CConstaterende datPutten
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 5 Toelichting Weging van waterbelang Halvinkhuizen

Gemeenteraad 6 maart 2025, gemeente PuttenBij agendapunt: Vaststelling TAM-omgevingsplan en grondexploitatie Halvinkhuizen fase 2 en 36.744 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

RAPPORT Halvinkhuizen Weging van Waterbelang Fase 2&3 Klant:

Gemeente Putten

Referentie:

BH5847-WM-RP-241001-1312

Status:

Definitief/3.0

Datum:

30 januari 2025

Projectgerelateerd

HASKONINGDHV NEDERLAND B.V.

Laan 1914 no.35 3818 EX Amersfoort Netherlands Water & Maritime Trade register number: 56515154 Telefoon: +31 88 348 20 00 Fax: +31 33 463 36 52 Email: info@rhdhv.com Website: royalhaskoningdhv.com

Titel document: Ondertitel: Referentie: Uw kenmerk Status: Datum: Projectnaam: Projectnummer: Auteur(s):

Halvinkhuizen Weging van Waterbelang Fase 2&3 BH5847-WM-RP-241001-1312 Click or tap here to enter text. Definitief/3.0 30 januari 2025 Halvinkhuizen Fase 2&3 BH5847 Michiel Dorrestein

Opgesteld door:

Lars Veldman

Gecontroleerd door:

Michiel Dorrestein

Datum:

30 januari 2025

Goedgekeurd door:

Gerrit van Seijda

Datum:

30 januari 2025

Classificatie:

Projectgerelateerd

30 januari 2025

BH5847-WM-RP-241001-1312

ii

Projectgerelateerd

Behoudens andersluidende afspraken met de Opdrachtgever, mag niets uit dit document worden verveelvoudigd of openbaar gemaakt of worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het document is vervaardigd. HaskoningDHV Nederland B.V. aanvaardt geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor dit document, anders dan jegens de Opdrachtgever. Let op: dit document bevat mogelijk persoonsgegevens van medewerkers van HaskoningDHV Nederland B.V.. Voordat publicatie plaatsvindt (of anderszins openbaarmaking), dient dit document te worden geanonimiseerd of dient toestemming te worden verkregen om dit document met persoonsgegevens te publiceren. Dit hoeft niet als wet- of regelgeving anonimiseren niet toestaat. 30 januari 2025

BH5847-WM-RP-241001-1312

iii

Projectgerelateerd

Inhoud 1

Inleiding

1

1.1

Aanleiding

1

1.2

Weging van Waterbelang

1

1.3

Leeswijzer

2

2

Beleid

3

2.1

Landelijk en Europees beleid

3

2.1.1

Algemeen

3

2.2

Beleid Waterschap Vallei en Veluwe

4

2.2.1 2.2.2

Algemeen Toepassing beleid Waterschap

4 4

2.3

Beleid gemeente Putten

6

3

Huidige situatie

8

3.1

Gebiedskenmerken gehele planontwikkeling

8

3.2

Maaiveldhoogte

9

3.3

Afwatering

10

3.4

Bodemopbouw

10

3.5

Grondwaterstanden

11

3.6

Oppervlaktewater

14

3.7

Riolering

15

4

Toekomstige situatie (effecten & maatregelen)

17

4.1

Beschrijving plan

17

4.2

Toekomstige maaiveldhoogte

17

4.3

Vuilwaterafvoer

18

4.4

Hemelwaterafvoer

19

4.4.1 4.4.2

Beschrijving Benodigde compensatie

19 20

4.5

Beheer en onderhoud

20

4.6

Hydrologische gevolgen grondwater

20

4.7

Waterkwaliteit

20

4.8

Klimaatadaptatie

20

30 januari 2025

BH5847-WM-RP-241001-1312

iv

Projectgerelateerd

Tabellen Tabel 1 Hoogste, laagste en gemiddelde van gemeten waarde per peilbuis

12

Tabel 2 Gecorrigeerde GHG per peilbuis

13

Tabel 3 Uitgangspunten klimaatbestendige inrichting:

21

Figuren Figuur 1 Locatie nieuwbouwlocatie Halvinkhuizen

1

Figuur 2: Vasthouden (1), Bergen (2), Afvoeren (3)

3

Figuur 3 Ontwikkelingslocatie Halvinkhuizen

8

Figuur 4 Te behouden groenstructuur en bebouwing

9

Figuur 5 Hoogteligging plangebied (bron:AHN-viewer)

10

Figuur 6 Lengteprofiel bepalen bodemsamenstelling ondergrond

11

Figuur 7 Doorsnede in Geotop v1.4 van noord naar zuid door de planlocatie. Het grijze gebied bestaat uit gestuwde afzettingen 11 Figuur 8

12

Figuur 9 Uitsnede legger waterschap Vallei en Veluwe

14

Figuur 10 Wateroverlastlocaties uit het BRP (locatie 10 bevindt zich net ten noorden van plangebied)

15

Figuur 11 Afvalwatersysteem gemeente Putten

16

Figuur 12 Schematische weergave van de afvalwaterketen in de zuiveringskring WHEP

16

Figuur 13 Concept verbeelding fase 2 & 3

17

30 januari 2025

BH5847-WM-RP-241001-1312

v

Projectgerelateerd

1

Inleiding

1.1

Aanleiding

De gemeente Putten is van plan om een nieuwe woonwijk genaamd Halvinkhuizen te ontwikkelen. Het plan geeft de aanzet tot het omvormen van (voornamelijk) agrarisch buitengebied tot een kind- en gezinsvriendelijke wijk. Het voornemen is om de wijk klimaatbestendig en duurzaam in te richten. Het plangebied is weergegeven in figuur 1 (links). Halvinkhuizen wordt gefaseerd ontwikkeld. Dit rapport gaat specifiek over fase 2 & 3, zie figuur 1 (rechts).

Figuur 1 Locatie nieuwbouwlocatie Halvinkhuizen

Royal HaskoningDHV heeft van de gemeente Putten opdracht gekregen een Weging van Waterbelang uit te voeren in het kader van de Omgevingsvergunning. Vanwege de huidige status van de planontwikkeling is dit Weging van Waterbelang randvoorwaardelijk opgezet. Het geeft voor de waterhuishouding de kaders waarbinnen het plangebied nader zal worden uitgewerkt. Zo worden bijvoorbeeld de uitgangspunten voor de waterbergingscompensatie beschreven maar is het nog niet mogelijk deze tot in detail te kwantificeren. Dit is momenteel nog niet mogelijk omdat de ruimtelijke inrichting nog niet volledig vaststaat.

