Bijlage 1 Transitievisie Warmte Putten - aangepast
Tekst van het document
Voorgestelde acties • Gemeentebrede communicatiestrategie, die wijkgericht kan worden toegespitst • Starten met communicatie -en participatietraject in de wijk • Oprichten klankbordgroep • Selectie van representatieve woningen en onderzoeken van maatregelenpakketten waarmee de woningen transitiegereed kunnen worden gemaakt • Onderzoeken businesscase voor klein collectieve verwarmingssystemen • Borgen capaciteit en start opstellen wijkuitvoeringsplan • Particuliere woningeigenaren (die gelijksoortige woningen als het WSP-bezit hebben) ondersteunen door collectief in te kopen samen met WSP (dat inkoopvoordeel heeft) • Onderzoeken koppelkansen voor collectieve aanpak (revitalisering, mobiliteit, groen, klimaatadaptatie, speel mogelijkheden in de wijk, etc.) +/- 950 woningen • Gemeentebrede communicatiestrategie, die wijkgericht kan worden toegespitst die met beperkte • Starten met communicatie -en participatietraject in de wijk maatregelen aard- • Oprichten klankbordgroep gasvrij gemaakt • Selectie van representatieve woningen en onderzoeken van maatregelenpakketten waarmee de kunnen worden woningen transitiegereed kunnen worden gemaakt • Onderzoeken koppelkansen voor collectieve aanpak (revitalisering, mobiliteit, groen, klimaatadaptatie, speel mogelijkheden in de wijk, etc.) • Borgen capaciteit en start opstellen wijkuitvoeringsplan, verkenning subsidiemogelijkheden
+/- 225 wonin• Gemeentebrede communicatiestrategie, die wijkgericht kan worden toegespitst gen en 25.000m² • Starten met communicatie -en participatietraject in de wijk utiliteit • Oprichten klankbordgroep • In beeld brengen aanwezige VVE en bewonerscollectieven en benodigde betrokken, contact leggen en bepalen commitment voor een collectief plan voor een lokaal warmtenet • Uitvoeren haalbaarheid onderzoek warmtenet, inventarisaren warmtevraag en (beperkt) marktonderzoek • Opstellen van een bronnenstrategie • Uitwerken van een wijkuitvoeringsplan en wanneer mogelijk aanvragen van een (BZK) subsidie 31 HA bedrijven• Parkmanagement bestuurlijk organiseren voor Keizerswoert en Hoge Eng tussen 2020 en 2023 terrein • Onderzoeken koppelkansen voor collectieve aanpak (revitalisering, mobiliteit, groen, klimaatadaptatie) • Haalbaarheidsonderzoek naar geschiktheid WKO in combinatie met aquathermie (eventueel met Waterschap) • Benutten provinciaal initiatief revitalisering bedrijventerreinen en Regionaal Programma Werklocaties +/- 600 woningen • Aanhaken bij regionale samenwerking en organiseren van voldoende capaciteit (10% van de • Borgen van samenhang in informatievoorziening van energieloket (bijvoorbeeld Veluwe woningen buiten Duurzaam) aardgasvrij de startwijken) • Opstellen van evaluatiemethodiek voor succesvolle wijkaanpakken en strategieën
Tabel 3 Wijkuitvoeringsplan met voorgestelde acties
Op weg naar een aardgasvrije gebouwde omgeving
21
4.5 Voorbereiden van wijken waar we niet starten Niet alle wijken van Putten komen terug in het vorige hoofdstuk. We hoeven niet al in 2030 een aardgasvrije gemeente te hebben, daar kunnen we langer de tijd voor nemen. We hebben tot 2050 om heel Putten op een alternatieve manier te verwarmen. We gaan de komende jaren gebruiken om aan de slag te gaan in de wijken zoals genoemd. Daar leren we van en die geleerde lessen passen we vervolgens toe in de overige wijken van Putten. Verder geldt in alle gevallen dat het isoleren van een woning richting ‘transitiegereed’ een stap is die vandaag al genomen kan worden. In deze paragraaf daarover meer. TRANSITIEGEREED MAKEN VAN VASTGOED Minder energieverbruik binnen de gemeente is essentieel om de warmtetransitie een stap verder te brengen. Immers, wat je niet nodig hebt hoef je ook niet op te wekken. Gezien de grote diversiteit van de bebouwing en bijbehorende eigenaren (grotendeels particulier bezit) in onze gemeente is energiebesparing een thema waar veel winst te boeken is. Het gaat
hier niet alleen om isoleren, maar ook om voldoende ventileren en het verminderen van aardgasverbruik door bijvoorbeeld elektrisch koken. Dit draagt bij aan het (stapsgewijs) aardgasvrij maken van het vastgoed. Het vastgoed is (deels) al ‘aardgasvrij ready’ wanneer de wijken aan de beurt zijn voor de transitie, en dat daarmee alle wijken en hun bewoners uiteindelijk makkelijker de transitie kunnen ondergaan. Voor de periode 2020-2021 worden de volgende doelen gesteld met bijbehorende acties. • Bewustwording en inzicht isolatieaanpak. Er moeten veel maatregelen worden getroffen om een woning aardgasvrij te maken. Denk aan goede ventilatie, uitbreiden van groepenkasten, elektrisch koken, etc. Het is belangrijk om bewustwording te creëren bij bewoners dat deze maatregelen passen in het toekomstbeeld van 2050. Daarnaast is er behoefte aan inzicht in wat de minimaal benodigde maatregelen zijn, de voordelen ervan en wat de financieringsmogelijkheden zijn. We leren ook van de andere gemeenten om niet opnieuw het wiel uit te vinden.
• Samenwerken op regionaal niveau om kosten te besparen en de reikwijdte te vergroten. Ook bij onze buurgemeenten zien we dat energiebesparing en het transitiegereed maken van woningen prioriteit heeft. We zetten in op de regionale samenwerking en de samenwerking met lokale ondernemers, zoals installateurs en aannemers en andere vertrouwde kanalen in de gemeente om informatie te ontsluiten. Bij de uitvoering van deze acties wordt samengewerkt met het energieloket Veluwe Duurzaam.
4.6 De financiën De oplossingen om woningen aardgasvrij te maken die in dit hoofdstuk staan beschreven zijn niet kosteloos. Investeringen in gebouw, infrastructuur en bronnen moeten door stakeholders worden gedragen. Hoe die kosten worden verdeeld en hoe we ervoor zorgen dat de transitie naar aardgasvrij voor iedereen betaalbaar is, zijn vraagstukken die voor een groot deel op landelijk niveau moeten worden opgelost. Wel kunnen we op kleine schaal starten en leren door als vervolg op deze Transitievisie Warmte voor elk van bovenstaande wijken de kosten en onrendabele top (het deel van de investering dat niet kan worden terugverdiend met de inkomsten en besparingen van de investering) in kaart brengen. Ook gaat de gemeente de mogelijkheden op het gebied van financiering verder onderzoeken. Daarbij houden we rekening met de volgende instrumenten die op dit moment beschikbaar zijn en ontwikkelingen die verwacht worden op het gebied van financiering: SUBSIDIES • Proeftuinen Aardgasvrije Wijken. Het Rijk wil de komende jaren ongeveer 100 bestaande wijken aardgasvrij maken. In 2018 is gestart met de eerste
22
Wonen in Putten zonder aardgas - Transitievisie Warmte
tranche van 27 proeftuinen die een bijdrage van het Rijk krijgen om over te gaan op aardgasvrij. In 2020 gaat een nieuwe ronde open waarbij gemeenten een proeftuinwijk kunnen aanmelden. • De provincie Gelderland heeft binnen het GEA een subsidieregeling in het leven geroepen om proeftuinen aardgasvrije wijken van de grond te trekken. Daarbinnen bestaan twee subsidieregelingen: eentje om procesgeld te verkrijgen voor wijkuitvoeringsplannen en de andere voor het daadwerkelijk realiseren van aardgasvrije woningen in een wijkaanpak. • Europese subsidies kunnen ondersteuning bieden in de vorm van procesgeld of subsidie voor aanleg van nieuwe infrastructuur. • Subsidie energiebesparing eigen huis (SEEH) voor eigenaren en bewoners. Subsidie is aan te vragen wanneer de woningeigenaar minimaal twee energiebesparende isolatiemaatregelen laat uitvoeren. De subsidie loopt tot en met 2020. Ook na 2020 is er subsidie beschikbaar voor isolatiemaatregelen, want vanaf dat moment wordt de subsidie ISDE (hieronder) uitgebreid met isolatie. • Investeringssubsidie duurzame energie (ISDE): Particuliere huishoudens en zakelijke gebruikers (waaronder VvE’s) die zelf duurzame energie willen opwekken kunnen subsidie aanvragen voor zonneboilers, en warmtepompen. De subsidie is afhankelijk van de gekozen maatregel.
