CConstaterende datPutten
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4: RAAP cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Putten

Gemeenteraad 19 september 2024, gemeente PuttenBij agendapunt: Erfgoedbeleid gemeente Putten 2024-202832.836 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

er kunnen voorkomen zijn: Ruwe en Zachte berk, Sporkehout, Wilde lijsterbes, Gewone Vlier. Vaak komen ook oude bossoorten voor. Indicatoren zijn: Adelaarsvaren, Gewone eikvaren, Lelietjes der dalen, Gewone salomonszegel, Dubbelloof, Dalkruid, Grote muur, Hengel, Kleine Maagdenpalm.

L – Landgoedkarakter Het grootgrondbezit heeft met het omvangrijke goederenbezit van de kloosters Abdinghof te Paderborn en Elten in de gemeente Putten al een oude geschiedenis. In de 19e eeuw werden de kloostergoederen geseculariseerd en kwamen ze aan de overheid. 59 Deze verkocht ze weer, en zo kwamen ze in handen van vermogende families. In de landgoederen die zo ontstonden waren, naast agrarische productie, de esthetiek van het landschap en de mogelijkheden voor de jacht van belang. Toch waren landgoederen in eerste instantie land- en bosbouwgebieden. Van sommige gebieden is daarom niet direct af te zien dat ze onderdeel waren van een landgoed. Het landschap kan zeer fraai zijn, maar vaak is dat meer het resultaat van het zorgvuldige beheer en behoud van het oude cultuurlandschap dat doelbewust ontwerp. De landschappen van deze landgoederen zijn daarom ingedeeld naar de bestaande historische landschapstypen (kampontginningen, oude of jonge bossen, etc.). Gebieden krijgen de toevoeging L als aan het landschap is af te lezen dat hier (door behoud of door het bewust toevoegen van elementen) aan de esthetiek van het landschap is gewerkt. Binnen de oude structuren die te maken hebben met agrarisch gebruik of bosbouw is sprake van een fraaie afwisseling van bos en open gebied, van lanen, zichtassen en oriëntaties huizen en boerderijen, van bijzondere boomgroepen etc.

Het zal duidelijk zijn dat de toekenning van de toevoeging L enigszins subjectief is en als een indicatie moet worden gezien. Het is toegekend op basis van topografische kaarten, luchtfoto’s en zeer beperkte veldwaarnemingen. Op basis van deze topografische kenmerken kunnen ook gronden buiten landgoederen de toevoeging L hebben gekregen, zoals het ook mogelijk is dat onderdelen van landgoederen de toevoeging niet hebben. Plekken waar de esthetiek doorslaggevend was, en de agrarische productie niet of veel minder, worden in Histland apart onderscheiden als buitenplaats (zie kaartcode 6).

C – Gecompartimenteerd karakter droge kampontginning Zie toelichting bij kaartcode 1.

F – Open field-karakter droge kampontginning Zie toelichting bij kaartcode 1.

K – Gebieden gekenmerkt door keutervestiging Door bevolkingsgroei ontstond er in Putten, net als elders in Nederland, een overschot aan boerenzoons en dochters zonder boerderij. Deze mensen vestigden zich op de gemeenschappelijke heide, al dan niet met toestemming van de eigenaren (maalschappen, domeinen, gemeente). In de toelichting bij kaarteenheid 2 is te zien dat deze ontwikkeling al omstreeks 1600 gaande was. Keuters

59

Bijvank, 2012.

81

RAAP-RAPPORT 2948 Erfgoed tussen Zuiderzee en Veluwe Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Putten

Figuur 3.51. Gebied gekenmerkt door keutervestiging bij de Huinerenk, gezien vanaf Bato’s Weg. Dit gebied hoort, doordat het voor 1850 is ontgonnen, tot de kampontginningen en wordt Huinerenk genoemd. Het kwam waarschijnlijk echter in de 18e en begin van de 19e eeuw tot stand door keutervestiging op de heide. De eigenlijke Huinerenk ligt ten westen van dit gebied (foto Overland 325).

hadden toen vooral te maken met de maalschappen, die vaak niet instemden met de vestiging. De maalschapsboeken staan vol met geschillen met keuters. In veel gevallen was de uitkomst dat ze het veld weer moesten ruimen. 60 Een deel van de keuterijen die het wel haalden ontwikkelde zich weer tot volwaardige boerderijen. In de loop van de 18e, 19e en begin van de 20e eeuw nam de keutervestiging grotere vormen aan, zo is op historische kaarten te zien. Delen van de gemeente Putten kenmerkten zich toen door de aanwezigheid van veel boerderijen en huizen in een landschap met veel kleine perceeltjes. Toen waren het ook dagloners die een plek om te wonen moesten vinden. Dat deze gebieden met keutervestiging juist in Putten relatief veel voorkomen, heeft misschien te maken met het grote areaal grootgrondbezit met landgoederen. Hier werd splitsing van boerderijen of nieuwvestiging maar zeer beperkt toegestaan. Gebieden met keutervestiging vinden we zowel onder de jonge ontginningen (ontgonnen na 1850) als onder de kamp- en broekontginningen. Bij de laatste bestaat de indruk dat deze niet lang voor 1850 ontgonnen zijn (figuur 3.51). Tegenwoordig zijn deze gebieden vaak nog steeds kleinschalig. De wirwar van kaveltjes is nog steeds relatief dicht bebouwd, soms nog met kleine woninkjes. Het karakter van de gebieden met keutervestiging is aan het veranderen.

