CConstaterende datPutten
Koppel je AI →
Document · PDF

b_NL.IMRO.0273.BPBKRoosweg109-ON01_tb6 - Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van proefsleuven

Commissie Ruimte 15 juni 2023, gemeente PuttenBij agendapunt: Bestemmingsplan Roosendaalseweg 1093.777 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Rapport 5766

PUTTEN-ROOSENDAALSEWEG 109 en

Putten-Roosendaalseweg 109 Een Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van proefsleuven

en

Colofon ADC Rapport 5766 Putten-Roosendaalseweg 109 Een Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van proefsleuven Auteurs:

&

In opdracht van: Foto’s en tekeningen: ADC ArcheoProjecten, tenzij anders vermeld © ADC ArcheoProjecten, Amersfoort, april 2022 Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftel jke toestemming van de uitgevers. ADC ArcheoProjecten aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.

ISSN 1875-1067

ADC ArcheoProjecten Postbus 1513 3800 BM Amersfoort Tel 033 299 8181 Email info@archeologie.nl

Inhoudsopgave Administratieve gegevens van het onderzoeksgebied Samenvatting 1 Inleiding 1.1 Algemeen 1.2 Vooronderzoek 1.3 Doel van het onderzoek en onderzoeksvragen 1.4 Opzet van het rapport 2 Methoden 3 Resultaten 3.1 Bodemopbouw 3.2 Archeologie 4 Synthese 4.1 Algemeen 4.2 Beantwoording van de onderzoeksvragen 5 Waardering en selectieadvies 5.1 Waardering van de vindplaats 5.2 Selectieadvies Lijst van afbeeldingen Lijst van tabellen Verklarende woordenlijst Afkortingen in de database

4 5 7 7 8 8 8 9 11 11 12 13 13 13 15 15 15 16 16 17 19

Administratieve gegevens van het onderzoeksgebied Provincie: Gemeente: Plaats: Toponiem: Kaartblad: Coördinaten:

Centrum coördinaat:: Projectverantwoordelijke: Bevoegde overheid: Deskundige namens de bevoegde overheid:

Gelderland Putten Putten Roosendaalseweg 109 32E 169.084/473.972 169.097/473.966 169.087/473.941 169.074/473.945 169.090/473.966 Gemeente Putten T: E:

3 @putten.nl

Opdrachtgever:

Goedkeuring rapport door bevoegde overheid: Archiszaaknummer: ADC-projectcode: Complex en ABR codering: Periode(n): KNA versie: Geomorfologische context: NAP hoogte maaiveld: Maximale diepte onderzoek: Uitvoering van het veldwerk: Beheer en plaats documentatie:

Drielandendreef 40 3845 CA Harderwijk T: 0341-433344 Contactpersoon: T: E: @ Ja 5202949100 000232 4.1 Dekzandrug 14 m +NAP 1,5 m -mv 29 maart 2022 Provinciaal Depot voor Archeologie van de provincie Gelderland/ Museum het Valkhof Postbus 1474 6501 BL Nijmegen Contactpersoon: T: 024E: pdb@museumhetva khof.nl

5

Samenvatting In opdracht van heeft ADC ArcheoProjecten een Inventariserend Veldonderzoek (IVO) in de vorm van proefsleuven uitgevoerd voor het plangebied Roosendaalseweg 109 in de gemeente Putten. Het veldwerk is uitgevoerd op 29 maart 2022. Tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn geen relevante archeologische resten aangetroffen binnen het plangebied. ADC ArcheoProjecten adviseert het plangebied vrij te geven voor verdere ontwikkeling.

Tabel 1. Overzicht van de verschillende (pre)historische perioden. Periode Nieuwe tijd: Nieuwe tijd C Nieuwe tijd B Nieuwe tijd A Middeleeuwen: Late Middeleeuwen B / Late Middeleeuwen Late Middeleeuwen A / Volle Middeleeuwen Vroege Middeleeuwen D / Ottoonse periode Vroege Middeleeuwen C / Karolingische t jd Vroege Middeleeuwen B / Merovingische t jd Vroege Middeleeuwen A / Vo ksverhuizingst jd Romeinse tijd: Laat-Romeinse tijd Midden-Romeinse tijd Vroeg-Romeinse t jd IJzertijd: Late IJzertijd Midden-IJzertijd Vroege IJzertijd Bronstijd: Late Bronst jd Midden-Bronstijd Vroege Bronst jd Neolithicum (Jonge Steentijd): Laat-Neolithicum Midden-Neolithicum Vroeg-Neolithicum Mesolithicum (Midden-Steentijd): Laat-Mesolithicum Midden-Mesolithicum Vroeg-Mesolithicum Paleolithicum (Oude Steentijd): Laat-Paleolithicum Midden-Paleolithicum Vroeg-Paleolithicum Bron: Archeologisch Basis Register 1992

