Bijlage 1 - Beleidsnota VVE Putten 2021-2024 Samen Werken Jong Leren
Tekst van het document
Met name de programma’s voor Vroeg- en Voorschoolse educatie (VVE) vervullen in dit verband een belangrijke rol. Een van de interventies die ingezet kunnen worden bij kinderen met een spraaktaalachterstand of een verhoogd risico hierop zijn de VVE-programma’s die aangeboden worden op de peuteropvanglocaties en kinderdagverblijven in Putten. Omdat het niet voor alle kinderen noodzakelijk is een VVE-programma te volgen, is hiervoor een indicatiestelling gewenst. Vanwege haar hoge bereik en haar kennis en ervaring op het gebied van vroegsignalering bij jonge kinderen, is het consultatiebureau (cb) bij uitstek geschikt om ouders te informeren over- en actief te verwijzen naar VVEopvanglocaties. Het ligt dan ook voor de hand om deze indicatiestelling voor de VVE-programma’s te regelen op het consultatiebureau.
Dit bevordert een uniforme manier van werken, eenduidigheid in indicatie- en verwijsbeleid en de kinderen voor wie deze voorzieningen bedoeld zijn kunnen sneller en doeltreffender gebruik maken van de lokale voorzieningen 1.1 Doelstelling In het werkgebied van het consultatiebureau Putten: - is er een eenduidig beleid ten aanzien van verwijzing naar VVE-voorzieningen - is het verwijzingsbeleid afgestemd met de lokale VVE-voorzieningen - is het verwijzingsbeleid naar VVE-voorzieningen onderdeel van gemeentelijk overleg - gebeurt verwijzing naar VVE-voorzieningen door middel van gestandaardiseerde verwijsformulieren 1.2 Algemene taken consultatiebureau ten aanzien van peuteropvangbeleid Contactpersoon: In elk consultatiebureau team is een contactpersoon voor de peuteropvanglocaties. Deze contactpersoon
Jong Leren en Samen Werken, VVE beleid gemeente Putten 2021-2024
-
25
volgt ontwikkelingen op het gebied van peuteropvangbeleid onderhoudt contacten met peuteropvanglocaties binnen het betreffende werkgebied inventariseert het aanbod van peuteropvanglocaties, in het bijzonder de VVE-programma’s verzamelt folders, inschrijfformulieren en informatie van de voorzieningen t.b.v. het consultatiebureau team. bespreekt het indicatie- en verwijsbeleid binnen het eigen consultatiebureauteam
Consultatiebureau- team: - attendeert alle ouders op het bestaan van het peuteropvanglocaties en voorschoolse voorzieningen - informeert ouders over de wenselijkheid van peuteropvangbezoek met betrekking tot ontwikkelingsen ontplooiingsmogelijkheden van kinderen - indiceert en verwijst de doelgroepkinderen naar VVE-voorzieningen - ondersteunt, motiveert en begeleidt ouders van doelgroepkinderen naar de VVE-voorzieningen - heeft, indien gewenst, contact over individuele kinderen met peuteropvanglocatie, conform de privacyrichtlijn 1.3 Criteria voor verwijzing naar VVE-voorziening Taalontwikkeling Kinderen met een geconstateerde achterstand in de (Nederlandse) spraaktaalontwikkeling. Een achterstand in de spraak- taalontwikkeling wordt op het cb vastgesteld conform de hiervoor geldende richtlijnen, oa het van Wiechenschema. - Kinderen met een verhoogd risico op achterstand in de ( Nederlandse) spraaktaalontwikkeling. Wanneer de taal thuis geen Nederlands is en er onvoldoende taalaanbod is in het Nederlands en wanneer de taalomgeving van het kind onvoldoende stimulerend is, dan wordt door de professionele inschatting van het cb bepaald of er sprake is van een verhoogd risico op achterstand in de spraaktaalontwikkeling. Hierbij zijn de volgende aandachtspunten o.a.
van belang: o Is de taalomgeving voldoende stimulerend? o Is er voldoende taalaanbod (in het Nederlands)? o Zijn er andere risicofactoren (bij het kind, ouders of gezin) die een verhoogd risico op spraaktaalontwikkeling met zich meebrengen? Opleidingsniveau van de ouders - Kinderen waarvan beide ouders een opleiding hebben gevolgd tot maximaal LBO/VBO, praktijkonderwijs of VBMO basis- of kadergerichte leerweg. - Kinderen waarvan beide ouders maximaal twee jaar onderwijs in een andere schoolopleiding in het voortgezet onderwijs, aansluitend op het basisonderwijs, hebben gehad. - Bij eenoudergezinnen is het opleidingsniveau bepalend van de ouder die belast is met de dagelijkse verzorging van het kind. Bij het criterium “opleidingsniveau ouders” blijft ook de professionele inschatting van het cb een rol spelen, wanneer een kind een achterstand heeft in de spraak- taalontwikkeling of wanneer de thuissituatie dusdanig is dat het taalaanbod in het Nederlands onvoldoende is. Een kind dat voldoet aan de genoemde criteria, maar bij wie op geen enkele manier zorgen zijn over de spaak- taalontwikkeling en bij wie ook geen verhoogd risico wordt ingeschat, hoeft niet te worden verwezen naar VVE. 1.4 Verwijzing naar peuteropvanglocatie of VVE-voorziening Tijdens alle contactmomenten op het consultatiebureau is er actief aandacht voor de spraaktaalontwikkeling van kinderen van 0-4 jaar.
Indien daar reden voor is worden gerichte advisering en interventies aangeboden. Bij doelgroepkinderen is het consultatiebureau extra alert om kinderen uit te nodigen op de leeftijd van 18 maanden. Tijdens dit consult van 18 maanden wordt bij alle kinderen de peuteropvang besproken: - standpunt van ouders en omgeving - zijn ouders van plan hun kind naar peuteropvang te laten gaan en is het kind al aangemeld? Indien gewenst krijgen ouders hierover passende informatie en advies. - Indien het kind in aanmerking komt voor een VVE-voorziening (zie criteria) krijgen ouders hierover informatie en zij worden actief gemotiveerd om hun kind aan te melden bij een VVE-voorziening.
Jong Leren en Samen Werken, VVE beleid gemeente Putten 2021-2024
-
26
Als ouders hier positief tegenover staan wordt een verwijsformulier naar VVE-voorziening ingevuld en meegegeven aan ouders of opgestuurd naar peuteropvanglocatie. Indien ouders hier (nog) niet positief tegenover staan kan een contactmoment op indicatie worden afgesproken. Dit kan zijn een telefonisch contact, een extra bezoek aan het consultatiebureau, en indien wenselijk is ook een huisbezoek door de jeugdverpleegkundige mogelijk. In dit contactmoment kunnen vragen of twijfels van ouders besproken worden en is er meer ruimte voor informatie en advies, specifiek ten aanzien van peuteropvang en/of VVE voorziening.
Doelgroepkinderen worden ook bij 2 jaar opgeroepen en wordt er teruggekomen op dat wat besproken is ten aanzien van peuteropvang in vorige contactmomenten. Indien nodig krijgen ouders opnieuw advies en worden zij (opnieuw) gemotiveerd hun kind aan te melden bij peuteropvang of VVE-voorziening. Ook nu kan zo nodig een contactmoment op indicatie worden afgesproken. Afhankelijk van bevindingen wordt ook bij volgende contactmomenten de peuteropvang besproken. Gaat het kind naar de peuteropvang of VVE-voorziening? Zo ja, hoe zijn de bevindingen; zo nee, waarom niet? Afhankelijk van de bevindingen uit voorgaande contactmomenten vindt rapportage plaats over peuteropvangof VVE deelname. 1.5 Werkwijze verwijzing naar VVE-voorziening door cb - In het JGZ dossier van het kind wordt geregistreerd of het kind in aanmerking komt voor een VVEvoorziening - Indien het kind in aanmerking komt, en ouders staan hier positief tegenover wordt het Verwijsformulier VVE-programma’s samen met ouders ingevuld. - Dit ingevulde formulier wordt samen met de begeleidende brief voor ouders en terugrapportageformulier en een antwoordenveloppe aan ouders meegegeven, of de brief wordt met toestemming van ouders opgestuurd naar VVE-organisatie. Zie bijlage: 3 t/m 5 - Tevens worden aan de ouders folders en een adressenlijst betreffende lokale VVE-voorzieningen meegegeven.
