CConstaterende datPutten
Koppel je AI →
Document · PDF

Advies bezwaar Knoppert Wvg gescand

Gemeenteraad 22 april 2021, gemeente PuttenBij agendapunt: Bezwaar Wet voorkeursrecht gemeenten4.671 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

COMMISSIE BEZWAARSCHRIFTEN GEMEENTE PUTTEN

gemeente putten Advies Besluit raad Bekend gemaakt op

24 september 2020 :

29 september 2020 in de Staatscourant en 25 september 2020 verzonden per post. Vestiging voorkeursrecht door gemeente Putten op de percelen

Onderwerp

kadastraal bekend als de gemeente Putten, sectie N, nummers 4733, 4737, 5184, 5187 en 5205, in totaal 25.138 m2, op grond van artikelen 2 en 5 Wvg. Bezwaarschriften Ingediend door

G. Knoppert, ’t Oeverstraat 7, 3882 RK Putten; A. Knoppert en F. Hamstra, Hooiweg 22A, 3882 MS Putten.

Ontvangen op

11 november 2020 per e-mailbericht

Zaaknummer

:

1212528

Documentnummer

:

1228869

1.

Adviescommissie 1.

De commissie adviseert het door G. Knoppert ingediende bezwaarschrift tegen het raadsbesluit van 24 september 2020 inzake de vestiging van een voorkeursrecht van de gemeente Putten op een aantal aangewezen percelen niet-ontvankelijk te verklaren, omdat G. Knoppert niet als belanghebbende bij het bestreden besluit kan worden aangemerkt.

2.

De commissie adviseert het door A. Knoppert en F. Knoppert-Hamstra ingediende bezwaarschrift tegen het raadsbesluit van 24 september 2020 inzake de vestiging van een voorkeursrecht op een aantal aangewezen percelen dat zij in eigendom hebben ongegrond te verklaren, nu de raad heeft kunnen besluiten op hun percelen een voorkeursrecht te vestigen.

2.

Procesverloop

2.1 De voorgeschiedenis De gemeente Putten wil de gronden in Putten-Zuid ontwikkelen als toekomstig woongebied. Het plangebied Putten-Zuid ligt ten zuiden van de Van Geenstraat en ten westen van het sportpark

Putter Eng. De gemeente Putten ziet het als opgave om in het plangebied Putten-Zuid een moderne, onderscheidende wijk te realiseren met een eigen identiteit en als belangrijke thema’s duurzaamheid en kind- en gezinsvriendelijkheid. Op 17 december 2019 stelde de raad het projectplan Putten-Zuid vast, waarin het proces werd uitgewerkt voor de ontwikkeling. Op 13 februari 2020 stelde de raad een voorbereidingskrediet vast voor de uit te voeren werkzaamheden van de locatie Putten-Zuid. Op 30 juni 2020 besloot het college om gronden, waaronder percelen die in eigendom zijn van A. Knoppert en F. Knoppert-Hamstra, aan te wijzen waarop een voorkeursrecht op grond van de Wet voorkeursrecht gemeenten, hierna Wvg, van toepassing is. Deze aanwijzing was voorlopig en had een geldigheidsduur van maximaal drie maanden. Om het voorkeursrecht te handhaven en te bestendigen, was een besluit van de raad nodig. 2.2 Het bestreden besluit Op 24 september 2020 besloot de raad tot bestendiging van het voorkeursrecht op grond van de Wvg, zoals dat door het college bij besluit van 30 juni 2020, bekendgemaakt op 1 juli 2020, al voorlopig was gevestigd op onder meer percelen in eigendom van A. Knoppert en F. Knoppert-Flamstra. Het raadsbesluit werd bekendgemaakt door verzending per post op 25 september 2020 aan A.

