3. Motivering lokale milieunormen WP Horst en Telgt 221214
Tekst van het document
Bosch & van Rijn
Franz-Lisztplantsoen 220 3533 JG Utrecht 030 – 677 6466
Auteurs Steven Velthuijsen Wouter Verweij
Opdrachtgever Provincie Gelderland
Motivering milieunormen (concept) Windpark Horst en Telgt
Motivering milieunormen (concept) Windpark Horst en Telgt
Datum
14 december 2022
Versie
2.1
Auteur
Steven Velthuijsen
Bosch & Van Rijn Franz-Lisztplantsoen 220 3533 JG Utrecht Tel: Mail: Web:
030-677 6466 info@boschenvanrijn.nl www.boschenvanrijn.nl
© Bosch & Van Rijn 2022 Behoudens hetgeen met de opdrachtgever is overeengekomen, mag in dit rapport vervatte informatie niet aan derden worden bekendgemaakt. Bosch & Van Rijn BV is niet aansprakelijk voor schade door het gebruik van deze informatie
Motivering milieunormen (concept) Windpark Horst en Telgt
Inhoudsopgave H OOFDSTUK 1
INLEIDING
3
H OOFDSTUK 2
GEBIEDSANALYSE
5
H OOFDSTUK 3
NORMENKADERS
12
H OOFDSTUK 4
GELUID
13
H OOFDSTUK 5
SLAGSCHADUW
16
H OOFDSTUK 6
EXTERNE VEILIGHEID
18
H OOFDSTUK 7
LICHTSCHITTERING
20
1.1 1.2 1.3 2.1 2.2 3.1 3.2 3.3 4.1 4.2 4.3 4.4 5.1 5.2 6.1 6.2
Aanleiding Relatie met het MER Leeswijzer Gebiedstypen Milieu-indicatoren en beschrijving huidige milieukwaliteit Geluid Slagschaduw Externe veiligheid
Aandachtspunten o.b.v. gebiedsanalyse Normstelling Handhaafbaarheid Meten en rekenen Aandachtspunten o.b.v. gebiedsanalyse Normstelling Aandachtspunten o.b.v. gebiedsanalyse Normstelling
3 3 4 5 6
12 12 12 13 13 14 15 16 16 18 18
Inleiding 2
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1
Aanleiding Provincie Gelderland, Prowind B.V. en energiecoöperatie Veluwe-Energie zijn een m.e.r.-procedure gestart voor besluitvorming over een provinciaal inpassingsplan en vergunningen voor het beoogde windpark Horst en Telgt. Windpark Horst en Telgt betreft een plan voor de ontwikkeling van moderne windturbines ten oosten van de A28 in de buurtschappen Horst en Telgt, in de Veluwse gemeenten Ermelo en Putten. Provincie Gelderland heeft de concept NRD voor het beoogde windpark Horst en Telgt voor advies voorgelegd aan de Commissie voor de milieueffectrapportage (m.e.r.). Voor het meewegen van het milieubelang in de besluiten over windpark Horst en Telgt acht de Commissie voor de m.e.r. het van belang dat het milieueffectrapport (MER) een goede onderbouwing bevat van de kwaliteit van de leefomgeving die de provincie nastreeft en een vertaling daarvan in de normen voor geluid en slagschaduw. In het MER moet volgens de Commissie worden beoordeeld in hoeverre alternatieven aan de normen kunnen voldoen. De Commissie adviseert in dat verband om in het MER te starten met een beschouwing van mogelijke normstellingen op basis van gebiedskenmerken en adviseert om daarbij leefbaarheids- en gezondheidsdoelen van betrokken overheden te betrekken. Dit advies van de Commissie voor de m.e.r.
komt voort uit de huidige situatie waarin als gevolg van de uitspraak van de Raad van State van 30 juni 20211 de windturbinebepalingen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer niet langer geldig zijn voor windparken vanaf 3 windturbines. Omdat landelijke normen ontbreken moeten lokale normen worden gesteld. Deze normen worden opgenomen in de regels van het inpassingsplan en worden voorzien van een actuele, deugdelijke, op zichzelf staand en op de lokale situatie toegesneden motivering.
1.2
Relatie met het MER Aan het advies van de commissie voor de m.e.r. is als volgt opvolging gegeven: Ø Er is een gebiedsanalyse uitgevoerd, waarin het plangebied in ogenschouw is genomen. Deze is terug te vinden in Hoofdstuk 2 van dit document. Ø Daarnaast is in het MER voor WP Horst & Telgt voor geluid en slagschaduw een aantal mogelijke milieunormen onderzocht, om inzicht te bieden in de gevolgen van het opleggen van dergelijke normen: o Verbetering van de milieusituatie en o Mogelijke opbrengstderving en daarmee effect op de economische uitvoerbaarheid en daar mee het behalen van de doelstellingen.
1
Inleiding
Uitspraak Windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding, ECLI:NL:RVS:2021:1395
3
Ø Het MER biedt ook een onderbouwing van mogelijke normenkaders voor geluid, slagschaduw en externe veiligheid. Hierin komen bijvoorbeeld de verschillende mogelijke dosismaten2 voor geluid aan bod. Reden dat deze onderbouwing in het MER is opgenomen is dat de beoordelingscriteria van het MER ook gebruik maken van de normenkaders, onafhankelijk van door het bevoegd gezag op te leggen (en te onderbouwen) projectspecifieke milieunormen. De onderbouwing van de normenkaders in het MER ligt ook ten grondslag aan de keuze voor projectspecifieke milieunormen zoals die in voorliggend document beschreven worden.