- In het JGZ dossier wordt geregistreerd dat het kind is verwezen naar een VVE-voorziening. - Zodra de ouder het kind aanmeldt bij de VVE-voorziening vult de VVE-leidster het terugrapportageformulier in en stuurt deze, met toestemming van ouders, naar het consultatiebureau. De kinderen worden conform privacyreglement besproken in regulier overleg tussen consultatiebureau en VVE-voorziening. In het JGZ dossier wordt geregistreerd wanneer kind is ingeschreven voor een VVEvoorziening. Indien een kind wel is verwezen, maar er volgt geen terugrapportage van VVE-voorziening wordt dit tijdens het eerstvolgende contactmoment met ouders besproken. 1.6 Verwijzing vanuit peuteropvang Indien een kind dat een reguliere peuteropvangprogramma volgt, naar de mening van de peuteropvangleidster, in aanmerking komt voor een ander passender aanbod, waaronder VVE, neemt de leidster met toestemming van ouders, telefonisch contact op met consultatiebureau. De leidster kan ook, met toestemming van ouders, een schriftelijk formulier naar het consultatiebureau sturen (bijlage 1). Een passend aanbod kan VVE zijn; in overleg met ouders, consultatiebureau en peuteropvang wordt gekeken naar de meest passend vorm. Indien nodig wordt een afspraak op het consultatiebureau gemaakt ten behoeve van een verwijzing naar bijvoorbeeld VVE of wordt er op een groep geobserveerd door het consultatiebureau.
Jong Leren en Samen Werken, VVE beleid gemeente Putten 2021-2024
27
1.7 Stroomschema verwijzing naar VVE-programma Bij een consult dienen de volgende afwegingen plaats te vinden. Heeft het kind laag opgeleide ouders? Nee
Ja Is extra aandacht voor de taalontwikkeling wenselijk? Nee
Ja
Verwijzing naar VVE-programma Is er sprake van een achterstand in Nederlandse spraaktaalontwikkeling? Nee Ja Verwijzing naar VVE-programma, audiologisch centrum en/of andere interventie Is er sprake van een verhoogd risico op achterstand in Nederlandse spraak-taalontwikkeling? Nee Ja
Verwijzing naar regulier peuteropvangprogramma
Verwijzing naar VVE-programma en/of andere interventie
Jong Leren en Samen Werken, VVE beleid gemeente Putten 2021-2024
28
1.8 Verwijsformulier Bijlage 1 Verwijsformulier Consultatiebureau locatie: Consultatiebureau- arts: Wijkverpleegkundige Jeugdgezondheidszorg: Gegevens van het kind Naam: (voor- en achternaam) Adres + woonplaats:
Geboortedatum:
Telefoonnummer:
Bijzonderheden:
Jongen
Indicatie VVE (voor- en vroegschoolse educatieve programma’s)? Achterstand in Nederlandse spraak-taalontwikkeling Verhoogd risico op achterstand in Nederlandse spraak-taalontwikkeling De moedertaal van het kind is Nederlands Andere taal namelijk: Welke taal spreekt de moeder met het kind? Welke taal spreekt de vader met het kind? Is er voldoende taalaanbod (in het Nederlands)? Is er sprake van één ouder die belast is met de dagelijkse zorg? Opmerkingen t.a.v. taalontwikkeling
Opleidingsniveau ouders Maximaal lagere beroepsopleiding van de moeder Maximaal lagere beroepsopleiding van de vader
Ja Ja
nee nee
(maximaal LBO/ VMBO, praktijkonderwijs of VMBO basis- of beroepsgerichte leerweg)
Verwijzing op verzoek van peuteropvang Toelichting
Ruimte voor eventuele opmerkingen
Datum: / / * Graag aankruisen wat van toepassing is
Handtekening consultatiebureau- arts:
meisje * /
/
Jong Leren en Samen Werken, VVE beleid gemeente Putten 2021-2024
29
1.9 Begeleidende brief ouders Bijlage 2 Begeleidende brief ouders Jeugdgezondheidszorg
…………………………………….
Betreft: aanmelding VVE-programma’s Geachte ouders/verzorgers, U heeft het Verwijsformulier VVE-programma’s van het Consultatiebureau team gekregen. VVE betekent: Vooren Vroegschoolse Educatieve programma’s. VVE-programma’s zijn speciaal gericht op het voorkomen van achterstanden in de ontwikkeling van kinderen en bieden uw kind een optimale voorbereiding op de basisschool. De consultatiebureau- arts of jeugdverpleegkundige heeft u hierover verteld. Met dit verwijsformulier kunt u uw kind gaan aanmelden bij een peuteropvanglocatie met VVE-programma. In de folders kunt u informatie, adressen en telefoonnummers vinden van de peuteropvanglocaties die VVEprogramma’s aanbieden. Het consultatiebureau team hoort graag van u wanneer uw kind gaat beginnen op de peuteropvang met een VVE- programma. Indien u nog vragen heeft kunt u contact opnemen met het consultatiebureau team, te bereiken op telefoonnummer …………………….
Met vriendelijke groet,
namens het consultatiebureau team,
Jong Leren en Samen Werken, VVE beleid gemeente Putten 2021-2024
30
1.10 Terugrapportage inschrijving VVE- programma’s Bijlage 3 Terugrapportage inschrijving VVE- programma’s Het consultatiebureau team wil graag geïnformeerd worden over de plaatsing en de deelname aan een Vooren Vroegschoolse Educatieve programma (VVE-programma). U kunt dit formulier, ingevuld, in de bijgevoegde antwoordenveloppe naar ons terugsturen. Datum:
………/………/………
Naam kind:
………………………………………………………………………………
Adres:
………………………………………………………………………………
Woonplaats:
………………………………………………………………………………
Geboortedatum: ………/………/……… Naam peuteropvanglocatie/voorschool: …………………………………………………………….. Naam contactpersoon: …………………………………………………………………………… Datum inschrijving ………/………/……… Kind kan meteen deelnemen Kind kan naar verwachting deelnemen vanaf ongeveer….
Eventuele opmerkingen: ……………………………………………………………………………… ……………………………………………………………………………… Bij voorbaat dank. Het consultatiebureau team.
Jong Leren en Samen Werken, VVE beleid gemeente Putten 2021-2024
1.10 Plaatsing op Voor- en Vroegschoolse Educatieve programma's Bijlage 4 Verzoek van peuteropvanglocatie/ kinderdagverblijf aan cb-team ten behoeve van Gegevens kind
Achternaam: Voornaam: Geboortedatum: Straat: Postcode + plaats: Telefoon: Naam peuteropvanglocatie of kinderdagverblijf: Gegevens peuteropvang/ Straat: kinderdagverblijf Postcode + plaats: waar het kind is Telefoon: ingeschreven e-mailadres: Naam: Wie heeft het formulier ingevuld? Functie: Te bereiken onder telefoonnummer: Waarom denkt u dat het kind in aanmerking komt voor deelname aan een VVE-programma? op basis van opleidingsniveau ouders achterstand in Nederlandse spraak-taalontwikkeling verhoogd risico op achterstand in Nederlandse spraak-taalontwikkeling anders, namelijk, … Graag zo concreet mogelijk toelichten.
Overige opmerkingen
Op welke datum/data heeft u dit vermoeden of deze observatie met de ouders besproken? Datum waarop dit formulier is ingevuld
31
Jong Leren en Samen Werken, VVE beleid gemeente Putten 2021-2024
32
Bijlage 4: Convenant en resultaatafspraken VVE In het Convenant uit 2015 zijn resultaat afspraken opgenomen. Het convenant en de resultaat zijn hieronder integraal overgenomen, inclusief de toelichting en formulieren uit de bijlage. Convenant Voor- en Vroegschoolse Educatie (VVE) Putten De ondergetekenden: 1. Gemeente Putten, vertegenwoordigd door de wethouder Onderwijs en de vertegenwoordigers van de volgende besturen: 2. Vereniging tot Stichting en Instandhouding van Scholen voor Christelijk Nationaal Schoolonderwijs; waaronder ressorteert de Christelijke peuterspeelzaal “Het Zwaluwennest”; 3. Stichting Proo; 4. Vereniging voor PCO Onderwijs; 5. Stichting voor Katholiek Onderwijs; 6. Stichting Peuteropvang De Vrijbuitertjes (gefuseerd met Stichting Kindcentrum Putten per 1-1-2019); 7. Stichting Kind Centrum Putten; 8. Stichting Kinderopvang Kiekeboe (gefuseerd met Ska Kinderopvang per 1-1-2021); 9. ICARE Jeugdgezondheidszorg. Hierna te noemen: partijen 1. De partijen Zetten zich op basis van artikel 167 WPO in voor het realiseren van optimale ontwikkelingskansen voor kinderen van 2-6 jaar en daarmee voor het bereiken van een goede startpositie in groep drie.