Knoppert, eigenaar van de percelen kadastraal bekend als de gemeente Putten, sectie N, nummers 1858 en 3939, met een grootte van 7.060 m2. Het raadsbesluit werd ook bekend gemaakt door verzending per post op 25 september 2020 aan A. Knoppert en F. Knoppert-Hamstra, eigenaren van de percelen kadastraal bekend als gemeente bekend gemaakt in de Staatscourant op 29 september 2020 en trad in werking op 30 september 2020. Volgens de bekendmaking in de Staatscourant kon tot en met 11 november 2020 een bezwaarschrift worden ingediend tegen het raadsbesluit. 2.3

Het bezwaarschrift

Bij e-mailbericht van 11 november 2020 maakten G. Knoppert, A. Knoppert en F. KnoppertHamstra bezwaar tegen het raadsbesluit van 24 september 2020. 2.4 De zitting Bezwaarden G. Knoppert, A. Knoppert en F. Knoppert-Hamstra werden uitgenodigd om te worden gehoord door de commissie bezwaarschriften op 4 december 2020. G. Knoppert verscheen ter zitting. Hij vertegenwoordigde tevens zijn ouders A. Knoppert en F. KnoppertHamstra. De raad liet zich vertegenwoordigen door mr. J. de Roos, advocaat bij Nysingh advocaten. De commissie bezwaarschriften had de volgende samenstelling: Voorzitter

mr. J. Heijerman

Leden

drs. J. Haitink en mr. T.M.P. Ngo

Secretaris

mr. M.K. Prins

2 van 12

Hetgeen tijdens de zitting werd besproken werd op een geluidsdrager opgenomen en digitaal opgeslagen. In geval van een beroepsprocedure kan de digitaal vastgelegde tekst schriftelijk worden uitgewerkt. 3. Beoordeling van de bezwaren De feiten 3.1 Op 24 september 2020 besloot de raad om het voorlopige besluit van het college tot het vestigen van een voorkeursrecht op de genoemde percelen te handhaven en te bestendigen. De percelen, waarop het voorkeursrecht reeds (voorlopig) van toepassing was verklaard, zijn aangeduid op een bij het raadsbesluit behorende en daarvan deel uitmakende kadastrale kaart en perceellijst, waarop ook de grootte van de aangewezen percelen en de namen van de eigenaren, waaronder die van A. Knoppert en F. Knoppert-Hamstra, zijn weergegeven, De in eigendom van A. Knoppert en F. Knoppert-Hamstra zijnde percelen, waarop het voorkeurskeursrecht van toepassing is verklaard, waren tevens genoemd in de aan hen per post op 25 september 2020 toegezonden bekendmaking van het raadsbesluit van 24 september 2020. A. Knoppert en F. Knoppert-Hamstra gebruiken de betreffende percelen voornamelijk conform de vigerende agrarische bestemming en/of bedrijfsbestemming. In verband met het door de raad op 17 december 2019 vastgestelde projectplan Putten-Zuid bedacht de gemeente de betreffende percelen een niet-agrarische bestemming toe, namelijk “Wonen'’.

Het huidige gebruik van de percelen wijkt af van de toegedachte bestemming. De raad heeft nog geen besluiten genomen tot wijziging van het bestemmingsplan. De ontvankelijkheid 3.2 Het bestreden besluit werd bekend gemaakt door toezending per post op 25 september 2020 aan A. Knoppert en F. Knoppert-Hamstra en door plaatsing in de Staatscourant van 29 september 2020. Op grond van de artikelen 6:7 en 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) konden belanghebbenden, gerekend van de dag na die van de bekendmaking op 29 september 2020, namelijk vanaf 30 september 2020 tot en met 10 november 2020 een bezwaarschrift indienen tegen het bestreden besluit. Op 11 november 2020 diende G. Knoppert voor hemzelf en mede namens zijn ouders A. Knoppert en F. Knoppert-Hamstra per e-mail een bezwaarschrift in. Hoewel dit een dag te laat is, is deze termijnoverschrijding verschoonbaar omdat in de Staatscourant werd aangegeven dat tot en met 11 november 2020 een bezwaarschrift kon worden ingediend. Verder voldoen de bezwaarschriften aan de eisen die daaraan op grond van artikel 6:5 van de Awb worden gesteld. Alleen een door een belanghebbende ingediend bezwaar is ontvankelijk. Als belanghebbende is ingevolge artikel 1:2 van de Awb, aan te merken de (rechts)persoon wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Dat wil zeggen dat een belanghebbende een voldoende objectief, en actueel, eigen, persoonlijk belang dient te hebben. Uit de gegevens van het kadaster blijkt dat A. Knoppert eigenaar is van de percelen bekend als gemeente Putten,