1.3
Leeswijzer De motivering van projectspecifieke milieunormen start vanuit een analyse van de gebiedskenmerken en huidige milieukwaliteiten van het plangebied en studiegebied voor het beoogde Windpark Horst en Telgt (zie figuur 1), om te zorgen dat de motivering van de lokale normen op de lokale situatie toegesneden is. Vervolgens worden voor de onderwerpen zoals deze waren genormeerd in het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling milieubeheer, te weten geluid (Hoofdstuk 4), slagschaduw (Hoofdstuk 5), externe veiligheid (Hoofdstuk 6) en lichtschittering (Hoofdstuk 7) lokale normen beschreven.
2
Inleiding
De onderzochte dosismaten zijn LA,max, LAeq,LArLT, Lden en Lnight.
4
Hoofdstuk 2 Gebiedsanalyse Dit hoofdstuk bevat een analyse van de gebiedstypen en bijbehorende milieukwaliteiten en referentiewaarden die op het plangebied van toepassing zijn. Daarbij ligt de nadruk op de (milieu)hinder; voor windturbines veroorzaakt door geluid en slagschaduw. Het onderwerp externe veiligheid hangt vooral samen met de aanwezigheid van mensen (zowel qua duur als qua aantallen) in de omgeving van de windturbines. De daarbijhorende analyse is integraal onderdeel van het sectorale onderzoek naar externe-veiligheidseffecten in het MER, en valt daarmee buiten de scope van de gebiedsanalyse.
2.1
Gebiedstypen Aan de hand van voorkomende functies en potenties van een gebied kan het gebied worden getypeerd. Het plangebied en omgeving ten oosten van de A28 kan worden getypeerd als een laag-dynamisch gebied met overwegend agrarische activiteiten. Direct ten oosten van de A28 zijn landschappelijke waarden aanwezig die bij ruimtelijke ontwikkelingen worden beschermd3. Naarmate de afstand tot de snelweg toeneemt, neemt de dichtheid van woningen en bedrijfslocaties toe, waarbij agrarisch gebruik nog steeds de overhand heeft. Ten westen van de A28 is sprake van recreatiegebied en waternatuur. Zie Figuur 1.
Figuur 1
Gebiedstypen rondom WP Horst en Telgt en aanduiding plangebied (ovaal) en studiegebied (overig)
3
Gebiedsanalyse
Zie Landschapsontwikkelingsplan (LOP) Ermelo-Putten 2011-2021 en Structuurvisie Ermelo 2025
5
Onderstaande tabel licht de aanwezige gebiedstypen nader toe Tabel 1
Gebiedstypen en ruimtelijk functionele kenmerken Gebiedstype*
Hoofdfunctie Nevenfuncties Functiemenging Bebouwingsdichtheid Gebruiksintensiteit Opmerkingen
Agrarisch met landschappelijke waarden Landbouw
Agrarisch
Natuur
Grondgebonden Landbouw en intensieve veehouderij
Natuur
Wonen, Waterberging, Waterwinning, natuur Zeer matig Incidenteel Zeer laag Kansen voor natte landnatuur. Deels geldt ontwikkelingsdoel als Groene Ontwikkelzone
Wonen, Bedrijvigheid, Waterberging, Waterwinning, Natuur Matig Laag/Matig Laag Kansen voor agrarisch gebied met nevenfuncties
Extensieve recreatie, waterberging Zeer matig/Matig Laag/Matig Matig Recreatie is geconcentreerd in zone langs A28, tussen de weg en het Veluwerandmeer
* Typologie is afkomstig uit Handreiking Milieukwaliteit in de Leefomgeving (MILO) van IPO en VNG
Het gebied direct ten oosten van de snelweg A28 kan worden getypeerd met het gebiedstype ‘Agrarisch met landschappelijke waarden’. Daaraan grenzend, in oostelijke richting, kan het gebied worden getypeerd als ‘agrarisch’. De overgang tussen beide gebiedstypen sluit aan bij de begrenzing van het landbouwontwikkelingsgebied conform het zoneringsbeleid uit de Wet ammoniak en veehouderij (2007). Ten westen van de A28 is sprake van het gebiedstype ‘Natuur’ (water maakt deel uit van het Natura 2000 gebied Veluwerandmeren en wordt getypeerd als natuur).