Je kunt subsidie aanvragen tot en met 31 december 2020, tenzij de subsidiepot al voor die tijd leeg is. • Regeling Reductie Energiegebruik (RRE): regeling waarmee gemeenten projecten op kunnen zetten om huiseigenaren te stimuleren tot kleine energiebesparende maatregelen in huis. • Voor VvE’s is er subsidie beschikbaar voor een energieadvies en eventueel procesbegeleiding en
een energieadvies in combinatie met Meerjaren Onderhoudsplan en eventueel procesbegeleiding. LENINGEN • Het Nationaal Energiebespaar Fonds (NEF) biedt energiebespaarleningen tegen lage rente voor VvE’s en particuliere eigenaren. Stimuleringsfonds Volkshuisvesting Nederlandse gemeenten (SVn) is fondsmanager van het NEF. • Consumptieve leningen: gemeente Putten biedt een duurzaamheidslening aan voor het verduurzamen van de woning. Stimuleringsfonds Volkshuisvesting Nederlandse gemeenten (SVn) is beheerder van duurzaamheidsfonds van gemeente Putten. • Hypothecaire leningen: deze zijn rendabel vanaf €15.000,- vanwege de bijbehorende administratieen advieskosten. • Gebouwgebonden financiering. De terugverdien-
tijd van duurzaamheidsmaatregelen is vaak langer dan de periode dat mensen in hun huis blijven wonen. Dat weerhoudt woningeigenaren mogelijk nu nog vaak om het huis te verduurzamen. Met gebouwgebonden financiering wordt de plicht tot aflossing gekoppeld aan de woning en bij verkoop overgenomen door de nieuwe eigenaar. Hierdoor ben je verantwoordelijk voor de financiering tot het moment van verhuizen en verdwijnt de noodzaak om voor die tijd je investering terug te verdienen. Gebouwgebonden financiering is op dit moment nog niet mogelijk, maar de mogelijkheden worden op nationaal niveau onderzocht. OVERIG • Collectieve inkoopacties (o.a. via het regionale energieloket Veluwe Duurzaam) zorgen voor lagere kosten per maatregel, zoals isolatie en zonnepanelen. Op weg naar een aardgasvrije gebouwde omgeving
23
24
Wonen in Putten zonder aardgas - Transitievisie Warmte
5 Hoe nu verder? Handreiking tot uitvoering In het vorige hoofdstuk zijn potentie gebieden om te starten benoemd en eerste acties die nu al gestart kunnen worden. In dit hoofdstuk gaan we verder in op eerste stappen richting uitvoering, en de zaken waar we als gemeente rekening mee moeten houden om de komende jaren samen met onze partners verder te werken aan de overstap naar een aardgasvrije gebouwde omgeving van Putten.
5.1 Samenwerken in de warmtetransitie De warmtetransitie is ingewikkeld en wordt niet van de ene op de andere dag uitgevoerd. In de voorgaande hoofdstukken hebben we gezien dat het om veranderingen aan gebouwen en infrastructuur gaat, dat er energiebronnen nodig zijn, en dat er grote investeringen bij komen kijken. Deze transitie vraagt ook om nieuwe vormen van samenwerken met gebouweigenaren, met bewoners en met het bedrijfsleven. En om veranderingen binnen de gemeentelijke organisatie. Samenwerken in de warmtetransitie betekent meer dan het naast elkaar uitvoeren van de projecten van de individuele stakeholders. Enerzijds dient er gebiedsgerichte coördinatie te zijn op de (samenhang tussen) specifieke projecten en opgaven. Anderzijds liggen er stevige uitdagingen op samenwerking, strategie, communicatie & participatie en financiering. Dit vraagt een programma-aanpak met programmasturing. De warmtetransitie is bovendien geen op zichzelf staande opgave. Het is belangrijk dat ambities en plannen worden afgestemd met de ambities en plannen op andere thema’s. Het gaat dan om thema’s als verbetering van de inrichting openbare ruimte, het verhogen van de leefbaarheid en het versterken van de sociale cohesie.
Naast het samenwerken op thema’s binnen de gemeente, werken we ook samen met de andere zes gemeentes in de regio Noord-Veluwe. Dit doen we op onderwerpen waar we allemaal mee te maken krijgen, zoals communicatie & participatie, financiering en de isolatieaanpak. Verder delen alle gemeentes in de regionale samenwerking geleerde lessen. Dit gebeurt op zowel bestuurlijk als op ambtelijk niveau. De gemeente is regisseur van de warmtetransitie en zal als vervolg van deze Transitievisie Warmte samen met de belangrijkste partners in de gemeente en in de regio een programmastructuur moeten inrichten met bijbehorende uitvoeringsorganisatie, om de ambities in de visie te kunnen realiseren. Randvoorwaarde is daarbij dat er voldoende gemeentelijke capaciteit beschikbaar komt om de regierol daadwerkelijk te kunnen invullen. Het doel is uiteindelijk om stappen te maken in de warmtetransitie. Het programma zal dan ook gericht moeten zijn op het daadkrachtig werken aan de eerste projecten in de wijken en hier leerervaringen uit te halen voor vervolgproces. Omdat nog veel onzeker is in de warmtetransitie vraagt de uitvoering van een programma continue aandacht, regie, monitoring en bijsturing. Gelet op de enorme opgave zal het pro-
gramma ook een aanzienlijke investering vergen in capaciteit vanuit zowel de gemeentelijke organisatie als haar partners.
5.2 Programmatisch werken in Putten Het warmtetransitie programma wordt opgebouwd uit een aantal projecten. Dit zijn zowel gebiedsgerichte projecten waarin verder wordt gewerkt aan wijkuitvoeringsplannen, als projecten die op gemeenteniveau die nodig zijn om ook de rest van Putten voor te bereiden op de warmtetransitie. De keuze van deze projecten vloeit voort uit de kansen gesignaleerd in hoofdstuk 4. Naast deze projecten zijn er thema’s die gebied- of project overstijgend zijn. Deze zorgen voor de samenhang in het programma. In Figuur 8 staat een weergave van het programma zoals dat eruit kan gaan zien. Het programma kent twee sporen, namelijk de aanpak voor de kanswijken en de gemeentebrede aanpak richting transitiegerede woningen. COMMUNICATIE & PARTICIPATIE Per project, maar ook gemeentebreed dient een communicatie- en participatielijn uitgezet worden. Belangrijk daarbij is dat de gemeentelijke communicatie de communicatie op projectniveau ondersteunt. Per project is het vervolgens nodig een eigen communicatie- en participatieplan op te stellen. Op de bewonersavond over de Transitievisie Warmte van 8 oktober 2019 is inbreng opgehaald over de gewenste manier van communiceren en participeren bij in totaal ongeveer 80 inwoners van Putten. Hoewel één avond geen volledig beeld geeft van welke Op weg naar een aardgasvrije gebouwde omgeving
25
planvormende periode een projectleider met een inzet van minimaal 0,4-0,5 fte nodig. Daarnaast is het belangrijk dat er een communicatiemedewerker voor het specifieke project is. Dit vergt minimaal 1 dag in de week inzet. Ook zullen andere afdelingen binnen de gemeente betrokken worden bij de uitvoering van de warmtetransitie en hier tijd voor moeten reserveren. Voor een wijkaanpak is het goed om te rekenen op capaciteit vanuit de afdelingen.
Figuur 8 Schematische weergave programma
kansen en belemmeringen bewoners zien, kunnen we over het algemeen stellen dat de volgende onderwerpen van belang zijn wanneer we in gesprek gaan met bewoners: draagvlak, betaalbaarheid en flexibiliteit (in de oplossingen). Dit nemen we mee bij het komen tot een gemeentelijke communicatie- en participatielijn.
