CConstaterende datPutten
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 Toelichting - Nader onderzoek soorten

Gemeenteraad 18 december 2025, gemeente PuttenBij agendapunt: TAM-omgevingsplan Van Damhof5.598 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Nader onderzoek soorten NADER ONDERZOEK

VLEERMUIS Vleermuisonderzoek conform vleermuisprotocol 2021

Locatie:

Van Damhof 5 a-d

Datum:

21 november 2024

Putten

Project:

NOV51678.1

N ADER ON DERZO EK S OORT E N – VA N DA M HOF 5 A-D PUT TE N

Colofon Onderzoek

Nader onderzoek vleermuis

Document

NOV51678.1

Datum

15 mei tot 1 oktober 2024

Locatie

Van Damhof 5 a-d; Putten

Opdrachtgever

SamenThuis Investments B.V.

Opdrachtnemer

Ecofect B.V.

Ecoloog

Dhr. K. van der Wijk

Adres

Laan 21, 8071 JG Nunspeet

Telefoon

06-41737676

Email

info@ecofect.nl

Internet

www.ecofect.nl

KvK-nummer

87036487

Btw-identificatienr.

Nl864184311B01

Rekeningnummer

NL39 RABO 0198 8908 69

2

N ADER ON DERZO EK S OORT E N – VA N DA M HOF 5 A-D PUT TE N

INHOUD 1. Colofon

2

2. Samenvatting

4

3. Inleiding

5

3.1

Aanleiding

5

3.2

Planlocatie

5

3.3

Werkzaamheden

5

4. Wettelijk kader

7

5. De vleermuis

11

6. Werkwijze

13

6.1

Vleermuisprotocol 2021

13

6.2

Checklist

13

6.3

Bureauonderzoek

18

6.4

Werkwijze onderzoek

18

6.5

Onderzoeksresultaten

18

7. Verantwoording

18

Disclaimer

22

3

N ADER ON DERZO EK S OORT E N– VA N DA M HOF 5 A-D PUT TE N

Samenvatting Samenvattend: •

Er zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen in (de te slopen) bebouwing.

•

Er zijn geen essentiële vliegroutes dan wel zwermlocaties van vleermuizen aangetroffen in en nabij de (te slopen) bebouwing.

•

Er zijn geen paarroepjes en baltsgedrag waargenomen, waardoor er ook geen opnames zijn gemaakt.

•

Het plangebied zelf heeft geen belangrijke waarde als jachtgebied of onderdeel van een vliegroute: Het plangebied wordt in de toekomstige situatie niet veranderd waardoor er geen essentiële lijnelementen verloren gaan.

•

Er gaan geen verblijfplaatsen verloren door of tijdens de geplande ingreep.

•

Een vergunning schadelijke handelingen flora en fauna activiteit wordt niet noodzakelijk geacht.

Elke inventarisatie is een steekproef gebaseerd op momentopnamen. Er is voldaan aan de onderzoekstijden en -perioden zoals gesteld wordt in het vleermuisprotocol 2021. Alle functies zijn onderzocht voor de genoemde soorten. Hierdoor is niet uitgesloten dat soorten en functies die tijdens de inventarisatie niet waargenomen zijn, op een ander tijdstip wel aanwezig zijn. Dit is acceptabel omdat met het volgen van de inventarisatieprotocollen gedaan is ‘wat redelijkerwijs verwacht kan worden’. Hiermee is voldoende invulling gegeven aan de zorgplicht van de Omgevingswet.

4

N ADER ON DERZO EK S OORT E N– VA N DA M HOF 5 A-D PUT TE N

1. Inleiding 1.1 Aanleiding Met de voorgenomen ontwikkelingen aan de Van Damhof 5 a-d te Putten heeft SamenThuis Investment B.V. aan Ecofect B.V. gevraagd een nader onderzoek vleermuizen, naar aanleiding van de conclusies en aanbevelingen van het Natuurwaardenonderzoek (Ecofect B.V.) uit te voeren t.b.v. het vergunning traject en inzicht te verschaffen of de geplande uit te voeren werkzaamheden conflicteren met de Omgevingswet. Voorliggend rapport geeft inzicht in het wettelijk kader, de gebruikte methodiek en de resultaten van het uitgevoerde onderzoek.

1.2 Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Van Damhof a-d te Putten. Op de planlocatie staan een bedrijfsverzamelgebouw. Het gebouw heeft stenen muren met spouw en een bitumen dak. Rondom de planlocatie is een verhard terrein met parkeergelegenheden. Het oostelijke gedeelte van de planlocatie bestaat uit een verwilderede tuin / braakliggend stuk grond. De planlocatie heeft een bebouwd karakter en is gelegen in de bebouwde kom van Putten.

Figuur 1 - Planlocatie

5

N ADER ON DERZO EK S OORT E N– VA N DA M HOF 5 A-D PUT TE N

1.3 Werkzaamheden Initiatiefnemer is voornemens op de planlocatie de opstal te slopen om daar nieuwbouw in de vorm van 8 woningen voor terug te laten komen. Voor inhoudelijke vragen over het ontwerp of de inrichting wordt verwezen naar de opdrachtgever.

Figuur 2 – Ontwerp en inrichting planlocatie.

Functieverandering en effecten De beoogde ingrepen zijn blijvend van karakter. De functie van het plangebied zal gelijk blijven en ecologisch niet veranderen. De ingrepen en effecten van de ingreep in relatie tot natuurwaarden: •

Sloop- / saneringswerkzaamheden

•

Egaliseren terrein / bouwrijp maken

•

Bouwwerkzaamheden

•

Aan- en afvoer materiaal.