De kleine landbouwkaveltjes van vroeger worden nu gezien als ruime woonkavels, waardoor het aantrekkelijk wordt de huisjes om te zetten in riante landhuizen.

V – Vergraven gebied aan de voet van de Zeedijk Zie toelichting bij kaartcode 12.

60

Mededeling Peter Bijvank.

82

RAAP-RAPPORT 2948 Erfgoed tussen Zuiderzee en Veluwe Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Putten

R – Landschap sterk veranderd door bebouwing of nieuwe functies Deze landschappen zijn in de loop van de 20e en 21e eeuw bebouwd geraakt, in gebruik genomen als recreatiegebied of op een andere wijze sterk veranderd. De bebouwing treedt hier sterk op de voorgrond waardoor kenmerken van het historische landschap op de achtergrond raken.

B – Landschap zeer sterk veranderd door bebouwing of nieuwe functies Als toevoeging R, maar in sterkere mate, waardoor de kenmerken van het historische landschap zeer sterk op de achtergrond zijn geraakt.

3.4 Prestedelijk landschap: landschappen van vóór de verstedelijking De sfeer van de Puttense wijken wordt voor een deel bepaald door het landschap van vóór de verstedelijking. Wijken die zijn gebouwd in bos verschillen vaak nog steeds zichtbaar van karakter met wijken in voormalige broekgebieden. Op kaartbijlage 1 geven we een indicatie van de landschappen die bestonden voordat de bebouwde kom van Putten zich uitbreidde over het omliggende landelijke gebied. Daarbij hanteren we een onderscheid in enerzijds gebieden waar vóór de verstedelijking al enigszins sprake was van toegenomen bebouwing en anderzijds gebieden waar vóór verstedelijking sprake was van landelijk gebied. De laatstgenoemde gebieden zijn pas in de 20e of 21e eeuw opgenomen in de bebouwde kom

3.4.1 Gebieden die zich al vóór de verstedelijking kenmerkten door bebouwing 1 Oude kern In de eerste helft van de 19e eeuw was Putten nog een kleine kern (figuur 3.52). Het gebied dat als zodanig staat aangegeven op kaartbijlage 1 bestond toen uit min of meer aaneengesloten erven met daarop boerderijen, huizen en schuren. Daarnaast worden ook toenmalige kleine percelen met tuinen in de onmiddellijke nabijheid van de bebouwde erven tot deze eenheid gerekend. Sinds die tijd is het karakter van de kern van karakter veranderd. Veel oude bebouwing is verdwenen en er is veel nieuwe bebouwing verschenen. De kern is nog altijd goed zichtbaar, vanwege de aanwezigheid van de kerk en de (winkel)centrumfunctie die het gebied heeft. De grote lijnen van het stratenpatroon, met onder andere Dorpsstraat, Kerkstaat en Achterstaat, bestaat nog. De meeste straatgevels hebben aaneengesloten bebouwing. Opvallend in de Dorpsstraat is dat de huiskavels nog nagenoeg gelijk zijn aan de situatie in 1832 (elk pand nu was in 1832 de locatie van een huis of boerderij). Ook de plek van de voormalige Kelnarij van Putten wordt onder deze eenheid gerekend. Op de kaart van De Man (gekarteerd omstreeks 1812) is dit gebied zichtbaar als omgracht perceel met gebouwen en daaromheen tuinen. De kapel, waarschijnlijk een 16e-eeuws gebouw, werd later katholieke kerk. Het gebouw werd halverwege de 20e eeuw gesloopt.

Nu resten nog een kleine begraafplaats, een plantsoen en een parkeerplaats.

83

RAAP-RAPPORT 2948 Erfgoed tussen Zuiderzee en Veluwe Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Putten

Figuur 3.52. De bebouwing in de Dorpsstraat is grotendeels vernieuwd, maar de structuur van de kavels en de richting van de bebouwde kavels zijn ongewijzigd gebleven (foto Overland 389).

Figuur 3.53. De bebouwing langs de Molenstraat is nieuw, maar de oude structuur (met name het tracé van de straat, met de gerichtheid op de molen) is deels behouden gebleven (foto Overland 391).

84

RAAP-RAPPORT 2948 Erfgoed tussen Zuiderzee en Veluwe Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Putten

2 Kernschil Rond de kern lag een gebied dat valt te kenmerken als kampontginning, maar waar al veel meer bebouwing stond dan in ‘gewone’ kampontginningen (figuur 3.53). Er was echter geen sprake van aan elkaar grenzende bebouwde percelen, zoals in de kern. De oorspronkelijke akkers waren hier onderverdeeld in een aantal intensiever gebruikte perceeltjes (mogelijk moestuinen of tabaksveldjes). De houtwallen rond de akkers waren hier niet meer aanwezig. De bebouwing in de kernschil heeft zich in de loop van de 19e en 20e eeuw vooral geconcentreerd langs de wegen (nu gerangschikt onder eenheid bebouwingslint langs oude weg). De rest van de kernschil is later met nieuwe bebouwing en nieuwe straten overschreven. Van de oude situatie is weinig meer herkenbaar.