3 van 12

sectie N, met de nummers 1858, 3939 en 5206 en dat A. Knoppert en F. Knoppert-Hamstra, ieder voor de onverdeelde helft, eigenaren zijn van de percelen bekend als gemeente Putten, sectie N, met de nummers 4733, 4737, 5184, 5187 en 5205. De commissie maakt hieruit op dat A. Knoppert en F. Knoppert-Hamstra, als eigenaren van de aangewezen gronden, moeten worden aangemerkt als belanghebbenden. Uit de gegevens van het kadaster blijkt niet dat G. Knoppert eigenaar of beperkt gerechtigde is van de aangewezen gronden of anderszins als belanghebbende bij het bestreden besluit is aan te merken. Hoewel Knoppert ter zitting aangaf dat hij, ondanks dat dit niet blijkt uit de gegevens in het Kadaster, toch als (mede)eigenaar van één of meer van de aangewezen percelen moet worden aangemerkt, maakte hij dit niet met bewijs aannemelijk. De commissie gaat dan ook uit van de juistheid van de gegevens in het Kadaster. De commissie concludeert dat het bezwaarschrift voor zover dat is ingediend namens A. Knoppert en F. Knoppert-Hamstra, hierna Knoppert. ontvankelijk is en dat het bezwaarschrift voor zover dat is ingediend door G. Knoppert niet-ontvankelijk is. Op grondslag van het namens Knoppert ingediende bezwaar vindt hierna een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit plaats.

De inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit op grondslag van de bezwaren 3.3 Juridisch kader vestiging voorkeursrecht Het voorkeursrecht op grond van de Wvg LJ'yJ VVVy LJiUvJi CjCiT iCCfïTCrï G£ iTiüCjSiijKriSiu uiTi VOui Kcüi 5i cCi iïci i Tc vcStiycii Op Uiiliicil iiuil

grondgebied gelegen gronden. Zo kan een voorkeursrecht bijvoorbeeld worden gevestigd op gronden waaraan, zoals in het onderhavige geval, een niet-agrarische bestemming is toegedacht, te weten een woonbestemming, en waarvan het huidige gebruik afwijkt van de nieuwe bestemming. Uit de parlementaire geschiedenis bij de oorspronkelijke Wvg volgt dat het voorkeursrecht is bedoeld als "instrument ter versterking van de positie van de gemeenten bij hun aankoopbeleid” en beoogt “de bevordering van een slagvaardig en vooruitziend aankoopbeleid, dat zo min mogelijk zal worden doorkruist door transacties met derden met de mogelijke gevolgen van dien, zoals prijsopdrijving of vrijheidsbeperking in de uitvoering van bestemmingsplannen”. In lijn hiermee vermeldt de wetsgeschiedenis bij een van de wijzigingen van de Wvg (Stb. 2010, 155) als doel van de Wvg "het versterken van de positie van de gemeente op de grondmarkt ten behoeve van de verwezenlijking van haar ruimtelijk beleid". De uitoefening van het voorkeursrecht De vestiging van een voorkeursrecht heeft geen gevolgen voor de eigendomsrechten van de aangewezen grond. De eigenaar kan zijn grond blijven gebruiken en zijn rechten als eigenaar blijven uitoefenen, met inachtneming van de beperkingen die het voorkeursrecht met zich brengt.

Het voorkeursrecht houdt evenmin een verplichting tot verkoop van de grond in: het is en blijft aan de eigenaar om al dan niet te besluiten tot verkoop van zijn grond. Een gemeente kan dus niet via het voorkeursrecht verwerving van de grond afdwingen.

