.
Het aantal ernstig gehinderden is beperkt omdat het een beperkt aantal woningen betreft, maar de kans op ernstige hinder is voor de hoog belaste omwonenden bij een grenswaarde van 47 dB Lden wel circa een factor 1,5 hoger dan bij een grenswaarde van 45 dB Lden. Uit het onderzoek blijkt dat er voor de onderzochte alternatieven 1 en 2 veel geluidreducties moeten worden toegepast om aan de mogelijke normen te voldoen, ook als voor de ruimste norm wordt gekozen. De benodigde reducties zouden afhankelijk van de specifieke turbinekeuze nog hoger, maar ook lager kunnen uitvallen. Dit heeft impact op de business case van het windpark. Een nadeel van alternatieven waar hoge geluidreducties moeten worden toegepast om aan de grenswaarde te voldoen is naast de opbrengstderving dat als achteraf zou blijken dat de geluidbelasting hoger zou uitvallen dan verwacht dat er weinig tot geen mogelijkheden meer zijn om verder te mitigeren (afgezien van het tijdelijk stilzetten van de turbines). In onderstaande tabel is voor alternatief 1 een overzicht opgenomen van het onderzochte basisvariant en de optimalisatievarianten, het bijbehorende aantal turbines en per grenswaarde variant het statistisch verwachte aantal ernstig gehinderden en de netto energieopbrengst voor het gehele windpark en gemiddeld per turbine.
Dit laat zien dat voor de optimalisatievarianten het aantal ernstig gehinderden met circa 20% afneemt ten opzichte van de basisvariant. Door het lagere aantal windturbines valt de energieopbrengst voor het windpark 19 tot 26% lager uit. Als er echter naar de gemiddelde energieopbrengst per turbine wordt gekeken ziet het beeld er anders uit. Dan valt voor de optimalisatievarianten de energieopbrengst juist 4 tot 13% hoger uit dan voor de basisvariant. Het verschil in opbrengst tussen de grenswaardevarianten van 45 en 47 dB L den is voor de optimalisatievarianten ook kleiner dan voor de basisvariant. Tabel 1 Overzicht van de basisvariant en de optimalisatievarianten voor alternatief 1, het aantal turbines en per grenswaarde variant het statistisch verwachte aantal ernstig gehinderden en de netto energieopbrengst voor het gehele windpark en gemiddeld per turbine Varianten voor alternatief 1
Aantal turbines
Grenswaarde
Aantal ernstig gehinderden
Netto jaarlijkse energieopbrengst gehele windpark [GWh/jaar]
Netto jaarlijkse energieopbrengst per turbine [GWh/jaar]
Basisvariant
7
47 dB Lden
10
134,5
19,2
Basisvariant
7
45 dB Lden
5
119,2
17,0
Variant 2
5
47 dB Lden
8
101,5
20,3
Variant 2
5
45 dB Lden
4
96,3
19,3
Variant 3
5
47 dB Lden
7
99,8
20,0
Variant 3
5
45 dB Lden
4
92,5
18,5
Onze referentie: D10059548:3 - Datum: 24 januari 2023
2 van 8
In de stukken is de jaargemiddelde geluidbelasting beschreven. Met name omdat er fors gemitigeerd moet worden om aan 47 dB Lden of 45 dB Lden te voldoen wordt aanbevolen nader inzicht te geven in de geluidniveaus die na mitigatie in de dag-, avond- en nachtperiode optreden op de momenten dat de windturbines maximaal geluid produceren. Dit geeft omwonenden een beter beeld van wat ze kunnen verwachten. De jaargemiddelde beoordelingsmaat Lden is voor omwonenden moeilijk te begrijpen. Om omwonenden meer duidelijkheid te geven kan worden overwogen om ook een eis te stellen aan het maximale equivalente geluidniveau. Het moet wel worden opgemerkt dat dit in Nederland voor windturbinegeluid niet gebruikelijk is. In het buitenland wordt het wel veel toegepast. Uit de Reactienota inzake de zienswijzen op de Notitie Reikwijdte en Detailniveau voor het planMER nationale windturbinebepalingen leefomgeving blijkt dat de landelijke overheid voornemens is om aan een normering in Lden vast te houden. In het concept document ‘Motivering milieunormen’ is beschreven dat de provincie voornemens is om geen aanvullende planregel op te nemen voor geluid in de nachtperiode. Voor de duidelijkheid naar omwonenden toe wordt aanbevolen om toch ook een grenswaarde voor de nachtperiode op te nemen, ook al biedt deze feitelijk geen extra bescherming.