1.2

Weging van Waterbelang

Een gemeente moet in de ruimtelijk ontwikkeling rekening houden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Bij deze zogeheten ‘weging van het waterbelang’ moeten gemeenten de waterbeheerder betrekken bij het inschatten van de gevolgen voor het watersysteem. Sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet vervangt het begrip ‘weging van het waterbelang de watertoets. Het doel blijft hetzelfde, namelijk het rekening houden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Bij de vaststelling van het omgevingsplan moet de gemeente voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder betrekken. Er gelden geen regels voor hoe de gemeente de waterbeheerder hierbij betrekt. De gemeente is vrij om hier zelf invulling aan te geven.

30 januari 2025

BH5847-WM-RP-241001-1312

1

Projectgerelateerd

1.3

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 worden het beleidskader en de uitgangspunten gegeven van Waterschap Vallei en Veluwe die als leidraad worden gebruikt bij de visie van de gemeente Putten. In hoofdstuk 3 is het huidige watersysteem in beeld gebracht. Het effect van de geplande herontwikkelingen op het watersysteem en de benodigde maatregelen zijn beschreven in hoofdstuk 4.

30 januari 2025

BH5847-WM-RP-241001-1312

2

Projectgerelateerd

2

Beleid

In verschillende beleidsvisies wordt gestreefd naar een veilig, gezond, duurzaam en robuust watersysteem in landelijk en stedelijk gebied. In dit hoofdstuk wordt kort een overzicht gegeven van de belangrijkste beleidsuitgangspunten die van toepassing zijn voor deze Weging van Waterbelang.

2.1

Landelijk en Europees beleid

2.1.1

Algemeen

De basisprincipes van het nationale beleid, Waterbeheer 21e eeuw (WB21) en het Europese beleid, de Kaderrichtlijn Water (KRW) zijn uitgewerkt in een drietrapsstrategie voor waterkwaliteit en -kwantiteit: ▪ waterkwantiteit: vasthouden, bergen, afvoeren (figuur 2); ▪ waterkwaliteit: schoonhouden, scheiden, zuiveren. Daarbij geldt als uitgangspunt dat meer ruimte voor water nodig is, niet afgewenteld mag worden in plaats en tijd en geen achteruitgang mag plaatsvinden van de huidige chemische en ecologische waterkwaliteit.

Figuur 2: Vasthouden (1), Bergen (2), Afvoeren (3)

Het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is een verdere uitwerking van het WB21 beleid. In het NBW hebben het rijk, provincies, gemeenten en waterschappen zich als taak gesteld om de wateropgave in beeld te brengen en oplossingsrichtingen uit te werken. Het NBW-actueel is een actualisatie van het NBB uit 2003. Het NBW-actueel benadrukt de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het op orde krijgen en houden van het totale watersysteem. Het geeft aan welke instrumenten ingezet worden om de opgave te realiseren, welke taken en verantwoordelijkheden iedere partij daarbij heeft en hoe partijen elkaar in staat willen stellen hun taken uit te voeren. De afspraak is ook dat kan worden vastgehouden aan de wateropgave zoals die volgens het WB21-middenscenario in beeld is gebracht. De KRW (Kaderrichtlijn Water) is gericht op het bereiken van een goede ecologische waterkwaliteit in alle Europese wateren. De KRW is een Europese richtlijn die voorschrijft dat de waterkwaliteit van de Europese wateren vanaf 2015 aan bepaalde eisen moet voldoen. Binnen het plangebied bevinden zich geen wateren die zijn aangemerkt als KRW-waterdelen, of die vallen binnen de stroomgebiedsbeheerplannen. Wel bevindt het gebied zich bovenstrooms van een waterlichaam, waardoor waterkwaliteit vanzelfsprekend een aandachtspunt is. 30 januari 2025

BH5847-WM-RP-241001-1312

3

Projectgerelateerd

2.2

Beleid Waterschap Vallei en Veluwe

2.2.1

Algemeen

Het waterbeleid van Waterschap Vallei en Veluwe is verwoord in: Waterschapsverordening Een formele en juridisch bindende regeling die is vastgesteld door het algemeen bestuur van het waterschap. Het heeft de kracht van wet binnen het gebied van het waterschap. De verordening bevat algemene regels en voorschriften voor het beheer en gebruik van waterstaatswerken zoals dijken, watergangen en waterkeringen, met als doel het waarborgen van de veiligheid, waterkwaliteit en waterkwantiteit in het beheersgebied van het waterschap. Beleidsregels Waterschapsverordening Waterschap Vallei en Veluwe: Beleidsregels zijn nadere regels die door het dagelijks bestuur van het waterschap worden vastgesteld. Ze zijn gebaseerd op de Waterschapsverordening en dienen om de toepassing van de Waterschapsverordening te verduidelijken en richting te geven aan de uitvoeringspraktijken. Beleidsregels geven invulling aan de algemene bepaling van de verordening, met als doel het bieden van duidelijkheid en uniformiteit in de toepassing van de verordening. Blauwe omgevingsvisie (BOVI2050): BOVI 2050 is een langetermijnvisie opgesteld door Waterschap Vallei en Veluwe. Dit plan schetst de strategische doelen en beleidskeuzes voor het waterbeheer tot het jaar 2050. Het richt zich op het anticiperen op klimaatverandering, duurzaamheid, waterveiligheid, waterkwaliteit en de leefomgeving.

De BOVI 2050 dient als leidraad voor toekomstige investeringen en beleidsbeslissingen en helpt het waterschap om voorbereid te zijn op toekomstige uitdagingen en ontwikkelingen. Blauwe omgevingsprogramma (BOP) 2022-2027: BOP 2022-2027 is een middellange termijn programma dat concreet invulling geeft aan de doelen en ambities die in de BOVI 2050 zijn gesteld. Het BOP beschrijft de specifieke maatregelen, projecten en activiteiten die het waterschap in de periode van 2022 tot 2027 zal uitvoeren. Het plan bevat gedetailleerde acties voor waterbeheer.

2.2.2

Toepassing beleid Waterschap

Voor de afvoer van het hemelwater geldt het uitgangspunt ‘hydrologisch neutraal ontwikkelen’. Dit houdt in dat het hemelwater dat op daken en verhardingen valt, niet versneld mag worden afgevoerd naar het oppervlaktewater. Voor dit hemelwater geldt de waterkwantiteitstrits (van meest- naar minst wenselijk): 1. 2. 3. 4.

Hergebruik van hemelwater; Vasthouden / infiltreren; Bergen; Afvoeren naar oppervlaktewater.