5.3 Benodigde gemeentelijke capaciteit Een complexe transitie als de warmtetransitie vraagt om extra inzet van zowel de gemeentelijke organisatie als haar partners. Bij het organogram in Figuur 8 is een voorzet gedaan voor de benodigde capaciteit binnen de gemeente om van start te gaan met de warmtetransi-
26
Wonen in Putten zonder aardgas - Transitievisie Warmte
tie. Dit is gebaseerd op ervaringen met wijkuitvoeringsplannen in andere gemeentes. Gefaseerd doorgroeien naar het benodigd aantal fte’s is mogelijk. In aanloop naar een programmatische aanpak van de warmtetransitie in Putten, stellen we voor een kwartiermaker aan te stellen, die het programma in 2020 gaat vormgeven en zorgt dat de eerste projecten gaan lopen. In tabel 4 is de minimaal benodigde capaciteit voor de projecten aangegeven. Om projecten van de grond te krijgen is het belangrijk dat er projectleiders geworven worden. Om één aardgasvrije wijkaanpak van de grond te krijgen, is in de
Indicatie benodigde fte’s voor uitvoering warmtetransitie Programmamanagement Projectmanagement (projectleiders) Projectmedewerkers: - Projectondersteuning - Communicatie & participatie - Realisatie en beheer (afhankelijk van definitieve keuze voor alternatief in wijkuitvoeringsplan) - Welzijn (afhankelijk van mate van integraliteit wijkaanpak gekozen in wijkuitvoeringsplan) - Financiën/ subsidieadviseur (afhankelijk van gekozen aanpak in wijkuitvoeringsplan) TOTAAL
0,5 1,4 0,2 0,4 0 - 0,2
0 - 0,2
0 - 0,2
2,5
Tabel 4 Fte’s uitvoeringsprogramma
Een aantal van deze fte’s zijn in te vullen met huidige capaciteit, zoals de rol van projectleider energiebesparing, die al vanuit het programma Energietransitie wordt ingevuld. Voor de totale activiteiten om de warmtevisie te kunnen uitvoeren in een realistisch tempo, is naar verwachting minimaal 2,5 fte aan extra capaciteit nodig vanaf het jaar 2020. Het is belangrijk rekening te houden met deze extra inzet bij het voorbereiden van de gemeentelijke begroting.
BIJLAGE
A Wijkselecties De in hoofdstuk 4 aangewezen startwijken worden nader onderbouwd in deze bijlage. Per wijk worden in ieder geval de kenmerken, de kansrijke technieken, de beoogde fasering en de stakeholders besproken. Ook volgen er onderwerpen die hebben bijgedragen aan de selectie van de startwijken, overeenkomstig met de voor Putten besproken uitgangspunten.
Wijk 1: Putten Zuid-West, start in 2020 Eind augustus 2018 heeft een bestuurlijk overleg plaatsgevonden tussen de Woningstichting Putten, de gemeente en de netbeheerder Liander. In dit overleg heeft een eerste verkennend gesprek plaatsgevonden over het aardgasvrij maken van de gebouwde omgeving in Putten. Afgesproken is om met elkaar een traject op te starten waarin wordt nagedacht over het aardgasvrij maken van Putten. In dit traject komt de vraag van de woningstichting en de opgave van de gemeente bij elkaar.
Er zijn 1.400 woningen (in Zuid-West) waarvan 650 in aanmerking te komen voor deze aanpak. De meest verstandige aanpak is gebaseerd op een all-electric verwarmingstechniek in combinatie met een verregaand maatregelpakket. Dit doel kan eventueel stapsgewijs worden bereikt door no-regret isolatie maatregelen zodat gefaseerd aardgasvrij kan worden gerealiseerd. Onder no-regret wordt verstaan dat ten eerste de woningen zodanig worden geïsoleerd dat de woning met 70 graden Celsius kan worden verwarmd. Dan kan op een later moment de woning worden voorzien van een toekomstige, duurzame verwarming optie die deze temperatuur haalt of de woning wordt verregaand geïsoleerd.
1
2
Criterium Laagst maatschappelijke kosten en laagste kosten voor bewoners
Corporatiebezit
Toelichting - Door de woningen te isoleren worden deze gereed gemaakt voor een aardgasvrije verwarming en dalen de maandlasten door vermindering van het energiegebruik. - Het gasnet is grotendeels financieel afgeschreven en heeft nog een lange technische levensduur. Hiermee is het geschikt voor een gefaseerde overgang over een langere periode naar een aardgasvrije infrastructuur. - Er is uniformiteit van woningen aanwezig in type en bouwjaar zodat het mogelijk wordt een tot pakket gebaseerde maatregelen te komen en kostenvoordeel te realiseren. - 30 tot 40% van de woningen is in het bezit van één gebouw eigenaar; Woningstichting Putten (WSP). Daarmee is het speelveld aan stakeholders beperkt, met als gevolg een beperking in de benodigde processen en procedures om tot uitvoering te komen. - Er loopt al een initiatief in samenwerking met de woning stichting en de gemeente voor het aardgas vrij maken van de woningen in deze buurten. Dit biedt kennis over de technische mogelijkheden, benodigde aanpassingen en kosten voor dit type woningen. De wijk kan leren van dit initiatief. - Het eigenaarschap van de wijk is verspreid (gespikkeld bezit) en maakt het zinvol om particuliere eigenaren mee te nemen in de aanpak in de wijk. Hiermee kan (volume) voordeel worden gerealiseerd. Op weg naar een aardgasvrije gebouwde omgeving
27
3
4
5
6
Het alternatief voor aardgas geeft relatief grote CO2 besparing
Natuurlijke vervangingsmomenten en de mogelijkheid tot aansluiten bij investeringsplannen Een hoog gemiddeld isolatieniveau van de woningen Aanwezige koplopers
- De woningen in Putten Zuid-West kennen ondanks de nodige woningverbeteringen een hoge energievraag (1.500 – 2.500 m³ aardgas per jaar). De aanpak van deze woningen zorgt voor de hoogste reductie van CO2. - Er zijn samenwerkingsvoordelen en koppelkansen met het programma Klimaatadaptatie.
Opties en aandachtpunten voor deze wijk • Deze wijk kan als proeflocatie worden beschouwd voor de gemeente brede all-electric aanpak. Door het op beperkte schaal beproeven van verschillende communicatiewijzen, leer strategieën en oplossingsrichtingen
Opties en aandachtpunten voor deze wijk • Er is geen (groot) onderhoud gepland in de periode 2020-2030 in Zuid-West voor wat betreft de wegen, riolering en waterinfrastructuur en de koppelkansen voor de ondergrond zijn daarom beperkt. • De bouwperioden van de woningen vereisen een verregaande isolatie om op een lage temperatuur te verwarmen. • Woningstichting Putten heeft haar bezit grotendeels op niveau van energielabel B gebracht middels energiebesparende maatregelen. De keuze om de woningen verder te verduurzamen in de periode 2020-2030 zal sterk afhangen van de technische staat en het moment dat de labelsprong is gerealiseerd.
Wijk 2: Bijsteren/Husselerveld - start in 2020 In het plangebied Bijsteren/Husselerveld zijn 975 woningen recent gebouwde woningen gelegen. Het ligt rondom de provinciale weg tussen de dorpskern Putten en Nijkerk. In 2006 is een start gemaakt met de bouw van de woningen in dit gebied. Qua typologie zijn dit met name vrijstaande, 2-onder-een-kap en rijwoningen. Door de recente bouw zijn in dit gebied de kosten voor een aardgasvrij transitie het laagst. Door het benutten van natuurlijke (renovatie) momenten worden de kosten beperkt. Om die reden wordt er van uitgegaan dat de wijk na 2035 aardgasloos is.
28
Wonen in Putten zonder aardgas - Transitievisie Warmte
1
Criterium Toelichting Laagst maat- - Deze wijk is interessant omdat een aardgas vrije warmteschappelijvoorziening met de laagste (maatschappelijke) kosten gereake kosten liseerd kan worden. Dat komt door de beperkte investeringen en laagste die nodig zijn om de woning met een lage temperatuur te kosten voor kunnen verwarmen. Deze woningen zijn immers al geschikt. bewoners - Het gasnet is grotendeels financieel afgeschreven en heeft nog een lange technische levensduur. Hiermee is het geschikt voor een gefaseerde overgang over een langere periode naar een aardgasvrije infrastructuur. - Er is uniformiteit van woningen aanwezig in type en bouwjaar zodat het mogelijk wordt een tot pakket gebaseerde maatregelen te komen en kostenvoordeel te realiseren. - De wijk omvat een groot aantal rijwoningen en door de beperkte afstanden tussen de verschillende woningen kan ondanks een individueel verwarmingssysteem toch kostenvoordeel worden behaald door het delen van de bron. Denk daarbij aan het delen van de bodem(lussen) en kostenvoordeel door het gezamenlijk aanleggen
2
Corporatiebezit
3
Het alternatief voor aardgas geeft relatief grote CO2 besparing
4
Natuurlijke - Er zijn samenwerkingsvoordelen en koppelkansen met het vervangings- programma Klimaatadaptatie. momenten en de mogelijkheid tot aansluiten bij investeringsplannen - De woningen zijn reeds goed geïsoleerd waardoor de voorinEen hoog vesteringen beperkt zijn. gemiddeld
5
6
- Ongeveer 15% van de woningen zijn in eigendom van de woningstichting. De woningstichting kan een eerste ingang zijn om ook in deze wijk te starten. - De woningen zijn recent, dus op dit punt draagt de wijk minder bij dan de andere wijken.
isolatieniveau van de woningen Aanwezige koplopers
ingericht dat, wanneer het wenselijk is, in de toekomst kan worden overgegaan op een alternatieve warmtebron. Bodemenergie (WKO of ondiepe geothermie) waarbij een groengasgestookt ketel de piek verzorgt is een mogelijk optie.