4 van 12

Het voorkeursrecht doet zich pas gelden op het moment dat bij de grondeigenaar sprake is van een voornemen tot vervreemding van de aangewezen grond. In dat geval geldt de aanbiedingsplicht van artikel 10 lid 1 van de Wvg. In art. 10 lid 1 van de Wvg is bepaald dat een vervreemder eerst tot vervreemding kan overgaan nadat de gemeente in de gelegenheid is gesteld het desbetreffende goed te verkrijgen. De grondeigenaar is dus verplicht om de grond eerst aan te bieden aan de gemeente die het voorkeursrecht heeft gevestigd. 3.4 Beoordeling van de door de raad gebruikte grondslag voorde vestiging van het voorkeursrecht op de gronden van Knoppert De commissie ziet dat de raad op grond van de artikelen 2 en 5 van de Wvg voorkeursrecht heeft gevestigd op de percelen van Knoppert, nu die percelen nog niet zijn opgenomen in een bestemmingsplan, inpassingsplan of structuurvisie, maar waarbij in het besluit tot aanwijzing aan de betreffende percelen een niet-agrarische bestemming, namelijk wonen, wordt toegedacht en waarvan het huidige gebruik, afwijkt van die bestemming. De commissie kan zich vinden in deze door de raad gebruikte grondslag.

Immers, de betreffende percelen zijn nog niet opgenomen in een bestemmingsplan, inpassingsplan of structuurvisie, maar wel in het op 17 december 2019 door de raad vastgestelde projectplan Putten-Zuid, in welk plan het proces werd uitgewerkt voor de ontwikkeling van een woonwijk. De commissie kan zich het standpunt van de raad voorstellen dat het, om die woonwijk te kunnen realiseren, aan de gemeente is haar positie in deze ontwikkeling te versterken door voorkeursrecht te vestigen op de percelen van onder meer Knoppert. Immers, de gemeente kan hiermee grondspeculatie voorkomen. De commissie kan zich vinden in deze door de raad in het bestreden besluit gebruikte grondslag en motivering. 3.5 Beoordeling van de door Knoppert naar voren gebrachte bezwaren die zien op de ongewenste gevolgen van het gevestigde voorkeursrecht Knoppert stelt dat de vestiging van het voorkeursrecht erg belemmerend is voor de door hen in de nabije toekomst te nemen beslissingen over voortzetting of transitie van hun pelsdierfokkerij. Die beslissingen zijn al moeilijk vanwege het landelijke beleid en door ziekte van F. KnoppertHamstra. De commissie kan zich voorstellen dat Knoppert als gevolg van het landelijke beleid ten aanzien van pelsdierfokkerijen en de ziekte van F. Knoppert-Hamstra een moeilijke periode doormaakt.

Toch kan de commissie zich vinden in het oordeel van de raad dat de belemmeringen als gevolg van de vestiging van het voorkeursrecht op dit moment niet zodanig zijn dat dit beperkingen voor de bedrijfsvoering van de pelsdierfokkerij met zich meebrengt. Knoppert is op dit moment niet verplicht de percelen aan de gemeente te verkopen. Dat is pas aan de orde als Knoppert zelf zou beslissen om de percelen te verkopen. In dat geval heeft het gevestigde voorkeursrecht gevolgen voor Knoppert. Knoppert moet pas op dat moment de percelen eerst te koop aanbieden aan de gemeente. Dit volgt uit artikel 10 van de Wvg. Die aanbiedingsplicht geldt op grond van artikel 10 lid 2 van de Wvg dan weer niet in geval van verdeling van een nalatenschap of een uiterste wilsbeschikking.

5 van 12

Knoppert stelt verder dat de gevolgen van het besluit voor hen onevenredig nadelig zijn in verhouding tot het met het besluit te dienen doel. Volgens Knoppert zou de raad de keuze kunnen maken Putten-Zuid geleidelijk aan te realiseren, waardoor de gemeente de aan de zuidrand van het projectplan gelegen percelen voorlopig nog niet nodig heeft om de voorziene uitbreiding van de woonkern Putten aan de zuidkant te realiseren. De commissie merkt hierover eerst het volgende op. De wetgever heeft al bij de totstandkoming van de Wvg het met het voorkeursrecht te dienen algemene belang afgewogen tegen het individuele (financiële) belang van de betrokken grondeigenaren. Het enkele individuele (financiële) belang van bezwaarde Knoppert hoeft dus niet meer afzonderlijk in de afweging te worden betrokken. De commissie verwijst naar de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, hierna de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 11 juli 2018 (vindplaats ECLI:NL:RVS: 2018:2332) en 27 oktober 2010 (vindplaats ECLI:NL:RVS:2010:B01862).