Zij doen dit voor zover ieders verantwoordelijkheid strekt, door het tot stand brengen en onderhouden van een dekkend en kwalitatief goed aanbod van Voor- en Vroegschoolse Educatie (VVE), gericht op kinderen met een (dreigende) ontwikkelingsachterstand. Nemen hierbij in overweging dat: 1. Pedagogisch medewerkers en leerkrachten van alle voor- en vroegscholen de sleutel zijn tot het realiseren van optimale ontwikkelingskansen en het voorkomen en terugdringen van achterstanden bij doelgroepkinderen. Een goed ontwikkeld curriculum, onderwijsmethode en de organisatiestructuur zijn hierbij voorwaardenscheppend en ondersteunend; 2. In samenhang gewerkt wordt aan de volgende ontwikkelingsgebieden: sociaal-emotionele ontwikkeling, spraaktaalontwikkeling, spelontwikkeling, ontluikende/beginnende geletterdheid en ontluikende/beginnende gecijferdheid. De partijen realiseren zich hierbij dat het van belang is om zoveel mogelijk te werken met gelijksoortige, integrale VVE-programma’s of een duidelijk aanbod vanuit de methoden die op de basisscholen worden ingezet ten behoeve van de genoemde ontwikkelingsdoelen; 3. De realisatie van een doorgaande leerlijn van groot belang is voor het bestrijden van achterstanden.
Een belangrijke component hierbij is dat alle doelgroepkinderen vanuit de voorschool via een warme overdracht en voorzien van alle relevante ontwikkelingsinformatie doorstromen naar de vroegschool. 4. De gemeente zich opstelt als de regievoerder en de partijen bijeen brengt om gezamenlijke resultaatafspraken te maken en jaarlijks de resultaten te evalueren en eventueel de gemaakte afspraken aan te passen. Ook faciliteert de gemeente de peuterspeelzalen en gedeeltelijk de kinderopvang instellingen door het verstrekken van subsidie die toereikend is om te voldoen aan de eisen zoals deze in de wet en regelgeving zijn vastgelegd.
Werken nauw samen en nemen de verantwoordelijkheid voor zover ieders verantwoordelijkheid strekt om de visie en het doel van dit convenant te realiseren. Hanteren de wet Ontwikkelingskansen door Kwaliteit en Educatie (OKE), waarin onder andere de gezamenlijke verantwoordelijkheid geregeld en nader gespecificeerd is (WPO, art. 167a), als basis en vertrekpunt.
Jong Leren en Samen Werken, VVE beleid gemeente Putten 2021-2024
33
2. Doel Dit Convenant legt de overeenstemming en concrete afspraken vast voor de realisatie van een dekkend en volwaardig aanbod van VVE in de gemeente Putten. De afspraken hebben betrekking op kwaliteit, bereik, toeleiding, resultaten, monitoring en evaluatie ten behoeve van een optimale ontwikkeling van doelgroepkinderen. 3. Afspraken Daartoe komen de partijen het volgende overeen: Doelgroep De doelgroep van Voor-en Vroegschoolse Educatie bestaat uit kinderen van 2 tot 6 jaar die een geconstateerde achterstand hebben of een verhoogd risico hebben op het gebied van sociaal-emotionele ontwikkeling, spraaktaalontwikkeling, spelontwikkeling, motorische ontwikkeling, ontluikende/beginnende geletterdheid en ontluikende/beginnende gecijferdheid.
Realiseren van een voldoende en kwalitatief goed aanbod voorschoolse educatie Een kwalitatief goed aanbod vertaalt zich in de volgende kwaliteitseisen: - Pedagogisch medewerkers hebben tenminste het benodigde kwalificatieniveau (minimaal MBO 3 en kwalificatie voorschoolse educatie); - In de voorschoolse periode wordt een integraal VVE programma gebruikt dat zich richt op de volgende ontwikkelingsdomeinen: sociaal-emotionele ontwikkeling, spraaktaalontwikkeling, spelontwikkeling, motorische ontwikkeling, ontluikende/beginnende geletterdheid en ontluikende/beginnende gecijferdheid; - Er wordt zoveel mogelijk gestreefd naar gebruik van gelijksoortige, integrale VVE-programma’s of een duidelijk aanbod vanuit de methoden die op de basisscholen worden ingezet ten behoeve van de genoemde ontwikkelingsdoelen. Kinderen dienen minstens een half jaar gebruik te maken van een VVE programma voordat er resultaten gemeten kunnen worden; - Een groep (voorschoolse educatie) heeft minimaal 1 beroepskracht op een groep van 8 kinderen met een gewenst maximum aantal van 4 VVE kinderen. In groepen van 9 tot 16 kinderen staan 2 beroepskrachten met een gewenst maximum aantal van 8 VVE kinderen. Dit laat onverlet de beroepskracht-kind-ratio die geldt vanuit de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen.
Voor de vroegschoolse educatie zijn geen afspraken gemaakt over de personeelsinzet in relatie tot het aantal leerlingen; - Voorschoolse educatie bestaat ten minste uit een aanbod van 4 dagdelen of 10 uur per week op een peuteropvang. In de kinderopvang wordt ook gestreefd naar een aanbod van 10 uur VVE. Als ouders er voor kiezen om het verblijf van hun kind te beperken, dus korter dan 10 uur aanwezigheid, adviseert de kinderopvang de ouders om hun kind in te schrijven voor een peuteropvang. - Het kinderdagverblijf, de peuteropvang of de peuteropvang met een VVE programma stelt jaarlijks een opleidingsplan op waarin staat beschreven hoe de specifieke VVE kennis en vaardigheden in voorschoolse educatie van beroepskrachten wordt onderhouden. Kindvolgsysteem KIJK! KIJK! wordt gehanteerd als een gezamenlijk kindvolgsysteem gedurende de gehele voorschoolse periode. Ieder half jaar wordt de ontwikkeling van een kind in kaart gebracht. Op basis van de uitkomsten van KIJK! worden kinderen gericht gestimuleerd in hun ontwikkeling.
Een belangrijke voorwaarde om ontwikkeling van kinderen in kaart te brengen is dat er in een voorschoolse periode minimaal twee meet momenten zijn geweest, dus bij kinderen die korter dan een half jaar de voorschool bezoeken is het niet mogelijk om de resultaten aan te leveren! Realiseren van een doorgaande leerlijn van voor- naar vroegschoolse educatie met behulp van KIJK! De ontwikkelingsuitkomsten van de doelgroepkinderen die relevant zijn voor de verdere ontwikkeling van het kind worden overgedragen aan de hand van KIJK! middels een ‘warme overdracht’. Dit gebeurt vanuit de voorschoolse periode in een gesprek tussen pedagogisch medewerkers van voorschoolse voorzieningen en leerkrachten (Intern Begeleider en in sommige gevallen ook de Zorg Coördinator) van de basisschool. In dit gesprek komt ook aan de orde op welke wijze het kind extra gestimuleerd is en wat wel/niet goed gewerkt heeft. Voor deze warme overdracht worden speciaal daarvoor ontwikkelde formulieren gebruikt en het digitale KIJK ontwikkeling volgsysteem. Ouders worden uitgenodigd en geadviseerd om bij deze ‘warme overdracht’ aanwezig te zijn. Dit vraagt om tijdsinvestering van alle betrokken partijen.
Jong Leren en Samen Werken, VVE beleid gemeente Putten 2021-2024
34
Bereik en Toeleiding Voor bereik en de toeleiding van doelgroepkinderen naar de voorschoolse voorziening speelt de jeugdgezondheidszorg (JGZ) een sleutelrol. JGZ stimuleert en motiveert alle ouders van kinderen van 18 maanden om het kind in te schrijven bij een voorschoolse instelling. JGZ spant zich extra in waar het gaat om ouders met een kind met een (dreigende) achterstand. JGZ voert de volgende taken uit: Screening op doelgroepcriteria zoals afgesproken Actief motiveren van ouders voor en toeleiden naar een voorschools aanbod; Toeleiden van doelgroepkinderen aan de hand van een formulier voor de VVE doelgroepindicatie; In overleg met ouders worden de voorscholen van keuze geïnformeerd over het doelgroepkind dat komen gaat; Follow-up van non-bereik; dit is afhankelijk van de uitkomsten van het percentage nonbereik. In aanvulling en ter ondersteuning hierop spannen de voorschoolse instellingen zich in om kinderen die nog niet geïndiceerd zijn als doelgroepkind, maar wel voldoen aan de definitie, via een JGZ indicatie op een VVE plek te plaatsen. Ook spannen de voorscholen zich in om ouders actief te benaderen (via een mondeling gesprek) nadat de JGZ de informatie heeft aangeleverd over het potentiële doelgroepleerling. Ouderbetrokkenheid Ouders spelen de belangrijkste rol in de ontwikkeling van hun kind.