2.2
Milieu-indicatoren en beschrijving huidige milieukwaliteit De kwaliteit van de leefomgeving wordt bepaald door verschillende aspecten. Het gaat om sectorale, milieugerelateerde aspecten maar ook om ecologische, sociale en economische kwaliteitsaspecten. Voorliggende gebiedsanalyse is opgesteld ter voorbereiding op de afweging van lokale normgrenzen voor geluid en slagschaduw. Voor het derde onderdeel van de windturbinebepalingen die met het Nevele arrest voorlopig buiten werking zijn gesteld, het Plaatsgebonden Risico (in het kader van Externe Veiligheid), speelt een gebiedsanalyse eigenlijk geen rol. In het externe veiligheidsbeleid wordt aan alle (beperkt) kwetsbare objecten, waar personen verblijven, eenzelfde veiligheidsniveau geboden. Omdat in de huidige situatie geen sprake is van een relevante risico’s als gevolg van overige bronnen (vervoer gevaarlijke stoffen, installaties) is er ook geen aanleiding voor een cumulatieve beschouwing van risico’s. Voor slagschaduw en geluid geldt dat, nu een landelijke norm ontbreekt, een gebiedsanalyse wel een rol speelt bij het bepalen van objecten en terreinen waarvoor een norm wordt gesteld en bij het motiveren van een op de lokale situatie toegesneden norm.
2.2.1
Geluid In het projectgebied is een belangrijke geluidbron aanwezig; de A28 (Figuur 2). De geluiduitstraling van overige wegen en van agrarische bedrijven is relatief gering en effecten treden alleen zeer lokaal op (Figuur 4).
Gebiedsanalyse
6
Figuur 2
Geluidbelasting Rijksweg A28 in Lden (Bron: RWS 2021). den staat voor day-evening-night.
In bovenstaande figuur is de geluiduitstraling van de snelweg A28 in Lden weergegeven. De geluidberekeningen zijn gebaseerd op verkeersintensiteiten uit 2021. Uit de berekening blijkt dat binnen een zone van circa 800 m ten oosten van de weg sprake is van een significante verhoging van het omgevingslawaai. Deze zone is aan de westzijde van de A28 groter dan 800 m, als gevolg van de verspreiding van geluid over water. Wateroppervlak heeft een minder dempende werking dan agrarisch gebied. Omdat verkeersintensiteiten van de A28 overdag en in de nacht verschillen, is tevens sprake van variatie in geluidniveaus. In de nachtperiode is daarom ook sprake van lagere geluidniveaus (Lnight) dan overdag (Lday) en in de avond (Levening). Het geluid van windturbines is afhankelijk van de windsnelheid maar nauwelijks van de dag, avond of nachtperiode. Gelet op de lagere geluidniveaus als gevolg van de A28 in de nachtperiode, is in het akoestisch onderzoek bekeken hoe het windturbinegeluid zich in de nacht verhoudt tot het wegverkeerslawaai.
Uit die analyse blijkt: Ø …dat gedurende de nacht de cumulatieve geluidsbelasting lager is dan overdag; Ø …dat de windturbines ’s nachts soms beter hoorbaar zullen zijn dan overdag, doordat het wegverkeerslawaai minder maskerend is; Ø …dat het wegverkeerslawaai in de nachtperiode bij alle onderzochte referentiewoningen nog steeds de grootste bijdrager is aan de cumulatieve geluidsbelasting. De Lnight geluidbelasting van de A28 is weergegeven in figuur 3.
Gebiedsanalyse
7
Figuur 3
Geluidbelasting Snelweg A28 in Lnight (bron: Rijkswaterstaat, 2021)
In figuur 4 is de cumulatieve geluidbelasting in het studiegebied weergegeven. Uit figuur 4 blijkt dat de rijksweg A28 de dominante geluidbron is in het plan- en studiegebied voor het MER. Verder is te zien dat langs overige wegen op eveneens sprake is van een verhoogde geluidbelasting. Deze effecten treden echter alleen op korte afstand van de weg op.
Gebiedsanalyse
8
Figuur 4
Cumulatief geluidniveau bronnen omgevingslawaai (Atlas leefomgeving, 2017).
Op grond van de Wet geluidhinder gelden voor snelwegen en wegen buiten de bebouwde kom diverse geluidnormen. Daarbij is sprake van een voorkeursgrenswaarden en ten hoogste toelaatbare waarden per type weg. De WHO heeft in 2018 de aanbeveling4 gedaan om geluidniveaus door wegverkeer in alle gevallen te reduceren tot 53 dB Lden op locaties waar personen verblijven. Aan deze waarde in relatie tot de geluidbelasting van de A28 kan bij nagenoeg alle (bedrijfs)woningen ten oosten van de A28 worden voldaan. De Minister van Infrastructuur en Waterstaat is als wegbeheerder verantwoordelijk voor het limiteren en reduceren van het aantal geluidgehinderden als gevolg van wegverkeerslawaai van snelwegen. Uit bovenstaande blijkt dat de A28 als dominante bron van wegverkeerslawaai invloed heeft op de beschermde en te ontwikkelen gebiedskwaliteiten, zoals het bevorderen van de nevenfunctie natuur. Op korte afstand van de A28 kan niet eenzelfde kwaliteitsniveau worden bereikt als op grotere afstand van de snelweg. Een verhoogd geluidniveau als gevolg van wegverkeerslawaai, op relatief korte afstand tot de weg, leidt ook tot een geringere toename van het cumulatieve geluidniveau dan op grotere afstand van de weg. Hoe groter de afstand hoe verder geluidniveaus van zowel snelweg als het beoogd windpark afnemen.
Dit effect is inzichtelijk gemaakt met behulp van cumulatieberekeningen in het akoestisch onderzoek dat is opgenomen in de bijlagen bij het Milieueffectrapport.
4
Gebiedsanalyse
World Health Organisation Regional Office for Europe, Environmental noise guidelines for the European Region, 2018.
