CConstaterende datPutten
Koppel je AI →
Document · PDF

Archeologisch onderzoek

Gemeenteraad 6 maart 2025, gemeente PuttenBij agendapunt: Adviesrecht aanvraag omgevingsvergunning aanplanting bos Koudhoorn5.310 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Rapport 6300

OP ZOEK NAAR RESTEN VAN RAATAKKERS IN KOUDHOORN, GEMEENTE PUTTEN D. van Melis & W. Roessingh

Op zoek naar resten van raatakkers in Koudhoorn, gemeente Putten Een Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van proefsleuven

D. van Melis & W. Roessingh

Met een bijdrage van: K. Hebinck

Colofon ADC Rapport 6300 Op zoek naar resten van raatakkers in Koudhoorn, gemeente Putten Een Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van proefsleuven D. van Melis & W. Roessingh Met een bijdrage van K. Hebinck In opdracht van: Staatsbosbeheer Foto’s en tekeningen: ADC ArcheoProjecten, tenzij anders vermeld © ADC ArcheoProjecten, Amersfoort, september 2024 Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. ADC ArcheoProjecten aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.

Willem Jezeer

ISSN 1875-1067

ADC ArcheoProjecten Nijverheidsweg-Noord 114 3812 PN Amersfoort T 033 299 8181 E info@archeologie.nl W www.archeologie.nl

Inhoudsopgave Administratieve gegevens van het onderzoeksgebied Samenvatting 1 Inleiding 1.1 Algemeen 1.2 Vooronderzoek 1.3 Doel van het onderzoek en onderzoeksvragen 1.4 Onderzoeksvragen 1.5 Opzet van het rapport 2 Methoden 2.1 Voorbereiding 2.2 Veldwerk 3 Resultaten 3.1 Inleiding 3.2 Fysisch geografisch onderzoek K. Hebinck 3.2.1 Achtergrond 3.2.2 Bodemopbouw 3.2.3 Conclusie 4 Reflectie 4.1 Algemeen 4.2 Beantwoording van de onderzoeksvragen 5 Waardering en selectieadvies Literatuur Lijst van afbeeldingen Lijst van tabellen Verklarende woordenlijst Afkortingen in de database

3

4 5 7 7 8 8 9 9 10 10 12 14 14 14 14 17 20 21 21 21 22 23 23 23 24 26

Administratieve gegevens van het onderzoeksgebied

Provincie:

Gelderland

Gemeente:

Putten

Plaats:

Putten

Toponiem:

Koudhoorn

Kadastrale gegevens:

Perceel PTN01D 2835a

Kaartblad:

27B

Centrum-coördinaat:

174.080/470.895

Coördinaten:

NW: 174.131/470.937 NO: 174.132/470.936 ZW: 174.013/470.844 ZO: 174.015/470.842

Projectverantwoordelijke:

W. Roessingh

Opdrachtgever:

Staatsbosbeheer Team Advies & Projecten (GEL) Provinciale eenheid Gelderland Locatie Ugchelen (Apeldoorn) Contactpersoon: W. van de Hel

Bevoegde overheid:

Gemeente Putten

Deskundige namens de bevoegde overheid:

M. H. Wispelwey

Goedkeuring rapport door bevoegde overheid:

4 september 2024

Archiszaaknummer:

5608476100

ADC-projectcode:

002357

Complex en ABR codering:

Celtic field/ raatakker (ELCF)

Periode(n):

Late prehistorie

KNA versie:

4.2

Geomorfologische context:

Stuwwal

NAP hoogte maaiveld:

28,3 - 30,9 m +NAP

Maximale diepte onderzoek:

60 cm onder maaiveld

Uitvoering van het veldwerk:

3 juni 2024

Beheer en plaats documentatie:

Provinciaal Depot voor Bodemvondsten Gelderland

4

Samenvatting In opdracht van Staatsbosbeheer heeft ADC ArcheoProjecten een Inventariserend Veldonderzoek (IVO) in de vorm van proefsleuven uitgevoerd voor het plangebied Koudhoorn, te Putten. Dit archeologisch onderzoek valt binnen het project ‘Inrichtingsplan / natuurontwikkeling Koudhoorn’. Het plangebied bevindt zich binnen een uitgestrekt complex van raatakkers / Celtic fields uit de late prehistorie. Direct ten westen en zuiden van het plangebied bevindt zich bos en sporen van dit systeem zijn hier in de vorm van lage walletjes nog goed zichtbaar op hoogtekaarten. Het plangebied is al enkele decennia in gebruik als landbouwgrond en sporen van de walletjes zijn binnen het plangebied niet te herkennen op hoogtekaarten. Het proefsleuvenonderzoek had tot doel aanwijzingen van de raatakkers in de (diepere) ondergrond op te sporen. Tijdens het onderzoek is een 150 m lange sleuf aangelegd, haaks op de raatakkers. In de sleuf werden geen grondsporen of vondsten aangetroffen, aanwijzingen voor walletjes ontbraken. De landbewerking op het perceel heeft ervoor gezorgd dat de oude raatakkers volledig zijn verdwenen. ADC ArcheoProjecten heeft geadviseerd het plangebied vrij te geven voor verdere ontwikkeling.