Ze zijn de eerst verantwoordelijke en in dit kader partner van alle betrokken beroepskrachten. Om optimale ontwikkelingskansen te stimuleren voor doelgroepkinderen is het van groot belang dat ouders de ontwikkeling van hun kind thuis stimuleren. Alle vooren vroegscholen zetten zich in om ouders op concrete wijze te ondersteunen bij het stimuleren van het kind in de thuissituatie. De wijze waarop zij ouders stimuleren is vastgelegd in het ouderbeleid van de instelling. Monitoring De gemeente neemt de verantwoordelijkheid om de volgende aspecten van VVE op gemeenteniveau in beeld te brengen en te monitoren: het aantal kinderen en doelgroepkinderen in voor- en vroegscholen; de duur van VVE (in maanden) en het aantal dagdelen VVE; de doorstroom van voorschool naar vroegschool; de resultaten van voor en vroegschoolse educatie die op grond van dit convenant overeengekomen zijn; Vermoedelijke reden waarom resultaten niet behaald zijn het aantal doelgroepkinderen dat geen voorschool bezoekt.
Hiervoor leveren alle partijen binnen een maand na de teldatum 1 oktober gegevens aan bij de gemeente: Jeugdgezondheidszorg (Icare): het aantal geïndiceerde doelgroepkinderen vanaf 18 maanden tot en met 4 jaar, uitgesplitst naar leeftijd; Voorschoolse instelling per locatie een overzicht van: het totale aantal kinderen naar leeftijd; het totale aantal doelgroepkinderen naar leeftijd; het aantal doelgroepkinderen dat is doorgestroomd naar de basisschool van 1 oktober in jaar t-1 tot 1 oktober in jaar t; Van deze doorstromers: - het aantal kinderen dat minder dan 18 maanden VVE heeft gevolgd; - het percentage van de doelgroepkinderen dat voldoet aan de resultaatafspraken a) (zie p. 5) - het percentage van de doelgroepkinderen dat voldoet aan de resultaatafspraken b) (zie p. 5) Vermoedelijke reden waarom resultaten niet behaald zijn de wijze waarop de locatie het ouderbeleid vormgeeft (op basis van eigen beleid).
Jong Leren en Samen Werken, VVE beleid gemeente Putten 2021-2024
35
Vroegschool een overzicht van: het totale aantal kinderen uitgesplitst naar groep 1 en 2; het totale aantal doelgroepkinderen uitgesplitst naar groep 1 en 2; het percentage van de doelgroepkinderen dat voldoet aan de resultaatafspraken b) (zie p.5) het percentage van de doelgroepkinderen dat voldoet aan de resultaatafspraken c) (zie p. 5) Vermoedelijke reden waarom resultaten niet behaald zijn de wijze waarop de school het ouderbeleid vorm geeft (op basis van eigen beleid) Evaluatie Minimaal 1 keer per jaar vindt er een overleg plaats tussen alle partijen en de gemeente over de resultaten uit de monitor en mogelijke verbeteringen. Ook worden de afspraken van het convenant geëvalueerd en zo nodig aangepast.
4. Resultaten
De partijen van het convenant streven de volgende resultaten na. a) Basiskenmerken Met ingang van 2016 scoort 75% van de doelgroepkinderen aan het einde van de voorschoolse periode per basiskenmerk gemiddeld minimaal 1 score hoger op de 4 puntsschaal voor basiskenmerken, dan aan het begin van de voorschoolse periode. Basiskenmerken zijn: Vrij zijn van emotionele belemmeringen; Nieuwsgierig, ondernemend en onderzoekend zijn; Zelfvertrouwen hebben en over een stabiel en gezond zelfbeeld beschikken. Zie voor nadere toelichting bijlage 1. b) Aantoonbare ontwikkeling Met ingang van 2016 bereikt 75% van de doelgroepkinderen vanaf het begin van de voorschoolse periode tot einde voorschoolse periode, een leeftijdsadequate groei op de volgende ontwikkelingsgebieden zichtbaar in KIJK: voor peuters op sociaal-emotionele ontwikkeling, spelontwikkeling, spraak-taalontwikkeling, motorische ontwikkeling, ontluikende/beginnende geletterdheid en ontluikende/beginnende gecijferdheid. Zie voor nadere toelichting bijlage 1. c)
Uitslagen Citotoets einde groep 2
Met ingang van 2016 behalen alle doelgroepkinderen aan het einde van de VVE periode (einde groep 2 van de basisschool) de vaardigheidsscores die past binnen niveau 111 (de gemiddelde groep kinderen). Als een doelgroepkind dit resultaat niet bereikt dient er de volgende groei/ontwikkeling zichtbaar te zijn in de vaardigheidsscores; + 5 bij Taal voor Kleuters (2009) en van + 5 bij Rekenen voor Kleuters (2009). Zie voor nadere toelichting bijlage 1. 5. Vormgeven van de samenwerking De voorwaarden voor en de resultaten zelf kunnen alleen gerealiseerd worden als alle partijen de schouders er onder zetten en samenwerken. Belangrijke aspecten hierbij zijn elkaar informeren en gezamenlijk verbeterpunten identificeren. Ook zijn de partijen gezamenlijk verantwoordelijk voor het mogelijk maken van een goede rapportage en verantwoording van de resultaten voor gemeenteraad en onderwijsinspectie.
Jong Leren en Samen Werken, VVE beleid gemeente Putten 2021-2024
36
6. Definities Een belangrijke voorwaarde voor goede samenwerking is het hanteren van een uniform begrippenkader. Het convenant hanteert de volgende definities. Bereik Bij de vaststelling van bereik wordt gekeken naar zowel het aantal aangeboden als bezette VVE kindplaatsen. Voor elk VVE kind is een toereikende VVE subsidie beschikbaar. Doelgroepkinderen Alle kinderen van 2 tot 6 jaar die een geconstateerde achterstand hebben of een verhoogd risico hebben op het gebied van sociaal-emotionele ontwikkeling, spraaktaalontwikkeling, spelontwikkeling, motorische ontwikkeling, ontluikende/beginnende geletterdheid en ontluikende/beginnende gecijferdheid. Doorgaande leerlijn Van een doorgaande leerlijn is in het kader van de VVE sprake indien een kind in de voorschoolse instelling voorschoolse educatie volgt, en daarna vroegschoolse educatie in het basisonderwijs, gebruik makend van de informatie die over deze leerling al bekend is bij de voorschoolse instelling. Ook is het hierbij belangrijk dat er sprake is van een doorgaande lijn in zorg en ondersteuning, in aansturing en handelswijze van de beroepskracht (pedagogisch – didactische doorgaande lijn). Erkende VVE Programma’s Dit zijn programma’s waarin op gestructureerde en samenhangende wijze de bovengenoemde ontwikkelingsgebieden van VVE worden gestimuleerd.
Er wordt zoveel mogelijk gestreeft naar gebruik van gelijksoortige/dezelfde integrale VVE Programma’s. Kindvolgsysteem Een instrument dat gericht is op het volgen van de ontwikkeling van peuters, kleuters en basisschool kinderen. Het instrument richt zich op meerdere ontwikkelingsgebieden. Non-bereik Doelgroepkinderen die geen VVE volgen bij een voor- of vroegschool. Het minimaliseren van het non-bereik is in de eerste plaats een inspanningsverplichting die bij de gemeente berust en vervolgens bij alle betrokken partijen. Ouderbetrokkenheid Niet vrijblijvende en gelijkwaardige samenwerking tussen school en ouders waarin zij vanuit een gezamenlijke verantwoordelijkheid werken aan de (school) ontwikkeling van het kind. Tevens zijn ouders in dit kader als partner actief betrokken bij de gehele schoolloopbaan van hun kinderen. Toeleiding Het begrip toeleiding verwijst naar het proces waarin men zich inspant om zoveel mogelijk doelgroepkinderen te bereiken en naar kindplaatsen te leiden op voorschoolse instellingen. VVE = Voor-en Vroegschoolse Educatie Voorschoolse Educatie Maatregelen gericht op het verminderen van onderwijsachterstanden voor kinderen vanaf 2 jaar tot het moment dat zij naar de basisschool gaan, volgens de eisen van de Wet OKE. De Voorschoolse Educatie valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeenten.