1
Wijk 3: Putten Centrum, start vanaf 2023 Het centrum van Putten wordt gekenmerkt door gevarieerd winkel- en horecagebied. In dit centrum zijn een aantal winkels, woningen en het gemeentehuis gelegen die dicht bij elkaar staan en gezamenlijk een grote warmtevraag vertegenwoordigen. Dit biedt kansen voor collectiviteit. Door het combineren van de warmte (eventueel koude) vraag kunnen systemen worden gedeeld en kosten worden beperkt door schaalvoordelen. Het gemeentehuis kan eventueel als startpunt fungeren. Het gebied waar er voldoende warmtevraag aanwezig is voor een haalbaar klein collectief, omvat 225 woningen en ongeveer 25.000m² aan utiliteit.
2 3
4
Opties en aandachtpunten voor deze wijk • Het gemeentehuis kan een startpunt zijn om een collectief systeem te huis vesten. Het gemeentehuis is onlangs gerenoveerd en de installaties zijn zo
5 6
Criterium Toelichting Laagst maatschappelijke kosten - Deze wijk omvat een groot aantal gebouen laagste kosten voor bewoners wen met een behoorlijke warmtevraag die dicht genoeg bij elkaar liggen. Hiermee is het mogelijk dat een collectief systeem financieel haalbaar wordt. - Door het organiseren en verbinden van deze warmtevraag kan een eerste stap worden gezet naar een collectief systeem. Corporatiebezit Het alternatief voor aardgas geeft - Het centrum omvat een groot aantal relatief grote CO2 besparing woningen en bedrijfsgebouwen met een hoge energievraag. Natuurlijke vervangingsmomenten en de mogelijkheid tot aansluiten bij investeringsplannen Een hoog gemiddeld isolatieniveau van de woningen Aanwezige koplopers Op weg naar een aardgasvrije gebouwde omgeving
29
Wijk 4: Bedrijventerrein Keizerswoert en Hoge Eng Putten heeft twee grote bedrijventerreinen en een derde in voorbereiding. Bij het station ligt het oudste industrieterrein, Keizerswoert (omvang: 23 ha), waar een aantal grote bedrijven zijn gevestigd. Aan de zuidkant van Putten, tussen de Van Geenstraat en de Hoge Engweg (omvang 9,1 ha), bevindt zich het nieuwere bedrijventerrein de Hoge Eng. Ook bedrijven maken onderdeel uit van de opgave voor een aardgasvrij warmtevoorziening. De bedrijventerreinen omvatten veelal bedrijven met functies als auto- en schildersbedrijven, binnendiensten en kantoren. De gebouwen van deze bedrijvigheden kunnen prima met elektrische georiënteerde verwarmingssystemen uitgerust worden. Parkmanagement is een manier om de kwaliteit van bedrijvenparken in stand te houden of te verbeteren. Dit gebeurt onder andere op het gebied van beheer van de openbare ruimte, veiligheid, collectieve diensten, mobiliteit, leefbaarheid maar ook duurzaamheid.
1
2 3
4
5
6
Criterium Toelichting Laagst maatschap- Het verwarmen van utiliteitsgebouwen met een pelijke kosten en warmtepomp levert vaak een interessante businesscase laagste kosten voor op voor de gebouweigenaar. De warmtevraag van een bewoners utiliteitgebouw is ook anders dan die van woningen omdat een lagere temperatuur vaak voldoende is. Dit komt omdat deze gebouwen geen grote hoge tempera tuur vragen door de beperkte warm tapwater vraag. Ook is het klimaatsysteem vaker geschikt voor lagere temperaturen en hoeft niet eerst grootschalig te worden geïsoleerd. Corporatiebezit Het alternatief voor aardgas geeft relatief grote CO2 besparing Natuurlijke vervan- De bedrijvigheid is gelijksoortig en met een uniforme gingsmomenten en aanpak kunnen veel bedrijven worden benaderd. de mogelijkheid tot aansluiten bij investeringsplannen Een hoog gemiddeld isolatieniveau van de woningen Aanwezige koplopers
Opties en aandachtpunten voor deze wijk • Op dit moment is geen parkmanagement aanwezig op de bedrijventerreinen • Om gedurende een langere periode bedrijventerreinen gefaseerd te verduur zamen helpt een professionele organisatie die de ondernemer verstaat. Daarom wordt ingezet op parkmanagement om de bedrijventerreinen te verbeteren • Eventueel kan worden ingezet op energiecollectieven met een focus op bedrijven om maatregelen te treffen. • Via de milieudiensten is het mogelijk bedrijven aan te spreken op maatregelen met korte terugverdientijden.
30
Wonen in Putten zonder aardgas - Transitievisie Warmte
BIJLAGE
B Warmte-opties Er zijn vier verschillende energie-infrastructuren denkbaar om de gebouwde omgeving te kunnen verwarmen: • Gasnet • All-electric • Bronnet • Warmtenet
Gasnet In veel wijken zal het gasnet nog wel even blijven liggen. Als gekozen wordt om het bestaande gasnet te laten liggen is het van belang om duidelijkheid te geven aan vastgoedeigenaren voor hoelang dit nog het geval is. Hierdoor krijgen eigenaren de tijd om de noodzakelijke maatregelen te nemen. INDIVIDUELE GASKETEL EN HYBRIDE WARMTEPOMP Als het gasnet voorlopig nog blijft liggen, dan kan er eventueel naast de individuele Hr-ketel ook een hybride warmtepomp geplaatst worden in de woning om het gasgebruik te beperken. De voorwaarde is wel dat de woning het basisisolatieniveau bereikt heeft, zodat de warmtepomp optimaal kan functioneren.
All-electric ‘All-electric’ betekent dat er alleen een elektriciteitsnet naar de wijk toe komt. Als dat het geval is, dan is er een warmte-opwekinstallatie in de woning of het gebouw nodig die alleen elektriciteit gebruikt. Omdat de warmte in de woning wordt opgewekt met bijvoorbeeld infrarood of een warmtepomp, zal de vraag naar elektriciteit op koude dagen sterk toenemen in de wijk. De (over)capaciteit in het bestaande elektriciteitsnet is echter beperkt en deze is bijvoorbeeld ook nodig voor de realisatie van laadpalen voor elektrische mobiliteit. Het elektriciteitsnet zal dus verzwaard moeten worden, niet alleen op wijkniveau, maar ook op gemeentelijk, regionaal, nationaal en internationaal niveau. Een luchtwarmtepomp kan ook geluidsoverlast veroorzaken als deze technisch niet op orde is en/of te dicht op de gevel van naastgelegen gebouwen wordt geplaatst. Recent zijn er geluidseisen van kracht geworden waar eigenaren van dergelijke installaties mee kunnen worden aangesproken. Het energieen bouwloket zet de gemeente om het juiste advies te bieden en geluidsoverlast te voorkomen. Dit bijvoorbeeld door warmtepompen die de bodem benutten onder de aandacht te brengen en bij nieuwbouwontwikkelingen daarop aan te sturen.
All-electric leent zich daarom minder voor een wijkgerichte aanpak, omdat er vaak beperkingen zijn om het elektriciteitsnet te verzwaren. Rekening houdend met het feit dat we in de toekomst warmte kunnen gaan opslaan in woningen, is het ook sterk de vraag of het verstandig is om op korte termijn al hele wijken gelijktijdig elektrisch te gaan verwarmen. Dit kan ertoe leiden dat er zeer hoge kosten gemaakt gaan worden voor netverzwaring op wijkniveau, die in de toekomst niet nodig blijken. All-electric is daarom een alternatief dat zich meer leent om organisch te ontwikkelen verspreid over meerdere buurten en wijken in een gemeente. Met name voor eengezinswoningen en gebouwen in buurten waar een collectieve warmteoplossing geen logische oplossing is en waarvan de woningen al goed geïsoleerd zijn, of bij kleinschalige nieuwbouwprojecten. Uitgaande van de huidige stand van de techniek kan je alleen met warmtepompen of infrarood verwarmen als de woningen minimaal op het basisisolatieniveau is, waarbij de warmtevraag voor ruimteverwarming 65 kWh/m2 of lager is. Bij warmtepompen moeten dan vaak ook de radiatoren vervangen worden door laagtemperatuur radiatoren.