5

Tabel 1.1. Overzicht van de verschillende perioden.

6

1

Inleiding 1.1

Algemeen

In opdracht van Staatsbosbeheer heeft ADC ArcheoProjecten een Inventariserend Veldonderzoek (IVO) in de vorm van proefsleuven uitgevoerd voor het plangebied Koudhoorn, te Putten (afb. 1.1). Dit archeologisch onderzoek valt binnen het project ‘Inrichtingsplan / natuurontwikkeling Koudhoorn’. Het plangebied is eigendom van Staatsbosbeheer en de pacht van het perceel vervalt. Hierdoor kan het terrein worden toegevoegd aan het Gelders Natuur Netwerk. Ten gevolge daarvan zal het perceel niet langer als akker worden gebruikt en zal getracht worden het gebied om te zetten naar bos. De exacte bodem verstorende ingrepen zijn bij aanvang van het proefsleuvenonderzoek nog niet bekend. Aangenomen wordt dat de wortels van de bomen de grond tot een behoorlijke diepte zullen roeren. Zo zijn zowel eiken- als dennenbomen diep wortelend en gaan de penwortels van deze soorten meerdere meters diep de grond in. Verwacht wordt dat eventueel aanwezige archeologische resten direct onder de bouwvoor (dikte naar verwachting ca. 50 cm) te vinden zijn. Door wortelwerking worden deze resten bedreigd en is besloten een archeologisch proefsleuvenonderzoek uit te voeren.

Afb. 1.1. Locatie van het plangebied. Het plangebied heeft een oppervlakte van bijna 5 ha en is momenteel in gebruik als akker. Het gebied ligt ten zuiden van buurtschap Koudhoorn (gemeente Putten) en wordt begrensd door akkerland ten noorden en oosten van het plangebied en door bos ten zuiden en westen. In het gebied is één proefsleuf aangelegd met een breedte van 1,8 m en een lengte van 150 m. In totaal is hiermee 272 m2 onderzocht.

7

Het veldwerk is uitgevoerd op 3 juni 2024. Op deze datum is de proefsleuf aangelegd en onderzocht conform het Programma van Eisen (PvE), dat door M.H. Wispelwey is opgesteld.1 Dit ontwerp is goedgekeurd door E. Hanewald van de gemeente Putten. Het PvE is aangevuld met een Plan van Aanpak (PvA), dat door ADC ArcheoProjecten is geschreven.2 Er zijn tijdens het onderzoek geen vondsten of sporen aangetroffen. Het veldteam bestond uit de volgende personen: W. Roessingh (senior archeoloog), D. van Melis (veldarcheoloog), K. Hebrinck (fysisch geograaf) en B. Naardin (vrijwilliger). De kraan werd bediend door een kraanmachinist van de firma Van de Stroet. De contactpersoon bij opdrachtgever (Staatsbosbeheer) is W. van de Hel. Controle en coördinatie van documentatie is uitgevoerd door J.W. Beestman.

1.2

Vooronderzoek

Archeologische vooronderzoek in de vorm van een KNA conforme bureaustudie of booronderzoek heeft voor het plangebied niet plaatsgevonden. Wel is een cultuurlandschappelijke bureauonderzoek in de vorm van een quick-scan uitgevoerd, dat als bijlage onderdeel uitmaakt van het PvE. In deze bijlage is een korte analyse uiteengezet over de ontwikkeling van het plangebied door de eeuwen heen. Hieruit blijkt dat het plangebied in 1832 bestond uit heide en dat de eerste stappen van ontginning omstreeks 1850 plaatsvonden door de aanleg van een greppel rond het te ontginnen gebied. Rond 1910 is het plangebied daadwerkelijk ontgonnen en bebost. Rond het jaar 1950 wordt het bos weer gekapt en wordt weer heide aangebracht. Kort na de aanplant van de heide, er wordt hiervoor geen jaartal gegeven, wordt het terrein wederom ontgonnen en omgezet naar grasland en bouwland. Er wordt verder opgemerkt dat met name het gebruik van het plangebied als bouwland en de daaruit volgende jaarlijkse grondbewerking niet bevorderlijk is voor de zichtbaarheid van de raatakkers. De vervlakking van het reliëf in het plangebied zorgt er immers voor dat eventuele wallen met de grond gelijk worden gemaakt. Het bos ten westen van het plangebied laat de honingraadstructuur nog steeds goed zien.

Afb. 1.2. Sfeerbeeld van het plangebied en het omliggende bos.