Een grenswaarde voor de nachtperiode is voor omwonenden echter beter te begrijpen dan een L dengrenswaarde. In het concept document ‘Motivering milieunormen’ is beschreven dat de provincie nog afweegt of er op aanvullende planregels en/of vergunningvoorschriften worden voorgesteld om handhavend te kunnen optreden indien windturbines sterk afwijkende akoestische eigenschappen blijken te hebben. Het wordt aanbevolen om in ieder geval aanvullende regels ten aanzien van tonaal geluid op te nemen. Windturbines maken in veel gevallen geen tonaal geluid, maar als ze tonaal geluid maken leidt dit wel tot extra hinder. Voor industriegeluid is het gebruikelijk om in geval van een tonaal karakter een toeslag van 5 dB op het beoordelingsniveau toe te passen. Mocht zich na realisatie onverhoopt tonaal geluid voordoen dan is de ontwikkelaar/exploitant genoodzaakt om maatregelen te treffen om het tonale karakter weg te nemen dan wel moeten er noise modes worden toegepast om het algehele geluidniveau te reduceren. Het is daarom wenselijk dat er nog mogelijkheden zijn om noise modes toe te passen. De provincie stelt een slagschaduwnorm voor van 6 uur per slagschaduwgevoelig object per jaar. Gezien de onderzoeksresultaten begrijpen wij dit voorstel niet.
Ofschoon het op zich een aanvaardbare grenswaarde lijkt, laten zowel de grenswaardevariant van 6 uur per jaar als 0 uur per jaar een opbrengstderving van 1,7% zien. Als de opbrengstderving vergelijkbaar is lijkt het logischer om voor maximale bescherming te kiezen. Niet alleen vanwege de extra bescherming die dit biedt maar vooral omdat het voor omwonenden meer duidelijkheid biedt wat zij kunnen verwachten. Voor wat betreft lichtschittering adviseren wij om in het concept voorstel lokale normen van de provincie een reflectiefactor op te nemen welke bij meting conform NEN-EN-ISO 2813 aanvaardbaar wordt geacht. Hierbij zou aansluiting kunnen worden gezocht bij een reflectiefactor die thans in de branche gebruikelijk is en die in de praktijk niet tot relevante lichtschitteringen leidt.
Beschouwde alternatieven In paragraaf 4.2.2. van het concept Milieueffectrapport zijn twee alternatieven beschreven. In de notitie Concept voorkeursalternatief windpark Horst en Telgt zoals voorgesteld door de initiatiefnemer windpark zijn deze twee alternatieven onderzocht en nader met elkaar vergeleken. Ook zijn er een aantal optimalisatievarianten onderzocht. De twee alternatieven betreffen: • Alternatief 1: Een alternatief van 7 windturbines met een maximale tiphoogte van 250 meter • Alternatief 2: Een alternatief van 8 windturbines met een maximale tiphoogte van 200 meter.
Geluid Uitgangspunten alternatieven Bij de voor de alternatieven gehanteerde uitgangspunten vallen enkele zaken op.