EFFICIËNTIE VAN WARMTEPOMPEN EN INFRAROODPANELEN: Een warmtepomp gebruikt de temperatuur van de omgeving als bron. Dat zorgt ervoor dat er meer energie in de vorm van warmte wordt opgewekt dan dat er aan elektriciteit wordt gebruikt. Van 1 kWh elektriciteit kan een warmtepomp 3-6 kWh aan warmte produceren (COP van 3-6). Bij infraroodpanelen is de omzetting van elektriciteit naar warmte één staat tot één, veel minder efficiënt dus. Infraroodpanelen hebben wel het voordeel dat ze alleen aan hoeven te staan op het moment dat er een persoon aanwezig is in de ruimte (in tegenstelling tot andere technieken) waardoor ze in praktijk wel wat efficiënter zijn dan doet vermoeden. Ander nadeel van infraroodpanelen is dat ze in de toekomst niet gecombineerd kunnen worden met een warmtebatterij in de woning, waardoor grootschalige toepassing lastig zal worden. Je hebt warmtepompen die lucht gebruiken als warmtebron (lucht-waterwarmtepompen) en die water gebruiken als warmtebron (water-waterwarmtepompen). Een lucht-water-warmtepomp gebruikt als bron bijvoorbeeld buitenlucht. Een water-water-warmtepomp gebruikt als bron bijvoorbeeld bodemenergie (WKO of bodemlus) of warmte uit zon (zonthermie). Op weg naar een aardgasvrije gebouwde omgeving
31
Voor het benutten van energie uit buitenlucht is een buitenunit nodig. Voor het benutten van warmte uit de bodem moet er een bodemlus geboord worden onder de woning of in de tuin. Voor het benutten van zonthermie moeten er thermische zonnepanelen geplaats worden op het dak van de woning. Grotere gebouwen kunnen ook gebruik maken van een eigen warmte- en koude opslaginstallatie (WKO) om gebruik te maken van bodemenergie als warmtebron. Naast de warmtepomp of de infraroodpanelen komt er een boilervat van minimaal 150 liter voor warm tapwater in de woning. Deze ruimte moet wel beschikbaar zijn. Bij infraroodpanelen en lucht-water-warmtepompen zal het elektriciteitsnet meer verzwaard moeten worden dan bij water-water-warmtepompen.
ZONTHERMIE ALS BRON VOOR EEN WARMTEPOMP: Met de nieuwe generatie zonthermische panelen wordt er, óók als er geen zon is, warmte geproduceerd. Dit kan doordat het paneel behalve uit zon- en daglicht ook heel goed warmte kan winnen uit de buitenlucht. Hierdoor kan ook ‘s nachts en in de winter voldoende warmte geleverd worden aan een water-water-warmtepomp, zodat deze net zo efficiënt warmte kan produceren als een warmtepomp met een bodemlus. Voordeel is dat deze oplossing veel eenvoudiger is te installeren dan het boren van een bodemlus. De zonthermische panelen kunnen gecombineerd worden met zonnepanelen voor het opwekken van elektriciteit.
Omdat er geen gasnet is en ook geen warmtenet bestaat er het risico dat huiseigenaren de keuze maken om houtachtige biomassa te gebruiken, bijvoorbeeld met een pelletketel. Deze oplossing moet echter niet gestimuleerd worden in verband met de risico’s op uitstoot van fijnstof en schaarste en betaalbaarheid van houtpellets op de langere termijn.
Bronnet Een bronnet is een aanvulling op all-electric. Een bronnet transporteert laagwaardige warmte naar meerdere woningen en gebouwen als bron voor een warmtepomp in de woning of het gebouw. Ook bij deze infrastructuur moet de capaciteit van het elektriciteitsnet in de wijk dus worden verhoogd. Aangezien een warmtepomp ook op woning- of gebouwniveau in veel gevallen een efficiënte bron kan hebben, zal een bronnet voor woningen in de meeste gevallen geen logische optie zijn. In wijken waar in hoge dichtheid gebouwd is, kan er mogelijk beperkt ruimte zijn voor potentiele bronnen, waardoor een bronnet een optie kan zijn. Echter is in dat geval vaak een warmtenet een logischere keuze. De verwachting is daarom dat een bronnet met name ingezet zal gaan worden als bron voor warmtepompen, die warmte leveren aan een warmtenet in een wijk of een bedrijventerrein.
Warmtenet
Er komen steeds meer nieuwe generatie warmtepompen op de markt, die een grotere temperatuursprong kunnen maken door gebruik te maken van andere koudemiddelen, zoals ammoniak (NH3) en CO2.
Een warmtenet is een infrastructuur van ondergrondse leidingen die warm water vervoeren naar meerdere gebouwen tegelijkertijd. Er is dan sprake van een collectieve warmtevoorziening. Het overgrote deel van de woningen en gebouwen die zijn aangesloten op het warmtenet zijn aangesloten sinds het moment dat ze zijn gebouwd. Er is nog weinig ervaring met bestaande woningen aansluiten.
De nieuwe generatie warmtepompen zijn oorspronkelijk ontwikkeld voor de industrie en worden daar al jaren toegepast. Het is dus al een bewezen
De bestaande netten in oudere wijken leveren een temperatuur van maximaal 90°C aan de woningen en gebouwen (hoog temperatuur). Nieuwere wijken zijn
NIEUWE GENERATIE WARMTEPOMPEN:
32
techniek. Dit type warmtepompen is daarom uitermate geschikt voor het leveren van warmte aan een collectieve installatie in gebouwen of aan warmtenetten in wijken. Speciaal voor woningen is er nu ook een individuele lucht-water-warmtepomp op de markt met als koudemiddel CO2, die zonder problemen 70°C kan produceren. Voordeel is dat je dan dus niet meer de bestaande radiatoren hoeft te vervangen. Nadeel is dat ze wel minder energieefficiënt zijn. De verwachting is dat er ook water-water-warmtepompen voor woningen op de markt komen met dezelfde eigenschappen. Om op grotere schaal individuele warmtepompen in wijken toe te passen is het wel van belang dat er technieken komen om warmte compact in de woning op de slaan. Dat vraagt wel de nodige innovatie en extra ruimte in de woning.
Wonen in Putten zonder aardgas - Transitievisie Warmte
beter geïsoleerd. De aanvoertemperatuur is daar dus lager, circa 70°C (midden temperatuur). Bij nieuw te bouwen wijken kan worden overwogen om de aanvoertemperatuur verder te verlagen naar 40°C (laagtemperatuur). Bij woningen moet dan wel een aanvullende boostervoorziening geplaatst worden in de woning voor warm tapwater, in praktijk zien we dat daarom vaak ook bij nieuwbouwwoningen wordt gekozen voor een midden temperatuur warmtenet. Om in een bestaande wijk een warmtenet te realiseren is er voldoende schaalgrootte en dichtheid van gebouwen nodig. Hoe hoger de temperatuur, die met de beschikbare warmtebron kan worden geleverd, hoe eenvoudiger de schaalgrootte kan worden bereikt, omdat er dan meer woningen geschikt zijn om aan te kunnen sluiten. Woningcorporaties, die vaak meerdere woningen bezitten in wijken kunnen makkelijker de benodigde schaal bereiken dan particuliere woningeigenaren. Bij een warmtenet komt er per gebouw of cluster van eengezinswoningen of kleinere gebouwen een afleverstation. Hier kan de temperatuur worden geregeld. De temperatuur van het net kan dus lokaal worden verlaagd als een gebouw daarvoor geschikt is.