3 Bebouwingslint langs oude weg Vanwege de toename van de bevolking, die zich niet alleen in de kern kon vestigen, ontstond er bebouwing langs de wegen van en naar de kern (figuur 3.54). Vooral in de 19e en 20e eeuw nam deze bebouwing toe, waardoor er uiteindelijk bebouwingslinten langs de wegen ontstonden. Deze linten kunnen van verschillende ouderdom zijn, maar hebben gemeen dat ze langs oude wegen liggen, en ooit waren omgeven door landelijk gebied met akkers, bosjes en weilanden. De tracé van de wegen, soms bochtig, soms recht, is meestal behouden gebleven. De aard van de bebouwing liep uiteen: agrarische bebouwing, arbeidershuisjes, opkomende industrie, villa’s en buitenhuizen. Het lint is vaak organisch gegroeid doordat het zich gedurende tientallen jaren steeds meer verdichtte. Daardoor worden deze linten nog steeds gekarakteriseerd door huizen en gebouwen van verschillende bouwjaren en verschillende (vroegere) functies. De oude kavelindeling is veelal nog herkenbaar in die van de huidige huis- en tuinpercelen. De hoek van huizen en kavels ten opzichte van de weg geeft soms nog de oude perceelsrichting aan. Op kaartbijlage 1 staan die linten die nu nog als zodanig herkenbaar zijn en die langs een oude weg liggen. Ook de achter de huizen gelegen tuinen worden tot deze eenheid gerekend. Bebouwin g

Figuur 3.54. Stationsstraat (foto Overland 380).

85

RAAP-RAPPORT 2948 Erfgoed tussen Zuiderzee en Veluwe Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Putten

Figuur 3.55. Deze oude boerderij en achterliggend prestedelijk groen langs de tegenwoordige Mennestraat hoorden bij de buurschap Bijsteren (foto Overland 386).

langs een oude weg die zich niet of weinig onderscheidt van de omliggende wijk wordt niet onder deze eenheid gerekend. Dit geldt bijvoorbeeld voor de Harderwijkerstraat. Oude wegen zonder oud bebouwingslint staan als lijn op de kaart.

4 Buurschap Buiten het kerkdorp Putten lagen buurschapskernen waar de concentratie aan bebouwing hoger was dan de omliggende kampontginningen. Deze buurschappen lagen ooit op afstand van het dorp Putten, maar liggen nu aan de rand van de bebouwde kom. Bijsteren kenmerkt zich nog als bebouwingslint met enkele huizen uit de eerste helft van de 20e eeuw. De erven worden afgewisseld door percelen met landbouwgrond. Dit ijle lint vormt nu de rand van de bebouwde kom. Ook iets ten noorden van dit lint lag een kleine concentratie van enkele boerderijen, langs Mennestraat en Spruytengoed (figuur 3.55). Zowel de wegen, als enkele boerderijen, als een deel van de beplanting zijn nu opgenomen in de nieuwe wijk. In het uiterste zuiden van de bebouwde kom is gebiedje dat tot Halvinkhuizen hoorde tot deze eenheid gerekend, maar dit gebied is geheel overschreven door de nieuwe structuur.

5 Gebied met keutervestiging Gebied ten oosten van de Voorthuizerstraat, aan weerszijden van de Bilderdijkstraat, is een gebied dat zich in de 19e eeuw kenmerkte door veel kleine perceeltjes en, zo nemen we aan, veel kleine huizen en boerderijtjes. Het gebied werd waarschijnlijk aan het einde van de 18e en begin van de 19e eeuw ontgonnen, waarbij keuters en dagloners een plek kregen om te wonen, zonder dat sprake was van duidelijke planmatigheid van de ontginning van de heide. Tot in de jaren vijftig lagen in dit gebied nog de oude enigszins bochtige heidewegen, met daarlangs de huisjes, erfjes tuinen en kleine akkers. In de loop van de jaren vijftig en zestig is dit gebied in zijn geheel overschreven, waarbij de oude wegen en veel van de huizen verdwenen. Ook nu ligt er een relatief onregelmatig wegenpatroon dat doet denken aan oude wegen, maar dit zijn nieuwe tracés met nieuwe huizen. Slechts hier en daar herinnert nog een enkel ouder pand aan het keutertijdperk.

86

RAAP-RAPPORT 2948 Erfgoed tussen Zuiderzee en Veluwe Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Putten

6 Begraafplaats Het oostelijk deel van de algemene begraafplaats is aangelegd in het begin van de 19e eeuw, waarschijnlijk kort na 1829, toen bij koninklijk besluit werd verboden om binnen de bebouwde kom te begraven. Ook het westelijk deel, dat later die eeuw werd aangelegd wordt hiertoe gerekend. Het gebied is nog steeds in gebruik als begraafplaats. De begraafplaats is ook als landschapselement (kaartbijlage 1) en bouwkunst (kaartbijlage 2) opgenomen. Het gebied ten zuiden van de Engweg, dat vanaf de jaren vijftig ongeveer tegelijkertijd tot stand kwam met de omliggende wijk, beschouwen we niet als prestedelijk landschap.

3.4.2 Gebieden waar vóór de verstedelijking sprake was van landelijk gebied 7 Droge kampontginning (Putter Eng) De Putter Eng zouden we, wanneer deze niet was volgebouwd, rangschikken onder de droge kampontginningen met een open field-karakter. Op enkele kleine groenstroken na, was het gebied boomloos (figuur 3.56). Over de eng lagen doorgaande wegen, de tegenwoordige Halvinkhuizerweg en de Nijkerkerstraat, en enkele bochtige lokale wegen. Wegen waren onbeplant. Ook op de perceelsgrenzen kwam nauwelijks beplanting voor. Dat wegenpatroon werd omstreeks 1960 gewijzigd in een rechthoekig wegenpatroon. Er ontstond enige verdichting doordat op de eng hier en daar huizen verschenen. In de jaren zeventig en tachtig werd de eng bebouwd. De sfeer van het oude open bouwland is nu niet of nauwelijks meer terug te herkennen. De wegen en straten op de vroegere eng zijn nieuw. Alleen de Halvinkhuizerweg en de Nijkerkerstraat zijn oudere tracés. Enkele rechte straten, zoals de Lage Engweg, waren onderdeel van het rechthoekige wegenpatroon van omstreeks 1960.