De waterhuishoudkundige situatie mag in principe niet verslechteren door uitbreiding van verhard oppervlak. Waterschap Vallei en Veluwe is voorstander van het in de bodem brengen van hemelwater, mits dit niet tot overlast leidt. Hemelwater dat door de aanleg van extra verharding niet kan infiltreren en versneld tot afvoer komt, dient binnen het plangebied te worden vastgehouden.

30 januari 2025

BH5847-WM-RP-241001-1312

4

Projectgerelateerd

De mogelijkheden voor het vasthouden van hemelwater zijn niet onbegrensd en het waterschap stelt daarom dat het hemelwater conform een neerslaggebeurtenis die eens in de 100 jaar voorkomt in het plangebied vastgehouden moet worden. Daar waar het water het plangebied verlaat, zal worden getoetst aan de landelijke afvoernorm. Normaal gesproken geldt voor stedelijk gebied een algemene afvoernorm van 1,5l/s/ha en bij een T=100 situatie 3l/s/ha. Echter in de huidige situatie valt het plangebied niet binnen stedelijk gebied maar binnen een geldende afvoernorm van 1,34 l/s/ha (bij T=100 situatie 2.68 l/s/ha). Er is dus maar een beperkte afvoer mogelijk op het oppervlaktewater. Verder is het plangebied conform de BOVI2050-visie aangeduid als een gebied waar behoudt en versterken van bescherming grondwateraanvulling- en waar buffering van stedelijk hemelwater en grondwater voorop staan. Vanuit waterschap Vallei en Veluwe gelden de volgende uitgangspunten bij nieuwe ontwikkelingen: 1. Bij nieuwe lozingen vanaf verhard oppervlak op oppervlaktewater geldt dat de hoeveelheid te lozen water geen nadelig effect mag hebben op het ontvangende watersysteem. 2.

Aan het in het eerste lid gestelde wordt in ieder geval voldaan wanneer: a) Het verharde oppervlak niet groter is dan 1500 m² in stedelijk en 4000 m² in het buitengebied, of; b) Er niet meer dan de plaatselijk geldende landelijke afvoer vanuit het plangebied geloosd wordt, (conform afvoernormenkaart in dit geval 1,34l/s/ha; 11,58 mm/dag) of; c) Er een berging van 600m³ per hectare verhard oppervlak wordt gerealiseerd, of; d) Het nadelige effect op het watersysteem wordt gecompenseerd, of; e) Er geloosd wordt vanaf verhard oppervlak dat hiervoor was aangesloten op het gemengd stelsel (afkoppelen) en het ontvangende oppervlaktewaterlichaam voldoende capaciteit heeft. 3. De in het tweede lid genoemde berging kan o.a. worden gerealiseerd door middel van a) Een statische berging met een capaciteit van 600 m³ per hectare (oftewel 60mm per m 2) afwaterend verhard oppervlak; Dit komt overeen met 87mm (T100-situatie) – 26 mm (2 x landelijke afvoernorm van 1,5l/s/ha) – 1 mm verdamping; b) Een dynamische berging waarbij rekening wordt gehouden met infiltratie. De mate van infiltratie waarmee rekening gehouden mag worden, dient door de initiatiefnemer te worden aangetoond. 4. De in het tweede lid onder d genoemde compensatie kan o.a. worden gerealiseerd door het benutten of creëren van overcapaciteit in het ontvangende watersysteem, onder andere door de inzet van stuwconstructies.

Bij het bepalen van de toename van verhard oppervlak zijn de volgende punten van belang: • (Half) Open verharding wordt niet als verhard oppervlak aangemerkt. Halfverharding zal hoofdzakelijk de parkeervakken betreffen die worden uitgevoerd met grasbetontegels. Om afstroming van hemelwater bij hevige buien te voorkomen worden de randen van deze parkeervakken iets opgelicht of wordt er een barrière van enkele centimeters aangebracht. Hierdoor zal hemelwater, als de neerslagintensiteit groter is dan de infiltratiecapaciteit, oppervlakkig worden vastgehouden en daarna lokaal infiltreren. Hemelwater dat op de parkeervakken valt zal daarmee nooit afstromen naar de waterberging. • De bergingscapaciteit op vegetatiedaken wordt in mindering gebracht op de totale waterbergingscompensatie; • De daken van de particulier percelen worden voor 100% toegekend aan de waterbergingsopgave in openbaar gebied;

30 januari 2025

BH5847-WM-RP-241001-1312

5

Projectgerelateerd

•

• •

De tuinen van de particulier percelen worden voor 50% toegekend aan de waterbergingsopgave in openbaar gebied. Uitgaande van een gemiddelde verharding van 50% van de percelen wordt hiermee 100% van de tuinverharding gecompenseerd; Daken worden volledig toegerekend aan het verhard oppervlak en gecompenseerd in de openbare bergingsvoorziening; Wegen, trottoirs en fietspaden worden voor 100% toegekend aan verhard oppervlak en gecompenseerd in de openbare bergingsvoorziening.

Daarnaast is het uitgangspunt van het waterschap is dat er hydrologisch neutraal wordt ontwikkeld: de nieuwe watersituatie moet minimaal gelijk blijven aan de uitgangssituatie. Dit betekent dat eventueel verlies van berging als gevolg van het dempen van bestaande waterlopen 1 op 1 gecompenseerd dient te worden binnen hetzelfde peilgebied. Het betreft alleen de watergangen die in de legger zijn opgenomen. Uitgangspunten grondwater Uitgangspunt bij een stedelijke uitbreiding is dat in principe wordt aangesloten bij de huidige grond- en oppervlaktewaterpeilen. Ten gevolge van de inrichting van het betreffende gebied mogen geen negatieve effecten op de omgeving ontstaan (verdroging of vernatting). Daarbij gaat het waterschap uit van de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) of representatieve hoogste grondwaterstand (RHG). Gangbare normen voor de ontwateringdiepte zijn (bron: waterschap Vallei en Veluwe): • Woningen met kruipruimte 0,7m-mv • Woningen zonder kruipruimte 0,5m-mv • Vloerpeil van woningen 0,3m+mv • Tuinen en openbare groenvoorzieningen 0,5m-mv • Primaire wegen 0,9 – 1,0m • Secundaire wegen + woonstraten 0,7m Gangbare norm voor drooglegging bij normaal waterpeil is 1,0 – 1,2m. Het waterschap staat in principe geen nieuwe onderbemalingen (drainage) toe t.b.v. het realiseren van voldoende ontwateringsdiepte bij nieuwbouwprojecten. Grondwateronttrekking t.b.v.

bijvoorbeeld bronnering van 3000m³/dag of langer dan zes maanden zijn vergunning plichtig. Minder intensieve onttrekkingen kunnen volstaan met een melding. Uitgangspunten bij berging in oppervlaktewater Om de benodigde bergingscapaciteit te kunnen realiseren wordt uitgegaan van het waterpeil onder normale omstandigheden en het laagstgelegen maaiveld. Bij de maximaal benodigde berging (T=100) mag het peil in het oppervlaktewater stijgen tot 10cm onder het laagstgelegen maaiveld. Daarbij geldt in stedelijk gebied een afvoernorm van 1,5 l/s/ha bij T=10 en 3l/s/ha bij T=100; in ons geval geldt een afvoernorm van 1,34 l/s/ha bij T=10 en 2,68 l/s/ha bij T=100. Om de afvoer te kunnen regelen wordt vooralsnog uitgegaan van vaste V-stuwen.