Tijd in jaren 1500 - heden 1850 - heden 1650 - 1850 na Chr. 1500 - 1650 na Chr. 450 - 1500 na Chr. 1250 - 1500 na Chr. 1050 - 1250 na Chr. 900 - 1050 na Chr. 725 - 900 na Chr. 525 - 725 na Chr. 450 - 525 na Chr. 12 voor Chr. - 450 na Chr. 270 - 450 na Chr. 70 - 270 na Chr. 12 voor Chr. - 70 na Chr. 800 - 12 voor Chr. 250 - 12 voor Chr. 500 - 250 voor Chr. 800 - 500 voor Chr. 2000 - 800 voor Chr. 1100 - 800 voor Chr. 1800 - 1100 voor Chr. 2000 - 1800 voor Chr. 5300 - 2000 voor Chr. 2850 - 2000 voor Chr. 4200 - 2850 voor Chr. 5300 - 4200 voor Chr. 8800 - 4900 voor Chr. 6450 - 4900 voor Chr. 7100 - 6450 voor Chr. 8800 - 7100 voor Chr. tot 8800 voor Chr. 35.000 - 8800 voor Chr. 300.000 - 35.000 voor Chr. tot 300.000 voor Chr.

6

Afb. 1. Locatie van het plangebied op de topografische kaart.

7

1 Inleiding 1.1

Algemeen

In opdracht van B.V. heeft ADC ArcheoProjecten een Inventariserend Veldonderzoek (IVO) in de vorm van proefsleuven uitgevoerd voor het plangebied Roosendaalseweg 109 in de gemeente Putten (afb. 1). Binnen het plangebied worden aan de Roosendaalseweg starterswoningen gebouwd met aan de oostzijde een parkeerterrein. De bodem verstorende ingrepen hebben een oppervlakte van ca. 400 m². Er heeft voor deze locatie geen bureau- of booronderzoek plaatsgevonden, omdat een onlangs uitgevoerd proefsleuvenonderzoek op de percelen direct ten zuidwesten van het plangebied heeft aangetoond dat de kans op het aantreffen van archeologische resten van de prehistorie t/m de Nieuwe tijd in dit gebied groot is (paragraaf 1.2). Daarom heeft de bevoegde overheid besloten een proefsleuvenonderzoek voor te schrijven. Het plangebied heeft een oppervlakte van 400 m² en lag ten tijde van het onderzoek voor het grootste deel braak (afb. 2). Aan de zuidzijde bevindt zich nog een woonhuis met daarlangs een pad naar de Roosendaalseweg. Het onderzoeksgebied wordt aan de zuidzijde begrensd door een doorgaande weg (N303) en aan de westzijde door de Roosendaalseweg. In het noorden bevinden zich woonhuizen en in het oosten staat een loods. In het plangebied is één proefsleuf aangelegd met een breedte van 4 m en een lengte van 20 m. In totaal is dus 80 m2 onderzocht.

Afb. 2. Foto van het plangebied voorafgaand aan het onderzoek. Het veldwerk is uitgevoerd op 29 maart 2022. In die periode is de proefsleuf aangelegd en onderzocht conform KNA 4.1 en het Programma van Eisen (PvE), dat door ADC ArcheoProjecten is opgesteld. 1 Dit ontwerp is goedgekeurd door De vondsten en bijbehorende documentatie die tijdens het IVO zijn verzameld, worden na afronding van de rapportage gedeponeerd in het Provinciaal Depot voor Archeologie van de provincie Gelderland / Museum het Valkhof te Nijmegen. Het veldteam bestond (projectverantwoordelijke, senior archeoloog), archeoloog), (vrijwilliger) en (stagiair). De kraan werd bediend door van de firma Basten. De contactpersoon bij is Controle en coördinatie van documentatie en vondstverwerking is uitgevoerd door en

(junior

1W. Jezeer 2022: Archeologisch onderzoek Roosendaalseweg 109 (Putten), gemeente Putten PvE. Amersfoort. Goedkeuring:

15-03-2022.