•

Herinrichting terrein welke bij de functie wonen verwacht kan worden

Dit onderzoek is gericht om een inschatting te maken of beschermde soorten voorkomen en gebruik maken van de projectlocatie.

6

N ADER ON DERZO EK S OORT E N– VA N DA M HOF 5 A-D PUT TE N

2. Wettelijk kader Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet van kracht. Deze wetgeving vervangt o.a. de Wet natuurbescherming. In deze wet is o.a. de bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden geregeld. Dit onderzoek beperkt zich tot soortbescherming vleermuis. Een ‘flora- en fauna-activiteit’ is volgens de definitie van het begrip zoals uitgewerkt in de bijlage bij art. 1.1 Omgevingswet een: ‘activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten’ Anders dan bij een ‘Natura 2000-activiteit’, waarvan pas sprake is als een activiteit leidt tot een kans op significante gevolgen op beschermde Natura 2000-gebieden, is er al sprake van een ‘flora- en fauna-activiteit’ als het een mogelijk gevolg heeft voor één van nature in het wild levend dier of plant, ongeacht of deze soort beschermd is volgens de Omgevingswet. Doordat in de definitie wordt verwezen naar ‘van nature’ in het wild levende soorten, gaat de definitie niet op voor niet-van nature voorkomende soorten. Met andere woorden, de regels voor flora- en fauna-activiteiten gelden niet voor soorten die buiten het natuurlijk verspreidingsgebied voorkomen of exoten, tenzij specifiek vermeld. Als er sprake is van een flora- en fauna-activiteit, dient er rekening te worden gehouden met de regels in art. 11.27 Bal (specifieke zorgplicht), art.

11.28 Bal (voorkomen onnodig lijden dieren) en de paragrafen 11.2.2 t/m 11.2.5 Bal (vergunningplicht bij schadelijke handelingen, regels vergunningsvrije gevallen). Hoewel de paragrafen 11.2.2 t/m 11.2.5 Bal alleen betrekking hebben op de bij wet beschermde soorten, gelden de artikelen 11.27 en 11.28 ook met betrekking tot de niet-beschermde soorten. Specifieke zorgplicht flora en fauna In het Bal is een specifieke zorgplicht opgenomen voor onder meer alle ‘flora- en fauna-activiteiten’ die, zoals hiervoor aangegeven, vrijwel alle ruimtelijke activiteiten betreft (art. 11.27 Bal). 8 Deze specifieke zorgplicht komt in de plaats van de algemene zorgplicht die in de Omgevingswet staat (zie hiervoor).9 Iedereen die een flora- en fauna-activiteit uitvoert, moet nadelige gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperken of ongedaan maken (art. 11.27, 1e lid Bal). In het tweede lid staat de nadere uitwerking van de specifieke zorgplicht. In het tweede lid onder a is er met betrekking tot de reikwijdte van de zorgplicht voor flora- en fauna-activiteiten aangegeven dat deze plicht in ieder geval inhoudt dat moet worden nagegaan of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid van een aantal type soorten die kwetsbaar of bedreigd zijn. Deze soorten betreffen in Nederland van nature voorkomende: •

Vogelrichtlijn-soorten zoals genoemd in bijlage I Vrl en niet in die bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4, 2e lid Vrl.

•

Habitatrichtlijn-soorten als opgenomen in bijlage II, IV en V Hrl.

•

nationaal beschermde soorten (bijlage IX Bal)

•

dieren of planten die staan opgenomen op de Rode Lijsten

•

voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats.

Als deze aanwijzingen er zijn, moet worden vastgesteld of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten. Zijn nadelige gevolgen niet uit te sluiten, dan wordt gevraagd om na te gaan welke nadelige gevolgen kunnen optreden en passende preventieve maatregelen te nemen, de activiteit te staken, of, als dat niet kan, passende herstelmaatregelen te nemen. Verder wordt er ook gevraagd om tijdens en na het verrichten van

7

N ADER ON DERZO EK S OORT E N– VA N DA M HOF 5 A-D PUT TE N

de activiteit na te gaan of de getroffen passende preventieve maatregelen de beoogde effecten hebben. De zorgplicht geldt altijd voor alle in het wild levende soorten, ongeacht een eventueel van toepassing zijnde vrijstelling, gedragscode of vergunning. De zorgplicht voor soorten is bovendien niet beperkt tot de dieren en planten zelf, maar ook tot de directe leefomgeving van de soorten. Dat betreft voor dieren de foerageergebieden, rust en vaste verblijfplaatsen en plaatsen voor het grootbrengen van de jongen. Mochten de zorgplichtbepalingen niet helder genoeg zijn, dan staat het bevoegd gezag vrij om middels maatwerkregels (artikel 11.29 Bal) of maatwerkvoorschriften (artikel 11.31 Bal) deze te verduidelijken. Bijvoorbeeld door het opnemen van regels in een provinciale Omgevingsverordening of het stellen van een maatwerkvoorschrift of vergunningsvoorschrift. Zoals ook aangegeven hiervoor met betrekking tot de specifieke zorgplicht voor Natura 2000-gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden, is de kern van de zorgplichtbepaling voor flora- en fauna-activiteiten dat als er sprake is van nadelige gevolgen op in het wild voorkomende soorten, deze, indien redelijkerwijs kan worden gevergd, moeten worden voorkomen, beperkt of ongedaan worden gemaakt. Ook in art. 11.27, tweede lid wordt verwezen naar passende preventieve maatregelen of passende herstelmaatregelen. In art.