9
Natuur Ten westen van de A28 is eveneens sprake van een relatief slechte akoestische gebiedskwaliteit als gevolg van wegverkeerslawaai. Op de westelijke oever van het Veluwerandmeer ten westen van de A28 is sprake van een geluidniveau als gevolg van wegverkeerslawaai van circa 55 dB Lden. Binnen deze zone langs de weg kan in geen geval een kwaliteit worden bereikt die wordt nagestreefd voor het gebiedstype ‘natuur’. Dit is van belang voor de beoordeling van geluid van windturbines; het bieden van hoge bescherming tegen geluid van windturbines draagt niet bij aan de gebiedskwaliteit vanwege de geluidniveaus die in de huidige situatie al aanwezig zijn. Laagfrequent geluid Wegverkeer en windturbines vormen beiden een bron van laagfrequent geluid, net als overige bronnen van omgevingslawaai. Voor al deze geluidbronnen geldt dat geluid in hogere frequenties op korte afstand van de bron wordt gedempt door de bodem en de lucht. Geluid in lagere frequenties wordt in mindere mate gedempt door lucht en bodem en reikt tot op grotere afstand. Op grotere afstand van de bron neemt het aandeel laagfrequent geluid in het berekende geluidniveau daarom toe. Geluid in lagere frequenties is het geluid dat op grotere afstand van de bron resteert. Voor wegverkeerslawaai gelden evenals voor windturbines geen landelijke normen voor laagfrequent geluid.
Het is niet gebruikelijk dat bij (toename van) wegverkeer onderzoek wordt gedaan naar laagfrequent geluid. Het geluid in lagere frequenties maakt deel uit van het totale geluidspectrum dat wordt genormeerd. Er is daarom geen aanleiding voor het uitvoeren van cumulatieberekeningen specifiek voor laagfrequent geluid van windturbines en wegverkeer.
2.2.2
Slagschaduw Als gevolg van draaiende rotoren van windturbines treedt bewegende slagschaduw op in de omgeving. Deze bewegende slagschaduw is hinderlijk op het moment dat die zorgt voor sterke wisselingen in lichtsterkte in een ruimte waar personen verblijven. Om die reden werd tot voor kort een normgrens gehanteerd voor schaduwgevoelige objecten waar personen verblijven. Ter plaatse van deze objecten werd ten hoogste 17 keer per jaar een schaduwduur van meer dan 20 minuten toegestaan. In de praktijk is dat vertaald naar een norm voor de totale schaduwduur (optelling van alle schaduwtijdvakken waarbij ook tijdsperiodes korter van 20 minuten zijn meegeteld) van 5 uur en 40 minuten (of ook wel 6 uur) per jaar. In jurisprudentie is bevestigd dat bij een dergelijke totale schaduwduur per jaar geen sprake kan zijn van het ontstaan van onaanvaardbare hinder als gevolg van slagschaduw. Wanneer niet aan de norm kan worden voldaan moet een stilstandregeling worden toegepast waarbij de windturbines automatisch worden afgeschakeld op het moment dat de norm dreigt te worden overschreden. Door één of meer windturbines voor korte tijd stil te zetten wordt bewegende slagschaduw op een object geheel voorkomen. (Bewegende) slagschaduw is een milieueffect dat enkel door windturbines veroorzaakt wordt.
Omdat in de huidige situatie geen windturbines in of nabij het plangebied voorkomen treedt er geen slagschaduw op.
Gebiedsanalyse
10
Er is op basis van de aanwezige gebiedstypen geen aanleiding om af te wijken van de algemeen toegepaste wetenschappelijke uitgangspunten op het gebied van hinderlijkheid van slagschaduw, zoals deze in het slagschaduwonderzoek t.b.v. het MER benoemd zijn. Er is sprake van een laagdynamisch gebied met zeer matige tot matige functiemenging. Om die reden bestaat voor de voorkomende gebiedstypen ‘Agrarisch’ en ‘Agrarisch met landschappelijke waarden’ geen aanleiding voor het stellen van een minder strenge norm voor slagschaduw op slagschaduwgevoelige objecten dan de voorheen geldende norm van een totale schaduwduur van 6 uur per woning per jaar. Bij een strengere norm dan de voorheen geldende norm kan sprake zijn van een verdere beperking van de kans op het ontstaan van hinder. Per categorie objecten moet worden bepaald wat de milieuwinst en opbrengstderving als gevolg van stilstand is bij het hanteren van een strengere norm dan 6 uur schaduwduur per jaar. De categorieën zijn: Ø Slagschaduwgevoelige objecten: gebouwen die bedoeld zijn voor permanent verblijf van personen (zoals woningen en zorginstellingen). Ø Deels-slagschaduwgevoelige objecten: gebouwen waar gedurende langere tijd personen aanwezig kunnen zijn, maar niet permanent verblijven (zoals scholen, kantoren en recreatiegebouwen en -terreinen5).
Eventueel kan bij het stellen van een norm rekening worden gehouden met specifieke omstandigheden zoals verblijfstijden waarbuiten in de regel geen personen aanwezig in de deels-slagschaduwgevoelige objecten.