8

1.2

Vooronderzoek

Binnen het plangebied Roosendaalseweg 109 heeft geen bureau- of booronderzoek plaatsgevonden. De kans op het aantreffen van archeologische resten in het plangebied is groot, dat heeft het in februari 2022 uitgevoerd proefsleuvenonderzoek op de percelen direct ten zuidwesten van het plangebied uitgewezen. Binnen dat plangebied (Halvinkhuizen) werd in de sleuven direct aan de overzijde van de rotonde een dik plaggendek aangetroffen. Hieronder bevonden zich grondsporen uit (vermoedelijk) de prehistorie. 2

1.3

Doel van het onderzoek en onderzoeksvragen

Het IVO in de vorm van proefsleuven heeft tot doel de gespecificeerde archeologische verwachting zoals verwoord in het PvE te toetsen en aan te vullen. Alsmede de aard, omvang en kwaliteit (gaafheid en conservering) vast te stellen van de vindplaats(en) in het gebied om zo te komen tot een definitief oordeel over de behoudenswaardigheid ervan. Daarnaast moeten gegevens verkregen worden om hetzij verder archeologisch onderzoek mogelijk te maken, hetzij adequate maatregelen voor behoud en beheer te kunnen treffen. In het PvE zijn verschillende onderzoeksvragen gesteld. Deze worden in dit rapport beantwoord op basis van hetgeen in de proefsleuven is aangetroffen. De volgende onderzoeksvragen zijn in het PvE gesteld: Algemeen 1. Zijn er archeologische resten (sporen, structuren, vondsten) aangetroffen? 2. Vormen de archeologische resten behoudenswaardige vindplaatsen? 3. Indien het onderzoek geen archeologische resten of beperkte archeologische fenomenen (bijvoorbeeld alleen losse vondsten) oplevert: welke verklaring is hiervoor te geven? Bodemopbouw en landschap 4. Hoe is de opbouw van het profiel (lithologische laagopeenvolging en bodemhorizonten)? 5. Indien de bodem verstoord is: in welke mate, waar en waardoor is de bodem in het plangebied verstoord? Perioden en vindplaatsen 6. Wat is per archeologische vindplaats in het onderzoeksgebied: a.

de ligging, de omvang en begrenzing (verticaal en horizontaal), b. aard en complextype, c. de vondst- en spoordichtheid, d. de ouderdom en/of de aanwezige archeologische periode(s), e. de mogelijke informatiewaarde van analyses/determinaties van de vondsten en monsters op basis van de scans, f. de kwaliteit van de resten (gaafheid en conservering)? 7. Is er een ensemblewaarde met vindplaatsen in de omgeving van het plangebied? Landschappelijk 8. Hoe ziet de bodemopbouw eruit en in hoeverre is deze aangetast door latere ingrepen? 9. Wat is de relatie tussen de vindplaats en het omringende landschap?

1.4

Opzet van het rapport

Dit rapport betreft een standaardrapport zoals genoemd in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA 4.1 -specificatie VS05). In dit rapport worden de resultaten van het onderzoek gepresenteerd, waarna de eerste conclusies volgen. Indien nodig, altijd worden teruggegrepen op de basisgegevens in het e-depot. Na de samenvatting en dit inleidende hoofdstuk volgt een omschrijving van de methoden in hoofdstuk 2. Daarna zullen de resultaten van het onderzoek uiteen worden gezet in hoofdstuk 3. Vervolgens zullen in de synthese (hoofdstuk 4) de onderzoeksvragen worden beantwoord en wordt afgesloten met een waardering en selectieadvies in hoofdstuk 5.

2 Het veldwerk in plangebied Halvinkhuizen (archis zaakidentificatienr. 5156544100) is nog niet afgerond. In de nabijheid van onderhavig plangebied werden sporen uit de prehistorie gevonden en verder westelijk bevinden zich sporen uit de Middeleeuwen-Nieuwe tijd (mondelinge mededeling W. Jezeer, ADC ArcheoProjecten).