11.27, tweede lid onder b Bal wordt aangegeven dat er moet worden ‘vastgesteld’ of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten. Daarnaast zijn de overige voorwaarden in het tweede lid onder c t/m f zodanig concreet dat in deze bewoording kan worden gelezen dat er aantoonbaar aan deze voorwaarden moet worden voldaan, zeker ook met in het achterhoofd dat de specifieke zorgplichten in de Omgevingswet zowel bestuurlijk als strafrechtelijk kunnen worden gehandhaafd. Om aantoonbaar aan de voorwaarden van de specifieke zorgplicht te kunnen voldoen, is het noodzakelijk dat de toetsing aan de zorgplichtbepalingen in een Natuurwaardenonderzoek of nader onderzoek wordt vastgelegd. Hiertoe kan door ecologische adviesbureaus – naast een bureaustudie door raadpleging van verspreidingsgegevens in tools zoals de NDFF – een ‘Habitatcheck’ worden uitgevoerd naar het voorkomen van de genoemde soorten, op basis van de geschiktheid van het aanwezige habitat als leefgebied van deze soorten. Afhankelijk van het aan te treffen habitat, kan daardoor goed inzicht worden verkregen in het mogelijk voorkomen van soorten of soortgroepen. Of een nader onderzoek ook naar redelijkheid kan worden gevergd om de aanwezigheid te kunnen uitsluiten, zal afhangen van de opdrachtgever.

Vervolgens moet worden beschreven in de Natuurwaarden onderzoek of nader onderzoek of nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten of dat deze kunnen worden voorkomen, beperkt of ongedaan kunnen worden gemaakt door maatregelen zoals hiervoor aangegeven. De soortenbeschermingsregimes In de paragrafen 11.2.2 t/m 11.2.4 Bal zijn de verschillende soortenbeschermingsregimes opgenomen: •

§ 11.2.2 Bal: omgevingsvergunning soorten Vogelrichtlijn

•

§ 11.2.3 Bal: omgevingsvergunning soorten Habitatrichtlijn

•

§ 11.2.4 Bal: omgevingsvergunning andere soorten

Onder iedere paragraaf zijn de vergunning plichtige gevallen en de vergunningsvrije gevallen aangegeven. In de Omgevingswet wordt niet meer gesproken over verbodsbepalingen waarvoor een vergunning of vrijstelling kan worden verleend, maar over schadelijke handelingen die leiden tot een vergunning plichtig geval. De inhoud van de schadelijke handelingen komen overeen met de verbodsbepalingen van de soortenbeschermingsregimes uit de Wnb, aangezien deze rechtstreeks voortkomen uit de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn en internationale Verdragen en betreffen de volgende schadelijke gevallen:

8

N ADER ON DERZO EK S OORT E N– VA N DA M HOF 5 A-D PUT TE N

Schadelijke handelingen Vogelrichtlijn (art. 11.37 Bal):

Het

opzettelijk

doden

of

Schadelijke handelingen Habitatrichtlijn (art. 11.46 Bal):

Schadelijke handelingen andere soorten (art. 11.54 Bal)

Het

Het opzettelijk doden of vangen

in

hun

natuurlijk

opzettelijk vangen van nature in

verspreidingsgebied opzettelijk

van

Nederland in het wild levende

doden of opzettelijk vangen van

zoogdieren,

vogels van soorten als bedoeld

in het wild levende dieren Hrl

reptielen, vissen, dagvlinders,

in art. 1 Vrl

bijlage IV, onder a, Bern bijlage

libellen

II, Bonn bijlage I (ex. vogels art. 1

soorten, genoemd in bijlage IX,

Vrl);

onder A

of

Het opzettelijk verstoren van

Het opzettelijk beschadigen of

van

dieren

vernielen

Het

opzettelijk

opzettelijk

vernielen

beschadigen

in

het

en

wild

levende amfibieën,

kevers

van

van

de

nesten, rustplaatsen en eieren

voortplantingsplaatsen,

van vogels, of het opzettelijk

rustplaatsen

wegnemen van nesten van die

dieren

of

eieren

de

vaste van

vogels

Het rapen en onder zich hebben

Het in de natuur opzettelijk

van eieren van vogels

vernielen of rapen van eieren van dieren

Het

opzettelijk

storen

van

vogels*

Het beschadigen of vernielen

Het opzettelijk in hun natuurlijke

van de voortplantingsplaatsen

verspreidingsgebied plukken en

of rustplaatsen van dieren

verzamelen,

afsnijden,

ontwortelen of vernielen van vaatplanten van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder B

Het

opzettelijk

plukken

verzamelen,

en

afsnijden,

ontwortelen of vernielen van planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onder b Hrl of bijlage I verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied

De

Omgevingswet

onderscheidt

drie

verschillende

beschermingsregimes,

met

elk

hun

eigen

verbodsbepalingen (zie tabel 2). De eerste twee categorieën zijn gebaseerd op de door de Europese Unie opgestelde Vogelrichtlijn (1979) en de Habitatrichtlijn (1992). Het 3e beschermingsregime, andere soorten, betreft soorten die niet op Europees niveau beschermd zijn, maar wel op landelijk niveau (nationaal beschermde soorten). Daarnaast geldt dat voor alle soorten de algemene zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in