Onze referentie: D10059548:3 - Datum: 24 januari 2023
3 van 8
De afstand tussen de windturbines is relatief kort, met name in relatie tot de overheersende zuidwestelijke windrichting. Voor alternatief 1 varieert deze in noordnoordoostelijke richting van 3 tot 3,6 maal de maximale rotordiameter. Gemiddeld bedraagt deze 3,3 maal de maximale rotordiameter. In oostelijke richting bedraagt deze 2,8 maal de maximale rotordiameter. Voor alternatief 2 varieert deze in noordnoordoostelijke richting van 3 tot 4 maal de maximale rotordiameter. Gemiddeld bedraagt deze 3,3 maal de maximale rotordiameter. In oostelijke richting bedraagt deze 3 maal de maximale rotordiameter. Dit wordt bevestigd door de relatief hoge zogverliezen. Naast de invloed op de zogverliezen, heeft een relatief korte tussenafstand tussen de windturbines ook invloed op de gezamenlijke geluidbelasting. Er is dan namelijk sprake van een relatief sterk cumulatief effect. Daarnaast is voor de referentieturbines uitgegaan van een geluidemissie die gemiddeld is voor de windturbines binnen de beschouwde bandbreedte. Tabellen 2.2 en 2.3 uit het akoestisch rapport laten zien dat de geluidemissie voor een ander type tot 1,4 dB hoger kan zijn voor alternatief 1 en tot 1,3 dB voor alternatief 2. Afhankelijk van de specifieke turbinekeuze is dus de kans aanwezig dat het geluid ter plaatse van woningen 1,3 tot 1,4 dB hoger uitvalt.
Om aan dezelfde geluidniveaus te kunnen voldoen zullen de luidruchtigere typen windturbines door middel van noise modes extra gereduceerd moeten worden. Als de vereiste noise modes niet mogelijk zijn, is de plaatsing van het betreffende type windturbine niet haalbaar. Tabellen 2.2 en 2.3 uit het akoestisch rapport laten ook zien dat voor een relatief stille turbine de geluidemissie tot 1,1 dB lager kan zijn voor alternatief 1 en tot 1,9 dB lager voor alternatief 2. Ook als er voor een relatief stille turbine wordt gekozen zullen mitigerende maatregelen nodig zijn, maar de benodigde geluidreducties en de hieraan gerelateerde productiederving zullen wel lager zijn. Ook wordt opgemerkt dat voor de referentieturbine Nordex 163/6.X STE in het akoestisch onderzoek is gerekend met het geluidspectrum van de Nordex N149/4.0-4.5 STE. Uit de geluidspecificaties die Arcadis van deze typen windturbines heeft blijkt echter dat het geluidspectrum van de Nordex N163 turbine ongunstiger is dan van de Nordex N1491. De Nordex N163 maakt namelijk meer geluid voor frequenties van 250 Hz en lager, waardoor het geluid als functie van de afstand minder afneemt. Mogelijk treedt hierdoor bij de omliggende woningen een beperkt hogere geluidbelasting op dan thans berekend. Het effect op de totale geluidbelasting is naar inschatting één of enkele tienden van dB’s.
Resultaten alternatieven Voor de beschouwde alternatieven 1 en 2 is uitgegaan van een maximale invulling van het gebied. Beide alternatieven zijn inpasbaar, maar er zijn verregaande mitigerende maatregelen nodig om aan de beschouwde normstellingsvarianten van 47 dB Lden en 45 dB Lden te voldoen. Dit leidt tot een aanzienlijke opbrengstderving. Zonder maatregelen zou bij 10 woningen een geluidbelasting optreden die hoger is dan (de voormalige landelijke grenswaarde van) 47 dB Lden, tot maximaal 51 dB Lden. Afhankelijk van het precieze type windturbine zou de geluidbelasting circa 1 dB(A) hoger of lager kunnen uitvallen. Dat betekent dat afhankelijk van het turbinetype nog meer of juist minder maatregelen nodig zijn om een alternatief in te passen. Met maatregelen kan voor de onderzochte alternatieven aan een norm van 47 dB Lden, 45 dB Lden of 44 dB Lden worden voldaan, maar het betreft verregaande geluidreducties die tot een aanzienlijke productiederving leiden. In het akoestisch onderzoek zijn de volgende noise modes bepaald om aan een normstellingsvariant te voldoen: • Normstelling 47 dB Lden: In de nachtperiode wordt mode 3 tot 15 toegepast voor de Nordex 163/6.X turbines. De bijbehorende bronsterktereducties zijn in het akoestisch rapport en het MER niet vermeld. Het wordt geadviseerd om deze informatie aan de geluidrapportage toe te voegen.