Ingaand op de opmerking van Knoppert dat de raad zich bij de vestiging van het voorkeursrecht had moeten beperken tot een kleiner gebied waardoor de zuidelijk gelegen percelen van Knoppert buiten beschouwing hadden kunnen blijven, is de commissie van oordeel dat het raadsbesluit de commissie niet onredelijk voor komt, alleen al niet omdat goed denkbaar is dat de percelen van Knoppert vanwege hun ligging een belangrijke rol zouden kunnen hebben bij het realiseren van een ontsluitingsweg van de nieuwe woonwijk. De commissie verwijst naar de rechtspraak van de Afdeling. Hieruit blijkt dat de vestiging van het voorkeursrecht een discretionaire bevoegdheid is van de raad. Het al dan niet uitoefenen van die bevoegdheid '■JIwïIL,

w'J W^Ji.i.wiijixU Vw»Ji «VLlLii vJüü Vüüi IGCpaSoiflCj uaaT v ai i io vuiuaaii, uuui üc

rechter terughoudend te worden getoetst. Verder oordeelde de Afdeling dat onzekerheid over het feitelijk kunnen realiseren van de geplande (her)ontwikkeling, niet aan de vestiging van een voorkeursrecht in de weg staat: " 4.3.Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 15 december 2010 in zaak nr. 201004705/1/H3) brengt de systematiek van de Wvg mee dat op het moment dat het voorkeursrecht kan en dient te worden aangewend, veelal onzeker zal zijn of de geplande (her)ontwikkeling feitelijk zal kunnen worden gerealiseerd. Gelet op het doel van de wet, het verschaffen van voorrang aan gemeenten bij aankoop van gronden benodigd voor het realiseren van toekomstige planologische ontwikkelingen, staat de gestelde onzekerheid niet in de weg aan het gebruik van de bij wet gegeven bevoegdheid tot het vestigen van een voorkeursrecht. Dit geldt temeer bij toepassing van artikel 5 van de Wvg (...).’’ Daarbij laat de Afdeling wel ruimte voor het betoog dat de uitvoering van de plannen zo onzeker is, dat in redelijkheid geen voorkeursrecht zou behoren te worden gevestigd. De commissie is van oordeel dat, gelet op het betoog van Knoppert, de door de raad beoogde uitvoering van plannen tot het ontwikkelen van Putten-Zuid niet zodanig onzeker zijn dat de raad in redelijkheid niet zou kunnen beslissen tot het vestigen van het voorkeursrecht op de percelen van Knoppert.

De commissie concludeert dat nu de vestiging van het voorkeursrecht slechts een betrekkelijk beperkte inbreuk maakt op het eigendomsrecht van Knoppert en nu de reikwijdte van het voorkeursrecht en de nadelen daarvan voor Knoppert beperkt zijn, niet kan worden gezegd dat

6 van 12

Knoppert door het bestreden besluit onevenredig wordt benadeeld in verhouding tot het met het bestreden besluit te dienen algemene belang. 3.7 Beoordeling van de door Knoppert naar voren gebrachte planologische bezwaren Knoppert stelt dat zij worden geconfronteerd met voorbereidingshandelingen die gericht zijn op ontwikkeling van woningbouw. Evenals de raad vindt ook de commissie begrijpelijk dat Knoppert deze gelegenheid aangrijpt om zijn visie op een (eventuele) toekomstige wijziging van de bestemming van het gebied aan de raad kenbaar te maken. Daarop heeft het door Knoppert bestreden besluit geen betrekking. Aspecten en bezwaren van planologische aard staan in het kader van deze procedure niet ter beoordeling. De exacte invulling van het gebied is ook de commissie nog niet bekend. Met de raad is ook de commissie van oordeel dat planologische bezwaren in de onderhavige procedure tegen het aanwijzingsbesluit geen doel treffen. Knoppert (en met hen eventuele andere belanghebbenden) kunnen wel reageren en eventuele bezwaren inbrengen tegen een toekomstige wijziging van het bestemmingsplan, waarvoor te zijner tijd een afzonderlijk besluitvormingstraject wordt doorlopen.