9

N ADER ON DERZO EK S OORT E N– VA N DA M HOF 5 A-D PUT TE N

dat men bij werkzaamheden met mogelijk negatief effect op planten en dieren, maatregelen dient te nemen (binnen wat redelijkerwijs verwacht van men kan worden) om onnodige schade aan planten of dieren te voorkomen. Alle vleermuissoorten worden strikt beschermd door de Omgevingswet en ook de vaste verblijfplaatsen van deze soorten zijn jaarrond beschermd. Hierdoor is er, bij ruimtelijke ingrepen, een vergunning schadelijke handelingen flora en fauna activiteit Omgevingswet nodig wanneer vaste verblijfplaatsen aangetast, vernield en/of verstoord zullen worden of wanneer individuen van de soorten verwond of gedood zullen worden. Het is daarom noodzakelijk om middels aanvullend onderzoek de aanwezigheid van vaste verblijfplaatsen van vleermuizen vast te stellen dan wel uit te kunnen sluiten.

10

N ADER ON DERZO EK S OORT E N– VA N DA M HOF 5 A-D PUT TE N

3. De vleermuis Vleermuizen gebruiken het landschap gedurende het jaar op verschillende manieren: in verschillende perioden van het jaar maken ze gebruik van kraamplaatsen, zomerverblijfplaatsen, paarverblijven, winterverblijfplaatsen en jachtgebied. Daarnaast gebruiken ze landschapselementen, zoals bomenrijen en watergangen als vliegroute. Het meest recente vleermuisprotocol (2021) dat door onder andere de Zoogdiervereniging en de gegevensautoriteit NGB is opgesteld, stelt daarom dat tenminste vijf inventarisatiemomenten nodig zijn om de verschillende functies, die de aanwezige bebouwing mogelijk voor vleermuizen vervult, zo goed mogelijk te inventariseren. Vleermuizen Verblijfplaats Een object (gebouw, boom, bunker, grot, kast en dergelijke) waarin een of meerdere vleermuizen verblijven (overdag of ’s winters, met enige regelmaat). Zomerverblijfplaats Een verblijfplaats die gebruikt wordt door vleermuizen die niet in winterslaap zijn waarvan niet aangetoond is dat het een kraamverblijfplaats dan wel een paarverblijfplaats is. Kraamverblijfplaats Een verblijfplaats van een kraamgroep met vrouwtjes met jongen. Paar(verblijf)plaats Een verblijfplaats of de omgeving daarvan, waar ten minste een baltsend mannetje of meerdere vleermuizen overdag verblijven en paren of komen zwermen. Welk gedrag is waar te nemen, is afhankelijk van de soort.

Te herkennen aan zwermgedrag en/of baltsroepen. (Zwermen bij het invliegen komt bij meer verblijfsfuncties voor.) Winterverblijfplaats Een verblijfplaats waar in de winter een of meerdere vleermuizen in winterslaap (hybernation) gaan. Het betreft bij soorten die jaarrond in hun leefgebied blijven nogal eens een voormalige paarplaats of een andere verblijfplaats. Er zijn bij soorten als gewone dwergvleermuis massa winterverblijfplaatsen en winterverblijfplaatsen voor kleinere groepen te onderscheiden. Vliegroute Een vaste route van een vleermuis of een groep van vleermuizen vanaf een verblijfplaats naar een foerageergebied of tussen verblijfplaatsen visa versa. Migratieroute Een vaste route van zomerleefgebied naar winterverblijfplaats of winterleefgebied en visa versa. Foerageergebied Een gebied waar een vleermuis of een groep van vleermuizen foerageert.

11

N ADER ON DERZO EK S OORT E N– VA N DA M HOF 5 A-D PUT TE N

Uit het verkennende onderzoek, dat de opstal in potentie ruimte biedt voor potentiële verblijfsplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen. Met de geplande voorgenomen ontwikkelingen zullen deze potentiële verblijfplaatsen verdwijnen. Nader onderzoek naar de functie van de bebouwing voor vleermuizen was daarom nodig. Het aanvullende onderzoek naar vleermuizen is volgens het vleermuisprotocol 2021 uitgevoerd: een vleermuisonderzoek naar kraam-, zomer-, en paarverblijven.

12

N ADER ON DERZO EK S OORT E N– VA N DA M HOF 5 A-D PUT TE N

4. Werkwijze De werkwijze van Ecofect om te komen tot gedegen conclusies is als volgt: 1.

Bureau-onderzoek naar de voorkomende en te verwachten soorten

2.

Het onderzoek is uitgevoerd conform het vleermuisprotocol 2021

3.

De checklist aanwezigheid (vleermuisprotocol) is ingevuld

4.

Het onderzoek is te voet uitgevoerd

5.

Er is gebruik gemaakt van verrekijker, zaklamp en batdetector Anabat Scout

4.1 Vleermuisprotocol 2021 Het onderzoek is uitgevoerd conform het vleermuisprotocol 2021 zoals gepubliceerd op de website van NGB. In het voorliggende onderzoek zijn de volgende functies voor vleermuis onderzocht: •

Paarverblijfplaatsen

•

Kraamverblijfplaatsen

•

Zomerverblijfplaatsen

De inventarisatie blijft echter een steekproef. Het is dan ook mogelijk dat soorten en functies niet waargenomen zijn, terwijl dat ze op een ander tijdstip wel aanwezig zijn. Dit is echter acceptabel, de Omgevingswet vraagt een initiatiefnemer om alles te doen wat redelijkerwijs hem verwacht kan worden. Met de gekozen methode en inspanning is hieraan voldoende invulling gegeven. Wat betreft dit onderzoek heeft de initiatiefnemer dan ook gedaan wat redelijkerwijs verwacht kan worden. •

Het gehele projectgebied is in beeld geweest tijdens de onderzoeken.