2.3

Beleid gemeente Putten

Gemeenten hebben de wettelijke taak om het afvalwater en hemelwater in te zamelen en te transporteren op basis van de Wet Milieubeheer. Deze zorgplichten en de nadere invulling daarvan voor de lokale situatie zijn opgenomen in het Zuiveringskring Afvalwaterketen Plan. De gemeenten Harderwijk, Ermelo en Putten en het waterschap Vallei en Veluwe hebben dit plan gezamenlijk opgesteld.

30 januari 2025

BH5847-WM-RP-241001-1312

6

Projectgerelateerd

In dit plan is opgenomen dat de zorgplicht voor het (stedelijk) afvalwater volledig bij de gemeente ligt. De gemeente heeft een resultaatsverplichting om het geproduceerde afvalwater in te zamelen en af te voeren naar een overnamepunt. De ontvangst en zuivering van het door de gemeente ingezamelde (stedelijke) afvalwater vanaf het overnamepunt is de taak van het waterschap. Voor wat betreft de afvoer van het hemelwater is de perceeleigenaar primair verantwoordelijk voor het verwerken van het afstromende hemelwater op eigen terrein. Als van de perceeleigenaar redelijkerwijs niet kan worden vereist dat het hemelwater op of in de bodem of in het oppervlaktewater wordt gebracht zal de gemeente zorgen voor een geschikte voorziening voor de afvoer van het hemelwater, mits dat op een doelmatige manier kan. Bij nieuwbouw is de initiatiefnemer (projectontwikkelaar, particulier of gemeente) dus verantwoordelijk voor het gescheiden verwerken van hemelwater en het hydrologisch neutraal houden van de effecten van de ruimtelijke ontwikkeling. In lijn met de voorkeursvolgorde voor verwerking van hemelwater streeft de gemeente bij nieuwbouw naar een volledig gescheiden inzameling en verwerking van afval- en hemelwater, zolang de lokale situatie dit toelaat. 1. Zoveel mogelijk verwerken hemelwater op eigen terrein; 2. Overtollig hemelwater gescheiden aanleveren van het vuilwater; 3.

Hemelwater waar mogelijk terugbrengen: a) in de bodem b) in het watersysteem óf c) in de riolering. In afstemming met de gemeente Putten is afgesproken om voor dit gebied zoveel mogelijk hemelwater te verwerken op eigen perceel. Voor Halvinkhuizen moeten nog afspraken worden gemaakt over het exact aantal mm van een regenbui, vallend op het verhard oppervlak op het perceel, dat op eigen terrein zelf geborgen/ verwerkt dient te worden. Voor wat betreft de verantwoordelijkheden met betrekking tot het grondwater: • Perceeleigenaar is primair verantwoordelijk voor tegen gaan van grondwaterlast op eigen terrein. Dit geldt ook voor funderingsproblemen. •

De eigenaar moet zorgen dat voldaan wordt aan de bouwkundige regelgeving, o.a. zodat ondergrondse gebruiksruimtes van panden, zoals een kelder of een souterrain, volgens de bouwregelgeving vochtdicht zijn.

•

Structurele grondwateroverlast moet worden voorkomen. Er is sprake van structurele grondwateroverlast als de grondwaterstanden in een aaneengesloten periode van minimaal 3 maanden per jaar boven de 0,7 m-mv komt te staan.

30 januari 2025

BH5847-WM-RP-241001-1312

7

Projectgerelateerd

3

Huidige situatie

3.1

Gebiedskenmerken gehele planontwikkeling

Halvinkhuizen is gelegen aan de zuidkant van de dorpskern, ten zuiden van de Van Geenstraat en ten westen van het sportpark Putter Eng. Het gebied is omsloten door de Nijkerkerstraat en de Van Geenstraat aan de noordzijde, de Roosendaalseweg aan de oostzijde, de Hooiweg aan de zuidzijde en Beitelweg aan de westzijde. Het gebied sluit ruimtelijk goed aan op de bestaande ruimtelijke structuur van het dorp. In en rond Halvinkhuizen bevinden zich prachtige houtwallen en landschappelijke groenstructuren en daarmee ecologische verbindingen. Halvinkhuizen en haar omgeving kent momenteel een agrarisch gebruik (grasland), met een aantal bedrijven en volkstuinen maar ook woningen, sportvelden en een tankstation. In het midden van het plangebied ligt een agrarisch bedrijf. De werknaam van dit project is Halvinkhuizen. Het projectgebied is weergegeven in figuur 3.

Figuur 3 Ontwikkelingslocatie Halvinkhuizen

Het groen, de houtwallen, de subtiele hoogteverschillen in het enkdorpenlandschap, het landgoed Bijstein en de karakteristieke bebouwing, zijn de parels van het gebied. Deze parels behouden een plek in de ontwikkeling en vormen de ruimtelijke dragers van de nieuwe wijk. In figuur 4 is schetsmatig aangegeven welke groenstructuur wordt behouden en welke bebouwing aan de randen van het plangebied blijven bestaan.

30 januari 2025

BH5847-WM-RP-241001-1312

8

Projectgerelateerd

Figuur 4 Te behouden groenstructuur en bebouwing

De totale oppervlakte van het gebied dat ontwikkeld zal worden, beslaat 53,4 hectare. Het aantal woningen dat in Putten Zuid gerealiseerd zal worden is circa 800 (700-1000).

3.2

Maaiveldhoogte

In het plangebied ligt het maaiveld grofweg tussen +9 en +13 m NAP. De hogere delen liggen in het noordoosten van het plangebied. De lage delen liggen in het zuidwesten van het plangebied.