3.8 Beoordeling van het door Knoppert naar voren gebrachte argument rechtsongelijkheid Knoppert stelt dat er sprake is van rechtsongelijkheid en wijst in dat verband op toezeggingen die van gemeentewege zouden zijn gedaan aan één agrarisch bedrijf om zich op kosten van de gemeente te laten bijstaan door een expert c.q. professional. Voor zover Knoppert vindt dat zij op grond van het gelijkheidsbeginsel ook in aanmerking moeten komen om zich op kosten van de gemeente te laten bijstaan door een expert c.q professional merkt de commissie het volgende op. De commissie is met de raad van oordeel dat de door Knoppert genoemde situatie niet vergelijkbaar is met hun situatie. Knoppert doelt met deze bezwaargrond op een agrariër die gronden in eigendom heeft aangrenzend aan hun percelen. De gemeente is met deze agrariër in overleg over verwerving van de eigendom. Gebruikelijk is dat in geval van overeenstemming door de gemeente een vergoeding wordt betaald voor de kosten van deskundige bijstand, zoals dat ook het geval is indien de prijs door de rechter wordt vastgesteld. Van rechtsongelijkheid is naar het oordeel van de commissie geen sprake. Voor Knoppert geldt hetzelfde.

Als Knoppert zou besluiten om met de gemeente in onderhandeling te gaan over de verkoop van de percelen, waar op dit moment geen sprake van is, zou de gemeente onder dezelfde voorwaarden ook aan hem een vergoeding voor deskundige bijstand betalen. De commissie concludeert dat deze door Knoppert naar voren gebrachte bezwaargrond geen doel treft.

7 van 12

4. Conclusie en advies De commissie concludeert dat de raad het besluit heeft kunnen nemen en dat de bezwaren geen doel treffen. De commissie adviseert de raad het bezwaar van G. Knoppert niet-ontvankelijk en het bezwaar van A. Knoppert en F. Knoppert-Hamstra ongegrond te verklaren.

Putten, 14 december 2020, de commissie bezwaarschriften van de gemeente Putten,

8 van 12

Bijlage wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht Artikel 1:2 1.

Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

[.... ]

Artikel 6:5 1. Het bezwaar- of beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste: a.

de naam en het adres van de indiener;

b.

de dagtekening;

c.

een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar of beroep is gericht;

d.

de gronden van het bezwaar of beroep.

Artikel 6:7 De termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift bedraagt zes weken. Artikel 6:8 1. De termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. [....]

Wet voorkeursrecht gemeenten Artikel 1 ln deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: [....]

f. vervreemding: overdracht in eigendom of verdeling van een onroerende zaak alsmede overdracht of verdeling dan wel vestiging van een recht van opstal, erfpacht, beklemming of vruchtgebruik, waaraan een onroerende zaak is onderworpen. Artikel 2 De gemeenteraad kan gronden aanwijzen waarop de artikelen 10 tot en met 15, 24 en 26 van toepassing zijn. Artikel 3 1. Voor aanwijzing komen in aanmerking gronden waaraan bij het bestemmingsplan of inpassingsplan een niet-agrarische bestemming is toegekend en waarvan het gebruik afwijkt van dat plan.

9 van 12

2.

Een besluit tot aanwijzing vermeldt ten aanzien van de onroerende zaken waarop het betrekking heeft: a.

de kadastrale aanduiding;

b.

de grootte van elk van de desbetreffende percelen volgens de kadastrale registratie;

c.

de grootte van een perceelsgedeelte, indien de aanwijzing betrekking heeft op een gedeelte van een onroerende zaak, en

d.

de namen van de eigenaren van de desbetreffende onroerende zaken en van de rechthebbenden op de beperkte rechten waaraan die zaken zijn onderworpen.

3.

Bij het besluit behoort een kadastraal overzicht waarop duidelijk zijn aangegeven de gronden waarop de aanwijzing betrekking heeft en de bijbehorende percelen of perceelsgedeelten.

Artikel 4 1.