Mode 15 komt overeen met een bronsterktereductie van 8,6 dB. Dit is een forse geluidreductie. Voor de Nordex N133/4800 turbines wordt in de nachtperiode uitgegaan van mode 5 tot 12. Mode 12 komt overeen met een bronsterktereductie van 7,1 dB. • Normstelling 45 dB Lden. In de nachtperiode wordt mode 5 tot 16 toegepast voor de Nordex 163/6.X turbines. Mode 16 komt overeen met een bronsterktereductie van 9,1 dB. Voor de Nordex N133/4800 turbines wordt in de nachtperiode uitgegaan van mode 8 tot 13 voor de N133/4800. Mode 13 komt overeen met een bronsterktereductie van 8 dB. Daarnaast zijn voor diverse turbines ook noise modes in de dag- en avondperiode nodig. • Normstelling 44 dB Lden. In de nachtperiode wordt mode 7 tot 16 toegepast voor de Nordex 163/6.X turbines. Mode 16 komt overeen met een bronsterktereductie van 9,1 dB. Voor de Nordex N133/4800 turbines wordt in de 1 Deze informatie kan bij de fabrikant Nordex worden opgevraagd.
Onze referentie: D10059548:3 - Datum: 24 januari 2023
4 van 8
nachtperiode uitgegaan van mode 13 voor de N133/4800. Mode 13 komt overeen met een bronsterktereductie van 8 dB. Daarnaast zijn voor diverse turbines ook noise modes in de dag- en avondperiode nodig. Uit het onderzoek blijkt dat er voor de onderzochte alternatieven veel geluidreducties moeten worden toegepast om aan de mogelijke normen te voldoen, ook als voor de ruimste norm wordt gekozen. De benodigde reducties zouden afhankelijk van de specifieke turbinekeuze nog hoger, maar ook lager kunnen uitvallen. Dit heeft impact op de business case van het windpark. Een nadeel van alternatieven waar hoge geluidreducties moeten worden toegepast om aan de grenswaarde te voldoen is naast de opbrengstderving dat als achteraf zou blijken dat de geluidbelasting hoger zou uitvallen dan verwacht dat er weinig tot geen mogelijkheden meer zijn om verder te mitigeren (afgezien van het tijdelijk stilzetten van de turbines). Voor het concept voorkeursalternatief leidt een grenswaarde van 47 dB Lden tot een opbrengstderving van 7%. Voor een grenswaarde van 45 dB Lden bedraagt de opbrengstderving 17%.
De provincie stelt zich in het concept document ‘Motivering milieunormen’ op het standpunt dat op basis van de gebiedsanalyse enerzijds en het inzicht in het effect van verschillende normen anderzijds een voorstel voor de geluidnorm van 47 dB Lden een juiste balans kent tussen de beperking van hinder enerzijds en het belang van de energietransitie anderzijds. Het lijkt ons goed om deze afweging nader te beargumenteren. Bij de hoge extra opbrengstderving in relatie tot het beperkte aantal ernstig gehinderden voor de 45 dB Lden normstellingsvariant hoort een kanttekening. Doordat het voorstel een alternatief omvat dat zonder maatregelen tot een forse overschrijding van de voormalige landelijke norm van 47 dB Lden leidt, is de opbrengstderving om aan een grenswaarde van 45 dB Lden te voldoen extra hoog. Het aantal ernstig gehinderden is beperkt omdat het een beperkt aantal woningen betreft, maar de kans op ernstige hinder is voor de hoog belaste omwonenden bij een grenswaarde van 47 dB Lden wel circa een factor 1,5 hoger dan bij een grenswaarde van 45 dB Lden. Overigens betreft het gerapporteerde aantal ernstig gehinderden de hinder binnenshuis. Buitenshuis is het aantal ernstig gehinderden duidelijk hoger. De Wereldgezondheidsorganisatie heeft in 2018 voor windturbinegeluid (voorwaardelijk) een grenswaarde van 45 dB Lden geadviseerd.