9

2 Methoden Het onderzoek is uitgevoerd conform de KNA 4.1 en het PvE. Het plangebied heeft een omvang van 400 m². Dit is het terrein waar de woningen gepland zijn en waar de ondergrond tot grote diepte verstoord gaat worden (afb. 3). Om vast te kunnen stellen of zich één of meerdere behoudeniswaardige vindplaatsen in het plangebied is één sleuf van 4 x 20 m aangelegd. De sleuf is geprojecteerd op de plaats waar de verstoring plaats gaat vinden, de locatie van de nieuwbouw (afb. 4). Dit gaf een dekkingsgraad van 20%.

Afb. 3. Uitsnede van het principeplan van de Roosendaalseweg 109. In bruin de geplande woningen.

Afb. 4. Locatie van het plangebied (rood) en de proefsleuf (zwart) op de topografische kaart.

10

De sleuf is min of meer noord-zuid georiënteerd en bestrijkt een groot deel van het plangebied. De sleuf moest iets naar het noorden worden verplaatst, in verband met de aanwezigheid van een pad naar het woonhuis in het zuiden en de hier aanwezige kabels en leidingen. Het vlak is zonder schaafbak aangelegd in de top van het de C-horizont. De vlakken en de stort zijn met behulp van een metaaldetector onderzocht. Vervolgens is het vlak gefotografeerd en getekend (digitaal d.m.v. GPS), waarbij om de 5 m een waterpashoogte is bepaald. Er werd slechts één (natuurlijk) spoor aangetroffen. Deze is gecoupeerd en na documenteren volledig afgewerkt. In het zuiden van de proefsleuf is een diep gat gegraven en hier is een deel van het oostprofiel opgeschaafd, gefotografeerd, getekend (schaal 1:20) en beschreven (afb. 5 en 6).

11

3 Resultaten 3.1

Bodemopbouw

Het plangebied is gesitueerd in een gebied met een dik plaggendek zoals ook de verwachting was. Het sporenvlak, de top van de C-horizont, bevindt zich op een diepte van ca. 1 m onder het maaiveld. Het maaiveld ter plaatse van de sleuf bevindt zich op een hoogte variërend van 13,7-14 m +NAP. Het vlak bevindt zich op ca. 12,6 m +NAP. De basis van het profiel (afb. 5) bestaat uit fijn dekzand (Zs1), waarin verspreid kleine kiezels voor kunnen komen. In een diep kijkgat (afb. 5 en 6) is ook een laagje leem aangetroffen, ongeveer 0,5 m onder het sporenvlak. Dit leem kan samen met de kiezels tot gestuwde afzettingen worden gerekend. Het sporenvlak is aangelegd in de top van het dekzand. Hierboven is een bruingevlekte laag fijn zand (Zs1) aanwezig, de zogenaamde mollenlaag. Hierop bevind zich een lichtgrijs bruin gekleurd pakket van iets humeus zwak siltig fijn zand (Zs2). Dit interpreteren we als de onderkant van de dikke akkerlaag. Hierop bevindt zich een sterk humeus donkergrijs zwak siltig pakket fijn zand (Zs2), het middelste akkerpakket. Hierboven bevindt zich de top van het akkerpakket, bestaande uit donkergrijs zwak siltig fijn zand (Zs2) dat licht humeus. Op dit dikke akkerpakket bevindt zich een iets humeuze bouwvoor van zwak siltig fijn zand (Zs2).

Afb. 5. Foto van het diepe kijkgat en het oostprofiel van de sleuf (links) en ingezoomd op het ingekraste profiel (rechts). Het sporenvlak wordt afgedekt door een ca. 20 cm bruine door mollen doorwoelde laag. Hierboven zijn de verschillende humeuze akkerpakketten duidelijk van elkaar te onderscheiden.

12

3.2

Archeologie

In de proefsleuf werd slechts één grondspoor waargenomen, een lichtgrijze kleine ronde verkleuring (S1, afb. 6). We veronderstelden dat dit een paalkuil was, maar na couperen bleek het een ondiep spoor te zijn met grillige onderkant die was als natuurlijk interpreteren. Ongeveer halverwege de put werd bij de aanleg van het vlak net boven het sporenvlak (in de mollenlaag) één zeer klein stukje handgevormd aardewerk gevonden (vnr. 1, afb. 6). Op basis van de fijne steengruis magering en het zachte baksel kan deze scherf vermoedelijk in de periode IJzertijdRomeinse tijd worden geplaatst.