1.3

Doel van het onderzoek en onderzoeksvragen

Het IVO in de vorm van proefsleuven heeft tot doel de aard, omvang en kwaliteit (gaafheid en conservering) vast te stellen van de vindplaats(en) in het gebied om te komen tot een definitief oordeel over de behoudenswaardigheid ervan. Daarnaast moeten gegevens verkregen worden om hetzij verder archeologisch onderzoek mogelijk te maken, hetzij adequate maatregelen voor behoud en beheer te kunnen treffen.

1 M.H. Wispelwey 2023: Programma van Eisen Koudhoorn, Putten. Inrichtingsplan / Natuurontwikkeling Koudhoorn, gemeente

Putten (d.d. 28-12-2023). 2 W. Roessingh 2024: Plan van Aanpak proefsleuvenonderzoek naar Celtic fields in Koudhoorn, Putten (d.d. 17-04-2024).

8

1.4

Onderzoeksvragen

Het PvE omschrijft het doel van het onderzoek als volgt: Het doel van de in dit PvE omschreven onderzoek middels sleuven is het vaststellen / documenteren van restanten van het Celtic field dat hier ooit is geweest. Wat is de invloed van de ontginning van de heide, het bebossen ervan en het weer rooien van het bos alsmede het gebruik als bouwland op de honingraat-structuren van het Celtic field. Zodoende kan een uitspraak gedaan worden over het in situ voorkomen van restanten van Celtic fields in dit soort situaties. In het PvE zijn verschillende onderzoeksvragen gesteld. Deze worden in dit rapport beantwoord op basis van hetgeen in de proefsleuven is aangetroffen. De volgende onderzoeksvragen zijn in het PvE gesteld: 1. Zijn in het plangebied archeologische grondsporen aanwezig die gerelateerd kunnen worden aan een Celtic field? Zo ja: 1a. Waar blijkt dat uit en wat is de aard van de sporen/bodemopbouw etc.? 1b. Hoe uiten deze sporen/structuren zich? 1c. Wat is de diepteligging daarvan? 1d. Wat is de gaafheid en conservering daarvan? 1e. Tot welke structuren behoren de aangetroffen sporen? 1f. Is er sprake van een onderscheid in wallen en laagten? 1g. Hoe is dit onderscheid te omschrijven? 1h. Zijn er vondsten die bij de aanleg van de sleuf zijn gedaan welke een daterende link hebben met het Celtic field? 1i.

Welke andere fenomenen zijn aangetroffen die gerelateerd zijn aan het Celtic field? Naast de onderzoeksvragen uit het PvE, is in het PvA de onderzoeksopzet als volgt verwoord: Het onderzoek richt zich op een tweetal thema’s: bewoning en akkerbouw in de late prehistorie. Het plangebied bevindt zich in een landschap dat in de late prehistorie (vermoedelijk IJzertijd, maar mogelijk al eerder) bewoond was en werd ontgonnen. De relatie tussen woon- en akkergronden in de late prehistorie is een belangrijk onderzoeksthema waar we nog weinig van weten. Onderhavig onderzoek kan hier mogelijk meer duidelijkheid in geven. Sporen van bewoning kunnen zich manifesteren in de vorm van (paal)kuilen, greppels en de spreiding van vondstmateriaal. Op terreinen met goed bewaard gebleven sporen van raatakkers, zijn walletjes doorgaans te herkennen in doorlopende profielen als lichte verhogingen. De ophogingen van de walletjes zelf zijn echter niet altijd goed te onderscheiden, ook al zijn ze op hoogtekaarten nog goed zichtbaar. Problematisch is als schoon sediment (zand) op zand is opgeworpen. Beter te onderscheiden is sediment van gebruiksgronden (oude akkers/woongronden) dat is gebruikt voor de opwerping van wallen.

Dan zouden misschien nog archeologische indicatoren kunnen worden waargenomen in de wal of in eventueel verploegde wallen onderin het profiel.3 Ook het gebruik van plaggen bij ophogingen kan soms worden herkend aan een afwijkende gelaagdheid of de aanwezigheid van een oude bodem in de ophoging. Dit soort aanwijzingen zijn op het oog soms zichtbaar, maar kunnen met slijpplatenonderzoek het beste worden bevestigd of uitgesloten.

1.5

Opzet van het rapport

Dit rapport betreft een standaardrapport zoals genoemd in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA 4.2 -specificatie VS05). In dit rapport worden de resultaten van het onderzoek gepresenteerd, waarna de eerste conclusies volgen. Dit onderzoek vormt geen eindstation, maar de basis van waaruit verder synthetiserend onderzoek kan plaatsvinden. Na de samenvatting en dit inleidende hoofdstuk volgt een omschrijving van de onderzoeksmethoden in hoofdstuk 2. Vervolgens worden de resultaten in hoofdstuk 3 gepresenteerd en volgt na de reflectie in hoofdstuk 4 de waardering en het selectieadvies in hoofdstuk 5. 3 Zie bijvoorbeeld het recent onderzoek naar Celtic fields: op de vindplaats Herkenbosch-De Meinweg (Arnoldussen et al. 2014)

en de vindplaats Valthe (Fens & Arnoldussen 2015).