Energiebronnen Bij iedere energie-infrastructuur hoort een andere energiedrager. Dit is respectievelijk gas (gasnet), elektriciteit (E-net) en/of water (warmtenet). Bij de verschillende energiedragers horen verschillende bronnen en (on)mogelijkheden om energie, die nodig is voor het verwarmen van woningen en gebouwen, op te slaan. Daarnaast is de meest geschikte bron en bijhorende energie-infrastructuur ook sterk afhankelijk van de schaalgrootte, die kan worden gerealiseerd. FOSSIELE BRONNEN In elk scenario en bij elke infrastructuur zijn we in de energietransitie voorlopig nog afhankelijk van fossiele bronnen. Geleidelijk zullen we eerst afscheid nemen van kolen en daarna ook van aardgas. Deze uitfasering kost tijd, daarom is het tijdelijk gebruik maken van fossiele bronnen noodzakelijk. Bij de keuze voor een nieuwe energie-infrastructuur is het wel belangrijk dat er voldoende en bewezen alternatieven beschikbaar zijn, zodat de fossiele bronnen zo snel als mogelijk uitgefaseerd kunnen worden. Belangrijk is dus dat door de keuze minder fossiele brandstoffen nodig zijn en de afhankelijkheid ervan zoveel als mogelijk beperkt wordt.
AFHANKELIJKHEID VAN FOSSIELE BRONNEN: Tijdens de energietransitie blijven we afhankelijk van fossiele bronnen. Een goed voorbeeld van deze afhankelijkheid is een woning die zonnepanelen heeft liggen op het dak. Het grootste deel van de energie, die wordt opgewekt door de panelen kan niet gelijktijdig worden gebruikt in de woning en wordt dus terug geleverd aan het elektriciteitsnet en elders gebruikt. Als het donker is of bewolkt en de panelen niet of nauwelijks elektriciteit produceren, wordt er elektriciteit uit het elektriciteitsnet gebruikt. Deze elektriciteit wordt opgewekt met een mix van bronnen, nu nog circa 80% fossiel (aardgas en kolen). Dat neemt niet weg dat het goed is dat er zonnepanelen op daken worden geplaatst. Al het dakoppervlak in Nederland moet namelijk zoveel als mogelijk benut worden voor de productie van hernieuwbare elektriciteit.
ALTERNATIEVE BRONNEN VOOR AARDGAS De alternatieve bronnen voor aardgas zijn beperkt, zeker voor de grote hoeveelheid aardgas, die nu in Nederland en de rest van de wereld gebruikt wordt. Naast biogas/groen gas wordt waterstof vaak genoemd als alternatief voor aardgas. Waterstof is geen bron maar een energiedrager en wordt gemaakt van aardgas of van elektriciteit. Het is niet te verwachten dat waterstof een grote rol gaat spelen als energiedrager in de gebouwde omgeving. Uiteraard wel als grondstof voor de industrie en mogelijk als energiebron voor (zwaarder) transport en de industrie. ALTERNATIEVE BRONNEN VOOR ELEKTRICITEIT Net als in alle sectoren, gaat ook voor het verwarmen van de gebouwde omgeving, elektriciteit een nog grotere rol spelen. Met name voor het opwekken van warmte met warmtepompen in woningen, gebouwen en wijken zal de vraag naar elektriciteit stijgen. Deze elektriciteit moet dan wel verduurzaamd (kunnen) worden. Zon en wind zijn daarvoor de meest logische bronnen voor Nederland op dit moment. Verduurzaming is een hele grote opgave. De huidige elektriciteitsmix in Nederland bestaat namelijk nog voor circa 80% uit fossiele bronnen. Nu is elektriciteit altijd beschikbaar, omdat kolen-, gas en kerncentrales het gehele jaar door kunnen leveren op basis van de vraag.
Maar in de toekomst zal het elektriciteitsaanbod veel minder constant en ook deels seizoen afhankelijk zijn door een groter aandeel van zonne-energie en windenergie. Het opslaan van energie en in dit geval dus warmte is noodzakelijk. Bij de keuze voor de energie-infrastructuur Op weg naar een aardgasvrije gebouwde omgeving
33
is het daarom nodig om meer rekening te houden met de (on)mogelijkheid om energie op te slaan. Belangrijk daarbij is te vermelden dat voor het voeden van warmtepompen elektriciteit uit windenergie veel meer geschikt is dan zonne-energie, omdat in het stookseizoen het aanbod van wind vele malen hoger ligt.
exploitatieduur van de biomassawarmtecentrale verlaagd kan worden. Het verbranden van hout of houtpellets in woningen is niet efficiënt en moet daarom voorkomen worden. Ook het inzetten van biomassa bij de ontwikkeling van een warmtenet voor een nieuwbouwwijk moet niet gestimuleerd worden.
RESTWARMTE Restwarmte komt vrij bij een productieproces. Er zijn vele verschillende soorten van restwarmte met ook verschillende temperaturen. Voor bestaande warmtenetten is restwarmte de meest voorkomende bron. Een mogelijk nadeel van restwarmte is de beschikbaarheid. Er zijn maar een beperkt aantal locaties waar restwarmte benut kan worden voor het verwarmen van de gebouwde omgeving en het is in sommige gevallen onzeker hoe lang de warmte beschikbaar blijft. Omdat restwarmte een relatief goedkope bron is, moet het daar waar mogelijk worden benut voor de ontwikkeling van warmtenetten. Het is dan wel van belang dat er een alternatieve duurzame warmtebron op locatie beschikbaar is, zodat de leveringszekerheid van warmte kan worden gegarandeerd voor een zeer lange tijd.
Energie uit de bodem en diepere aardlagen Uit de bodem en uit diepere aardlagen kan warmte onttrokken worden. Een vuistregel; elke kilometer neemt de temperatuur met circa 30° C toe. Dus hoe dieper je boort, hoe hoger de temperatuur. Of je op een bepaalde diepte in Nederland deze warmte ook daadwerkelijk uit de aarde kan winnen, is sterk afhankelijk van de lokale eigenschappen van de aardlagen.
BIOMASSA Van biomassa in de vorm van bijvoorbeeld hout, bermgras, mest, slib, zeewier en mogelijk ook algen kan energie geproduceerd worden. De energie kan geproduceerd worden voor alle energiedragers en dus in alle sectoren, dus ook voor industrie en transport, worden ingezet. Biomassa is echter schaars. Voor biomassa geldt nog meer dan voor restwarmte dat de beschikbaarheid op langere termijn onzeker is. Als warmtebron voor de gebouwde omgeving moet er daarom zeer zorgvuldig mee omgegaan worden. Bovendien is het de vraag of biomassa direct ingezet moet worden als energiebron. Vaak zijn er andere routes waarin biomassa een hogere waarde heeft. Belangrijk is om de schaarse biomassa alleen in te zetten als transitiebron bij de ontwikkeling van nieuwe warmtenetten in de bestaande gebouwde omgeving eventueel in combinatie met nieuwbouw. En dan met name daar waar er geen alternatieve bron, zoals restwarmte beschikbaar is. Het is dan wel van belang dat er een alternatieve duurzame warmtebron op locatie beschikbaar is, zodat de leveringszekerheid van warmte gegarandeerd kan worden. De lokale warmtenetten op biomassa moeten daarom toewerken naar een aanvoertemperatuur van maximaal 70°C. Bij een hogere aanvoertemperatuur is het advies om goede afspraken te maken met de vastgoedeigenaren, zodat de temperatuur voor het einde van de
34
Wonen in Putten zonder aardgas - Transitievisie Warmte
Bron Bodemlussen of WKO Ondiepe geothermie Diepe geothermie Ultradiepe geothermie
Diepte Tot 250 meter 250-1000 meter 1-4 kilometer 4-6 kilometer
Temperatuur 10 - 15 °C 20 - 40 °C 40 - 100 °C 100 - 180 °C
AQUATHERMIE Met alle thermische energie uit water (aquathermie) kan in potentie een heel groot deel van de gebouwde omgeving verwarmd worden. In Putten is de theoretische potentie groot alleen ligt er maar weinig oppervlaktewater nabij de bebouwing. Om deze bronnen te kunnen benutten zullen er wel warmtenetten ontwikkeld moeten worden in wijken met een aanvoertemperatuur van maximaal 70 °C. Voordeel is dat het op een kleinere schaal kan worden toegepast dan bij andere potentiele bronnen voor warmtenetten, zoals bij restwarmte en geothermie vaak het geval zal zijn. Door energie uit oppervlaktewater te onttrekken verbetert de waterkwaliteit en het vermindert ook hittestress. Voorbeelden van energie uit afvalwater zijn warmte uit het riool (riothermie) en uit het gezuiverde afvalwater (effluentwater) bij een rioolwaterzuiveringsinstallatie. Bij laagwaardige warmtebronnen, zoals aquathermie is het van belang om te vermelden dat er elektrische warmtepompen nodig zijn om de warmte op het vereiste temperatuurniveau te krijgen voor het verwarmen van de woningen en deze te voorzien van warm tapwater. Er is bij de inzet van warmtepompen dus op termijn voldoende duurzame elektriciteit nodig.