Afb. 6. Het sporenvlak van de proefsleuf en de locatie van vnr. 1 en de profielkolom.

Afb. 7. Impressie van de werkzaamheden na de aanleg van het sporenvlak.

13

4 Synthese 4.1

Algemeen

De verwachtingen die op grond van het nabijgelegen proefsleuvenonderzoek zijn gesteld, kunnen op basis van het huidige onderzoek worden aangepast. Binnen het plangebied wordt het sporenvlak afgedekt door een dik plaggendek, dit was ook de verwachting. Dit zijn ideale bewaarcondities voor sporen uit de prehistorie t/m de Middeleeuwen. In de proefsleuf zijn echter geen antropogene sporen aangetroffen. Bij de aanleg van het vlak werd uit de mollenlaag vlak boven het sporenvlak een handgevormd scherfje gevonden uit de periode IJzertijd-Romeinse tijd. Deze vondst laat zien dat in die periode in de buurt activiteiten zijn geweest, wat wordt bevestigd door de eerste resultaten van het proefsleuvenonderzoek binnen nabijgelegen plangebied ‘Halvinkhuizen’. Het huidige onderzoek heeft geen consequenties voor de verwachtingskaart en de daaraan gekoppelde beleidsadvieskaart? Tijdens het proefsleuvenonderzoek kon worden bevestigd dat binnen het plangebied een dik plaggendek aanwezig is. Grondsporen uit de periode prehistorie-Middeleeuwen kunnen hieronder goed bewaard zijn gebleven. Antropogene sporen ontbreken echter binnen onderhavig plangebied, in de nabijheid zijn die wel aanwezig zoals het proefsleuvenonderzoek in plangebied Halvinkhuizen laat zien.

4.2

Beantwoording van de onderzoeksvragen

De onderzoeksvragen die in het Programma van Eisen zijn gesteld zullen hier worden beantwoord op basis van de bevindingen van het proefsleuvenonderzoek. Algemeen 1. Zijn er archeologische resten (sporen, structuren, vondsten) aangetroffen? Antropogene sporen ontbreken. Bij de aanleg van het vlak werd een fragment handgevormd aardewerk aangetroffen uit de periode IJzertijd-Romeinse tijd. 2. Vormen de archeologische resten behoudenswaardige vindplaatsen? Nee. 3. Indien het onderzoek geen archeologische resten of beperkte archeologische fenomenen (bijvoorbeeld alleen losse vondsten) oplevert: welke verklaring is hiervoor te geven? Het ontbreken van antropogene sporen kan eenvoudig worden verklaard door het feit dat men hier in het verleden geen activiteiten heeft uitgevoerd waarbij (diepe) grondsporen zijn achtergebleven. De mollenlaag waaruit de scherf afkomstig is, is met ca. 20 cm behoorlijk dik. In principe zouden kwetsbare (ondiepe) grondsporen door deze laag kunnen zijn gehomogeniseerd en verdwenen. Bodemopbouw en landschap 4. Hoe is de opbouw van het profiel (lithologische laagopeenvolging en bodemhorizonten)? De basis van het profiel bestaat uit fijn dekzand (Zs1), waarin verspreid kleine kiezels voor kunnen komen. In een diep kijkgat is ook een laagje leem aangetroffen. Dit leem kan samen met de kiezels tot gestuwde afzettingen worden gerekend.

Op het dekzand is een bruingevlekte laag fijn zand (Zs1) aanwezig, de zogenaamde mollenlaag. Hierop bevind zich een lichtgrijs bruin gekleurd pakket van iets humeus zwak siltig fijn zand (Zs2). Dit interpreteren we als de onderkant van de dikke akkerlaag. Hierop bevindt zich een sterk humeus donkergrijs zwak siltig pakket fijn zand (Zs2), het middelste akkerpakket. Hierboven bevindt zich de top van het akkerpakket, bestaande uit donkergrijs zwak siltig fijn zand (Zs2) dat licht humeus. Op dit dikke akkerpakket bevindt zich een iets humeuze bouwvoor van zwak siltig fijn zand (Zs2). 5. Indien de bodem verstoord is: in welke mate, waar en waardoor is de bodem in het plangebied verstoord? N.v.t.

