Archeologisch adviesdocument
Tekst van het document
Ontsluiting randweg Putten-Zuid Archeologisch adviesdocument Auteur:
regioarcheoloog
Datum: 6-12-2023 De gemeente Putten heeft het plan opgevat om een nieuwe ontsluiting te realiseren voor Putten-Zuid/Halvinkhuizen. Met de bouw van de nieuwbouwwijk Halvinkhuizen is een betere ontsluiting noodzakelijk. De wens om te komen tot een nieuwe rondweg is niet nieuw. In 1999 is er in opdracht van de provincie Gelderland een inventariserend veldonderzoek uitgevoerd voor het geplande tracé van de N303 rond Putten. De omlegging N303 doorsnijdt het landelijke gebied ten zuiden van Putten, dat wil zeggen delen van de buurtschappen Huinen, Huinerwal, Halvinkhuizen, Bijsteren, Steenenkamer en Nulde. Het totale tracé heeft afhankelijk van het alternatief een lengte variërend van zeven tot acht kilometer, de verstoringsbreedte bedraagt ongeveer 25 m. Het archeologisch onderzoek vindt plaats in het kader van een milieueffectrapportage (m.e.r.) en richtte zich in eerste instantie op het zogenaamde Omleggingsalternatief van de omlegging N303 rond Putten (DHV, 1998). Het Omleggingsalternatief ligt ten zuiden van het dorp en verbindt de Voorthuizerstraat met Rijksweg 28 bij strand Nulde (figuur). Op 21-02-2000 heeft RAAP van de provincie Gelderland opdracht gekregen voor een uitbreiding van het onderzoek met het zogenaamde Stationsalternatief.
Dit alternatief heeft een lengte van 4,3 km en loopt vanaf Rijksweg 28 bij strand Nulde parallel aan de Zuiderzeestraatweg in de richting van NS-station Putten en sluit ter hoogte van de Nijkerkerstraat aan op het Omleggingsalternatief (figuur).
Later in 2005 in opdracht van Witteveen + Bos een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd in verband met de milieueffectrapportage (m.e.r.) N303 in de gemeente Putten. 1.2 Studiegebied uit 2005 In totaal worden vier alternatieven onderzocht: A, B, C en D (figuur). Tracé A en B liggen ten zuidwesten van de Nijkerkerstraat N798 en sluiten ter hoogte van Huinen aan op de Voorthuizerstraat N303. Beide alternatieven kruisen de Hooiweg, Hellerweg, Roosendaalseweg en de Oude Nijkerkerweg. Tracé B volgt vanaf de kruising met de Roosendaalseweg een iets westelijker parcours en doorsnijdt de Knapzaksteeg en Beulekampersteeg en sluit pas ten zuiden van Huinen aan op de Voorthuizerstraat. De lengte van tracé A bedraagt circa 5,7 km en van tracé B eveneens circa 5,7 km. Tracé-alternatief C betreft het nulplusalternatief, heeft een totale lengte van circa 2,8 km en ligt veel dichter tegen de bebouwde kom van Putten aan. Ook dit tracé verbindt de Nijkerkerstraat N798 met de Voorthuizerstraat N303, maar ligt parallel of in het verlengde van de Hooiweg. Alleen de westelijke aansluiting buigt af in noordelijke richting naar Bijsteren. Tracé-alternatief D heeft een totale lengte van circa 3,6 km en verbindt de Nijkerkerstraat N798 met de Rijksweg A28 ter hoogte van de afslag Strand Nulde, en ligt daarmee in het verlengde van tracé A en B.
Dit alternatief zal gezien de hoge kosten waarschijnlijk niet worden gerealiseerd, maar wordt in deze studie wel meegenomen. Verschillende alternatieven kennen een aantal varianten. Deze worden in dit onderzoek mede in beschouwing genomen. Als studiegebied is een zone gedefinieerd van 250 m aan beide zijden van de as van elk tracé (alternatief en variant). Alleen op deze wijze kan een goed beeld verkregen worden van de effecten op de archeologie.
2 van 13
Archeologische verwachtingskaart met in magenta de variantenstudie uit 2005 (bureauonderzoek), in rood het alternatief uit 2000 (booronderzoek) en met blauw het onderzoeksgebied. Alle gekleurde cirkels zijn vondstmeldingen.