•

De tussentijd tussen de verschillende bezoeken waren conform het protocol.

•

De weersomstandigheden (temperatuur, windkracht en neerslag) waren optimaal.

•

Er is niet afgeweken van het vleermuisprotocol.

4.2 Checklist Ga eerst na welke soorten redelijkerwijs of mogelijk te verwachten zijn aan de hand van het landschap, de omgeving en gekend verspreidingsbeeld (binnen 20 km van het plangebied, denk daarbij indien nodig ook buiten de landsgrenzen). Daarna dient gekeken te worden welke functies voor vleermuizen mogelijk voorkomen. Hiervoor kan de onderstaande checklist of geheugensteun worden gebruikt. Het gaat om voor vleermuis van belang zijnde objecten die door de beoogde activiteit of plan, in relevante mate worden aangetast. De hieronder aangegeven soorten en/of soortgroepen zijn niet dekkend. Hou rekening met het voorkomen van zeldzaam voorkomende soorten. Foerageergebied en vliegroutes zijn alleen beschermd als ze essentieel zijn voor het goede voortbestaan van de soort ter plaatse. Dat blijkt vaak pas uit het (nader) onderzoek.

13

N ADER ON DERZO EK S OORT E N– VA N DA M HOF 5 A-D PUT TE N

1. Dikke bomen Is in of grenzend aan het plangebied één (of meerdere) dikke boom (doorsnede globaal > 3 dm op borsthoogte) aanwezig? 1.1 Zijn holtes, spleten, scheuren, losse bast uit te sluiten?

Zo niet, nader onderzoek naar (winter-,) kraam-, zomeren paar verblijfplaatsen van boombewonende soorten.

Ja

1.2 Maakt de boom (bomen) deel uit van een mogelijke route of verbinding?

Nader onderzoek naar vliegroutes van alle (in de omgeving) voorkomende vleermuissoorten.

Nee

1.3 Maakt de boom (bomen) deel uit of vormt deze mogelijk foerageergebied of beschutting van een naastgelegen foerageergebied?

Nader onderzoek naar foeragerende vleermuizen.

Nee

Conclusie: Bomen met vleermuispotentie zijn niet aanwezig op de projectlocatie, bomen nabij de planlocatie blijven intact. Boombewonende soorten, zoals bechsteinsvleermuis, Rosse vleermuis en bosvleermuis, worden daarom niet onderzocht.

2. Opgaande gewassen Is op of grenzend aan het plangebied één (of zijn meerdere) dunne bomen (doorsnede globaal. < 3 dm op borsthoogte) en/of struiken/gewassen > 1,5 meter aanwezig? 2.1 Maken de struiken, gewassen, boom (bomen) deel uit van een mogelijke route of verbinding (lijnelement)?

Onderzoek vleermuizen.

naar

vliegroutes

van

Nee

2.2 Zijn er zichtbare holtes spleten, scheuren, losse bast in de boom (bomen)?

Nader onderzoek naar zomer- en paarverblijfplaatsen van boombewonende soorten.

Nee

2.3 Vormt het opgaand groen mogelijk foerageergebied of beschutting van een naastgelegen foerageergebied (let vooral op kleinschalig gebied of parkachtige omgeving)?

Nader onderzoek vleermuizen.

Nee

naar

foeragerende

Conclusie: Vegetatie en gewassen zijn niet / gering aanwezig nabij en op de planlocatie. Onderzoek naar foerageergebied wordt meegenomen in de onderzoeken. Echter met de geplande ontwikkeling blijft het foerageergebied bestaan hetzij anders ingericht.

14

N ADER ON DERZO EK S OORT E N– VA N DA M HOF 5 A-D PUT TE N

3. Open water Is er open water aanwezig? 3.1 Is er water?

Nader onderzoek naar gebiedsfuncties (foerageergebied en vlieg- en/of migratieroute), tweekleurige vleermuis, Rosse vleermuis ruige dwergvleermuis, watervleermuis (> 1m breed) en meervleermuis (> 2m breed).

Nee

3.2 Is er water in tenminste iets besloten gebied?

Nader onderzoek naar gebiedsfuncties (foerageergebied en vlieg- en/of migratieroute) gewone of ruige dwerg-, baard-, Brandts’-, ingekorven, franjestaart, grijze en gewone grootoorvleermuis en laatvlieger.

Nee

3.3 Is er water in open gebied?

Nader onderzoek naar gebiedsfuncties (foerageergebied en vlieg- en/of migratieroute) tweekleurige-, Rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger.

Nee

3.4 Heeft het water een mogelijk essentiële functie als drinkwater?

Nader onderzoek naar functie voor alle soorten vleermuizen.

Nee

Conclusie: Er is geen water aanwezig in de nabijheid van het plangebied. 4. Open gebied Is er open gebied (> 1 ha)? 4.1 Bestaat het plangebied uit moeras, grasland, akker of anderszins (denk bij < 500 meter van water breder dan 2 meter extra aan meervleermuis)?