14

Perioden en vindplaatsen 6. Wat is per archeologische vindplaats in het onderzoeksgebied: a. de ligging, de omvang en begrenzing (verticaal en horizontaal), b. aard en complextype, c. de vondst- en spoordichtheid, d. de ouderdom en/of de aanwezige archeologische periode(s), e. de mogelijke informatiewaarde van analyses/determinaties van de vondsten en monsters op basis van de scans, f. de kwaliteit van de resten (gaafheid en conservering)? N.v.t. 7. Is er een ensemblewaarde met vindplaatsen in de omgeving van het plangebied? N.v.t. Landschappelijk 8. Hoe ziet de bodemopbouw eruit en in hoeverre is deze aangetast door latere ingrepen? Zie beantwoording vraag 4. 9. Wat is de relatie tussen de vindplaats en het omringende landschap? N.v.t.

15

5 Waardering en selectieadvies 5.1

Waardering van de vindplaats

De waardestelling, zoals voorgeschreven in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA versie 4.1, specificatie VS06) gebeurt op drie niveaus: belevingswaarde, fysieke kwaliteit en inhoudelijke kwaliteit (tabel 2). De eerste is niet van toepassing omdat de vindplaats niet bovengronds zichtbaar is. Alleen de laatste twee niveaus kunnen van toepassing zijn als er sprake is van een vindplaats, maar daarvan is hier geen geval. De fysieke kwaliteit van een vindplaats is gebaseerd op haar conservering en gaafheid. De conservering geeft aan de mate waarin het archeologisch vondstmateriaal bewaard is gebleven, de gaafheid in hoeverre de vindplaats nog compleet is. De beoordeling is voor zowel gaafheid als conservering: drie punten voor hoge, twee punten voor middelhoge en één punt voor lage kwaliteit. Tabel 2. Scoretabel waardestelling (naar KNA, versie 4.1). Waarden

Criteria

Scores

Beleving

Schoonheid Herinneringswaarde Gaafheid Conservering Zeldzaamheid Informatiewaarde Ensemblewaarde Representativiteit

Hoog Midden Wordt niet gescoord Wordt niet gescoord Wordt niet gescoord Wordt niet gescoord Wordt niet gescoord Wordt niet gescoord Wordt niet gescoord N.v.t.

Fysieke kwaliteit Inhoudelijke kwaliteit

5.2

Laag

Totale score

Selectieadvies

Tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn geen relevante archeologische resten aangetroffen binnen het plangebied. ADC ArcheoProjecten adviseert het plangebied vrij te geven voor verdere ontwikkeling.

16

Lijst van afbeeldingen Afb. 1. Locatie van het plangebied op de topografische kaart. Afb. 2. Foto van het plangebied voorafgaand aan het onderzoek. Afb. 3. Uitsnede van het principeplan van de Roosendaalseweg 109. In bruin de geplande woningen. Afb. 4. Locatie van het plangebied (rood) en de proefsleuf (zwart) op de topografische kaart. Afb. 5. Foto van het diepe kijkgat en het oostprofiel van de sleuf (links) en ingezoomd op het ingekraste profiel (rechts). Het sporenvlak wordt afgedekt door een ca. 20 cm bruine door mollen doorwoelde laag. Hierboven zijn de verschillende humeuze akkerpakketten duidelijk van elkaar te onderscheiden. Afb. 6. Het sporenvlak van de proefsleuf en de locatie van vnr. 1 en de profielkolom. Afb. 7. Impressie van de werkzaamheden na de aanleg van het sporenvlak.

Lijst van tabellen Tabel 1. Overzicht van de verschillende (pre)historische perioden. Tabel 2. Scoretabel waardestelling (naar KNA, versie 4.1).