3 van 13
Aangetroffen vindplaatsen in 2000 (RAAP-rapport 511; Vindplaats 1
4 van 13
Vindplaats 2
Vindplaats 3
5 van 13
Vindplaatsen 1, 2 en 3 binnen de zoekzone van de rondweg Putten-Zuid (uit RAAP-rapport 511) Vindplaats 1: deze vindplaats bevindt zich binnen het plangebied Halvinkhuizen fase B. Binnen dit plangebied is in het kader van de nieuwbouwwijk Halvinkhuizen al een archeologisch onderzoek uitgevoerd in de vorm van proefsleuven. De vindplaats is geduid als een vindplaats uit de middeleeuwen. Deze vindplaats is vergelijkbaar met die van Rimpeler, Aanvullend onderzoek(definitieve opgraving) zal plaatsvinden binnen het plan Halvinkhuizen Fase B. Vindplaats 2: Deze vindplaats ligt in het Omleggingsalternatief (tracé zuid; km 1150 tot km 1300) tussen de Roosendaalseweg en de HelLerweg, direct ten westen van erve 't Roode Goed en strekt zich uit over een lengte van ongeveer 150 meter binnen het tracé. De vindplaats ligt op een langgerekte, oostwest georiënteerde dekzandrug met een esdek, die in de breedte door het tracé wordt doorsneden. De grens van de dekzandrug wordt aan de noord- en zuidzijde gemarkeerd door een steilrand. Tijdens het booronderzoek is vastgesteld dat de dikte van het donkergrijs tot donkerbruingrijze esdek varieert van 55 tot 100 cm. Op het hoogste deel van de dekzandrug is onder het esdek het lichtbruine restant van een moderpodzol aanwezig. Op de flanken van de dekzandrug is onder het esdek een restant van een humuspodzol aanwezig.
Een oude akkerlaag van vóór de tijd van de plaggenbemesting is onder het esdek niet aangetroffen. Deze is vermoedelijk geheel of grotendeels in het esdek opgenomen. Op vindplaats 2 zijn 22 boringen verricht (kaartbijlage Ib: boringen 132 t/m 137 en 243, 244, 245, 248, 249, 251, 252, 253, 255 t/m 258 en 260 t/m 263). Hiervan hebben er elf archeologische vondsten opgeleverd (bijlage 1). Het gaat uitsluitend om vondsten van handgevormd aardewerk. Zeven boringen hebben elk één scherf opgeleverd, twee boringen hebben twee scherven opgeleverd en één boring heeft drie scherven opgeleverd (zie bijlage 1). Boring 258 vormt met 23 scherven een uitzondering. Deze scherven zijn afkomstig uit een ongeveer 75 cm diep grondspoor dat rijk is aan aardewerk en verbrande leem. Vanwege het fragmentaire karakter van de scherven is slechts voor een deel daarvan een nauwkeurige(r) datering mogelijk dan Neolithicum tot en met Late Middeleeuwen (bijlage 1). Het gaat om kogelpotscherven uit de Vroege of Late Middeleeuwen die in drie boringen zijn aangetroffen (kaartbijlage Ib en bijlage 1: boringen 243, 257 en 258). In boring 258 is een grondspoor aangeboord waaruit een grote hoeveelheid kogelpotscherven is verzameld. De beide overige boringen hebben elk één kogelpotscherf opgeleverd.
Op basis van de aangetroffen archeologische resten is de kans zeer groot dat op vindplaats 2 archeologische resten aanwezig zijn. Hieronder zijn vrijwel zeker archeologische resten uit de Vroege of Late Middeleeuwen. In dit verband moet er op gewezen worden dat erve 't Roode Goed in de Late Middeleeuwen in het bezit was van het Duitse klooster Werden. Dit klooster
6 van 13
verkreeg zijn bezittingen in de omgeving van Putten reeds in de 9e eeuw na Chr. (Hagoort, 1990). Het is op grond hiervan vrijwel zeker dat 't Roode Goed reeds in de Vroege Middeleeuwen bestond. De middeleeuwse vondsten op vindplaats 2 duiden in dat geval vermoedelijk op de archeologische resten van een middeleeuwse voorganger van de nog bestaande monumentale 18e eeuwse boerderij direct ten noordoosten van het tracé. Verder is de kans groot dat er op vindplaats 2 ook archeologische resten uit de Prehistorie en/of Romeinse tijd aanwezig zijn. In het verleden zijn ten westen en ten oosten van vindplaats 2 op dezelfde dekzandrug namelijk archeologische resten uit het Laat Neolithicum aangetroffen (zie § 3.2). Vindplaats 3 Deze vindplaats ligt in het Omleggingsalternatief (tracé zuid; km 2500 tot km 3600) tussen de Voorthuizerstraat en de Oude Nijkerkerweg en strekt zich binnen het tracé uit over een lengte van ongeveer 1000 m (kaartibijlage Ib). Het betreft het noordwestelijke deel van de Huinerenk, dat over de volle lengte van zuidoost naar noordwest door het tracé wordt doorsneden. Uit het booronderzoek blijkt dat er in het tracé vrijwel overal sprake is van een donkerbruingrijs tot bruingrijs gekleurd esdek, waarvan de dikte varieert van 50 tot 110 cm.