Figuur 3.56. In het gebied van de Putter Eng is het oude landschap niet of nauwelijks meer terug te herkennen. Op de foto zien we nog twee prestedelijke wegen. Links de oude Halvinkhuizerweg, die bewaard is gebleven. Deze doorgaande weg was niet geheel recht en op de foto is een licht knikje te herkennen. Rechts de Lage Engweg, die omstreeks 1960 in het toen nog landelijke gebied is aangelegd en wel geheel recht is (foto Overland 397).

87

RAAP-RAPPORT 2948 Erfgoed tussen Zuiderzee en Veluwe Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Putten

Figuur 3.57. De Korensteeg (het paadje links) is een prestedelijke structuur, met oude bochtige weg met een houtwal/bosstrook (foto Overland 376).

8 Droge kampontginning, gecompartimenteerd Dit betreft een groot gebied ligt ten noorden en noordoosten van de oude kern, aan weerszijde n van de Harderwijkerstraat (figuur 3.57). Het gebied was tamelijk besloten met akkers die van elkaar waren afgegrensd door houtwallen en bosstroken. Ook lagen er enkele kleine bosjes. De Harderwijkerstraat was een rechte weg met zijwegen die zowel recht als bochtig waren. Het gebied is in fasen bebouwd vanaf de jaren dertig tot in de jaren negentig. De nieuwe woningen zijn zowel langs nieuwe als langs de oude wegen aangelegd. Het groene karakter van de ruim opgezette wijk is voor een deel te danken aan de oude houtwallen, bosstroken en lanen die zijn blijven bestaan (binnen de bebouwde kom niet afzonderlijk in kaart gebracht). Er is een groter bosperceel bewaard gebleven in de vorm van het bos rond het parkhotel en het Christelijk College Groevenbeek. Ook aan de oost- en zuidoostkant van Putten liggen gebieden van deze eenheid. Met uitzondering van enkele doorgaande wegen is de oude structuur hier veel minder herkenbaar.

9 Droge kampontginningen, bebost Aan de oostkant van de Harderwijkerstraat, direct ten zuiden van de kruising met de Van Eeghenlaan, lag een klein kampje met een akker, omgeven door bos. In de laatste decennia van de 19e eeuw is het kampje bebost. In die tijd ontstonden in het bos ook de eerste villa’s en landhuizen. In het bos (mogelijk horend tot de tuinen van de villa’s) is nog de oude omwalling van het kampje te ontwaren.

88

RAAP-RAPPORT 2948 Erfgoed tussen Zuiderzee en Veluwe Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Putten

Figuur 3.58. Werk aan een laan langs de Kraakweg. Dergelijke prestedelijke groenstructuren kunnen door de forse bomen een bijna monumentaal karakter hebben en geven de nieuwe wijk historische diepgang (foto Overland 383).

10 Vochtige kampontginningen Vochtige kampontginningen leken op de gecompartimenteerde droge kampontginningen (figuur 3.58). Ze bestonden uit landbouwpercelen omzoomd en afgewisseld met houtwallen, bosstroken en bosjes. Maar behalve akkers kwamen er ook graslanden en voor. Er waren meer boerderijlocaties dan op de droge kampontginningen en er waren greppels, sloten of beekloopjes voor de ontwatering. Ten noordwesten van de oude kern ligt een vrij groot gebied (Brinkstraat, Papiermakerstraat) met huizen die voornamelijk zijn gebouwd in de jaren vijftig en zeventig. De oude structuur is daarbij grotendeels overschreven. De Papiermakersstraat en Koesteeg volgen nog het oude tracé. In de nieuwe woonwijk aan weerszijden van de Stenenkamerse Weg (nu Spruytengoed/Kelderskamp) zijn enkele groenstructuren behouden gebleven. Ook kleinere snippers van deze eenheid elders in Putten laten maar weinig van het vroegere landschap zien. Alleen het gebiedje tussen Oude Rijksweg en Beukenlaan heeft de structuur behouden. Het groen hier komt voort uit houtwallen en bosstroken van voor de verstedelijking. Dat geldt ook voor het gebiedje bij huis Schoonderbeek aan de andere kant van de Oude Rijksweg. Dit gebied heeft een landgoedkarakter. De aangrenzende begraafplaats Schootmanshof, die ook tot deze eenheid behoort, is nieuw ingericht, waarbij weinig van de oude structuur is overgebleven.

11 Broekontginning In het zuidwesten van de gemeente, ten zuiden van de Stenenkamerseweg, lag tot voor kort een broekgebied. Dit gebied bestond uit blok- tot strookvormige percelen met grasland. Op de perceelsgrenzen lagen sloten of greppels met daarlangs brede houtsingels. In de loop van de 20e

89

RAAP-RAPPORT 2948 Erfgoed tussen Zuiderzee en Veluwe Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Putten

Figuur 3.59. In woonwijken in oud droog bos torenen de boomkronen hoog boven de huizen uit, zoals hier aan de Van Eeghenlaan (foto Overland 373).

eeuw verdwenen het opgaande groen grotendeels. De strookvorm werd daardoor onzichtbaar en het broekgebied minder als historische landschap herkenbaar. Op dit moment wordt dit gebied bebouwd, waarbij de oude strokenstructuur verdwijnt.