9

2

Methoden 2.1

Voorbereiding

Als voorbereiding op het veldwerk is met behulp van diverse kaarten het raatakker complex in de omgeving van het plangebied in kaart gebracht (afb. 2.1 t/m afb. 2.3). De walletjes hiervan waren in de omliggende bossen goed te onderscheiden. Binnen het plangebied dat als akker in gebruik was, zijn sporen van het raatakker complex niet zichtbaar door egalisatie.

Afb. 2.1. Kaart van het AHN4 in de omgeving van het plangebied (rood). De raatakkers ten westen van het plangebied zijn duidelijk te onderscheiden.

10

Afb. 2.2. Schaduw reliëfkaart in de omgeving van het plangebied (rood). De raatakkers ten westen en zuiden van het plangebied zijn op dit beeld duidelijk te onderscheiden.

Afb. 2.3. Het plangebied op een gecombineerde hoogtekaart en schaduw reliëfkaart.

11

Het verloop van de walletjes binnen het plangebied kan natuurlijk wel bij benadering worden gereconstrueerd. De geplande proefsleuf heeft een noordoost-zuidwest oriëntatie en is haaks op de wallen gericht, zodat drie wallen van het raatakker complex doorsneden zouden worden (afb. 2.4).

Afb. 2.4. Reconstructie van de walletjes (geel) op basis van het AHN beeld en de ligging van de proefsleuf (paars).

2.2

Veldwerk

Het onderzoek is uitgevoerd conform de KNA 4.2, het PvE en het PvA. Tijdens het onderzoek is één proefsleuf aangelegd van 150 m lang en 1,8 m breed (afb. 2.5). Het sporenvlak lag op een diepte van 40 tot 60 cm onder het maaiveld, in de top van de C-horizont (afb. 2.6). De aanleg van het vlak vond laagsgewijs plaats. Tijdens de aanleg van het vlak is gezocht met de metaaldetector en ook de stort is met de metaaldetector afgezocht. Het volledige lengteprofiel van het noorden van de sleuf is gefotografeerd en getekend (schaal 1:20). Hierbij is goed gelet op aanwijzingen voor de aanwezigheid van wallen. Het lengteprofiel is beschreven door de fysisch geograaf. Er zijn op twee locaties in de proefsleuf diepere kijkgaten gegraven tot ca. 2 m onder maaiveld. Op één locatie waar op basis van de hoogtekaarten een walletje zou moeten zitten is een monsterbak in het profiel geslagen t.b.v. eventueel slijpplaatonderzoek. Het gebruik van plaggen bij ophogingen kan soms worden herkend aan een afwijkende gelaagdheid of de aanwezigheid van een oude bodem in de ophoging. Dit soort aanwijzingen zijn op het oog soms zichtbaar, maar kunnen met slijpplatenonderzoek het beste worden bevestigd of uitgesloten.

12

Afb. 2.5. Ligging van de proefsleuf (rood) binnen het plangebied (zwart kader) op de topografische kaart.

Afb. 2.6. Impressie van het veldwerk.

13

3

Resultaten 3.1

Inleiding

Tijdens het archeologisch onderzoek zijn geen archeologische resten aangetroffen. De landbewerking van de afgelopen decennia heeft ervoor gezorgd dat sporen van het raatakker complex volledig is verdwenen.4 Ook zijn geen oudere of jongere sporen of vondsten aangetroffen. In dit hoofdstuk wordt de landschappelijke setting behandeld en komen de resultaten van het fysisch geografisch onderzoek aan bod.

3.2

Fysisch geografisch onderzoek

K. Hebinck 3.2.1 Achtergrond Het plangebied ligt op de westelijke flank van de Puttense stuwwal, die het noordwestelijke deel vormt van het stuwwallencomplex van de Veluwe. Dit stuwwallencomplex is door het oprukkende landijs gevormd tijdens het Saalien, de voorlaatste ijstijd (ca. 238.000 - 126.000 jaar geleden). Relatief snel bewegende ijstongen rukten vanaf de ijskap in het noorden op in zuidelijke richting, waarbij diepe glaciale bekkens werden uitgesleten. Het sediment dat hierbij werd geërodeerd, werd voor de ijstongen uit opgestuwd en vormde zo de stuwwallen. Zo zijn rondom ijstongen in het huidige Eemdal de stuwwallen van de Utrechtse Heuvelrug en de westrand van de Veluwe (de Edese en Puttense stuwwal) ontstaan. De gestuwde afzettingen zijn doorgaans grofzandige en grindige afzettingen, van oorsprong door de Rijn en Maas afgezet.5 Het plangebid ligt op de westelijke uitloper van de stuwwal op een hoogte van de relatief steile, westelijke flank van de stuwwal op een hoogte van 32,7 m +NAP in het oosten tot 28,1 m +NAP langs de westelijke rand van het terrein (afb. 3.1). Op ca. 1,2 km ten oosten van het plangebied ligt het maaiveld boven de 50 m +NAP. De dekzanden ten westen liggen op ca. 20 m +NAP (afb. 3.1).