5
Gebiedsanalyse
Slagschaduw is buitenshuis veel minder hinderlijk, doordat het contrast veel geringer is. Daarom worden terreinen doorgaans niet beschouwd in het kader van slagschaduw. Aangezien in de omgeving van WP Horst & Telgt enkele campings gelegen zijn, en mensen in tenten en caravans wel hinder kunnen ondervinden zijn deze recreatieterreinen als deelsslagschaduwgevoelige objecten beschouwd in deze motivering.
11
Hoofdstuk 3 Normenkaders Hoofdstuk XXX van het MER biedt inzicht in de mogelijke normenkaders voor geluid, slagschaduw en externe veiligheid en onderbouwt, op basis van de gebiedsanalyse, de beschikbare wetenschappelijke kennis en bestaand onderzoek dat de motivering van de ‘oude’ normen vormde, de volgende normsystematieken en normwaardes. De conclusie van dit MER-hoofdstuk is in onderstaande paragrafen overgenomen.
3.1
Geluid Ø 47 dB Lden en 41 dB Lnight uit de windturbinebepalingen uit het Activiteitenbesluit. Ø 45 dB Lden (adviesnorm van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO).
3.1.1
Geen apart toetsingskader voor laagfrequent geluid onderzocht Wegverkeer en windturbines vormen beiden een bron van laagfrequent geluid, net als overige bronnen van omgevingslawaai. Voor al deze geluidbronnen geldt dat geluid in hogere frequenties op korte afstand van de bron wordt gedempt door de bodem en de lucht. Geluid in lagere frequenties wordt in mindere mate gedempt door lucht en bodem en reikt tot op grotere afstand. Op grotere afstand van de bron neemt het aandeel laagfrequent geluid in het berekende geluidniveau daarom toe. Geluid in lagere frequenties is het geluid dat op grotere afstand van de bron resteert. Voor wegverkeerslawaai gelden evenals voor windturbines geen landelijke normen voor laagfrequent geluid. Het is niet gebruikelijk dat bij (toename van) wegverkeer onderzoek wordt gedaan naar laagfrequent geluid. Het geluid in lagere frequenties maakt deel uit van het totale geluidspectrum dat wordt genormeerd. Er is daarom geen aanleiding voor het uitvoeren van cumulatieberekeningen specifiek voor laagfrequent geluid van windturbines en wegverkeer.
3.2
Slagschaduw Ø Nagenoeg 0 uur slagschaduw per slagschaduwhindergevoelig object per jaar. Ø Maximaal 6 uur slagschaduw per slagschaduwhindergevoelig object per jaar. Ø Maximaal 10 uur slagschaduw per slagschaduwhindergevoelig object per jaar.
3.3
Externe veiligheid Voor externe veiligheid is slechts één alternatief als toetsingskader te onderscheiden. Dat is: Ø Plaatsgebonden risico van 10-5 voor beperkt kwetsbare objecten. Ø Plaatsgebonden risico van 10-6 voor kwetsbare objecten.
Normenkaders
12
Hoofdstuk 4 Geluid 4.1
Aandachtspunten o.b.v. gebiedsanalyse De omgeving van windpark Horst & Telgt is relatief dunbevolkt en kent reeds een hoge achtergrondgeluidsbelasting. Wonen is een nevenfunctie van het gebied: de hoofdfuncties zijn landbouw, veehouderij en natuur. Bij het bepalen van een passende geluidsnorm is het van belang om recht te doen aan de huidige situatie: woningen die al erg veel geluid van de snelweg ontvangen moeten beschermd worden tegen een ontoelaatbare cumulatieve geluidsbelasting. Voor de overige woningen geldt dat er uit de gebiedsanalyse geen reden naar voren komt om een extra strenge geluidsnorm toe te passen. Daarbij is in het MER ook specifiek gekeken naar de geluidsbelasting in de nachtperiode, in verband met de lagere bijdrage van de snelweg. Die analyse leidt voor dit plangebied niet tot uitzonderlijke conclusies; het is een relatief doorsnee buitengebied.
4.2
Normstelling De provincie Gelderland vindt de gezondheid van haar inwoners belangrijk. Om de gezondheid van omwonenden van het windpark te beschermen en onevenredige overlast te voorkomen legt de provincie een norm op voor geluid. Het concept Voorkeursalternatief bestaat uit 7 windturbines met een tiphoogte van 250 meter. Het MER voor WP Horst en Telgt berekent de jaargemiddelde geluidbelasting op de gevel van woningen in de wijde omgeving. Daarbij is tevens inzicht verschaft in het statistisch verwacht aantal ernstig gehinderden op basis van de dosis-effectrelatie en de jaarlijkse energie-opbrengst.
Tabel 2
Samenvatting geluid en opbrengst en het effect van verschillende normgrenzen (bron: MER).
Aantal ernstig gehinderden Percentage van de populatie6 Energieproductie (GWh/jr) Opbrengstderving Bijdrage RES-doelstelling
Geen geluidsnorm 22 1,9%
47 dB Lden 10 0,9%
45 dB Lden 5 0,4%
144 27%
135 7% 25%
119 17% 22%
Op basis van de gebiedsanalyse enerzijds en het inzicht in het effect van verschillende normen anderzijds stelt de provincie zich op het standpunt dat een geluidsnorm van 47 dB Lden een juiste balans kent tussen de beperking van hinder enerzijds en het belang van de energietransitie anderzijds. 6
Geluid
489 dichtsbijgelegen woningen, met 2,3 bewoners per woning: 1125 omwonenden. Zie het hoofdstuk Geluid in het MER voor een nadere toelichting van deze definitie.
