Beantwoording schriftelijke vragen art.37 RvO - GB - Lachgasverbod
Tekst van het document
Gemeentebelangen t.a.v. de heer R. Hoogendijk
Zaaknummer: 1278334
Uw brief van / uw kenmerk Behandelend ambtenaar
P.R. de Korte
Doorkiesnummer
(0341) 35 9737
Afdeling
ST/OOV
Onderwerp
Schriftelijke vragen art. 37 RvO - GB -
Documentnummer: 1281415
Verzonden: 14 april 2021
Lachgas verbod Beste meneer Hoogendijk,
Putten, 13 april 2021
U stelde onderstaande vragen met betrekking tot een eventueel lachgasverbod in de APV. Hieronder treft u de beantwoording. 1. Kan het college zich vinden in de oproep van cardiologen om een lachgasverbod in de APV op te nemen? Ondanks dat het college de landelijke zorgen omtrent lachgasgebruik deelt en ondanks dat de landelijk invoering van lachgas op lijst II van de Opiumwet op zich laat wachten, denkt het college dat een lachgasverbod geen meerwaarde zal hebben naast de huidige artikelen in de APV gemeente Putten 2019. Wij zijn op dit moment van mening dat de APV al voorziet in de mogelijkheid om op te treden tegen hinderlijk gedrag en de verkoop van lachgas (zie de artikelen 2:47, 2:49, 2:50, 5:15). •Artikel 2:47 (hinderlijk gedrag op openbare plaatsen); •Artikel 2:49 (verboden gedrag bij of in gebouwen); •Artikel 2:50 (hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten); •Artikel 5:15 (ventverbod)*; Bij evenementen waarvoor een vergunningplicht geldt, kan de gemeente als voorschrift een ‘verbod van verkoop van lachgas’ in de vergunning opnemen met als motivering het voorkomen van hinder.
* De dwangsom van 1 miljoen, die is opgelegd aan een Amsterdamse verkoper van lachgas is ook op basis van overtreding van het ventverbod geweest, zie https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBAMS:2021:1328 2. Is het college ook van mening dat je tegen het lachgasgebruik kunt optreden als in de APV hiervoor een verbodsbepaling is opgesteld? Een specifieke bepaling over lachgas brengt met zich dat moet worden aangetoond dat de hinder of overlast inderdaad is veroorzaakt door het gebruik van lachgas. In de toelichting van de model APV van de VNG tav het lachgasverbod is het navolgende opgenomen: Een algemeen, voor de gehele gemeente geldend gebruiksverbod stuit op belangrijke juridische bezwaren en is vanuit oogpunt van proportionaliteit ook niet te verdedigen. Daarmee zou er geen evenredigheid meer zijn tussen middel en doel, en dat zou in strijd zijn met artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht. Daarom beperkt het verbod in het eerste lid zich tot concrete situaties van oneigenlijk lachgasgebruik, voorbereidingen of het bij zich hebben van hulpmiddelen voor dat gebruik, die gepaard gaan met verstoring van de openbare orde, nadelige beïnvloeding van het woon- of leefklimaat of anderszins hinder tot gevolg hebben. Bij de handhaving moet de gemeente kunnen aantonen dat genoemde situaties de oorzaak zijn van de overlast en dergelijke.
Op grond van het tweede lid kan het college openbare plaatsen aanwijzen waar het oneigenlijk lachgasgebruik, voorbereidingen of het bij zich hebben van hulpmiddelen voor dat gebruik op voorhand verboden is, los van de vraag of dat in de concrete situatie tot ordeverstoring en dergelijke leidt. In het aanwijzingsbesluit moet het college motiveren waarom het verbod in dat specifieke gebied geldt (het belang van de openbare orde of bescherming van het woon- of leefklimaat). Uit politierapportages kan bijvoorbeeld blijken dat op bepaalde openbare plaatsen sprake is van aantoonbare en structurele overlast door lachgas. Vanuit de politie en BOA’s is degelijke hinder of overlast niet / nauwelijks bekend. Vanaf 1 januari 2019 zijn er volgende de politie 11 situaties geweest waarbij lachgas betrokken is ge-weest. Hiervan zijn 8 meldingen op de A28. 3. Welke tekst(en)kan (kunnen) gebruikt worden om het lachgasverbod in de APV vast te stellen? Over het algemeen zal in een dergelijk geval de suggestie uit de model APV van de VNG worden aangehouden, maar zoals gezegd zijn wij dit vooralsnog niet voornemens, gelet op andere artikelen uit de APV die solaas kunnen bieden en het feit dat (structurele) hinder en overlast
2 van 3
moeilijk kan worden aangetoond. Ook de gemeenten Harderwijk en Ermelo hebben bijvoorbeeld geen lachgasverbod in hun APV. Het college is uiteraard bereid extra in te zetten op preventie en voorlichting ten aanzien van de risico’s van lachgas. 4. Is het college voornemens om de gemeenteraad nu een voorstel te doen om de APV zsm aan te passen zodat er een verbod komt op gebruik van lachgas binnen de openbare ruimte? Nee, zie antwoord vraag 3.
Met vriendelijke groet, burgemeester en wethouders van Putten,
mr. F.E. Contant,
H. A. Lambooij,
secretaris
burgemeester
3 van 3