4 Op één locatie is voor de zekerheid een pollenbak in het profiel geslagen, voor eventueel bodem-micromorfologisch

onderzoek. Maar door het volledig ontbreken van aanwijzingen voor ophogingen op de C-horizont, of andere bodemvormende processen in de C-horizont, is in overleg met de bevoegde overheid besloten deze bak niet verder te laten onderzoeken. 5 Berendsen 2008, 159-161.

14

Afb. 3.1. Het plangebied op een uitsnede van het AHN4. In het laatste ijstijd, het Weichselien (116.000 – 11.700 jaar geleden) bereikt het landijs Nederland niet. Wel is sprake van een periglaciaal klimaat en de bodem grotendeels permanent bevroren. Het lag destijds in de zogenaamde periglaciale zone waarin een poolklimaat heerst. De bodem is gedurende lange tijd permanent bevroren (permafrost) en vegetatie is vrijwel verdwenen. Onder deze periglaciale omstandigheden hebben wind en water vrij spel. Door de aanwezigheid van permafrost kan het (smelt)water slecht in de bodem infiltreren en moet het via het oppervlak afstromen. Als gevolg hiervan vindt onder invloed van het afstromend smeltwater sterke erosie plaats en zijn in de steile hellingen van de stuwwallen zogenaamde sneeuwsmeltwaterdalen ontstaan.6 Koudhoorn, op ca 500 m ten noorden van het plangebied, ligt in een dergelijk (trechtervormig) droogdal. Ook ten noordoosten van het plangebied ligt nog een kleiner droogdal (afb. 3.2). Lager op de flanken van de stuwwal zijn sneeuwsmeltwaterafzettingen afgezet. Gedurende de koudste fasen van het Weichselien werd ook op grote schaal zand door de wind verplaatst, waarbij de lagere delen van de stuwwallen en de smeltwaterafzettingen rondom de stuwwallen zijn afgedekt door het zogenaamde dekzand.

Dit zijn matig fijne tot matig grove zandige afzettingen, al kan door verspoeling op de helling ook hier grover materiaal en grind in zijn opgenomen. Op de hoger delen van de stuwwallen ontbreekt het dekzand, maar op de flanken is het dekzand afgezet als zogenaamde gordeldekzanden.

6 Berendsen 2008, 194-195.

15

Afb. 3.2. Het plangebied op de Geomorfologische Kaart van Nederland. In het Holoceen (11.700 - heden) treedt een klimaatverbetering op en kan in de pleistocene zanden bodemvorming optreden. In de relatief rijke gestuwde afzettingen die bestaan uit de fluviatiele grove zanden van de Rijn en de Maas zijn voornamelijk moderpodzolen (holtpodzolgronden) ontstaan en in de armere, eolische dekzanden humuspodzolen (haarpodzolgronden). Dit is ook terug te zien op de bodemkaart waarop binnen het plangebied en omgeving een holtpodzolgrond is gekarteerd en op de lagere (dekzand)gronden naar het westen haarpodzolgronden (afb. 3.3). Holtpodzolgronden worden ook wel bruine bosbodems genoemd en worden gekenmerkt door een dikke moderpodzol-B-horizont die in een natuurlijke situatie vrijwel direct onder een dunne Ahorizont voorkomen en zeer geleidelijk overgaat in de C-horizont.7

7 Bakker et al. 1989, 120.

16

Afb. 3.3. Het plangebied op de Bodemkaart van Nederland. 3.2.2 Bodemopbouw De 150 meter lange proesleuf ligt op de flank van de stuwwal. In het uiterste noordoosten van de sleuf ligt het maaiveld op een hoogte van 30,98 m +NAP. Tussen ca. 15 en 40 meter van het noordoostelijke uiteinde van de sleuf is nog een klein ruggetje aanwezig waar het maaiveld op het hoogste punt ligt op een hoogte van 31,23 m +NAP. Vanaf hier loopt het maaiveld af tot 28,35 m +NAP op het zuidwestelijke uiteinde van de sleuf (afb. 3.4).

17

Afb. 3.4. Detail van het AHN binnen het plangebied. De bodem binnen het plangebied bestaat uit een 22 tot 32 cm dikke bouwvoor van donkerbruingrijs, zwak siltig, zwak humeus, zwak grindig, matig grof zand. Deze bouwvoor gaat overal met een scherpe grens over in de onderliggende, ongeroerde afzettingen. In het profiel en ook in het vlak zijn duidelijke moderne ploegsporen te zien. De natuurlijke afzettingen bestaan uit zwak siltig, matig tot zeer grof, zwak tot sterk grindig, slecht gesorteerd zand. Vooral op het kleine ruggetje in het noordoostelijke deel van de sleuf zijn de afzettingen sterk grindig (afb. 3.5).

Afb. 3.5. De grindige afzettingen in het oostelijke deel van het profiel.