13
Uit het akoestisch onderzoek ten behoeve van het MER is naar voren gekomen dat de jaargemiddelde geluidsbelasting in de nachtperiode (Lnight) ter plaatse van gevoelige objecten nergens hoger is dan 41 dB. De provincie kiest ervoor om geen aanvullende planregel op te nemen voor geluid in de nachtperiode. Gezien het constante karakter van windturbinegeluid (de verschillen tussen dag-, avond- en nachtperiode zijn beperkt) en de straffactor van +10 dB die standaard deel uitmaakt van de Lden-methodiek is het nachtelijke geluidsniveau afdoende beschermd bij toepassing van een Lden-norm. Het MER toont aan dat het aantal ernstig gehinderden gering is, ook ten opzichte van andere recente Gelderse windprojecten, zoals getoond in onderstaande figuur. Tabel 3
Aantal ernstig gehinderden als gevolg van windturbinegeluid van enkele recent vergunde en/of bestemde windparken in Gelderland.
4.3
Handhaafbaarheid Een goede ruimtelijke ordening betekent niet alleen het bieden van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, maar ook het bieden van vertrouwen dat handhavend kan worden opgetreden indien overtreding van de norm blijkt. De Activiteitenregeling milieubeheer biedt reeds een voorgeschreven aanpak voor handhaving. Door recente ervaringen bij enkele Nederlandse windparken is gebleken dat windturbines in uitzonderlijke gevallen akoestische eigenschappen vertonen die niet overeenstemmen met de (gecertificeerde) technische specificaties die worden aangeleverd door de fabrikant. De provincie beraadt zich op aanvullende planregels en/of vergunningvoorschriften om handhavend te kunnen optreden indien windturbines sterk afwijkende akoestische eigenschappen blijken te hebben, bijvoorbeeld op het gebied van laagfrequent geluid, tonaal geluid of piekgeluid, ook als daarbij de Lden-norm niet wordt overschreden.
Geluid
14
4.4
Meten en rekenen Om de geluidsbelasting te berekenen is een rekenmethodiek vereist die rekening houdt met de specifieke eigenschappen van windturbinegeluid. Het document ‘Reken- en meetvoorschrift Windturbines7’ is specifiek opgesteld voor het berekenen van windturbinegeluid. De overdrachtsberekeningen van deze rekenmethode zijn integraal overgenomen van de ”Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai“ (HMRI), uitgave 1999 van het Ministerie van VROM, methode II.8. Het HMRI is op zijn beurt op vele fronten vergelijkbaar8 met ISO 9613-2, de volgens de EU-richtlijn aanbevolen methode voor overdrachtsberekeningen voor industriegeluid (windturbinegeluid wordt niet genoemd in de EU-richtlijn). Het Reken- en meetvoorschrift windturbines is gebaseerd op het HMRI, maar is aangevuld met onderdelen die specifiek voor windturbines van belang zijn. Zo komt de beschreven methode om geluidbronmetingen uit te voeren grotendeels overeen met de methode die in IEC 61400-11 wordt beschreven. Daarnaast worden, om de jaargemiddelde geluidemissie van een windturbine te bepalen, windsnelheidsverdelingen beschikbaar gesteld9 op ashoogtes tussen 10 en 260 meter. Het windturbinegeluid is berekend met het rekenprogramma Geomilieu, module IL-WT. Dit rekenprogramma volgt het Rekenen meetvoorschrift windturbines.
Bij de beoordeling van geluid wordt primair gekeken naar de effecten op geluidgevoelige objecten zoals die zijn gedefinieerd in artikel 1 van de Wet geluidhinder. Overige objecten en terreinen worden niet beschermd tegen andersoortige geluidbronnen en worden daarom voor windturbinegeluid eveneens buiten beschouwing en normering gelaten. Op basis van voorgenoemde redenen wordt het Reken- en meetvoorschrift windturbines toepasbaar geacht om geluidberekeningen uit te voeren voor windturbinegeluid. De methodiek in het Reken- en meetvoorschrift is de best beschikbare methode waarmee de gevolgen voor het milieu inzichtelijk kunnen worden gemaakt.
7
8 9
Geluid
Het Reken- en meetvoorschrift windturbines is in te zien als Bijlage 4 bij de Regeling algemene regels voor inrichtingen milieubeheer zoals deze gold op 29 juni 2021. https://wetten.overheid.nl/BWBR0022830/2017-01-01#Bijlage4 Brief van de minister van VROM, 31 209, nr 135, 28-9-2010 Brief van de StaS van Economische Zaken en Klimaat d.d. 9 juni 2021, DGKE-WO/21119163
15
Hoofdstuk 5 Slagschaduw 5.1
Aandachtspunten o.b.v. gebiedsanalyse Hoewel het gebied relatief dunbevolkt en open is zijn de windturbines groot en werpen zij slagschaduw over een groot gebied. Wel geldt, hoe verder van de windturbines, des te korter de jaarlijkse slagschaduwduur per object.