VERWARMEN MET OPPERVLAKTEWATER: Oppervlaktewater wordt in de zomer sterk opgewarmd. Deze warmte kan onttrokken worden en tijdelijk worden opgeslagen in WKO-bronnen. In het stookseizoen kan deze warmte van circa 20 °C gebruikt worden als bron voor een warmtepomp. Deze kan warmte tot circa 70° C leveren aan een gebouw of warmtenet. Vanuit de WKO-bron kunnen gebouwen ook gekoeld worden, maar dit is voor de werking van het systeem niet noodzakelijk. Een warmtepomp kan ook direct warmte onttrekken uit het oppervlaktewater zonder gebruik te maken van een WKO-bron. Dit is wel minder efficiënt en hierdoor kan er ook minder warmte benut worden.
ZONTHERMIE Tot nu toe heeft zonthermie nauwelijks een rol gespeelt in de warmtetransitie. Enkel voor de opwek van een deel van het warm tapwater (zonneboilers) is deze techniek kleinschalig in Nederland toegepast. Voor ruimteverwarming was simpelweg de overbrugging tussen zomer en winter te lang. Maar ook dit gaat veranderen. De nieuwe generatie thermische zonnepanelen kunnen gedurende een langere tijd warmte uit de omgeving halen, niet alleen uit zon, maar ook uit licht en buitenlucht. Dit is voldoende om zonder opslag een bron te kunnen zijn voor een warmtepomp in een woning gebouw of in de wijk. Ook kunnen er collectoren gemaakt worden in asfaltwegen. Door de ontwikkeling van warmteopslag kan (op termijn) zonthermie ook ingezet worden om een groot deel van het jaar een gebouw direct te verwarmen. Afhankelijk van het seizoen kunnen er temperaturen van tussen de 40 en 80° C worden gehaald in een warmtebuffer. Met beperkte inzet van een warmtepomp kan het gehele jaar door warmte voor ruimteverwarming en warm tapwater geleverd worden.
Energieopslag Warmteopslag wordt meestal geassocieerd met warmte- koudeopslag in de bodem (WKO-bronnen). Echter worden er in WKO-bronnen, op circa 50-250 meter diepte, temperaturen van maar 10-25 ºC opgeslagen. Er is dus aanvullend een warmtepomp nodig om gebouwen en woningen met deze brontemperatuur te kunnen verwarmen. Warmteopslag, waarmee direct kan worden verwarmd met temperaturen tussen de 30ºC en 90ºC, wordt echter nog weinig toegepast. De verwachting is dat dit zal sterk gaan veranderen, omdat de capaciteit van het elektriciteitsnet in Nederland haar beperkingen kent.
DE NOODZAAK VAN WARMTEOPSLAG De vraag naar warmte voor het verwarmen van gebouwen en woningen is zeer seizoensgebonden. De vraag naar warm tapwater is het gehele jaar vrij stabiel en heeft pieken in ochtend- en avonduren. Ruimteverwarming heeft echter een enorme dip in de zomer en een zeer hoge piekvraag op koude dagen. Warmteopslag maakt het mogelijk om het benodigde piekvermogen van een warmteopwekker, zoals een warmtepomp, te verkleinen. Een traditionele gasketel is een goedkope technologie waarbij het gebruikelijk is om het benodigde ketelvermogen te dimensioneren op de piek warmtevraag voor ruimteverwarming en/ of warm tapwater. Het huidige gasnet heeft hiervoor voldoende capaciteit. Het huidige elektriciteitsnet heeft echter deze capaciteit bij lange na niet. In het geval van de overstap van een gasketel naar warmtepompen moet het huidige net dus verzwaard worden. Als dit voorkomen of beperkt kan worden, bespaart dat veel geld voor de maatschappij. Ook is de investering in een warmtepomp relatief hoog, dus hoe kleiner de warmtepomp, hoe beter de businesscase. Daarnaast werkt een warmtepomp het meest optimaal wanneer deze continue kan draaien en is de technologie minder geschikt om in een korte tijdspanne een grote hoeveelheid water te verwarmen.
Daarom worden warmtepompen die nu al toegepast worden in woningen bijvoorbeeld al gecombineerd met een boilervat van circa 150 liter om warm tapwater voor één dag op te slaan. Door een warmtepomp te combineren met warmteopslag voor niet alleen warm tapwater maar ook ruimteverwarming kan de warmtepomp (nog) kleiner uitgevoerd worden, kan deze meer draaiuren maken en hoeft het elektriciteitsnet dus minder verzwaard te worden. Een ander belangrijk aspect, dat meegenomen moet worden, is dat ook aan de bronzijde veel gaat veranderen. Nu is elektriciteit altijd beschikbaar, omdat kolenen gascentrales het gehele jaar door kunnen leveren op basis van de vraag. Maar in de toekomst is het aanbod van zonne-energie en windenergie veel minder constant en ook deels seizoen afhankelijk. Het vierde voordeel dat een warmtepomp in combinatie met warmteopslag biedt, is de mogelijkheid voor vraagsturing. Wanneer de elektriciteitsprijs laag is of er overschotten zijn van (zelf) opgewekte hernieuwbare elektriciteit kan de warmteopslag gevuld worden voor gebruik op een later moment. Op momenten dat er Op weg naar een aardgasvrije gebouwde omgeving
35
een piek is in de elektriciteitsvraag wordt (ook) warmte vanuit de warmteopslag geleverd. Opslag is dus noodzakelijk om de elektriciteit, die een warmtepomp gebruikt, CO2 neutraal op te kunnen wekken. HET TOEPASSEN VAN WARMTEOPSLAG De ontwikkelingen op het gebied van warmteopslag staan niet stil. Om warmteopslag in woningen in combinatie met warmtepompen toe te kunnen passen moet echter nog wel een grote sprong gemaakt worden. Voor een waterbuffer is er simpelweg geen ruimte en compacte technieken, die breed toepasbaar zijn in woningen, zijn nog niet marktrijp. Bij een collectieve oplossing voor een gebouw of bij een warmtenet in combinatie met een warmtepomp kan met de huidige stand van de techniek wel al warmte opgeslagen worden. Grote buffervaten boven of ondergronds kunnen als warmtebatterij dienen. Bij warmtenetten wordt deze techniek al toegepast. Er worden ook nieuwe compactere warmtedragers uitgetest en ontwikkeld, zoals phase change materials (PCM’s) en thermochemische warmtebatterijen.
36
Wonen in Putten zonder aardgas - Transitievisie Warmte
BIJLAGE
C Warmte-transitie model Het Warmtetransitiemodel berekent per wijk of buurt (CBS-wijk/buurt of postcodebuurt3) wat de totale maatschappelijke kosten zijn van warmte opties voor woningen. De verschillende kosten van de opties worden naast elkaar gelegd en vergeleken. De resultaten van deze analyse worden gevisualiseerd in de Warmtekaart. Aan het Warmtetransitiemodel ligt een afwegingskader ten grondslag. Dat betekent dat er al afwegingen hebben plaatsgevonden over de geschiktheid van warmteopties voordat deze worden berekend door het Warmtetransitiemodel. Dit hoofdstuk gaat eerst in op verschillende bouwkundige en installatietechnische aanpassingen op gebouwniveau, die randvoorwaarde zijn voor de warmte transitie. Daarna worden de warmteopties besproken, en daarna wordt de afweging van warmteopties besproken.