18

Onder de bouwvoor is in vooral het zuidwestelijke deel van het profiel nog een donkergele tot geelbruine, enigszins gevlekte laag aanwezig die diffuus overgaat in het gelere zand (afb. 3.6). Dit betreft een laag die vooral sterk is omgewerkt door bioturbatie, maar deze laag moet ook nog gezien worden als moderpodzol-B-horizont. De dikte van deze laag ligt tussen de ca. 20 en 40 cm en is in het centrale deel van het profiel, waar ook de helling iets groter is, gemiddeld iets dunner dan in het zuidwestelijke deel en ook het uiterste noordoosten. Opvallende verschillen in de bodemopbouw en dan voornamelijk de dikte van deze B-horizont tussen de delen waar de walletjes van de raatakkers werden verwacht en de overige delen van het profiel, zijn niet te zien. Ter plaatse van één van die (mogelijke) walletjes (gereconstrueerd op basis van walletjes in de nabijheid van het plangebied: afb. 2.4) is het profiel dieper doorgezet. Ook hier was geen verschil in bodemopbouw te zien ten opzichte van de rest van het profiel. Onderin het profiel waren hier meer gelaagde afzettingen te zien (afb. 3.7). Dit laat goed zien dat de bodem hier aan de top bestaat uit verspoelde afzettingen op de flank van de stuwwal.

Afb. 3.6. De geelbruine moderpodzol-B-horizont in het westelijke deel van het profiel.

Afb. 3.7. De verspoelde, gelaagde afzettingen.

19

3.2.3 Conclusie Het volledige profiel is weergegeven in afb. 3.8. De ondergrond wordt binnen het plangebied overal gevormd door de verspoelde afzettingen op de flank van de stuwwal. In de top van deze afzettingen is overal een moderpodzolB-horizont gevormd. Deze is overal in het profiel afgetopt door het ploegen van het land. In het profiel zijn in de bodemopbouw geen verschillen waargenomen tussen de (mogelijke) walletjes van de raatakkers en de delen daarbuiten. Rekening gehouden werd met een mogelijk meer intact bodemprofiel onder de walletjes of een dikkere of juist dunnere B-horizont. Dergelijke verschillen zijn nergens waargenomen. Voor zover dit al zichtbaar zal zijn geweest in de bodem, zal dit waarschijnlijk slechts ondiep zijn geweest waardoor de bodem in het plangebied door het ploegen al teveel is afgetopt en geëgaliseerd en het nu in de bodemopbouw niet meer te zien is. De verschillen die te zien zijn in het bodemprofiel lijken vooral gekoppeld te zijn aan het natuurlijke reliëf.

Afb. 3.8. Het volledige profiel door het plangebied. Horizontale schaal 1:1000. Verticale schaal 1:50. In het profiel en ook in afb. 3.4 zijn binnen het plangebied twee lage ruggetjes herkenbaar die zuidoost-noordwest georiënteerd zijn. De oriëntatie van deze ruggen is net niet gelijk aan de oriëntatie van de walletjes van de raatakkers zoals die vooral buiten het plangebied zichtbaar zijn. Deze twee ruggen hebben een natuurlijke oorsprong en zijn ontstaan als gevolg van de afspoeling op de flank van de stuwwal. Vooral voor de oostelijke en meest duidelijke rug is dit goed zichtbaar aan de sterk grindige afzettingen die hier aanwezig zijn. De laagte tussen deze ruggetjes lijkt een klein droogdalletje te zijn dat afloopt richting het grotere droogdal waarin Koudhoorn ligt.

20

4

Reflectie 4.1

Algemeen

De verwachtingen die op grond van de quick-scan zijn gesteld, kunnen op basis van het huidige onderzoek worden aangepast. Het plangebied bevindt zich in een uitgestrekt raatakker complex, een systeem van walletjes die vermoedelijk verband houden met landbewerking in de late prehistorie. Het plangebied bevindt zich op een moderne akker en uit het proefsleuvenonderzoek is duidelijk geworden dat de grondbewerking op het perceel niet gunstig is geweest voor het oude raatakker complex. Sporen van walletjes zijn volledig verdwenen. Wel zijn de walletjes nog aanwezig in het westelijk en zuidelijk gelegen bos en goed te herkennen op hoogtekaarten. Uit het proefsleuvenonderzoek is ook duidelijk geworden dat geen andere (oudere of jongere) sporen of vondsten op het terrein aanwezig zijn. Het onderzoek naar raatakkers kent de laatste jaren een opleving, omdat we eigenlijk nog weinig weten van dit laat-prehistorische systeem van landbouw of landbewerking. De meeste raatakkers bevinden zich op (beschermde) heidegebieden of in bossen. Deze worden doorgaans niet direct bedreigd door grootschalige ingrepen zoals woningbouw of de aanleg van wegen. Voor de raatakkers in bossen moeten we ons afvragen wat de invloed van wortelwerking is op dit bijzondere laat-prehistorische erfgoed. Daar is tot op heden niet veel onderzoek naar gedaan.