Dit is gebaseerd op de jaargemiddelde geluidbelasting Lden waarbij buitenshuis 10% van de blootgestelden ernstig gehinderd is. Er zijn optimalisatievarianten onderzocht waarbij twee of drie turbineposities vervallen. Het effect hiervan op het aantal gehinderden is beperkt. Dat is niet vreemd omdat voor alle alternatieven dezelfde normstellingsvarianten van 47 dB Lden en 45 dB Lden zijn onderzocht en er mitigerende maatregelen moeten worden toegepast om aan de grenswaarde te voldoen. Door het laten vervallen van twee of drie turbineposities neemt de geluidbelasting na maatregelen op de meest kritische woningen over het algemeen niet af, want vóór het treffen van mitigerende maatregelen is de geluidbelasting waarschijnlijk nog steeds hoger dan de grenswaarde. Het betekent alleen dat er minder mitigerende maatregelen hoeven te worden toegepast om aan de grenswaarde te voldoen. Uit het MER blijkt ook dat de opbrengstderving door geluidmitigatie voor de optimalisatievarianten aanzienlijk lager is dan voor de basisalternatieven 1 en 2. Ook is zichtbaar dat voor de optimalisatievarianten het verschil in opbrengstderving tussen de 47 dB Lden en 45 dB Lden normstellingsvarianten kleiner is dan voor de basisalternatieven 1 en 2.
Voor de optimalisatievarianten is de netto energieopbrengst per turbine dus hoger, maar de netto energieopbrengst van het gehele windpark is lager omdat er van minder turbines wordt uitgegaan. In onderstaande tabel is voor alternatief 1 een overzicht opgenomen van het onderzochte basisvariant en de optimalisatievarianten, het bijbehorende aantal turbines en per grenswaarde variant het statistisch verwachte aantal ernstig gehinderden en de netto energieopbrengst voor het gehele windpark en gemiddeld per turbine. Dit laat zien dat voor de optimalisatievarianten het aantal ernstig gehinderden met circa 20% afneemt ten opzichte van de basisvariant. Door het lagere aantal windturbines valt de energieopbrengst voor het windpark 19 tot 26% lager uit. Als er echter naar de gemiddelde energieopbrengst per turbine wordt gekeken ziet het beeld er anders uit. Dan valt voor de optimalisatievarianten de energieopbrengst juist 4 tot 13% hoger uit dan voor de basisvariant. Het verschil in opbrengst tussen de grenswaardevarianten van 45 en 47 dB L den is voor de optimalisatievarianten ook kleiner dan voor de basisvariant.