12 Oud droog bos Ten noordoosten van de kern Putten lag omstreeks het Putterbos, een oud malebos. In de randen van dit bos (gedeeltelijk op heide die tussen 1800 en 1850 was bebost) werden vanaf de laatste decennia van de 19e eeuw villa’s en landhuizen gezet (figuur 3.59). Het grootste deel van de huizen is na de oorlog neergezet. Dankzij de kleine onbebouwde bosrestanten, de grote kavels, en de hoog boven de huizen torenende kronen van de bosbomen heeft dit gebied het boskarakter over het algemeen vrij goed weten te behouden. Ondanks de bebouwing is het gebied nog herkenbaar als bos. De gebieden ten westen van de Harderwijkerstraat zijn meer veranderd wat betreft wegenstructuur en wat dichter bebouwd. Hier is het boskarakter minder zichtbaar, maar niet geheel verdwenen.

13 Droge heide, deels bebost Ten zuiden van het Putterbos lag heide, die in de loop van de 19e en 20e eeuw werd bebost en als jong bos of soms nog gedeeltelijk als heideveld werd bebouwd. Bij de bebouwing werd het wegenpatroon niet gewijzigd. Het gebied ten oosten van de Calcariaweg hoort hier toe. Anders dan het heidegebied meer westelijk was hier minder sprake van keutervestiging. Er werden riantere w oningen gebouwd, mogelijk ook instellingen. Het gebied is nu vrij bosrijk met grote kavels. Ook

90

RAAP-RAPPORT 2948 Erfgoed tussen Zuiderzee en Veluwe Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Putten

Figuur 3.60. Nieuwe wijk Sprielderhout met kleine restantjes van bos (foto Overland 369).

het nu in aanbouw zijnde wijkje Sprielderhout wordt onder deze eenheid gerekend (figuur 3.60). Dit heidegebied is deels bebost geweest, en heeft ook andere functies gehad, waaronder zandwinning (afgaande op hoogtekaarten en historische kaarten). In de jaren vijftig was er geen bos. Later kwam hier (deels spontaan) weer bos op. In de tuinen rond de nieuwe woningen is het boskarakter verdwenen, maar in de wijk bleven plukjes dennen, berken en eiken staan. Een deel van de vroegere vergravingen en opgeworpen wallen is nog in het reliëf te zien.

3.5 Waardering historisch landschap Het buitengebied van de gemeente Putten is verdeeld in bijna 500 vlakken. Elk vlak is geïnventariseerd als één van de hierboven beschreven historische landschapstypen (§ 3.1 en § 3.2, met toevoegingen § 3.3). Elk vlak heeft tevens een waardering op de schaal 1-10 gekregen. Deze waardering is vereenvoudigd naar een schaal 1-5 (kaartbijlage 3). Het stedelijk gebied is niet gewaardeerd; wel zijn de deelgebieden ingedeeld naar herkenbaarheid (zie § 3.6). Bij een waardering van het landschap passen altijd kanttekeningen. De waardering hangt af van de bril waardoor je naar het landschap kijkt. Jonge landschappen, zoals de jonge ontginningen, hebben meestal een wat lagere waardering. Ze lijken immers niet meer op de heide van 1850. Maar wie waarde hecht aan de gaafheid van de 20e-eeuwse ontginningsstructuur zou uitkomen op een hogere waardering. Daarnaast hoeft een hoge waardering van de historische waarden niet altijd te betekenen dat we dit landschap ook mooier vinden. Iemand die houdt van bossen zal een laag gewaardeerd jong bos wellicht mooier vinden dat een hoog gewaardeerd open essenlandschap. Bij de waardering van de historische cultuurlandschappen is gekeken naar de onderstaande drie aspecten:

91

RAAP-RAPPORT 2948 Erfgoed tussen Zuiderzee en Veluwe Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Putten

- Verandering van de topografische structuur (weging 30%): In hoeverre is het landschap sinds omstreeks 1900 veranderd wat betreft perceelsindeling, perceelsgrenzen, sloten- en wegenpatroon? - Verandering van de verticale elementen in het landschap, de zogenaamde fysiognomie (weging 30%): In hoeverre is het landschap veranderd wat betreft de (spreiding van) verticale elementen in het landschap (bos, houtwallen, bebouwing)? - Bijzondere kenmerken (weging 40%): Dit criterium staat voor de aanwezigheid van een bijzondere waarde die niet in de veranderingscriteria is te vangen (zeldzaamheid, historische zeggingskracht van een gebied, aanwezigheid bijzondere fenomenen). Omdat dit criterium enigszins ‘subjectief’ is, bestaat er voor elk deelgebied een nadere toelichting (in de tabel in het GIS). Elk vlak heeft een waardering op een schaal van 1-10 gekregen die is vereenvoudigd naar een 1-5 schaal: - 1: basiswaarde (waarde 3, 4, 5 uit 1-10 schaal). Het landschap is sterk veranderd ten opzichte van 1850 of 1930. Historisch karakter moeilijk herkenbaar. - 2: basiswaarde-plus (waarde 6 uit 1-10 schaal). Historisch landschap nog te herkennen, beperkte mate van historische zeggingskracht. Verstoringen door bijvoorbeeld toename bebouwing, vervaging van kavelstructuren, nieuwe infrastructuur treden op de voorgrond. - 3: middenwaarde (waarde 7 uit 1-10 schaal).