Vroegschoolse Educatie Maatregelen gericht op het verminderen van onderwijsachterstanden voor kinderen in groep 1 en 2 van een basisschool, die voldoen aan de eisen gesteld in het convenant “focus op Vroegschoolse Educatie” tussen de staatssecretaris, de VNG, de schoolbesturen (incl. PORaad). Vroegschoolse Educatie valt onder verantwoordelijkheid van de schoolbesturen. VVE richt zich op de volgende ontwikkelingsgebieden: Sociaal-emotionele ontwikkeling, zoals het stimuleren van zelfstandigheid, zelfvertrouwen en samen spelen en werken. Spraaktaalontwikkeling: richt zich op het spontane taalgebruik en taalbegrip. Spelontwikkeling: kenmerkt zich door van alleen voor jezelf tot echt samenspelen, toenemende complexiteit en in een toename van spelmotivatie, creativiteit en initiatief nemen, waarbij het kind i aanraking komt met alle scenario’s van spel. Motorische ontwikkeling: heeft betrekking op het leren bewegen en is in te delen in grove en fijne motoriek. Bij grove motoriek gaat het om grote lichamelijke bewegingen zoals rollen, lopen, dansen, balanceren, springen, et cetera. Bij fijne motoriek gaat het om de handmotoriek en andere (kleine) bewegingen zoals spreken en het bewegen van de ogen.
Jong Leren en Samen Werken, VVE beleid gemeente Putten 2021-2024
37
Ontluikende geletterdheid vanaf 2 tot 4 jaar en beginnende geletterdheid vanaf 4 – 6,6 jaar: richt zich op alllerlei activiteiten waarbij gesproken en geschreven taal een rol spelen en uiteindelijk uitmondt in lezen en schrijven. Ontluikende gecijferdheid vanaf 2 tot 4 jaar en beginnende gecijferdheid vanaf 4 – 6,6 jaar: richt zich op allerlei activiteiten waarbij hoeveelheden, getallen, tellen en telwoorden uiteindelijk uitmondt in rekenen.
Warme overdracht Een mondelinge overdracht van kindgegevens bij de overgang van de voorschoolse naar de vroegschoolse fase in aanvulling op de schriftelijke overdracht. 7. Nadere toelichting op de resultaatafspraken Bijlage 1 Nadere toelichting op de resultaatafspraken KIJK! is een observatie-instrument waarmee het ontwikkelingsverloop van jonge kinderen op diverse ontwikkelgebieden over langere tijd kan worden geobserveerd en geregistreerd. De leidster of leerkracht bepaalt op basis van professionele observatie, per ontwikkelingsaspect van het kind, in welke fase het kind zich bevindt. Het registratiemodel wordt meestal een keer per half jaar ingevuld. KIJK is er voor peuters en kleuters en overigens ook nog voor jongere en voor oudere kinderen. De observatiegegevens zijn zowel op individueel niveau als groepsniveau te analyseren. De gegevens worden per kind weergegeven in het individuele rapport De instrumenten voor de verschillende leeftijdsgroepen sluiten op elkaar aan (BAZALT 2012). De observatiegegevens die op basis van KIJK! worden verkregen, zijn in twee categorieën te verdelen: basisgegevens en ontwikkelingslijnen. De basisgegevens zijn een voorwaarde voor een goede ontwikkeling op de verschillende domeinen. Eén van de basisgegevens is het begrip ‘basiskenmerken’.
De drie basiskenmerken zijn: 1) Vrij zijn van emotionele belemmeringen; 2) Nieuwsgierig, ondernemend en onderzoekend zijn; 3) Zelfvertrouwen hebben en over een stabiel en gezond zelfbeeld beschikken Deze worden gescoord op een vierpunt schaal: ++ altijd of bijna altijd, staat gelijk aan 4 punten + - meer wel dan niet, staat gelijk aan 3 punten - + meer niet dan wel, staat gelijk aan 2 punten - - nooit of bijna nooit, staat gelijk aan 1 punt a) Resultaatafspraak gebaseerd op de basiskenmerken Met ingang van 2016 scoort 75% van de doelgroepkinderen aan het einde van de voorschoolse periode per basiskenmerk gemiddeld minimaal 1 score hoger op de 4 puntsschaal voor basiskenmerken, dan aan het begin van de voorschoolse periode. Basiskenmerken zijn: Vrij zijn van emotionele belemmeringen; Nieuwsgierig, ondernemend en onderzoekend zijn; Zelfvertrouwen hebben en over een stabiel en gezond zelfbeeld beschikken. Met deze resultaatafspraak wordt bedoeld dat er aan het einde van de voorschoolse periode op alle drie basiskenmerken gemiddelde vooruitgang van minimaal 1 score hoger dient te zijn. Dus als op het basiskenmerk “Vrij zijn van emotionele belemmeringen” aan het begin van de voorschoolse periode gemiddeld een 1,8 gescoord was, dient de eind score gemiddeld minimaal 2,8 te zijn. Dit zelfde geldt voor de andere basiskenmerken.
b) Resultaatafspraak gebaseerd op aantoonbare ontwikkeling Met ingang van 2016 bereikt 75% van de doelgroepkinderen vanaf het begin van de voorschoolse periode tot einde groep 2 een leeftijdsadequate groei op de volgende ontwikkelingsgebieden zichtbaar in KIJK: voor peuters op sociaal-emotionele ontwikkeling, spelontwikkeling, spraak-taalontwikkeling, motorische ontwikkeling, ontluikende/beginnende geletterdheid en ontluikende/beginnende gecijferdheid. Voor alle ontwikkelingsdomeinen zijn ontwikkelingslijnen opgesteld. Bij de versie voor peuters gaat het onder andere om de sociaal-emotionele ontwikkeling, spelontwikkeling, spraak-taalontwikkeling, ontluikende
Jong Leren en Samen Werken, VVE beleid gemeente Putten 2021-2024
38
geletterdheid en ontluikende gecijferdheid In KIJK! voor groep 1 en 2 wordt daarnaast ook bijvoorbeeld taakgerichtheid en zelfstandigheid in kaart gebracht. Per domein worden verschillende niveaus voor het functioneren omschreven, die elk een mijlpaal van ongeveer een half jaar ontwikkeling markeren. Per niveau kunnen pedagogisch medewerkers of leerkrachten in een 3-puntsschaal inkleuren hoe ver het kind op dat niveau is gevorderd. Ieder vakje staat dan voor ongeveer twee maanden. Door een denkbeeldige lijn te trekken van de leeftijd van het kind naar de ingekleurde vakjes per domein kan worden gecontroleerd op welke domeinen het kind een achterstand of een voorsprong heeft. Bij de beoordeling of een bereikte ontwikkelingsleeftijd wel of niet in overeenstemming is met wat normaal gesproken mag worden verwacht, adviseren de makers om een marge van zes maanden te hanteren. De ontwikkeling van jonge kinderen verloopt immers verschillend en sprongsgewijs. Een achterstand of voorsprong van een half jaar kan dan worden opgevat als een eerste signaal dat er op het betreffende domein sprake is van een ontwikkelingsvoorsprong dan wel -achterstand. In het geval van meerdere observatiemomenten kan het kind met zichzelf worden vergeleken. Daarmee heeft KIJK! een tweeledig doel: vergelijking met de voorgaande ontwikkeling en vergelijking met de gangbare ontwikkeling.
De ontwikkelingslijnen van KIJK maken het mogelijk om de “ontwikkelingsleeftijd”van de kinderen af te zetten tegen hun chronologische leeftijd. Dat biedt een aanknopingspunt voor het stellen van een groeinorm. Een leeftijdsadequate groei wil zeggen dat de groei in ontwikkelingsleeftijd in deze periode minimaal even groot is als de groei in “chronologische leeftijd” van de kinderen. De richtlijn van 75% is gesteld in overleg met de makers van KIJK. Er wordt zoals hierboven is aangegeven, geadviseerd om een marge van 6 maanden te hanteren bij het vaststellen van een “achterstand”. Dat wil zeggen dat er sprake is van een achterstand als die 6 maanden of meer bedraagt en dat een “achterstand”ingelopen is als deze minder dan 6 maanden bedraagt. c) Resultaatafspraak gebaseerd op uitslagen Citotoets einde groep 2 Met ingang van 2016 behalen alle doelgroepkinderen aan het einde van de VVE periode (einde groep 2 van de basisschool) de vaardigheidsscores die past binnen niveau 111 (de gemiddelde groep kinderen). Als een doelgroepkind dit resultaat niet bereikt dient er de volgende groei/ontwikkeling zichtbaar te zijn in de vaardigheidsscores; + 5 bij Taal voor Kleuters (2009) en van + 5 bij Rekenen voor Kleuters (2009). Het Cito Volgsysteem primair onderwijs kan ook een belangrijke rol spelen bij resultaatafspraken van vroegschoolse educatie.