Nader onderzoek naar gebruik door Rosse vleermuis, meervleermuis, laatvlieger, tweekleurige vleermuis en ruige dwergvleermuis.

Nee

Conclusie: De planlocatie betreft geen open gebied maar de bebouwde kom van Putten.

15

N ADER ON DERZO EK S OORT E N– VA N DA M HOF 5 A-D PUT TE N

5. Gebouwen Zijn er gebouwen aanwezig? 5.1 Biedt het gebouw of bieden de gebouwen mogelijk winter-, kraam-, zomer- en paarverblijfplaatsen voor vleermuizen (denk aan de spouwmuur, dakpannen, kelders, luiken aan de muur, gevelbekleding, zolders, daklagen, kruipruimtes etc.)? (bouwtekening ter inzage vragen).

Nader onderzoek naar winter-, kraam-, zomeren paar verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen.

Ja

5.2 Zijn er sporen van aanwezigheid, poepvlekken, keutels, vraatresten, bruinverkleuring langs de rand van invliegopeningen en dergelijke?

Nader onderzoek naar gebouwbewonende vleermuizen.

Nee

5.3 Mogelijk foerageergebied?

Nader onderzoek naar foeragerende vleermuizen.

Ja

5.4 Zijn er lange, mogelijk in het duister liggende, muren aanwezig?

Nader onderzoek gebiedsfuncties vliegmigratieroutes.

Nee

naar en/of

Conclusie: Nader onderzoek gebouw bewonende vleermuizen te weten: Laatvlieger, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, meervleermuis en ruige dwergvleermuis wordt noodzakelijk geacht. Het foerageergebied gaat niet verloren gezien de aard van de ontwikkeling.

6. Grotten, groeves, kelders en andere objecten Zijn er grotten en/of groeves en/of kelders, bruggen, tunnels en/of andere objecten met ruimten? 6.1 Zijn deze geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen?

Nader onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen, met de nadruk op winter-, en paarverblijfplaatsen.

Nee

Conclusie: Niet aanwezig op en nabij planlocatie 7. Grootschalige landschapselementen Zijn er grootschalige lijnvormige landschapselementen 7.1 Landschapselementen zoals kustzones, grootschalige dijken, duinenrijen, rivierdalen of waterpartijen die een verbindingsroute zouden kunnen vormen tussen zomer- en winterleefgebieden Nader onderzoek naar mogelijke migratieroutes van o.a. meervleermuis, Rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en tweekleurige vleermuis in voor- en najaar. n.v.t.

Nee

Conclusie: Niet aanwezig op en nabij planlocatie

16

N ADER ON DERZO EK S OORT E N– VA N DA M HOF 5 A-D PUT TE N

Randvoorwaarden en vervolg De conclusies uit de veldverkenning in combinatie met deze checklist, gekende verspreiding (zie bijlagen), de ligging in het landschap, de relatie met het landschap en de uitgebreide tabel van het protocol, geven de onderzoeksinspanning (tijdstip, omstandigheden frequentie per te onderzoeken soort) voor het nader onderzoek aan. Conclusie overall checklist: Op basis van de ingevulde checklist is het nader onderzoek naar winter-, kraam-, zomer- en paarverblijfplaatsen uitgevoerd. Het betreft hier de gebouw bewonende vleermuizen laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, meervleermuis en gewone dwergvleermuis. De overige soorten worden uitgesloten: •

Watervleermuis, bechsteinsvleermuis, bosvleermuis, baardvleermuis en de franjestaartvleermuis betreffen boombewonende soorten. Bomen blijven intact of zijn niet aanwezig.

•

Ingekorven vleermuis komt uitsluitend voor in Zuid-Limburg en Noord-Brabant.

•

Grijze grootoorvleermuis: zeer zeldzaam alleen in Limburg, Zeeuws-Vlaanderen en Noord-Brabant waarnemingen bekend.

•

Brandts’ vleermuis, en de tweekleurige vleermuis wordt uitgesloten op basis van zeldzaamheid en habitatseisen.

Indien er tijdens de inventarisatieronden waarnemingen gedaan worden van de hierboven uitgesloten soorten of functies, kan de methodiek aangepast worden om het nader onderzoek uit te breiden.

17

N ADER ON DERZO EK S OORT E N– VA N DA M HOF 5 A-D PUT TE N

4.3 Bureauonderzoek Tijdens het bureauonderzoek is onderzoek gedaan naar de mogelijk te verwachten soorten op de planlocatie. Hiervoor is onder andere gebruik gemaakt van de verschillende databanken zoals het NDFF en verspreidingsatlassen. Tijdens het veldbezoek worden deze gegevens gebruikt als focussoorten waarbij de mogelijkheid blijft eventueel andere soorten ook waar te nemen. In de bijlagen zijn de verspreidingsgegevens van genoemde soorten uitgewerkt.