Landschap lijkt op situatie in 1850-1900 en heeft zeggingskracht, die echter wordt verminderd door verstoringen door bijvoorbeeld toename bebouwing, vervaging van kavelstructuren, nieuwe infrastructuur. - 4: hoge waarde (waarde 8 uit 1-10 schaal). Het landschap lijkt op de situatie in 1850-1900 en heeft zeggingskracht. Verstoringen hebben slechts beperkte invloed op het landschapsbeeld. - 5: zeer hoge waarde (waarde 9 of 10 uit 1-10 schaal). Landschap lijkt sterk op situatie in 1850 en heeft bijzonder grote zeggingskracht. Ook op nationale schaal is sprake van een bijzonder en zeldzaam landschap. Bebouwde kommen en sterk veranderde gebieden zijn niet gewaardeerd. Jonge landschappen (jonge landbouwontginningen, jonge bossen) zijn per definitie sterk veranderd ten opzichte van de 19e eeuw. De jonge ontginningen lijken immers geheel niet op de vroegere heide. Ze hebben daarom een lagere waarde, die in principe niet hoger wordt dan 2 of 3. Die waarde kan weer stijgen als zich een uitzonderlijke situatie voordoet. Een en ander is dan toegelicht in de database van het GIS. Voor de jonge landschappen is een vergelijking gemaakt met de situatie van omstreeks 1930. Uit kaartbijlage 3 blijkt dat Putten hoog scoort wat betreft landschapswaardering.

In de Gelderse Vallei geldt dat vooral voor de verschillende typen van kampontginningen die onderdeel zijn van landgoederen en daardoor hun oude structuur bijzonder goed hebben behouden. Door de toename en het hoger opgroeien van het opgaand groen is dit landschap veranderd, maar heeft het nog gewonnen aan zeggingskracht. In enkele gevallen heeft de toename van bos er hier toe geleid dat de waardering iets is afgenomen, doordat vroegere kleinschalige akkers zijn bebost en dus niet meer zichtbaar zijn.

92

RAAP-RAPPORT 2948 Erfgoed tussen Zuiderzee en Veluwe Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Putten

Aan de Zuiderzeekust zijn de veen- en zeeklei-ontginningen van Arkemheen en de overgangen naar het zandlandschap bijzonder gaaf gebleven en ook op nationale schaal zeldzaam en bijzonder te noemen. De percelering, de nog goed zichtbare openheid en de gradiënten naar het groenere binnenland geven dit gebied een grote zeggingskracht. De jonge ontginningen op de vroegere heide zijn over het algemeen lager gewaardeerd. Als ze door geringe bebouwing nog iets van de uitgestrektheid van de vroegere heide hebben, of als ze bijdragen aan het landgoedkarakter van de omgeving, dan kunnen ze een middenwaarde hebben. De jonge ontginningen van de Kruishaarse en Appelse Heide hebben een hoge waarde. De vakkenstructuur, met vakken niet ontgonnen heide, geeft dit landschap een hoge zeggingskracht. Op het Veluwemassief hebben de oude malebossen (indien voor 1800 al bos) een hoge waarde gekregen. Jongere bossen en jonge ontginningen hebben een lagere waarde. Indien het vroegere beheer (hakhout, dansende beuken) nog herkenbaar is aan de boomvormen, of als er andere bijzonder kenmerken in het bos aanwezig zijn (zoals oude wallen, bijzondere structuren of landgoedkarakter), dan wordt de waarde van zowel jonge als oude bossen hoger. Ook heiderestanten en buitenplaatsen kunnen een hoge waarde vertegenwoordigen.

3.6 Herkenbaarheid prestedelijk landschap Het prestedelijk landschap in de bebouwde kom van Putten is op kaartbijlage 1 in verschillende typologische eenheden ingedeeld (§ 3.4). Voor kaartbijlage 3 is vervolgens de herkenbaarheid van de prestedelijke gebieden bepaald. Hieronder verstaan we de mate waarin de vroegere situatie nog herkenbaar is in het huidige stadslandschap. Goed herkenbaar: - Als er vroeger sprake was van bebouwing, of bos, of openheid, is indien dat nu ook nog het geval is; - Als een gebied ‘organisch’ is gegroeid, voordat het gebied echt verstedelijkt raakte, is dat nu nog zichtbaar in de variatie in ouderdom en aard van de bebouwing; - Het oude stratenpatroon is gaaf (hoewel het karakter van de straten is veranderd (verharding, beplanting) en er straten kunnen zijn bijgekomen); - (De richting van) straten en kavels komen soms overeen met oude perceelsgrenzen; - In vroeger deels bebouwde gebieden zijn nog enkele huizen, boerderijen of andere gebouwen van voor de verstedelijking bewaard gebleven; - Er resteren mogelijk nog enkele groenstructuren van voor de verstedelijking (bomen kunnen jong zijn, maar het bosje of houtwal als structuur ouder).

Redelijk herkenbaar: - Het gebied is deels overschreven met een nieuwe inrichting; - Het stratenpatroon is niet gaaf, maar herkenbaar (hoewel het karakter van de straten is veranderd (verharding, beplanting) en er straten kunnen zijn bijgekomen); - (De richting van) straten en kavels komen incidenteel overeen met oude perceelsgrenzen;

93

RAAP-RAPPORT 2948 Erfgoed tussen Zuiderzee en Veluwe Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Putten

- In vroeger deels bebouwde gebieden overheersen nieuwe naoorlogse panden en zijn maar weinig huizen, boerderijen of andere gebouwen van voor de verstedelijking bewaard gebleven; - Andere bovengenoemde kenmerken komen in mindere mate voor. Weinig herkenbaar: - Bovenstaande kenmerken komen niet of zeer incidenteel voor. Het vroegere landschap of oudere bebouwde structuren zijn bijna of geheel ‘overschreven’ met een nieuwe inrichting.