30 januari 2025

BH5847-WM-RP-241001-1312

9

Projectgerelateerd

Figuur 5 Hoogteligging plangebied (bron:AHN-viewer)

Infraplus heeft in februari 2021 het hele gebied ingemeten. Deze inmetingen worden gebruikt bij de verdere uitwerking van het plangebied.

3.3

Afwatering

Bij hevige regenval ontstaan er soms problemen met de afvoer van hemelwater bij de watergang langs de Hooiweg. Veel van dit hemelwater is afkomstig van bestaande twee woonwijken (Putter Eng) waar een gescheiden rioolstelsel ligt.

3.4

Bodemopbouw

Met behulp van de GeoTOP database (www.dinoloket.nl) is een geologische doorsnede gegenereerd van de ondiepe ondergrond. De geologische doorsnede is weergegeven in Figuur 6 en 7. De geologische doorsnede laat zien dat de ondergrond voornamelijk bestaat uit gestuwde afzettingen. De volgende geologische formaties komen voor: • BX: Formatie van Boxtel: overwegend zand, met mogelijk leem- en veenlagen; • EE: Eem Formatie: Mariene afzetting bestaande uit overwegend kalkhoudend zand; • DR: Formatie van Drenthe: Glaciale afzetting bestaande uit overwegend zand en sterk zandhoudend klei. Onder een 0,5 à 1,5 m dikke toplaag bestaande uit siltig en humeus zand is overwegend zand, met mogelijk leem- en veenlagen aanwezig. De dikte van deze laag neemt toe in zuidelijke richting. Nader bodemonderzoek moet een gedetailleerder beeld geven de bodemopbouw ter plaatse. Het geheel ligt op een aflopende stuwwal, die mogelijk bestaat uit klei of leem.

30 januari 2025

BH5847-WM-RP-241001-1312

10

Projectgerelateerd

Figuur 6 Lengteprofiel bepalen bodemsamenstelling ondergrond

Figuur 7 Doorsnede in Geotop v1.4 van noord naar zuid door de planlocatie. Het grijze gebied bestaat uit gestuwde afzettingen

Meer gedetailleerde informatie over de bodemopbouw van het plangebied is te vinden in de rapportage “Geotechnische en geohydrologische verkenning omgeving Enghuusweg (PJ Milieu kenmerk (20059301W).

3.5

Grondwaterstanden

Poelsema Veldwerk Bureau heeft in maart 2023 12 peilbuizen geplaatst binnen het plangebied Halvinkhuizen. In deze peilbuizen is vanaf 29 maart 2023 tot 16 april 2024 elk uur de grondwaterstand gemeten. De peilbuizen zijn tot een diepte van 3 meter onder maaiveld geplaatst. Figuur 8 toont de locaties van de peilbuizen.

30 januari 2025

BH5847-WM-RP-241001-1312

11

Projectgerelateerd

Figuur 8

Tabel 1 toont per peilbuis de laagste-, hoogste- en gemiddelde grondwaterstand die gemeten is in de periode van 29 maart 2023 tot 16 april 2024. De gemiddelde grondwaterstand is berekend door het gemiddelde van alle metingen te nemen. Opgemerkt wordt dat 2023 een extreem nat jaar was waarbij met name in december uitzonderlijk veel neerslag is gevallen. Hierdoor zijn in sommige peilbuizen grondwaterstanden tot aan maaiveld gemeten. Tabel 1 Hoogste, laagste en gemiddelde van gemeten waarde per peilbuis Laagst gemeten Maaiveldhoogte Peilbuis grondwaterstand [m NAP] [m NAP]

Gemiddelde grondwaterstand [m NAP]

Hoogst gemeten grondwaterstand [m NAP]

Peilbuis 1

+10.08

+7.66

+9.18

+10.74

Peilbuis 2

+10.20

+8.47

+9.44

+10.24

Peilbuis

Maaiveldhoogte [m NAP]

Laagst gemeten grondwaterstand [m NAP]

Gemiddelde grondwaterstand [m NAP]

Hoogst gemeten grondwaterstand [m NAP]

Peilbuis 3

+10.97

+9.21

+10.17

+11.30

Peilbuis 4

+12.32

+9.88

+10.73

+12.17

Peilbuis 5

+12.97

+10.03

+10.75

+11.97

Peilbuis 6

+11.87

+9.83

+10.69

+11.90

Peilbuis 7

+11.87

+9.74

+10.65

+11.90

Peilbuis 8

+11.74

+9.84

+10.45

+11.97

Peilbuis 9

+9.92

+8.24

+9.30

+10.07

Peilbuis 10

+11.71

+8.85

+9.75

+10.97

Peilbuis 11

+10.75

+8.89

+9.76

+10.82

Peilbuis 12

+11.98

+9.58

+10.37

+11.71

De peilbuismetingen in Halvinkhuizen hebben een te korte reeks om een GHG-bepaling (GHG is de Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand) voor uit te voeren. Echter is het wel mogelijk indicatieve GHG’s te bepalen door de reeksen te vergelijken met naburige langere reeksen (uit Lizard), waar de reeks wel lang genoeg bij is. De afgeleide GHG’s zijn weergegeven in tabel 2. Voor peilbuis 1 en 8 was het niet mogelijk een betrouwbare GHG te genereren. Voor een uitgebreidere analyse en beschrijving van deze analyse wordt verwezen naar het de memo GxG Putten (kenmerk BJ9169-WM-ME-240502-1150). 30 januari 2025

BH5847-WM-RP-241001-1312

12

Projectgerelateerd

Tabel 2 Gecorrigeerde GHG per peilbuis Peilbuis

Maaiveldhoogte [+ m NAP)

GHG [m + NAP]

GHG [m-mv]

PB01_A

10.1

-

-

PB02_A

10.2

9.63

0.57

PB03

11.0

10.51

0.49

PB04

12.3

10.94

1.36

PB05

13.0

10.78

2.22

PB06

11.9

10.81

1.09

PB07

11.9

10.82

1.08

PB08

11.7

-

-

PB09

9.9

9.45

0.45

PB10

11.7

9.70

2.00

PB11

10.7

9.82

0.88

PB12

12.0

10.45

1.55

Op basis van de afgeleide GHG kan de ontwateringsdiepte worden bepaald. De ontwateringsdiepte het verschil tussen het maaiveld en de GHG. Om voor Halvinkhuizen deze ontwateringsdiepte te kunnen bepalen is eerst een vlakdekkende GHG kaart nodig. Na een analyse van de beschikbare data blijkt dat een goede gebiedsdekkende GHG kaart niet goed is te genereren. Dit heeft met name te maken met het gebrek aan gegevens aan de randen en buiten het gebied Halvinkhuizen. Er zijn hier onvoldoende meetgegevens beschikbaar en het grondwatermodel Azure geeft vooralsnog onbetrouwbare informatie en is daarmee van onvoldoende kwaliteit om mee te nemen in de analyse. Om tot een goede gebiedsdekkende GHG kaart te komen is nader onderzoek vereist. Daarnaast wordt momenteel onderzocht wat het mogelijke effect is van de verwachte toename aan neerslag als gevolg van klimaatverandering op de grondwaterstand. Mogelijk kan hierdoor de ontwerpgrondwaterstand (GHG) nog wijzigen. Omdat de gemeten grondwaterstanden dicht onder maaiveld liggen zal ophoging noodzakelijk zijn om aan de vereiste ontwateringsdiepte te voldoen. Om de mate van ophoging te beperken wordt ingezet op kruipruimteloos bouwen.