17

Verklarende woordenlijst Antropogene sporen Alle immobiele sporen van menselijke oorsprong, variërend van paalgaten of fosfaatvlekken tot muurresten. AMK Archeologische Monumentenkaart geeft een overzicht van gewaardeerde archeologische terreinen in vier categorieën: 1). Archeologische waarde, 2) Hoge archeologische waarde, 3) Zeer hoge archeologische waarde en 4) Zeer hoge archeologische waarde beschermd. De AMK is de gezamenlijke verantwoordelijkheid van de RCE en de provincies en wordt beheerd door de RCE. Archeologische indicatoren Indicatief archeologisch materiaal dat bij (boor)onderzoek een aanwijzing kan zijn voor de aanwezigheid, ter plaatse of in de nabijheid, van een archeologische vindplaats. Archis Archeologisch Informatie Systeem. Dit door de RCE beheerde systeem bevat informatie over o.a. onderzoeksmeldingen, vondstmeldingen, waarnemingen, complexen en monumenten. 14C Koolstof (radioactieve isotoop), gebruikt voor datering.

CMA Centraal Monumenten Archief. Conservering De mate waarin anorganische (aardewerk, vuursteen, metaal, glas etc.) en organische archeologische resten (bot, zaden, hout etc.) bewaard zijn gebleven. Ensemblewaarde De meerwaarde die aan een vindplaats wordt toegekend op grond van de mate waarin sprake is van een landschappelijke en/of archeologische context. Ex situ Niet ter plaatse. Aanduiding die wordt gebruikt om aan te geven of grondsporen en / of artefacten zich niet meer op de oorspronkelijke plaats in de bodem bevinden. Behoud ex situ is het bewaren van de archeologische informatie door definitief onderzoek (opgraven, documenteren en registreren). Gaafheid De mate van (fysieke) verstoring van de bodem en/of de (eventueel aanwezige) archeologische waarden, zowel in verticale zin (diepte) als in horizontale zin (omvang). Herinneringswaarde De herinnering die een archeologisch monument oproept over het Verleden. IKAW Indicatieve kaart van archeologische waarden, een door de RCE geproduceerde kaart op landelijk niveau met de verwachte relatieve of absolute dichtheid van (bepaalde) archeologische verschijnselen in de bodem. IVO Inventariserend VeldOnderzoek.

Het verwerven van (extra) informatie over bekende of verwachte archeologische waarden binnen een onderzoeksgebied, als aanvulling op en toetsing van de archeologische verwachting, gebaseerd op het bureauonderzoek middels waarnemingen in het veld. Informatiewaarde De betekenis van een monument als bron van kennis over het verleden. De informatiewaarde wordt bepaald door de mate waarin (een opgraving van) het monument een bijdrage kan leveren aan nieuwe kennisvorming over het verleden. In situ Achtergebleven op exact de plaats waar de laatste gebruiker het heeft gedeponeerd, weggegooid of verloren. Behoud in situ is het behouden van archeologische waarden in de bodem. KNA Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie. NAP Normaal Amsterdams Peil (=officieel peilmerk). PVA Plan van Aanpak. Een door de opdrachtnemer op te stellen plan voor de uit te voeren werken waarmee beoogd wordt aan de vereisten zoals geformuleerd in het Programma van Eisen en/of het ontwerp te voldoen. Ook wordt hierin een voorstel gedaan voor de werkwijze waarmee de in het Programma van Eisen en/of ontwerp geformuleerde resultaatsverwachtingen bereikt kunnen worden. PVE Programma van Eisen.

Het PvE is een door een bevoegde overheid opgesteld of bekrachtigd document dat de probleem- en doelstelling van de te verrichten werkzaamheden van de vindplaats geeft en de daaruit af te leiden eisen formuleert met betrekking tot het uit te voeren werk.

18

RCE Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Representativiteit De mate waarin een bepaald type vindplaats typerend is voor een periode dan wel een gebied. RTS Robotic Total Station. Hiermee worden vlakken direct digitaal ingemeten. Schoonheid De esthetisch-landschappelijke waarde van een archeologisch monument, die vooral in zichtbaarheid tot uiting komt. Selectieadvies Archeologisch inhoudelijk advies over de behoudenswaardigheid van een vindplaats. Dit wordt opgesteld aan de hand van de waarderingscriteria. Zeldzaamheid De mate waarin een bepaald type monument schaars is (of is geworden) voor een periode of in een gebied.

19

Afkortingen in de database

20

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12796474/1