In afwijking van artikel 3, eerste lid, komen voor aanwijzing voorts in aanmerking: a.

gronden die zijn begrepen in een structuurvisie, waarbij aanwijzingen zijn gegeven voor de bestemming en waaraan bij de structuurvisie een niet-agrarische bestemming is toegedacht en waarvan het gebruik afwijkt van de toegedachte bestemming;

b,

gronden die bij een structuurvisie zijn aangewezen tot moderniseringsgebied als bedoeld in artikel 3.5 van de Wet ruimtelijke ordening, ongeacht of het gebruik van de gronden in die gebieden al dan niet afwijkt van die visie.

2.

Artikel 3, tweede en derde lid, is van toepassing.

1.

In afwijking van de artikelen 3, eerste lid, en 4, eerste lid, komen voor aanwijzing ook in aanmerking gronden die nog niet zijn opgenomen in een bestemmingsplan, inpassingsplan, of structuurvisie, maar waarbij in het besluit tot aanwijzing aan de betrokken gronden een niet-agrarische bestemming wordt toegedacht en waarvan het gebruik afwijkt van die bestemming. In het besluit tot aanwijzing wordt aangegeven of nadien nog zal worden overgegaan tot het vaststellen van een structuurvisie.

2.

Artikel 3, tweede en derde lid, is van toepassing.

Artikel 6 1.

Burgemeester en wethouders kunnen gronden voorlopig aanwijzen, mits bij het hiertoe strekkend besluit aan die gronden een niet-agrarische bestemming is toegedacht en het gebruik afwijkt van de toegedachte bestemming. Het besluit vervalt van rechtswege drie maanden na dagtekening of zoveel eerder als een besluit van de gemeenteraad tot aanwijzing ingevolge artikel 3, 4 of 5 in werking treedt.

2.

De artikelen 3, tweede en derde lid, 10 tot en met 15, 24 en 26 zijn van overeenkomstige toepassing.

3.

Indien bezwaar of beroep aanhangig is tegen een besluit tot voorlopige aanwijzing en dit besluit vervalt omdat een besluit van de gemeenteraad tot aanwijzing in werking is getreden, wordt het bezwaar of beroep mede geacht te zijn gericht tegen het besluit van de gemeenteraad.

10 van 12

Artikel 7 1.

Het besluit tot aanwijzing of voorlopige aanwijzing ligt voor eenieder ter inzage op een door burgemeester en wethouders aangewezen plaats. Zij maken de terinzagelegging bekend in de Staatscourant, in één of meer dag- of nieuwsbladen die in de gemeente verspreid worden en voorts op de gebruikelijke wijze. Het besluit treedt in werking de dag na dagtekening van de Staatscourant waarin de terinzagelegging bekend is gemaakt.

2.

Burgemeester en wethouders zenden een mededeling van de aanwijzing aan ieder van de in het besluit vermelde eigenaren en beperkt gerechtigden. De mededeling bevat een zakelijke beschrijving van de betekenis van de aanwijzing.

Artikel 9 1.

Een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 3 of artikel 9a in samenhang met artikel 3 vervalt van rechtswege tien jaar na de inwerkingtreding van het bestemmingsplan onderscheidenlijk inpassingsplan.

2.

Een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 4, vervalt van rechtswege drie jaar na dagtekening van dat besluit, tenzij voordien een bestemmingsplan of inpassingsplan is vastgesteld.

3.

Een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 5 vervalt van rechtswege drie jaar na dagtekening, tenzij voor dat tijdstip een structuurvisie, bestemmingsplan of inpassingsplan is vastgesteld.

4.

Indien artikel 8, derde lid, van toepassing is, vervalt het besluit tot aanwijzing, bedoeld in artikel 3, van rechtswege na afloop van de in het derde lid van artikel 8 genoemde termijn, tenzij voor dat tijdstip voor de in de aanwijzing begrepen gronden een bestemmingsplan of inpassingsplan is vastgesteld, dat voldoet aan de in artikel 3, eerste lid, gestelde eisen. In dat geval vervalt het besluit tot aanwijzing van rechtswege tien jaar na de inwerkingtreding van het bestemmingsplan onderscheidenlijk inpassingsplan.