Plaatselijk, vooral nabij (voormalige) houtwallen en wegen, ontbreekt een esdek of is dit verdwenen en is er sprake van een 30 tot 40 cm dik cultuurdek of van een dunne bouwvoor op een natuurlijk bodemprofiel (kaartbijlage Ib: boringen 219, 238 en 239). Tijdens het booronderzoek is onder het esdek vrijwel nergens een eenduidige oude akkerlaag van vóór de tijd van de plaggenbemesting herkend. Vermoedelijk moet een 5 tot 20 cm dikke grijsbruine laag, die in enkele boringen de basis van het esdek vormt, als oude akkerlaag beschouwd worden (kaartbijlage Ib: boringen 203, 205, 213, 214 en 215). Elders is een eventuele oude akkerlaag waarschijnlijk in het esdek opgenomen. Het natuurlijke bodemprofiel op vindplaats 3 bestaat vrijwel overal uit een moderpodzol. Onder het esdek resteert hiervan op de meeste plaatsen een lichtbruine BC-horizont die geleidelijk overgaat in een geelbruine C-horizont. Incidenteel is echter in de vorm van een sterk verkitte B-horizont een duidelijk restant van een humuspodzol aangetroffen (bijv. in de boringen 200 en 215). Op vindplaats 3 zijn in totaal 45 boringen verricht (kaari;bijlage Ib: boringen 195 t/m 234 en 238 t/m 242). Hiervan hebben 30 boringen archeologische vondsten opgeleverd (bijlage 1). Het aantal vondsten per boring varieert van één tot negen.
Het grootste aantal vondsten is gedaan in het gebied tussen de boringen 221 en 198 (kaartbijlage la). De vondsten zijn in hoofdzaak afkomstig uit de basis van het esdek en uit de top van het natuurlijke bodemprofieL Het merendeel van de vondsten bestaat uit kleine tot zeer kleine fragmenten handgevormd aardewerk. Vanwege het kleine formaat van de scherven i's in veel gevallen een exacte datering niet mogelijk en is noodgedwongen een ruime dateringsmarge aangehouden: Neolithicum tot en met de Late Middeleeuwen (bijlage 1: boringen 195, 198, 201, 203 t/m 207, 214, 215, 217 t/m 222, 224 t/m 227, 229, 230, 234 en 240). Voor een deel van de handgevormde scherven is een nauwkeuriger datering mogelijk. Enkele dateren vrijwel zeker uit de Prehistorie of Romeinse tijd (bijlage 1: boring 210). Daarnaast zijn verscheidene handgevormde scherven als
7 van 13
middeleeuws kogelpotaardewerk geïdentificeerd (bijlage 1: boringen 198, 201, 206, 209, 210, 214 en 217). Verder zijn er in drie boringen gedraaide (laat-)middeleeuwse scherven gevonden (bijlage 1: boringen 202, 228 en 229). In drie boringen zijn vuurstenen artefacten uit de Steentijd aangetroffen (bijlage 1: boringen 220, 229 en 241. Op basis van het vondstmateriaal is de conclusie gerechtvaardigd dat op vindplaats 3 resten uit verscheidene archeologische perioden aanwezig zijn. Hieronder zijn waarschijnlijk nederzettingssporen uit de Prehistorie en de Vroege en/of Late Middeleeuwen. Wat betreft de Middeleeuwen is het vermeldenswaardig dat verscheidene erven langs de westrand van de Huinerenk en gegroepeerd rondom de Huinerbrink van oorsprong uit de Middeleeuwen dateren (zie Friso, 1979). Het is mogelijk dat op vindplaats 3 de middeleeuwse voorgangers van deze erven door het tracé worden aangesneden. Tevens moet rekening gehouden worden met de aanwezigheid van geïsoleerde graven en/of grafvelden uit de Prehistorie, Romeinse tijd en Vroege Middeleeuwen. In dit verband kan er op gewezen worden dat in het verleden direct ten oosten van vindplaats 3 een vlakgraf van de laatneolithische Enkelgrafcultuur is gevonden (zie § 3.2). Eventuele archeologische resten zijn vermoedelijk goed geconserveerd vanwege de aanwezigheid van een dik esdek.