5.2
Normstelling De provincie Gelderland vindt het belangrijk om de omgeving van een windpark te beschermen tegen onevenredige slagschaduwhinder en legt daarom slagschaduwnormen op. Het concept voorkeursalternatief bestaat uit 7 windturbines met een tiphoogte van 250 meter. Het MER voor WP Horst en Telgt berekent voor objecten in de ruime omgeving van het windpark de verwachte jaarlijkse slagschaduw. Daarbij is tevens inzicht verschaft in de jaarlijkse energie-opbrengst. Onderstaande tabel vat samen.
Tabel 4
Samenvatting slagschaduw en opbrengst en het effect van verschillende normgrenzen (bron: MER).
Aantal objecten waarvoor stilstandregeling in werking treedt Bruto slagschaduw op objecten (u/jr) Inschatting van jaargemiddelde benodigde stilstand11 (u/jr) Dervingspercentage voor 7 windturbines
10u/jr 153 3.972 993 1,6%
6u/jr 228 4.091 1.023 1,7%
0u10/jr 1.038 4.207 1.052 1,7%
Door de grote hinderlijkheid van binnenshuis optredende slagschaduw is het beperken van de slagschaduwduur voor de provincie van groot belang. Daarbij kan onderscheid gemaakt worden tussen verschillende soorten objecten op basis van de tijd dat er mensen verblijven, en dus de kans dat er hinder optreedt: Ø Slagschaduwgevoelige objecten: gebouwen die bedoeld zijn voor permanent verblijf van personen (zoals woningen en zorginstellingen). Op basis van de gebiedsanalyse enerzijds en het inzicht in het effect van verschillende normen anderzijds stelt de provincie zich op het standpunt dat een slagschaduwnorm van 6 uur per slagschaduwgevoelig object per jaar een juiste balans kent tussen de beperking van hinder enerzijds en het belang van de energietransitie anderzijds. Ø Deels-slagschaduwgevoelige objecten: gebouwen waar gedurende langere tijd personen aanwezig kunnen zijn, maar niet permanent verblijven (zoals scholen, 10
11
Slagschaduw
Onder 0u/jr wordt verstaan: nagenoeg 0 uur per jaar. Dit omdat een windturbine bij plotseling optredende slagschaduw korte tijd nodig heeft om (automatisch) tot stilstand te komen. De verwachte gemiddelde stilstand is veel lager dan de maximaal berekende (‘bruto’) stilstand, omdat de zon niet altijd schijnt, het niet altijd hard genoeg waait om de windturbines te laten draaien, en de wind niet altijd uit zo’n richting komt dat de slagschaduw op zijn breedst is.
16
kantoren en recreatiegebouwen). Voor de omgeving van WP Horst & Telgt geldt dat de deels-slagschaduwgevoelige objecten allen campings zijn, op 1 (bestemd, maar nog niet gebouwd) hotel na. Deze objecten en terreinen zijn niet jaarrond bewoond, en de verblijfstijd van gasten is doorgaans kort (dagen tot misschien enkele weken in zomer). Het MER maakt de slagschaduweffecten op deze objecten inzichtelijk (Tabel 5). Hieruit blijkt dat de hoeveelheid slagschaduw gering is, zeker wanneer ook de periode waarbinnen de slagschaduw jaarlijkse kan optreden in ogenschouw wordt genomen. Tabel 5
Slagschaduw bij campings in de omgeving van het plangebied (Bron: MER). Camping slagschaduw Kwalitatieve beschrijving van gem. slagschaduw per dag tijdens de slagschamoment van optreden [uu:mm]/jr duwperiode Slagschaduw buiten vakantieseizoen Strand Horst 20:39 Vanaf circa begin november 11 minuten t/m half februari, tussen 13:30 en 15:00. De Berkebomen 10:58 Vanaf circa begin november 7 minuten t/m begin februari, tussen 14:45 en 16:00 Dasselaar 01:24 Korte periodes (1-2 weken) in 15 minuten februari, maart, eind september en eind november. Korte tijdsduur (minder dan 30 minuten) rond zonsopgang. Slagschaduw (deels) binnen vakantieseizoen RCN Vakantiepark 12:38 Vanaf begin september t/m 3 minuten begin april. Maximaal 1,5u na Zeewolde zonsopgang. De Banken 11:14 Vanaf eind augustus tot en 2 minuten met half april is slagschaduw mogelijk, maximaal 1 uur na zonsopgang. De Distel 08:16 Vanaf half augustus tot en 1 minuut met begin mei is slagschaduw mogelijk, maximaal 1 uur na zonsopgang. Mariahoeve 03:36 Vanaf circa eind mei t/m half 4 minuten juli, tussen 20:45 en 21:15 Slagschaduw op bestemd (maar nog niet gebouwd) hotel Hotel Strand Horst 17:4912 Vanaf begin november tot 10 minuten half februari.
Gelet op deze resultaten acht de provincie Gelderland het niet nodig om aanvullende bescherming te bieden tegen slagschaduw op campings in de vorm van een aanvullende norm. Hetzelfde geldt voor het hotel.
12
Slagschaduw
De precieze hoeveelheid slagschaduw varieert over het bouwvlak tussen de 8:23 en 17:49 uur per jaar.