Grondwaterfluctuatiezone Gelderland In een zone rondom het Veluwemassief, aan de oostzijde van de stuwwal van Nijmegen en een zone langs de Randmeren is sprake van een (smalle) zone die extra gevoelig is voor grondwateroverlast, de zogenoemde grondwaterfluctuatiezone. Het is van belang om hiermee bij de inrichting of herinrichting van stedelijk gebied, via de watertoets, rekening te houden en zo nodig maatregelen te nemen. Voor het plangebied Halvinkhuizen betekent dit dat er op termijn rekening gehouden moet worden met 20 cm hogere grondwaterstanden ten opzichte van de huidige situatie. Infiltratie Ter plaatse van peilbuis 3, 6 en 9 zijn infiltratieproeven uitgevoerd. Dit zijn de locaties waar de grootse wadi’s zijn voorzien in het plangebied, Tabel 2 geeft de resultaten van de infiltratieproeven. Ter plaatse van peilbuis 3 en 6 worden voldoende hoge doorlatendheden gemeten voor het toepassen van oppervlakkige infiltratievoorzieningen (wadi). In peilbuis 9 is een hele lage doorlatendheid gemeten. Bij de

30 januari 2025

BH5847-WM-RP-241001-1312

13

Projectgerelateerd

toepassing van een wadi zal hier bodemverbetering in de bovenste laag (0,5 m) nodig zijn om een goede infiltratie te waarborgen.

Tabel 2 Resultaten infiltratieproeven (doorlatendheidsbepaling) Peilbuislocatie Berekende K-waarde (m/d) 3

8.41

6

1.11

9

0.03

3.6

Oppervlaktewater

In het plangebied liggen een aantal C-watergangen die hoofdzakelijk dienen voor de afvoer van water uit het gebied. Op de grens van het gebied, Langs de Hooiweg en de Roosendaalseweg is een A-watergang aanwezig. Voor deze watergang is geen peilbesluit vastgesteld. Deze A-watergang heeft een afvoerende functie en moet behouden blijven. Onderstaande figuur geeft een overzicht van de in het gebied aanwezige leggerwatergangen.

Figuur 9 Uitsnede legger waterschap Vallei en Veluwe

In het plangebied liggen geen belangrijke oppervlaktewateren (zogenaamde primaire of A- watergangen), waterkeringen of gebieden die zijn aangewezen voor regionale waterberging. Dit betekent dat dit plan geen essentiële waterbelangen raakt. In de omgeving van Hooiweg is er soms sprake van wateroverlast. Met het waterschap en de gemeente is afgesproken de wateroverlast bij de Hooiweg op te lossen door het realiseren van extra berging binnen het

30 januari 2025

BH5847-WM-RP-241001-1312

14

Projectgerelateerd

plangebied Halvinkhuizen. De waterbergingsopgave om deze wateroverlast op te lossen is nog niet vastgesteld. Uit eerdere berekeningen wordt deze geschat op circa 4.100 m3. Ten noorden van het plangebied, in Puttereng III, is ook sprake van wateroverlast. Dit manifesteert zich tijdens extreme neerslag bij de Roosendaalseweg. De locatie is in onderstaande figuur weergegeven (locatie 10).

Figuur 10 Wateroverlastlocaties uit het BRP (locatie 10 bevindt zich net ten noorden van plangebied)

3.7

Riolering

Het gemengde stelsel van Putten watert overwegend onder vrij verval af naar het hoofdgemaal Keizerswoert. Aan de zuidkant van Putten is veel drukriolering aanwezig ten behoeve van de inzameling van het afvalwater uit het buitengebied. Voor de inzameling hiervan is een ringleiding aangelegd, deze voert af naar het hoofdgemaal Keizerswoert in gebied West. Via dit hoofdgemaal en een persleiding van het waterschap wordt vervolgens het afvalwater van de kern Putten verpompt in het gemengde rioolstelsel van de kern Ermelo. Hier voert het onder vrij verval af door het stelsel van Ermelo, en door het stelsel van Harderwijk, naar de RWZI Harderwijk. Het effluent van de RWZI wordt geloosd op het Veluwemeer.

30 januari 2025

BH5847-WM-RP-241001-1312

15

Projectgerelateerd

Figuur 11 Afvalwatersysteem gemeente Putten

Figuur 12 Schematische weergave van de afvalwaterketen in de zuiveringskring WHEP

30 januari 2025

BH5847-WM-RP-241001-1312

16

Projectgerelateerd

4

Toekomstige situatie (effecten & maatregelen)

4.1

Beschrijving plan

Figuur 13 toont een concept verbeelding van Halvinkhuizen fase 2&3. Voor fase 2&3 is nog geen stedebouwkundig ontwerp opgesteld. Deze Weging van Waterbelang heeft daarom een randvoorwaardelijk karakter. Halvinkhuizen fase 2&3 worden duurzame, groene en veilige woonwijken met voldoende ruimte voor betaalbare woningen. Gemoedelijke wijken waar het prettig wonen is voor gezinnen, jongeren en ouderen.

Figuur 13 Concept verbeelding fase 2 & 3

4.2

Toekomstige maaiveldhoogte

De toekomstige maaiveldhoogte is nog niet vastgesteld. Uitgangspunt voor de ontwikkeling is kruipruimteloos bouwen waardoor de benodigde ontwateringsdiepte wordt beperkt en er minder opgehoogd hoeft te worden. De ontwateringsdiepte voor kruipruimteloos bouwen wordt bepaald aan de hand van GHG. Momenteel wordt aanvullend onderzoek uitgevoerd om de GHG nader te bepalen. Dit onderzoek richt zich op het realiseren van een goede gebiedsdekkende GHG kaart en een analyse van de verwachte toename aan neerslag door klimaatverandering op de GHG. Naar verwachting zal het maaiveld deels opgehoogd worden. De exacte ophoging wordt bepaald als het grondwateronderzoek is afgerond. Het plangebied wordt uiteindelijk zo ingericht dat geen probleemlocaties ontstaan bij intensieve regenval. Dit wordt onder meer gewaarborgd door het hemelwater oppervlakkig af te voeren naar een wadistructuur. Hiertoe dienen de straten wel met verhang richting de wadi’s te worden aangelegd.