De toetsresultaten kunnen gemeenten en schoolbesturen helpen om beleid op te stellen en te monitoren. Met het Cito Volgsysteem volgt de leerkracht de ontwikkeling van de kinderen en kan deze vergelijken met die van leeftijdgenootjes. Het Cito Volgsysteem primair onderwijs bestaat o.a. uit de toetsen Taal voor kleuters en Rekenen voor kleuters. Gedurende de gehele basisschool periode is het mogelijk om de ontwikkeling van de kinderen te volgen met het Cito Volgsysteem primair onderwijs. Het aantal goed beantwoorde opgaven bij de ene toets is niet zomaar vergelijkbaar met het aantal goed op een andere toets van dezelfde vaardigheid. De toetsen zijn verschillend qua inhoud, lengte en moeilijkheidsgraad. Om de prestatie op verschillende toetsen te vergelijken, worden toetsscores omgezet naar vaardigheidsscores. Deze vaardigheidsscores worden gebruikt om de toetsgegevens te interpreteren, om het niveau van een leerling vast te stellen, om doelen te stellen voor de kinderen en om te evalueren. De vaardigheidscores kunnen het volgende aangeven: - Hoe goed een leerling het doet, vergeleken met zijn leeftijdsgenoten - Of de leerling vooruit gegaan is in een bepaald leergebied, zijn of haar individuele groei. De ondergetekenden: 1. Gemeente Putten, vertegenwoordigd door de wethouder Onderwijs 2.
de vertegenwoordigers van de volgende besturen: Vereniging tot Stichting en Instandhouding van Scholen voor Christelijk Nationaal Schoolonderwijs; waaronder ressorteert de Christelijke peuteropvang “Het Zwaluwennest”;
3.
Stichting Proo;
Jong Leren en Samen Werken, VVE beleid gemeente Putten 2021-2024
4.
Vereniging voor PCO Onderwijs;
5.
Stichting voor Katholiek Onderwijs;
6.
Stichting Peuteropvang De Vrijbuitertjes;
7.
Stichting Kind Centrum Putten;
8.
Stichting Kinderopvang Kiekeboe;
9.
ICARE Jeugdgezondheidszorg.
39
Jong Leren en Samen Werken, VVE beleid gemeente Putten 2021-2024
40
Bijlage 5: Beleidsnotitie voor ouderbeleid (maart 2016)
Ouders in beeld in Putten Beleidsnotitie voor het versterken van ouderbetrokkenheid op peuterspeelzalen en voorscholen in de gemeente Putten 1. Inleiding Opvoedingsgedrag van ouders, de omgeving van het gezin en de informele educatie door ouders zijn van zeer grote en bepalende invloed op de ontwikkeling en het schoolsucces van kinderen. De gemeente Putten wil als partner van voor- en vroegschoolse educatie haar verantwoordelijkheid nemen in het versterken van de ouderbetrokkenheid en komt in deze beleidsnotitie met een concreet implementatieplan voor educatief partnerschap voor ouders. Uitgangspunt voor dit beleids/implementatieplan zijn de beleidsnotitie VVE 2011 – 2014, het vve convenant 2015, en de zogenaamde nulmeting van de onderwijsinspectie , kwaliteit van vve in de gemeente Putten 2012. Deze notitie is gedurende het gehele ontwikkeltraject tot stand gekomen door actieve interactie met alle betrokken partijen in het werkveld in de voor-en vroegscholen en op de peuterspeelzalen. Dit alles betekent dat er de afgelopen periode breed draagvlak is opgebouwd bij alle vve instellingen in de gemeente Putten over het educatief partnerschap en dat er commitment bestaat over de wijze hoe men het in de praktijk brengt.
Tegelijkertijd is duidelijk geworden, dat, hoewel veel professionals het belang ervan inzien, zij aangeven nog onzeker te zijn over eigen competenties en de wijze waarop een constructief partnerschap tot stand kan komen. Deze beleidsnotitie/implementatieplan is bedoeld om alle professionals die hierbij betrokken zijn verder te enthousiasmeren en te begeleiden in het tot stand komen van een gedeelde verantwoordelijkheid voor de ontwikkeling van hun kind zowel in de instelling als ook binnen de vroegscholen. 2. Participatief proces Het voorliggende beleidsplan is ontwikkeld in opdracht van de gemeente Putten via een participatief proces, dat tot stand is gekomen na overleg met besturen en directies, leerkrachten, ouders en peuteropvangleidsters. Het doel van dit participatieve proces is om alle beelden, verwachtingen en zorgen boven tafel te krijgen en zicht te krijgen op reële mogelijkheden om de ouderbetrokkenheid te versterken. Na verwerking van het commentaar op deze notitie door alle betrokken partijen is het einddocument opgesteld. Om de doorlooptijd te beperken tijdens dit proces , is er ook gestart op de verschillende VVE voorschool locaties met het maken van concrete werkplannen met daarin schematische overzichten van de uitvoerende activiteiten.
Dit werkdocument is een vertaling van de beleidsnotitie naar de werksituatie, tezamen met het schematische activiteiten overzicht. 3. Conceptueel kader en uitgangspunten Uit beleidsdocumenten en literatuur komt duidelijk naar voren dat het versterken van ouderbetrokkenheid en ouderbeleid nog volop in ontwikkeling is. Er is daardoor ook nog weinig eenduidigheid in begrippen en concepten die gebruikt worden bij de uitwerking van beleid. Op grond van een beperkte literatuurstudie wordt hier een aantal conceptuele denkkaders en begrippen geïntroduceerd en wordt een aantal vertrekpunten voor beleid geformuleerd.
Jong Leren en Samen Werken, VVE beleid gemeente Putten 2021-2024
41
3.1 Ouderbetrokkenheid… waar hebben we het over? Veelal wordt ouderbetrokkenheid als volgt omschreven: “Ouderbetrokkenheid is actieve participatie door ouders om de algehele ontwikkeling en het leerproces van hun kinderen te versterken door effectieve ontwikkelingsstimulering en onderwijsondersteunend gedrag te vertonen. Tevens zijn ouders actief betrokken bij de gehele schoolloopbaan van hun kinderen.” Er lijkt inmiddels wel grote overeenstemming over de oriëntatie die nodig is bij leidsters en leerkrachten om ouderbetrokkenheid te versterken. Deze komt er kort gezegd op neer om ouders niet te zien als klant en belanghebbende maar als partner. Essentie van een partnerschap is gelijkwaardigheid. Leidsters/leerkrachten en ouders zijn partners in opvoeding en opleiding. Beide partijen zetten zich in voor een optimale ontwikkeling van het kind en willen dat het zoveel mogelijk kansen krijgt, zowel wat betreft schoolsucces, als later in de maatschappij. Ze richten zich op het belang van het kind, ieder vanuit een andere positie en eigen verantwoordelijkheid en ieder vanuit de eigen specifieke mogelijkheden. Het versterken van ouderbetrokkenheid komt er in deze nieuwe visie in essentie dan ook op neer om het samenwerken in partnerschap te ontwikkelen, levend te houden en te versterken.
Zoals eerder gemeld, komt uit onderzoek naar voren (Borgonovi Francesca 2011) dat opvoedingsgedrag van ouders, de omgeving van het gezin en de informele educatie door ouders van zeer grote en bepalende invloed zijn op de ontwikkeling en het schoolsucces van kinderen. Ook weten wij uit onderzoek en uit de praktijk dat niet alle ouders er in slagen om hun kind stabiliteit en een stimulerende leeromgeving te bieden. Dit gegeven maakt dat het van groot belang is om ouders (als partner) actief te betrekken bij ontwikkelingsstimulering en de schoolse loopbaan van hun kinderen en daar waar nodig hen te stimuleren en ondersteunen in hun rol als opvoeder. Tegen deze achtergrond is het dan ook van groot belang dat voor- en vroegschoolse voorzieningen zich richten op het actief betrekken van ouders als partner en daar waar nodig hen stimuleren en ondersteunen in hun rol als opvoeder. In de praktijk gaat het vooral om twee samenhangende componenten: Het betrekken van ouders bij de activiteiten op de peuteropvang en basisschool Daar waar nodig ouders stimuleren en ondersteunen bij opvoeding en ontwikkeling van hun kind in de thuissituatie en ook bij het creëren van een rijke speel-leeromgeving in de thuissituatie.