Op vindplaats 3 heeft geen waarderend booronderzoek plaatsgevonden omdat de resultaten van de kartering reeds een goed inzicht verschaffen in de aanwezigheid van archeologische resten.
8 van 13
Uitsnede archeologische verwachtingskaart met rode cirkels zijn de vindplaatsen uit het eerdere onderzoek weergegeven. Met het booronderzoek uit 1999/2000 is een mooie dwarsdoorsnede van de bodem gemaakt. Tevens is een drietal archeologische vindplaatsen geduid. Binnen het grote plangebied is een tweedeling aanwezig die bepaald wordt door de overgang van hoog naar laag. Dat vertaalt zich ook in de verwachtingskaart. De (noord-) oostelijke helft van het plangebied is relatief droog (en dus hoog), terwijl de andere helft een stuk natter (en lager) is. Alles heeft te maken met de ligging op de stuwwal, die in westelijke richting zo laag wordt dat de bodem daar ook een stuk natter is. In deze natte westelijke zone komt ook ijzeroer in de bodem voor die het hemelwater niet makkelijk doorlaat. Daarom zijn er bewoners die deze laag verwijderen/afgraven om zodoende een betere afwatering te krijgen. Droge voeten zijn van belang voor het kunnen aantreffen van archeologische sporen. Maar de (pre-) historische bewoners hadden ook de nabijheid van water nodig. Daarom zijn op deze overgangszone van hoog naar laag sporen van menselijke bewoning te verwachten. De vindplaatsen liggen allen op hoger gelegen delen in het landschap. Het is in deze wel belangrijk te bedenken dat het eerder uitgevoerde booronderzoek in een smalle zone is uitgevoerd.
Hoewel er aan de hand van de resultaten van het booronderzoek wel 9 van 13
iets te zeggen valt over de kans op het voorkomen van archeologische vindplaatsen, is er geen zekerheid over het voorkomen van vindplaatsen in de rest van het plangebied. Advies De onderzoeksstrategie uit 2000 leent zich ook nu voor het onderzoek naar archeologische vindplaatsen. Hoe hoger de archeologische verwachting hoe dichter het boorgrid. Daarom is het onderzoeksgebied opgedeeld in deelgebieden. Van west naar oost neemt de dichtheid aan boringen toe. Voor het westelijke deel (27 ha.) wordt een dichtheid van 4 boringen per hectare geadviseerd, voor het midden deel (72 ha.) 6 boringen en voor het oostelijke deel (70 ha.) 8 boringen per hectare. Er worden respectievelijk 108, 432 en 560 boringen gezet. In totaal zijn er 1092 boringen benodigd om een goed beeld te krijgen waar archeologische vindplaatsen aanwezig zijn.
Uitgaande van 20 boringen per dag voor 2 man, 55 dagen veldwerk (1092 boringen) a € 1200,per dag plus uitwerking a 30 dagen x € 640,- per dag Geraamde kosten: € 85.200,-
10 van 13
Cultuurlandschappen
11 van 13
Waardering cultuurlandschappen In 2018 is er een cultuurhistorische inventarisatie uitgevoerd. Hierbij zijn de rijks- en gemeentelijke monumenten opgenomen alsmede een aantal waardevolle panden/objecten/landgoederen die in aanmerking zouden kunnen komen voor een vorm van bescherming. Ook zijn cultuurlandschappen in beeld gebracht en ook gewaardeerd. Binnen het plangebied zijn slechts twee objecten aanwezig, die als waardevol zijn bestempeld. Waardevolle gebouwen:
Roosendaalseweg 117 (boerderij en schuur)
12 van 13
Hellerweg 8 (boerderij en bakhuis)
13 van 13