Onze referentie: D10059548:3 - Datum: 24 januari 2023
5 van 8
Tabel 2 Overzicht van de basisvariant en de optimalisatievarianten voor alternatief 1, het aantal turbines en per grenswaarde variant het statistisch verwachte aantal ernstig gehinderden en de netto energieopbrengst voor het gehele windpark en gemiddeld per turbine Varianten Aantal Grenswaarde Aantal ernstig Netto jaarlijkse Netto jaarlijkse voor turbines gehinderden energieopbrengst energieopbrengst alternatief 1 gehele windpark per turbine [GWh/jaar] [GWh/jaar] Basisvariant
7
47 dB Lden
10
134,5
19,2
Basisvariant
7
45 dB Lden
5
119,2
17,0
Variant 2
5
47 dB Lden
8
101,5
20,3
Variant 2
5
45 dB Lden
4
96,3
19,3
Variant 3
5
47 dB Lden
7
99,8
20,0
Variant 3
5
45 dB Lden
4
92,5
18,5
Overige punten In de stukken is de jaargemiddelde geluidbelasting beschreven. In het MER staat dat in zijn algemeenheid geldt dat wanneer er niet gemitigeerd wordt 47 dB Lden (jaargemiddeld) overeenkomt met 43 tot 45 dB(A) bij hoge windsnelheden. Met name omdat er fors gemitigeerd moet worden om aan 47 dB Lden of 45 dB Lden te voldoen wordt aanbevolen nader inzicht te geven in de geluidniveaus die na mitigatie in de dag-, avond- en nachtperiode optreden op de momenten dat de windturbines maximaal geluid produceren. Door de mitigatie verandert namelijk de verhouding tussen de geluidbelasting in Lden en het maximale equivalente geluidniveau. Het maximale equivalente geluidniveau in de dag-, avond- en nachtperiode geeft omwonenden een beter beeld van wat ze kunnen verwachten. De jaargemiddelde beoordelingsmaat Lden is voor omwonenden moeilijk te begrijpen. Er kan worden overwogen om ook een eis te stellen aan het maximale equivalente geluidniveau ter plaatse van woningen. Dit geeft omwonenden meer duidelijkheid. Het moet wel worden opgemerkt dat dit in Nederland voor windturbinegeluid niet gebruikelijk is. In het buitenland wordt het wel veel toegepast.
Uit de Reactienota inzake de zienswijzen op de Notitie Reikwijdte en Detailniveau voor het planMER nationale windturbinebepalingen leefomgeving blijkt dat de landelijke overheid voornemens is om aan een normering in Lden vast te houden. De geluidbelasting in Lden is gebaseerd op het equivalente geluidniveau van windturbines, maar houdt rekening met hoe vaak een bepaald equivalent geluidniveau optreedt. Daarnaast wordt een toeslag toegepast van respectievelijk 5 en 10 dB(A) op het equivalente geluidniveau in de avond- en nachtperiode. Er wordt dus uitgegaan van een gewogen jaargemiddeld niveau en niet van het maximale equivalente geluidniveau dat optreedt. De beoordelingsmaten zijn echter sterk gecorreleerd. Het verschil wordt bepaald door het lokale windklimaat, de geluidkarakteristieken van de turbine en de mitigerende maatregelen die worden toegepast. De toegevoegde waarde van een normering op basis van het equivalente geluidniveau is vooral dat voor het omwonenden beter te begrijpen is en dat de handhaving wordt vereenvoudigd. Er hoeft dan namelijk geen rekening te worden gehouden met het geluidniveau bij verschillende windsnelheden en hoe vaak deze windsnelheden ter plaatse optreden maar enkel met de hoogst optredende equivalente geluidniveaus.