30 januari 2025

BH5847-WM-RP-241001-1312

17

Projectgerelateerd

4.3

Vuilwaterafvoer

In de toekomstige situatie moet het vuilwater gescheiden worden ingezameld van het hemelwater afkomstig van daken en verhardingen. Vanaf de perceelsgrens heeft de gemeente een resultaatsverplichting om het geproduceerde afvalwater in te zamelen en af te voeren naar een overnamepunt met het waterschap. Deze ontvangt en zuivert het vuilwater vervolgens. De hoeveelheid vuilwater moet in een later stadium worden bepaald als er in detail duidelijk is hoeveel woningen er waar komen. Hierbij kan worden uitgegaan van 2,4 personen per woning die 10 uur per dag 12 liter/uur afvalwater produceren. Binnen het plangebied moet een vrij verval riolering aangelegd worden aflopend naar zuidwest. Hier kan het vuilwater worden opgevangen in een pompput en met een persleiding aangesloten worden op de ringleiding of direct op het stelsel van de gemeente Putten. De detailuitwerking wordt in een latere fase uitgewerkt. Daarnaast worden de mogelijkheden onderzocht om binnen Halvinkhuizen rioolwater decentraal te zuiveren. Als wordt gekozen om een decentrale zuivering toe te passen hoeft de riolering niet meer te worden aangesloten op het stelsel van de gemeente. Bij het ontwerp van het stelsel worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: De geldende ontwerpeisen zijn: • • • • • • • • •

Het afvalwater moet gescheiden van hemelwater ingezameld worden; Voor de riolering geldt dat aangesloten moet worden bij het Programma van Standaarden o Riolering van de gemeente Putten Huishoudelijk afvalwater (DWA) afvoeren naar de RWZI conform de richtlijnen van het waterschap en de gemeente; Afvoer zoveel mogelijk op basis van vrij verval; Als de riolering niet volledig op basis van vrij verval kan worden ontworpen wordt de aanleg van (ondergrondse) gevoelige objecten zoals gemalen zoveel mogelijk beperkt; Wanneer mogelijk gebruik maken van bestaande riolering infrastructuur; Ontwerp riolering conform ‘Leidraad Riolering’ modules B2000 en C2100; Droogweerafvoer - DWA inwoners: 12 liter/inwoner/uur gedurende 10 uur (120 liter/dag, ongeacht stelseltype); Ontwerp moet rekening houden met toekomstige uitbreiding.

Uitgangspunten voor de riolering (conform Programma van Standaarden Riolering) • De ligging van de rioolstelsels (hoofdriool) is in openbaar gebied, waarbij rekening dient te worden gehouden met de ontgravingsdiepte en bijbehorende sleufbreedte in openbaar gebied. Het openbare gebied kan zijn de rijbaan, het trottoir en de berm van de weg. • Boven het riool dienen geen bomen (aan)geplant te worden. De minimale afstand van hart riool tot hart boom is afhankelijk van de grondwaterstand en het boomtype. Dit varieert in de praktijk van 1,5 tot 4,0 m. De gemeente gaat uit van minimaal 2,5 m. Voor het ontwerpen van stelsels (hoofdriool) gelden de volgende algemene ontwerpregels: • Een gronddekking van minimaal 1,2 m uitgaande van de kruin van de weg; • De verticale afstand bij kruisende leidingen bedraagt 0,20 m; • Voor leidingen een buis verhang toepassen van 1:500; voor de eerste 2 eindstrengen geldt een verhang van 1:300 en van de volgende 2 strengen van 1:400; • De maximale afstand tussen de putten, gezien in weglengte, bedraagt 70 m; • Dwa leidingen hebben een minimale diameter van 200 mm.

30 januari 2025

BH5847-WM-RP-241001-1312

18

Projectgerelateerd

Voor het ontwerpen van droogweerafvoer geldt ook: • De minimale afstand tussen de putten, gezien in wegbreedte, bedraagt 0,5 m (putten liggen niet naast elkaar, maar versprongen t.o.v. elkaar); • De minimale afstand tussen de leidingen, gezien in wegbreedte, bedraagt 0,5 m.

4.4

Hemelwaterafvoer

4.4.1

Beschrijving

Door de bouw van woningen neemt het verhard oppervlak toe. Dit zorgt voor een snellere afstroming van hemelwater naar het oppervlaktewater waardoor de druk op het watersysteem toeneemt. Dit moet worden gecompenseerd door de aanleg van extra waterberging. Binnen het plangebied wordt de waterbergingsopgave opgelost door de aanleg van een wadisysteem door de wijk met voldoende waterberging. Hemelwater wordt geborgen in de wadi’s dit kan infiltreren in de ondergrond. Er wordt voldoende waterberging gerealiseerd om een bui die eens in de 100 jaar voorkomt (T100 bui) te kunnen opvangen. De gehele waterbergingsopgave wordt gerealiseerd in openbaar gebied. Dit betreft zowel de compensatie voor aan te leggen verharding in openbaar gebied als op particulier terrein. Alle verharding in openbaar gebied wordt voor 100% gecompenseerd. Het uitgangspunt voor waterbergingscompensatie op particulier terrein is 100% compensatie van het dakoppervlak en 50% compensatie van het tuinoppervlak. Bij de opstelling van het stedebouwkundig plan is eerder uitgegaan van een compensatie van 25% van het tuinoppervlak. In overleg met het waterschap is besloten dit op te hogen naar 50%. Omdat hier in de planuitwerking geen rekening mee is gehouden en dit een extra druk op het ruimtebeslag voor waterberging geeft kan niet met 100% zekerheid worden gesteld of dit volledig inpasbaar is.