Het nieuwe denken in termen van partnerschap betekent ook dat, meer dan in het verleden, ouders duidelijk als partner benaderd moeten worden en ouders meer in de positie geplaatst moeten worden om hun rol als eerst verantwoordelijke op zich te (kunnen) nemen. Idealiter trekken ouders en leidsters/leerkrachten samen op. Zij zijn partners vanuit het belang van het kind; ieder ondersteunt het kind, stimuleert het en het daagt het uit, vanuit zijn eigen rol. Kortom, partnerschap komt tot stand voor een optimale ontwikkeling van het kind! Het gaat er niet zozeer om ‘om het kind iets te leren’, in de eerste plaats staat het stimuleren van de optimale ontwikkeling van het kind voorop. Het gaat hierbij vooral om een (positief) zelfbeeld, goede motivatie en goed/optimaal leervermogen en graag willen weten en leren, allemaal vanuit een eigen levensvisie. In schema 1 komt dit alles duidelijk naar voren. Partnerschap zou nog verder moeten reiken dan bovengenoemd model beschrijft. Ook de omgeving van het gezin en de peuteropvang en basisschool hebben invloed op de ontwikkeling van het kind. Het gaat vooral om de buurt, vrienden en familie, maar ook om de welzijn- en zorginstellingen. Als deze invloedssferen los van elkaar staan komt dit niet ten goede van het kind. Als bijvoorbeeld buurtbewoners niets afweten van het problematisch opgroeien van een kind is dit schadelijk.
Als ouders, school en peuteropvang niet samenwerken bij de cognitieve ontwikkeling van een kind, wordt het potentieel van een kind niet benut. Van belang is dus dat er enige overlap is tussen de invloedssferen: gebieden waar gezamenlijk wordt opgetrokken, als in een partnerschap. Partnerschap houdt in dat onderwijs en opvoeding op elkaar worden afgestemd, er goede informatieuitwisseling plaatsvindt en er wordt samengewerkt. Het zal duidelijk zijn dat dit in de realiteit een complexe kwestie is waar (verschillen in) wereldbeelden, waarden en cultuur een grote rol spelen (zie box 2).
Jong Leren en Samen Werken, VVE beleid gemeente Putten 2021-2024
42
3.2 Verschillen tussen ouders Bij het versterken van ouderparticipatie is het cruciaal rekening te houden met en in te spelen op de grote diversiteit in gezins- en opvoedingswaarden die Nederland en Putten kenmerkt. Het is van belang om te komen tot een gezamenlijke grondhouding, en te zorgen dat alle betrokkenen deze diversiteit erkennen en respecteren. Verschillen in opvoedingsstijlen en thuisomgeving werken door in de socialisatie van kinderen en het leren op de basisschool en in de peuteropvang. Zo leggen hoogopgeleide autochtone ouders over het algemeen nadruk op autonomie en sociaal gevoel, terwijl bijvoorbeeld Poolse, Turkse en Marokkaanse ouders over het algemeen meer waarde hechten aan gehoorzaamheid en respect. Dit betekent dat bij de vormgeving van het ouderparticipatiebeleid er respect moet zijn voor (verschillen) in waarden van ouders en dat hier zo goed mogelijk bij aangesloten dient te worden. Hier ligt de grootste uitdaging: goed omgaan met de diversiteit en deze zien als ‘kans’ in plaats van ‘probleem’ of ‘beperking’. 3.3 Verschillen in rollen Naast het goed rekening houden met en inspelen op diversiteit is het ook van belang scherp oog te hebben voor de verschillende rollen die ouders hebben.
De volgende rollen worden onderscheiden: Opvoeder Ouders worden aangesproken op hun rol als opvoeder; het steunen, sturen, stimuleren van hun kind bij diens ontwikkeling, educatie en schoolloopbaan. Belanghebbende Ouders denken en beslissen mee op organisatie- en beleidsniveau. Vrijwilliger Ouders ondersteunen de voorziening op vrijwillige basis, passend bij hun interesses en deskundigheden. Klant of consument Ouders worden geïnformeerd over zaken in het algemeen en over zaken die hun kind betreffen.
Jong Leren en Samen Werken, VVE beleid gemeente Putten 2021-2024
43
Schema 1 Het conceptueel kader (Voor)schoolse voorziening
Ouders x Mogelijkheden en capaciteit van ouders
Ouders betrekken bij voorziening
Betrokken als:
1. 2. 3. 4.
Opvoeder&partner Belanghebbende Vrijwilliger Klant
Open cultuur en partnerschap Verwachtingen van ouders in beeld Helder geformuleerd ouderbeleid Bereidheid tot investeren in ouderbetrokkenheid thuis
Partnerschap Ouders & Voorziening Leerkracht / Leidster-kind interactie
Ouder kind interactie
Steunen, sturen, stimuleren Verdiepende communicatie Hoge reële verwachtingen Rijke leefomgeving
Geïnformeerde ouders Gezamenlijke doelen
Opvoedings- en onderwijsondersteunend gedrag ouders
Zelfbeeld, motivatie, leervermogen kind
Totale optimale ontwikkeling, inclusief schoolsucces kind
Steunen, sturen, stimuleren Verdiepende communicatie Hoge reële verwachtingen Rijke leefomgeving
Jong Leren en Samen Werken, VVE beleid gemeente Putten 2021-2024
Box 1
44
Nadere uitwerking van enkele begrippen uit het conceptueel kader
De belangrijkste kenmerken van opvoedings-en onderwijsondersteunend gedrag van ouders zijn: Steunen, sturen en stimuleren Ouders tonen affectie, zijn warm, bieden emotionele steun en hebben respect voor de autonomie van het kind (ruimte voor het kind en het ‘zelf doen’ zijn essentieel voor het zelfvertrouwen en welbevinden). Ouders geven leiding aan hun kind, maken duidelijk wat ze verwachten, stellen grenzen, houden toezicht en sturen bij wanneer het verkeerd gaat. Ze moedigen hun kind aan nieuwe dingen te leren, op ontdekking te gaan, te spelen, te praten, vrienden te maken, en grote en kleine problemen zelf op te lossen (inspelend op de zone van de naaste ontwikkeling). Een verdiepende communicatie met hun kinderen Kenmerken van verdiepende communicatie zijn: ingaan op ervaringen en gevoelens, informatief, doorvragend, kritisch, gevarieerd, praktijkgericht en meer abstract. Hoge reële verwachtingen hebben van het leren van hun kinderen. Hoge maar reële verwachtingen ten aanzien van het schoolsucces zijn belangrijk voor de affectieve en cognitieve ontwikkeling van het kind. Ouders volgen hoe het met hun kind gaat, verwachten dat het zijn best doet en bieden ondersteuning. Dit vanuit een warme ouder-kindrelatie en rekening houdend met de mogelijkheden van het kind. Een rijke leef-en speelomgeving voor ‘informeel’ leren.
Ouders bieden een rijke leeromgeving aan in de dingen van alledag: praten en genieten van dagelijkse dingen, zingen en voorlezen, delen van gevoelens. Bij de dingen van alledag gaat het vooral om de kwaliteit en niet primair om de hoeveelheid. Elke dag voorlezen kan alle ouders worden aangeraden. Nog belangrijker is het hoe ouders voorlezen en communiceren.