5.

Een mededeling van het van rechtswege vervallen van een besluit tot aanwijzing wordt gevoegd bij de ingevolge artikel 7, eerste lid, ter inzage gelegde stukken en in kopie gezonden naar de desbetreffende eigenaren en beperkt gerechtigden.

Artikel 10 1.

52

Een vervreemder kan eerst tot vervreemding overgaan nadat de gemeente in de gelegenheid is gesteld het desbetreffende goed te verkrijgen.

2.

Het bepaalde in het vorige lid geldt niet ingeval de vervreemding geschiedt ingevolge a.

een overeenkomst tussen bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in de zijlijn tot in de tweede graad of met een pleegkind. Onder pleegkind wordt verstaan degene, die duurzaam als een eigen kind is onderhouden en opgevoed;

b.

verdeling van een huwelijksgemeenschap of een nalatenschap;

c.

een uiterste wilsbeschikking;

d.

een overeenkomst met de Staat, een provincie, een waterschap of een door Ons aan te wijzen publiekrechtelijk lichaam of in het openbaar belang werkzame rechtspersoon. Onze aanwijzing wordt in de Staatscourant bekendgemaakt;

11 van 12

e.

een verkoop krachtens wetsbepaling of bevel des rechters of een executoriale verkoop, met dien verstande dat ingeval van een onderhandse executoriale verkoop als bedoeld in artikel 3: 268, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek de voorzieningenrechter niet beslist omtrent het verzoek tot onderhandse verkoop zolang niet het bestuursorgaan in de gelegenheid is gesteld om, gelet op het gunstiger bod, een bod te doen;

f.

een overeenkomst, betrekking hebbende op gronden die zijn aangewezen bij een besluit als bedoeld in artikel 5 of 6 dan wel artikel 9a, eerste of tweede lid, in samenhang met artikel 5 of 6, gesloten met een pachter aan wie ten aanzien van deze gronden ten tijde van de inwerkingtreding van dit besluit een voorkeursrecht toekwam als bedoeld in artikel 378 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.

3. Voorts geldt het bepaalde in het eerste lid niet ingeval de vervreemding geschiedt ingevolge een overeenkomst betreffende een onroerende zaak, dan wel een overeenkomst behelzende een verplichting van de vervreemder betreffende een onroerende zaak, voorzover: a.

vervreemding geschiedt aan een in die overeenkomst met name genoemde partij, en een tegen een in die overeenkomst met name genoemde prijs, dan wel tegen een volgens die overeenkomst bepaalbare prijs, en

b.

de overeenkomst is ingeschreven in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, voordat een besluit tot aanwijzing of voorlopige aanwijzing in werking is getreden, en

c.

de vervreemding geschiedt binnen zes maanden na de dag van de inschrijving van de overeenkomst in de openbare registers als bedoeld onder b.

-T-.

lZÜii uv'CrCCnKGmot Si3 DcuüGiu

in nel uciCic iiu, aaiiiicT, Kcii i Vvüiüei i II iytJt>uiil t?Vt?ll III Ut?

openbare registers, bedoeld in het derde lid, mits deze is vervat in een akte. De inschrijving heeft het rechtsgevolg dat voor de vervreemder niet de verplichting zoals bedoeld in het eerste lid ontstaat, voorzover is voldaan aan de in het derde lid, onder a, b en c, genoemde vereisten. 5.

Het derde lid is telkens gedurende een periode van drie jaar op een overeenkomst ais bedoeld in dat lid met betrekking tot een bepaalde onroerende zaak of een gedeelte daarvan, en de daarin met name genoemde vervreemder of verkrijger, slechts één maal van toepassing. De periode van drie jaar vangt aan op de datum van eerste inschrijving in de openbare registers. Onder verkrijger wordt in dit geval verstaan de partij waarmee een overeenkomst is gesloten.

6.

Het eerste lid geldt eveneens niet indien burgemeester en wethouders op aanvraag van een vervreemder op grond van door die vervreemder aannemelijk gemaakte gewichtige redenen daartoe besluiten. Zij kunnen daarbij beperkingen opleggen.

12 van 12

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10016720/1