Beantwoording schriftelijke vragen art.37 RvO - GB - menselijke maat participatiewet
Tekst van het document
Gemeentebelangen t.a.v. de heer drs. H. Koornneef
Zaaknummer: 1253251
Uw brief van / uw kenmerk Behandelend ambtenaar
S.J. Fiddelaar
Doorkiesnummer
(0341) 35 9629
Afdeling
SL/BA
Onderwerp
Schriftelijke vragen art 37 RvO - GB -
Documentnummer: 1255747
Verzonden: 11 februari 2021
Menselijke maat participatiewet Beste meneer Koornneef
Putten, 9 februari 2021
Op 25 januari ontvingen wij uw vragen over ‘De menselijke maat bij de participatiewet’. In deze brief beantwoorden wij uw vragen. 1. Welk beleid voert de gemeente Putten bij het verrekenen van giften (ook in natura) aan bijstandsontvangers? Antwoord: in de Beleidsregels Sociaal Domein gemeente Putten hebben we hierover het volgende opgenomen: ‘Giften zijn inkomsten als die het bestedingsniveau wezenlijk verhogen.’ Voor zover deze wezenlijke verhoging van toepassing is verrekenen we dat deel van de gift met de bijstandsuitkering. We kijken hierbij in de praktijk naar de individuele situatie van de inwoner. 2. Wordt er bijvoorbeeld rekening gehouden met het al dan niet bestaan van een relatie tussen gever en ontvanger? Heeft bijvoorbeeld een gift (ook in natura) van de: a. voedselbank, b. familie, c. buren, d. kerk, e. overige giften; invloed op de hoogte van de bijstandsuitkering?
Antwoord: Bij de beoordeling van de gift is de gever in principe niet van belang. Maar, in de praktijk geldt dat giften vanuit voedselbank, familie, buren of kerk, vaak niet leiden tot een ‘wezenlijke verhoging van het bestedingsniveau’. In dat geval heeft de gift geen invloed op de hoogte van de bijstandsuitkering. 3. Hoe gaat de gemeente om met giften in natura, bijvoorbeeld indien mantelzorg wordt verleend en de uitkeringsgerechtigde mantelverzorger bijvoorbeeld kookt maar ook mee eet zonder daarvoor een bijdrage te betalen in de huishoudkosten van diegene die verzorgd wordt? Antwoord: in dit geval zal er naar verwachting geen sprake zijn van een ‘wezenlijke verhoging van het bestedingsniveau’ en wordt er waarschijnlijk niet gekort. Daarnaast kan hierbij in de integrale beoordeling van de individuele situatie het aspect van mantelzorg worden meegewogen. 4. Is er een drempelbedrag dat een bijstandsgerechtigde mag bijverdienen naast zijn bijstandsuitkering en hoe beïnvloed dit de hoogte van de bijstandsuitkering? Antwoord: inkomsten uit arbeid worden vrijgelaten (niet gekort) als de vrijlating van deze inkomsten naar het oordeel van het college bijdraagt aan de arbeidsinschakeling. De inkomsten worden vrijgelaten tot 25% met een maximum van € 220,- per maand. 5.
Is er een drempelbedrag dat de bijstandsontvanger mag ontvangen zonder hiervan melding te doen? En in welke van bovenstaande gevallen onder vraag 2, 3 en 4? Antwoord: de Participatiewet stelt (art. 17) dat een inwoner alles aan de gemeente moet meedelen waarvan hij redelijkerwijs kan aannemen dat dit van invloed zou kunnen zijn op de hoogte van zijn uitkering. Voor inkomen uit arbeid geldt dit altijd. Giften die geen invloed hebben op de hoogte van de uitkering, hoeven niet doorgegeven te worden. Er is daarvoor geen specifiek drempelbedrag, maar de ‘drempel’ is de invloed op de uitkering. Wij adviseren onze inwoners om bij enige twijfel altijd inkomsten of giften door te geven. Dat voorkomt dat zij later mogelijk toch geconfronteerd worden met terugvorderingen. 6. Op basis van welke regels maakt het college in individuele gevallen een afweging? En op basis van welke regels heeft het college de mogelijkheid om in specifieke gevallen maatwerk toe te passen? Antwoord: de basis om individueel maatwerk te leveren is vastgelegd in artikel 18, eerste lid van de Participatiewet: ‘Het college stemt de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende.’ Daarnaast geeft de Participatiewet een bepaalde ruimte voor maatwerk bij giften (artikel 31, lid 2 onder m) en bijzondere bijstand (artikel 35, eerste lid).
In onze beleidsregels geven we aan hoe we met deze ruimte omgaan.
2 van 3
In verreweg de meeste gevallen zijn de bepalingen van de wet en het gemeentelijk beleid toereikend. Voor de uitzonderingsgevallen die hier niet in passen, wordt maatwerk toegepast. 7. Gemeenten schakelen voor onderzoek het Inlichtingenbureau in – een overheidsinstantie die (namens het ministerie van Sociale Zaken en de Vereniging Nederlandse Gemeenten) op allerlei manieren controleert of uitkeringsgerechtigden zich netjes aan de regels houden. Hoe vaak schakelt Putten dit bureau in en met welk resultaat? Antwoord: maandelijks leveren wij BSN nummers aan het inlichtingenbureau van cliënten met een uitkering. Op basis hiervan krijgen wij via een automatisch proces signalen binnen. Door via het Inlichtingenbureau tijdig te acteren, valt het benadelingsbedrag lager uit. Daarmee valt ook de vordering en/of boete lager uit omdat we de inwoner tijdig kunnen aanspreken op de situatie.
Met vriendelijke groet, burgemeester en wethouders van Putten,
mr. F.E. Contant,
H. A. Lambooij,
secretaris
burgemeester
3 van 3