17
Hoofdstuk 6 Externe veiligheid 6.1
Aandachtspunten o.b.v. gebiedsanalyse Op basis van de gebiedsanalyse kan geconcludeerd worden dat het plangebied niet uitzonderlijk is voor wat betreft de aspecten die voor externe veiligheid van belang zijn: Ø Aantallen en dichtheid van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten Ø Aantallen en dichtheid van risicovolle installaties Ø Nabijheid van transport gevaarlijke stoffen. Voor de laatste twee punten geldt dat de positionering van de windturbines tot stand is gekomen met kennis van aan te houden minimumafstanden, waardoor deze aspecten geen rol van betekenis spelen.
6.2
Normstelling De volgende tekst is overgenomen uit het hoofdstuk ‘Normenkaders voor slagschaduw, geluid en externe veiligheid” in het MER: Hoewel het risico zeer klein is, kunnen windturbines omvallen of kunnen er onderdelen afbreken. Het risico van de windturbines op de omgeving wordt beoordeeld aan de hand van een aantal criteria, die zijn afgeleid uit wet- en regelgeving en adviezen voor toetsing van beheerders van infrastructurele werken. Daarbij wordt gewerkt met verschillende faalscenario’s voor (onderdelen van) de windturbine: gondelfalen, mastfalen en bladworp. Als gevolg van deze faalscenario’s kan er schade of letsel ontstaan in de omgeving van de windturbine waar deze onderdelen terechtkomen. Het externe-veiligheidsbeleid van alle risicobronnen is met introductie van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) in 2004 gelijkgetrokken. Het hanteren van PR10-5 en PR10-6 voor een aanvaardbaar risico dateert van eerder, zo wordt het onder andere genoemd in het Nationaal milieubeleidsplan 4 (juni 2001) maar ook daarvoor werd deze norm als aanvaardbaar gehanteerd. De vuurwerkramp in Enschede (2000) en het daarop volgende rapport van de commissie Oosting hebben er toe geleid dat het gehele externe-veiligheidsbeleid in Nederland tegen het licht is gehouden en er uiteindelijk maatschappelijk aanvaardbare normen in het Bevi zijn vastgelegd.
Er is geen aanleiding om te twijfelen aan de aanvaardbaarheid van de plaatsgebonden risiconiveaus van 10-5 en 10-6 die optreden voor andere risicobronnen. Met een overlijdenskans van 1 op de 100.000 jaar bij continu jaarrond onbeschermd verblijf op de 10-5-contour bij beperkt kwetsbare en 1 op de 1.000.000 jaar bij kwetsbare objecten op de 10-6-contour is daarmee sprake van een risico dat aanmerkelijk lager ligt dan andere algemeen aanvaarde (maatschappelijke) risico’s en gelijk is aan andere risicobronnen van externe veiligheid.
Externe veiligheid
18
De provincie Gelderland vindt de veiligheid van haar inwoners belangrijk. Ten behoeve van de beoordeling van de externe-veiligheidsrisico’s voor (beperkt) kwetsbare objecten kiest de provincie er daarom voor om een beschermingsniveau te hanteren dat overeenkomt met de normstelling voor overige risicovolle activiteiten, volgend uit diverse externe-veiligheidsbesluiten zoals het Bevi, Bevb en Bevt. Omdat in deze besluiten een aanvaardbare kans op overlijden is omschreven die niet afhankelijk is van het type inrichting acht de provincie het niet nodig voor windturbines afwijkende normen voor te schrijven. Ø Het plaatsgebonden risico voor een kwetsbaar object, veroorzaakt door een of meer windturbines van WP Horst & Telgt, is niet hoger dan 10-6 per jaar. Ø Het plaatsgebonden risico voor een beperkt kwetsbaar object, veroorzaakt door een of meer windturbines van WP Horst & Telgt, is niet hoger dan 10-5 per jaar. Ten behoeve van het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen stelt de provincie daarnaast aanvullende eisen op het gebied van certificering, veiligheid en onderhoud. Voor de definitie van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten kan worden aangesloten bij de definitie uit artikel 1 lid 1b en artikel 1 lid 1l uit het Bevi.
Voor het berekenen van het plaatsgebonden risico kan gebruik worden gemaakt van het door het RIVM opgestelde Rekenvoorschrift Omgevingsveiligheid Module IV – Windturbines. Dit rekenvoorschrift bevat de meest actuele en recente rekenmethoden om het plaatsgebonden risico rondom een windturbine te bepalen.
Externe veiligheid
19
Hoofdstuk 7 Lichtschittering Aangezien hinder als gevolg van lichtschittering eenvoudig kan worden voorkomen door niet-reflecterende materialen of coatinglagen te gebruiken op de onderdelen die hinder veroorzaken is een lokale motivering niet doelmatig. De tekst uit de activiteitenregeling kan integraal worden overgenomen: Ten behoeve van het voorkomen of beperken van slagschaduw en lichtschittering wordt lichtschittering bij het in werking hebben van een windturbine zoveel mogelijk voorkomen of beperkt door toepassing van niet reflecterende materialen of coatinglagen op de betreffende onderdelen. Het meten van reflectiewaarden vindt plaats overeenkomstig NEN-EN-ISO 2813 of een daaraan ten minste gelijkwaardige meetmethode.
Lichtschittering
20