In het concept document ‘Motivering milieunormen’ is beschreven dat de provincie voorstelt om geen aanvullende planregel op te nemen voor geluid in de nachtperiode. De Lden-waarde wordt vanwege de van toepassing zijnde straffactoren van 5 dB(A) in de avondperiode en 10 dB(A) in de nachtperiode in belangrijke mate bepaald door het niveau in de nachtperiode. Met een Lden-grenswaarde wordt dus ook de nachtperiode beschermd. Een grenswaarde van 47 dB Lden komt in de praktijk overeen met een niveau van 41 dB Lnight en een grenswaarde van 45 dB Lden met een niveau van 39 dB Lnight. Een grenswaarde voor de nachtperiode is voor omwonenden echter beter te begrijpen dan een Lden-grenswaarde. Voor de duidelijkheid naar omwonenden toe wordt aanbevolen om toch ook een grenswaarde voor de nachtperiode op te nemen, ook al biedt deze feitelijk geen extra bescherming. In het concept document ‘Motivering milieunormen’ is beschreven dat de provincie nog afweegt of er aanvullende planregels en/of vergunningvoorschriften worden voorgesteld om handhavend te kunnen optreden indien windturbines sterk afwijkende akoestische eigenschappen blijken te hebben, bijvoorbeeld op het gebied van laagfrequent geluid,
Onze referentie: D10059548:3 - Datum: 24 januari 2023
6 van 8
tonaal geluid of piekgeluid, ook als daarbij de Lden-norm niet wordt overschreden. Het wordt aanbevolen om in ieder geval aanvullende regels ten aanzien van tonaal geluid op te nemen. Windturbines maken in veel gevallen geen tonaal geluid, maar als ze tonaal geluid maken leidt dit wel tot extra hinder. Voor industriegeluid is het gebruikelijk om in geval van een tonaal karakter een toeslag van 5 dB op het beoordelingsniveau toe te passen. Mocht zich na realisatie onverhoopt tonaal geluid voordoen dan is de ontwikkelaar/exploitant genoodzaakt om maatregelen te treffen om het tonale karakter weg te nemen dan wel moeten er noise modes worden toegepast om het algehele geluidniveau te reduceren. Het is daarom wenselijk dat er nog mogelijkheden zijn om noise modes toe te passen. Als er al noise modes met hoge geluidreducties worden toegepast om het windpark inpasbaar te krijgen, kan het zijn dat verdergaande geluidreducties vanwege een eventuele toeslag voor tonaal geluid niet of in niet voldoende mate haalbaar zijn anders dan het tijdelijk stilzetten van windturbines.
Voor de beoordeling van tonaal geluid van windturbines zou aansluiting kunnen worden gezocht bij een internationale standaard zoals zoals IEC 6140011:2012+AMD1:2018, editie 3.1, Wind turbines – Part 11: Acoustic noise measurement techniques’ of ISO 19962:2017, ‘Akoestiek - Beschrijving beoordeling en meting van omgevingsgeluid - Deel 2: Bepaling van omgevingsgeluidniveau’, Bijlage J.
Slagschaduw Er is beschreven dat op basis van de gebiedsanalyse enerzijds en het inzicht in het effect van verschillende normen anderzijds stelt de provincie voor dat een slagschaduwnorm van 6 uur per slagschaduwgevoelig object per jaar een juiste balans kent tussen de beperking van hinder enerzijds en het belang van de energietransitie anderzijds. Gezien de resultaten van het slagschaduwonderzoek begrijpen wij het voorstel voor een grenswaarde van 6 uur per jaar niet. Ofschoon dit op zich een aanvaardbare grenswaarde lijkt, laten zowel de grenswaardevariant van 6 uur per jaar als 0 uur per jaar een opbrengstderving van 1,7% zien. Als de opbrengstderving vergelijkbaar is lijkt het logischer om voor de maximale bescherming te kiezen, dus een grenswaarde van 0 uur per jaar. Niet alleen vanwege de extra bescherming die dit biedt maar vooral omdat het voor omwonenden meer duidelijkheid biedt wat zij kunnen verwachten, namelijk dat een windturbine altijd wordt stilgezet op het moment dat deze slagschaduw kan veroorzaken. Er kan dan weliswaar kortstondig nog slagschaduw optreden gedurende de tijd die zit tussen het constateren van slagschaduw en het tot stilstand komen van een windturbines, maar omwonenden weten dat eventuele slagschaduw dan altijd maar heel kortstondig optreedt.
Lichtschittering Voor lichtschittering is aangegeven dat de tekst uit de activiteitenregeling integraal kan worden overgenomen. Hierin staat: ‘Ten behoeve van het voorkomen of beperken van slagschaduw en lichtschittering wordt lichtschittering bij het in werking hebben van een windturbine zoveel mogelijk voorkomen of beperkt door toepassing van niet reflecterende materialen of coatinglagen op de betreffende onderdelen. Het meten van reflectiewaarden vindt plaats overeenkomstig NEN-EN-ISO 2813 of een daaraan ten minste gelijkwaardige meetmethode.’ Wij adviseren om in het concept voorstel lokale normen van de provincie een reflectiefactor op te nemen welke bij meting conform NEN-EN-ISO 2813 aanvaardbaar wordt geacht. De reflectiefactor zal namelijk nooit nul zijn. Hierbij zou aansluiting kunnen worden gezocht bij een reflectiefactor die thans in de branche gebruikelijk is en die in de praktijk niet tot relevante lichtschitteringen leidt.