Het verdient dan ook aanbeveling om een goed bewaard gebleven complex van raatakkers eens goed te onderzoeken. Daarbij wordt dan bij voorkeur een groter oppervlak onderzocht dan tot op heden gebruikelijk is. Het huidige veldonderzoek op deze ‘niet bedreigde’ complexen is vaak zeer kleinschalig en bestaat doorgaans uit kleine test putjes. Grote opgravingsvlakken en doorlopende profielen door een goed bewaard complex zal veel kenniswinst opleveren over deze grootschalige verkavelingen uit de late prehistorie. Door een beter begrip van deze intrigerende complexen kunnen we ze voor de toekomst ook beter beschermen.

4.2

Beantwoording van de onderzoeksvragen

De onderzoeksvragen die in het Programma van Eisen zijn gesteld zullen hier worden beantwoord op basis van de bevindingen van het proefsleuvenonderzoek. De volgende onderzoeksvragen zijn in het PvE gesteld: 1. Zijn in het plangebied archeologische grondsporen aanwezig die gerelateerd kunnen worden aan een Celtic field? Zo ja: 1a. waar blijkt dat uit en wat is de aard van de sporen/bodemopbouw etc? 1b. hoe uiten deze sporen/structuren zich? 1c. Wat is de diepteligging daarvan? 1d. Wat is de gaafheid en conservering daarvan? 1e. Tot welke structuren behoren de aangetroffen sporen? 1f. is er sprake van een onderscheid in wallen en laagten? 1g. hoe is dit onderscheid te omschrijven? 1h. zijn er vondsten die bij de aanleg van de sleuf zijn gedaan welke een daterende link hebben met het Celtic field? 1i. welke andere fenomenen zijn aangetroffen die gerelateerd zijn aan het Celtic field? Er zijn in het plangebied geen sporen of vondsten aangetroffen die gerelateerd kunnen worden aan een Celtic field.

21

5

Waardering en selectieadvies De waardestelling, zoals voorgeschreven in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA versie 4.2, specificatie VS06) gebeurt op drie niveaus: belevingswaarde, fysieke kwaliteit en inhoudelijke kwaliteit. Het plangebied bevindt zich binnen een omvangrijk raatakker complex dat we als vindplaats beschouwen. Het proefsleuvenonderzoek heeft aangetoond dat sporen van deze raatakkers binnen het plangebied door landbewerking zijn verdwenen. Zodoende is binnen het plangebied geen sprake meer van een vindplaats. ADC ArcheoProjecten heeft geadviseerd het plangebied vrij te geven voor verdere ontwikkeling.

22

Literatuur Arnoldussen, S., E. Scheele & J.W. de Kort 2014: Briefrapport verkennend veldonderzoek Celtic field Herkenbosch – ‘De Meinweg’ (Grondsporen 19), Groninger Instituut voor Archeologie, Rijksuniversiteit Groningen, Groningen. Bakker, H. de, J. Schelling, D.J. Brus & C. van Wallenburg, 1989: Systeem van bodemclassificatie voor Nederland : de hogere niveaus. Wageningen. Berendsen, H.J.A., 2008: De vorming van het land. Inleiding in de geologie en de geomorfologie (5de herziene druk), Assen. Fens, R.L. & S. Arnoldussen (red.) 2015: Een opgraving nabij de hunnebedden D36 en D37 te Valthe (Grondsporen 23), Groninger Instituut voor Archeologie, Rijksuniversiteit Groningen, Groningen. Wageningen Environmental Research, 2023: Geomorfologische Kaart van Nederland V2023-01. https://www.broloket.nl/ondergrondmodellen

Lijst van afbeeldingen Afb. 1.1. Locatie van het plangebied. Afb. 1.2. Sfeerbeeld van het plangebied en het omliggende bos. Afb. 2.1. Kaart van het AHN4 in de omgeving van het plangebied (rood). De raatakkers ten westen van het plangebied zijn duidelijk te onderscheiden. Afb. 2.2. Schaduw reliëfkaart in de omgeving van het plangebied (rood). De raatakkers ten westen en zuiden van het plangebied zijn op dit beeld duidelijk te onderscheiden. Afb. 2.3. Het plangebied op een gecombineerde hoogtekaart en schaduw reliëfkaart. Afb. 2.4. Reconstructie van de walletjes (geel) op basis van het AHN beeld en de ligging van de proefsleuf (paars). Afb. 2.5. Ligging van de proefsleuf (rood) binnen het plangebied (zwart kader) op de topografische kaart. Afb. 2.6. Impressie van het veldwerk. Afb. 3.1. Het plangebied op een uitsnede van het AHN4. Afb. 3.2. Het plangebied op de Geomorfologische Kaart van Nederland. Afb. 3.3. Het plangebied op de Bodemkaart van Nederland. Afb. 3.4. Detail van het AHN binnen het plangebied. Afb. 3.5. De grindige afzettingen in het oostelijke deel van het profiel. Afb. 3.6. De geelbruine moderpodzol-B-horizont in het westelijke deel van het profiel. Afb. 3.7. De verspoelde, gelaagde afzettingen. Afb. 3.8. Het volledige profiel door het plangebied. Horizontale schaal 1:1000. Verticale schaal 1:50.