94

RAAP-RAPPORT 2948 Erfgoed tussen Zuiderzee en Veluwe Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Putten

4 Landschapselementen

4.1 Inleiding Landschapselementen maken het landschap tot wat het is en hoe we het beleven. We beginnen deze toelichting met een beeldend verhaal uit het laatste kwart van de 19e eeuw:

“… Zonder twijfel zijn wij naar de spreng veel te lang onderweg, want het kwartiertje, dat daarvoor gevorderd heet te worden, neemt reusachtige verhoudingen aan. Toch beklagen wij ’t ons niet. ’t Is ons immers niet uitsluitend te doen, om te zien hoe en waar het water uit den zandgrond opborrelt. Dat kunnen wij ons desnoods wel voorstellen. Maar wij willen het landschap leeren kennen en daartoe geeft onze zwerftogt ons overvloedige gelegenheid. ’t Gaat door lanen, van hooge wallen ingesloten; langs de eenzame schaapskooi op het heideveld, van dennen omringd; voorbij den ronden heuvel, die een oude grafterp schijnt; door akkermaalshout en boschjes van slanke mastboomen; over witte zandwegen, tusschen bloeijende heideplanten; langs stapels hout, op het woeste veld, dat ernstig en plegtig zich uitstrekt, tot waar de donkere boschrand het begrenst. Eindelijk komen wij op den straatweg naar Harderwijk. Daar ligt een kleine, afgelegen woning en digt daarbij wijst een Veluwsch kind van zestien jaren ons de spreng. (…) Wij zijn digt bij de spreng, maar zonder de aanwijzing der bruid zou ’t toch niet gemakkelijk zijn geweest, haar, anders dan bij toeval, te vinden. Een paadje over een’ akker en door dennenboschjes brengt er ons. Een lief tafereeltje is ’t. In de diepte van een smal, aan drie zijden gesloten dal, blinkt het heldere nat.

Als wij neêr zijn gedaald, vinden wij ons omringd van steile, tamelijk hooge hellingen. Dennenstammen rijzen er omhoog, bloeijende erica-struiken vermengen hun zachte, fijne kleuren met de rijkgeschakeerde tinten van gras en mos, van den grijzen en geelen zandgrond en de donkergroene brem. Uit een’ kleinen plas zijpelt het water en over gladde keisteentjes stroomt het weldra met driftigen spoed, - nu eens tegengehouden door een kluit aarde, waarom heen het zich buigt, totdat het langzaam maar volhardend die hindernis heeft weggespoeld, straks verborgen onder overhangende planten of frissche graspollen, ginds langs regte kanten, die ’t reeds heeft gladgeschuurd, soms schijnbaar stil staande, om elders reeds takjes en sprietjes meê te voeren, als speelgoed, waaraan het zijn jeugdige krachten beproeft. Boven ons welft zich de blaauwe hemel. Door de takken der dennen sluipen de stralen der zon, die, waar geen naaldloof ze onderschept, de helling tegenover ons overstroomen met hun’ gloed. Overal gonst het van insecten, dansend in den zonneschijn. ’t Leeft op het water van vlugge, lang-

95

RAAP-RAPPORT 2948 Erfgoed tussen Zuiderzee en Veluwe Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Putten

gebeende schepsels, die hun kortstondig aanzijn genieten. Uit dennebosch en heide stijgen de geuren op. ’t Is een stil, verborgen hoekje. Wie den langen, heeten, eentoonigen straatweg bewandelt, of uit zijn rijtuig de doodsche heivelden overziet, houdt zich overtuigd, dat er niets te zien is. Maar wie doordrong in de liefelijke klove tusschen de schijnbaar zoo schrale heuvelen, die vindt er een eenvoudig, maar bekoorlijk landschapje, dat hij verre was te verwachten. De kortste, althans de zekerste weg naar Putten is ons nu bekend. Wij hebben slechts den straatweg te houden. Toch doen wij het niet. Gaarne hebben wij er nog wat tijd voor over, om te zien, hoe de watersprank aanwint in kracht en omvang. Wij volgen haar, terwijl zij allengs breeder wordt en reeds met hoorbaar gemurmel over de steentjes bruist. Blaauwe klokjes spiegelen zich in haar vocht. Wilde rozen klimmen op tegen het brugje, dat haar overspant. Een warnet van braamstruiken hangt in lange, bogtige ranken van den oever. Weldra wordt de sprank een beek. Nu komen elzen en hooge populieren, weiden en akkers langs haar zoomen. Een oogenblik zijn wij haar kwijt achter een boschje en wij zijn op een heide, bij een hooge beukenhaag. In de verte golven de lijnen van het bosch; midden op de heide ligt een eenzame heuvel. Wij volgen de haag, die een’ grooten moestuin en boomgaard omsluit.