Overige opmerkingen Afweging voorkeursalternatieven Verder zien we dat de onderzochte hoofdalternatieven weinig onderscheidend van elkaar zijn: één alternatief met 7 grotere turbines en één alternatief met 8 kleinere turbines. Op pagina 4 van de conceptnotitie VKA staat aangegeven dat de milieueffecten tussen de hoofdalternatieven weinig van elkaar onderscheidend zijn met uitzondering van de energieproductie: “Omdat de milieueffecten weinig onderscheidend zijn wordt de voorkeur gegeven aan het alternatief met de hoogste elektriciteitsproductie”. Vervolgens is gekeken naar de optimalisaties van hoofdalternatief 1 (tabel 2).
Onze referentie: D10059548:3 - Datum: 24 januari 2023
7 van 8
Deze optimalisaties scoren beter op de milieuaspecten landschap en natuur. Desondanks wordt niet gekozen voor deze optimalisaties maar voor het hoofdalternatief 1, omdat dit alternatief een hogere energieopbrengst heeft. Gesteld wordt: “Uit onderzoek blijkt dat de voordelen van de onderzochte optimalisaties (minder ernstig gehinderden, betere landschappelijke inpassing, minder schade aan de natuur) niet opwegen tegen het nadeel (minder duurzame elektriciteitsproductie).” Wij vragen ons af op basis waarvan deze afweging heeft plaatsgevonden, ofwel waarom lijken de negatieve milieueffecten van landschap en ecologie in de weging ondergeschikt aan de grotere opbrengst. Het lijkt ons goed om deze afweging nader te beargumenteren. Lokale normen versus landelijke normen Op dit moment worden in Nederland voor windparken lokale normen vastgesteld om er nog geen landelijke regelgeving is voor betreffende normen. Het Ministerie van I&W werkt momenteel aan de ontwikkeling van landelijke normen middels het opstellen van het planMER Windturbinebepalingen en een AMvB. De verwachting is dat de concept planMER en de concept AMvB rond de zomer van 2023 worden gepubliceerd. Mogelijk wordt er eind 2023 door het Ministerie een besluit genomen over de windturbinepalingen.
Op de website van het Ministerie is hierover meer informatie te vinden met de volgende planning (https://www.platformparticipatie.nl/windturbinebepalingen/default.aspx): • • •
Begin 2023: reageren op het ontwerp nationale windturbinebepalingen leefomgeving via een *internetconsultatie en indienen van zienswijzen op het ontwerp nationale windturbinebepalingen leefomgeving en het milieueffectrapport. Deze twee procedures worden met elkaar gecombineerd; Medio 2023: Reactienota over de zienswijzen en het resultaat van de internetconsultatie en de verwerking daarvan in het concept-voorstel wordt in een verslag op hoofdlijnen vermeld op www.internetconsultatie.nl. Eind 2023: Publicatie in het Staatsblad en inwerkingtreding van de nationale windturbinebepalingen leefomgeving.
Aangezien de inwerkingtreding van de landelijke windturbinebepalingen op zijn vroegst pas eind 2023 wordt verwacht zien wij vooralsnog geen reden om de landelijke normen af te wachten. Wel adviseren wij dat als de besluitvorming over de lokale normen vertraging gaat ondervinden, en pas na de zomer van 2023 tot stand komt, om in dat geval wel rekening te houden met de concept planMER en de concept AMvB die op dat moment waarschijnlijk zullen zijn gepubliceerd.
Onze referentie: D10059548:3 - Datum: 24 januari 2023
8 van 8