4.4 Werkwijze onderzoek De vaste waarnemers (P. Smits en T. Bolk) hebben op post gestaan en vaste looproutes aangehouden tijdens de veldbezoeken. De projectlocatie is volledig onderzocht. Auditieve detectie van vleermuizen is op een minimale afstand van 20 meter en verder (gewone dwergvleermuis), afgezien van visuele waarnemingen. Datum

Zon

start

Eind

gr

weer

Bft

Resultaat

22-05-2024

K/Z/V

05:31

02:28

05:31

14

(Half) Bewolkt

1

Gd., L

05-06-2024

K/Z/V

21:45

21:45

00:30

15

(Half) Bewolkt

2

Gd, L

26-06- 2024

K/Z/V

21:50

21:50

00:30

16

(Half) Bewolkt

2

Gd, L

22-08-2024

P/Zw

20:45

20:45

01:00

16

(Half) Bewolkt

2

Gd., L

26-09-2024

P/Zw

19:25

19:25

23:00

19

(Half) Bewolkt

2

-

Legenda: K

: kraamverblijf

P

: paarverblijf

Gd : Gewone dwerg

Z

: zomerverblijf

L

: laatvlieger

Rd : Ruige dwerg

V

: vliegroute

R

: Rosse vleermuis

Zw : Zwerm

18

N ADER ON DERZO EK S OORT E N– VA N DA M HOF 5 A-D PUT TE N

4.5 Onderzoeksresultaten Algemeen: Vier van de vijf inventarisaties zijn in de avond en nacht uitgevoerd. Eén (paar)inventarisatie hebben we in onderzoekstijden verlengd tot 01.00 uur om tevens het eventuele zwermen in beeld te brengen brengen en mogelijk paargedrag van ruige dwergvleermuis te kunnen waarnemen. Eén inventarisatie heeft in de vroege ochtend plaatsgevonden die tevens in de kraamperiode viel. Vanwege de mogelijke aanwezigheid van de meervleermuis, is dit bezoek drie uur voor zonsondergang gestart. Vanwege de aanwezigheid van overige soorten, is er wel gepost tot na zonsopgang. Tijdens de bezoeken is vooral gelet op uitvliegende, invliegende en/of zwermende vleermuizen en op vleermuizen die al rond zonsondergang actief waren. Wanneer een vleermuis rond zonsondergang wordt waargenomen, kan dit namelijk op de aanwezigheid van een verblijfplaats duiden. Dit omdat de meeste vleermuissoorten rond zonsondergang hun verblijfplaats verlaten en dan naar hun foerageergebieden vliegen. Vleermuizen die rond zonsondergang bij het te onderzoeken object worden waargenomen, hebben nog geen grote afstand af kunnen leggen, waaruit opgemaakt kan worden dat zij mogelijk in het object een verblijfplaats hebben. Tijdens de veldbezoeken

is gebruikgemaakt

van heterodyne

batdetectors

(Anabat

Scout)

en

warmtebeeldcamera. Met behulp van deze batdetectors kunnen de waargenomen vleermuissoorten op naam gebracht. Door zoveel mogelijk visueel waar te nemen werd de determinatie geverifieerd en werd het gedrag (en daarmee vaak de functie van het gebied) vastgesteld. In totaal zijn verdeeld over de bezoeken geen gebouw verlatende of invliegende vleermuissoorten waargenomen binnen de invloedsfeer van de planontwikkeling. Er is geen enkele waarneming gedaan van gebouw verlatende of invliegende vleermuizen terwijl de tijden en perioden optimaal te noemen waren. Voorafgaand aan de avondbezoeken is bij daglicht op de locatie naar sporen gezocht die op het voorkomen van vleermuizen duiden (vleermuiskeutels, meststrepen, afgebeten insectenvleugels en vetsporen). Daarbij zijn de holten, spleten en scheuren die geschikt zijn als verblijfplaats voor vleermuizen doorzocht. Tevens zijn de aanwezige soorten op naam gebracht te weten gewone dwergvleermuis en laatvlieger. De gewone / grijze grootoorvleermuis is niet waargenomen om en nabij de projectlocatie. Op basis van de afwezigheid van gebouw verlatende en/of zwermende of invliegende vleermuizen rondom de projectlocatie kan gesteld worden dat de te amoveren opstallen geen verblijfplaatsen huisvest voor de vleermuizen. Veldbezoeken De weersomstandigheden waren optimaal om de onderzoeken op de juiste wijze uit te kunnen voeren.

De tussenliggende periode tussen de diverse veldbezoeken zijn conform het vleermuisprotocol 2021. Kraamperiode: Tijdens de veldbezoeken in het voorjaar zijn geen waarnemingen gedaan waaruit de aanwezigheid van kraam en/of zomerverblijfplaatsen blijkt. Er zijn wel jagende, foeragerende en overvliegende gewone dwergvleermuizen waargenomen in deze periode. Zowel in het plangebied als de directe omgeving hiervan zijn geen kraam- en/of zomerverblijfplaatsen vastgesteld. Paarperiode: Ruim voor of na zonsondergang waren de vleermuizen niet aanwezig op of nabij de planlocatie. Tijdens de inventarisaties in de paarperiode is tevens gelet op vleermuizen die sociale geluiden (waaronder paarroepjes) uitstoten en die paargedrag vertonen. Dergelijke geluiden en gedrag kunnen duiden op de aanwezigheid van een paarverblijfplaats. De onderzoekstijden van de avondronden (paar) betreffen tot drie uur na zonsondergang om ook de volledige optimale periode te onderzoeken voor diverse vleermuissoorten die pas 30 minuten na zonsondergang actief worden (gewone grootoorvleermuis/laatvlieger), volgens het vleermuisprotocol.