Jong Leren en Samen Werken, VVE beleid gemeente Putten 2021-2024
45
4. Partnerschap nader uitgewerkt Om het begrip partnerschap verder uit te werken is het definitiemodel van Amse, Wassink en de Wit (2008) gebruikt (zie schema 2). Dit definitiemodel onderscheidt drie terreinen van participatie als het gaat om ouderbetrokkenheid: Educatief partnerschap: een wederzijdse betrokkenheid en een gezamenlijke verantwoordelijkheid van ouders en school, teneinde optimale omstandigheden te realiseren voor de sociale en cognitieve ontwikkeling en de leerprestaties van kinderen. Daarbinnen zijn twee terreinen te onderscheiden:
Pedagogisch partnerschap of opvoedingsondersteuning Dit heeft betrekking op de opvoeding door ouders, de opvoedingsondersteuning door bijv. het CJG en JGZ, en de afstemming en wederzijdse betrokkenheid tussen ouders, basisschool en peuteropvang. Didactisch partnerschap of onderwijsondersteunend gedrag Dit heeft betrekking op het gedrag van ouders thuis: het taalgebruik, voorlezen, hulp bij huiswerk enzovoort. Hier zijn diverse programma’s voor ontwikkeld en in gebruik. Onder dit thema valt ook de wederzijdse informatieverstrekking tussen ouders, scholen en instellingen over de vorderingen en het welzijn van het kind. Ouderparticipatie: actieve deelname van ouders aan activiteiten in de peuteropvang en op de basisschool, te onderscheiden in: Formele participatie, in bijvoorbeeld een ouderraad, medezeggenschapsraad of bestuur Informele participatie; het helpen bij activiteiten Maatschappelijk partnerschap: hierbij gaat het om de onderlinge relaties van ouders en de relatie van de basisscholen en met instellingen in de buurt zoals het CJG en daarbinnen de JGZ.
Jong Leren en Samen Werken, VVE beleid gemeente Putten 2021-2024
46
Schema 2 Partnerschap tussen ouders en instelling Dit schema kan benut worden als denkschema bij de vormgeving van beleid. Veelal gebruikelijke associaties met ouderbetrokkenheid (formeel bestuur en ‘extra handen’) maken hier plaats voor nieuwe accenten in ouderparticipatie zoals educatief- en maatschappelijk partnerschap. Het schema kan helpen om vanuit de visie op partnerschap een samenhangende en evenwichtige aanpak te ontwikkelen voor het versterken van ouderbetrokkenheid. Wel is het nodig om ‘voor dagelijks gebruik’ te komen tot meer toegankelijke terminologie. In discussie met ouders hebben wij gesproken over opvoedingsondersteuning en ontwikkelingsstimulering.
Ontwikkeling, begeleiding en zorg binnen de bredere zorgketen spelen ook een belangrijke en centrale rol binnen het onderwijs en de peuteropvang, maar vallen niet binnen het beleidskader ouderbetrokkenheid. Het gaat om extra zorg die niet binnen de eigen school en instelling gerealiseerd kan worden door de leerkrachten en de leidsters en die moet voldoen aan bepaalde eisen, waaronder eisen die te maken hebben met de rol van ouders.
Jong Leren en Samen Werken, VVE beleid gemeente Putten 2021-2024
5.
47
Hoe geven wij educatief partnerschap in de gemeente Putten vorm?
In de gemeente Putten hebben alle betrokken partijen met elkaar afgesproken dat er structureel gewerkt gaat worden aan educatief partnerschap op de volgende wijze: a. Intake De intake gebeurt op alle locaties, soms is de intake nog te veel eenrichtingverkeer. De wederkerigheid bij de intake is dus een aandachtspunt. De intake gebeurd bij alle kinderen en ouders in een zo vroeg mogelijk stadium. Naast het uitwisselen van informatie is de intake een goede investering is in de relatie tussen peuteropvang/voorschool, school en ouders. Het persoonlijke aspect is van groot belang. Tijdens de intakegesprekken wordt altijd informatie verstrekt en informatie gevraagd. Zowel door de peuteropvang/voorschool als door de ouders. Dat wil zeggen: De peuteropvang/voorschool verstrekt informatie over visie en praktische zaken; ouders krijgen de gelegenheid vragen te stellen Ouders vertellen over hun kind; de school vraagt: Wat voor kind is het? Wat is er leuk aan uw kind? Zijn er dingen waar u zich zorgen over maakt? Peuteropvang/voorschool vraagt naar verwachtingen van ouders (Wat verwacht u dat uw kind leert? Wat verwacht u van de pm’er?) en vertelt wat van ouders wordt verwacht, met name bij het stimuleren van de ontwikkeling. Bij elk punt is de wederkerigheid van belang. Voor de peuteropvang geldt: houdt de informatie beknopt en laat ouders aan het woord.
Om te borgen dat dit altijd gebeurt, worden de intakeformulieren hierop aangepast. De intake wordt gehouden bij alle kinderen, niet alleen de geïndiceerde kinderen. b. Huisbezoeken Er worden huisbezoeken afgelegd alleen als dit nodig is. Prioriteit ligt bij gezinnen van geïndiceerde kinderen. Het is aan de locaties om te bepalen of en wanneer het bezoek precies plaatsvindt: bij de intake of enige tijd na plaatsing van het kind. c.
Schriftelijke informatie
Een infoboekje per peuteropvang is een handig hulpmiddel. Dit wordt bij de intake meegegeven aan ouders. Bij het huisbezoek kunnen ouders vragen stellen over de inhoud van dit infoboekje. d. Communicatie Hoewel op de meeste locaties regelmatig 10-minutengesprekken worden gevoerd met ouders en er bijna dagelijks contact is bij het halen en brengen van kinderen, kan communicatie een struikelblok zijn bij de samenwerking. Wat zou er beter kunnen? Het is wenselijk om te communiceren met ouders op een meer gelijkwaardige wijze in een wederkerige relatie. In de praktijk komt het nog te veel voor dat de peuteropvang/voorschool de ‘zender’ is en de ouders ‘ontvangers’ zijn. Er wordt in de praktijk weinig afgestemd met ouders. De gedeelde verantwoordelijkheid komt op deze wijze nog niet van de grond. Een ander aandachtspunt is dat de communicatie directer en persoonlijker zou kunnen; minder schriftelijk, meer mondeling op basis van gelijkwaardigheid!
Jong Leren en Samen Werken, VVE beleid gemeente Putten 2021-2024
48
We kennen de volgende communicatie momenten in de gemeente Putten: Breng- en haalcontacten De ouder van het kind brengt en haalt het kind minimaal twee keer per week. Dat zijn de momenten dat de leidster en de ouder uitwisselen over spelontwikkeling en speelmogelijkheden in de voorschool/peuteropvang en thuis. Ontwikkelingsgesprekken Bij alle kinderen worden conform het convenant vve tenminste twee maal per jaar een ontwikkelingsgesprek gevoerd. Deze gesprekken duren bij voorkeur 20 minuten. (Bij niet-vve-kinderen kan eventueel worden volstaan met kortere gesprekken, van 10 minuten. Bij de gesprekken worden altijd de registratie van observaties (Kijk!) betrokken. De peuteropvang/voorschool geeft hierover informatie, stelt ouders in de gelegenheid vragen te stellen en vraagt hen naar hun eigen waarneming. Deze gesprekken worden jaarlijks ingepland op een activiteitenkalender. Als de ontwikkeling of het gedrag van een kind aanleiding geeft tot zorg, neemt de peuteropvang/voorschool het initiatief voor een tussentijds gesprek met de ouders. Anderstalige ouders Wanneer anders taligheid van ouders een belemmering is, vraagt de peuteropvang/voorschool of zij iemand in familie- of kennissenkring hebben die als tolk kan fungeren. e.
Ontwikkelingsstimulering Op het gebied van ontwikkelingsstimulering gebeurt al veel in Putten: ouderbijeenkomsten, koffie-ochtenden, het meegeven van speelgoed materialen aan ouders, zoals nieuwsbrieven en op sommige locaties kijken ouders mee op de groep. Een van de beperkingen van deze activiteiten is dat ze te weinig structureel gebeuren, en ook de terugkoppeling krijgt minder aandacht. Daardoor houden de activiteiten iets vrijblijvends. Een goede terugkoppeling zorgt ervoor dat ouders meer aan het woord komen, zodat van echt educatief partnerschap kan worden gesproken. Hiervoor is weer specifieke aandacht noodzakelijk voor de wijze waarop er met ouders gecommuniceerd wordt. Ontwikkelingsstimulering thuis Vooral VVE Ouders krijgen materialen mee naar huis en concrete suggesties voor activiteiten. Bijgehouden wordt hoe vaak ouders materialen mee naar huis krijgen. Bij het meegeven van de materialen wordt ouders verteld wat er van hen verwacht wordt en worden ouders uitgenodigd tot het stellen van vragen over materialen en activiteiten. Voor terugkoppeling wordt tijd gereserveerd. Gezamenlijke bijeenkomsten zijn hiervoor geschikt; ouders kunnen elkaar stimuleren. Tijdens de bijeenkomst gaat de pm’er het gesprek aan met de ouders.