Het uitgangspunt voor de compensatie van het tuinoppervlak is daarom bijgesteld tot een streven naar 50% en dat dit dus mogelijk iets lager kan uitvallen als dit ruimtelijk niet inpasbaar is. Mocht dit het geval zijn dan wordt dit met het waterschap afgestemd en besproken alvorens tot uitvoering wordt overgegaan. Ter plaatse van de parkeervakken, die bestaan uit (half) open verharding in de vorm van grasbetontegels, wordt het hemelwater lokaal geïnfiltreerd. Het overige verhard oppervlak wordt gecompenseerd door de aanleg van een wadisysteem. Het hemelwater vanaf de percelen en de openbare ruimte wordt zoveel als mogelijk oppervlakkig afgevoerd naar de wadistructuur. De daken en tuinen voeren volledig af op de openbare ruimte. Bij toepassing van Wadi’s of andere infiltratievoorzieningen gelden de volgende uitgangspunten: 1. Alleen toepassen bovengrondse infiltratievoorzieningen in de vorm van een wadi; 2. Een infiltratievoorziening dient bij voorkeur een bui van 86 mm (T=100) te bergen (exclusief landelijke afvoer); 3. De ledigingstijd van infiltratievoorzieningen bedraagt ongeveer 48 uur. De buffer dient hierna weer volledig beschikbaar te zijn voor nieuwe buien. De wadi’s worden voorzien van een overloopvoorziening die het hemelwater (boven de T100 bui) loost op de watergang bij de Hooiweg. Deze zijn momenteel deels verland en zullen weer in profiel worden gebracht.

Voor zowel het in profiel brengen van de watergang als het gebruik van deze watergang voor de afvoer van het overstortvolume is al goedkeuring verkregen van de grondeigenaren.

30 januari 2025

BH5847-WM-RP-241001-1312

19

Projectgerelateerd

4.4.2

Benodigde compensatie

De benodigde compensatie kan op dit moment niet bepaald worden, aangezien het stedebouwkundig plan en de ruimtelijke inrichting nog onvoldoende uitgewerkt zijn. Bij de nadere uitwerking van het plangebied wordt aangesloten bij de randvoorwaarden ten aanzien van de waterbergingscompensatie uit dit plan.

4.5

Beheer en onderhoud

De watergangen en wadi’s binnen het plangebied krijgen waarschijnlijk de status van B-watergang. Hiermee komt het beheer en onderhoud bij de gemeente Putten te liggen.

4.6

Hydrologische gevolgen grondwater

Er worden geen effecten anders dan aanvulling van het grondwater verwacht bij de uitvoering van deze wadi’s. Op locaties waar actief geïnfiltreerd wordt, dient de ondergrond voorafgaand gecontroleerd te worden op storende lagen. Indien nodig dienen deze verwijderd dan wel doorbroken te worden om stagnatie te voorkomen.

4.7

Waterkwaliteit

In de toekomstige situatie is het mogelijk dat het hemelwater van daken en verhardingen gescheiden wordt ingezameld van het vuilwater en aangesloten op de waterbergingen/infiltratiezones binnen het plangebied. Verwacht wordt dat het hemelwater afkomstig van de daken en verhardingen relatief schoon is. Alleen het hemelwater afkomstig van balkons (vervuild schrobwater) wordt in verband met mogelijke verontreiniging aangesloten op het vuilwaterstelsel. De verhardingen van terrassen van de woningen kunnen direct afwateren in het groen in de tuin. Een eventueel schrobputje is alleen bedoeld voor vervuild water. Toekomstige bewoners moeten zich hiervan bewust zijn.

4.8

Klimaatadaptatie

Klimaatverandering wordt door de wetenschap sinds 2013 benoemd als een zeer waarschijnlijk door mensen veroorzaakt fenomeen (IPCC 2013, Fifth Assessment Report). De klimaatverandering zal onder andere resulteren in temperatuurstijging, zeespiegelstijging en een ander windrichtingenpatroon. Welk effect dit heeft op Nederland valt nog niet goed te zeggen, omdat klimaatverandering op lokaal niveau een heel andere uitwerking kan hebben dan op wereldschaal. In verschillende scenario’s komt naar voren dat de temperatuur gaat stijgen, meer zware buien voorkomen en vaker periode van droogte voorkomen. Een mogelijk effect van de klimaatverandering is dat er langere perioden van droogte kunnen voorkomen, ook dit kan invloed hebben op de afvalwaterketen. Riolen worden minder doorspoeld met hemelwater, waardoor vervuiling zich ophoopt. Bij de eerstvolgende regenbui wordt een grote hoeveelheid vuil afgevoerd naar de RWZI, wat de RWZI meestal niet goed kan verwerken. Ook zijn eventuele overstortingen vanuit het rioolstelsel extra vuil. Klimaatverandering leidt waarschijnlijk ook tot periodes van hittestress: langdurig warme periodes. Dit heeft vooral gevolgen op locaties met dichte bebouwing en grote verharde oppervlaktes, daarom moet worden gekeken naar het stedelijk gebied. De beste oplossing tegen hittestress is een ‘groen dak’ van

30 januari 2025

BH5847-WM-RP-241001-1312

20

Projectgerelateerd

boombladeren (koeling door schaduw en verdamping). Hiervoor dienen aanpassingen aan de infrastructuur te worden gedaan. Door dit te combineren met hemelwaterstructuren wordt voordeel behaald Op het gebied van hemelwater is de belangrijkste opgave de gevolgen van de klimaatverandering op te vangen. In het plangebied willen wij dit vorm geven door aanpassingen van onze systemen en door meer gebruik te gaan maken van de openbare ruimte voor opvang en afvoer van hemelwater. Daarnaast willen we de eigen rol van de particulier te gaan vergroten. Het plangebied wordt zo ingericht dat bij een klimaatbui van 70 mm in 1 uur er geen schade aan bebouwing of infrastructuur ontstaat. Tabel 3 Uitgangspunten klimaatbestendige inrichting:

Onderzoek watervriendelijk bouwen Klimaatverandering, demografische ontwikkelingen en economische groei hebben gezorgd voor een toename van het watergebruik in de afgelopen jaren, terwijl de beschikbaarheid van bronnen onder druk staat. Op nationaal niveau wordt aangestuurd op de realisatie van 900.000 nieuwbouwwoningen tot 2030. Het drinkwater om al die woningen op het drinkwaternet aan te sluiten, is niet beschikbaar. Door de mogelijkheden te onderzoeken om binnen Halvinkhuizen watervriendelijk te bouwen (ontwikkeling waterzuinige wijken) wil de gemeente een bijdrage leveren aan deze problematiek waarmee drinkwaterverbruik wordt verminderd en de impact van droogte en wateroverlast afneemt. Het initiatief om te onderzoeken of een decentrale zuivering mogelijk is binnen Halvinkhuizen is hier een goed voorbeeld van. Als een decentrale zuivering wordt toegepast kan aanvullend worden gekeken of de aanleg van een grijswatersysteem mogelijk is.

30 januari 2025

BH5847-WM-RP-241001-1312

21

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15152564/1