19

N ADER ON DERZO EK S OORT E N– VA N DA M HOF 5 A-D PUT TE N

Tijdens de veldbezoeken in het najaar zijn in het plangebied geen baltsgeluiden waargenomen. Op basis van de waarnemingen, het ontbreken van zwermgedrag en baltsgeluiden kan worden vastgesteld dat in het plangebied geen paarverblijfplaatsen aanwezig zijn. Middernachtzwermen: Het nachtbezoek naar massazwermen heeft geen hits opgeleverd waaruit blijkt dat de vleermuizen geen gebruik maken van het gebouw als paar- of winterverblijfplaats. Winterverblijfplaatsen zijn lastig aan te tonen of uit te sluiten. Van zomer-, kraam- en paarverblijven kan aangenomen worden dat deze ook in gebruik kunnen zijn als winterverblijfplaats, zolang de temperatuur niet onder het vriespunt komt. Daar er geen verblijfplaatsen zijn aangetroffen is het alleszins aannemelijk dat het object ook niet als winterverblijf in gebruik is. Samenvatting: •

Er zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen in de (te slopen) bebouwing.

•

Er zijn geen essentiële vliegroutes dan wel zwermlocaties van vleermuizen aangetroffen in en nabij de (te slopen) bebouwing.

•

Er zijn geen paarroepjes en baltsgedrag waargenomen, waardoor er ook geen opnames zijn gemaakt.

•

Het plangebied zelf heeft geen belangrijke waarde als jachtgebied of onderdeel van een vliegroute: Het plangebied wordt in de toekomstige situatie niet veranderd waardoor er geen essentiële lijnelementen verloren gaan.

•

Er gaan geen verblijfplaatsen verloren door of tijdens de geplande ingreep.

•

Een vergunning schadelijke handelingen flora en fauna activiteit wordt niet noodzakelijk geacht.

Hierdoor is niet uitgesloten dat soorten en functies die tijdens de inventarisatie niet waargenomen zijn, op een ander tijdstip wel aanwezig zijn. Dit is acceptabel omdat met het volgen van de inventarisatieprotocollen gedaan is ‘wat redelijkerwijs verwacht kan worden’. Hiermee is voldoende invulling gegeven aan de zorgplicht van de Omgevingswet.

20

N ADER ON DERZO EK S OORT E N– VA N DA M HOF 5 A-D PUT TE N

5. Verantwoording Materialen: Fotocamera Batdetector Anabat Scout Verrekijker (Swarovski 8*42; Swarovski 10*50) Endoscoop Ladder Zaklamp Literatuur: NDFF Zoogdiervereniging Fauna-inventarisaties; Rick Schoon Websites: www.bij12.nl www.rvo.nl www.ndff.nl www.zoogdiervereniging.nl www.synbiosys.alterra.nl/natura2000 www.verspreidingsatlas.nl

21

N ADER ON DERZO EK S OORT E N– VA N DA M HOF 5 A-D PUT TE N

Disclaimer Deze rapportage is vervaardigd op verzoek van de opdrachtgever zoals hierboven aangegeven. Niets uit deze rapportage mag, met uitzondering van de opdrachtgever, worden vermenigvuldigd of openbaar gemaakt worden door middel van scanning, druk, internet, kopie of andere wijze zonder schriftelijke toestemming van Ecofect B.V., noch mag het zonder deze toestemming voor een ander doel gebruikt worden dan waarvoor het vervaardigd is. Ecofect B.V. is niet aansprakelijk voor vervolgschade, alsmede schade die voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van de werkzaamheden of andere gegevens verkregen. De opdrachtgever vrijwaart Ecofect B.V. voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. Omdat ecologisch onderzoek een momentopname is, kan de aanwezigheid van beschermde soorten soms niet worden uitgesloten of bevestigd. Daarnaast is de natuurwetgeving aan verandering en jurisprudentie onderhevig. Wij zijn echter niet aansprakelijk voor de gevolgen van onverwacht verschijnende of verdwijnende flora of fauna, noch voor de gevolgen van veranderende wetgeving of jurisprudentie. © 2024 Ecofect B.V.; Nunspeet

22

N ADER ON DERZO EK S OORT E N– VA N DA M HOF 5 A-D PUT TE N

In Nederland komen de volgende vleermuissoorten voor: Baardvleermuis

Bechsteins vleermuis

23

N ADER ON DERZO EK S OORT E N– VA N DA M HOF 5 A-D PUT TE N

Bosvleermuis

Brandt's vleermuis

24

N ADER ON DERZO EK S OORT E N– VA N DA M HOF 5 A-D PUT TE N

Bruine of gewone grootoorvleermuis

Franjestaart

25

N ADER ON DERZO EK S OORT E N– VA N DA M HOF 5 A-D PUT TE N

Gewone dwergvleermuis

Grijze grootoorvleermuis

26

N ADER ON DERZO EK S OORT E N– VA N DA M HOF 5 A-D PUT TE N

Ingekorven vleermuis

Laatvlieger

27

N ADER ON DERZO EK S OORT E N– VA N DA M HOF 5 A-D PUT TE N

Meervleermuis

Mopsvleermuis

28

N ADER ON DERZO EK S OORT E N– VA N DA M HOF 5 A-D PUT TE N

Rosse vleermuis

Ruige dwergvleermuis

29

N ADER ON DERZO EK S OORT E N– VA N DA M HOF 5 A-D PUT TE N

Tweekleurige vleermuis

Vale vleermuis

30

N ADER ON DERZO EK S OORT E N– VA N DA M HOF 5 A-D PUT TE N

Watervleermuis

31

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16156002/1