De gemiddelde huidige warmtevraag per jaar voor ruimteverwarming in Nederland is circa 80 kWh/m2 voor woningen. De warmtevraag voor ruimteverwarming is sterk afhankelijk van het bouwjaar. In tabel C1 staat de gemiddelde warmtevraag voor eengezinswoningen en meergezinswoningen. Deze tabel is gebaseerd op data over het werkelijke gasgebruik op postcodeniveau (Open Data Netbeheerders). Voor warm tapwater is de warmtevraag ca. 15-20 kWh/m2. Met name bij de woningvoorraad gebouwd voor 1990 is er nog een grote besparingspotentie. Onder eengezinswoningen wordt verstaan rijwoningen, twee-onder-een-kapwoningen en vrijstaande woningen. Meergezinswoningen zijn bijvoorbeeld galerijflats, portiekflats en portiekwoningen. Gemiddeld oppervlak m2
Gemiddeld Gemiddelde gasverbruik m3 warmtevraag ruimteverwarming kWh/m2
170 135 125 130 145 155 120
1920 1800 1630 1390 1180 990 -
90 105 95 75 60 45 30
85 80 75 70 90 90 70 115
1240 1180 1120 840 790 670 1470
95 95 90 70 50 40 25 80
Woningaanpassingen WONINGAANPASSINGEN AFHANKELIJK VAN HET TEMPERATUURNIVEAU Het is in principe altijd nodig om de warmtevraag van gebouwen en woningen te beperken. Enerzijds om woningen geschikt te maken voor duurzamere warmtebronnen die doorgaans een lagere temperatuur leveren dan aardgasverwarming, en anderzijds om schaarse warmtebronnen efficiënter te benutten (meer woningen per bron). De warmtevraag voor ruimteverwarming van een woning, hierna uitgedrukt in kilowattuur per vierkante meter gebruiksoppervlak (kWh/m2), wordt bepaald door de mate van isolatie, kierdichting en het ventilatiesysteem. De temperatuur die een woning nodig heeft om op de koudste dag van het jaar comfortabel warm te krijgen hangt hier voor een groot deel mee samen. Hoe beter de isolatie, kierdichting en hoe efficiënter het ventilatiesysteem, hoe geschikter de woning is om met een lagere temperatuur te kunnen verwarmen. In bestaande woningen moet daarnaast in een aantal gevallen radiatoren worden vervangen, om verwarming op een lagere temperatuur mogelijk te maken. Dit is niet op voorhand op woningniveau met zekerheid vast te stellen. 3
Eengezinswoningen < 1920 ≥ 1920 - 1950 ≥ 1950 - 1975 ≥ 1975 - 1990 ≥ 1990 - 2005 ≥ 2005 Nieuwbouw Meergezinswoningen < 1920 ≥ 1920 - 1950 ≥ 1950 - 1975 ≥ 1975 - 1990 ≥ 1990 - 2005 ≥ 2005 Nieuwbouw Nederlands gemiddelde
Een postcodebuurt is een gebied met dezelfde postcode. Indien CBS-buurten te grofmazig zijn
Tabel C1 Gemiddelde warmtevraag ruimteverwarming van woningen in Nederland gerelateerd aan
worden postcodebuurten als schaalniveau gekozen.
bouwjaar.
Op weg naar een aardgasvrije gebouwde omgeving
37
De bestaande woningenvoorraad kunnen we grofweg opdelen in vier niveaus van isolatie: 1 Woningen met slechte of onvoldoende isolatie (80 kWh/m2 of hoger). Er is een hoge temperatuur van ca. 90°C nodig om op de koudste dagen deze woningen comfortabel warm te stoken. Ter indicatie gaat het hier om energie labels G/F/E/D. 2 Woningen die een minimumisolatieniveau hebben bereikt (65-80 kWh/m2). Bij het minimumniveau kunnen woningen comfortabel verwarmd worden met een maximumtemperatuur van 70°C (midden temperatuur). Het kan wel voorkomen dat er een aantal radiatoren vervangen moet worden voordat deze woningen daadwerkelijk met 70°C kunnen worden verwarmd. Ter indicatie gaat het hier om energie labels D/C. 3 Woningen die een basisisolatieniveau hebben bereikt (50-65 kWh/m2). Bij een basisniveau kan de woning zowel comfortabel worden verwarmd met een maximumtemperatuur van 70°C als met 40°C (laagtemperatuur) mits er een aantal beperkte, aanvullende maatregelen is genomen. De woning is daarmee toekomstbestendig en geschikt voor meerdere alternatieve verwarmingstechnieken. Woningen die reeds op dit niveau zitten zijn woningen gebouwd tussen 1990 en 2005. Ter indicatie gaat het hier om energie labels C/B. 4 Woningen met een hoog isolatieniveau en voorzien van een energiezuinig ventilatiesysteem (20-50 kWh/m2).
Deze woningen zijn daarmee zeer geschikt om comfortabel te verwarmen met een maximumtemperatuur van 40°C. Dit zijn recent gebouwde woningen na 2005 en woningen die nog gebouwd gaan worden de komende jaren. Bij aanpassing van de bestaande bouw tot dit niveau moeten vaak de radiatoren worden vervangen. Ter indicatie gaat het hier om energielabel A of beter. Naast isolatie zijn er aanvullende gebouwgebonden maatregelen nodig om de woning te verduurzamen en geschikt te maken voor duurzame verwarming: • Elektrisch koken, zoals inductie koken • Kierdichting • Voldoende (mechanische) ventilatie
38
Wonen in Putten zonder aardgas - Transitievisie Warmte
Voor het veilig kunnen gebruiken van warm tapwater is er met de huidige stand van techniek en regelgeving een temperatuur van minimaal 55°C bij het tappunt nodig. Om deze temperatuur te kunnen garanderen moet het opweksysteem in praktijk een temperatuur van 60-70°C kunnen leveren. Als de aanvoertemperatuur onvoldoende hoog is, moet er dus een aanvullende voorziening komen in de woning voor het opwekken of het boosten van de warmte voor warm tapwater. Samenvattend kan het volgende gesteld worden over de isolatieniveaus van woningen: • Om een woning met 90°C (hoog temperatuur) te kunnen verwarmen zijn geen aanpassingen nodig. • Om een woning comfortabel met 70°C (midden temperatuur) te kunnen verwarmen, moet dus het minimum- of basisolatieniveau bereikt zijn (50-80 kWh/m2) • Om een woning comfortabel met 40°C (laagtemperatuur) te kunnen verwarmen, moet een basis- of hoog isolatieniveau bereikt zijn (20-65 kWh/m2).
MINIMUMISOLATIENIVEAU De tabel hieronder geeft ter indicatie per bouwjaar de maatregelen die genomen moeten zijn voor een minimumisolatieniveau (65-80 kWh/m2). Bij alle isolatiemaatregelen geldt dat maximaal technisch geïsoleerd moet worden zonder dat onderdelen van de woning geheel vervangen hoeven te worden. De isolatiewaarde die behaald kan worden is dus sterk situatieafhankelijk, omdat alle woningen anders zijn. Op het gebied van isolatie zitten alle woningen, gebouwd na 1990 en een deel gebouwd tussen 1975 en 1990, al vanaf het jaar dat ze gebouwd zijn op dit minimumniveau. Vloer Eengezinswoningen < 1920 Kruipruimte isoleren in≥ 1920 - 1950 dien aanwezig ≥ 1950 - 1975 ≥ 1975 - 1990 Voldoet ≥ 1990 - 2005 ≥ 2005 Meergezinswoningen < 1920 Kruipruimte isoleren in≥ 1920 - 1950 dien aanwezig ≥ 1950 - 1975 ≥ 1975 - 1990 Voldoet ≥ 1990 - 2005 ≥ 2005
Gevel
Kozijnen en glas
Dak
Geen spouw Minimaal HR++ glas
Dak isoleren
Spouw Isoleren
Minimaal dubbel glas
Voldoet
Voldoet
Voldoet
Geen spouw Minimaal HR++ glas Spouw Isoleren
Minimaal dubbel glas
Voldoet
Voldoet
Dak isoleren
Alle woningtypes < 1920 ≥ 1920 - 1950 ≥ 1950 - 1975 ≥ 1975 - 1990
Vloer
Gevel
Kozijnen en glas
Dak
Kruipruimte isoleren indien aanwezig
Isolatie binnenzijde
Minimaal HR glas
Dak (na)isoleren
Voldoet
Voldoet
Voldoet
Voldoet
Spouw (na)isoleren
≥ 1990 - 2005 ≥ 2005 HOOG ISOLATIENIVEAU In 2050 zal ook een deel van de voorraad op een hoog isolatieniveau hebben. Het grootste deel daarvan moet nog gebouwd worden de komende 30 jaar. Alle huidige en toekomstige nieuwbouw voldoet namelijk aan dit niveau. Het is de landelijke ambitie om jaarlijks 75.000 nieuwe woningen in Nederland bij te bouwen. Van de bestaande bouw zal maar een beperkt deel op dit niveau worden gebracht is de verwachting. Om dit niveau te kunnen halen moeten er namelijk grote en kostbare ingrepen gedaan worden aan de schil. Dit is voor veel huizenbezitters niet betaalbaar, technisch niet altijd mogelijk en ook niet altijd efficiënt vanuit het oogpunt van circulariteit. In gevallen dat er veel achterstallig onderhoud is en de kozijnen en het dak volledig vervangen moeten worden, kan het wel raadzaam zijn om deze optie te onderzoeken.