Lijst van tabellen Tabel 1.1. Overzicht van de verschillende perioden.

23

Verklarende woordenlijst Antropogene sporen Alle immobiele sporen van menselijke oorsprong, variërend van paalgaten of fosfaatvlekken tot muurresten. AMK Archeologische Monumentenkaart geeft een overzicht van gewaardeerde archeologische terreinen in vier categorieën: 1). Archeologische waarde, 2) Hoge archeologische waarde, 3) Zeer hoge archeologische waarde en 4) Zeer hoge archeologische waarde beschermd. De AMK is de gezamenlijke verantwoordelijkheid van de RCE en de provincies en wordt beheerd door de RCE. Archeologische indicatoren Indicatief archeologisch materiaal dat bij (boor)onderzoek een aanwijzing kan zijn voor de aanwezigheid, ter plaatse of in de nabijheid, van een archeologische vindplaats. Archis Archeologisch Informatie Systeem. Dit door de RCE beheerde systeem bevat informatie over o.a. onderzoeksmeldingen, vondstmeldingen, waarnemingen, complexen en monumenten. 14C Koolstof (radioactieve isotoop), gebruikt voor datering.

CMA Centraal Monumenten Archief. Conservering De mate waarin anorganische (aardewerk, vuursteen, metaal, glas etc.) en organische archeologische resten (bot, zaden, hout etc.) bewaard zijn gebleven. Ensemblewaarde De meerwaarde die aan een vindplaats wordt toegekend op grond van de mate waarin sprake is van een landschappelijke en/of archeologische context. Ex situ Niet ter plaatse. Aanduiding die wordt gebruikt om aan te geven of grondsporen en / of artefacten zich niet meer op de oorspronkelijke plaats in de bodem bevinden. Behoud ex situ is het bewaren van de archeologische informatie door definitief onderzoek (opgraven, documenteren en registreren). Gaafheid De mate van (fysieke) verstoring van de bodem en/of de (eventueel aanwezige) archeologische waarden, zowel in verticale zin (diepte) als in horizontale zin (omvang). Herinneringswaarde De herinnering die een archeologisch monument oproept over het Verleden. IKAW Indicatieve kaart van archeologische waarden, een door de RCE geproduceerde kaart op landelijk niveau met de verwachte relatieve of absolute dichtheid van (bepaalde) archeologische verschijnselen in de bodem. IVO Inventariserend VeldOnderzoek.

Het verwerven van (extra) informatie over bekende of verwachte archeologische waarden binnen een onderzoeksgebied, als aanvulling op en toetsing van de archeologische verwachting, gebaseerd op het bureauonderzoek middels waarnemingen in het veld. Informatiewaarde De betekenis van een monument als bron van kennis over het verleden. De informatiewaarde wordt bepaald door de mate waarin (een opgraving van) het monument een bijdrage kan leveren aan nieuwe kennisvorming over het verleden. In situ Achtergebleven op exact de plaats waar de laatste gebruiker het heeft gedeponeerd, weggegooid of verloren. Behoud in situ is het behouden van archeologische waarden in de bodem. KNA Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie. NAP Normaal Amsterdams Peil (=officieel peilmerk). PVA Plan van Aanpak. Een door de opdrachtnemer op te stellen plan voor de uit te voeren werken waarmee beoogd wordt aan de vereisten zoals geformuleerd in het Programma van Eisen en/of het ontwerp te voldoen. Ook wordt hierin een voorstel gedaan voor de werkwijze waarmee de in het Programma van Eisen en/of ontwerp geformuleerde resultaatsverwachtingen bereikt kunnen worden. PVE Programma van Eisen.

Het PvE is een door een bevoegde overheid opgesteld of bekrachtigd document dat de probleem- en doelstelling van de te verrichten werkzaamheden van de vindplaats geeft en de daaruit af te leiden eisen formuleert met betrekking tot het uit te voeren werk.

24

RCE Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Representativiteit De mate waarin een bepaald type vindplaats typerend is voor een periode dan wel een gebied. RTS Robotic Total Station. Hiermee worden vlakken direct digitaal ingemeten. Schoonheid De esthetisch-landschappelijke waarde van een archeologisch monument, die vooral in zichtbaarheid tot uiting komt. Selectieadvies Archeologisch inhoudelijk advies over de behoudenswaardigheid van een vindplaats. Dit wordt opgesteld aan de hand van de waarderingscriteria. Zeldzaamheid De mate waarin een bepaald type monument schaars is (of is geworden) voor een periode of in een gebied.

25

Afkortingen in de database

26

27

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15064526/1