Aan ’t eind er van vinden wij bouwschuren, waar ’t hoefijzer tegen den deurpost is gespijkerd, en op het pleintje daartusschen de hooibergen en de groote Veluwsche kar met hooge wielen, onder een afdak. Uit het breede, lage hoofdgebouw, met huislook op het dak, klinkt een dof gestamp ons tegen. Door de talrijke vensters kijken zonderlinge gezigten, en enkele gestalten in havelooze plunje zijn door de openstaande ramen zigtbaar. ’t Is hier blijkbaar een boerderij, maar niet enkel een boerderij. Wij zijn bij een’ papiermolen uitgekomen. Ons beekje doet hier reeds zijn dienst. Vrolijk is ’t in zulk een’ tempel der nijverheid niet. Verweloos is het houtwerk in de holle ruimte, van leem is de vloer, schaarsch is het licht, dat binnendringt, onoogelijk is de grondstof, die bewerkt wordt. Vuil grijs is de hoofdkleur van alles, wat wij zien. Niettemin verdient deze tak van Veluwsche nijverheid onze aandacht. Daar staan tonnen en vaten met lompen van allerlei aard. …” De loftuitingen over het landschap en de daarin aanwezige elementen, structuren en objecten zijn niet van de lucht bij Jacobus Craandijk. 61 De tekst geeft aan dat we uiteraard landschappen kunnen karakteriseren, maar dat concrete duiding van wat we aan objecten zien, evenzo van belang is.

Beknopt zullen we hierna ingaan op de verschillende typen landschapselementen die we in de gemeente Putten kunnen aantreffen en die we op kaartbijlage 1 hebben weergegeven. Het beschrijven van een uitgebreidere ontwikkelingsgeschiedenis van deze elementen en structuren valt buiten het bestek van dit rapport.

61

Craandijk, 1879.

96

RAAP-RAPPORT 2948 Erfgoed tussen Zuiderzee en Veluwe Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Putten

Figuur 4.1. Permafrostrelict aan de Husselseweg, zichtbaar op het AHN2.

4.2 Aardkunde en prehistorische landschapselementen Ovale depressies zonder randwal (overblijfselen van de permafrost) Soms komen in het oppervlak van de afspoelingswaaiers diepe en ovale laagten met een doorsnee van tientallen tot enkele honderden meters voor (figuur 4.1). 62 Aardwetenschappers denken dat de laagten in het oppervlak zijn ontstaan door het afsmelten van grote stukken bodemijs die in de afzettingen begraven lagen. Mogelijk zijn het de resten van zogenaamde thermokarst (doodijsgat), een verschijnsel dat je vooral in koude gebieden met permanent bevroren bodems aantreft (permafrost). 63 Permafrost kwam gedurende het overgrote deel van de laatste ijstijd ook in Nederland voor. Neerslag bestond toen vooral uit sneeuw. Wanneer het sneeuwdek in het late voorjaar smolt, stroomde het smeltwater over de bevroren hellingen naar beneden. Later, in de zomer, kon een deel ook in de ondiep ontdooide bodems wegzakken. De ondiep ontdooide onderranden van de hellingen vormden dan brede kwelzones. Omdat de waterverplaatsing op het grensvlak van een bevroren bodem plaatsvond, kon een deel van het ijskoude kwelwater opnieuw bevriezen. Hierdoor ontstond een ondergrondse ijslens, die door de aanvoer van nieuw grondwater bleef groeien (vorstheuveltjes). Juist waar het water zich onder aan de hellingen ophoopte werd deze steeds dikker.

Wanneer de permafrost smolt bleef lokaal op de plek van de afgesmolten ijslens een laagte in het landschap achter. De ovale depressies te Putten zijn enkele van de zeer zeldzame permafrostrelicten in Nederland.

62

Zo ligt er een laagte van meer dan 10 meter diep en ongeveer 600 meter lang ten noorden van het dorpje Ouwendorp (kilometervak 180/469). De laagte komt ongeveer op de onderrand van de stuwwal en de ijsmeerafzettingen in het Leuvenumse beekdal voor. Bij Vossen en ten oosten hiervan liggen nog vijf van deze laagten, waaronder de Vossenkuil.

63

In de engelstalige permafrostliteratuur worden dit ijsblaren (ice blisters) of ‘icings’ genoemd.

97

RAAP-RAPPORT 2948 Erfgoed tussen Zuiderzee en Veluwe Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Putten

Figuur 4.2. Grafheuvels worden op het AHN2 goed zichtbaar, zoals hier een aantal aan de Nieuwe Prinsenweg.

Grafheuvels Putten is rijk gezegend met bekende grafheuvels; niet minder dan honderd zijn er op de Archeologische MonumentenKaart opgenomen. Deze zijn als puntobject op kaartbijlage 1 weergegeven. Daaraan toegevoegd hebben we objecten die op basis van het AHN2 als mogelijke grafheuvel te interpreteren zijn. Alleen door een veldtoets kan worden vastgesteld of het hier inderdaad om grafheuvels gaat (figuur 4.2).

4.3 Infrastructuur 4.3.1 Wegen Het landschap van Putten werd en wordt doorsneden door een fijn netwerk van wegen, het merendeel al veel meer dan enkele decennia bestaand. We hebben de wegen onderscheiden naar ouderdom (vóór 1832, 1832-1900, 1900-1930), naar formaat (weg, pad) en naar functie. In de database wordt dat in enkele gevallen nog verder uitgewerkt. Het historisch wegennetwerk van Putten lijkt op een onontwarbare kluwen; de vluchtige kijker zal er wellicht de centrale positie van het dorp in ontdekken. Toch is er door een iets nauwkeuriger analyse wel meer over te zeggen dan dat. Feitelijk bestaat de oudste (op kaartbijlage 1) onderscheiden wegenstructuur (de wegen van vóór 1832) binnen de gemeente Putten uit twee hoofdonderdelen, te weten de wegen die vanaf de

98

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14516990/1